Een preek van C.H. Spurgeon, uitgesproken op zondagmorgen 24 mei 1857 in de Music Hall te Royal Surrey Gardens.
Er blijft dan een rust over voor het volk Gods. Hebreeën 4:9
In het laatste gedeelte van het vorige hoofdstuk en aan het begin van dit hoofdstuk laat de apostel zien dat er in de Schrift een rust wordt beloofd, die de rust van God wordt genoemd. Hij laat zien dat Israël die rust niet is binnengegaan, want God zwoer in Zijn toorn: ‘Indien zij in Mijn rust zullen ingaan!’ Vervolgens maakt de apostel duidelijk dat deze belofte niet alleen betrekking had op de rust in het land Kanaän. David sprak immers vele jaren later opnieuw over een rust die nog moest komen. Als de rust alleen op Kanaän betrekking had gehad, zou David daar niet opnieuw over hebben gesproken. De rust die God heeft beloofd, is dus nog steeds beschikbaar. Degenen aan wie zij oorspronkelijk was beloofd, zijn vanwege hun ongeloof niet binnengegaan. Daarom blijft deze rust nog over voor anderen die haar door het geloof zullen binnengaan.
Daarom zegt de apostel: ‘Er blijft dan een rust over voor het volk Gods.’
‘Mijn rust’, zegt God — de rust van God! Is er iets heerlijkers denkbaar dan deze rust? In onze tekst wordt deze rust in de oorspronkelijke taal aangeduid als een sabbatsrust. Het gaat daarbij niet om de sabbat zelf, maar om de rust die de sabbat kenmerkt.
Het gaat dus niet om het uiterlijke ritueel van de sabbat, dat voor de Joden was voorgeschreven, maar om de diepere betekenis ervan: de innerlijke rust, vreugde en vrede die de christen in God mag vinden. “Er blijft dan over” — omdat anderen haar niet hebben ontvangen en omdat sommigen haar nog zullen ontvangen — “er blijft dan een rust over voor het volk Gods.”
Deze rust wordt, naar ik geloof, reeds ten dele op aarde genoten. Want wij, die geloofd hebben, gaan in de rust, omdat wij hebben opgehouden van onze eigen werken, zoals God van de Zijne. Maar de volle vervulling en rijke genieting van deze rust wacht ons in de toekomstige en eeuwige staat van de zaligen, aan de andere zijde van de rivier des doods!
Daarover zal het onze verrukkelijke taak zijn om deze morgen iets te spreken. En o, zou God mij helpen om ook maar één van Zijn zwakke heiligen op de vleugels van de liefde op te heffen, zodat hij binnen de sluier kan kijken en de vreugden van de toekomst kan zien, dan zou ik zeer tevreden zijn. Dan zou ik in ten minste één hart de vreugdeklokken hebben laten luiden, één oog van vreugde hebben doen stralen en één geest licht hebben gemaakt van blijdschap!
De rust van de hemel! Eerst wil ik u laten zien wat zij is, en daarna hoe heerlijk zij is.
I. Ten eerste zal ik trachten de rust van de hemel TE TONEN; en terwijl ik dat doe, zal ik haar eerst tonen door middel van tegenstelling en vervolgens door middel van vergelijking.
1. Om te beginnen zal ik trachten de hemel te tonen door middel van tegenstelling. De rust van de rechtvaardigen in de heerlijkheid moet nu worden gesteld tegenover bepaalde andere zaken. We zullen haar eerst tegenover de beste toestand van de wereldling en de zondaar plaatsen.
De wereldling verkeert dikwijls in een voorspoedige toestand. Soms lopen zijn kuipen over, zijn schuren zijn volgepropt en zijn hart is vol vreugde en blijdschap. Er zijn tijden waarin hij bloeit als een groene laurierboom, waarin akker aan akker en huis aan huis wordt toegevoegd, waarin hij zijn schuren afbreekt en grotere bouwt, en waarin de rivier van zijn vreugde vol is en de oceaan van zijn leven haar hoogtepunt van vreugde en voorspoed heeft bereikt! Maar ach, geliefden, de toestand van de rechtvaardigen in de hemel is geen moment te vergelijken met de vreugde van de zondaar. Zij is zo oneindig veel groter, zo onmetelijk verheven, dat het onmogelijk lijkt dat ik zelfs maar zou proberen haar daartegenover te stellen! De wereldling heeft, wanneer zijn koren en zijn wijn vermeerderd zijn, een vrolijk oog en een vreugdevol hart. Maar zelfs dan wordt hij gekweld door de akelige gedachte dat hij zijn rijkdom misschien weldra moet verlaten. Hij herinnert zich dat de dood hem kan wegnemen, dat hij dan al zijn kostbare bezittingen moet achterlaten en moet slapen zoals de geringen van het land, in een nauwe kist — anderhalve meter aarde als zijn enige erfdeel.
Maar zo is het niet met de rechtvaardige mens — hij heeft een “onbevlekkelijke, en onverwelkelijke erfenis” verkregen.
Hij weet dat er geen enkele mogelijkheid is dat hij zijn vreugden zal verliezen —
“Hij is veilig en gezegend,
heeft afgedaan met zonde, zorg en wee,
en rust nu bij Jezus.”
Vrij vertaald; om de betekenis te bewaren is het rijm losgelaten.
Hij heeft geen vrees voor de ontbinding, geen angst voor de kist of het lijkkleed en in zoverre is het leven van de hemel het niet waard om vergeleken te worden met het leven van de zondaar! Maar de wereldling heeft, te midden van al zijn vreugden, altijd een worm aan de wortel ervan. U, aanbidders van het genoegen! De blos op uw wangen is dikwijls slechts een geschilderde schijn! Ach, u zonen en dochters van de vrolijkheid! De lichte voeten van uw dans stemmen niet overeen met het zware leed van uw ellendige geest! Bekent u niet dat, als u door de opwinding van gezelschap voor een tijd de leegte van uw hart vergeet, toch de stilte, het uur van middernacht en de wakende uren in uw bed u er soms aan herinneren dat er iets gezegenders moet zijn dan het loutere zwerven in de vrolijkheid waarin u nu verkeert?
U beproeft de wereld en zoekt daarin uw geluk. Maar zeg mij eens: vindt u haar uiteindelijk niet leeg? Moet er niet van de wereld worden gezegd wat een oude wijsgeer eens van haar zei? Hij stelde zich de wereld voor als iemand die haar in zijn handen hield en erop sloeg om naar het geluid te luisteren. Toen riep hij uit: ‘Raak haar aan! Raak haar nog eens aan! Laat haar klinken. Ze is hol en leeg!’
Zo is het met de wereld. U weet dat het zo is. En als u dat nu nog niet inziet, komt er een dag waarop u, nadat u haar zoetigheden hebt geproefd, door haar doornen zult worden gestoken. Dan zult u ontdekken dat niets werkelijk kan bevredigen wat niet met God begint en met God eindigt.
Maar zo is het niet voor de christen in de hemel. Daar zijn geen nachten. En zelfs wanneer er momenten van stilte en rust zijn, wordt hij voortdurend vervuld met een onuitsprekelijke vreugde. De rivier van zijn geluk stroomt altijd vol en rijk, zonder dat er ook maar één kiezelsteen van verdriet is die het water doet rimpelen. Hij kent geen kwellend geweten en geen pijnlijke leegte die de wereld nooit kan vullen. Hij is overvloedig gezegend, verzadigd met Gods gunst en vervuld met de goedheid van de Heere.
En u weet, wereldlingen, dat juist uw beste omstandigheden vaak grote zorgen met zich meebrengen, omdat u bang bent ze kwijt te raken. U bent toch niet zo dwaas om te denken dat rijkdom eeuwig blijft? U, die zaken doet, merkt maar al te vaak dat rijkdom vleugels krijgt en wegvliegt. U hebt een vermogen opgebouwd, maar ontdekt dat het moeilijker is om het te behouden dan om het te verwerven.
U zoekt naar zekerheid, maar telkens weer blijkt dat u zich vastklampt aan schaduwen die verdwijnen. De voortdurende zorgen van het zakenleven en de steeds veranderende omstandigheden van het leven geven u maar al te vaak reden tot bezorgdheid. U bent bang dat u uw goden zult verliezen; bang dat uw kalebas door de worm wordt aangetast, verdort en neerzakt, en dat uw schaduw u wordt ontnomen.
Maar zo is het niet met de christen! Hij woont in een huis dat nooit zal vergaan. Hij draagt een kroon waarvan de glans nooit zal verdwijnen en een gewaad dat nooit zal verslijten. Zijn zaligheid kan hem nooit worden ontnomen, en hij kan haar zelf evenmin verliezen. Hij staat vast als een marmeren pilaar in de tempel van God.
Laat de wereld maar schudden en laat de storm haar maar heen en weer slingeren als een kinderwieg. Boven die wereld, boven de voortdurende omwentelingen van de sterren, staat de christen veilig, vast en onbeweeglijk. Zijn rust is oneindig groter dan de uwe!
Ach, u zou kunnen rondkijken bij de fabelachtige rijkdom van oosterse vorsten. U zou hun kostbare rustbedden kunnen zien, hun heerlijke wijnen kunnen proeven en al hun pracht en vermaak aanschouwen. Hoe betoverend is de muziek die hen in slaap wiegt! Hoe zacht beweegt de waaier die hen naar hun sluimering begeleidt! Maar ach—
‘Ik zou mijn gezegende staat niet ruilen
voor alles wat de wereld goed of groot noemt.
En zolang mijn geloof zijn houvast bewaart,
benijd ik de zondaar zijn goud niet.’
Vrij vertaald; om de betekenis te bewaren is het rijm losgelaten.
Ik acht zelfs de rijkste, hoogste en edelste levensstaat die een werelds mens kan bereiken, niet waard om vergeleken te worden met de vreugde die hierna geopenbaard zal worden in de harten van hen die geheiligd zijn! O, verkwistende stervelingen, die voor één vrolijke dans en een roes van werelds genot een eeuwigheid van vreugde prijsgeven! O, dwazen, die naar zeepbellen grijpen en de werkelijkheid verliezen! O, duizendmaal dwaze mensen, die naar schaduwen grijpen en het wezenlijke laten varen! Wat? Heren, denkt u werkelijk dat een korte tijd van genoegen, een paar jaren van vrolijkheid en vermaak — slechts een korte tijd waarin u wordt meegesleept door de zaken en genoegens van deze wereld — kan opwegen tegen een eeuwigheid van onverwelkelijke zaligheid? O, hoe dwaas zult u uzelf achten wanneer u eenmaal in de eeuwigheid bent aangekomen! Wanneer u, buitengesloten van de hemel, de gezegende heiligen zult zien, meen ik uw treurige alleenspraak al te horen:
‘O, wat heb ik mijn ziel goedkoop verkocht! Wat een armzalige prijs heb ik gekregen voor alles wat ik nu verloren heb! Ik heb het paleis en de kroon verloren, de vreugde en de zaligheid voor eeuwig, en ben opgesloten in de hel! En waarvoor heb ik dat alles verloren? Voor een wellustige, losbandige kus. Voor een vrolijk, dronken lied. Voor slechts enkele korte jaren van genot — genoegens die uiteindelijk niet meer waren dan geschilderde schaduwen van werkelijk geluk!’
O, ik meen u al voor mij te zien in uw verloren staat: uzelf vervloekend en uw haren uitrukkend, omdat u de hemel voor een handvol waardeloos geld hebt verkocht en het eeuwige leven hebt ingeruild voor armzalige penningen die u in een oogwenk hebt uitgegeven en die uw handen brandden terwijl u ze uitgaf! O, was u toch wijs, zodat u deze zaken tegen elkaar zou afwegen en zou bedenken dat zelfs een leven van het grootste aardse geluk niets is in vergelijking met de heerlijkheid van het hiernamaals! Daar geldt immers: ‘Er blijft dan een rust over voor het volk Gods.’ Laat mij het nu vanuit een aangenamere tegenstelling bezien. Ik wil de rust van de gelovige in de hemel tegenover de moeitevolle toestand van de gelovige hier op aarde stellen, zoals hij die soms ervaart. Christenen hebben hun smarten. De zon heeft haar vlekken, de hemel haar wolken, en ook het leven van een christen kent zijn zorgen en verdriet. Maar o, wat zal de toestand van de rechtvaardigen daarboven verschillen van die van de gelovige hier beneden!
Hier draagt de christen zijn zorgen. Hij verlangt ernaar zijn Meester te dienen en getrouw te zijn in zijn tijd en onder zijn geslacht. Zijn voortdurende gebed is: ‘Help mij om U te dienen, o mijn God.’ Dag na dag ziet hij uit naar gelegenheden om goed te doen. En is hij een ijverige christen, dan zal hij veel arbeid en moeite kennen in zijn verlangen om zijn Meester te dienen. Er zullen momenten komen waarop hij zegt: ‘Mijn ziel verlangt ernaar om heen te gaan. Ik ben het werk niet moe, maar ik ben wel moe geworden in het werk. Zo te zwoegen in de hitte van de dag, al is het voor een goede Meester, is niet wat mijn ziel op dit moment verlangt.’
Maar, christen, de dag zal spoedig voorbij zijn en dan zult u niet langer hoeven te zwoegen. De zon neigt reeds naar de horizon. Straks zal zij ondergaan, maar zij zal weer opgaan in een heerlijker dag dan u ooit tevoren hebt aanschouwd!
Daar, in de hemel, hoeft Luther niet langer een donderend Vaticaan te trotseren. Paulus hoeft niet meer van stad tot stad en van werelddeel tot werelddeel te trekken. Daar hoeft Baxter niet langer op zijn kansel te zwoegen en met een gebroken hart te prediken tot hardvochtige zondaars. Daar hoeft Knox niet meer uit de keel te roepen en zich niet in te houden tegen de ongerechtigheden van de valse kerk.
Daar zullen geen uitgeputte longen meer zijn, geen schorre keel en geen pijnlijke ogen. Daar zal de zondagsschoolleraar niet meer ervaren dat zijn zondag een dag van blijde vermoeidheid is. Daar zal de verspreider van traktaten niet langer worden afgewezen. Nee, daar zullen allen die hun land en hun God hebben gediend, allen die met al hun kracht hebben gearbeid voor het welzijn van hun medemensen, binnengaan in de eeuwige rust! Het zwaard is in de schede gestoken, het vaandel is opgerold, de strijd is gestreden en de overwinning is behaald! En zij rusten van hun arbeid.
Ook hier beneden is de christen voortdurend onderweg. Hij blijft altijd in beweging. Hij voelt dat hij het doel nog niet heeft bereikt. Met Paulus kan hij zeggen: ‘Vergetende, hetgeen achter is, en strekkende mij tot hetgeen voor is, jaag ik naar het wit.’ Maar daar zal zijn vermoeide hoofd worden gekroond met onverwelkelijke heerlijkheid! Daar zal het schip dat zo lang heeft voortgevaren, zijn zeilen strijken in de haven van de eeuwige zaligheid. Daar zal hij die als een pijl zijn weg naar het doel heeft gezocht, eindelijk en voor eeuwig zijn bestemming bereiken!
Daar zullen wij, die hier als voorbijdrijvende wolken door iedere wind werden voortgedreven, zacht en stil neerdalen in één eeuwigdurende stroom van vreugde!
Daar is geen voortgang meer en geen verdere beweging. Zij zijn tot rust gekomen. Zij hebben de top van de berg bereikt en zijn opgegaan tot hun God en Vader. Hoger kunnen zij niet meer komen. Zij hebben het allerhoogste bereikt; achter die bestemming ligt niets meer. Er is geen gelukkiger oord dat nog ontdekt moet worden. Dit is het uiterste doel van het leven en van alle geluk! Daar kunnen zij hun zeilen strijken, rusten van hun arbeid en voor altijd genieten van de vreugde die God hun geeft. Wat een verschil met het leven hier op aarde, waar wij steeds verder moeten gaan, terwijl de hemel volkomen rust brengt!
Ook hier op aarde is de gelovige dikwijls het slachtoffer van twijfel en vrees. ‘Ben ik werkelijk van Hem, of niet?’ is vaak zijn angstige vraag. Hij vreest dat hij zichzelf heeft bedrogen. Soms komt hij bijna tot wanhoop en durft hij nauwelijks te geloven dat zijn naam geschreven staat onder Gods kinderen. Duistere gedachten fluisteren hem toe dat Gods barmhartigheid voor altijd van hem geweken is en dat God hem niet meer zal gedenken.
En dan zijn er zijn zonden, die hem aanklagen. Zij maken hem bang dat God geen genade meer voor hem zal hebben. Zijn hart is zwak en bezwijkt gemakkelijk. Hij is als Ras-tot-Struikelen: hij lijkt zijn hele levensweg op krukken te moeten gaan. Hij is als Zwak-van-Geest, die voortdurend over een strohalm struikelt en al bang is dat hij op een dag zal verdrinken in een ondiep wagenspoor. Al zijn de leeuwen geketend, toch is hij er net zo bang voor alsof ze vrij rondliepen! De Heuvel Moeilijkheid jaagt hem dikwijls schrik aan. En wanneer hij moet afdalen in het Dal der Vernedering, ervaart hij dat vaak als een zware weg.
Maar daar zal dat alles voorbij zijn. Daar zijn geen heuvels meer om te beklimmen, geen draken om te bestrijden, geen vijanden om te overwinnen en geen gevaren om voor te vrezen. Wanneer Ras-tot-Struikelen sterft, zal hij zijn krukken voor altijd achterlaten. Zwak-van-Geest zal zijn zwakheid afleggen. Vreesachtig zal nooit meer bang zijn. En Twijfelmoedig zal eindelijk leren wat het betekent om zonder enige twijfel te geloven. O, wat een vreugde! De dag komt waarop dit woord volkomen werkelijkheid zal worden: ‘Dan zal ik kennen, gelijk ook ik gekend ben.’ Dan zal ik nooit meer hoeven te vragen of ik van Hem ben. Omringd door Zijn liefde en geborgen in Zijn armen, zal er geen plaats meer zijn voor twijfel of vrees.
O, christen, u denkt misschien dat er tussen uw lippen en de beker van de vreugde nog veel kan misgaan. Maar wanneer u eenmaal die beker in uw hand zult nemen en zult drinken van de onuitsprekelijke vreugde die God u schenkt, zal alle twijfel en alle vrees voor altijd verdwenen zijn. Dan zult u Hem zien van aangezicht tot aangezicht:
Daar zult u Zijn aangezicht zien,
en nooit, nooit meer zondigen!
Daar, uit de rivieren van Zijn genade,
zult u eindeloos van Zijn vreugde drinken.
Vrij vertaald; om de betekenis te bewaren is het rijm losgelaten.
Ook de christen heeft op deze aarde zijn lijden te dragen. Hij kan gebukt gaan onder hevige hoofdpijn en een lichaam dat dag en nacht door pijn wordt gekweld. Zijn lichaam kan door een ongeval gewond raken of door ziekte worden aangetast. Sommigen dragen vanaf hun geboorte een lichamelijke beperking of zwakte met zich mee. Anderen moeten leven met het verlies van een oog, een oor of andere lichamelijke vermogens. En wie van nature een zwakke gezondheid heeft, kan een groot deel van zijn dagen en nachten op een ziekbed moeten doorbrengen.
Maar zelfs als zijn lichaam gezond is, kan er in zijn hart en gedachten veel strijd zijn. Hij moet strijden tegen zijn eigen zondige verlangens en wordt voortdurend verzocht door de boze. De wereld, zijn eigen vlees en de duivel laten hem niet met rust. Van alle kanten wordt hij aangevallen.
Maar in de hemel is dat alles voorbij. Daar is geen pijn meer, geen vermoeidheid en geen verdriet! Daar zijn geen verlamde armen en geen lichamen die door ouderdom zijn verzwakt. Daar zal alles wat hier gebroken en verloren is gegaan, worden hersteld. De ouderdom zal plaatsmaken voor een eeuwige jeugd en alle lichamelijke gebreken zullen voorgoed verdwenen zijn. Daar zullen zij zich vrij kunnen bewegen, als op de vleugelen van engelen, van het ene einde van de aarde naar het andere en van plaats tot plaats, zonder ooit moe te worden of pijn te lijden. Daar zullen zij nooit meer hoeven neer te liggen op een bed van vermoeidheid of ziekte. Dag en nacht zullen zij, met onverminderde vreugde, rondom Gods troon staan, Hem verheerlijken en zich verheugen in Hem Die heeft gezegd: ‘Geen inwoner zal zeggen: Ik ben ziek.’
Daar zullen zij ook volkomen vrij zijn van vervolging. Hier zijn namen als de Siciliaanse Vespers, de Bartholomeusnacht en Smithfield verbonden met gruwelijke vervolging. Maar daar zal niemand zijn die hen nog met een wreed woord kan kwetsen of hen met een gewelddadige hand kan aanraken. Daar zullen keizers en koningen geen macht meer over hen hebben. Zij die hen hier konden martelen en vervolgen, zullen er niet meer zijn. Zij bevinden zich daar te midden van de heiligen. Voor eeuwig zijn zij bevrijd van het spotten, schelden en lasteren van de goddelozen.
Bevrijd van alle vervolging! O, leger van martelaren — u werd gedood en uiteengereten. U werd voor wilde dieren geworpen. U zwierf rond in schaapsvellen en geitenvellen, beroofd van alles, verdrukt en gepijnigd. Ik zie u nu: een ontelbare menigte!
Ik zie de sporen van de doornen nog aan uw gescheurde kleding. Uw gezichten dragen nog de tekenen van het lijden. Ik zie u bij uw brandstapels en aan uw kruisen. Ik hoor uw woorden van geloof en overgave terwijl u op de pijnbank ligt. Ik zie u in uw gevangenissen en voor de schandpalen staan. Maar kijk nu!
Nu bent u bekleed in het wit,
helderder dan de middagzon!
O, schoonste van de zonen van het licht,
u staat het dichtst bij de eeuwige troon!
Vrij vertaald; om de betekenis te bewaren is het rijm losgelaten.
Dit zijn zij die ‘voor hun Meester stierven, die het kruis liefhadden en uitzagen naar de kroon’. Zij gingen door zeeën van bloed om de erfenis te ontvangen. En daar zijn zij nu: met de bloedrode kroon van het martelaarschap op hun hoofd, schitterend als een kostbare robijn, mooier dan welke aardse kroon ook! Ja, daar is geen vervolging meer. Daar geldt: ‘Er blijft dan een rust over voor het volk Gods.’ Helaas, zolang het kind van God nog in dit sterfelijke lichaam leeft, heeft het ook met de zonde te strijden. Zelfs hij schiet tekort in zijn plichten en dwaalt soms van zijn God af. Hij wandelt niet volmaakt naar de wet van God, hoewel hij ernaar verlangt Hem volkomen te gehoorzamen. De zonde blijft hem hier voortdurend kwellen.
Maar daar, in de heerlijkheid, is de zonde voorgoed verdwenen! Daar is geen verleiding meer, van buitenaf noch van binnenuit. Daar zijn zij volkomen vrij om hun Meester te dienen. Hier moet het kind van God soms huilen en berouw hebben over zijn zonden en afdwalingen. Maar daar zullen zij nooit meer tranen van berouw vergieten, want daar is geen zonde meer die hen bedroeft. En ten slotte moet het kind van God hier op aarde afscheid nemen van degenen die hem lief zijn. Met tranen staat hij bij het graf van hen die hij niet wilde missen. Hier moet hij afscheid nemen van alles wat hem dierbaar is in dit sterfelijke leven. Hier hoort hij de woorden: ‘Aarde tot aarde, stof tot stof en as tot as’, terwijl de aarde met doffe slagen op de kist valt en als het ware de maat slaat bij deze plechtige woorden.
Hier wordt een moeder begraven, een kind wordt weggenomen, een echtgenoot wordt gescheiden van zijn geliefde vrouw en een broer van zijn zus. Steeds weer worden wij geconfronteerd met de tekenen van de dood: de gesloten kist, het graf en de rouwstoet die ons eraan herinneren dat ook wij sterfelijk zijn.
Maar daar zal nooit, nooit het geluid van een doodsklok worden gehoord! Geen lijkwagen met zwarte pluimen zal ooit door de gouden straten rijden. Geen teken van rouw zal ooit de woningen van de onsterfelijken binnendringen. Zij kennen de dood niet meer. Zij kunnen niet meer sterven. Zij leven voor eeuwig — zonder de mogelijkheid om ooit te vergaan, zonder enig gevaar dat hun heerlijkheid ooit zal eindigen.
O, rust der rechtvaardigen, hoe gezegend bent u, waar gezinnen weer samengebonden zullen worden in één bundel! Waar gescheiden vrienden elkaar opnieuw zullen ontmoeten om nooit meer te scheiden, en waar de gehele kerk van Christus, verenigd in één machtige kring, tezamen God en het Lam zal prijzen, door de eeuwige eeuwen heen!
Broeders en zusters, zo heb ik geprobeerd u de rust van de rechtvaardigen te laten zien door haar te stellen tegenover alles wat hier op aarde nog aan moeite, strijd en verdriet bij ons hoort. Maar ik voel dat ik daarin tekortgeschoten ben. Hoe arm zijn de woorden die ik tot mijn beschikking heb om u iets te vertellen over de heerlijkheid van het eeuwige!
Zelfs de godvrezende Baxter, toen hij schreef over De rust der heiligen, moest op een gegeven moment zijn pen neerleggen en zeggen: ‘Maar dit alles is slechts een zacht getinkel vergeleken met het machtige geluid van de hemel.’ Ik kan het u niet vertellen, geliefde vrienden. Geen sterveling kan u vertellen wat God heeft bereid voor hen die Hem liefhebben!
2. En nu wil ik, heel kort, proberen deze tegenstelling duidelijk te maken door enkele vergelijkingen. Ook hier op aarde mag de christen soms iets van rust ervaren, maar het is niets vergeleken met de rust die hem te wachten staat.
Er is bijvoorbeeld de rust die een gelovige vindt in de gemeenschap van Gods kerk. Wanneer iemand zich bij de gemeente van God voegt en met haar verbonden wordt, mag hij verwachten daar rust en verbondenheid te vinden. De goede oude schrijver van De Christenreis vertelt dat de vermoeide pelgrims, toen zij eenmaal waren toegelaten tot het Huis Schoon, een kamer kregen waar zij konden slapen. Die kamer heette ‘Vrede’ of ‘Rust’. Ook wanneer een gemeentelid aan de tafel van de Heere zit, kan hij daar een diepe en zoete rust ervaren in de gemeenschap met andere gelovigen.
Maar o, de gemeenschap van de heiligen in de hemel overtreft alles wat wij daarvan hier op aarde kennen! Daar zijn geen verdeeldheid en geen harde woorden tijdens gemeentevergaderingen. Geen wantrouwen of verkeerde gedachten over elkaar, geen eindeloze discussies over de leer en geen ruzies over de manier waarop het geloof in praktijk moet worden gebracht. Daar dienen baptisten, presbyterianen, independenten, methodisten en anglicanen dezelfde Heere. Gewassen in hetzelfde bloed zingen zij hetzelfde lied en zijn zij volmaakt één in Christus. Daar kijken predikanten en diakenen elkaar nooit koel of wantrouwend aan. Daar zijn geen hooghartige kerkvorsten en geen trotse predikanten. Allen zijn zachtmoedig en nederig en met volmaakte broederlijke liefde aan elkaar verbonden.
Daar genieten zij een rust die alle rust van de kerk hier op aarde ver te boven gaat! Er is ook de rust van het geloof, die een christen hier al mag ervaren — een heerlijke, zoete rust. Velen van ons hebben haar gekend. Wij weten wat het is wanneer de golven van de angst en benauwdheid hoog om ons heen slaan en wij ons dan verbergen in de armen van Christus en daar veilig zijn. Wij hebben ons anker diep laten zakken in de Rots van Gods beloften.
Wij zijn gaan slapen terwijl de storm om ons heen woedde en hebben niet gevreesd. Wij hebben naar onze verdrukkingen gekeken en ze zelfs durven trotseren. We hebben de dood recht in de ogen gezien en hem zelfs uitgelachen. Wij hebben door het geloof zoveel vertrouwen gehad dat niets ons, onverschrokken en zonder vrees, kon doen wankelen. Ja, te midden van laster, smaad, kwaadsprekerij en verachting hebben wij kunnen zeggen: ‘Ik zal niet wankelen, want God is aan mijn zijde.’ Maar de rust daarboven is nog veel heerlijker: volkomen onaantastbaar, dieper, zoeter, volmaakter, blijvender en duurzamer dan zelfs de diepste rust die het geloof ons hier kan geven!
En ook kent de christen soms de gezegende rust van de gemeenschap met Christus. Er zijn ogenblikken waarin hij zijn hoofd als het ware aan de borst van zijn Zaligmaker mag leggen — wanneer hij, zoals Johannes, mag ervaren hoe dicht hij bij het hart van zijn Heere is.
Daar vindt hij rust en veiligheid. Daar kan hij als het ware slapen, want het is alzo, ‘dat Hij het Zijn beminden als in den slaap geeft.’
Niet de slaap van bewusteloosheid, maar de rust van diepe vreugde! Gelukkig, ja, gezegend zijn de momenten die wij hebben mogen kennen op het rustbed van de gemeenschap met Christus. Gezegend waren de tijden waarin wij, zoals de bruid in het Hooglied, van Christus konden zeggen: ‘Zijn linkerhand zij onder mijn hoofd, en Zijn rechterhand omhelze mij.’ Toch geldt ook hier: hoe heerlijk de stroom van Zijn genade ook is, nog heerlijker is de Bron zelf!
Wanneer wij eenmaal volledig zullen worden ondergedompeld in de vreugde van de hemel, zullen wij ontdekken dat zelfs de heerlijkste momenten van gemeenschap met Christus hier op aarde slechts een voorproefje waren. Het was alsof wij onze vinger even in de beker doopten, terwijl wij daar de beker tot de rand gevuld zullen ontvangen. Hier mogen wij slechts proeven; daar zullen wij ten volle delen in de vreugde. Hier mogen wij soms als het ware de voorhal van de heerlijkheid binnengaan — maar daar zullen wij worden toegelaten tot de feestzaal van de Koning! Hier kijken wij over de heg en zien wij van een afstand de bloemen van de hemelse tuin; daar zullen wij er middenin wandelen en bij iedere stap nieuwe bloemen van vreugde ontdekken. Hier zien wij soms in de verte iets van het licht van de hemel, zoals reizigers van ver de lichten van een schitterende stad zien. Maar daar zullen wij dat licht van dichtbij aanschouwen, in al zijn heerlijkheid en pracht!
Hier vangen wij soms een zachte melodie op, alsof de wind van verre een vleugje van de hemelse muziek tot ons brengt. Maar daar zullen wij, omringd door de grote schare van de verlosten, zelf deelnemen aan het eeuwigdurende halleluja van de gezaligden, tot eer van de grote Messias, onze God, de IK BEN! O, nogmaals zeg ik: verlangen wij er dan niet naar om op te stijgen, weg te vliegen en binnen te gaan in die rust die overblijft voor het volk van God?
II. En nu, nog slechts heel kort, en dan zijn wij aan het einde. Ik zal proberen u te laten zien HOE HEERLIJK DEZE RUST IS, zoals ik eerder heb geprobeerd haar TE TONEN.
Ik zou u om veel redenen willen laten zien hoe heerlijk deze rust is. O, was ik maar welsprekend genoeg om haar te beschrijven zoals zij het verdient! O, kon ik maar spreken met de lippen van een engel en met de vurige tong van een cherub, om u iets te vertellen van de zaligheid van de heiligen en van de rust van Gods volk! Zij is, in de eerste plaats, een volmaakte rust.
In de hemel zijn zij volkomen tot rust gekomen. Hier op aarde kennen wij slechts een gedeeltelijke rust. Ik hoop binnenkort voor enige tijd mijn dagelijkse werkzaamheden te kunnen neerleggen. Maar zelfs wanneer het lichaam rust, blijft het hoofd denken en blijft de geest vooruitzien naar wat er nog gedaan moet worden. Het lichaam kan stil zijn, terwijl onze gedachten doorgaan. Op zondag zit een grote menigte van u hier in het huis van God. Sommigen van u moeten zelfs lange tijd staan en vinden nauwelijks lichamelijke rust, al kan er in hun hart wel vrede zijn. En zelfs wanneer de ziel tot rust is gekomen, kan het lichaam vermoeid raken door het lange staan.
Velen van u hebben bovendien een vermoeiende wandeling van een mijl, misschien wel meerdere mijlen, af te leggen voordat u op de sabbat weer thuis bent. En laat niemand u verwijten dat u daarmee de sabbat ontheiligt. Wanneer u voor God werkt, is het werk dat u op de sabbat doet, goed werk. Naar het huis van God gaan is arbeid voor de Heere, en Hij neemt die arbeid aan. Voor uzelf mag u niet werken; God gebiedt u te rusten. Maar als u drie, vier, vijf of zelfs zes mijlen moet lopen om het huis van God te bereiken, zoals velen van u doen, zal ik u daarvoor niet berispen — en dat mag ik ook niet. Hebt u niet gelezen ‘dat de priesters den sabbat ontheiligen in den tempel, op de sabbatdagen, en nochtans onschuldig zijn?’
Het vraagt inspanning en moeite, dat is waar. Maar het is voor een goede zaak — het is voor onze Meester! Maar daar, mijn vrienden, is de rust volmaakt! Daar rust niet alleen het lichaam, maar ook de geest — voor altijd. Hoewel de inwoners van de hemel voortdurend bezig zijn en God zonder ophouden dienen, worden zij nooit moe. Hun dienst vermoeit hen niet en put hen niet uit. Nooit zullen zij zich aan het einde van de dag op hun rustbed laten neervallen en verzuchten: ‘Wanneer zal ik eindelijk verlost zijn van dit land van moeite?’ Nooit zullen zij in de brandende zon staan om het zweet van hun voorhoofd te wissen. Nooit zullen zij ’s morgens half uitgerust opstaan om opnieuw aan een zware dag van arbeid te beginnen.
Nee, zij zijn volkomen tot rust gekomen. Zij rusten op het rustbed van de eeuwige vreugde. Daar zijn geen tranen meer. Daar hebben zij voor altijd afgerekend met zonde, zorg en verdriet. Zij rusten met hun Zaligmaker!
En nog iets: het is een rust die volkomen past bij ieder die haar ontvangt.
Wat zal deze rust heerlijk zijn voor sommigen van u! U die in rijkdom leeft, kent misschien maar weinig van de zorgen en moeiten van de armen. De arbeider met zijn vereelte handen hebt u misschien nooit van dichtbij gezien. U weet misschien niet hoeveel inspanning het hem kost om zijn dagelijks brood te verdienen.
In mijn gemeente zijn er velen naar wie ik altijd met medelijden heb gekeken: arme vrouwen die morgenochtend bij het eerste licht weer moeten opstaan om aan het eindeloze naaiwerk te beginnen. Steek na steek gaat het door, totdat hun vingers pijn doen van het vele werk. Van maandagmorgen tot zaterdagavond zullen velen van u, mijn gemeenteleden, en velen van u die naar mij luisteren, nauwelijks de naald en draad kunnen neerleggen. Pas wanneer u moe en uitgeput in uw stoel neerzakt, kunt u eindelijk rusten en door uw gedachten aan het werk in slaap worden gesust.
O, hoe passend zal de rust van de hemel voor u zijn! Wat zult u blij zijn wanneer u daar aankomt en ontdekt dat er geen maandagmorgens meer zijn, geen vermoeiende werkdagen en geen zwoegen meer — alleen rust, eeuwige rust! Anderen van u verrichten zwaar lichamelijk werk. U hebt alle reden om God te danken dat u sterk genoeg bent om uw werk te doen, en u hoeft zich voor uw arbeid niet te schamen. Arbeid is geen schande; het is een eer voor een mens om te werken. Toch zijn er momenten waarop u zegt: ‘Was ik maar niet zo uitgeput door al het werk en de drukte van Londen.’ In deze grote stad is maar weinig rust te vinden. Onze dagen zijn lang en ons werk is zwaar, misschien wel zwaarder dan dat van onze vrienden op het platteland. Soms verlangt u naar de groene velden, om daar weer eens vrij adem te halen.
U verlangt ernaar het gezang van de vogels te horen, zoals u dat vroeger hoorde toen u nog een jongen was. U mist de helderblauwe hemel, de bloemen en al die eenvoudige schoonheden van het landelijke leven. Misschien zult u deze rokerige stad nooit meer achter u laten. Maar bedenk dit: wanneer u eenmaal daarboven bent, zult u rusten te midden van ‘zoete velden, bekleed met levend groen’ en bij ‘rivieren van verrukking’! Daar zult u alle vreugde vinden die u zich maar kunt voorstellen, in dat huis van volmaakt geluk. En al komt u versleten en vermoeid bij uw graf aan, misschien steunend op een stok, nadat u als een vermoeide reiziger door de woestijn van dit leven bent getrokken — iemand die alleen op de sabbat even rustte om bij de bron zijn dorst te lessen en bij de oase nieuwe kracht op te doen — daar zult u eindelijk het einde van uw reis bereiken, beladen met de kostbaarste schatten. U zult binnengaan in de grote herberg van de hemel en voor eeuwig genieten van de schatten die u, moe en bezwaard, gedurende uw reis hebt meegedragen.
En ik moet ook zeggen dat voor anderen onder ons, die niet met hun handen hoeven te zwoegen, de hemel een even passende rust zal zijn. Ook degenen die dag na dag hun verstand moeten inspannen, zullen ontdekken hoe groot de zegen is om daarboven voor eeuwig te mogen rusten.
Ik zal niet roemen op wat ik doe — er zijn ongetwijfeld velen die veel meer doen. Er zijn ook velen die zich voortdurend en dagelijks inspannen om God te dienen en daarvoor al hun verstandelijke vermogens inzetten. Maar dit mag ik wel zeggen: bijna iedere week heb ik het voorrecht om twaalfmaal te preken. En dikwijls gebeurt het zelfs dat ik in mijn slaap al bezig ben met wat ik de volgende keer zal zeggen.
Omdat ik niet het voordeel heb dat ik mijn zeven shilling en zes pence kan uitgeven aan het kopen van manuscripten, kost het mij veel harde en ijverige arbeid om telkens weer iets te vinden om te zeggen! Soms vraag ik mij af hoe ik de stroom van gedachten op gang moet houden. Ik voel dat ik, als ik niet van tijd tot tijd rust nam, op den duur geen voedsel meer zou hebben om aan Gods kinderen uit te delen.
Toch moet het doorgaan — doorgaan, steeds maar doorgaan! Wij horen de wielen van Gods wagen achter ons en durven niet stil te staan. Wij weten dat de eeuwigheid nadert en daarom moeten wij verder. Voor ons is rust op dit moment minder belangrijk dan arbeid — wij willen aan het werk blijven! Maar o, hoe heerlijk zal het zijn wanneer tot de predikant zal worden gezegd:
‘Dienstknecht van God, welgedaan!
Rust nu van uw geliefde arbeid.
De strijd is gestreden, de overwinning behaald;
ga in tot de vreugde van uw Meester!’
Vrij vertaald; om de betekenis te bewaren is het rijm losgelaten.
Het zal een rust zijn die volkomen bij hem past. En u die vermoeid bent geraakt door de zorgen van het openbare leven en de ondankbaarheid van mensen hebt leren kennen — u die naar eer hebt gestreefd en die eer tot uw eigen schade ook hebt ontvangen — u doet wat u kunt. Toch wordt zelfs uw onafhankelijkheid van geest voor koppigheid gehouden, terwijl slaafse volgzaamheid als een deugd wordt geprezen. U wilt God eren en niet de mensen. U wilt u niet aan partijen binden, maar probeert vanuit een onafhankelijk en eerlijk oordeel uw land en uw God te dienen. Wanneer God het goed acht u tot Zich te roepen, zult u dan niet met grote vreugde alles achter u laten wat met parlementen, staten en koninkrijken te maken heeft? Dan zult u uw aardse eerbewijzen afleggen om eer te ontvangen die eeuwig blijft, te midden van hen die voor altijd voor de troon van de Allerhoogste wonen!
Nog één ding — en daarna zal ik afscheid van u nemen. Deze rust, mijn broeders en zusters, verdient onze lof omdat zij eeuwig is. Hier op aarde dragen zelfs onze beste vreugden het woord ‘vergankelijk’ op hun voorhoofd. Onze mooiste bloemen verwelken. Onze zoetste bekers hebben droesem op de bodem en raken uiteindelijk leeg. Zelfs onze lieflijkste vogels sterven en hun melodie verstomt maar al te snel. Hier hebben zelfs onze aangenaamste dagen hun nachten. Zelfs de stromen van onze vreugde kennen een eb.
Alles hier vergaat. Maar daar zal alles onvergankelijk zijn! De harp zal nooit roesten, de kroon nooit verwelken, de ogen nooit verduisteren, de stem nooit haperen en het hart nooit meer wankelen. Ons hele wezen zal voor eeuwig vaststaan in volmaakte heerlijkheid! Gelukkige dag! Gelukkige dag, wanneer de sterfelijkheid zal worden verslonden door het leven en het sterfelijke onsterfelijkheid zal hebben aangedaan! En ten slotte verdient deze heerlijke rust boven alles onze lof omdat zij volkomen zeker is. ‘Er blijft dan een rust over voor het volk Gods.’
Twijfelende ziel, u hebt misschien vaak gezegd: ‘Ik vrees dat ik nooit de hemel zal binnengaan.’ Vrees niet! Heel Gods volk zal daar binnengaan. Daar hoeft geen twijfel over te bestaan.
Ik denk aan het bijzondere getuigenis van een stervende man die, in zijn eenvoudige landelijke taal, uitriep: ‘Ik ben niet bang om naar huis te gaan. Ik heb alles voor mij uit gezonden. Gods vinger ligt op de klink van mijn deur en ik ben gereed voor Hem om binnen te komen.’ ‘Maar,’ vroeg iemand, ‘bent u niet bang dat u uw erfdeel zult missen?’
‘Nee,’ antwoordde hij, ‘nee! Er is één kroon in de hemel die zelfs de engel Gabriël niet zou kunnen dragen. Zij past op geen ander hoofd dan het mijne. Er is één troon in de hemel die zelfs de apostel Paulus niet zou kunnen innemen. Hij is voor mij gemaakt en ik zal hem ontvangen. Er is één gerecht op het feestmaal dat ik moet eten, anders blijft het onaangeroerd, want God heeft het voor mij apart gezet.’
O christen, wat een heerlijke gedachte! Uw erfdeel staat vast. ‘Er blijft dan een rust over.’
‘Maar kan ik haar niet alsnog verliezen?’
Nee! Zij ligt vast. Als ik een kind van God ben, zal ik haar niet verliezen. Zij is even zeker van mij alsof ik er al was.
Kom dan, christen, beklim de top van Pisga en kijk uit over het landschap.
Ziet u daar die kleine rivier van de dood, glinsterend in het zonlicht? En ziet u aan de overkant de torenspitsen van de eeuwige stad? Ziet u de lieflijke voorsteden en al die vreugdevolle inwoners? Kijk daar eens! Ziet u waar die lichtstraal schittert? Daar is een klein plekje — ziet u het? Dat is uw landgoed. Dat is het uwe!
O, kon u erheen vliegen, dan zou u erop geschreven zien: ‘Dit erfdeel is bewaard voor hem alleen. Hij zal worden opgenomen en voor eeuwig bij God wonen.’ Arme twijfelaar — kijk naar uw erfenis. Zij is van u!
Gelooft u in de Heere Jezus? Dan behoort u tot het volk van God. Hebt u zich van uw zonden bekeerd? Dan behoort u tot het volk van God. Is uw hart vernieuwd? Dan behoort u tot het volk van God. En er is een plaats voor u, een kroon voor u en een harp voor u! Niemand anders zal die plaats innemen, niemand anders zal die kroon dragen en niemand anders zal die harp bespelen. En spoedig zult u ontvangen wat God voor u heeft bereid.
Sta mij toe u voor een ogenblik voor te stellen dat u al in de hemel bent. Is het niet wonderlijk om daarover na te denken? Een eenvoudige boer in de hemel!
Denk er eens aan. Hoe zult u zich voelen wanneer de kroon op uw hoofd staat? Vermoeide moeder, vele jaren zijn over u heengegaan. Hoe anders zal alles zijn wanneer u weer jong zult zijn! Afgetobde arbeider, denk er eens aan: eens zult u voor altijd rusten. Kunt u het zich voorstellen? Stelt u zich eens voor dat u op dit moment in de hemel bent. Welke verbazing en verwondering zouden u vervullen!
U zou nauwelijks kunnen uitbrengen: ‘Wat? Zijn dit werkelijk de straten van goud? Zijn dit de muren van jaspis? Ben ik hier werkelijk? Bekleed met witte klederen? Draag ik werkelijk een kroon op mijn hoofd? Ben ik hier en zing ik — ik, die zo vaak heb gezucht en geklaagd? Wat? Prijs ik God, Die ik vroeger zo vaak heb beledigd? Verhef ik mijn stem om Hem te loven?
O, kostbaar bloed, waardoor ik ben gereinigd! O, kostbaar geloof, waardoor ik ben gerechtvaardigd! O, kostbare Heilige Geest, Die mij tot berouw bracht! Zonder U zou ik verloren zijn geweest en in de hel zijn geëindigd! Maar o, welke wonderen zie ik hier! Engelen! Ik kan het nauwelijks geloven! Ik ben verwonderd en overweldigd! Wonder boven wonder!
O, poorten van paarlen, over u heb ik zo lang gehoord! O, vreugden die nooit voorbijgaan, zo lang heb ik over u horen spreken! Maar ik ben als de koningin van Scheba: de helft is mij nog niet verteld! Overvloed, o overvloed van zaligheid! Wonder boven wonder! Wat voor een wereld is dit waarin ik ben binnengebracht! En dat ík hier ben — dát is het grootste wonder van alles!’
En toch is het waar. Het is werkelijk waar. En juist daarin ligt de heerlijkheid ervan: het is waar! Kom, worm, en bewijs het! Kom, lijkkleed, kom, doodshemd, kom en bewijs het! Kom, vleugelen van het geloof, stijg op en vlieg omhoog als een seraf!
Kom, eeuwige eeuwen, kom! U zult bewijzen dat er vreugden zijn die het oog niet heeft gezien en het oor niet heeft gehoord, en die God alleen door Zijn Geest aan ons kan openbaren. O, mijn ernstige gebed is dat niemand van u deze rust zal missen, maar dat u allen daarin zult mogen binnengaan en haar voor eeuwig zult genieten!
God geve u Zijn rijke zegen, om Jezus’ wil. Amen.
Preek nr. 133 · Gehouden in de Music Hall te Royal Surrey Gardens, Londen, zondagmorgen 24 mei 1857, New Park Street Pulpit deel 3. Oorspronkelijke titel: “Heavenly Rest”. Bron: Spurgeon’s Sermons, spurgeon.org.

