Spurgeon laat eerst door tegenstelling en vergelijking zien wat de rust van de hemel inhoudt. Vervolgens verheerlijkt hij deze rust als een volmaakte, gepaste, eeuwige en zekere rust voor het volk van God.
Spurgeon behandelt de heiliging van het gewone leven: eerst het horen van de bellen der paarden, in oorlog, staatsie, ontspanning, reizen, handel en zware arbeid, daarna het prijzen van hun muziek, en ten slotte de oproep om de eigen bellen, thuis, in de keuken, in de winkel, op deze noot te stemmen.
Spurgeon behandelt de heerlijke verkondiging dat een iegelijk die de Naam des Heeren aanroept, behouden zal worden — haar kostbaarheid, haar tegenwoordige geldigheid, haar onbeperkte bereik en de eenvoud van de eis — en sluit af met de leerzame verklaring over het overblijfsel dat de Heere Zelf roept.
Spurgeon behandelt het karakter, de oorzaak en het gevolg van de grote verandering die de genade van God in het hart werkt: van gehecht zijn aan de afgoden, naar de spontane, hartelijke, blijvende uitroep "wat heb ik meer met de afgoden te doen?" Hij wijst op het verhoorde gebed en het zicht op Christus' schoonheid als twee wegen waarlangs deze verandering gewerkt wordt.
Naar aanleiding van Jeremia's koop van de akker te Anathoth, met een verzegelde en een open koopbrief, laat Spurgeon zien dat gelovigen twee soorten bewijzen van hun erfenis in Christus hebben: verzegelde bewijzen die alleen zijzelf en God kennen, en open bewijzen die ook anderen kunnen zien. Hij sluit af met het gebruik van deze bewijzen tot troost, tot verweer tegen satan en voor de laatste dag.
Spurgeon wijst eerst de gewone, menselijke weg af: kwaad met kwaad vergelden voelt rechtvaardig aan, maar overwint niets en beschadigt de wreker zelf het meest. Alleen de goddelijke weg — het kwade actief overwinnen met goeddoen aan de vijand — ontwapent de tegenstander werkelijk en weerspiegelt de gezindheid van Christus Zelf.
Spurgeon opent Gods belofte aan de gevangen Jeremia in drie delen: een ruime belofte op het gebed, de verzwegen erkenning dat Gods volk niet alles weet, en de vier terreinen waarop God die onwetendheid wegneemt. Naar de maat van ons geloof wordt ons gegeven — wie een grote kom bij God brengt, krijgt die gevuld.
Spurgeon laat zien dat het "dal van de schaduw des doods" niet alleen ziet op het sterven, maar op alle perioden van geestelijke duisternis, beproeving, gevaar en onzekerheid die Gods kinderen onderweg naar de hemel kunnen ervaren. Toch hoeft de gelovige niet te vrezen, omdat Christus, de goede Herder, met Zijn tegenwoordigheid, leiding, tucht en bescherming Zijn volk veilig door elke beproeving...
In deze preek over Martha en Maria uit het Evangelie van Lukas 10:41–42 laat Spurgeon zien dat het enige wat nodig is niet ijverige dienstbaarheid is, maar een levend geloof in Jezus Christus en rust aan Zijn voeten. Hij roept gelovigen en zoekenden op om het beste deel te kiezen: Christus Zelf, Die het enige blijvende fundament en de enige bron van ware vrede, genade en behoudenis is.