Uitgesproken door C. H. Spurgeon in de Metropolitan Tabernacle te Newington, Londen; postuum gepubliceerd 25 maart 1909, Metropolitan Tabernacle Pulpit deel 55. Exacte datum van de preek onbekend.
zeg tot mijn ziel: Ik ben uw Heil. Psalm 35:3
Deze tekst mag zeer terecht worden opgevat als een verzoek dat God de ziel zou leren op Hem te rusten in tijdelijke moeilijkheden, benauwdheden en noden. Wij zijn allen geneigd onze eigen verlossing te bewerken. Wij zouden teruggaan naar Egypte, of de rots aan onze rechterhand beklimmen, of, als het mogelijk was, aan de linkerhand een doorgang forceren. Maar wanneer de Rode Zee voor ons golft, Farao achter ons is en er aan de rechter- en de linkerhand dreigende rotsen zijn, dan leren wij deze meest verrukkelijke waarheid Gods — en waarschijnlijk is dit het enige moment waarop wij haar kunnen leren: God is onze zaligheid! Bent u in nood, christen? Vraag dan Wie u daarheen gebracht heeft, want Hij zal u er ook weer uitbrengen. Bent u zwaar gekweld en diep bedroefd, waarom zou u dan voor hulp naar een menselijke arm zien, of uw ogen richten op de paarden en wagens van Farao? Hef uw ogen op naar de bergen, vanwaar uw hulp komt, en hoor in de plechtige stilte van uw ziel het zachte en verkwikkende woord: Ik ben uw Heil; Ik ben met u geweest in zes benauwdheden, en geen kwaad heeft u aangeroerd; nu heb Ik u in een andere benauwdheid gebracht, maar Ik zal u uit die alle verlossen; roep Mij aan in de dag der benauwdheid, en Ik zal u verlossen.O gelovige, de sterkste pees in een arm van vlees zal breken, en de sterkste band van menselijke kracht zal het begeven! Maar vertrouw voor eeuwig op de HEERE, want in de HEERE Jehova is eeuwige kracht! Leer stilstaan en het heil Gods zien, terwijl Hij tot u zegt: Ik, de Almachtige, Ik, de Alomtegenwoordige, Ik, Die overal dienstknechten heb, zal uw redding bewerken, want Ik ben uw Heil. Het is ook zeer nodig dat wij dit vers leren in wat het ons over zielszaken onderwijst, want geen mens is behouden of kan behouden worden, tenzij hij weet dat God zijn zaligheid is. De grootste vijand van menselijke zielen — ik denk niet dat ik me vergis als ik dit zeg — is de eigengerechtige geest, die mensen voor de zaligheid naar zichzelf doet kijken. Vanaf het kruis, hoog opgeheven, waar de Zaligmaker Zich verwaardigt te sterven, klinkt een stem, even zacht als krachtig: Ik ben uw Heil. Maar de zondaar stopt zijn oren en luistert misschien naar de betoveringen van Rome, naar het gemompel van een of andere valse priester, of naar de even leugenachtige stem van zijn eigen hart, terwijl die zeggen: wij zijn uw heil.
Broeders en zusters, wij moeten weg van elke vorm van vertrouwen die ons zou afhouden van het volbrachte werk van Jezus Christus! Van het begin tot het einde omvat de grote Ik Ben heel onze zaligheid! Jezus, de Man van smarten, verzocht in krankheid, was toch Jehova, de Ik Ben, en als de Ik Ben spreekt Hij vanavond tot elke ziel die de weg der zaligheid wil kennen, en zegt: Ik ben uw Heil. Zondaar, er is nergens anders hoop voor u! “Want niemand kan een ander fondament leggen, dan hetgeen gelegd is.” Uw hoop, arme zondaar, zal zonder grond zijn — zij zal zijn als het weefsel van een droom. Rust daar niet in, maar laat haar los en betreur uw eigen dwaasheid dat u er ooit op vertrouwd hebt.
Jezus gebiedt u dit nu op te geven. Vlucht weg van alles wat u tot nu toe een sprankje troost of een straal van vreugde gegeven heeft, naar de wonden van Hem Die in de plaats van de zondaar leed, en naar het kruis van Hem Die voor ons een vloek geworden is, opdat wij tot een zegen zouden worden!
Ik ben uw Heil. U moet nu vertrouwen. Tegenwoordige zaligheid ligt opgeslagen in Christus — er is op dit ogenblik leven voor u! Maar, zegt u, wat moet ik dan doen? Wat moet ik voelen? Wat moet ik zijn? Het antwoord is: niets, groot noch klein, niets, zondaar, nee! Jezus deed het, deed het helemaal, lang, lang geleden!
Ja, maar er is toch zeker wel iets nodig om mij voor Hem gereed te maken? Nee, kom zoals u bent. Hij zegt niet: Ik zal uw Heil zijn wanneer u dit en dat gedaan hebt om uzelf voor Mij gereed te maken. Nee, Hij zegt: Ik ben uw Heil. Vertrouw Hem maar oprecht en met heel uw hart — dan vergeeft Hij u op dit ogenblik, neemt Hij u op dit ogenblik op in het gezin der genade, wederbaart Hij u en maakt Hij u tot een nieuw schepsel in Zichzelf!
Moge God geven dat wij deze les allen geestelijk leren: Ik ben uw Heil. Niet dat ik van plan ben de tekst nu alleen in deze zin te gebruiken, hoewel ik denk dat het uitermate gepast is om zowel in tijdelijke als in geestelijke moeilijkheden te voelen dat God onze zaligheid is. Laat mij u liever tonen hoe hij een gebed van de psalmist om de volle verzekerdheid des geloofs belichaamt. Hij vraagt dat hij, nu hij in God geloofd heeft, een teken ten goede mag hebben, en dat hij zijn aanspraak op de woningen in de hemel helder mag kunnen lezen. Hij wil in zich een stille, zachte stem horen zeggen: Ik ben uw Heil.
Ik zal proberen allereerst de verzekerdheid te beschrijven die in de tekst bedoeld wordt; ten tweede de gezegendheid van die gevraagde verzekerdheid; en ten derde de weg ernaartoe uit te zetten. I. Allereerst wil ik DE VERZEKERDHEID BESCHRIJVEN DIE IN DE TEKST BEDOELD WORDT.
Zeg tot mijn ziel: Ik ben uw Heil. De verzekerdheid die de psalmist in dit gebed zoekt, betreft een zeer plechtige zaak. Mensen willen graag zekerheid wanneer zij land kopen. Telkens als er land gekocht wordt, vindt er heel wat onderzoek plaats om na te gaan of het eigendomsbewijs goed, geldig en onaantastbaar is. Sommige mensen zijn zeer nauwgezet over hun lichamelijke gezondheid en willen af en toe graag van de arts de verzekering hebben dat elk orgaan gezond is. Maar in deze psalm is David verontrust, niet over zijn bezit, hoewel dat een koninkrijk was, en ook niet over zijn gezondheid, hoewel die meer dan een fortuin voor hem waard was — hij is alleen bezorgd om zijn ziel!
O mijn broeders en zusters, als wij ergens zeker van moeten zijn, dan is het hiervan! Waren wij maar half zo naarstig om onze roeping en verkiezing vast te maken als sommigen om hun obligaties, hypotheken en eigendomsbewijzen veilig te stellen! Niet zeker zijn van de hemel? Wat een ellendige toestand! Twijfel te hebben over het eeuwig welzijn van mijn ziel — ik, een stervende sterveling, wiens adem elk moment kan wegvallen — o, dat is inderdaad ellende! Ik wil liever mijn ware toestand kennen. Is die slecht, dan is het goed voor mij het ergste ervan te weten zolang er nog tijd is, zodat het nog hersteld kan worden.
En is hij goed, dan zal het zoet voor mij zijn te weten dat het zeker zo is; dan zal mijn vrede zijn als een rivier, en mijn vreugde zal voortstromen in eeuwigdurende golven van frisheid! O mijn dierbare hoorders, maak zeker werk van de eeuwigheid! Moet u ergens mee beuzelen, beuzel dan nooit hiermee! Dit anker, dit boeganker, dit hoofdanker der ziel — zorg dat u daar een goede kabel aan hebt! Laat al het overige gaan, en nu de vreselijke storm opsteekt, zorg dat het anker houdt achter het voorhangsel — en zorg ook dat het Gods anker des geloofs is, in u gewerkt door God de Heilige Geest! Adem, bid ik u, meteen aan het begin van dit betoog het gebed: zeg tot mijn ziel: Ik ben uw Heil.
U zult opmerken dat het, omdat het een zeer plechtige zaak betreft, ook een beroep is op Iemand Die er alles van weet en er met gezag over kan spreken. Broeders en zusters, stel dat u naar een predikant ging, wie hij ook is, en tegen hem zei: meneer, ik zal u mijn bewijzen vertellen. Ik zal mijn ervaring verhalen — zeg mij, zijn dit de kenmerken van een kind Gods? U kunt hem misleiden met uw verklaringen, en hij kan u misleiden met zijn oordeel. Wat zou de mening van alle mensen ter wereld waard zijn over de staat van een ziel voor God? Zeker, het zou zeer verdacht zijn en veel reden tot vrees geven als Gods volk bang voor mij was, want dan zou ik bang voor mijzelf beginnen te worden!
Maar toch: hebben zij mij aanvaard, laat ik daarom niet als vanzelfsprekend aannemen dat God dat ook gedaan heeft! Ik kan wel bij Zijn gemeente staan. Ik kan geliefd zijn bij Zijn dienstknechten, terwijl Hij bij dat alles weet dat ik de Zijne niet ben! Ik kan dikker verguld zijn dan sommige anderen, en toch geen echt goud zijn. Ik kan beter afgewerkt en gevernist zijn dan sommigen, en toch slechts namaak zijn, en geen echt hout! Maar het staat er goed voor, mijn dierbare hoorders, als u het waagt voor God te komen en uw zaak te laten onderzoeken. Is iemand bereid de eigendomsbewijzen van zijn bezit door elke rechtbank ter wereld te laten onderzoeken, dan zou ik denken dat die bewijzen door en door deugdelijk zijn.
Kunt u zeggen: Doorgrond mij, o God! en ken mijn hart; beproef mij, en ken mijn gedachten — of kunt u zelfs bidden zoals deze tekst doet: zeg tot mijn ziel: Ik ben uw Heil, dan is er hoop voor u! Maar merk op dat het bewijs dat de psalmist wil, een persoonlijke verzekerdheid is: zeg tot mijn ziel: Ik ben uw Heil. Hoe dikwijls moeten wij ons uitspreken tegen die kwalijke gewoonte om in de godsdienst te veralgemenen! Geliefden, laten wij herhalen wat wij al duizend keer gezegd hebben: een nationale godsdienst is louter een droom! En zelfs het idee van een gezinsgodsdienst, hoe voortreffelijk ook, is dikwijls niet meer dan een idee. De enige godsvrucht die de moeite waard is, is persoonlijke godsvrucht, en de enige godsdienst die werkelijk zaligheid teweegbrengt, is die welke levend en persoonlijk is voor ieder afzonderlijk. U moet wedergeboren worden. Nu is er geen manier om bij volmacht wedergeboren te worden. De kerk van Engeland mag naar believen haar peetouders bedenken, maar God heeft niets met zulke dingen te maken!
Ik bid u: laat de zieldodende leugen dat een ander voor u instaat, nooit ook maar een seconde in uw ziel geduld worden! Een ander mens kan niets voor u beloven, en als hij het beloofde, zou hij niet in staat zijn te volbrengen wat hij beloofd had. Deze werken moeten persoonlijk in u gewerkt worden door God de Heilige Geest Zelf, anders kunt u nooit behouden worden. Ik vind het goed dat u voor uw kinderen bidt. Ik ben blij, arme vrouw, dat u bezorgd bent om uw man. Het is een goede zaak dat u, echtgenoot, voor uw vrouw bidt, maar o, bedenk: de zaligheid van een ander zal maar een armzalige troost voor u zijn als u zelf in de eeuwige gloeden geworpen wordt!
Laat uw gebed allereerst voor uzelf zijn! Laat dat het voornaamste zijn, en dan zult u hoopvoller voor anderen kunnen bidden. Zeg tot mijn ziel: Ik ben uw Heil. Ik hoor dat er overal buien van barmhartigheid neerdalen; laat ze ook op mij neerdalen. Ik hoor dat er vele bekeringen zijn; o, ben ik niet bekeerd, bekeer mij dan!
Ik weet dat U grote wonderen doet, HEERE — laat mij een gedenkteken zijn van Uw kracht om te redden. Het is persoonlijke verzekerdheid die de psalmist nodig heeft! Merk ook op, want het ligt aan de oppervlakte van de tekst, dat het een verzekerdheid is die niet tot het oor, maar tot het hart gericht is. Zeg tot mijn ziel: Ik ben uw Heil. Nu spreekt God wel door onze oren tot ons. Wanneer het Woord gelezen of gepreekt wordt, ontvangen wij dikwijls een zegen door het te horen. Maar komen de woorden die u hoort alleen tot het oor, dan brengen ze verantwoordelijkheid mee zonder een zegen te verzekeren.
Sommige mensen dromen dat God hun zaligheid is! Ga naar bed en droom opnieuw, droom vijftig keer, en hebt u vijftig keer hetzelfde gedroomd, dan zit er na dat alles toch niets anders in dan dromen! U die op dromen bouwt, kunt maar beter oppassen wat u doet!
Wel, zegt een ander, maar ik hoorde een stem in de lucht. Onzin! Maar ik hoorde haar echt, zegt u. Bijgeloof! Maar ik weet zeker dat ik haar hoorde. Wel, wat doet dat ertoe? Het kan mij niet schelen waar de stem vandaan kwam als u haar alleen met uw uiterlijke oren hoorde. Het is even waarschijnlijk dat het de duivel was die sprak als wie ook, als er al iemand sprak!
U bedriegt uzelf daarmee net zo waarschijnlijk als met wat ook ter wereld. Het gebed van de tekst is niet: zeg tot mijn oren: Ik ben uw Heil. Begrijpt u wat het spreken tot de ziel is? Ach, ach — de meeste mensen begrijpen niets van wat met de geestelijke wereld te maken heeft; er zijn materialisten in het christendom, net als op andere terreinen. Zij denken dat God aanbidden betekent: op een bepaalde manier zingen, de knieën buigen en bepaalde woorden zeggen. Welnu, u kunt dat allemaal doen en toch is er misschien geen greintje aanbidding in! En aan de andere kant kunt u God aanbidden zonder iets daarvan. Iemand kan Gods lof zingen zonder ooit zijn mond te openen!
Iemand kan tot God bidden en toch nooit een woord zeggen, want het is het zingen en bidden van de ziel dat God aanneemt! En wanneer God terugspreekt tot de ziel die geleerd heeft met Hem te spreken, spreekt Hij geen lippentaal, tongtaal of oortaal, maar zielstaal! Ik heb al gezegd dat deze zielstaal soms de gestalte aanneemt van de prediking of van het Woord Gods, en zo als het ware iets wordt dat zich tot de oren richt, maar zelfs dan doodt de letter — alleen de Geest maakt levend. Het is Gods ziel die spreekt tot de ziel van de mens; dat is wat hier nodig is. En let wel, dierbare vriend: spreekt God ooit tot uw ziel, dan hoeft u niet te vragen Wie het is Die spreekt, want komt de eeuwige God ooit in rechtstreekse aanraking met het menselijk hart, dan is er geen vergissing mogelijk!
Begrijpt u dit? Sommigen van u denken dat ik fanatiek ben. Gave God dat u allen zo fanatiek was! Mag u God tot uw ziel horen spreken, en mag de Heilige Geest met uw geest getuigen dat u uit God geboren bent! Bid het gebed, en moge God het nu verhoren: zeg tot mijn ziel: Ik ben uw Heil.
Ik wil ook dat u opmerkt dat het hier aangeboden gebed een gebed voor nu is: zeg tot mijn ziel: Ik ben uw Heil. Het is niet: doe het later, maar: nu, HEERE, nu! Misschien hebben sommigen van u Gods stem in vroeger jaren gehoord, maar nu bent u terechtgekomen in het Kasteel der Wanhoop. Welnu, u kunt dit gebed juist nu bidden, terwijl u in de bank zit, en al hoort niemand het dan uzelf, toch zal Gods Geest tot u spreken. Dan zult u Hem horen zeggen: Ik ben uw Heil, en zal uw hart zingen: Ik ben mijns Liefsten, en mijn Liefste is mijn! Bid het gebed nu; het hoeft geen ogenblik te duren voordat het verhoord wordt, want terwijl u het nog uitspreekt, zult u het voelen. U zult neergebogen worden onder een besef van dankbaarheid, en toch opgeheven worden met een onuitsprekelijke en heerlijke vreugde, wanneer u kunt zingen: terwijl Jezus fluistert dat ik van Hem ben, en mijn Beminde van mij.
Kom, gelovigen, laten wij allen dit gebed bidden, of wij deze stem nu eerder gehoord hebben of niet! O mijn God, maak ons tot ware gelovigen, en mogen wij het nu allen bidden: zeg tot mijn ziel: Ik ben uw Heil. De predikant heeft dit gebed zelf dikwijls nodig. En hij twijfelt er niet aan dat velen van zijn broeders en zusters juist zo’n roep hebben moeten aanheffen. Welnu, laat het vanavond weer opgaan: o God, geef ons de liefde van onze ondertrouw terug, ons eerste geloof, onze vroege vreugde; spreek met Uw eigen stem tot onze verontruste harten en zeg tot onze zielen: Ik ben uw Heil. II. En nu gaan wij, heel kort, over naar het tweede punt.
Dat was DE GEZEGENDHEID VAN DE GEVRAAGDE VERZEKERDHEID. Ik denk niet dat ik daar echt over zal preken; ik laat u het zelf ontdekken. U die het kent, weet dat ik het niet kan beschrijven, want u kunt het uzelf ook niet beschrijven. En u die het niet kent, zou het niet begrijpen als ik u vertelde wat het is.
Zoveel zult u wel begrijpen: als u vanavond kon voelen dat God Zelf tot uw ziel gezegd had: Ik ben uw Heil, dan zou u zich oneindig gelukkiger voelen dan nu. Sommigen van u zijn zeer opgewekt, maar soms bent u toch verontrust en neergeslagen. U hebt, dat weet ik, ogenschijnlijk heel wat vrolijkheid en plezier om u heen, maar ‘s nachts, of vroeg in de morgen, of als u naar een begrafenis moet, voelt u zich niet helemaal zoals u zou willen. Er is ergens een pijnlijke leegte, en u hebt nog niet ontdekt wat die zal vullen. Als God Zelf nu tot u zou zeggen: Ik ben uw Heil, zou dat haar dan niet vullen? O, wat zou u dan een ander leven leiden! Hoe gelukkig zou u zijn, en hoe heilig zou u, eenmaal behouden, proberen te zijn! En hoe dicht bij God zou u, eenmaal heilig, proberen te leven!
Was ik maar behouden, zegt iemand, dan zou ik de HEERE werkelijk loven zolang ik besta. Welnu, arme ziel, ik bid dat het zo met u mag gaan — maar de gezegendheid ervan moet u proeven om haar te kennen. Smaakt en ziet, dat de HEERE goed is! Er is geen andere manier om het te begrijpen.
Ik denk dat ik u eens het verhaaltje verteld heb van de jongen op de zendingspost die van een zendeling een stukje suiker gekregen had. Toen hij naar huis ging, vertelde hij zijn vader dat hij iets heel zoets gehad had. De vader vroeg of het zo zoet was als deze of die vrucht. O, zoeter dan dat! Was het zo zoet als weer een andere?
Ja, veel zoeter dan dat. En toen de jongen zijn vader niet duidelijk kon maken hoe zoet het was, rende hij naar de zendingspost en zei: o meneer, wilt u mij nog een stukje van dat zoete spul geven? Vader wil begrijpen hoe zoet het is, en ik wil het hem duidelijk maken, maar ik kan het hem niet vertellen. Zo kreeg hij nog een stukje suiker, en daarmee ging hij terug naar zijn vader. Hier, vader, nu zult u begrijpen hoe zoet het is. Dat is een heel goede illustratie van de tekst die ik zojuist aanhaalde: Smaakt en ziet, dat de HEERE goed is! Proef zelf — dan zult u het zelf weten.
III. Laten wij nu zonder uitstel naar het derde punt gaan. HOE VERKRIJGEN WIJ DEZE VERZEKERDHEID? HOE ZAL DE GELOVIGE WETEN DAT HIJ BEHOUDEN IS? De weg tot verzekerdheid gaat door de deur van eenvoudig geloof. Het evangelie is: Die geloofd zal hebben, en gedoopt zal zijn, zal zalig worden.
Geloven is Christus vertrouwen. Welnu, als ik weet dat ik Christus vertrouw en in gehoorzaamheid aan Zijn gebod gedoopt ben, dan zegt God dat ik behouden zal worden. Is dat niet genoeg voor mij? Zou het in elk geval niet genoeg moeten zijn? Als God het zegt, moet het waar zijn!
Ik geloof dat Zijn Boek geïnspireerd is, en Hij heeft het zo gezegd: Die in Hem gelooft, wordt niet veroordeeld. Welnu, als ik in Hem geloof, dan word ik niet veroordeeld. Het geweten zegt: u bent nog ver van volmaakt. Dat weet ik. Ach, geweten! Ik weet het tot mijn schande en tot mijn droefheid, maar het Woord zegt: Die in Hem gelooft, wordt niet veroordeeld.
Ik geloof in Hem, en ik word niet veroordeeld, laat het geweten zeggen wat het wil! Maar, zegt de duivel, hoe kan dit waar zijn? Dat is mijn zaak niet en de uwe ook niet, satan! God zegt dat het zo is, en daarom is het zo. Dat is genoeg voor mij! Wij nemen het woord van mensen aan; waarom zouden wij dan het Woord Gods niet aannemen?
Wie eenvoudig in Jezus Christus gelooft, moet enige mate van verzekerdheid hebben, want de eenvoudige daad van leunen, van met heel uw gewicht rusten op Christus, geeft het hart naar haar mate verzekerdheid, als zij oprecht en waarachtig verricht wordt. In elk geval is het de melk die de room voortbrengt. Geloof is de melk, en verzekerdheid is de room! U moet uw verzekerdheid uit uw geloof halen — en is het een eenvoudig geloof dat geheel op Jezus Christus steunt, dan zal het u, zo niet meteen, dan toch zeer spoedig, enige mate van verzekerdheid geven van uw deel aan Christus. Er zijn veel goede mensen die zeggen: wij vertrouwen op Christus, en wij hopen dat wij christenen zijn.
Zij zeggen niet graag dat zij weten dat zij behouden zijn. Zij denken dat zij heel nederig zijn als zij zeggen: wij vertrouwen van wel. Wij hopen van wel. Terwijl er op de bodem van zulk gepraat niets dan hoogmoed ligt, als een dikke droesem! Welk recht heb ik om, wanneer God mij zegt dat iets zo is, te zeggen dat ik hoop dat het zo is?
Stel dat ik beloofde tien pond aan een liefdadigheidsinstelling te geven, en de persoon aan wie ik het beloofd had, zei: wel, ik hoop dat u het zult geven; dan zou ik antwoorden: maar ik heb gezegd dat ik het zal doen. Ja, ik hoop dat u het zult doen. Maar gelooft u mij niet? Ja, ik hoop het wel, maar … Wel, als zulk gepraat onder wereldse mensen gangbaar was, zouden zij elkaar de deur wijzen! Het zou als een belediging gelden iemand niet te geloven — en waarom zou u God behandelen op een manier waarop u zelf niet door uw medemensen behandeld zou willen worden? God zegt dat ik behouden ben als ik Christus vertrouw. Ik vertrouw Christus, en ik ben behouden — ben ik dat niet, dan is Gods Woord niet waar!
Daar komt het op neer. Zijn Woord moet waar zijn. Als ik dus werkelijk Christus vertrouw — en ik weet dat ik dat doe — wat ik verder ook heb nagelaten; als mijn ziel zich aan Hem vastklampt, zinken of zwemmen, zonder ook maar de schaduw van een hoop ergens anders dan in Zijn kostbaar bloed; kan ik dit zeggen, dan weet ik dat ik behouden ben, want God zegt dat ik het ben! Ervaring en geweten mogen zeggen wat zij willen, maar: “God zij waarachtig, maar alle mens leugenachtig.” De manier om de mate van onze verzekerdheid te vergroten, is echter het Woord Gods meer te bestuderen. Sommige mensen hebben niet het vertrouwen dat zij zouden kunnen hebben, omdat zij de waarheid niet begrijpen.
Ik denk dat bepaalde vormen van arminianisme schadelijk zijn voor het geloof van de christen — bijvoorbeeld die vormen die de verkiezing Gods ontkennen, de krachtdadige roeping door de Heilige Geest en de volharding der heiligen. Deze ontkenningen lijken mij de grond onder iemands voeten weg te slaan! En het verwondert mij niet dat wie ze gelooft, geen verzekerdheid heeft. Als ik geloof dat Gods kinderen kunnen afvallen en verloren gaan, dan lijkt volle verzekerdheid mij in elk geval een onmogelijkheid te worden, want als zij kunnen vallen, waarom zou ik dan niet vallen? Wat is er in mij dat ik zou blijven staan waar anderen vallen? Maar rust ik alleen op het volbrachte werk en de gerechtigheid van Jezus, en geloof ik dat het volbracht is, dan kan ik zingen: “Hem nu, Die machtig is u van struikelen te bewaren, en onstraffelijk te stellen voor Zijn heerlijkheid, in vreugde, Den alleen wijzen God, onzen Zaligmaker, zij heerlijkheid en majesteit, kracht en macht, beide nu en in alle eeuwigheid. Amen.”
Bestudeer het Woord veel, dierbare christelijke broeders en zusters. Trek u niets aan van de tijdschriften! Trek u niets aan van de kranten! Behalve voor zover u ze voor uw zaken nodig hebt, hoeft u zich er niet mee bezig te houden. Wij zouden allemaal veel beter af zijn als wij ons aan het ene Boek hielden.
Laten wij in onze kennis zo veelomvattend mogelijk zijn, maar laten wij de Bijbel de zon en het middelpunt houden van het zonnestelsel van onze kennis — en laat alles wat wij weten om dat middelpunt draaien! Wisten wij meer van God, dan zouden wij er vrede mee kunnen hebben minder van mensen te weten. Verder denk ik dat wij, als wij volle verzekerdheid willen bezitten, meer in het gebed moeten zijn dan nu. U zult niet in een gezonde toestand zijn als u zonder gebed leeft. Als u christen bent, kunt u er niet zonder leven — en ik bedoel dat u niet gezond kunt zijn als u leeft zonder veel gebed. Ik ben ervan overtuigd dat niemand van ons bidt zoals wij zouden moeten. Ik ben niet geneigd lichtvaardig beschuldigingen te uiten tegen Gods heiligen, maar ik vrees dat dit geen biddende tijd is. Het is een lezende tijd, een predikende tijd, een werkende tijd, maar het is geen biddende tijd!
Als men leest over de gebeden van de puriteinen, staat men versteld! Wel, hun openbare gebeden duurden soms driekwart uur, en soms anderhalf uur op de klok. Ik ben daar geen voorstander van. Maar hun persoonlijke gebeden waren nog veel langer, en dagen van vasten en gebed waren heel gewoon. Ik wenste dat wij een dag van vasten en gebed konden houden over deze runderpest, maar dat zeg ik slechts terzijde. Ik wenste dat wij allen veel meer baden dan wij doen. Wij bidden maar korte tijd, omdat wij zeggen dat wij het zo druk hebben, maar wij vergeten dat wij beter kunnen werken naarmate wij meer bidden.
De maaier misgunt zich de tijd niet die hij besteedt aan het wetten van zijn zeis, en de schrijver niet de tussenpoos om zijn pen bij te punten. Maarten Luther zei, als hij twee keer zoveel te doen had als gewoonlijk: ik moet vandaag minstens drie uur bidden, anders kom ik nooit door mijn werk heen. Hoe meer werk hij had, hoe meer hij bad, om erdoorheen te kunnen komen! O, deden wij maar hetzelfde! Wij zouden meer verzekerdheid hebben als wij meer met God op de berg waren! Laat mij u ook aanraden een stichtelijke prediking bij te wonen en om te gaan met christenen die verder gevorderd zijn.
Sommige jonge planten hier lijden verschrikkelijk onder de kou wanneer zij overgeplant worden. Zij komen misschien van het platteland, vol twijfels en vrezen, en dan scharen sommige van mijn goede broeders en zusters zich om hen heen, spreken met hen en bemoedigen hen, en dan zijn zij zo blij. O, waren alle gemeenten maar warmhartig, hartelijk en liefdevol! Er is zoveel gereserveerdheid, men houdt zoveel afstand van elkaar, dat er geen sprake van kan zijn met elkaar over de dingen Gods te praten! Door de genade Gods zullen wij proberen dit te doorbreken en wat meer warmte jegens elkaar te krijgen — en zo hopen wij volle verzekerdheid te verkrijgen, door met elkaar te spreken over de dingen van het koninkrijk Gods en elkaar zo te versterken in ons werk. Maar, dierbare vrienden, als u volle verzekerdheid wilt verkrijgen, kan ik u nog iets anders aanbevelen, en dat is: werk voor Christus. Wij worden niet door werken behouden, maar voor God werken brengt ons veel zegeningen. Wees ervan verzekerd: als u voor Christus de kosten doet en uzelf ten koste geeft, zult u nooit zonder geld zijn om te besteden!
Geeft u uw kracht voor Hem uit, dan zal Hij nieuwe voorraden kracht voor u opslaan! Hij geeft ons geen geloof om het te begraven, zoals de man zijn talent begroef; maar hebben wij vijf talenten geloof en gebruiken wij ze, dan zal Hij ons er vijf talenten bij geven — en zo zullen wij verzekerdheid hebben als wij ons geloof goed gebruiken. En dan nogmaals: loof God voor wat u hebt. De oude meester Brookes zegt: hebt u maar kaarslicht, zegen God ervoor, en Hij zal u sterrenlicht geven. Hebt u sterrenlicht, prijs God ervoor, en Hij zal u maanlicht geven. Hebt u maanlicht, verheug u erin, en Hij zal u zonlicht geven.
En hebt u zonlicht, prijs Hem nog meer, en Hij zal het licht van uw zon maken als het licht van zeven dagen, want de HEERE Zelf zal het licht van uw geest zijn. Loof en zegen Hem, en uw verzekerdheid zal groeien! Dring bovenal door inzettingen, middelen en gebeden heen tot de Persoon van Christus Zelf! Thomas ondervond dat het leggen van zijn vinger in Christus’ wonden een geneesmiddel was voor al zijn ongeloof. Zo zal het ook met u zijn. Vraag Hem u in Zijn purperen kleed te hullen en u heel Zijn Naam te vertellen. Bid Hem Zich aan u te openbaren in Zijn lijden en in Zijn heerlijkheid.
Vraag Hem dat u Zijn hart mag lezen, dat Hij tot u mag spreken en u de grote, onuitsprekelijke liefde mag tonen waarmee Hij u liefhad van voor de grondlegging der wereld. Dan zal uw gemeenschap met Christus zijn als arendsvleugels die u opheffen tot de hemel! Uw gemeenschap met Jezus zal zijn als vurige paarden die uw wagen van vlammende liefde omhoogtrekken tot de troon des Allerhoogsten! U zult op de bergtop wandelen en met God spreken, want u zult geleerd hebben met Christus om te gaan! Uw geest zal zijn nest bouwen dicht bij de troon des Allerhoogsten. U zult boven de zorgen der aarde uitstijgen, u zult opklimmen boven de storm en strijd van de wereldse tweedracht, en u zult uw ziel nu al baden in de ongebroken zee van eeuwige stilte voor de troon van God!
Laten wij Hem vragen vanavond tot ieder van onze zielen te zeggen: Ik ben uw Heil. Sommigen van ons gaan naar het avondmaal. Misschien zal Hij het ons daar zeggen. En doet Hij het niet, dan gaan wij naar huis om te bidden. En spreekt Hij dan niet tot ons, dan zal Hij het misschien zeggen in de nachtwaken.
En als wij ontwaken, zullen wij nog steeds blijven pleiten, totdat die lippen die zeiden: Daar zij licht! en daar werd licht, opnieuw tot ons zullen zeggen: Daar zij licht! en wij zullen weten dat Hij onze zaligheid is! Moge God u zeer rijk zegenen, omdat u dit gebed gehoord hebt, om Jezus’ wil.
Preek nr. 3137, postuum gepubliceerd 1909, Metropolitan Tabernacle Pulpit deel 55. Bron: Spurgeon’s Sermons, spurgeon.org.


