Een preek uitgesproken op zondagmorgen 27 april 1862 door C. H. Spurgeon in de Metropolitan Tabernacle te Newington.

Doch deze ene zaak zij u niet onbekend, geliefden, dat een dag bij den Heere is als duizend jaren, en duizend jaren als een dag. 2 Petrus 3:8
Uit deze tekst hebben sommige mensen – die meer op zoek zijn naar argumenten voor hun theorieën dan naar een waarheidsgetrouwe uitleg van wat de apostel bedoelde – de conclusie getrokken dat een dag in de Schrift symbool staat voor duizend jaar. Dat wil zeggen: omdat God zes dagen nodig had om de hemel en de aarde te scheppen en op de zevende dag rustte, moeten wij voor elke dag duizend jaar verwachten. Dit zijn duizendjarige periodes waarin de nieuwe hemel en de nieuwe aarde worden voorbereid, waarna we in het zevende millennium genieten van een tijdperk van volmaakte vrede en heiligheid. Dat zou inderdaad zo kunnen zijn. Het is mogelijk dat wij, zodra de zesduizend jaar van arbeid voorbij zijn, het duizendjarig vrederijk binnengaan; het laatste millennium dient dan als een sabbat na de zes voorafgaande.Maar zelfs al wisten we dit, dan betwijfel ik of het ons veel zou helpen om de dag te voorspellen waarop de strijdende Kerk, door de komst van haar Heere, overal zal triomferen. De tijdrekening van het verleden is namelijk in zoveel duisternis gehuld, dat we betwijfelen of iemand ons kan vertellen wanneer die zesduizend jaar voorbij zijn, of zelfs maar hoe oud de wereld precies is, op een of tweehonderd jaar nauwkeurig! Zelfs al zou deze theorie bewezen kunnen worden, dan nog zou onze nieuwsgierigheid eerder geprikkeld dan bevredigd worden. Alle tijdrekeningen die we hebben – inclusief degene die de vertalers in onze Bijbels hebben opgenomen – berusten namelijk op gissingen, en hun juistheid is verre van onbetwistbaar.
We zouden de tijden en momenten dus niet met meer zekerheid kunnen vaststellen. Dat zouden we ook niet moeten verlangen, want de Vader houdt deze in Zijn eigen macht. Wat het einde betreft geloven wij dat niemand het weet, zelfs de engelen van God niet! Broeders en zusters, wij willen niet proberen te ontdekken wat God verborgen heeft, en geen vragen stellen waarop Hij weigert te antwoorden.
Het is echter zeker dat onze tekst de leer van het sabbatische zevende millennium niet onderwijst. Als u naar de volledige context van het gedeelte kijkt, ziet u dat de woorden geschreven zijn als antwoord op de redenering van mensen die beweerden: Waar is de belofte Zijner toekomst? Want van dien dag, dat de vaders ontslapen zijn, blijven alle dingen alzo gelijk van het begin der schepping.
“Nee,” antwoordt de apostel, “zo is het niet.” Daarna noemt hij de gedenkwaardige geschiedenis van de zondvloed als voorbeeld van Gods ingrijpen. Hij wist bovendien dat zelfs de gelovigen begonnen te klagen over de traag verstrijkende uren en vonden dat de belofte wel erg lang op zich liet wachten. Daarom biedt hij weerwoord aan de tegenstander en troost hij de vriend met de woorden uit onze tekst. Hij zegt als het ware: “U weet niet wat u zegt wanneer u over de lengte van de tijd spreekt, want u vergeet dat in Gods ogen een dag is als duizend jaar, en duizend jaar als een dag.”
De apostel heeft dit ongetwijfeld ook geschreven ter bemoediging van christenen in onze tijd: mensen die vermoeid raken, hun wapens willen neerleggen en de strijd willen opgeven, omdat de wagen van Christus zo lang op zich laat wachten voordat Hij zegevierend terugkeert. Als een goede officier die de moedelozen weer bijeenroept, spoort hij hen aan tot geduld: “Geliefden, het duurt niet lang meer. Het voelt voor u misschien als een eindeloos tijdperk, maar het past u om nog even te wachten. Leg uw ongeduld opzij. En terwijl u roept: Waarom vertoeven Zijn wagens zo lang?, bedenk dan dat de tijd voor Hem niet lang is. Voor Hem is een dag als duizend jaar, en duizend jaar als een dag.”
Wat de apostel als algemeen beginsel lijkt te leren, is dat onze inschatting van de tijd niet de juiste is, en al helemaal niet de goddelijke maatstaf is. Wanneer we de tijd in relatie tot God bekijken, moeten we bedenken dat Hij de onderscheidingen die wij kennen, niet maakt. Voordat ik echter op het onderwerp zelf inga, wil ik opmerken dat de apostel benadrukt dat hij niet wil dat wij hier onwetend over zijn. Er moet dus ongetwijfeld veel waarde aan worden gehecht. Bij sommigen is er sprake van een opzettelijke onwetendheid, en over hen spreekt de apostel in het voorgaande vers: willens is dit hun onbekend. Zie erop toe, broeders en zusters, dat u zich niet schuldig maakt aan deze zonde door uw ogen te sluiten voor het licht van God!
Anderen kenmerken zich door een luie onwetendheid. Zij willen niet studeren en onderzoeken de Schriften niet, en daarom wordt hun veel niet geopenbaard. Het is niet goed dat de ziel zonder kennis is. Bovenal is het uitermate schadelijk als het verstand van de christen het zonder kennis van God moet stellen! We kunnen ons geen voorstelling maken van wie God is, maar we moeten er zeer voor waken dat we Hem niet maken tot wat Hij niet is. Onze apostel dringt er sterk op aan dat wij, als het gaat om Gods eeuwigheid, geen vergissingen maken. We moeten het bestaan van de Oneindige niet inschatten en afmeten aan onze eigen regels en maatstaven, omdat in de praktijk de ergste gevolgen kunnen voortvloeien uit een dwaling op dit gebied. Ongeduld kan uitgroeien tot ongeloof. Dat kan weer ontaarden in mokkende klachten, en die kunnen op hun beurt onbedrijvigheid, luiheid, ongehoorzaamheid, opstandigheid en wie weet hoeveel andere kwaden voortbrengen!
Dan nu direct naar de tekst. We zullen deze, met Gods hulp, op drie manieren behandelen. Ten eerste zeggen we iets over het algemene beginsel uit de tekst. Ten tweede blijven we bij de woorden van dit gedeelte en staan we stil bij Gods inschatting van een dag. In de derde plaats blijven we bij de woorden van deze zin en weiden we uit over Gods inschatting van duizend jaar.
I. Laten wij dan allereerst de verklaring die voor ons ligt opvatten ALS ALGEMEEN BEGINSEL: een dag bij den Heere is als duizend jaren, en duizend jaren als een dag.
1. Bij het ontvouwen van dit algemene beginsel merken wij op dat alle tijd voor God evenzeer in het heden ligt. Wanneer wij weten dat een gebeurtenis vandaag zal plaatsvinden, voelt deze dichtbij. Maar wanneer wij weten dat iets pas over duizend jaar zal gebeuren, maken wij ons er niet druk om. Wij beseffen dat wij lang voor die tijd in ons graf zullen liggen, en daarom lijkt zo’n gebeurtenis ver van ons af te staan. Voor God werkt dit echter anders. Alle dingen zijn voor Zijn blik even dichtbij en tegenwoordig. Een afstand van duizend jaar tot een gebeurtenis is voor Hem niet groter dan het tijdsbestek van een enkele dag.
Bij God is er inderdaad geen verleden, geen heden en geen toekomst! Hij neemt voor Zichzelf de naam “IK BEN” aan. Hij noemt Zichzelf niet de “IK WAS”, want dan zouden wij kunnen denken dat Hij vroeger iets was wat Hij nu niet meer is, dat een deel van Zijn karakter veranderd zou zijn of dat een bepaalde eigenschap zou zijn verdwenen. Er klinkt namelijk iets onheilspellends van vernietiging door in de woorden “Hij WAS”. Is het niet eerder een doodsklok voor de doden dan een naam voor de levenden? Onze Heere God spreekt ook niet over Zichzelf als de “IK ZAL ZIJN”, want dat zou de indruk kunnen wekken dat Hij nu nog niet is wat Hij in de komende eeuwen zal zijn.
Wij weten echter dat Zijn Wezen volmaakt is, Zijn kracht oneindig, Zijn heerschappij absoluut, Zijn macht onbeperkt en Zijn heerlijkheid alles overtreffend. Van ontwikkeling kan geen sprake zijn: Hij is vandaag alles wat Hij in de toekomst zal zijn. Van de Heere Jezus lezen wij dat Hij de eeuwige Vader is, en toch behoudt Hij de dauw van Zijn jeugd. Kindertijd, volwassenheid en ouderdom horen bij schepselen, maar aan de rechterhand van de Allerhoogste is daar geen plaats voor. Groei, vooruitgang en verbetering zijn stuk voor stuk deugden van eindige wezens, maar voor de Oneindige zou de gedachte aan een dergelijke verandering ronduit een belediging zijn!
Gisteren, vandaag en morgen behoren toe aan de stervende mens. De onsterfelijke Koning leeft in een eeuwig vandaag. Hij is de IK BEN: IK BEN in het heden, IK BEN in het verleden en IK BEN in de toekomst. Zoals wij van God zeggen dat Hij overal is, zo kunnen wij van Hem zeggen dat Hij er altijd is. Hij is overal in de ruimte en Hij is overal in de tijd. God is vandaag in het verleden. Hij is vandaag al in de toekomst. Hij is vandaag in het heden waarin wij ons bevinden.
Dit is een onderwerp waarover we alleen kunnen spreken zonder zelf volledig te bevatten wat we zeggen. Toch kan een vergelijking de zaak misschien wat verduidelijken. Stel, er stroomt een rivier met een zachte helling naar de zee. Daarop vaart een schipper. Zijn schip is nu hier, straks daar, en uiteindelijk bij de monding van de rivier. Voor hem bevindt echter alleen dat deel van de rivier waarop hij vaart zich in het heden. Maar hoog daarginds, op een berg, staat een reiziger. Als hij vanaf de top uitkijkt, ziet hij de bron van de rivier en de nog jonge stroom, waar deze slechts een smalle zilveren lijn is. Vervolgens volgt hij het water met zijn heldere blik totdat het aanzwelt tot een machtige vloed, en hij blijft het volgen tot de rivier uiteindelijk door de oceaan wordt opgenomen. Voor de klimmer op die bergtop is nu die hele schitterende waterlijn die de vlakte siert, van de bron tot de monding, tegelijkertijd zichtbaar. Geen enkel deel van de stroom is dichter bij hem dan een ander deel. In de verte overziet hij de stroom in haar geheel, van het begin tot het einde.
De schipper daar beneden is van plaats veranderd terwijl wij vanaf de bergtop naar hem keken. Hij kan de rivier niet in haar geheel overzien. Hij kan over de rivier alleen spreken in termen van waar hij was, waar hij is en waar hij zal zijn. Maar wij, die de rivier als één geheel zien, spreken er ook over als een geheel, en zij is volledig in het heden aanwezig voor ons oog.
Zo, denken wij, is de stroom van de tijd voor God. Vanuit de hoogte van Zijn waarneming kijkt Hij erop neer en overziet Hij deze in één blik. Hij neemt niet door middel van vele gedachten, maar met één enkele gedachte alle omwentelingen van de tijd en alle veranderingen van de eeuwen in Zich op. Hij ziet zowel de duizenden jaren die voorbij zijn, als de duizenden die nog komen, tegelijk in één oogopslag voor Zich!
Of, om een ander beeld te gebruiken: er zijn sterren die bekendstaan als dubbelsterren, en zelfs met de sterkste telescoop lijkt het onmogelijk om ook maar enige afstand tussen hen te ontdekken. Ze staan bijna tegen elkaar aan. Aan bepaalde bewegingen merkt de sterrenkundige weliswaar dat het om twee sterren gaat en niet om één, maar voor de gewone waarnemer lijken ze één te zijn. Zelfs met de sterkste telescoop, zoals gezegd, is er geen afstand tussen hen te zien. En toch is het volkomen zeker dat er miljoenen en nog eens miljoenen mijlen aan ruimte tussen die twee sterren kunnen liggen. Vanaf de afstand waarop wij ons bevinden, smelten ze echter samen tot één!
Zo is het ook met de gebeurtenissen in de tijd, zoals de val en de verlossing. Voor ons ligt daar een periode van enkele duizenden jaren tussen. Maar God, Die ver ziet, kijkt vanaf Zijn hoge troon op hen neer, en ze smelten samen tot één. Hij ziet de val plaatsvinden in de morgen van de tijd, en de verlossing voltooid worden voordat de avond is gevallen! Voor Hem vormen ze één gedachte. Wij kijken naar de val en wenen erover, en later zien wij het herstel in Christus en verheugen we ons. Maar God beschouwt het geheel als één: de val en het weer opstaan van Israël zijn één. Hij verbindt ze zo nauw met elkaar, dat Hij helder de heerlijkheid overziet die het hele gebeuren Hem brengt, evenals het algemene welzijn dat het oplevert voor de schepselen die Zijn handen hebben gemaakt.
Ik weet dat we God door middel van beelden – hoe eenvoudig we die ook maken – niet voor menselijke ogen zichtbaar kunnen maken, want het gelaat van geen van Zijn eigenschappen kan worden aanschouwd. Toch denk ik dat deze gedachten ons kunnen brengen tot het besef dat duizend jaar in de toekomst voor God slechts als één dag is. Datzelfde geldt voor het verleden, omdat Hij alle dingen ziet in één eeuwig NU, aangezien ze onafgebroken in het heden voor Zijn ogen staan!
Laat de zondaar dit bedenken. Zijn zonden, zegt hij, zijn al tien of twintig jaar geleden begaan. Maar voor God zijn ze op dit moment aanwezig in de onverzwakte kleur van scharlaken! Laat de zondaar dit bedenken wanneer hij nadenkt over de dood en de straf na de dood. “Ach,” zegt hij, “dat is nog zo ver weg.” Maar dat is niet zo, zondaar! Voor God is het slechts als een dag. En als u de tijd juist zou kunnen inschatten, hoe dichtbij is het oordeel dan voor u, en hoe dichtbij zijn die verterende vlammen waarin onboetvaardige zielen geworpen moeten worden! Denk hieraan, zo bid ik u, stervende zondaar. Huiver, en moge God u helpen om uw jaren te zien als één dag. En bedenk, ach, dat één dag in de hel pijnlijker zal zijn dan duizend jaar op aarde! Moge God u voor die plaats bewaren, omwille van Zijn naam!
2. Als we de tekst nog steeds opvatten als algemeen beginsel, leert deze ons vervolgens dat de tijd volkomen machteloos is om God te raken. Een enkele dag brengt in ons geen specifieke verandering teweeg die we direct kunnen opmerken. We begroeten onze vriend ‘s avonds – nadat we hem ‘s morgens nog hebben gezien – immers niet met de woorden: “Waarde heer, wat ziet u er ineens een stuk ouder uit!” Ongetwijfeld worden we allemaal in één dag een beetje ouder, maar die verandering is nauwelijks merkbaar, althans niet voor de grove, gewone ogen van sterfelijke mensen!
Maar neem nu eens een periode van vijftig jaar. Wat een verschil is er dan bij ieder van ons te zien! Sommige van mijn dierbare vrienden hier om mij heen, die nu grijs of kaal zijn, waren vijftig jaar geleden lange, knappe jonge mannen in de bloei van hun leven. Anderen van ons waren twintig jaar geleden nog kwebbelende jongens, vol spel en dartelheid; nu zijn we volwassen mannen en dragen we de last en de hitte van de dag. De vingers van de tijd bekladden de brief van het leven helaas maar al te treurig. En wat deze gemeente hier betreft: wacht maar eens honderd jaar, waar zullen we dan allemaal zijn? Tenzij de Heere terugkomt, zullen wij, ieder van ons, in het stof sluimeren en wachten op de bazuin van de aartsengel!
Maar zoals een dag bij ons geen verandering lijkt te brengen, zo brengen duizend jaar – en dat is een nog veel grotere waarheid – geen enkele verandering teweeg bij God. De eeuwen rollen voort, maar Hij blijft Dezelfde, zoals golven zich stukslaan tegen een rots, terwijl de rots voor altijd blijft staan. Broeders en zusters, we hoeven niet bang te zijn dat God ooit door het verstrijken van de tijd door zwakheid zal worden aangetast. De Oude van dagen, altijd Almachtig, wordt niet moe en niet mat! Is de arm van de Heere verkort? Is Zijn oor te zwaar geworden om te horen? Is Zijn arm te kort om te redden? Zelfs als deze krakende aarde nog duizend jaar langer om haar as zal draaien, zullen we ontdekken dat de Heere Zich nog net zo sterk toont om Zijn dienaren te helpen, en net zo machtig om Zijn vijanden te vermorzelen als voorheen!
En zoals de tijd geen zwakheid brengt, zo zal deze ook zeker geen verval teweegbrengen bij God. Op Zijn voorhoofd staat nooit een rimpel. Er zijn geen tekenen van verlamming in Zijn handen. In het visioen, zo wordt ons verteld, zijn Zijn hoofd en haar wit als wol, wit als sneeuw: als zinnebeeld van Zijn eeuwigheid, als de Oude van dagen. Maar “Zijn haarlokken zijn borstelig en zwart als de raaf,” zei een ander, als zinnebeeld van Zijn voortdurende jeugd en Zijn eeuwige kracht. O zon, uw vuren zullen eens doven! O maan, u zult uw licht verbergen! En u, sterren, wanneer u rijp bent, zult u vallen als vijgenbladeren van de boom! En wat u betreft, o aarde, uw oeroude bergen brokkelen nu al af; uzelf en al wat op u woont, zult voorbijgaan als een versleten kleed! Maar U, o God, U bent Dezelfde en van Uw jaren is geen einde. Van eeuwigheid tot eeuwigheid bent U God!
En zoals de tijd geen zwakheid en geen verval bij God teweeg kan brengen, zo kunnen de verstrijkende jaren ook geen verandering brengen in Zijn plan. Wat Hij met Zijn zegel heeft bezegeld, daaraan houdt Hij vast, en wat Zijn hart bepaalt, dat zal Hij doen. Hij kent geen verandering. Hij is geen man, dat Hij liegen zou, noch eens mensen kind, dat het Hem berouwen zou. En zoals er geen verandering in Zijn besluit kan zijn, zo kunnen er ook geen onvoorziene moeilijkheden tussenkomen om de uitvoering ervan te verhinderen. Heeft Hij het niet gezegd, en zal Hij het niet doen? Heeft Hij het niet geboden, en zal het niet geschieden?
Er zal geen onvoorziene of onvoorbereide kracht nodig zijn. Geen onverwachte hindernissen zullen Zijn pad versperren. Tot op de dag van vandaag heeft Hij de bergen geslecht en de zeeën overbrugd. Tot nu toe hebben Zijn eigen rechterhand en Zijn heilige arm Hem de overwinning bezorgd. Tot nu toe is geen wapen dat tegen Hem gesmeed werd, voorspoedig geweest, en elke tong die zich tegen Hem in het gericht verhief, heeft Hij veroordeeld. Zo zal het zijn, tot in alle eeuwigheid. Zolang er werk te doen is, zal Hij het doen. Zolang er een vijand te overwinnen is, zal die vijand worden overwonnen. Overwinnend en om te overwinnen is Uw weg, o Heere, en door alle eeuwen heen zingt men: De HEERE, sterk en geweldig, de HEERE, geweldig in den strijd! Als het om verandering gaat, is één dag voor God als duizend jaar, en duizend jaar als één dag.
3. Verder leert de tekst ongetwijfeld dat alle tijd voor God onbeduidend is. In een waterdruppel, zo wordt ons verteld, kunnen soms wel duizend levende wezens worden ontdekt, en voor die kleine schepseltjes is hun grootte ongetwijfeld iets heel belangrijks. Er leeft misschien een schepsel in die druppel dat alleen met de sterkste microscoop te zien is, maar dat wel honderd keer zo groot is als zijn buurman. Het ervaart dat verschil ongetwijfeld als verbazingwekkend en buitengewoon. Maar voor u en mij, die zelfs het grootste exemplaar niet met het blote oog kunnen zien, is het ‘reusachtige’ druppeldiertje net zo onwaarneembaar als zijn dwergachtige vriend! Beide zijn voor ons zo volkomen onbeduidend, dat we er achteloos miljoenen van verspillen en er nauwelijks spijt van hebben wanneer we ze bij duizenden tegelijk vernietigen.
Maar wat zou een van die kleine diertjes zeggen als een profeet uit zijn eigen midden hem zou vertellen dat er een wezen bestaat dat hun hele wereld – die waterdruppel – als volstrekt nietig beschouwt? Dat tienduizend maal duizend van die druppels kan oppakken en verspreiden, zonder ook maar de helft van zijn kracht te hoeven gebruiken? Dat dit schepsel er niet de minste last van zou ondervinden als het op het topje van zijn vinger alle duizenden wezens zou dragen die in die ‘grote’ wereld van de waterdruppel leven? En dat dit schepsel totaal niet verontrust zou raken, zelfs niet als de machtige koning van een van de rijken in die druppel al zijn legers zou verzamelen en tegen hem ten strijde zou trekken? Dan zouden de kleine schepseltjes zeggen: “Hoe is zoiets mogelijk? Wij kunnen ons daar nauwelijks een voorstelling van maken.”
Maar zelfs als die kleine wijsgeer enig besef van de mens had gekregen – en van de volkomen onbeduidendheid van zichzelf en zijn eigen kleine, beperkte wereld – dan had hij nog altijd een eenvoudige taak volbracht vergeleken met wat óns te wachten staat wanneer wij proberen ons een voorstelling van God te maken! In feite is het uitsluitend aan Zijn oneindigheid te danken dat Hij ons bestaan zelfs maar opmerkt.
Wij denken aan Gods oneindige wezen wanneer we beseffen dat Hij in staat is alle sterren te ordenen en alle hemellichamen te besturen die het voorhoofd van de nacht met sterren bezaaien. Maar ik beschouw het als een minstens zo groot wonder dat Hij überhaupt weet dat zulke onbeduidende nietigheden als wij bestaan, laat staan dat Hij elke haar op ons hoofd telt en niet toestaat dat er ook maar één op de grond valt zonder Zijn uitdrukkelijke besluit! De Oneindige laat Zich evenzeer in het kleine als in het grootse kennen, en God kan door ons net zo werkelijk worden ontdekt in een waterdruppel als in een wentelende hemelbol. Maar dat is nu juist het wonderlijke van God: dat Hij ons überhaupt opmerkt!
Wat denkt u nu, broeders en zusters? Denkt u niet dat die duizend jaar waar we ons zo druk over maken, slechts te vergelijken zijn met een druppel, en dat die ene dag die we zo gering achten slechts een deeltje van die druppel is? En dat beide – de druppel en het deeltje – voor God gelijk zijn en in Zijn ogen volkomen onbeduidend? Ze zijn de moeite van het noemen niet waard. Het zijn slechts nullen in Zijn grootse Bestaan! Het zijn slechts druppels in de oceaan van Zijn leven. Het is maar één blad in een eeuwig woud van bestaan. Het is maar één zandkorrel op de machtige kust van het voortdurende Zijn van de Eeuwige. Duizend jaar zijn als een dag, en een dag als duizend jaar.
4. Ik denk dat wij uit de tekst ook moeten leren dat alle tijd God evenzeer gehoorzaam is. U en ik zijn dienaren van de tijd, maar God is er de soevereine Meester van. Ik kan een uur niet langer maken dan het is. Ik zou vaak willen dat ik dat wel kon! Wanneer er slechts een uur zit tussen twee belangrijke taken en er meer voorbereiding nodig is, zou men het liefst aan beide kanten van dat uur willen trekken als dat mogelijk was. Maar het is onverbiddelijk één uur en het weigert zich te laten verlengen.
Er zijn momenten waarop wij een dag, als wij dat konden, veel korter zouden maken. Wanneer wij door pijn worden gekweld, zeggen wij ‘s morgens: “Was het maar avond!” Wij willen de twee uiteinden van de dag het liefst bij elkaar brengen, maar helaas weigeren zij van hun vaste plek te wijken. De tijd, de onverbiddelijke Tijd, tikt gestaag verder. Al voelt elke slag van de slinger als een zwaardsteek in onze ingewanden, toch geeft de Tijd niet toe, maar schrijdt hij voort! Voor de ongelukkigen gaat hij nooit snel, en voor de gelukkigen gaat hij nooit langzaam. De Tijd en zijn voetstappen behouden onophoudelijk één en hetzelfde vastgestelde ritme.
Zo is het echter niet bij God! De tijd is niet Zijn meester. Als Hij tegen de zon zegt: “Sta stil, en u, maan, in het dal van Ajalon,” dan moeten zij daar voor eeuwig blijven staan, tenzij Hij hun beveelt zich weer te bewegen. En als Hij hun daarentegen zou bevelen hun loop te versnellen totdat de schaduw op de wijzerplaat vele graden vooruitgaat, dan gebeurt dat ook. De paarden van de zon moeten hun snelheid opvoeren. Zij moeten voortvliegen zoals God Zelf beveelt, want Hij is hun Menner en Hij heeft de teugels in handen. Voor Hem zou het niets uitmaken of de dagen langer of korter waren. Dat deert Hem niet.
O broeders en zusters, wij begrijpen Hem niet! Maar laten wij Hem aanbidden! Wij kunnen Hem niet doorgronden, maar laten wij Hem bewonderen! Ik zeg het nogmaals: het is wonderlijk dat Hij de Meester van de tijd is, Die de tijd beveelt langzaam of snel te gaan, en dat de Tijd gehoorzaam is aan de bevelen van de eeuwige God. Zo staat er: een dag bij den Heere is als duizend jaren, en duizend jaren als een dag.
II. Nog slechts een paar woorden over het tweede punt: GODS INSCHATTING VAN EEN DAG. Hij kan een dag zo vruchtbaar maken dat deze voor Hem net zo lang zal zijn als duizend jaar! Broeders en zusters, ik denk dat dit een van de schitterendste verwachtingen van de Kerk is. Wij hebben ons weleens afgevraagd: “Hoeveel bekeerlingen heeft het Zendingsgenootschap in vijftig of zestig jaar gemaakt?” En we hebben gezegd: “Tja, hoe lang duurt het in dit tempo nog voordat de wereld bekeerd is?” Ach, “in dit tempo.” Maar hoe weet u wat Gods tempo is? Als Hij dat wil, kan God in één dag evenveel bereiken als wat er in de afgelopen duizend jaar is gedaan!
Voor een slak is een stuk land een enorme afstand, maar voor een hert of een jachthond stelt het maar weinig voor. Voor een stoommachine is het niets, en voor een lichtstraal is het al helemaal niets. En stel dat er iets zou zijn dat net zoveel sneller reist dan het licht, als het licht sneller reist dan de slak: waar blijft de afstand dan? Die is tenietgedaan! Die is verdwenen!
Zo is het ook met het werk, de arbeid en het zwoegen voor God. Voor u en mij is het voortdurend werken, werken, werken, en al is ons tempo slechts dat van een slak, we moeten toch volharden in de hoop het doel te bereiken. Maar de dag kan aanbreken waarop God één predikant machtiger maakt dan duizend anderen. Dat één preek genoeg zal zijn om een hele gemeente te bekeren. Dat die ene gemeente in een oogwenk vuurtongen ontvangt, waarna alle broeders eropuit trekken en zelf predikers worden. En voordat één dag, één natuurlijke dag, ten einde is, zou God het licht van het evangelie zomaar van het ene einde van de aarde naar het andere kunnen laten flitsen, net zo snel als het zonlicht van oost naar west reist! Stel geen grenzen aan de Heilige van Israël.
Wanneer Hij Zijn arm ontbloot,
wat kan Zijn werk dan tegenhouden?
Wanneer Hij de zaak van Zijn volk verdedigt,
wie, wie zal Zijn hand dan stuiten?
Wanneer Hij als de zon uit Zijn kamer tevoorschijn komt, welke dikke duisternis zal dan Zijn licht kunnen overschaduwen? Hij maakt de banden van Orion los en leidt Arcturus met zijn zonen. Zal Hij dan, wanneer Hij dat wil, niet de banden van Zijn Kerk losmaken en de sterren in Zijn rechterhand – de uitverkoren predikers van het evangelie van Christus – naar voren leiden? Hij hoeft het slechts te willen, en er zal één dag in de annalen van de Kerk worden opgetekend die in daden, veroveringen en overwinningen gelijkstaat aan elke duizend jaar van haar eerdere geschiedenis!
Dit moet ons eraan herinneren dat, wanneer God spreekt over het oordelen van de wereld op de dag van het oordeel, Hij daar geen enkele moeite mee zal hebben. Tweehonderd rechters zouden er de grootste moeite mee hebben om in één dag alle rechtszaken te behandelen die in slechts één natie aan hen zouden kunnen worden voorgelegd. Maar God zal, wanneer Hij het grote oordeel velt, in staat zijn om elke schuldige te veroordelen en elke berouwvolle vrij te spreken, en dat in slechts één dag! Het oordeel zou niet beter verlopen als het een eeuw zou duren. Het zal er niet slechter op worden dat het tot één dag beperkt is.
O Meester, laat ons Uw grote werken zien! Kom tevoorschijn en maak dagen nog eens tot roemrijke gebeurtenissen! Toen U Uw volk uit Egypte leidde en door de Rode Zee voerde, had U geen duizend jaar nodig om de ridderschap van Egypte te breken en een klaagkreet te ontlokken aan de zonen van Mizraïm. Het vereiste slechts een opgeheven staf, een paar uur van een gespleten zee, een angstaanjagend samenvloeien van de gescheiden watervloeden, en zie: de paarden en strijdwagens van Egypte verdwenen en zonken als lood in de machtige wateren!
U had geen duizend jaar nodig om de macht van Jabin, de koning van Hazor, te breken. U sprak slechts, en de machtige rivier, de rivier de Kison, spoelde hen weg! De sterren streden vanuit de hemel, de sterren streden tegen Sisera. De macht van de heidenen was gebroken en Israël was vrij!
U had geen duizend jaar nodig om Sanherib terug te drijven. Zie, U legde Uw bit in zijn mond en Uw haak in zijn neus, en in één nacht sloeg de engel van de Heere paard en ruiter neer, zodat zij dood achterbleven. U dreef hem in verwarring terug naar het huis van zijn god, waar hij viel door de handen van de telgen uit zijn eigen hart! Eer zij U, Jehova! Wanneer U opstaat in de grootheid van Uw kracht, zult U koningen doden en machtige vorsten ten val brengen! De tweevleugelige koperen poorten zullen wagenwijd opengaan en de ijzeren grendels zullen in stukken worden gehouwen. U zult de volken van de aarde in één dag doen zeggen: “De HEERE, Hij is God, de HEERE, Hij is God, de HEERE, Hij is God alleen.”
III. Maar nu gaan we over tot GODS INSCHATTING VAN DUIZEND JAAR. Een dag is voor Hem als duizend jaar, en duizend jaar als één dag. De klacht van het treurende, ongelovige Sion is: “Hij blijft lang weg! Zijn weduwe wacht op Hem, maar de Bruidegom vertoeft.” O, de lange en troosteloze winter, o, de donkere en troosteloze winter, wanneer komt de zomer? Wanneer is de regen voorbij en weggegaan, en wordt de stem van de tortelduif in ons land gehoord? We hebben meer dan 1860 jaar gewacht, en nog is de Zoon des mensen niet gekomen!
De bewoner van het eiland brengt geen tribuut, de bewoner van de woestijn buigt niet neer om het stof te likken. Christus regeert nog niet in Jeruzalem en Zijn oudsten zien Zijn aangezicht nog niet met de kroon van Zijn vader David. “Hoe lang, hoe lang?” roepen de heiligen onder het altaar. “Hoe lang?” En de heiligen bij het altaar hier vandaag nemen dezelfde klagende tonen over: “Hoe lang? Hoe lang? Hoe lang?” Maar Hij antwoordt: “Ik blijf niet lang weg. Wat geeft het als Ik heb gewacht en de tijd voor u lang voelt? Voor Mij is hij niet lang.”
God vraagt u er even bij stil te staan dat, als u de juiste maatstaf hanteert, het helemaal geen lange tijd is dat Hij het visioen heeft laten dralen. Bedenk allereerst, mijn broeders en zusters, dat de tijd die sinds Christus’ kruisiging is verstreken, niet lang is in vergelijking met de eeuwigheid. Probeer de Eeuwigheid maar eens te meten, als u kunt. U zult merken dat dit een onmogelijke taak is. Zelfs als er nog eens duizend jaar voorbijrollen, wat zouden zo’n drieduizend jaar dan zijn in vergelijking met de Eeuwigheid?
U zou nog eerder een schelp vol zeewater in de hand van een kind kunnen vergelijken met de hele zee zelf; met menselijke cijfers is het simpelweg onmogelijk om een vergelijking te maken tussen twee- of drieduizend jaar en de Eeuwigheid. Nee, die vergelijking kan niet worden gemaakt! Het is niets in vergelijking met het grote geheel. Het is de eenheid afgezet tegenover het oneindige! Waarom vindt u Hem dan traag? Als u tot in alle eeuwigheid zult nadenken over de rijkdommen van God in Christus, die in deze 6000 jaar aan u zijn geopenbaard, en als dit door alle eeuwige kringlopen heen het onderwerp van uw overpeinzing zal zijn, verbaast het u dan dat het zo lang heeft geduurd? Verwondert u zich niet veeleer dat het maar zo’n korte tijd is?
Bovendien, wanneer u zegt dat God traag is in de volbrenging van Zijn grote voornemens, bedenk dan dat Hij geen enkele reden heeft om Zich te haasten. Wat u en ik ook te doen krijgen, we moeten het met al onze kracht doen, want er is geen werk noch overleg in het graf waarheen wij ons haasten! Maar God leeft, en Hij leeft voor eeuwig. Onze zon gaat onder. Wil de arbeider zijn dagwerk gedaan krijgen, dan moet hij zwoegen met het zweet op zijn voorhoofd. Maar Gods zon gaat nooit onder. Hij kan, als God, Zijn eigen tijd nemen en Zijn werk op Zijn gemak doen. Hij hoeft zeker niet te rennen om Zijn doel te bereiken! Wanneer twee kleine koningen elkaar hebben beledigd, haasten zij zich meteen ten strijde. Maar wanneer een machtige monarchie tot toorn wordt geprikkeld, kan zij haar tijd nemen, wachten en al haar troepen voor de veldslag opstellen. Misschien zag u gisteren de wolken zich haastig samentrekken, woest voortgejaagd door de wind. Hun zwarte leger bedekte in korte tijd het aangezicht van de hemel, de regen viel in kletterende druppels en stortte in stromen neer op de aarde. Er was haast en woede, maar juist aan de haast waarmee de wolken samenpakten, wisten we dat zij slechts een kortstondige storm voorspelden. Wanneer de wolken echter langzaam samenstromen op de grote verzamelplaats, en Gods bazuin eindelijk klinkt om Zijn zwarte krijgers ten strijde te roepen; wanneer u ten slotte de scherpe flits ziet – het schitteren van de speer van Hem Die de Heere van de stormen is – en Zijn machtigen naderen om in de gelederen te worden opgesteld, dan klinkt de bazuin opnieuw, buitengewoon luid en lang. Dan zal de aarde vele uren lang door de regen worden overspoeld, en zullen de mensen beven wanneer zij de stem van God horen, die de ceders breekt en de bergtoppen splijt! Wat langzaam samenpakt, duurt lang. Het kleine heeft altijd haast, maar het grote kan wachten. Zoals de Schrift zegt: wie gelooft, die zal niet haasten, en dat komt simpelweg doordat het geloof hem groot maakt. En God, in Wie de gelovigen rusten, haast Zich niet vanwege Zijn grootheid! Hij mag Zijn tijd nemen en op Zijn gemak aan Zijn werk beginnen. Er is geen enkele reden, zeggen wij, waarom de Heere onze God, Die rijk is aan jaren, Zijn tijd zou moeten besteden zoals wij dat moeten doen, die maar zo’n kleine voorraad hebben.
Bovendien heeft Zijn traagheid een voordeel: het beproeft ons geloof. Sommigen van ons raken vermoeid omdat we maar weinig geloof hebben. Stel dat de gemeente van Christus vanaf vandaag nog duizend jaar blijft bestaan. Stel dat zij haar beste predikers uitzendt naar de meest verlaten streken om daar te prediken, en haar jonge, dappere zonen blijft zenden – als een vers offer naar het altaar van een ver martelaarschap.
Stel dat onze thuisgemeenten een geestelijke belasting blijven betalen, zoals Israël deed toen de tempel van Salomo werd gebouwd, en dat ieder van ons bereid is alles te geven en zichzelf volledig te laten inzetten voor God. En stel dat de Kerk dit nog tweeduizend jaar volhoudt (wij bidden God dat zij deze beproeving niet hoeft te ondergaan). Als ze dat toch zou moeten, dan zal dat tot eer zijn van haar God, Die haar door Zijn genade heeft gesteund, en tot eer van haar geloof, dat God zo heeft geëerd! Wat is er nu bijzonder aan het winnen van een strijd die maar een uur duurt? Eén dappere aanval en de vijand is gevlucht. Kameraad, dát is pas een veldslag die het waard is om opgetekend te worden naast uw Waterloo’s en uw Marathons: wanneer moed, uur na uur en dag na dag, weigert te wijken; wanneer geduld de strijd verdraagt, terwijl de soldaten voet bij stuk houden. De moed te zien die vurig verlangt naar de aanval, maar gehoorzaam wacht op het sein! Kijk, broeders en zusters, hoe zij daar staan als leeuwen die in het nauw gedreven zijn.
Zij houden stand en dragen de wonden, de doodsangst en de verschrikkingen van de dood, totdat de aanvoerder ten slotte het zegevierende sein geeft. Dan storten zij zich op hun vijanden, de gelederen van de vijand worden doorbroken, en de vijand valt voor hun voeten! Zo is het ook nu. Wij staan in onze gemeenten als Britse soldaten in een gesloten carré. Wij vuren ons dodelijke musketvuur af op de vijand, maar deze is ver weg en we kunnen hem niet bereiken. Grote Meester, U zult komen! En dan zullen we bij één zegevierende aanval slechts één groot gejuich laten horen: “De Heere, God de Almachtige, regeert!” En zij zullen vluchten als kaf voor de wervelwind en als nevel voor de storm!
Verder is het goed dat God er zo lang over doet, omdat Hij op die manier de Openbaring ontvouwt. Ik ben bang dat ik me zelden in de positie heb bevonden van luisteraars die zouden willen dat een preek nog langer duurde. Maar er zijn boeken waarvan je, wanneer je de laatste bladzijde omslaat, zou willen zeggen: “Was er maar een volgend deel, zodat we geboeid konden blijven!” Wat is de geschiedenis van de Kerk nu eigenlijk anders dan het grote boek waarin God Zichzelf aan de mens openbaart? De Leeuw uit de stam van Juda heeft overwonnen om de zegels te verbreken en het Boek voor ons te openen.
Jaar na jaar slaat Hij weer een bladzijde om, en nog één, in de geschiedenis van de Kerk. Broeders en zusters, als Christus vandaag zou terugkomen en wij geen strijd, moeilijkheden of beproevingen meer zouden kennen, dan zouden we wellicht denken dat het Boek zijn schitterende, gouden slot had bereikt. Maar als het nog duizend jaar doorgaat: des te beter. De stralende ogen van engelen verlangen niet naar het einde van het verhaal, en de fonkelende ogen van onsterfelijke geesten voor de troon zullen er, wanneer alles voorbij is, geen spijt van hebben dat het zo lang heeft geduurd! Nee, laat het maar doorgaan, grote Meester. Laat die duizend jaar maar voorbijrollen. Onze liefhebbende harten zullen het geduldig dragen alsof het slechts één dag was. En sterker nog: de overwinning van Christus zal aan het einde des te groter zijn, en de verlossing des te heerlijker, juist vanwege deze lange tijd van strijd en verwarring.
Bij het lezen van de geschiedenis heb ik mij er vaak vol bewondering over verwonderd hoe God, in het grote tweegevecht tussen goed en kwaad, Zijn vijand alle voordeel lijkt te hebben gegeven. Hebt u dit weleens opgemerkt in de oude strijd tussen Geduld en Lijden? Denk aan God in het leven van Job. Job zit op een ashoop. De boodschappers volgen elkaar op in zo’n meedogenloos tempo, dat zij zijn geest wel op de meest natuurlijke manier moesten breken. Ten slotte wordt hij in zijn botten en in zijn vlees met zware pijnen getroffen, en toch is Job daar op die ashoop, ondanks alles, de vorst van de hel de baas, gesteund door de Voorzienigheid! God gaf de vijand het voordeel en behaalde toch de overwinning!
Zo is het ook in de grotere strijd die nu wordt gevoerd. Toen het evangelie voor het eerst werd gepredikt, hadden geleerdheid, welsprekendheid en macht de zaak enorm vooruit kunnen helpen, maar Christus weigerde Zich daarvan te bedienen. “Nee,” zei Hij, “Mijn vijand zal de geleerdheid krijgen. De wijsgeren van Griekenland zullen de menselijke wijsheid bezitten. Hun redenaars zullen alle welsprekendheid hanteren, maar Mijn apostelen niet. En wat de macht betreft: Ik heb niet de groten van deze wereld uitgekozen.” Zo werden de welsprekendheid, geleerdheid, praal en macht van de volken in de ene weegschaal gelegd, en toen trad het christendom naar voren: als een onbeschermde worstelaar, volkomen ongewapend tegenover een tegenstander die van top tot teen in een onverwoestbaar harnas stak!
Het evangelie treedt aan als een David, met niets dan een slinger en een steen, tegenover iemand van wie de schacht van zijn speer zo dik is als een weversboom! Zie de heirscharen van Filistea oprukken, tot de tanden toe gewapend, met duizenden tegelijk. En daar staat Gods held: hij is maar alleen. Hij heeft geen ander wapen dan het verweerde kaakbeen van een ezel. Toch stormt hij op hen af, slaat hij duchtig toe – heup en dij, met een enorme slachting – en werpt hij hen neer, totdat hij met het kaakbeen van een ezel hopen op hopen, ja, duizend man heeft verslagen!
Broeders en zusters, wanneer u iets in de wereld ziet dat u doet geloven dat de vijand de overhand krijgt, zeg dan: “Ach, het is slechts God Die het voordeel aan de kant van Zijn vijanden legt.” Eerst verliep de strijd nog redelijk gelijk op, maar nu geeft Hij hún alle voordeel. Hij staat hun toe elk wapen te gebruiken en laat hun alle macht, al het vernuft, alle welsprekendheid en geleerdheid inzetten. Toch zullen wij hen verslaan! Nu werpen wij – Gods dienaren, vol van zwakheid – in de naam van Hem Die leeft en dood is geweest, opnieuw de handschoen neer tegen een wereld die almachtig lijkt! Tegenover uw geleerdheid en uw welsprekendheid, uw menigten en uw autoriteiten, uw hoogwaardigheidsbekleders, uw machten en uw allianties met de staat, werpen wij nog steeds de handschoen neer! Raap hem op, o aarde, als u durft! Maar bedenk wel: hoewel wij de uitdaging aangaan en een zware strijd verwachten, weten wij op Gods gezag – dat niet kan liegen – dat ons een heerlijke overwinning wacht!
Kijk, broeders en zusters, dít is de reden waarom God er duizend jaar over doet! Als Hij wil, kan Hij de oude hoer van de zeven heuvels morgen al doen wankelen. Hij kan de afgoden vandaag nog omverwerpen als Hem dat behaagt. Vanavond, nog voordat u en ik gaan slapen, zouden alle afgoden voor de mollen en de vleermuizen geworpen kunnen zijn als Jehova dat zou willen, maar Hij doet het niet. “Nee,” zegt Hij, “zij zullen hun tijd krijgen. Zij zullen hun kans krijgen. Zij zullen tegen Mij strijden. Ik zal Mijn macht inhouden en niet tegen hen uittrekken. Ik zal hen weloverwogen hun plannen laten smeden en hun bedenksels op hun gemak laten uitvoeren.
Maar Ik zal om hun voorbereidingen lachen, en ten slotte zal Ik hen in Mijn brandende toorn verpletteren.” En dan zal de jubelkreet des te luider klinken, het koorlied des te machtiger zijn, en zal het eeuwige hallelujah een diepere bas en tegelijk een helderder toon van heerlijkheid hebben, wanneer uiteindelijk de triomf is behaald! Na de vierhonderd jaar van Israëls slavernij werd de macht van Egypte gebroken en trok Israël in vrijheid uit, terwijl Mirjam haar tamboerijn pakte en danste voor het aangezicht van de Heere. Zo zullen ook wij, wanneer alle tegenstanders zijn overwonnen, over niet al te lange tijd zelf datzelfde lied van Mozes en het Lam aanheffen: “Zing voor de Heere, want Hij heeft heerlijk getriomfeerd. Het paard en zijn ruiter heeft Hij in de zee geworpen. Laat al Uw vijanden zo omkomen, o Heere, en laat wie U haten worden als het vet van rammen.”
Ik geef mijn onderwerp nu ter overdenking mee aan de gelovigen, tot verkwikking van hun hart. Als u soms dacht dat het werk lang en vermoeiend is geweest, zult u daar anders over denken, broeders en zusters, wanneer u de vermaning van Petrus opvolgt: Doch deze ene zaak zij u niet onbekend, geliefden, dat een dag bij den Heere is als duizend jaren, en duizend jaren als een dag. En voor hen die hier aanwezig zijn en Christus nog niet kennen: moge die ene dag van hun bekering vandaag aanbreken! Zij zullen die ene dag van Gods genade en gunst in hun hart hoger waarderen dan duizend jaar doorgebracht in de genietingen van de zonde! Die geloofd zal hebben, en gedoopt zal zijn, zal zalig worden; maar die niet zal geloofd hebben, zal verdoemd worden. Moge God ons helpen te geloven, om Christus’ wil! Amen.
Preek nr. 447· Gehouden te Newington, Londen, zondagmorgen 27 april 1862, Metropolitan Tabernacle Pulpit deel 8. Oorspronkelijke titel: “God’s Estimate of Time”. Bron: Spurgeon’s Sermons, spurgeon.org.

