Geordende voetstappen

Uitgesproken door C. H. Spurgeon op zondagavond 29 augustus 1886 in de Metropolitan Tabernakel te Newington, Londen.

Copyright © Het Spurgeon Archief | Portret C.H. Spurgeon

Maak mijn voetstappen vast in Uw Woord, en laat geen ongerechtigheid over mij heersen. Psalmen 119:133

Merk in het vorige vers op hoe de dichter vurig verlangt dat de Heere met hem zal handelen als met iemand die tot Zijn gezin behoort: “Zie mij aan, en wees mij genadig, naar het recht aan degenen, die Uw Naam beminnen.” Ook wij, beste vrienden, willen behandeld worden, zoals God al de rest van Zijn kinderen behandelt. Ik ben ervan overtuigd dat elke nederige gelovige volkomen tevreden zal zijn met die beschikking. Er was een tijd waarin u bereid geweest zou zijn dat Hij u een van Zijn gehuurde dienstknechten zou maken.

Maar u hebt de vergissing van zo’n verlangen ingezien, en nu is uw gebed: “Handel met mij, o Heere, als met een van Uw kinderen; behandel mij naar Uw gewoonte met Uw verlosten! Ik vraag niets anders dan het lot van de rest van de erfgenamen des hemels. Als zij arm zijn, zou ik met hen arm willen zijn. Als zij smaad lijden, zou ik met hen gesmaad willen worden. Als zij een kruis moeten dragen, wil ook ik een kruis dragen. Wat het deel ook is dat de Heere aan Zijn kinderen toedeelt, ik wil het met hen delen. Als U hen kastijdt, hoop ik Uw kastijding te hebben. Als U hun toelacht, zal ik het heerlijk vinden toegelacht te worden, zoals U bekend staat hun toe te lachen.” Broeders en zusters, wij voelen een zoet soort gemeenschappelijkheid.

In de gemeente van God verlangt niemand iets anders dan te delen in het gemeenschappelijke lot van het verloste gezin. Tegelijkertijd heeft iedere gelovige zijn eigen besef van zijn persoonlijke noden en zal hij daarom ook zijn eigen bijzondere gebed tot de Heere brengen.

Ik hoopte zojuist, toen wij samen aan het bidden waren, dat mijn woorden zouden aansluiten bij de omstandigheden van velen van u. Toch voelde ik mij er vooral toe bewogen dat ieder zijn eigen smeekbeden en dankzeggingen zou brengen. O, wat een kracht ligt er vaak in zulke persoonlijke gebeden!

Denk aan Hanna, die geen hoorbare stem liet horen, maar van wie alleen de lippen bewogen. Op zulke momenten gaat iemand die bedroefd van geest is, getroost zijn weg vanwege de verborgen gemeenschap die hij met God heeft gehad. Verbeeld u niet dat één bepaalde vorm van gebed, hetzij liturgisch of vrij, altijd aan de noden van uw omstandigheden kan beantwoorden.

Nee, u moet uw eigen persoonlijke smeekbede tot de Heere brengen. En de Heere schijnt dan tot u te zeggen, zoals Ahasveros tot Esther zei: „Wat is uw bede? en zij zal u gegeven worden; en wat is uw verzoek?”

Het schijnt mij toe dat mijn tekst passend is voor ons allen die in deze samenkomst zijn. Ik weet zeker dat hij bij mij past. Ik heb hem gebeden voordat ik erover ging preken, en ik verlang hem te blijven bidden terwijl ik erover preek.

Ik beveel deze tekst aan bij hen die nog maar net zijn begonnen aan het goddelijke leven. Ik denk dat hij evenzeer geschikt is voor hen die enigszins van de weg der heiligheid zijn afgedwaald. Ja, ook aan hen die eerbiedwaardig zijn en veel wijsheid hebben ontvangen, wil ik deze woorden voorhouden.

Ik stel deze woorden zelfs voor aan mijn ouderen, aan de geliefde vaders in Israël. Moge dit een gebed zijn dat ons allen begeleidt, tot aan de poorten van de hemel toe: „Maak mijn voetstappen vast in Uw Woord, en laat geen ongerechtigheid over mij heersen.” Ook u.

Wie pas begint de Zaligmaker te zoeken, moet weten dat dit de gezindheid is waartoe hij zal moeten komen. En als de Heere u brengt tot het behoren aan Hem, zal dit ook het soort gebed zijn dat u zult bidden. Als u dit gebed echter niet kunt en niet wilt bidden, zult u daarmee tegen uzelf getuigen dat u geen kind van God bent. Ik ben ervan overtuigd dat ik niet te streng ben wanneer ik dat zeg.

Zoals de Heilige Geest mij daartoe in staat zal stellen, wil ik in deze tekst vier dingen naar voren brengen die uw ernstige overweging meer dan waard zijn.

I. Het eerste is de VOLKOMEN ONDERWORPENHEID aan de wil van God, van de man die zo bad: “Maak mijn voetstappen vast in Uw Woord, en laat geen ongerechtigheid over mij heersen.” U ziet, hij begint zijn gebed met het woord “maak vast.

Hij is een mens die onder bevel wil staan. Hij is gewillig de bevelen des Heeren te gehoorzamen, en hij is begerig ze te ontvangen en zich te laten brengen om ze uit te voeren. Nu, dit is niet de weg van de wereld: werelingen zeggen.

Wie is de Heere, dat wij naar Zijn stem zouden luisteren? Wij zijn onze eigen meesters! Wie is er Heer over ons?” Vrij denken en vrij leven, dat zijn de verlangens van goddeloze mensen. Maar wanneer de genade van God het hart vernieuwd heeft.

Vindt de ziel haar ware vrijheid in gehoorzaamheid aan Christus’ geboden, en haar beste denken in het zitten aan de voeten van Jezus om Zijn genadige woorden waar te nemen. “Maak mijn voetstappen vast in Uw Woord.” Geliefden, eens leefden wij zonder enige orde.

Of plan, of methode, maar de genade van God maakt ons methodisten in de hoogst mogelijke zin. Zij doet ons leven volgens Gods methode, en ons gebed is dat wij nooit wanordelijk mogen zijn, maar dat, in alle dingen, zoals het heelal door God geordend is.

En al de sterren hun aangewezen banen aanhouden, wij zo gemaakt mogen worden dat wij onze juiste plaatsen innemen, en daarin gehouden mogen worden, blijmoedig gehoorzaam aan de wil van de Allerhoogste! Het is een van de tekenen van Gods genade.

Wanneer wij God vragen ons te ordenen, en ons gewillig onder Zijn bevel stellen. Bovendien bad de dichter: “Maak mijn voetstappen vast in Uw Woord.” Hij was volkomen tevreden met Gods openbaring. Hij had er niet zoveel van als wij, maar er was ruimte genoeg in.

Voor al zijn voetstappen. “Maak mijn voetstappen vast in Uw Woord.” Hij had geen grotere vrijheid nodig dan de Bijbel hem gaf, geen wijder bereik dan hij vond in de geboden van de Allerhoogste. Zijn gebed was als dat vers dat wij zojuist zongen.

Laat mij in Uw geboden wandelen,
dat is een heerlijk handelen.
Noch laat mijn hoofd, of hart, of handen,
zondigen tegen mijn God.

Bent u tevreden, beste hoorder, binnen het bestek van het goddelijke gebod te blijven? Zo ja, neem het als een bewijs dat God uw hart veranderd heeft! Maar, o mijn beste hoorder, als u buiten dat boek leeft.

Als u er nooit in binnentreedt. Als het u nooit iets kan schelen wat het zegt, wat het belooft, wat het gebiedt, neem het dan als zeker dat u de Heere niet kent! Laten wij, ieder van ons, op dit moment, dit gebed tot God ademen.

“Maak mijn voetstappen vast in Uw Woord. Maak dat ik leef als een man die onder gezag staat, iemand die richting voor zijn leven vindt in de wet van zijn God, en die het zijn verlangen en zijn genoegen maakt daaraan gelijkvormig te zijn.

Zo ziet u de volkomen onderworpenheid van de man Gods, zijn ernstig verlangen bevrijd te worden van elk soort ongerechtigheid. Ik mag vermelden dat, in het Hebreeuws, het gebed: “Maak mijn voetstappen vast in Uw Woord,” ook kan betekenen.

Maak mijn voetstappen vast in Uw Woord,” in de zin van “maak mijn stappen stevig.” De dichter zou bewaard willen worden van alle wankelmoedigheid, aarzeling of afdwaling, maar hij wil, wanneer hij recht is, vast recht zijn.

Duidelijk, beslist recht zijn, dus smeekt hij: “maak mijn voetstappen vast.” O, hoe vaak strompelen wij voort! Wij doen wat recht is, maar wij trillen en beven, terwijl wij het doen! Hebt u niet geweten, beste vrienden, wat het was te schijnen te wankelen?

Uw voeten waren bijna weggegleden, uw stappen hadden bijna uitgegleden. Maar het gebed van de dichter is dat zijn gehoorzaamheid vast, beslist, standvastig mag zijn. U jonge beginnelingen zult er goed aan doen te bidden dat deze ervaring de uwe mag zijn.

Het wordt vaak aan Gods heiligen gegeven, wanneer zij lang in Zijn wegen geweest zijn, bevestigd te worden in de gewoonte van de gerechtigheid, zodat zij niet omgevoerd worden door elke wind van verzoeking. En het zou het gebed van al Gods dienstknechten moeten zijn.

Dat zij zo gevestigd mogen worden in gerechtigheid, dat zij met de apostel Paulus kunnen zeggen: “Voorts doe mij niemand moeite aan.” Het heeft geen zin voor hen het te proberen, want zij kunnen mij niet weglokken van de dienst van mijn dierbare Meester.

“ik draag de littekenen van den Heere Jezus in mijn lichaam.” Ik heb mijn rug ontbloot om gebrandmerkt te worden als Christus’ slaaf, zodat het merkteken nooit verwijderd zal worden, zolang ik leef! Ik heb mijn arm gegeven om getatoeëerd te worden met het kruis.

Zodat hij, zolang ik een arm heb om te bewegen, nooit aan iemand anders zal toebehoren dan aan Christus Zelf! Het is een gezegende zaak, wanneer u dit punt bereikt en zegt: “Ik kan en ik zal niet luisteren naar uw verzoekingen, o zondige wereld!

U mag roepen, maar ik zal niet antwoorden. U mag uitnodigen, maar ik zal niet luisteren. De tijd van onderhandelen is voorbij, het uur om mijn keuze te maken is verstreken. Ik behoor aan God, en mijn gebed is dat mijn voetstappen altijd vast mogen zijn.

In gehoorzaamheid aan Zijn gedachte en wil.” Ik laat dit gebed bij u, wat zijn volkomen onderworpenheid betreft. Trapt u ertegen? Wilt u iets anders zijn dan God wil dat u bent? Mijn beste hoorder, ik heb medelijden met u!

Maar als, aan de andere kant, u zich aan Hem overgeeft en verlangt te zijn als was onder het zegel, zodat God Zijn eigen beeld op u mag stempelen, en niets anders, dan handelt de Heere met u op een wijze van de genade, en dan mag u vol vertrouwen hopen dat u Hem toebehoort.

II. Nu, ten tweede, vestig ik uw aandacht op de ZORGVULDIGE WAAKZAAMHEID van dit gebed, de gedetailleerde waakzaamheid ervan: “Maak mijn voetstappen vast in Uw Woord, en laat geen ongerechtigheid over mij heersen.

U ziet dat de dichter heel nauwkeurig te werk gaat wanneer hij deze smeekbede uitspreekt. Hij zegt niet slechts: „Orden mijn leven”, maar: „Maak mijn voetstappen vast.” Hij spreekt over iedere afzonderlijke stap, in plaats van over lange perioden van ons leven, opdat zowel het goede als het kwade daarin zo duidelijk mogelijk zichtbaar wordt.

Gezegend is de mens voor wie er geen onbelangrijke dingen bestaan als het gaat om de dienst van God. Hij wil God dienen tot in de jota’s en tittels. Zo zal hij niet beetje bij beetje van de rechte weg afdwalen, zoals zovelen hebben gedaan. Hij zal niet ongemerkt hier en daar grijze haren krijgen, zonder het zelf te beseffen. Zijn zorgvuldige waakzaamheid stelt hem in staat zelfs de geringste afwijking van de rechte weg op te merken. Zo zal hij zich steeds aan het rechte pad van de oprechtheid kunnen houden.

Broeders en zusters, het oude spreekwoord luidt: „Zorg voor de centen, en de guldens zorgen voor zichzelf.” Ik zou het in de taal van onze tekst zo willen zeggen: „Zorg voor de afzonderlijke stappen, en de wandeling van de hele dag zal voor zichzelf zorgen.” Ware christenen verlangen dat de Heere hen in alles zegent, ja, zelfs in de eenvoudige en gewone woorden die bijna zonder nadenken van hun lippen komen. Misschien doen wij meer kwaad door gebrek aan nadenken dan door een bewuste wil om kwaad te doen.

Daarom is het nodig tot God te roepen: „Maak mijn voetstappen vast; zorg voor de kleine dingen in mijn leven, opdat ik niet tegen U zondig.” „Maak mijn voetstappen vast.” Dat gebed betekent: „Orden mijn gewone, dagelijkse leven.” Denken velen niet dat de godsdienst alleen iets voor de zondag is? Zij trekken haar aan met hun beste hoed en leggen haar weer weg zodra die hoed terug in de doos gaat. Geloof mij, de godsdienst die slechts eenmaal per week wordt opgenomen en de rest van de week wordt weggelegd, is niet geschikt om mee te leven en ook niet om mee te sterven!

Zij is als een vals bankbiljet. Als u zo’n vervalsing vindt, kunt u haar maar beter neerleggen en ervan weglopen, zodat niemand ooit kan vermoeden dat zij aan u heeft toebehoord. Ware godsvrucht heeft betrekking op de gewone handelingen van het dagelijkse leven. Vertel mij niet wat u kunt zeggen tijdens een gebedssamenkomst. Wat doet u in de woonkamer? Wat doet u in de keuken? Hoe gedraagt u zich tegenover uw vrouw? Hoe handelt u tegenover uw kinderen? „Hij is een zeer goed man”, zei iemand tegen mij. „Hij is werkelijk een zeer goed man, maar zijn kinderen zijn allemaal bang voor hem.”

„Dan,” dacht ik, „is hij geen goed man, maar inderdaad een zeer slecht man.” Ik kon mij niet voorstellen dat hij goed was. Ik zou liever de uitspraak van Rowland Hill geloven: dat een mens niet werkelijk bekeerd is als zijn kat en zijn hond er door zijn bekering niet beter aan toe zijn! Het behoort een zegen te zijn wanneer de genade van God in ons leven komt.

Het moet een zegen zijn voor iedereen in zijn omgeving wanneer de genade van God zijn ziel binnengaat. „Maak mijn voetstappen vast in Uw Woord” betekent: „Help mij om de gewone handelingen van mijn dagelijks leven te veranderen in een geheiligde dienst.” Wanneer ik mijn dagelijkse kleren aantrek, moge ik zijn als een priester in de oude tijden die zijn heilige gewaden aantrok en diende voor het aangezicht van de Heere. Moge alles wat ik doe, een heilige dienst zijn voor de levende God.

De vermaning van de apostel Petrus is nog steeds van kracht: „Gelijk Hij, Die u geroepen heeft, heilig is, zo wordt ook gijzelven heilig in al uw wandel.” Zo ook de woorden van Paulus: „Hetzij dan dat gijlieden eet, hetzij dat gij drinkt, hetzij dat gij iets anders doet, doet het al ter ere Gods.”

En opnieuw zegt hij: „En al wat gij doet met woorden of met werken, doet het alles in de Naam van de Heere Jezus, dankende God en de Vader door Hem.” De waakzaamheid die in onze tekst wordt gevraagd, heeft dus betrekking op de kleine en gewone dingen van ons dagelijks leven.

En als we het voorbeeld van de dichter volgen, zullen wij ook bidden voor al onze vorderingen. Het is door stappen dat wij vooruitgaan. Dit is het tijdperk van de vooruitgang; iedereen roept: „Voorwaarts!” Welnu, hier is een gebed voor allen die verstandig vooruit willen gaan:

„O Heere, maak mijn voetstappen vast in Uw Woord! Laat mijn vooruitgang een vooruitgang naar U toe zijn, een vooruitgang binnen de grenzen van Uw heilige waarheid.” Wie de Schrift vooruitloopt, zal moeten terugkeren. Wie de grenzen van de rechte weg overschrijdt, zal de weg kwijtraken. En hoe verder hij gaat, hoe groter de afstand wordt die hij zal moeten terugleggen, als hij het einde van zijn reis in vrede wil bereiken.

Bid dit gebed, jongeman, als u veilig wilt zijn: „O Heere, maak mijn voetstappen vast in Uw Woord!” Er is tegenwoordig een grote verleiding om iets nieuws aan te grijpen. Iemand komt naar u toe en vertelt u over een nieuwe ontdekking die hij heeft gedaan. Wel, luister naar wat hij te zeggen heeft, als u dat wilt. „Beproeft alle dingen,”maar „behoudt het goede.” Laat dit echter uw voortdurende gebed zijn: dat uw voetstappen, bij iedere stap die u zet, altijd gericht mogen zijn naar het Woord van God.

„Wel,” zegt iemand, „u bindt ons behoorlijk vast.” Nee, mijn vriend, ik wil u helemaal niet vastbinden! U mag ronddwalen waar u wilt. Maar ik weet dat hoe strakker ik gebonden ben, hoe beter het voor mij is en hoe gelukkiger ik ben. Er is een gebed in Psalm 118 dat ik altijd graag bid: „Bindt het feestoffer met touwen tot aan de hoornen van het altaar.”

Heere, houd mij vast van de morgen tot de avond, en ook gedurende de nacht! Ik verlang ernaar dat U zelfs mijn dromen vult met gedachten aan U. Heere, bind mij vast in de winter en in de zomer, op iedere dag van het jaar! Ik zou geen enkel uur willen hebben waarin U mij niet leidt en mij niet gebiedt. Heere, bind mij vast bij iedere stap die ik zet en bij iedere vordering die ik maak. Want waar zou ik terechtkomen als ik ooit verder ging dan Uw Woord?

Wat zou goed voor mij kunnen zijn als U het niet goed acht? En wat zou U mij onthouden als het werkelijk goed voor mij was? Zo beveel ik u dit gebed aan. Sta er uitvoerig bij stil: ten eerste, bij de volkomen onderworpenheid aan de goddelijke wil, en vervolgens bij de zorgvuldige waakzaamheid over alle bijzonderheden van uw leven. Maar verander deze beide dingen in gebeden!

Zeg niet: „Ik ga mijn voetstappen ordenen.” Doet u dat? Zeg niet: „Ik ga God in alles gehoorzamen.” Doet u dat? Deze heilige weg is niet geschikt voor zulke voeten als de uwe, zolang u zo spreekt. Eerst moet u geschoeid zijn met een eenvoudige afhankelijkheid van God.

Zonder die afhankelijkheid zult u nooit werkelijk deze smalle weg bewandelen. En tenzij de Heere u daarop staande houdt, zult u er spoedig op vallen of ervan afwijken. Maak daarom geen voornemens in uw eigen kracht, maar breng het gebed van onze tekst tot God in de Naam van Jezus. Dan zal de Heere u horen.

III. Ten derde vestig ik uw aandacht op de ALOMVATTENDE GEHOORZAAMHEID die in deze tekst begeerd wordt. Zij heeft twee delen, het positieve en het negatieve. “Maak mijn voetstappen vast in Uw Woord.”

Dat wil zeggen: “Heere, maak dat ik het goede doe!” En vervolgens: “Laat geen ongerechtigheid over mij heersen.” Dat wil zeggen: “Heere, bewaar mij voor iedere gedachte, ieder woord en iedere daad die in strijd is met Uw gedachten en wil!” Zo is de ware gelovige.

Hij is een allround christen: iemand die zich erop toelegt het goede te doen, maar die evenzeer vastbesloten is het kwade te vermijden. Wij hebben sommige zeer actieve belijders die tegelijkertijd niet waakzaam zijn aan de negatieve kant.

En wij hebben zeer veel negatieve belijders die het gebed van de Farizeeër zouden kunnen bidden: “O God! ik dank U, dat ik niet ben gelijk de andere mensen, rovers, onrechtvaardigen, overspelers; of ook gelijk deze tollenaar.”

Zij letten in zekere mate op de negatieve kant, maar vervolgens ontbreekt er iets positiefs. Er is niets dat zij werkelijk doen om de Heere te behagen. Wij hebben een goddelijk samengaan van beide delen van onze tekst nodig: “Maak mijn voetstappen vast in Uw Woord” én “laat geen ongerechtigheid over mij heersen.” Wat deze alomvattende gehoorzaamheid betreft, merk op dat de dichter verlangt dat geen enkele soort zonde in zijn hart wordt geduld.

“Laat geen ongerechtigheid over mij heersen.” Sommige mannen hebben hun koesterzonden, en sommige vrouwen hebben hun lievelingszonden. Tegen de boze dingen die in hen zijn, zeggen zij als het ware: “Eruit met u, eruit met u allemaal, behalve deze ene.”

Er is een knipoog of een vingerbeweging die tegen een bepaalde ongerechtigheid zegt: “U mag blijven.” “Maar, mijn beste heer,” zegt iemand, “hebben wij niet allemaal een koesterzonde?”

Als ik midden in de nacht over een gemeenschappelijke grond zou lopen en een half dozijn mannen mij zou ontmoeten en zich om mij heen zou verzamelen, terwijl zij riepen: “Uw geld of uw leven!”, dan zou ik door hen worden overvallen. Stel dat ik vanavond Clapham Common moest oversteken en daar werd omringd en beroofd. Ik zou door rovers zijn overvallen.

Maar stel dat ik morgenavond diezelfde weg opnieuw nam. En dinsdagavond, en woensdagavond, en donderdagavond, en vrijdagavond, en zaterdagavond? Denkt u dat ik dan nog zou kunnen zeggen dat ik “overvallen” was door de rovers? Mensen zouden natuurlijk vragen: “Waarom ging u die weg? Als u eenmaal bent aangevallen en beroofd, kunnen wij dat begrijpen. Maar waarom neemt u die weg dan telkens opnieuw?”

Hier is een man die zegt dat drinken zijn koesterzonde is. Wel, mijn broeder, ik kan begrijpen dat u er geleidelijk door werd meegesleept, van het ene glas naar het andere, totdat u uw evenwicht verloor en overwonnen werd. U noemt dat uw koesterzonde, en toch gaat u nog steeds naar het café!

Wel, dat is wat ik noem: opzettelijk over een gemeenschappelijke grond lopen om beroofd te worden! En ik geloof uw excuus van koesterzonden niet. Ik denk dat ik veel dingen van die aard heb gehoord, waarmee mensen proberen zich te verontschuldigen voor een zonde die hen telkens weer achtervolgt.

De zwarte man zei dat dronkenschap een “omverwerpende” zonde was. Ik denk dat hij daarin gelijk had, en er zijn nog vele andere zulke “omverwerpende” zonden! Mensen openen de deur en zeggen tegen een bepaalde ongerechtigheid: “Kom binnen, u bent mijn koesterzonde.”

Zij plaatsen zichzelf op haar weg! Zij geven zichzelf eraan over en spreken vervolgens alsof zij er niets aan konden doen.

Val op uw knieën en roep: “Laat geen ongerechtigheid over mij heersen. Heere, verlos mij daarvan, want mijn verlangen is U volkomen te gehoorzamen in alles, zonder ook maar iets buiten de heerschappij en het gezag van de wetten van Christus te laten.”

IV. Nu, ten laatste, beveelt dit gebed zich niet alleen zeer bij mij aan vanwege zijn alomvattendheid, maar ook vanwege een zekere BEHOEDZAME BEZORGDHEID die erin ligt.

Ik houd van de heilige vrees die in het gebed van de dichter gloeit, als vuur in een opaal. Hij zegt: “Maak mijn voetstappen vast in Uw Woord.” Hij bedoelt: “Heere, ik ben bang om ook maar één stap te zetten zonder Uw bevel. Ik ben bang de ene voet voor de andere te zetten, uit vrees dat ik verkeerd zou gaan!”

“Welgelukzalig is de mens, die geduriglijk vreest.”

Wie te vermetel is, is nooit werkelijk wijs geweest. Wie springt voordat hij kijkt, kijkt na zijn sprong vaak zeer bedroefd terug.

Hij zal recht gaan die weet waar hij naartoe gaat, die zorgvuldig is ten aanzien van de weg en bang is om af te dwalen. Hij is de man die bidt: “Maak mijn voetstappen vast in Uw Woord.”

Merk vooral in de laatste zin op: “Laat geen ongerechtigheid over mij heersen.” Het is alsof de dichter zegt: “Heere, ik voel dat ik vatbaar ben voor de allergrootste ongerechtigheid. Laat geen ongerechtigheid over mij heersen!”

Is dit David die bidt? Ik denk dat het de man was naar Gods hart die deze psalm schreef. En hij heeft in zijn leven bewezen dat zelfs de allerergste ongerechtigheden hem konden aanvallen en dat hij er een tijdlang hun prooi van kon worden.

O kind van God, u moet bidden tegen de zwartste zonde! U weet niet wat u nog zou kunnen worden als de genade van God u niet bewaart.

Ik ben altijd bang voor mensen die in hun eigen ogen zo bijzonder goed zijn. Buitengewoon verfijnd, hooggestemd perfectionisme is doorgaans maar armzalige kost.

Ik had een oude vriend die op dit punt zeer voorzichtig was. Op een dag werd hij aangesproken door een man die vele jaren diaken van een gemeente was geweest. Deze zei tegen hem: “Vriend Zo-en-zo, ik wil dat u mij vijftig pond leent.”

Mijn vriend kende hem heel goed en was volkomen bereid onmiddellijk een cheque voor het bedrag uit te schrijven. Maar de eerbiedwaardige diaken zei: “U weet dat u mij kunt vertrouwen. Ik ben geen man van gisteren. Ik ben niet zoals jonge mensen, die gemakkelijk worden verleid tot dwaze en boze dingen. Ik ben volkomen veilig.”

Mijn wijze oude vriend zei toen: “Ik kan u geen geld lenen.”

De ander vroeg: “Waarom niet?”

“Omdat ik nooit geld leen aan mensen die zo goed zijn als u. Als ik dat deed, zou ik het nooit terugzien.” Die man zat tot over zijn oren in de schulden en ging kort daarna voor een enorm bedrag failliet! Toch stond hij daar, brutaal als lood, te betogen wat een goed man hij was!

Zo ook de man die zegt dat hij niet kan zondigen en dat hij buiten het bereik van de verzoeking is. Wel, de Heere zij hem genadig! Hij zit al in de strik van de duivel en het zal niet lang duren voordat hij dat tot zijn verdriet ontdekt.

Nee, meneer, bid: “Laat geen ongerechtigheid over mij heersen.” Want tenzij u door Gods genade wordt bewaard, is er geen enkele soort ongerechtigheid die niet over u zou kunnen heersen. De dichter voelt dat hij vatbaar is om in de grootste overtreding te vallen, en daarom bidt hij: “Laat geen ongerechtigheid over mij heersen.”

Maar het gebed schijnt mij ook te zeggen dat hij bevreesd was voor het kleinste kwaad. Hier ligt, naar mijn gevoel, een zeer zoete bezorgdheid over de kleine zonden. Misschien, Heere, zal ik nooit een dronkaard worden, want U hebt mij verstand en overleg gegeven, en liefde tot matigheid. Maar dan, Heere, wat baat het als ik schuldig zou zijn aan hebzucht, die afgoderij is? Laat die ongerechtigheid niet over mij heersen.

En als ik aan hebzucht zou ontkomen, misschien mag ik dan ten prooi vallen aan een of andere geheime begeerte. Heere, als er een lek in het schip is, zal het schip zinken. Zelfs als het lek niet in het achterschip zit, maar in de voorsteven of ergens anders in de romp, is dat voldoende om het schip te doen zinken. Heere, laat geen ongerechtigheid over mij heersen!

Stel dat ik niet val door een van deze bekende zonden, maar dat ik toch niet met God wandel. Stel dat ik het verborgen gebed verwaarloos en mij niet volledig overgeef aan het werk van de Heilige Geest in mij. Dan zal het resultaat hetzelfde zijn!

Dit gebed is nodig voor ieder van ons: “Laat geen ongerechtigheid over mij heersen.”

Broeders en zusters, ik ben bij de meesten van u niet bang dat u ten prooi zult vallen aan een of andere openlijke, schandelijke zonde.

Maar ik ben bang dat sommigen van u vanbinnen door een langzaam verval worden verteerd, dat de termieten zich heimelijk een weg door u heen eten, terwijl aan de buitenkant alles er nog precies zo uitziet als tevoren.

Wij hebben reizigers horen vertellen dat zij, wanneer zij kamers binnengingen die enige tijd waren verlaten, hun kisten, ladenkasten en tafels daar nog precies zo aantroffen als toen zij vertrokken. Maar zodra zij een van die meubelstukken aanraakten, viel het uit elkaar en bleef er slechts een hoop stof over, omdat de insecten het hart van het hout volledig hadden weggevreten!

Is het niet mogelijk dat ook wij in zo’n toestand komen? Dat alles aan de buitenkant goed lijkt, terwijl het hart vanbinnen volledig is weggevreten?

Bid dan dit gebed: “Laat geen ongerechtigheid over mij heersen.”

O kinderen van God, u die Hem werkelijk kent en liefhebt, wees bezorgd om uzelf. Zorg ervoor dat u zich niet vergist en dat u niet onder de heerschappij komt van iets wat boos en vals is! Roep krachtig tot God over deze zaak! Onderzoek en beproef uzelf.

En zorg ervoor dat u zekerheid hebt ten aanzien van de eeuwigheid. Ik zeg dit vooral tegen mijzelf en tegen alle predikanten, want er zijn zoveel manieren waarop predikanten zichzelf kunnen bedriegen. Wij kunnen tot anderen prediken en toch zelf verworpen worden.

Ik zeg dit ook tegen u, kerkbestuurders, en tegen u, geëerde leden van de gemeente die grijs bent geworden in uw belijdenis. Sla acht op uzelf en laat ieder van u dit gebed in zijn hart dragen: “Laat geen ongerechtigheid over mij heersen.”

Wat moet ik dan zeggen tegen u die nooit in de Heere Jezus Christus hebt geloofd? Als de rechtvaardige nauwelijks zalig wordt, waar zult u dan verschijnen?

“O!” zegt iemand, “ik heb nooit een belijdenis van godsdienst afgelegd.”

U bent daar trots op, of niet?

Stel dat u voor een rechter werd gebracht en beschuldigd van diefstal, en u tegen hem zei: “Ik heb nooit beleden dat ik een eerlijk man ben.”

“O!” zou hij zeggen, “breng die man naar de gevangenis! Hij is door zijn eigen mond veroordeeld.”

U hebt nooit beleden dat u God vreest? U hebt nooit beleden dat u in Christus gelooft? Is dat zo, meneer? Dan is de dag des oordeels voor u bijna overbodig, want u hebt uzelf geoordeeld en uzelf veroordeeld!

En eerlang zal de gerechtsdienaar van mijn Heere zijn skeletachtige hand op u leggen en u arresteren in de naam van die goddelijke gerechtigheid die u hebt veracht! Er zal geen weerstand tegen hem zijn. U zult met hem moeten meegaan, naar de gevangenis en naar de dood.

Voordat die vreselijke gebeurtenis plaatsvindt, smeek ik u, uit naam van de eenvoudige redelijkheid van de zaak, om te overwegen u te bekeren en u tot de Heere te wenden! Zie op Jezus Christus aan het kruis, want Hij is de enige Weg tot de zaligheid!

Vind in Hem de kracht om de zonde te haten en haar te overwinnen. Er is nergens kracht dan de kracht die voortkomt uit Zijn dierbare, stromende wonden en uit Zijn eeuwig levende Geest. Zie op Hem. En wanneer u dat hebt gedaan en op Hem hebt leren vertrouwen, bid dan dit gebed tot de Heere:

“Maak mijn voetstappen vast in Uw Woord, en laat geen ongerechtigheid over mij heersen, om Jezus Christus’ wil! Amen.”

Preek nr. 2487 · Gehouden op 29 augustus 1886, Metropolitan Tabernacle Pulpit deel 42. Bron: Spurgeon’s Sermons, spurgeon.org.

Steun ons met een donatie

Uw steun helpt ons om Het Spurgeon Archief in stand te houden. Dankzij uw bijdrage kunnen wij ons werk voortzetten en dit waardevolle archief gratis aanbieden en vrijhouden van reclame en commerciële invloeden.

Wij danken u hartelijk voor uw steun en betrokkenheid!

Archiefhulpmiddelen

Contact

Heeft u een tekstfout gevonden, of heeft u een vraag? Stuur dan een E-mail naar: [email protected]

Over de Auteur

C.H. Spurgeon

1834 – 1892 Was een Engelse baptistenpredikant in de puriteinse traditie. Belangrijke onderwerpen uit zijn prediking waren de vergeving van zonden en de noodzaak van wedergeboorte.

Onze Socials:

Copyright & Content