Een Levensschets

Afkomst en eerste levensjaren.

Bij grote mannen, die de roeping hadden op hun omgeving een machtige en bepaalde invloed te oefenen, merken wij ook dit verschil op, dat enkelen eerst op rijpere leeftijd openbaarden, dat een werk Gods hun toevertrouwd was, terwijl anderen, als reeds van hun geboorte met zijn Geest gezalfd en het van jongs aan deden vermoeden, welk een man in het kind het aanzijn ontvangen had. Tot deze laatsten behoorde Charles Haddon Spurgeon. Niet tot de grijsheid heeft hij de Heere in zijn gemeente mogen dienen. Nauwelijks over de middaghoogte is zijn zon ondergegaan, maar met welk een luister omringd! Van zijn 57 levensjaren zijn er 40 in de volste zin, in woord en daad, aan evangelie prediking gewijd geweest. Zijn leven is zijn gedenkteken, en door zijn ontzagwekkende, de gehele beschaafde wereld omvattende werkzaamheid, zal hij blijven spreken en blijven getuigen ook nu hij gestorven is.

Een vroom man zei eens tot een van zijn vrienden: “wanneer ik aan u denk, is het mij als een Amen op de Bijbel, een amen op de waarheid en zekerheid van al zijn gezegende beloften.” Welk een heerlijk leven duidt dit woord aan, wanneer het op iemands woord en wandel mag worden toegepast. En wij aarzelen, nu hij ons ontvallen is, niet, een zo heuglijke lof op onze vriend en mede dienstknecht toe te passen. Met vrijmoedigheid schrijven wij in deze dagen van twijfel en ongeloof op zijn grafsteen: “Zijn woord en wandel waren een Amen op de Bijbel.” Van zijn spreken moest gezegd worden, dat het in welke vorm ook bezield was met macht. Veelzijdig in zijn gaven, zou hij op elk maatschappelijk gebied onder de eersten, een voorganger en leidsman geweest zijn. Van jongs af aan evangeliedienaar werd hij steeds meer een heraut Gods, die zijn aan de mensheid te brengen boodschap van harte liefhad, en daardoor een wachter was voor het licht van Gods openbaring, opdat dit in volle helderheid onverhinderd schijnen mocht. Groot als leraar was hij niet minder naar het voorbeeld van de grote en goede Herder, een allen liefhebbend herder, die duizenden in de doornen en moerassen van deze wereld tot redder geworden is.

Is de band des geestes enger en sterker dan die van het bloed, waar tussen ons Nederlanders de band des geestes met de grote prediker bestaat, zal het daarbij ons nauwelijks minder goed doen te weten, dat er ook Hollands bloed door Spurgeons aderen vloeide. De eerste, die in Engeland de naam Spurgeon droeg was een Hollander, die als zovelen voor Alva’s beulenwoede op Engelands bodem een schuilplaats zochten om God in vrijheid naar zijn woord te dienen. Tegenover een satansknecht van een nog duivelser meester, die bij duizendtallen moordde; en zonder bezwaar naar zijn meesters wens een gehele natie, Roomsen en Niet– roomsen, als oproerige slaven zou hebben uitgeroeid, was zelfs voor een martelaarsbelijdenis geen plaats; was het wijsheid te doen naar het woord van de Meester en in het belang van zijn koninkrijk: “wanneer zij u in deze stad vervolgen, vlucht naar een andere.”

De Nederlandse om het geloof uitgeweken Spurgeons zetten zich in Norfolk en Essex neer. Charles Spurgeon is een afstammeling uit de tak, die zich Essex tot verblijf koos. Hun afstammelingen toonden zich in de dagen van een Karel de Tweede en zijn door bijgeloof nog snodere broeder Jacobus de tweede hun voorgeslacht waardig, dat uit hun kring een gemeentevoorganger als nu algemeen betreurd wordt, ontsproot.

“Mijn overgrootvaders grootvader,” zegt Spurgeon, “behoorde tot de Kwakergemeente en werd om des geloofswille te Chelmsford gekerkerd; en voor zoveel ik aan vermaningen uit de geestenwereld hecht, is het mij soms, of ik de schaduw van zijn breed gerande kwakershoed over mijn geest voel heen glijden.

Gedurende vijftien weken toefde deze zijn voorvader, John Spurgeon, in Chelmsfords gevangenishok en had daar in het barste getijde van het jaar door koude en ontbering het ergste te lijden, en had alleen aan de wisselingen in de dwingelandsregering van die dagen zijn vrijheid te danken.

Een echte martelaarsgeest woonde ook in Jacobus Spurgeon, de grootvader van de nu overledene. Hij werd op de 29 Sept. 1776 te Halstead in Essex geboren. In allerlei toonde hij zich een merkwaardig man, zelfstandig in al zijn denken en doen, die steeds, als zich uit martelaarsbloed ontsproten gevoelende, zijn mening ten volle, onverholen en zonder de gevolgen te achten uitsprak. Gedurende volle drie en vijftig jaren was hij predikant van een Congregationalistische gemeente te Stambourn in Essex, en genoot daar zozeer aller achting en liefde, dat zijn nagedachtenis tot heden in gezegend aandenken voortleeft.

Hij behoorde niet tot de zwaargebouwde en zwaar wegende personen, en toen hem eens gevraagd werd, hoeveel hij woog, was zijn antwoord: “Op een weegschaal vrij weinig, maar in de preekstoel gewogen nog wel zo tamelijk zwaar.

Met edel zelfgevoel zei hij eens tot zijn zoon, John: “Mijn jongen, wij zijn een familie, die met ere genoemd mag worden. Rijk aan werelds goed zijn wij niet, maar waar is een familie die, zoals wij, elke zondag vijf evangelieverkondigers heeft aan te wijzen?”

Een vriend van het christelijk lied was hij bovenal een voorstander van de gezangen van Dr. Watts en kon niet dulden, vooral als het met opzet en met vooringenomenheid tegen de geest van deze liederen geschiedde, dat zij bij de openbare eredienst werden voorbijgegaan. Zo gebeurde het, dat toen een jong mens, die meeging met de mindere voorliefde voor Dr.Watts’ gezangen, tot ook bij het opgeven van het laatste gezang James Spurgeons geliefde dichter voorbijging. Zeker is, dat hij toen met onwil zijn gezangboek dichtsloeg, en naar de overlevering wil, zou hij zelfs de prediker met gebalde vuist hebben gedreigd. Na de dienst zei hij tot de prediker, die hem dus geërgerd had: “Jonge man, als gij uw hersenpan liefhebt, dan moet gij de liederen van Dr. Watts laten zingen,” en bij dat woord drilde hij de zware stok, die hem tot steun was zo, dat men zijn woord letterlijk had kunnen opvatten. De jeugdige prediker maakte enige verontschuldigingen en liet gedurende de volgende dienst Watts’ liederen aan de beurt komen.  Nu was de oude man voldaan en sprak: “Goed zo, mijn vriend, zo is het gelijk het behoort. Het verblijdt mij, dat gij zo spoedig geleerd hebt onze beste gezangdichters te waarderen. Ga zo voort, en laat uw ramshoorn klinken als die van deze voortreffelijke mannen, en God zal u kracht geven om ook als zij trotse muren te doen neerstorten.” Dit sloot aan op de tekst, de val van Jericho, die door de predikant besproken was.

In spijt van dit enigszins krijgshaftig voorval was de geest, die in Johannes Spurgeon de overhand had, de geest der liefde, hetgeen ook oorzaak was, dat hij levenslang door zijn gemeente als op de handen gedragen werd. Van zijn liefdevolle wijsheid verhaalde Spurgeon het navolgende voorbeeld:

“Ik heb een leraar gekend, die eens zijn zoon dreigde, dat als hij zich nog eens aan dezelfde ondeugendheid schuldig maakte, hij hem zo kastijden zou, dat het hem zou blijven heugen, al werd hij ook honderd jaar. Hem berouwde daarna het wat heel krasse woord, maar toen hij de knaap weer op hetzelfde euvel betrapte, nam hij hem alleen en bad met hem, waarna hij hem zei, dat hij nu de bedreigde kastijding op hem zou toepassen. Toen beval hij de jongen hem te volgen naar een verwijderd graanveld, waar niemand hun stemgeluid vernemen kon. De sidderende misdadiger volgde en stelde zich alle mogelijke strafoefeningen voor, die zijn vader op hem zou kunnen toepassen. Ter plaatse gekomen beval hem zijn vader om neer te knielen, plukte twee koren halmen en streek de knaap daarmee over de wangen. “Mijn jongen, ik heb gedaan naar mijn woord, want ik vertrouw, dat gij deze kastijding nooit vergeten zult.” En ging de verhaler voort, “hij heeft die nooit vergeten, want die knaap was mijn eigen vader en heeft mij het gebeurde nog voor weinige dagen verhaald.

“De hoogbejaarde James Spurgeon heeft nog lang genoeg geleefd om zich in de grote opgang van zijn kleinzoon als predikant te kunnen verheugen. Bij zekere gelegenheid zei hij tot zijn gemeente, dat zoal zijn kleinzoon Charles beter kon preken dan zijn grootvader, hij toch geen beter evangelie verkondigen kon dan waarvoor hun voorvaders gestreden en geleden hadden.

De kerk, waarin hij predikte, had de oude man naar burgerlijk en zelfs naar zedelijk recht als zijn eigendom kunnen beschouwen, maar hoe onbemiddeld, hij liet daarop nooit het minste recht gelden. Toen zijn inkomsten eens zo gering waren, dat hij bij het sterven van zijn koe zelfs niet genoeg geld had om een andere te kopen, vroeg hem zijn vrouw, met bezorgdheid op hun tien kinderen ziende. “Wat zult gij nu beginnen?”

“Wat ik doen zal, weet ik niet,” was zijn antwoord; “maar wel weet ik, wat God doen zal. De Heere zal in deze nood voorzien, want wij moeten melk hebben voor de kinderen.” Zijn geloofsvertrouwen werd niet beschaamd, want reeds de volgende morgen bracht de post een brief, waarin een som aan bankpapier ruim voldoende om een andere koe te kopen.

Nog verhaalde Spurgeon van deze goede, door hem zo hoog geschatte man, dat toen hij op zijn laatste ziekbed lag, iemand hem de versregel herinnerde: “Als de aarde staan Zijn beloften vast.” De stervende verbeterde terstond die uiting en zei: “dat zou nu een armelijke troost voor mij zijn. De aarde is op het punt mij geheel te ontglippen. Neen, ik zeg: “Gelijk zijn troon staan zijn beloften vast.”

De tweede van de tien kinderen, welke het gezin van deze goede man vormden, John Spurgeon, is de vader van de grote prediker. Deze was een toonbeeld van een flinke, degelijke Engelsman en de stam, waaruit hij sproot, waardig. Zijn vrouw was uit Colchester geboortig, die haar kinderen in echt puriteinse trant opvoedde, zonder daarbij de gedachte te voeden, dat er onder hen één was, die tot de beroemdste mannen van zijn tijd zou behoren.

Twee van haar zonen, Charles en James, zijn predikanten en twee van haar dochters zijn met predikanten gehuwd.

De dochter van de predikant John Spurgeon, die met de predikant Jackson gehuwd is, schreef bij het meedelen van enige bijzonderheden hun familie aangaande, omtrent haar vader. “In vroegere levensbeschrijvingen is niet veel vermeld van deze waardige dienaar des Heeren, die nu zijn tachtigste levensjaar voleind heeft. Hij was altijd een toonbeeld van christelijke huiselijkheid, en al de herinneringen in onze jeugd zijn zonnig door de wijze, waarop hij ons aan huis wist te binden en ons het thuis aangenaam te maken. Zijn zonen en dochters kenden geen hoger geluk dan zich om hem te scharen en door zijn verhalen en lessen tot hem en het goede aangetrokken te worden.

“Zijn thuiskomen lokte immer een uitbarsting van blijdschap uit. Wij wisten, dat hoe vermoeid hij wezen mocht, hij ons al zijn tijd zou geven om ons aangenaam en nuttig bezig te houden. Deze aangename avonden, waarvoor ons thuis gezorgd werd, hebben er veel toe bijgedragen om ons de velerlei verzoekingen van het tegenwoordig maatschappelijk leven weinig aantrekkelijk en gevaarlijk te maken. Allen gedenken wij ons gelukkig huiselijk leven van vroeger met godverheerlijkende dankbaarheid.”

Is het derhalve wel wonder, dat de Spurgeons aan de oude wegen gehecht zijn? Nog steeds is vader voor zijn acht in leven zijnde kinderen het voorwerp van diepe eerbied door de vrome zin en de indrukwekkende wijze, waarop hij de huiselijke godsdienstoefening weet te leiden. Ieder van ons wist, dat zijn toebrenging tot de Heere in niet geringe mate de vrucht is van vaders voor ons pleiten voor de troon der genade.”

“Velerlei bijzonderheid uit de tijd van onze jeugd is verhaald of verzonnen, en in druk bewaard; intussen zijn er, die waard zijn vermeld te worden, in het vergeetboek geraakt. Een heb ik uit de mond van een oom, die bewijst, hoe de Heere ook door kinderen weet invloed uit te oefenen. Een zeker man in ons dorp, die voor bekeerd wilde doorgaan en als zodanig een hoog woord en oordeel had, liet daarom toch niet na zelf kermissen enz. te bezoeken. Dit ergerde de nadenkende en puriteinsgezinde knaap zo, dat hij het besluit nam om de man aan te vallen en, zoals hij het noemde, als een dubbelhartige dood te slaan. Toen deze dus eens weer op weg naar een kermis was, bleef de knaap op korte afstand achter hem aanlopen en deelde hem zulke slagen met de hamer van Gods Woord toe, dat de van zonde overtuigde begon te beven en niet alleen toen terugkeerde, maar zich van zijn dubbelhartigheid afwendde en tot ware zinsverandering kwam.”

Toen John Spurgeons oudste zoon geboren werd, had hij bij zijn zeer beperkt inkomen een winkel in het dorp van zijn woning om beter in de behoeften van zijn gezin te voorzien. Later verliet hij deze plaats voor Raleigh, in Essex. Hier werd hij hoofdklerk op een aanzienlijk kantoor, tot hij zich, naar de gemeente Cranbrook beroepen, uitsluitend aan de evangeliebediening kon wijden.

Noot: Uit verdere mededelingen zal blijken, dat het verhaalde alleen Charles gelden kan.

Van hem bleef dit goede woord als huisvader in herinnering: “Als vader van zeventien kinderen heb ik vaak een zeer versleten kleed gedragen, terwijl ik een beter had kunnen bezitten, wanneer ik minder voor een goede opvoeding van mijn kinderen had overgehad.” Van dat liefdeoffer heeft hij de rijkste vrucht geoogst. Ook is wel nooit over mensen een zegen gekomen, die niet door offers gewonnen was. Velen moeten ontberen en lijden, opdat voor de wereld een zegen verkregen worde.

“Charles Haddon Spurgeon werd op de 19 Juni 1834 te Kelvedon in Essex geboren. Zijn eerste onderwijs genoot hij in de school te Colchester. In “Jan Ploegers praatjes” vertelt de schrijver een anekdote uit deze zijn vroegste levenstijd. Nog droeg hij een schort over zijn buisje en had zijn griffel verloren. Zonder zakgeld te bezitten, kocht hij een griffel op krediet. Zijn schuld daarvoor bedroeg anderhalve cent en hij meende die met Kersttijd af te doen. Op een of andere wijze kwam zijn koopmanschap zijn vader ter ore. Van deze ontving hij eerst een ernstige les over de zonde en het gevaar van schulden maken, en moest toen mee naar de winkel, waar de schuld bij de nodige vermaningen werd vereffend. “Het was een voortreffelijke les, die ik nooit vergeten heb, zegt Spurgeon. “En”, voegde hij er bij: “God zegene mijn vader, en verwekke voor ons Oud–Engeland vele zulke vaders, om het te bewaren voor innerlijk verderf door het roekeloos maken en ophopen van schuld. Of loopt ons goede land geen gevaar door allerlei waardeloze plannen en onze compagnieschappen innerlijk voos en rot te worden als vervuurd hout!”

“Aan Dr. Ford, uit Amerika,” vertelt Spurgeon verder”, verhaalde mijn vader eens:

“Ik ben veel van huis geweest tengevolge van mijn pogen om zwakke gemeenten te helpen en te steunen, en opeens overviel mij daarbij het gevoel, dat ik de godsdienstige opvoeding van mijn kinderen niet genoeg behartigde, terwijl ik voor de belangen van anderen ijverde. Dit overdenken dreef mij huiswaarts. Ik deed onze huisdeur open en verbaasde mij geen van de kinderen in de gang of in de huiskamer aan te treffen. Zeer stil de trap opgaande, vernam ik opeens de stem van mijn vrouw. Zij ging de kinderen voor in het gebed en ik hoorde haar voor ieder afzonderlijk bidden. Voor Charles bad zij zeer in het bijzonder, omdat hij hooggevoelend was en een alles durvende geaardheid had. Ik bleef luisteren, totdat zij haar gebed geëindigd had en zei toen: “Heere, ik zal voortgaan met uw werk, ik weet nu, dat een goede zorg over mijn kinderen waakt.”

Is het wel te sterk gesproken, te zeggen dat Spurgeon voor een goed deel door de gebeden van zijn moeder geworden is, die hij later voor de gemeente des Heeren heeft mogen zijn!

Van jongs af aan genoot hij het voorrecht nu en dan enige tijd bij zijn grootvader, die hij zeer lief had, te mogen doorbrengen. Tot diens gemeente behoorde een man, Rhodes genaamd, die tot grote ergernis van zijn leraar een vrij geregeld bezoeker van de dorpsherberg was. Toen eens de kleine Charles zijn grootvader daarover hoorde klagen, zei de kleine knaap: “Grootvader, ik zal die oude Rhodes wel doodslaan, dat zal ik. Ho, ho! lieve kind,” sprak de oude man,” gij moogt zo niet spreken, dat is zeer stout, en wanneer gij stoute dingen doet, zal de politie u oppakken.” “Neen, grootvader, kwaad zal ik hem niet doen, maar ik zal hem toch doodslaan. “De oude man begreep nu wel, dat hij niets kwaads in de zin had, maar niet wat de zonderlinge knaap in zijn schild voerde. Niet lang duurde het, of hij werd aan dit gesprek herinnerd door de kleine Charles, die binnenkwam en zei: “Grootpa, ik heb de oude Rhodes doodgeslagen, en nu zal hij u nooit meer bedroeven. “Mijn lieve kind,” zei de oude man, “wat hebt gij uitgevoerd en waar zijt gij geweest?”  “Ik heb hem geen leed gedaan, grootpa; ik heb des Heeren werk gedaan, dat is alles.”

Meer dan dit was uit de kleine Charles niet te krijgen. Niet lang echter duurde het, of het raadsel werd opgehelderd. De oude Rhodes bracht zijn leraar een bezoek, en met schaamte en verlegenheid verhaalde hij, op welke wijze hij door een kind was doodgeslagen. “Mijn beste leraar,” dus begon hij, “ik ben zeer bedroefd, dat ik voor u een oorzaak van verdriet ben geweest. Ik heb zeer verkeerd gehandeld, dat moet ik u bekennen, en ik zou het niet gedaan hebben, als ik er beter over had nagedacht.” Door het vriendelijk toespreken van de predikant aangemoedigd, deed hij verder het volgend verhaal: “Ik zat in de herberg en zou juist, terwijl mijn glas bier voor mij stond, mijn pijp opsteken, toen het kind binnenkwam. Denk u eens, dat ik, oude man, door een kind onder handen genomen en bestraft moest worden! Wel, hij strekt zijn vinger naar mij uit en zegt toen met hoge ernst: “Wat maakt gij hier, Elia? dat gij te midden van de goddelozen neerzit, en dat gij, een lid der gemeente, het hart van uw leraar breekt. Ik sta beschaamd over u! Ik zou, als ik als gij was, het hart van mijn leraar geen smart willen aandoen.” En meteen keert hij zich om en stapt weg. Wel mijn eerste opwelling was erge boosheid, doch ik moest erkennen, dat alles waar was en dat ik schuld had. Ik legde toen mijn pijp neer, liet mijn bier staan, en begaf mij naar een eenzame plaats, waar ik voor de Heere mijn schuld beleden en om vergiffenis gesmeekt heb.

Dat de Heere mij vergeven heeft, daar ben ik zeker van, maar beste leraar, nu kom ik ook u vergeving vragen en beloof u, dat het nooit weer gebeuren zal.” Naar een feit als dit te oordelen, was het als of Charles Spurgeon reeds van kind af aan zijn levensroeping had ontdekt en verstaan. Menig leerrijk verhaal diste vaak Spurgeon uit zijn jeugd op; zo verhaalt hij in “pijlen voor bogen” het volgende: “Op de schoorsteenmantel in het pronkvertrek van mijn grootmoeder stond onder de zaken, die in mijn oog wonderen waren, een volwassen appel in een fles met nauwe hals. De buik van de fles was geheel met de appel gevuld en met verbazing vroeg ik mijzelf dikwijls af: “hoe mag die daarin gekomen zijn.” In alle stilte schoof ik een stoel bij de schoorsteen, klom daar op en onderzocht, of de bodem der fles er ook aangeschroefd was en of er een andere opening te ontdekken viel. Weldra was ik zeker, dat geen van mijn vermoedens juist was en de appel bleef een wonder in mijn ogen. Maar gelijk de dichter van een ander wonder, de bronnen van de Nijl, zegt:

Wie grondig de natuur bespiedt,
Stuit langer op een wonder niet.

Zo was het ook in dit geval. Eens in de tuin rondlopend, zag ik in een appelboom een gelijksoortige fles hangen en ontdekte daarna een zeer klein appeltje, dat binnen de fles tot volle wasdom komen moest. Op dezelfde wijze moeten wij de kleine mannen en vrouwen, die op onze straten rondzwerven (wij noemen ze dan nog jongens en meisjes), als die appels in de fles binnen de omgeving en onder de invloed van de kerkelijke gemeente zien te brengen; want helaas, hoe dikwijls blijken zij geheel onhandelbaar, wanneer zij tot onverschilligheid en zonde gerijpt zijn.”

Een andere van zijn herinneringen uit die dagen is de volgende:

“Nog kind zijnde heb ik een paar jaren in mijn grootvaders huis doorgebracht. In de tuin was een fraaie heg van taxi’s, die een flinke hoogte had. Deze was zo kort en dicht gehouden dat zij een muur van groen mocht heten. Achter deze heg lag een groot grasveld, een zeer rustig plekje, waar men een ver uitzicht over velden en weiden had. Het gras werd op dat veld geregeld kort gehouden, zodat het altijd prettig belopen werd. Hier hadden sinds het oude puriteinse kerkje in het dorp gebouwd werd, de leraren der plaats gewandeld, gebeden en hun preken overdacht. Ook mijn grootvader beschouwde en gebruikte het als een studeervertrek.

Daar ging hij op en neer, wanneer hij zich voor zijn preekwerk voorbereidde en wanneer het slechts enigszins goed weer was, bracht hij daar het laatste halfuur door, alvorens de preekstoel te beklimmen. In mijn ogen was het een soort van paradijs, en daar het mij verboden was er te toeven, wanneer mijn grootvader er door zijn overdenken werd beziggehouden, zag ik de plek steeds met bijzondere eerbied aan. Nog op dit ogenblik denk ik graag aan die groene, rustige plaats van studie, en zou ze soms mij tot studeervertrek wensen. O hoe werd ik eens geërgerd en verontwaardigd in die dagen, toen ik een boerenman van dat “heilige der heiligen” hoorde zeggen: “Daar zou een hele macht aardappels kunnen groeien, als het omgeploegd werd.” Wat gaf zulk een om de heilige herinneringen aan de plek verbonden? Welk begrip had hij van een in stilte peinzen en beschouwen? Had hij wel hoger denkbeeld van het leven dan een bestaan om aardappelen te poten en te eten? Maar kan iedere onbekeerde wel edeler en verhevener voorstelling hebben van de heerlijkheid en zaligheid des hemels, omdat hij geen andere maatstaf van genot en geluk heeft dan die zijn lage, zinnelijke levenskring hem biedt?

In de “Uitgewoekerde halfuurtjes,” deelt Spurgeon deze opmerkelijke bijzonderheid uit zijn kinderjaren mee:

“In de dagen, die ik bij mijn grootvader doorbracht, zou voor hem een predikant Knill preken, die lang als zendeling in Petersburg gearbeid had en een machtig prediker was. Het oogmerk van zijn bij ons komen was het houden van een preek ten bate van het Londens Zendelingsgenootschap en met dat doel kwam hij reeds Zaterdags in de pastorie. Hij was bekend als iemand die veel zielen voor de Heere gewonnen had en niet lang duurde het, of de kleine knaap had zijn aandacht getrokken.

Hij zei tot mij: “Waar slaapt gij? want het is mijn plan om u morgenochtend te komen wekken.” Ik wees hem mijn kleine slaapkamertje. De andere dag ‘s morgens om zes uren riep hij mij en wij gingen tesamen naar het studeervertrek buiten. Daar verhaalde hij mij op de minzaamste wijs van de liefde van Jezus, van het zegenrijke van op Hem te vertrouwen en Hem van kinds aan lief te hebben. In tal van geschiedenissen verkondigde hij mij Christus, vertelde mij van de goedheid, welke God hem had doen ervaren en bad voor mij, terwijl hij zijn armen om mijn hals geslagen hield. Hij scheen niet tevreden, voor ik al de tijd tussen de preekdiensten bij hem bleef, en met geduldige liefde luisterde hij naar mijn kinderlijk gesnap. Des Maandags en ook des Dinsdags deed hij evenzo als op de Zondag. Drie malen gaf hij mij onderwijs en bad met mij. Alvorens hij vertrok, was mijn grootvader, die elders gepreekt had, weer thuis en voor het scheiden waren wij tot de morgengodsdienstoefening bijeen. Toen nam in aller tegenwoordigheid heer Knill mij op zijn knie en zei: “Dit kind zal eenmaal het evangelie verkondigen, en hij zal het verkondigen aan grote scharen. Ik ben zeker, dat hij eens preken zal in de kerk van Rowland Hill, wiens helper ik nu ben.” Hij zei dit met heilige ernst en verzocht allen, die tegenwoordig waren, zijn woord in aandenken te houden. Toen gaf hij mij zes stuivers, wanneer ik hem beloven wilde het lied uit het hoofd te leren:

God volgt een ons verborgen pad
In Zijn wonderdaan,
En in aanbidding juicht ons hart
Als wij Zijn raad verstaan.

Voorts moest ik hem beloven, dat ik dit lied zou laten zingen, wanneer ik in Rowland Hills kerk preekte. Denk eens na, hoe zonderling om een kind zo iets te doen beloven! Kon het ooit anders dan een droom blijven! Jaren gingen voorbij. Nog niet lang was ik in Londen werkzaam, toen Dr. Alexander Fletcher de paasfeest preek voor kinderen in Surrey Chapel houden zou. De dokter werd onverwacht ziek en op het laatste ogenblik kwam met haast de vraag tot mij, of ik de kinderen zou willen toespreken. “Ja,” was mijn antwoord, “ik zal het graag doen, maar onder één voorwaarde, dat de kinderen het lied zingen:

God volgt een ons verborgen pad
In zijn wonderdaan.

Als een bewijs van zijn gevatheid wordt verhaald, dat hij in de dagen van zijn schoolgaan had opgemerkt, dat in zijn klas de laagste plaats het dichtst bij de kachel en dus het warmst was. Van toen aan zorgde hij altijd de laagste te zijn, maar zijn meester kreeg dit in de neus, keerde de orde anders om, en nu was hij terstond weer de eerste in rang.

Op school muntte hij bovenal uit in rekenen en wiskunde. Reeds van jongs had hij een voorliefde voor spreken, zodat zijn macht daarin zijn schoolmakkers verbaasde en aantrok. Wanneer zij zich oefenden in enig debat, werd het niet zelden van hem begeerd, dat hij de zaak van beide kanten verdedigen zou, daar niemand hem zo beslist overwinnen kon dan hij zichzelf, als hij het punt van bespreking van beide zijden bepleitte.

In het jaar I844 bracht hij zijn vakantietijd bij zijn grootvader door, en in die gelukkige dagen ontwaakte met overtuiging zijn liefde voor de waarheden en betekenis der Kerkhervorming. Voor mannen als Stambourn’s predikant, was het Pausdom een schrikvol vijand en werd daarom Fox’ martelaarsboek door hem en bij hem trouw gelezen en ten volle geloofd. Het is meer gezegd, dat de gave om vragen te doen een der grootste is, die God de mens schenkt. Deze gave toonde zich in de jonge Charles al spoedig en op opmerkelijke wijze. Al vroeg werd het hem bij de morgengodsdienstoefening vergund het schriftgedeelte van de dag voor te lezen, en zo dikwijls hij aan een plaats kwam, die hij niet begreep, vroeg hij daaromtrent opheldering. Deze werd hem niet gegeven, maar dag aan dag volhardde hij om hetzelfde hoofdstuk te lezen en zijn vragen te herhalen, totdat zijn grootvader toegaf en de door hem begeerde verklaring gaf. Zodanig was zijn doorzettende aard om degelijke kennis te bezitten. Kennis is des mensen hoogste sieraad, maar zonder ernstig en aanhoudend licht zoeken en vragen wordt zij niet verkregen.

Lange tijd is het in Londen en elders gebruikelijk geweest om van Charles Spurgeon te spreken als van iemand zonder veel kennis en geheel verstoken van de voorrechten van een wetenschappelijke vorming. Schertsend heeft hij zelf menigmaal gezegd, dat hij van het voorrecht van een collegevorming verstoken was gebleven, en dan kon hij zijn broeder op zijn luimige wijze plagen met de veronderstelde hogere voorrechten, die deze bij hem had voorgehad. Een feit is, dat van de beginne aan de beroemde prediker heel wat rijker aan kennis en wetenschappelijke ontwikkeling was, dan velen veronderstelden, en dan menig, die zijn academische studie met zorg had behartigd. Niemand was ook meer afkerig van met zijn gaven en rijkdom van wetenschap te pralen dan hij; maar meer dan één deskundige, die hem van nabij kende, is overtuigd, dat hij reeds op zeventienjarige leeftijd zonder moeite een academische graad had kunnen halen. Zijn leermeester, de heer Edward Leeding, een man boven velen tot oordelen bevoegd, gaf steeds het loffelijkste getuigenis van zijn later zo beroemden leerling.

Zie toch niemand voorbij, dat het schone en zuiver Saksisch Engels, waardoor Spurgeons stijl zich pittig en kernachtig onderscheidt, hem niet is aangewaaid, maar èn een bewijs is van zijn ernstige taalstudie èn tevens een wetenschappelijk getuigenis van zijn helder oordeel omtrent de vormen, die het best voor zijn gaven en kanselstijl voegden.

In het jaar I849 ging de jonge Spurgeon naar Newmarket om daar als onderwijzer in een der scholen werkzaam te zijn. De leraar der Baptisten gemeente in deze stad was in zijn preken zo droog als gort, en de jonge man deelde zijn misnoegen daarover soms mee aan de dienstmaagd der mensen bij wie hij gehuisvest was.

“Wel”, vroeg ook soms zij van haar kant, “hebt gij vanmorgen iets aan de preek gehad?” “Neen, niets ter wereld”. “Ik ook niet, tot ik niet hangen bleef aan ieder woord, dat de leraar sprak, en toen ging het beter.” Het is wel een wonder soort van preek, die het tegendeel van goed luisteren nodig heeft, om er wat aan te hebben.

Op een andere tijd zei deze oude dienstbode: “Ik gevoel mij deze morgen als een oude hen, die in een mesthoop naar graankorrels wroet, doch niets vindt. Wat doet het er toe, dacht ik, laat ik maar blijven wroeten, dan houd ik tenminste de poten warm.”

“Een Bisschop van Cork zei eens van een preek, die zijn Deken gehouden had: Het stuk was keurig geordend, het werd met heldere stem voorgedragen, alle voorbeelden waren goed gekozen, in één woord, het was welsprekend, maar er was niet genoeg Evangelie in om een vlieg van zonde te overtuigen en behouden.” Met zulk soort van preken mogen oppervlakkigen, die alleen willen beziggehouden worden, voldaan zijn, iemand als Charles Spurgeon begeerde van jongs aan iets anders: die verkondiging der waarheid, waardoor hij veertig jaren lang zoekende en heilbegerige zielen als met magneetkracht aangetrokken heeft.

Toen Charles naar de gewoonte bij de Independenten in een kerkelijke bijeenkomst als kandidaat voor het lid zijn zou worden voorgesteld, wilde de predikant van zijn gemeente, dat hij daarmee nog zou wachten. Toen de predikant zijn mening niet wilde opgeven, eindigde de jonge man met te zeggen, dat hij dan zonder zijn goedvinden naar die bijeenkomst zou gaan en zelf zich voor het lidmaat worden aanbieden. Zo toonde hij reeds van meet af aan, dat hij zelfstandig zou weten te oordelen en zich in zaken der consciëntie door niemands meesterachtigheid zou laten dwingen of leiden.

Bij een samenkomst van predikanten en diakenen op 28 Mei 1889 deelde Spurgeon in een eigenaardige, hem kenmerkende anekdote mede, welke van meet af aan zijn opvatting van het Christelijk gemeenteleven, als een openbaring van de gemeenschap der broederliefde was geweest.

Naar de gewoonte in vele Baptisten gemeenten om elke week het avondmaal te vieren, had Spurgeon in Cambridge drie weken achtereen mede de tekenen van het Nieuwe Verbond genoten, maar niemand had hem toegesproken of op hem acht geslagen. Zo meende hij van zijn zijde de eerste stap te moeten doen. Na het verlaten der kerk zei hij tot een heer, naast wie hij gezeten had: “Mijn goede vriend, hoe vaart gij?”

Het antwoord was: “Gij hebt iets boven mij voor, want gij zijt mij een onbekende.”

Ik zei daarop, verhaalt Spurgeon: “Ik geloof dit niet, want ook ik ken u in het geheel niet. Maar toen ik aan de tafel des Heeren plaats nam en met u de tekenen van zijn lijden en sterven genoot, zag ik in u een broeder, en achtte ik het plicht u als broeder toe te spreken.”

Ik was toen nog maar zestien jaren en de goede man riep uit: “Welk een beminnelijke eenvoud!”

“Maar mijnheer vroeg ik, “is dan wat ik zeg geen waarheid? Wat is Christus voor zijn gemeente als Hij niet de band is die de harten van zijn verlosten als broeder harten verbindt?” Wel, hernam hij, het is zoals gij zegt. Toch ben ik blij, dat gij niet een der diakenen op die wijze toegesproken hebt.” Hij nodigde mij daarop de dag bij hem door te brengen. Toen ik verhinderd bleek om zijn vriendelijk verzoek aan te nemen, zei hij:

Kom dan, als gij lust hebt, aanstaanden Zondag.” Ik nam dit gaarne aan en werd gedurende drie jaren ten zijnent huisvriend. Toen later zijn vrouw ziek werd en stierf, heb ik deze dikwijls bezocht, en wij zijn hartelijke vrienden gebleven. Hij kan zeer dikwijls nog smakelijk lachen over de ongewone wijze, waarop onze vriendschap tot stand kwam, waarbij ik mij zonder aanbevelingskaart bij hem introduceerde.” Behoorde toch het gemeenteleven niet zulk een inrichting te hebben, dat een als broeders aanzitten aan de dis van de hoogste Koning meer betekende dan een introductiekaartje van verre vrienden? Maar helaas, hoeveel is enkel vormelijk, tot op het heiligst, en misschien nog wel allermeest op het heiligst levensgebied.

Niet lang na deze dagen werd de jongeling overvallen door een tijd van duistere gedruktheid, die menig gelovige leerde kennen bij de overgang van kinderlijk geloof tot dat van rijpere jaren. Deze donkere dagen hadden hun einde bij het in Januari I850 horen van een eenvoudig Methodisten prediker, wiens krachtig woord hem met volle overgave op Christus deed zien en in Hem licht en leven vinden. Het goede woord van die prediker bleef aan Spurgeon onvergetelijk en hij toonde zijn waardering ervan op eigenaardige wijze.

Noot: Dit gehele gesprek en vooral de laatste opmerking toont, hoeveel papierchristendom er bestaat, tot zelfs bij hen voor wie het woord “kerk” een gruwel is, en die met de mond steeds van “gemeente” en “hun gemeente” dwepen, maar bij het verlaten der preekbeurten en na elk avondmaal elkaar naar Spurgeons voorstelling als “ijsbergen” voorbij glijden. Daarom is het hebben van grote gemeenten, en vooral van mensenmassa’s in wier midden geen leraar een eigen gemeente heeft, waarvoor hij herder kan zijn, zo weinigen een gruwel! Nergens zozeer als op kerk en zendingsgebied is het “leve de zuinigheid.” De goedkoopte van zulk een vormendienst doet die mensen meest de koude dode vorm nog aanhouden.

Bij verbouw werd de preekstoel uit dit Methodisten kerkje in het openbaar verkocht. Spurgeon liet die voor zich aankopen en gaf hem een plaats in zijn te Stockwell gesticht weeshuis. Ook in die daad spreekt wel zijn eenvoud en zijn edele zin, die er hem zich niet voor deed schamen, maar veeleer in deed roemen, dat het God behaagd had niet door een algemeen gevierde, maar door een der eenvoudigsten onder zijn dienstknechten hem tot licht en volle vrede te brengen.

Deze beslissende gebeurtenis in Spurgeons jeugdig leven is echter te merkwaardig om ze niet in zijn eigen woorden te verhalen. Misschien was het een gevolg van zonder leiding veel en alles te willen lezen, waarvan hij later getuigen moest: “Ter kwade ure gaf ik het anker van mijn geloofsovertuiging prijs, sneed de kabel van mijn geloofsvertrouwen door, en lag dus niet langer gemeerd aan de veilige kust van Gods openbaring. Ik liet mijn vaartuig voor de wind afdrijven en richtte daardoor al meer naar het gebied van het ongeloof koers. Ik zei tot mijn rede, wees gij mijn stuurman; tot mijn denken, wees mijn scheepsroer. En zo zette ik de dwaze reistocht voort. God zij dank, dat is nu alles voorbij; maar laat mij u in korte trekken verhalen, hoe ik na een hopeloos rondzwerven op de vrijdenkerszee ben terechtgekomen.

Soms is het mij wel eens, of ik nu nog in de duisternis en wanhoop zou hebben kunnen verkeren, wanneer het niet God behaagd had mij redding te beschikken door een sneeuwstorm, toen ik mij op zekere Zondag naar een wat verwijderd liggend kerkgebouw wilde begeven. De dichtvallende sneeuw nam al spoedig zo in hevigheid toe, dat het mij onmogelijk werd verder voort te gaan. Dit deed mij naar een binnenplaats inkeren, waar ik wist, dat een plaats van samenkomst der Primitieve Methodisten was.”

Was het in Spurgeons verstandelijke overmoed, trots op weten geweest, die hem op een dwaalspoor had geleid, hier zou hij leren, dat God de macht der wijzen niet behoeft om de veelweter, indien hij maar oprecht is, in hart en geweten te grijpen, en dat zijn Geest door het geloof der zwakken wonderen doet. Doch horen wij de verhaler zelf.

Er waren in dit bedehuis misschien twaalf of vijftien mensen bijeen. De leraar liet zich wachten en eindelijk bleek dat hij gewis door de sneeuw verhinderd, niet bij machte was te komen. Eindelijk betrad een nietig, mager mannetje, naar ik gis een schoenmaker of kleermaker de spreekplaats en gaf als tekstwoord op: (Jes. 65:22 Eng. vert.) “Ziet op mij, alle gij einden der aarde en wordt behouden, want Ik ben God en niemand meer.” De tekst klonk mij als een woord der hoop! De goede man ving aan er over te spreken, maar was na ongeveer tien minuten, aan het einde. Niet zijn welsprekendheid, maar zijn geloof en belangstelling zouden mij redden. Hij had mij, die onder de gaanderij zat, opgemerkt; en daar er zo weinigen waren, gewis in mij een vreemde erkend. Na zijn Amen richtte hij zich op eens tot mij en zei: “Jonge man, naar uw uiterlijk voorkomen moet gij u zeer ongelukkig gevoelen.” Wel, dat deed ik ook; maar het was mij nog nooit overkomen, dat van een preekstoel aanmerking op mijn uiterlijk voorkomen gemaakt was. Hoe dit zij, hij deed het en wist raak te slaan, want hij ging voort: “En gij zult u altijd ellendig blijven gevoelen, ellendig in leven en in sterven, indien gij weigert aan de roepstem van mijn tekst gehoor te geven en u daaraan gehoorzaam te betonen. Indien gij echter nu, zonder u verder te verharden, in gehoorzaamheid buigen wilt, zult gij nu en hier behouden worden.” En toen riep hij uit met een stem en nadruk, zoals alleen een Methodist dit vermag. “Zie, zie, zie, dit is alles! zie op Jezus en word behouden!”

Wonderbaar was de indruk en invloed van dit uit liefdevol medelijden vrijmoedig gesproken woord. Het was of de nevelen weken, de wolken scheurden en een heldere zonneschijn doorbrak, zodat ik de weg van het behoud in volle klaarheid en heerlijkheid aanschouwde. Ik gevoelde mij door een in ootmoed zien op de verhoogde Zoon van God, evenals de Israëlieten, die op de door Mozes verhoogde slang zagen, genezen en tot een nieuw leven ingegaan. Bij mijn naar huis gaan had ik van vreugde kunnen huppelen en zingen. Allerlei eisen had mijn verstandelijke hoogmoed gesteld, en dat enkel: “zie, zie, zie!” wierp mij als een Saulus ter aarde om als een voor altijd aan de Heere Jezus verbondene op te staan.

Ja waarlijk Gods wegen zijn voor zijn mensenkinderen ondoorgrondelijk. De waarschijnlijk meest door de lof en het tegen hem opzien van zijn schoolmakkers en zelfs van ouderen hooggevoelende en tegenover Gods woord vermetel gewordene moest niet door een hooggeleerde of man van rang en stand worden overtuigd. Misschien zou deze zijn strijdlust enkel hebben opgewekt en zijn hoogmoed en ongeloof hebben versterkt. De blik der liefde van die eenvoudige in zijn hart en toestand vermocht meer dan enige vermeende welsprekendheid. Die blik deed niet zijn verstand zich ten strijde gorden, maar had eer hij het wist, zijn hart getroffen en verbroken. Het is Gods eigen woord. “Ik ben de Heere uw Heelmeester”; ja, een heelmeester, wiens hand nooit verkort is en bij wie uitkomsten zijn tegen de dood.

Welke is echter tegenover hem de grootste schuld van ons door de zonde zieken? Is het niet, dat gelijk bijna ieder zieke zijn geneesheer wet en regel wil voorschrijven en hem leiden, de zondaar juist dit nog veel meer beproeft tegenover zijn enige en onfeilbare heelmeester. Wat toch anders is dat zich verdiepen in bekerings geschiedenissen en naar andere bekeringsweg zelf bepalen, wat van Gods zijde tot onze redding geschieden moet? Zijn wij ook en vooral in deze niet, als het leem in des pottenbakkers hand! Hoe zou misschien de jonge Spurgeon met bittere glimlach de profetie hebben aangehoord, dat een eenvoudig man die hij in twistgesprek in vijf minuten had kunnen doodpraten, door God uitverkoren was om hem te verootmoedigen en aan de voet van het kruis te brengen. Toch gebeurde het zo, en is juist in die weg Spurgeon een behouder van anderen geworden, die nooit en in niets op zijn gaven maar alleen op de waarde van Golgotha’s kruis en Gods daarin geopenbaarde genade vertrouwde.

Jonge mensen, wij leven in een tijd, dat vooral minbegaafden zich door een woord van valse wetenschap laten opblazen, en tot ongeloof en minachting van het heilige laten verleiden. Leest en herleest dit getuigenis van Spurgeon, de van kind af aan zo hoog begaafde. Voor u, gelijk voor hem, geen andere weg van het behoud dan op Christus te zien en in Hem uw God en Schepper als uw Vader te leren kennen.

Eerste optreden als prediker en beroep naar Londen.

Ons opschrift wijst op een tijdsverloop van ongeveer vijf jaren, van 1850 tot 1854, en volgt de jonge man van zijn zestiende tot in zijn twintigste levensjaar. Engelands kerkelijke gebruiken en gewoonten zijn vooral onder de vele, niet tot de staatskerk behorende gemeentegroepen zeer verschillend van de onze. In de gewone loop der omstandigheden gebeurt het in ons land hoogst zelden, dat iemand van het ene kerkgenootschap tot het andere overgaat. Wie in eigen kring geen stichting vindt, gaat of niet naar de kerk of zoekt bij anderen heil, maar zonder zich bij hen aan te sluiten, zonder in hun gemeenteleven te delen, en zichzelf en het zijne daarvoor te geven. Klimt ontevredenheid tot een gistende hoogte, dan ontstaan geweldige scheuringen door jaren van bitterheid en twist achtervolgd. Splitsingen bij verschil omtrent kerkleer of kerktucht komen in Engeland veel eerder en daardoor met veel minder tijdelijke heftigheid tot stand, en is eens een gevestigde staat van zaken daar, dan volgen overgangen over en weer met gehele aansluiting en niet met een zelfzuchtig genieten van het goede van buurmans dis.

Welk een opzien zou het in onze Hervormde en Lutherse gemeenten wekken, wanneer een predikantszoon, als knaap van zestien jaren, nog in een kinderlijk schoolpak, zonder enig overleg met zijn ouders, op zekere dag zich op een afstand van drie uren van huis in een rivier liet dopen!

Reeds zagen wij in het eerste hoofdstuk in de knaap kentekenen van een zelfstandig en zeer beslist karakter. Hiervan gaf hij een nieuw en nog meer sprekend bewijs, toen hij op de derden Mei 185O, dus nog niet ten volle zestien jaren, in kiel met omgeslagen kraag, zich naar New–Market begaf, en daar zich bij het Isleham–veer in de rivier Park liet dopen. Het uit die handeling voortgevloeid gesprek met zijn moeder, tekent geen ongenoegen aan de zijde van zijn ouders, noch aan zijn zijde enige vrees of vermoedens, dat zijn zo jong gedane stap tot enige huiselijke onaangenaamheid of verwijten zou leiden. Wel, Charles, zei zijn moeder goedig, “ik heb wel dikwijls gebeden, dat gij eens tot de Heere bekeerd mocht worden, maar nooit dat gij een Baptist worden zou?” En wat was het antwoord van de knaap?

Niet enig meesterachtig godgeleerd betoog over leerstellige begrippen omtrent de doop, maar een even goedig en in zijn humor bijna guitig: “Wel, moeder, God heeft uw gebed verhoord naar de gewone maat van zijn goedertierenheid, en u meer gegeven dan gij van Hem gevraagd hebt.” Hiermee schijnt de zaak in de huiselijke kring te zijn afgelopen. Het lezen van zijn Grieks Testament had Charles de overtuiging gegeven, dat het Griekse werkwoord voor dopen, indompeling eiste. Naar die beslissing van zijn geloof had hij gehandeld; en hoe jong hij wezen mocht, zijn de waarheid zoeken en liefhebben, de ernst, die zich in zijn beslist handelen aan de dag legde, werd, hoe jong hij wezen mocht, als heilig geëerbiedigd en voor hem niet door bittere opmerkingen of twist vergald.

Ik kan niet anders zeggen, of deze weg in het gezin van Spurgeons ouders en meer algemeen in Engeland gevolgd, heeft mijn volste sympathie. Wij hebben een open Bijbel, niet voor vakgeleerden, maar vooral naar de behoeften en het verstand der niet–wijzen naar de wereld, niet machtigen en niet edelen geschreven. Niet wederom een heirleger predikers en Schriftgeleerden heeft de Heere als wachters om “zijn blijde boodschap van verlossing en zaligheid” gesteld, maar zijn Geest, de Geest, die in al de waarheid leidt, aan allen die de waarheid liefhebben en zoeken, beloofd. Voor en in wie Gods eigen Woord en Geest tevergeefs getuigen, hij moge eerder en bij voorkeur aan leringen en inzettingen van mensen gehoorzaam zijn, de slaafsheid, die hij boven het kindschap Gods stelt en begeert, kan hem geen heil aanbrengen, omdat hij alleen een slaapmiddel tot valse vrede zoekt.

In zijn opvatting van het Griekse woord voor dopen had de jeugdige Spurgeon de stem en wil van God menen te verstaan. Boven dit verstaan kon voor zijn geweten wel geen mensenmening of wijsheid gelden, zonder hem meer aan mensen dan aan God gehoorzaam te doen zijn. Vandaar het moederlijk berusten. Steeds hebben dwingende geleerden en kerkbestuurders de gemeente des Heeren zoeken gelijk te maken aan een werelds leger in zijn uitwendige uniform, in plaats van te arbeiden voor de innerlijke eenheid des Geestes, die bij allerlei uitwendig verschil kan bestaan, en alleen tot ware vrede en tot onderlinge opbouw en toebrenging tot de enige Heere en Rechter leidt. Spurgeon is op de keus en beslissing, zo jong gedaan, nooit teruggekomen, wat hij gewis, tot ieder offer bereid, zou gedaan hebben, wanneer later Schriftonderzoek hem tot een andere overtuiging had gebracht. Daarom eerbiedigen wij de door hem gevolgde gedragslijn en beoordelen wij die niet.

Van het hoger standpunt der Christus regering beschouwd, moet het onze eerste vraag zijn, of hij in en voor een andere gemeente had kunnen worden, die hij voor Engelands Baptisten geweest is. Toen de stichter van het heilsleger, die het juk der Methodisten–Bisschoppen in de gedwongen driejaarlijkse verplaatsing niet langer wilde dragen, en meende als predikant bij de Congregationalisten meer vrijheid te zullen vinden en zelfstandiger te kunnen werken, ondervond hij terstond, dat ware vrijheid en een hoog geroemde kerkelijke vrijheid twee zeer verschillende zaken zijn. De op vrijheid pratte Congregationalisten sloten terstond hun deur voor de naar een waarlijk vrij zijn dorstende, door van hem de ondertekening te eisen van zo beslist supralapsarische praedestinaties–formules, als zij wisten, dat een evangelieprediker met zijn ruime inzichten niet zonder verkrachting van zijn geweten tekenen kon.

Om des voordeels wille behoefde geen leraar tot de Baptisten over te gaan. Spurgeons eerste bezoldiging te Waterbeach was twaalf pond sterling of 144 gld., en zeer vele oudere gehuwde leraren hadden zich met hun gezin in kleine en arme gemeenten met 240 gld. te behelpen, zodat zij hun dochters nauwelijks of niet tot bekwame dienstboden konden opvoeden. Op rijkdom en eer kon dus wel de in zijn spreken en doen besliste knaap niet hopen. Wat God hem echter in het midden der Baptisten vinden deed, was de vrijheid, die een koninklijke geest als de zijne nodig had om zijn arendsvlucht ten volle te ontplooien. Wie de doopsgezinde gemeenten in Engeland beschouwt, zoals zij bij zijn verder optreden in Londen waren, en haar bloei en macht gadeslaat, zoals zij op dit ogenblik zijn en beloven te kunnen blijven, zolang Spurgeons geest en invloed in haar voortleven, herhaalt gaarne en met aanbiddende eerbied de woorden, welke de beminnelijke predikant Knill het kind Spurgeon op zijn knie in het geheugen prentte:

God volgt een ons verborgen pad
In zijn wonderdaan.

Alleen wie leerstelsels en kerkvorm hoger stellen dan de vrije en volle ontwikkeling van het koninkrijk Gods onder de leiding van de verrezen Heere, die ALLE macht ontvangen heeft in de hemel en op aarde, kunnen wensen, dat de jeugdige Spurgeon niet de onafhankelijke geest getoond had, welke in hem de belijder en verdediger der waarheid openbaarde, die later de tederste vriendschapsbanden wist op te offeren, waar hij oordeelde, dat de naam en de eer des Meesters op het spel stonden.

Wie waarlijk staat in de vrijheid van Christus is ook waarlijk verdraagzaam, is tegenover de broeder bezield met al de zachtmoedigheid der liefde, terwijl hij ook en voornamelijk om zijnent wil de het ware leven vijandige dwaling niet spaart of verschoont. Zo was Spurgeon van jongs af aan beslist in zijn oordeel over het antichristelijk karakter van het stelsel en streven van het Pausdom. De onveranderlijkheid van beiden en daardoor hun slaafs aan de Jezuïetenmacht geketend zijn, kennende, wist hij, dat alleen maatschappelijke onmacht Rome belette om opnieuw en blijvend te doen, wat Foxe’s martelaarsboek hem had leren kennen als Rome’s dingen naar een nog hogere wereldmacht dan die der oude Ceasars. Overtuigd, dat alle streven van Protestantse zijde naar een modus vivendi met Rome ontrouw aan Christus en zijn koninkrijk is, heeft hij ook steeds onverholen dit als zijn gevoelen in woord en geschrift uitgesproken.

Van New–market begaf de jonge Spurgeon zich naar Cambridge, waar hij zijn avonden aan allerlei christelijken arbeid wijdde. Hij wist zo een geheel verwaarloosde buurt voor zijn invloed te winnen. Hij voorzag er de kinderen van voorbeelden om te leren schrijven en bezocht hen dan des avonds in hun woningen, om te zien welke vorderingen door hen gemaakt werden. De ouders stelden deze bezoeken op hoge prijs en werden evenals hun kinderen zeer gehecht aan de belangstellende jonge ondermeester. Nog zijn er verscheiden in de omstreken van Cambridge in leven, die Spurgeon in die dagen hoorden spreken, en die toen reeds in de Zondagsschoolonderwijzer de machtige prediker van later vermoedden.

In deze tijd was het, dat hij aan een van zijn zusters de volgende, nog bewaard gebleven brief schreef.

CAMBRIDGE, Donderdag.

Aan Mejuffrouw Carolina Louise Spurgeon.

Uw naam is zo lang, dat hij bijna de hele breedte van mijn postpapier beslaat. Een der jongens op onze school lijdt aan hetzelfde euvel en heet Edward Ralf William Baxter T…  De jongens plagen hem altijd met die sleep van voornamen, maar hij is een zeer goede jongen en dat maakt ook zijn namen reeks goed. Iedere naam is een goede naam, als de drager er van goed is. De Hertog van Toscane had een kleinzoon. Deze werd naar de Rooms–katholieke hoofdkerk gebracht, waar men wat water op zijn voorhoofd sprengde en toen hem de volgende namen gaf—gij moet die onze kleine Elize eens laten oplezen:

Giovanni Nepomuceno Maria Annunziata Giuzeppe Giovanbattista Ferdinando Baldass’ere Luugi Gonzaga Puetro Allessandro Jakobi Antonino.

Welk een prachtige naam om daarmee naar bed te gaan en op te staan! Het kind zal heel wat tijd nodig hebben, eer zijn geheugen sterk genoeg is om hem geregeld door de lange lijst heen te helpen.

Mag maar iemand met recht de naam van Christen dragen, dan is dat heel wat beter dan zulk een hoop bombastische klanken. Christen is wel de beste naam op de wereld na de enige naam, die de Heere zelf heeft gedragen.

Wees hartelijk van mij gegroet. Ik hoop dat gij een recht genoeglijke tijd zult hebben en dat gij trachten zult anderen gelukkig te maken, want dan kunt gij zeker zijn zelf gelukkig te zullen wezen. Wanneer gij daarentegen uzelf zoekt te behagen, zult gij anderen verdriet baren zonder er zelf in het minst gelukkig door te worden. Maar dit alles weet gij even goed en behoef ik u niet te vertellen. Heb een recht aangename Kerstmistijd.

Uw liefhebbende broeder

CHARLES.

Tot nog toe kende hij zijn roeping niet. Een oudere vriend, leider der Zondagsschool, waarin hij mede werkzaam was, had die erkend en nam het kloek besluit hem daartoe onvoorziens te wijden. Hij deelde aan Spurgeon mede, dat er des avonds te Teversham godsdienstoefening zou zijn, en vroeg of hij hem het genoegen wilde doen een ander jongmens daarheen te vergezellen. Natuurlijk genoeg dacht de jeugdige Spurgeon niet anders of deze was de prediker voor die avond. Na een eind weegs te zijn gegaan deed hij deze dan ook de vraag, welke tekst hij dacht te bespreken. Ik, hernam de ander verbaasd, “ik, er is geen haar op mijn hoofd dat aan preken denkt, het zou mij onmogelijk zijn. Gij wordt te Teversham verwacht en mij is enkel verzocht u te willen vergezellen.  Zullen de mensen dus niet tevergeefs gekomen zijn, dan moet gij hen toespreken, en wanneer gij dat doet, gelijk op de Zondagsschool, dan is u dit best toevertrouwd.” Dus verrast en gedrongen besloot de jeugdige zondagsschoolonderwijzer in vertrouwen op Gods bijstand in vrijmoedigheid te doen, wat van hem verwacht werd. Kenmerkend voor zijn innerlijk leven was de keus van zijn tekst, (1 Pet. 2:7) “U dan, die gelooft, is hij dierbaar.” Des Apostels woord is een van die preekteksten, die hij zo gaarne vlezig noemde. Luther noemde de zulke “de Bijbel in het klein.”

Weldra hingen de hoorders aan zijn lippen en een oude dame, die haar bewondering niet bedwingen kon, riep in het midden van de preek uit: “Mijn beste jongen, hoe oud zijt gij?

“Voor zulke vragen behoort men te wachten tot na de preek; was het antwoord van de niet van stuk gebrachte prediker. Toen de preek geëindigd was, haastte zich de oude dame haar vraag te herhalen en het antwoord was: “Nog geen zestig.” Zeker, maar ook nog wel geen zestien,” hernam de belangstellende vraagster.

Hoe jong, jonger dan hij werkelijk was, hij in zijn voorkomen wezen mocht, de eenvoudige dorpelingen hadden eenstemmig erkend, dat een groot prediker in hun gemeente was opgestaan. Van die Zondag af werd hij telkens in de omtrek tot preken genodigd, tot hij er eindelijk zijn enige levenstaak van maakte.

Enige der voorvallen op dit gebied uit die tijd zijn waard in aandenken bewaard te blijven.

Nadat hij op een klein plaatsje gepreekt had, werd hij door een arm man ten eten genodigd. Op de dis rookte een grote niervetpudding als enige schotel. De huisvader noodde niet eerst zijn gast, maar diende zichzelf met een flink stuk. Nadat hij in dat bedrijf door al de huisgenoten gevolgd was, begreep de jonge prediker, dat men blijkbaar verwachtte, dat hij hetzelfde doen zou, en dus tastte hij toe en deed zijn maal met een stuk niervetpudding. Gelukkig dat de maag van jongens op die leeftijd van die van een veldarbeider niet zoveel verschilt, daar dit puddingsoort voor fijner tong en minder sterke maag alles behalve tot de begeerlijkste behoort.

Zelfs verhaalt Spurgeon, hoe hij eens de gast was van Potto Brown, een molenaar van Houghton, door zijn arbeid op filantropisch gebied met ere bekend. Brown was zelfs onder Engelsen een origineel persoon, en hij zei tot zijn gast, dat zijn preken er al heel goed door kon voor iemand van zijn leerjaren. Die ronde taal zette Spurgeon terstond op zijn gemak, en nadat zij een ernstige theologische strijd gehad hadden over de betrekkelijke verdiensten der stelsels van Calvijn en Arminius, gevoelde de jonge Spurgeon een eerbiedig ontzag voor zijn duchtig belezen gastheer.

In het jaar 1851, toen hij zeventien jaar was, werd Spurgeon predikant der Baptisten gemeente te Waterbeach bij Cambridge op een traktement van 144 gld’s jaars. De kerk was zo wat naar de maatstaf van dit traktement, over oud, uit ruwe met kalk overstreken steen opgetrokken en met een strodak. In 1866 werd het gebouwtje door brand vernield. Een roekeloos persoon had hete as, waarin nog vuur gloeide, op een vuilnishoop bij de kerk geworpen, waardoor deze en nog twee naburige huizen afbrandden. “Had een brand het ellendige gebouw niet vernield,” zei Spurgeon, “er zou daar wel nooit iets beters begeerd zijn, want er waren leden der gemeente, die, geloof ik, tot de rookaanslag op de muren heilig achtten.”

Voor nog niet lange tijd gewaagde de grote prediker van die dagen en zei: “Zeer goed herinner ik mij mijn eerste preken in dat gebouwtje en hoe mij eigenlijk alleen dit een ter harte ging, dat God door mijn arbeid zielen mocht willen behouden. Naar de gewoonte in die streken om ieder bijnamen te geven en vermits mijn haar niet naar nieuwmodisch kapsel was, noemden zij mij “de woest gehaarde jongen,” beide niet zonder recht, want mijn dik hoofdhaar was aan de woeste kant en ik droeg nog een buis. In mijn preken was mij dit niet tot hinder, want mijn hart was alleen met dit ene bezig: “Dit evangelie heeft mij behouden, maar toen werd het door een ander verkondigd; zal het iemand tot behoud worden, wanneer en zoals ik het predik?” Enige Zondagen gingen voorbij en telkens vroeg ik de diakenen: Hebt gij ook gehoord dat iemand tot de Heere is toegebracht?” De oudste onder de broeders zei tot mij: “Ik ben zeker, geheel zeker, dat het werkelijk het geval is. Ja, zei ik, maar ik verlang naar zekerheid, ik heb behoefte vrucht te zien.” Op een latere Zondag sprak hij: “Er is een vrouw, die daar en daar woont, en die nu voor drie of vier weken onder uw prediking de Heere gevonden heeft.” Mijn antwoord was: “Dan moet gij mij bij de eerste gelegenheid daarheen rijden.”

Reeds de volgenden morgen vroeg waren wij op weg, zo begerig was ik mijn eerste geestelijk kind te zien.  Vaders en moeders hier zullen zich best hun eerste kind herinneren, (geen tweede was zo, en zelf hadt gij er naderhand zo een nooit meer), evenzo gaat het mij, het heeft mij naderhand nooit ontbroken aan onder mijn prediking mij geestelijk geboren kinderen, maar ik denk nog altijd, dat deze vrouw de beste onder deze allen was. Tevens is het waar, dat zij daarna niet lang genoeg geleefd heeft om mij door het ontdekken van gebreken minder gunstig over haar te doen denken. Na slechts ruim een jaar, waarin haar leven in trouw van haar geloof getuigenis gaf, ging zij huiswaarts als voorgangster van verscheidenen, die zij door woord en voorbeeld tot zegen geweest was. Nooit heb ik anders willen weten of prediken dan Jezus Christus en die gekruisigd.  O, hoevelen hebben nu reeds enkel door mijn in eenvoud prediken van het woord van het kruis de weg naar het betere land gevonden; en hoevelen er nog op aarde zijn, die door dit mijn getuigenis dienaars en volgelingen des Heeren werden, durf ik niet bepalen of gissen; wat mij heeft doen slagen, is nooit iets anders geweest, dan mijn prediken van Christus, die voor allen stervende, “onze zonden in zijn eigen lichaam heeft gedragen op het hout.”

De heer G. Holden Pike deed eens bij de heer Coe, een diaken te Waterbeach uit die dagen, onderzoek naar die aanvangstijd. Coe herinnerde zich nog geheel duidelijk Spurgeons eerste preek daar ter plaatse, in het najaar van I85I. “Hij was,” dus verhaalt de diaken, “gezeten aan het een einde der tafel, die voor preekstoel dienst deed, en ik zat op de anderen hoek. Nooit zal ik dat ogenblik vergeten. Hij was wit als een laken, en ik dacht bij mijzelf, (welk een jongen nog!) nooit zal hij in staat zijn te prediken.” Ik zag met minachting op zijn jonge jaren en kon gedachten van die aard niet bedwingen, terwijl de gemeente zong. Toen het gezang geëindigd was, sprong hij van zijn zetel op en begon het hoofdstuk over de Schriftgeleerden, Farizeën en Wetgeleerden te lezen, en al lezende te verklaren. Terwijl hij uitweidde over hun kleren, bindselen en lange gebeden, had ik reeds best verstaan, dat hij prediken kon en hoe jong nog daarin reeds een meester was. Hoe langer hoe meer werd ik onder zijn dienst doen zeker, dat wij hem niet lang te Waterbeach bezitten zouden. Ik zag, dat er in hem iets zeer groots stak, dat God hem voor een uitgebreider werkkring had bestemd. Ik had geen begrip van deze jonge man, en vroeg hem eens, vanwaar hij toch al die wetenschap had, die uit zijn preken openbaar werd? “Wel,” zei hij, “wanneer ik een boek lees, dan trek ik er, alles wat er goeds in is, als bij de hoofdharen uit.”

Een vriend, die onze nu overleden vriend gekend heeft, van de dag af, dat hij in Londen kwam, zei: “Hij kon geregeld met mij een gesprek voeren, terwijl hij te gelijk al bladerende een nieuw boek doorliep. Binnen de tien minuten had hij de waarde van een boek erkend en er dikwijls reeds al wat voor hem waarde had, uit vermeesterd. Ook onze Oosterzee bezat even als Spurgeon de zeldzame, niet te waarderen gave, om als met de vingertoppen te lezen en dan op de proef te bewijzen, dat hij bij dat vluchtig doorlopen reeds al wat het voor hem aan vrucht bevatte, er had uitgehaald.

Nog verhaalt de heer Pike, dat dezelfde diaken op zijn vragend zeggen: “Ieder was over hem in deze tijd wel één verbazing?” van harte antwoordde: “Ja, dat waren zij en geen wonder.”

“Hoe preekte hij dan?” Wel antwoordde de oude man, terwijl hij mij strak in de ogen keek, als behoorde ik daar zelf reeds alles van te weten: als iemand, die een honderd jaar ervaring heeft en daarmee te woekeren weet.

Toen Spurgeon in Londen was, spaarde hij geen moeite om de trouwe Coe te overreden, hem in de hoofdstad van het land te komen bezoeken. Eindelijk beloofde de leraar hem een nieuwe schenkkan voor de bediening van het Avondmaal te geven, wanneer hij die zelf halen kwam. Deze aanbieding overwon de laatste twijfel, de diaken kwam en de schenkkan was de beloning van zich niet langer door bezwaren te hebben laten afschrikken. Naar Waterbeach teruggekeerd wilde hij aan de vrienden vertellen wat hij al in Londen gezien had, maar zijn geheugen geraakte spoedig verward en liet hem in de steek. In zijn eenvoud scheen hij slechts één zaak niet vergeten te hebben en dat was het wat al het verdere in de schaduw stelde: “De heer Spurgeon was heel blij mij weer te zien.”

De tijd, die Spurgeon als leraar te Waterbeach doorbracht, was voor de diaken Coe de gelukkigste van zijn leven. Eén ding slechts bezwaarde hem, dat dit geluk onmogelijk van lange duur kon zijn. Wanneer anderen hun leraar roemden, schudde hij het hoofd en zei op droeve toon: “Hij zal niet lang bij ons zijn. God heeft hem een groter werkkring beschikt, waar, weet ik niet, maar bij ons zal hij niet lang zijn.” Dit moet wel in Londen ook dikwijls veler gedachte geweest zijn. Met hoe grote gaven ook bedeeld, hij vergde te veel van een lichaam, dat niet bestand was voor de werkkracht van zulk een geest. Hij werd als verslonden door de ijver om geen ogenblik voor zijns Meesters dienst en zaak te laten verloren gaan, en deze schonk de trouwe dienaar rust, voor hem in overweldigende zwakte het bewustzijn overmeesterde, dat hij zichzelf overleefd had en tot zijn liefste arbeid geheel onbekwaam was geworden. Toen hij weer zelf de drukproeven van een preek kon nazien, verlustigde hij zich reeds weer in een nieuw verschiet van werkzaamheid. Zo bleef hij tot het einde in hope leven, tot hij een betere werkelijkheid aanschouwen mocht.

Gaarne vertelde hij ook nog uit die dagen, hoe het hem gelukt was de vijandelijkheid in een dorp nabij Waterbeach te overwinnen. Dit dorp was een broeinest van ongeloof, onzedelijkheid en misdaden. De Wesleyanen werden er verdreven en sommigen waren zelfs bij die gelegenheid mishandeld. Na dit vernomen te hebben besloot Spurgeon er met enige vrienden heen te gaan en er te preken. De bewoners van het befaamde dorp rukten met stenen gewapend uit om daarmee de komenden te begroeten. De leraar van Waterbeach toonde zich tegen dit ruw geweld opgewassen, en hij zei op ernstige toon, dat hij gehoord had, dat zij de Wesleyanen verdreven hadden. “Gij hebt daaraan zeer wel gedaan zei hij, en getoond, dat gij mannen zijt, die weet te horen en te oordelen. Zij zouden u enkel dwaalleer gepredikt hebben, maar wij zijn gekomen om u de ware leer te prediken.

“De dorpelingen, die over dit onverwachte woord verbaasd waren, wierpen hun stenen weg en begonnen met al meer aandacht naar het hen aangrijpende woord te luisteren. De uitkomst was, dat het gehele dorp spoedig een geheel ander karakter aannam, terwijl het tot op heden in de omtrek een even goede naam heeft, als die vroeger ongunstig was. Waarlijk een geloof als een mosterdzaad, levend en krachtig, al is het klein, heeft macht een berg van zijn plaats in het hart van de oceaan te verplaatsen.

De roem van de grote prediker, die in spijt van zijn jonkheid zo voortreffelijk sprak, verspreidde zich spoedig wijd en zijd in Cambridges omstreken. Zijn geestige gezegden en de inhoud van zijn preken werden spoedig en met allerlei variaties verbreid. Spurgeon verhaalde in die dagen, dat eens hem in Cambridge een heer staande hield, die hem aansprak en zei: “Jonge man, ik heb vernomen, dat gij onlangs in uw preek gezegd hebt, dat als een onbekeerd man in de hemel kwam, hij best in staat zou zijn om daar de zakken van de Aartsengel Gabriël te rollen.  Dat hadt gij niet moeten zeggen, zo iets is onmogelijk, want de engelen houden er geen zakken op na.”

“Ik dank u zeer voor uw opmerking,” zei de zondaar, die zich zo aan het engelen kostuum vergrepen had, “ik ben u zeer verplicht en zal spoedig de gemaakte fout goedmaken”.

“Doe dat”, zei de ander, weinig dromende hoe hem zijn betweterij zou betaald worden.

Een weinig tijds daarna ontmoetten beide mannen elkaar opnieuw, en Waterbeach’s predikant zei: “Ik heb dat been weer in het lid gezet, en de fout goed gemaakt. Gij herinnert u van de zakken in de kleding der engelen.”

“En wat hebt gij daaromtrent nu gezegd,” vroeg de ander, heimelijk nieuwsgierig, hoe zijn vermaning gewerkt had. “Wel, ik heb gul bekend, dat ik een grote bok geschoten had, maar gelukkig een zeer geleerd man, de heer B. uit Cambridge ontmoet had, die mij beter heeft onderricht en aan het verstand gebracht, dat de engelen geen zakken dragen.”

Zo toonde de jeugdige leraar meer, dat men voorzichtig moest zijn met aan hem wijsheid te willen verkopen.

Een ander minder grappig, maar meer dan ergerlijk voorval greep plaats in 1852. De jonge leraar van Waterbeach ontving de uitnodiging om een preekbeurt voor een hoogbejaard predikant waar te nemen. Hij werd door deze, die zijn jeugdigheid opmerkte en daarover verstoord was, op bijzonder lompe wijs ontvangen en bejegend. De oude heer meende, dat hij tot zo iemand, die pas kwam kijken, vrij alles mocht zeggen wat hem goed dacht.

Hoe vaart gij?” zei Spurgeon beleefd, “ik ben verzocht geworden uw jaarfeestbeurt te vervullen.

Zo, gromde de oude man hem toe, “en mij doet het niet het allerminste genoegen u te zien;” en alle regels van beleefdheid vergetende ging hij voort: “Het is me tegenwoordig een rare troep! Jongens lopen het land af om te preken, terwijl de moedermelk ze nog op de lippen zit.”

Om zijn bezoeker nog meer in het werk, dat hij te verrichten had te steunen, ging hij voort met allerlei opmerkingen van gelijk allooi aan anderen, die in het vertrek waren, op te dissen. Weinig wist hij, welk een roede voor hem in het water lag, want de jongen, wie nog de moedermelk aan de lippen kleefde, gaf onder de indruk van het ogenblik als zijn tekst af, (Pred. 16:31) “De grijsheid is een sierlijke kroon, zij wordt op de weg der gerechtigheid gevonden.” Zonder tot persoonlijke toepassingen af te dalen ontving de oude man van zijn door hem verguisde helper zulke lessen, dat hij alle reden had om zich diep te schamen en met zijn figuur verlegen te zijn.

Na de preek trad de leraar van de plaats, waar hij gemeend had getuige te zullen zijn van Spurgeons onbeholpenheid en verlegenheid, en waar hem even duchtig als bescheiden en beschaafd de les gelezen was, en deelde nu naar eigen ruwe trant zijn lofspraak uit. “Gij zijt de onbeschaamdste hond, die ooit op een preekstoel geblaft heeft,” was zijn woord, maar tegelijk sloeg hij goedkeurend de jongen man op de rug met de verzekering, dat deze hem voortaan altoos welkom wezen zou.

Een soortgelijke ervaring had hij bij een van dit soort van predikanten, die ook vroeger in ons land niet zo zeldzaam waren, en die zichzelf een vrijbrief gaven om aan studenten en jongere ambtsbroeders alles toe te voegen wat hun rauw en grof voor de mond kwam. Zo begon deze met tot Spurgeon te zeggen: “Mijn preekstoel staat voor geen jongens open”. Allengs werd hij zachter gestemd en zei, “gij kunt de gezangen opgeven en voorlezen.” Het voorlezen der Schrift door de jonge man en zijn opmerkingen daarbij, bevielen hem echter zo, dat hij nu zelf de preekstoel voor hem opende. Toen die preek geëindigd was, klom hij de trappen van de preekstoel op, lei de hand op Spurgeons schouder en sprak: “Mijn jongen, gij hebt zo gepreekt, dat ik weinig kans zie het u te verbeteren.

“De Non–conformisten hebben zich lange jaren van de rijksuniversiteiten buiten gesloten gezien en waren daardoor in de verplichting om zelf voor de opleiding van hun predikers te zorgen. Spurgeons vader en vele andere vrienden drongen er bij hem op aan, dat hij het preken voor een tijd zou staken en tot betere voorbereiding de lessen in het Stepneycollege, dat thans het Regentspark–college is, waar te nemen.  Hij was bereid die wens te volgen en er werden op grond daarvan bepalingen gemaakt, dat hij de zaak met Dr. Angus, de hoofdbestuurder, bespreken zou. Beide mannen wachtten ieder in een afzonderlijke kamer zeer lange tijd op elkaar ten gevolge van een zeer domme vergissing der dienstmaagd. Dr. Angus, die andere afspraken had, kon eindelijk niet langer toeven en ging heen.

Welke belangrijke uitkomsten hangen soms aan zeer kleine zaken, gelijk hier aan de onhandigheid van een domme meid!

Terwijl Spurgeon bij zichzelf de betekenis en bedoeling dezer teleurstelling overwoog, was het hem, terwijl hij huiswaarts kerende het Midsummer–veld overging, of hij een luide stem hoorde, die met duidelijke woorden zei: “Zoekt gij grote dingen voor uzelf? Zoek ze niet.” Hij begon nu over zijn genomen besluit na te denken, en ofschoon hij toen vroeger de gevolgen niet voorzien kon van het offer, dat hij brengen ging, kunnen wij de raad Gods niet voorbijzien in de gevolgen, die zijn vernieuwde voornemen op dit keerpunt in zijn leven had. Toen hij op dat open veld de keus deed om te Waterbeach te blijven, oordelende dat hij daarin het hem aangewezen pad van plicht volgde, kon hij wel niet anders oordelen, of hij aanvaardde daarin de vergeten en minder dan karig bezoldigde betrekking van een dorpspredikant bij de Baptisten; iets dat weinig beter dan volstrekte armoede lijden was.  Welk een schoon en heuglijk licht werpt dit over geheel zijn volgend leven, en hoe doet het de echtheid van zijn tot het einde getoonde belangeloosheid inzien, toen, ook door zijn onverpoosde en veelzijdige arbeid, het goud hem als toestroomde, en hij alleen op weldoen en het helpen van anderen zich bedacht toonde.

In een brief aan zijn moeder in die dagen schreef Charles: Ik verheug mij steeds meer, dat de omstandigheden er toe geleid hebben, dat ik van de voorrechten van een collegevorming verstoken gebleven ben. De Heere zendt zulk een rijkdom van zonneschijn op mijn pad, verkwikt mij met zulk een toelachen van zijn genade, dat ik er zelfs geen spijt over zou kunnen gevoelen, dat ik al mijn uitzichten op bevordering heb prijsgegeven. Ik ben mij innig bewust, dat ik het gedaan heb uit liefde tot God en zijn boek, en omdat ik liever arm wil zijn in zijn dienst dan rijk worden in het zoeken van mijzelf. Ik heb alles wat mijn hart slechts wensen kan; ja, God geeft mij verre boven mijn begeren. Het getal van mijn hoorders is even talrijk als altijd, en allen betonen mij hun liefdevolle genegenheid. Zolang als ik nu te Waterbeach ben, heb ik elke dag een andere woning voor mijn tehuis gehad.  Twee en vijftig gezinnen hebben mij dus als een der hunne beschouwd, en ik heb nog zes andere uitnodigingen, waaraan ik niet heb kunnen voldoen. Wat kinderpraat is het, dat het volk voor mij onverschillig is, omdat zij mij zulk een klein inkomen geven. Voor ieder zal ik luide getuigen, dat dit leugen is, zij doen alles voor mij wat zij bij machte zijn om te doen.”

Hoe weinigen van onze jonge predikanten zouden zo schrijven, wanneer zij om met een 144 gld. een jaar rond te komen op een van onze armere dorpen zich van dag tot dag in een der onhuiselijke verblijven der bewoners moesten behelpen. Spurgeon achtte dit bij zijn zendelings opvatting van zijn preekdienst niet, omdat hij zo, “de blijde boodschap” te geduriger en op allerlei wijze tot de leden van zijn gemeente brengen kon. Zeker hij is in Londen een groot man gebleken, maar zou hij het verblindende van zijn plaatsing in die wereldstad met zoveel eenvoud en onveranderlijke goedheid hebben kunnen dragen, indien hij zich in de dagen van zijn vrijwillig gekozen geringheid niet reeds in zijn godsvrucht en liefde voor Christus nog groter getoond had, dan zelfs op het hoogste standpunt van zijn welverdiende roem.

In het jaar 1853 werd Spurgeon uitgenodigd om in de kerk der Baptisten in de Parkstraat te Londen te komen preken. Hij had deze uitnodiging aan een kloeke daad van plichtsvervulling te danken. In Cambridge was de bijeenkomst van een zendingsvereniging en de predikant van Waterbeach was een der genodigden om des avonds bij de openbare vergadering te spreken. Tussen die middagbijeenkomsten voor zaken en die avond vergadering overreedde hij een vriend om te samende allerarmste buurten der stad te bezoeken, ten einde de toestanden daar in verhouding tot die der heidenwereld te leren kennen. De vrucht van dat onderzoek was in de avond het onderwerp van zijn spreken. Onder de verse indruk van al de armoede, ellende en misdaad, die hij aanschouwd had, besprak hij de zware schuld der plaatselijke Christengemeente met zulk een warmte en kracht, dat niet alleen de ontevredenheid der hoorders zeer merkbaar werd, maar zelfs de leider der vergadering zich gerechtigd achtte de jonge man een duchtige strafrede toe te dienen. Bij vergaderingen als deze was steeds het verkrijgen van een grote collecte eenzijdig hoofddoel, en deze was niet door zulke berispingsazijn maar alleen door overvloed van vleierijhonig te winnen. De voorzitter deed daarom al zijn best, om Spurgeon van dwaling te overtuigen, maar om de door hem verwekte stemming door onverdiende smaad over de spreker ten voordele der collecte te doen keren. Mocht zulk een doel en bedrijf maar tot de uitzonderingen behoren! Onze Meester had recht zich “de Waarheid” te noemen, maar hoeveel middelen worden schijnbaar in het belang van kerk en zending gebezigd, die eerder tot het gebied van de Vader der leugens behoren.

Zo was het in de dagen toen “Schriftgeleerden” een mens, die hun de waarheid zei, zochten te doden. Zo ervoer het Spurgeon en wie niet, die het “de waarheid aangenaam maken aan het geweten” stelde boven de toejuichingen van een door vleitaal opgewonden menigte.

Intussen trouwe plichtsbetrachting mist haar loon nooit, al wordt de vergeldende hand Gods niet op het eigen ogenblik gezien. De kloeke daad van de jonge leraar in het oplichten van de sluier, die de schande der achterbuurten van Christensteden bedekt, bleef niet onbesproken, en het gerucht er van leidde Londens diakenen tot het besluit om juist die getrouwe dienaar te horen en hem persoonlijk te leren kennen. Zo leidden twee feiten, die schijnbaar de opgang van de jeugdige predikers hadden moeten beletten, er toe, om hem ter plaatse te brengen, waar hij een wereldinvloed uitoefenen zou. In het kleine door de Meester beproefd en trouw bevonden, werd hij door Deze gesteld tot een koninklijk rentmeester zowel in stoffelijke als geestelijke belangen.

Hoewel zijn gemeenteleden terstond anders dachten en enkelen van vrees het hoofd schudden, meende Spurgeon zelf zo zeker, dat een vergissing had plaats gehad en dat hij niet de bedoelde persoon kon zijn, dat hij de brief dadelijk terugzond met de mededeling, dat men zich zeker in de naam vergist en een ander op het oog gehad had. Het tegendeel bleek weldra in het te Waterbeach verschijnen van een tweede, dringender nodiging. Spurgeon heeft zelf en op zijn wijze die voor hem avontuurlijke tocht beschreven. Zijn kleding was naar zijn inkomen, en vooral herinnerde hij zich later, “de hoge zwart satijnen stropdas en blauwe zakdoek met witte stippen”, die hem als een echte buitenman kenmerkten. Hij zag zich een kosthuis voor jongelieden uit de burgerstand aangewezen. Deze stadsheertjes hadden het er op gezet zich eens recht vrolijk te maken met “die buitenjongen, die scheen te menen, dat hij knap genoeg was om boeren in de hemel te preken.” Plan om zo iemand te gaan horen, hadden zij schijnbaar niet, maar zij hadden, naar het Spurgeon scheen, een onderlinge afspraak gemaakt, om hem op hun wijs moed tot zijn taak in te spreken.

Daartoe dienden onder anderen wonderverhalen van de beroemde predikanten, die Londen rijk was, en welk een naam en opgang zij zich door hun welsprekendheid maakten. Verder wisten zij van nabij, hoe deze mannen, vooral de jongeren studeerden om de scharen van hun hoorders te blijven trekken. Over hun boekerijen, oefeningen in welsprekendheid, waren zij niet uitgepraat. De een scheen al beter op de hoogte dan de ander, en met meer ernst bezield dan de anderen om de jonge man te doen inzien welk een taak hem wachtte. Hoewel anders voor geen klein gerucht vervaard, was toch die avond de jonge man meer gestemd tot aanhoren dan tot spreken, en hij was blij toen hem zijn slaapplaats werd aangewezen, waar hij de nacht juist niet in de rustigste slaap en onder de aangenaamste dromen doorbracht.

De Zondag brak aan en de negentienjarige jongeling, die met enkel verlangen aan zijn dorp terugdacht, daar het hem nu in vergelijking met Londen een Eden scheen, begaf zich in weinig opgewekte stemming als met loden schoenen naar de plaats van samenkomst in de Parkstraat. Gebogen onder een gevoel van zwakheid en van niet berekend zijn voor zijn taak, een gevoel, dat juist zo vaak aan de zegepraal van een prediker voorafgaat, vervolgde hij zijn weg, bij het bepeinzen der woorden: (Joh. 4:4) “En hij moest door Samaria gaan.”

Enkele ouden van dagen herinneren zich nog, dat hij in de kerkkamer gekomen op de stoel van Dr. Gill plaats nam en onwillekeurig, misschien werktuiglijk na zijn overpeinzing verzuchtte: “hij moest door Samaria gaan.” Al wandelende had hij het hem weinig aangenaam bezoek beschouwd enkel als een noodzakelijk deel van zijn verdere vorming.  Aan een blijvende vestiging in Londen dacht hij niet in het allerminst, gelijk hij ook in ronde woorden tot de diakenen zei: “Ik wist, dat ik voor u niet bruikbaar zou zijn, maar gij zelf hebt mij gedrongen om te komen.”

“Op die eerste Zondag in de Parkstraat,” verhaalt Dr. Wayland, “waren er misschien tachtig mensen. De diakenen hadden hun uiterste best gedaan om er nog zovelen bijeen te krijgen. Een van hen bezocht een jonge dame en zei: “Toe, kom Zondag; een jong mens van buiten zal preken en wij moeten al ons best doen dat de kerk enigszins gevuld schijnt.” De jonge dame gaf aan het dringend verzoek gehoor, zag de jeugdige buitenman en hoorde hem preken. Zelf heeft zij mij dit meegedeeld. Zij heeft hem sinds die tijd nog al eens dikwijls gezien, want twee jaren later nam zij hem tot echtgenoot, en welk een zegen zij voor hem en voor ontelbare geworden is, zal eerst de eeuwigheid openbaren.

Een van de diakenen, de heer Thomas Olney, was in strijd met Spurgeons eigen meeging, van oordeel, dat de jonge mens wel degelijk van groot nut voor de gemeente kon zijn, en om in deze niet alleen eigen inzicht te volgen, bewoog hij zijn ziekelijke vrouw hem bij de avonddienst te vergezellen. Mevrouw Olney liet zich zonder veel moeite overhalen, zelf nieuwsgierig de jonge man te horen van wie haar man haar zoveel uitnemends had verhaald.

Haar oordeel na de preek gehoord te hebben was: deze moeten wij hebben hij zal tot grote zegen worden. En wel is dit haar oordeel door de latere jaren bevestigd. Met hem is een nieuw tijdperk voor Engelands Baptisten–gemeenten aangevangen, maar meer dan dat; ook in dit opzicht is hij een zegen geworden voor het zich jaarlijks uitzettend Londen, dat de grote, door hem gemaakte opgang de ogen deed opengaan voor een algemene, dringende behoefte aan kerken voor de naar de hoofdstad toestromende duizendtallen. Niet alleen Londens Bisschop Tait riep een fonds van vier miljoen gld. voor kerkbouw in leven, maar alle gezindten bleken ontwaakt tot een nieuw besef van de eisen van de tijd, die door het toestromen tot Spurgeons prediking zo zonneklaar waren aan het licht gekomen.

De Zondag ging voorbij en Spurgeon keerde naar zijn kosthuis terug. Wat hemzelf aanging, waren nu de bordjes verhangen. Zelf zegt hij: “Ik verkeerde toen in geheel andere stemming. Ik had niet langer behoefte aan iemands medelijden. Het gesnoef en gebeuzel van de kostgangers telde ik niet meer, en voor hun wondermannen van welsprekendheid en reeksen koetsen voor de kerk, en wat zij al meer hadden opgedist, had ik geen greintje verbazing meer. De leeuw was door mij van alle kanten bekeken, en zijn majesteit scheen mij nu geen tiende zo majestueus meer, als toen ik hem alleen in de verte had horen brullen.”

De kerk in de Parkstraat telde toen minstens een paar honderd jaar en was in het bezit geweest van een reeks van bekwame voorgangers. Aan bekwaamheid hadden niet weinigen geestigheid en die eigenschappen, die een goede herder vormen, weten te paren. Door velerlei oorzaken, zeker niet het minst door de uitbreiding der stad, was in de latere jaren het gehoor in de kerk al kleiner geworden. Dit kan nauwelijks anders, waar bij het verkieselijk zijn van wat buiten af, en daar goedkoper en beter wonen, de afstanden van het enig, eigen kerkgebouw al groter worden. In dit lot moeten wel het sterkst delen die kerken in Londen, waar het Evangelie in een Buitenlandse taal verkondigd wordt. Hoe welgelegen b.v. was in vroegere dagen de Hollandse kerk in Londen. Nabij Mansion House, Beurs en Bank lag zij in het hartje der stad. Voor de ondergrondse spoorweg moesten haar armhuizen tot een half uur sporend Oostwaarts verhuizen, en verplaatsten zich gegoeden even ver naar Noorden, Westen en Zuiden. Een zelfde geschiedenis zal die der Parkstraatkerk geweest zijn. Voor deze bleef echter de kans bestaan, dat een prediker in de landstaal, met gaven als Spurgeon, niet alleen haar 1200 plaatsen weer met hoorders kon gevuld zien, maar zoals later bleek, de kerkeraad eerst tot het gebouw vergroten en later tot verhuizen te nopen.

Een zodanige was de indruk van Spurgeons eerste preken, dat de diakenen hem wisten te bewegen om nog ook de twee volgende Zondagen voorganger te zijn. Reeds op die beide dagen was vermeerderde belangstelling zo merkbaar, dat de prediker zich eindelijk liet winnen om gedurende een half jaar de proef te nemen, of hij waarlijk voor de hem aangeboden werkkring geschikt zou zijn.

Vóór hij nog Waterbeach met Londen verwisseld had, wenste hem een oud lid der gemeente toe, dat hij er niet te veel overlast mocht hebben van “het blaten der schapen.” De uitdrukking klonk hem vreemd, maar in de grote stad werd hem al spoedig duidelijk, dat de man van ervaring gedoeld had op al die onredelijke klachten en vragen, en niet minder op al de onbescheiden aanmerkingen, waaraan ieder leraar in grotere steden zo blootstaan, dat van zeker predikant verhaald wordt, dat hij altijd zijn steek afnam voor een schuurpaal der koeien in de weide, om die als collega te groeten. Is het wonder, dat iemand als Spurgeon, die in elk opzicht zoveel gaf, slechts voor te meer eisen verlangens en aanmerkingen bloot stond, en zo zich ten volle bewust werd van het redelijke van de wens, “dat hij niet te veel last mocht hebben van het geblaat der schapen.”

Dat die last voor Spurgeon binnen zekere grenzen bleef, was zeker voor een goed deel te danken aan zijn tact om met mensen om te gaan en door zijn meerderheid hun leider te worden. Ook gaf zijn altijd sprankelende humor hem een geheel eigenaardige bonhomie, zodat hij met een even vriendelijk als snedig woord wonderen verrichtte, waar anderen zich ten einde raad en door het kwellendst ver–driet bezwaard gevoelden.  Nog was daarvoor een andere sleutel en wij hebben die in het schone woord van iemand, die veel aan hem te danken had: “Het is niet alleen door zijn talent en geestigheid dat ik gevoel, dat hij zo grote macht over mij heeft, het is het allermeest door zijn oprechte goedheid en goedhartigheid.” Aan dit woord sluit zich een opmerkelijk zeggen aan, van iemand, die in Londen gekomen, zowel de beroemden Dr. Parker van de City Temple als Spurgeon had gehoord. Toen ik de kerk van de eerste had bezocht, was ik geheel doordrongen van het besef, dat ik naar een groot man had geluisterd. In Spurgeons tabernakel vergat ik langzamerhand de spreker door het onweerstaanbaar en eigenlijk alleen gevoelen, dat hij een grote Zaligmaker verkondigde. Omdat hij nooit aan zichzelf heeft gedacht, terwijl hij zo waarlijk zichzelf Zijn geestes en Zijn lichaamskracht, zijn talenten en geld gaf, is Charles Haddon Spurgeon bij een getrouwe prediking van een rijk evangelie, hoe langer hoe meer een voorwerp van de innigste liefde en onbegrensde hoogachting geworden.

De Vuurdoop.

Het volkskarakter, zoals het zich in het volksleven, vooral in Engelands godsdienstig volksleven openbaart, heeft iets geheel eigenaardigs. Wel mag gezegd worden, dat wat ik bedoel een weerga vindt in onze tachtigjarige strijd tegen Spanje, en die van Frankrijks Hugenoten tegen Lodewijk XIV en XV, maar toch heeft het iets eigens, iets niet beperkt tot verzet tegen dwingelandij zoals onder Karel I en Jacobus II. Wij vinden in Engeland en bijgevolg in Amerika een meer bestendig en niet zelden aller heftigst strijden van de kinderen des lichts tegen de machten der duisternis; machten, die in landen, waar vrijheid toegang kreeg, met de voorrechten, welke deze schenkt, weten te woekeren. Van welk toneel van strijd tegen en voor de waarheid en het leven naar de eisen van Gods Woord waren de dagen van Wesley en Whitefield getuigen. Hoe vaak hebben zij en hun navolgers het Evangelie gepredikt, terwijl bloed en slijk hun van het gelaat droop, maar juist daardoor was het, dat duizenden hun trouw eerden en naar hun spreken luisterden. Hoe geheel eigenaardig is het volgende voorval uit het leven van de beroemden prediker Rowland Hill, die, om zijn niet blind gehoorzamen door de Bisschoppelijke hiërarchie uitgestoten, in Londens armste buurten de Surreykapel stichtte, welke een eerste gedenkteken van de macht der inwendige zending werd.

Rowland Hill was een zoon van adellijke huize en als tweede zoon voor de Bisschoppelijke kerkdienst bestemd. Dezelfde geest, die in Wesley ontwaakt was, en deze zeggen deed: “de wereld is mijn parochie”, leefde ook in hem en deed hem overal buiten zijn parochie en vooral voor de verwaarloosde mijnwerkers prediken. Zijn vader was hierover niet minder verstoord dan zijn Bisschop en zond zijn oudere broeder om de ongehoorzame goed of kwaadschiks uit het midden der kolenwerkers mede te brengen. Richard vond zijn broeder in de open lucht het Evangelie van het kruis aan misschien 20.000 kolenwerkers prekend. Hij zag hoe het zwart gelaat van tal dier mannen doorploegd was van witte strepen door de tranen, die langs hun wangen vloeiden.

Rowland had dit opgemerkt en met welgevallen gezien. Hij begreep het doel van zijns broeders komst; en hoe wist hij dit met edele waardigheid te verijdelen? Aan het einde van zijn preek zei hij: “Mijn vrienden, ik zie mijn broeder Richard in uw midden en dat hij ten diepste getroffen is door uw noden en belangstelling in Gods Woord. Morgen zal hij van deze zelfde plaats u toespreken.” En werkelijk, Rowland had gezegevierd. Zijn broeder, het aanstaand hoofd van zijn adellijk geslacht, preekte de volgende dag voor de verachte kolenwerkers en bleef van die dag de steun van zijn edele broeders.

Nauwelijks minder merkwaardig zijn in de eerste jaren na 1832 de worstelingen tussen Joseph Livesey’s navolgers, de geheelonthouders en de machten van de drankhandel, deze laatsten zo krachtig door de regering en de Bisschoppelijke kerkprelaten gesteund. Waren zij in de ogen van deze een der ergste soorten van ketters, de regering zag in hen het slechtste soort chartisten; en de politie wist, dat van hen geen bescherming der oproermakers verlangd werd, waar de drankverkopers en hun satellieten hen ten bloede toe vervolgden. Zo werden op hun zendingstochten de predikers van bier en drankonthouding geslagen en gestenigd, onder water gestopt, in de kerken met Bijbels en gezangboeken geworpen, en bezweek meer dan een onder de toegebrachte slagen.

Toch wist niet één van wijken, en ook niet lang duurde het, of leraren als John Angel James en Dr. Thomas Guthrie stelden zich aan de spits der gehaten en vervolgden. Niet anders was het in Amerika na de oorlog tussen de Noordelijke en Zuidelijke Staten. 1864 was het jaar der vrijverklaring van alle slaven door Abraham Lincoln, maar zulk een verslaving aan wijn en bier en drankgebruik bleek weldra de vrucht van het verblijf in legerkampen en op slagvelden, dat een enkel woord door de predikant Dio Lewis op de kerstdag 1873 gesproken, voldoende was om een kruistocht der vrouwen tegen de drankhandel uit te lokken. Uren in de omtrek bande deze allen drankverkoop, maar werd weldra door de sterke arm der regering gestuit. Vrouwen van alle rang en stand togen uit, baden en zongen in sneeuw en slijk geknield en wisten van geen deinzen voor schelden of het werpen met slijk en stenen. Herhaaldelijk werden honden op haar aangehitst, maar deze toonden een betere zin en meer eerbied dan de mensen voor het heilige, want stil namen zij plaats naast de biddenden. Eens zelfs gebeurde het dat een grote en geweldige hond bij het bidden van een oude dame haar de wangen likte, als om de weerloze van zijn bescherming te verzekeren.

Onder de ter kruisvaart getogen vrouwen was niet een, die niet Zondagsschool onderwijzeres was. Waar is onder Nederlands zondagsschool onderwijzers en onderwijzeressen bijna een, die de meest juist voor de kinderen gestreden onthoudersstrijd een warm, helaas, zelfs een goed hart toedraagt! Het jaarlijkse Zondagsschool feest te Chatauqua verenigde dan daar ook als van zelf de keur der kruisvaartsvrouwen; en het vrouwenverbond werd geboren, dat nu een 200.000 leden telt, die haar, wat ook ons ideaal is, de onthouding tot middel en kernpunt van alle Christelijke liefdearbeid hebben doen stellen.

Dit opgewekte, zich krachtig uitende in het godsdienstig volksleven, dat ook de Bijbel in bijna 300 talen deed uitgeven en het traktaatgenootschap in 179 talen aan die Bijbel christelijke geschriften doet verbinden, mocht wel reeds vooruit doen veronderstellen, dat een nauwelijks twintigjarige jongeling met gaven, karakter en moedige preektrant als Charles Haddon Spurgeon niet zonder het wekken van grote bijval, maar niet minder met het doen ontwaken van heftige tegenstand zou kunnen werkzaam zijn.

Zo ook gebeurde het; en bijval en tegenstand beiden droegen het hunne bij om de jongeling, die geheel zichzelf gevormd had, een wereldinvloed te schenken.

In het bijzijn van de jonge Spurgeon werd eens het woord aangehaald, door een geestig schrijver tot zijn zoon gesproken: “Mijn jongen wees een blinkende pook.” Een der aanwezigen verbeterde dit zeggen en sprak tot hem: “Neen, mijn jongen, word geen rector maar blijf hulpprediker. De blinkende pook schittert werkeloos op het haardstel, terwijl men zijn zwarte broeder al het werk alleen laat doen.” Spurgeon heeft levenslang die raad gevolgd, tot kort na het corrigeren van zijn laatste preekproef, zijn hand machteloos neerzonk, en de mond, die zovele goede woorden gesproken had, voor altijd door de doodsengel werd gesloten.

George Moore, de ook in ons land welbekende rijke, mede een tot zijn dood in liefdearbeid werkzame filantroop, schreef in die dagen: “Ryle (nu door vroegere invloed van Lord Shaftesbury, Bisschop van Liverpool) en Spurgeon slagen op het uitnemendst. Waarlijk, Spurgeon mag zich verblijden met een welslagen bij allen, die het evangelie liefhebben. Henry Chester is enkel opgetogenheid te zijnen aanzien; beide mannen hebben reeds menig punt ontdekt, waarin zij volkomen overeenstemmen. Er bestaat geen edeler vooruitgang dan waar mannen van verschillend inzicht weten samen te gaan en tot onderlinge waardering te komen. Spurgeon is een merkwaardig verschijnsel. Welk een geheugen, hoe goed is hij altijd gehumeurd en vol geest; en dan welk een reus in het verrichten van werk.”

Mevrouw Moore schreef aan een vriendin: “De heer Spurgeon heeft aan George de grootste belangstelling ingeboezemd. Zijn geestvol gesprek en rijke humor hebben hem bijzonder aangetrokken. Op zekere dag zei de heer Spurgeon bij het zien van de invloed, die George op zijn pachters heeft: “Gij zijt een Koningin, want uw echtgenoot is Koning van Cumberland.”  “O neen,” riep ik uit, “dat is hij niet.” “Juist,” was zijn dadelijk antwoord: “Hij is Mo(o)re.” (Hij is meer.)

In de door Smiles uitgegeven levensbeschrijving van George Moore vinden wij ook nog een bezoek van deze met enige vrienden bij Spurgeon vermeld, en hoe opgetogen hij en zijn mede bezoekers waren over ‘s mans grote gaven. Moore merkte bij die gelegenheid op, dat iemand als de jonge leraar, die bij voorkeur punten van overeenstemming boven die van verschil opzoekt, en bij een reusachtig drijven van arbeid tevens overal zonneschijn brengt door zijn opgewektheid en zijn opgeruimdheid, wel reeds buiten de overige gaven van zijn genie een populair man worden en blijven moest.

Toen de jeugdige Charles aan de roepstem om naar Londen te gaan had gehoor gegeven, ontbrak het naar een overal gebruikelijke maatschappelijke gewoonte niet aan vrienden, die zijn vader kwamen vertroosten met klagende voorspellingen over zijn zeker falen. Dat er voor zijn vader voldoende redenen tot vrees waren, valt niet te ontkennen; maar de vrienden schenen beducht, dat hij ze niet duidelijk genoeg zien en niet pijnlijk genoeg gevoelen zou, daarom volgden zij het voorbeeld van al Jobs vrienden door ze nog wat op te scherpen. Spurgeon was bij zijn verlaten van Waterbeach nauwelijks de knapen schoenen ontwassen, een in de wereldstad geheel onbekende, zonder enig vermogen of machtige vrienden, en boven dit alles voorganger bij een der kleinste en minst in tel en achting zijnde kerkelijke gemeente groepen. Naar gewone berekening miste hij dus alle kans om buiten de enge kring van zijn eigen gemeente aandacht te trekken. Zij, die het hun roeping achtten om de vader op de eerlang te blijken mislukking voor te bereiden, hadden niet het allerminste begrip van de machtige vermogens, welke achter dat baardeloos gezicht verscholen lagen; en anderen, die er een meer of minder helder vermoeden van hadden, werden door naijver gekweld, en deze deed hen hopen, dat het einde aan hun zwartgallige voorspellingen zou beantwoorden.

“Hoe groot zou zijn val geweest zijn, als hij eens niet geslaagd ware,” zei later iemand, en dit met het oog op de onverschrokken kloekheid en de vrijheid in zijn doen en zich uiten, waardoor Spurgeon zijn deftige en voorzichtige ambtsbroeders onder de dissenters schrik inboezemde. Hij verstoutte zich om in zijn kleding, daden en spreken op te treden als een, die niet weet wat vrees voor mensen en hun oordeel is, en als kon een jongeling zonder baard reeds profeet zijn. Wie bovendien had ooit een groot en machtig prediker gehoord, die niet een zegelbrief van meer dan één collegebestuur had; van mannen, die zelf niets van preken verstonden, en daarom juist nauwkeurig wisten te bepalen, wat tot goed prediken behoort. Hij kon geen profeet zijn; en al de verwaande Droogstoppels waren het daarover eens, dat hij schande zou brengen over de hele kring van dissenters.

Als afleider voor zo bedroevende uitkomst vingen zij aan met eerst niets van hem te willen weten, hem belachelijk te maken, zich te verbazen over zo zonderlinge vermetelheid en aanmatiging, en eindigden zij met hun zelf gezochte schande door stilzwijgen te dekken. De enige, die moed had zich in anderen geest uit te laten, was de oude, de strijd nooit moede John Campbell, predikant in de Tabernakel op Tottenham court road, die door eigen excentriciteit uit verwantschap spoedig te onderscheiden wist, wat er werkelijk in het jonge mens zat. Men placht in deze tijd te zeggen, dat Londens Noncorformisten in twee delen verdeeld waren, waarvan het een van heler harte in Dr. Campbell geloofde en het andere van hem niet weten wilde. Welke gebreken de man ook had, en deze waren zeker niet weinige, de oude kampvechter had boven anderen doorzicht genoeg om genie en genade te onderkennen, waar hij die aantrof; en daarom sprak hij vrijelijk uit, hoeveel in zijn oog de verschijning van Spurgeon in Londen te betekenen had.

Zo lieten zij, die zich helpers en broeders hadden moeten tonen, uit zelfzuchtige mensenvrees, Spurgeon aan zich zelf over. In hem bleek echter luttel behoefte om over die onbroederlijkheid beklaagt te worden, en van vrees voor zijn verlaten standpunt gaf hij ook al niet veel blijk. Wetende in Wie hij geloofde en welk een evangelie hij oprecht, in eenvoud en in volheid predikte, zouden wij bijna durven zeggen, dat het hem dus beschikte deel hem eer aangenaam dan onaangenaam was.

Dr. Campbell was niet de enige, die zich openlijk voor de jongen Spurgeon verklaarde, evenzo deed dit de overste rechtspersoon in Engeland, Lord Campbell, die al spoedig na het optreden van de kloeke prediker tot Sir Richard Maine, het hoofd van Londens politie zei: Die jonge man doet veel goed, zeer veel goed.” Justitie en politie hebben op dit gebied dikwijls een veel juister blik dan de arbeidende zelf. Nog zeer goed weet ik, dat niet langer dan drie jaren, nadat wij onze arbeid in het Koning–Willemshuis begonnen waren, ik naar de jaarvergadering te Zetten gaande, in de spoortrein de kantonrechter uit onze buurt, de heer J. de Vries ontmoette. Hij was mij toen een onbekende, en geheel uit eigen beweging zei hij tot mij: “Ik kan bemerken, dat gij een goed werk doet, ik heb niet de helft van de moeite met die buurt.” Het was mij een riem onder het hart daar wij zelf nog zo weinig van de gewenste invloed bespeurden; al hadden wij ook reeds herhaaldelijk op de proef gezien, dat het voorbeeld van geheelonthouding een van God gezegend middel is tot redding van dronkaards en het terugbrengen van vrede en welvaart in hun woningen. Ook duurde het niet vele jaren, of Spurgeon, evenals de bijna gelijk met hem overleden Kardinaal Manning, zag in, dat de Christen–geheelonthouding een der onontbeerlijkste grondslagen voor een vruchtbare gemeente arbeid is. Zijn beide zonen waren de eerste leden der in zijn gemeente gestichte Band of Hope.  Toen ontstond zijn studentenvereniging, waarvan hij jaren hoofd en voorganger was, en eindelijk ontwikkelde zich uit een krachtig gemeenteleven in de Tabernakel een machtige en invloedrijke gemeentevereniging.

Uit de allereersten tijd van zijn verblijf in Londen verhaalt Spurgeon het navolgende:

In het jaar 1854, toen ik nog ternauwernood een vol jaar in Londen geweest was, brak in de buurt, waar ik leefde en werkzaam was, de Aziatische cholera uit en velen uit mijn gemeente werden er door aangetast. Menig gezin riep mijn hulp bij de lijders in en nauwelijks ging een dag voorbij, waarin ik niet aan een begrafenis had deel te nemen.  Met jeugdige ijver volbracht ik mijn ziekenbezoek, zodat men van alle zijden tot mij kwam en ik in ons district mensen van allerlei rang en stand en godsdienst belijdenis te bezoeken had. Langzamerhand begon mijn lichaam de afmatting en mijn hart verslagenheid te gevoelen. Mijn vrienden schenen een voor een aan mijn zijde te worden weggerukt en mij zelf overviel een gevoel van ziek zijn. Een weinig meer werk en droefheid zou mij gewis op het ziekbed geworpen hebben. De last begon zwaarder te worden dan ik dragen kon, en ik stond op het punt er onder neer te zinken. Eens toen ik zeer bedroefd van een begrafenis terugkeerde, beschikte het God, dat mijn aandacht getrokken werd door een stuk papier voor het raam van een schoenmaker in Doverstreet en nieuwsgierigheid mij dreef het schrift te lezen.

Wellicht was dit de oorzaak van mijn belangstelling, dat het kennelijk geen handels annonce was, en toen ik naderbij gekomen was las ik het met grote duidelijke letters in een goed handschrift geschrevene: “Omdat gij de Allerhoogste hebt gesteld tot uw vertrek, zal u geen kwaad wedervaren en zal geen plaag uw tent naderen.” (Ps. 91:6,10) De uitwerking van deze woorden op mijn hart was een onmiddellijke. Het geloof deed mij terstond op dat woord als voor mij geschreven beslag leggen. Ik gevoelde mij opeens veilig, verkwikt en met onsterfelijkheid aangegord.  Met kalme geest en met vrede vervuld zette ik mijn bezoeken bij stervenden voort. Ik kende geen zweem van vrees meer en leed niet het minste letsel. Gods voorzienigheid in het besturen van die winkelier om dat goede woord voor zijn raam te zetten werd door mij dankbaar erkend, en zo dikwijls die ontmoeting mij in het geheugen komt, stemt zij mij tot aanbidding van Gods liefde.”

Waard om herdacht te worden zijn een paar gebeurtenissen uit dit tijdperk, die hij met een spotachtig glinsteren van zijn ogen vertellen kon.

Bij herhaling had hij er op aangedrongen, dat voor meer luchtverversing in het nu steeds stopvolle bedehuis zou gezorgd worden, maar gelijk het meer gaat, daar de diakenen er minder door leden dan de man die spreken moest, werd verbetering op de lange baan geschoven.

“Op zekeren morgen, vertelde Spurgeon, “bleek het, dat een reeks ruiten aan een zijde van de kerk met kennelijk opzet verbrijzeld waren.  Het was duidelijk te zien, dat iemand langs die zijde gegaan was en met zeker overleg het glas met een stok had verbrijzeld. Ik stelde aan de diakenen voor een advertentie te plaatsen en vijf pond (60 gld.) uit te loven voor wie de dader wist aan te wijzen. Zij hadden er geen oren naar om op dit voorstel in te gaan, en antwoordden allen met een betekenis vol hoofdschuddend. Het was blijkbaar, dat zij ten volle zeker waren wie de schuldige was; en zij hadden dit niet mis, want ik zelf had het feit bedreven om niet langer in geheel bedorven lucht en de daardoor veroorzaakte hitte en benauwdheid te moeten prediken.”

Het andere voorval was van deze aard. “Elke Zondag kwam een man in onze kerk, die onder iedere preek zich in zijn tranen scheen te baden. Op zekere dag kwam hij bij mij met een grote lap katoen in de hand. “Zie eens hier,” sprak hij op verontwaardigde toon; “dit hebben zij mij thuis gezonden en met een grote ui er in.”

Ik bezag het stuk doek en dat er een papier aan bevestigd was “om te gebruiken als uw leraar preekt.” “Wat er mee te doen?” vroeg hij. “Wat er mee te doen,” hernam ik; “wel kook de ui voor avondeten.”

De mens zag mij met zo vreemde blik aan, dat hij lust scheen te hebben om te zeggen: “Gij hebt het mij thuis gezonden. Wel,” ging de verhaler voort, als het lachen om de grap wat bedaard was, “ook hij had het niet mis, want ik wist dat hij een onverbeterlijke bedrieger en schijnheilige was. Ook duurde het niet lang, of zijn daden maakten de betekenis in waarde van zijn aanstellerij openbaar en wij werden van zijn kerkbezoek en wenen ontslagen.”

In het jaar 1855 maakte Spurgeon een uitstapje naar Schotland, dat hem, evenals aan Dr. Guthrie in Ierland, ten volle de betekenis en waarde der geheelonthouding had kunnen doen inzien. Op de 20ste Juli 1855 verscheen van hem een brief in de bladen, aan hoe groot levensgevaar hij en anderen moedwillig waren blootgesteld geweest. Het later door hemzelf zo herhaald en krachtig aanbevolen middel om in het maatschappelijk leven door hervorming der drinkgewoonten dit soort misdrijven te voorkomen, was toen echter nog niet als wenselijk en nodig door hem ingezien.

Van een bezoek in de Hooglanden terugkerend, wenste hij aan het Govanveer van de stoomboot te worden afgezet. Een roeiboot kwam langs de stoomboot en nauwelijks was het kleine vaartuig een weinig van de boot af, of de predikant deed de ontdekking dat de roeiers stevig beschonken waren. In brooddronkenheid wilden zij de roekeloze poging wagen om in het vaarwater der stoomboot voor haar heen te roeien, wat zeker hun dood zou zijn geweest en die van de passagiers, die zij aan wal zouden zetten. Met veel moeite dwongen de reizigers hen een andere koers te nemen. In plaats van naar hun plicht de opgenomen passagiers aan wal te brengen, lieten zij deze op het water wachten, ten einde gemakshalve ook die van een tweede stoomboot op te nemen. Hierdoor werd de boot zo volgepropt, dat niemand zich roeren of bewegen kon. Een van de heren zat tot de knieën in het water, en het was alleen aan Gods bewarende hoede te danken, dat het vaartuig niet zonk en zij eindelijk met de grootste moeite behouden aan land kwamen. Van hoeveel zegenrijke arbeid had die hoeveelheid whisky Londen en de wereld kunnen beroven!

In die dagen woonde de heer Keys, die Spurgeon later en tot zijn dood als secretaris diende, te Tring en hield daar een school. Zijn vader uit Londen bracht hem een bezoek en tesamen bezochten zij de Baptisten leraar der plaats. Terwijl zij met elkaar in gesprek waren, kwam een bode in de kamer met de mededeling, dat een beroemd leraar uit Londen in Tring was, en bereid was om voor de gemeente aldaar te preken, wanneer hem dit verzocht werd.

“Weet gij iets van hem?” vroeg de predikant.

“Zeker, hij is rechtzinnig” zei de oude heer Keys en dat was voldoende om de begeerde vergunning te geven.

Toen vader en zoon het huis van de leraar verlaten hadden, zei de oude heer: “De kleding van uw predikant is vreselijk oud en kaal, gij mocht hem waarlijk wel eens een nieuw pak geven.”

Het antwoord was: “Zijn bezoldiging is zeer klein, maar wij kunnen onmogelijk meer doen, de mensen zijn hier zo arm.”

Wel, het is nu juist de goede tijd om iets extra’s te doen. Er zullen veel vreemden, al was het enkel uit nieuwsgierigheid komen, zodat een collecte voor dit doel zeker wel wat geven zou.”

Dit gesprek had in de namiddag plaats, en nadat de heer Keys zijn vader had thuis gebracht, ging hij bij buren en bekenden om hun mede te delen, dat een beroemd predikant uit Londen die avond in de Baptistenkapel preken zou.

Toen hij eindelijk zelf de kerk bereikte, was de dienst reeds begonnen en nu, hoewel erg zenuwachtig, beklom de heer Keys de preekstoel en vond daar de predikant Spurgeon, die aandachtig in de Bijbel las.

“Ik zou u willen verzoeken een extra collecte voor onze leraar,” zei de heer Keys, “onze predikant heeft zo dringend een nieuw pak kleren nodig.”

“Mij is reeds gevraagd om een collecte houden voor de schuld, die op de kerk rust.”

“O die schuld is van geen betekenis, en kan best wachten. Maar zie die arme man eens aan, dat is nog wel zijn beste pak.”

“Laat het maar aan mij over,” hernam Spurgeon. “Gij belooft het dus?” “Het gezang is bijna uit en ik moet nog bepalen, wat ik vooraf zal voorlezen.” Maar och beloof het stellig. “Ik zal zien;” en in dit onbepaalde moetende berusten, ging hij de heer Keys naar zijn plaats en was weldra geheel oor voor de prediker.

Noot: Welk een treurige toestand. Ook daarin heeft Spurgeon hervorming weten te brengen. Zelf had hij te Waterbeach nog geen 240 gld., een vrije algemene bezoldiging in de Baptisten gemeenten in die dagen.  Zeker, de evangeliedienaar en zendeling moeten als de Apostel weten, “honger te lijden en gebrek te hebben,” (Fil. 4:12) maar dat in een gevestigde gemeente vreemden moeten gebeden worden om hun eigen leraar in een nieuw pak te steken, bewijst wel, dat het laatst aan diens behoeften gedacht wordt. Bestaat de kerk in onze maatschappij nog uit sleur kwijnende voort, of leeft zij, werkzaam door liefde en geestdrift?

“Ik heb nooit zulke preken gehoord,” zei hij na afloop tot zijn vader. “Het was mij als de openbaring van iets geheel nieuws. Nooit heb ik zondaars met zulk een aandrang horen bidden om tot Christus te komen en zich met God te laten verzoenen. Wat ik zelf innerlijk ondervond, weet ik niet uit te spreken. Het was mij alles een wonder.”

Toen de preek geëindigd was, zei de prediker: “Er zal heden avond een collecte gehouden worden. Eerst meende ik, dat het ten bate van afdoening van een nog op de kerk drukkende schuld zou zijn, maar, neen, het zal voor de leraar wezen. Er zijn zeer veel vreemden tegenwoordig, die hem kennen en hoogachten, en blij zullen zijn dat er nu een gelegenheid is hem dat te tonen. Allen weten, dat hij de Meester als een trouw dienstknecht heeft gediend, en mijn wens is, dat hem een nieuwe livrei ten deel valle.”

Er waren weinigen in de kerk wier beurs ruim voorzien was, maar verscheidenen beloofden een extra gift. Spurgeon zelf stak de hand in zijn zak en lei een handvol zilvergeld op de collecteschaal. Zijn vriend Olney, die hem vergezelde, schonk ook een ruime gift, zodat, als bedrag der collecte de prediker, van die avond de som van ruim 45 gld. op het Schutblad van een Latijns Nieuw Testament van Beza kon optekenen, een boekje, dat door de heer Keys nog altijd als aandenken aan het voorval bewaard wordt.

De armelijk bezoldigde leraar had de Heere zo vurig om een nieuw kleed gebeden, en nu werd op geheel onverwachte wijze in zijn nood voorzien.

Door de heer Keys is ook nog de volgende bijzonderheid in het geheugen gebleven.

Niet lang na deze tijd bracht Spurgeon weer een bezoek aan het plaatsje.  Hij was daar nu een beroemd man geworden en een grote menigte had zich verzameld om hem terstond bij zijn aankomst welkom te heten. De heer Keys stond in de buitenste rijen en naast hem een met hem bevriende dame.

Ik zou zo gaarne de heer Spurgeon de hand drukken,” zei de dame, een Miss W. Hij kent mij,” hernam Keys.

Spurgeon baande zich een weg door de menigte en de heer Keys ziende, trad hij op deze toe, die tot hem zei: “Deze jonge dame wenste u te groeten…”

“Wel, hoe maakt gij het Miss G…?” vroeg terstond Spurgeon. “Het is Miss W…,” viel Keys hem in de rede. “Hoe, maar ik heb u toch enige maanden geleden in Cambridge ontmoet?” Het bleek toen, dat zij daar voor enige dagen bij haar oom G. gelogeerd had, waar de predikant haar enkele ogenblikken had gezien. Dit is slechts één der vele bewijzen van zijn sterk geheugen in het bewaren van zaken, en van personen, die hij in zo grote getale ontmoette.

De rusteloze aanvallen van zijn tegenstanders, de vijandelijke gezindheid van bijna geheel de pers en de te vuriger toewijding van zijn vrienden droegen er verenigd toe bij om de naam en roem van de prediker door geheel het land bekend te doen worden, zodat, waar hij ook kwam, de mensen in dichte scharen samenstroomden om hem te horen.

In zijn eigen kerkgebouw groeide de schaar van week tot week, zodat hoe ruim het gebouw ook was, het weldra veel te klein bleek voor de toenemende belangstellenden.

“”Door het geloof zijn Jericho’s muren gevallen, en door het geloof zal ook deze muur vallen,” zei eens Spurgeon, terwijl hij op de muur achter de preekstoel wees. “Breng dat voorstel nooit weer ter tafel,” zei een der aan sleur en slendriaan hangende diakenen, die de moed miste om van de Heere grote dingen te verwachten.

“Ik zal het voorstel doen, totdat het werk is uitgevoerd,” hernam de prediker, die beter besefte wat weldra noodzakelijk zou blijken.

Niet lange tijd na dit gesprek viel de muur, en terwijl de bouwlieden de kerk verruimden, vond Spurgeon gelegenheid om de grote zaal in Exeter Hall als kerk te kunnen gebruiken. Van de 11de Februari tot de 27ste Mei was week aan week die ruime spreekzaal tot de muren vol om de jonge prediker te horen en dit met de gezegendste uitkomsten; want geen Zondag ging voorbij, die niet zorgelozen tot nadenken en zondaars tot een oprechte bekering bracht. Londens West–End met zijn paleizen werd aangegrepen door des predikers kloekmoedige taal en scharen vloeiden uit die hoog aanzienlijke buurten toe om te luisteren naar het woord van de even onaanzienlijke als jeugdige man. Een tweede pinksterdag scheen gedaagd en al de kerkelijke gemeenten ondervonden op zeer merkbare wijze een opleving van godsdienstig leven, stoutmoedigheid in het verkondigen der waarheid naar de behoeften van het geweten was en is steeds het beste middel tot welslagen in de verkondiging van het evangelie gebleken; en het geloof van de man, die rond en open voor zijn geloofsovertuiging durft uitkomen, heeft steeds meer macht uitgeoefend en is aantrekkelijker gebleken dan zijn schat van wetenschappelijke kennis.

Al had Spurgeon niets meer uitgewerkt dan een tot bedaren brengen van de vrees, die in het hart veler te recht bekommerden heerste, dat Londen op weg was de grote, godsdienstloze grote steden van Europa’s vasteland gelijk te worden, en deze achter zich te laten door gebrek aan godsdienst en overdaad van werelds, godsdienstloos leven, hij zou daar niet tevergeefs geleefd en gearbeid hebben. Hij bracht de duizenden aan het licht, die nog hun knieën niet voor de Baal van wereldse voorspoed gebogen hadden, en die moed kregen, nu een zo machtige mond tegenover een dodelijke stilstand en al meer merkbare achteruitgaan in godsdienstig gemeenteleven een: “Sluit de gelederen,” en een “moedig voorwaarts” uitsprak, met een krachtig dringend: “Vooruit, stilstand is ondergang en dood!”

Dit welslagen tegenover de machten van wereldzin en zonde kon wel niet anders dan in het veelzijdigst karakter vijandschap en verguizing van de krijgshaftige held uitlokken. Geen grofheid of laagheid werd hem dan ook bespaard, maar ze waren niet meer dan een wetsteen, die zijn zwaard te scherper snede gaf en velen zich te beslister om hem heen deed scharen om met mond en daad hun belangstelling in het woord van het kruis, het evangelie van Gods vrije genade, te tonen. De tastbaarste leugens en lastertaal werden met volle handen verspreid, bijna bezworen, en waar men ze gretig indronk, als zekere waarheid geloofd.  Een geestelijke van de Staatskerk had de boosaardige en drieste moed om te verzekeren, dat hij zelf Spurgeon in het midden van zijn preek tot een vrouwtje uit zijn gehoor had horen zeggen: “Moedertje, wat geeft gij tegenwoordig voor een pond lamsvlees?” “Veertien stuivers,” zou het antwoord ge weest zijn. “Gij kunt het gehele Lam Gods voor niet krijgen.” Toen verscheidenen zeiden: “Spurgeon kan zo profane taal niet gebezigd hebben,” herhaalde de leraar zijn leugen: “Ik heb het zelf hem horen zeggen.”

Hoe leugenachtig dit verhaal ook was, het viel niet zo gemakkelijk te weerleggen als een ander, dat algemeen de rondte deed en gretig werd rondgebazuind: dat Spurgeon zich onder het preken van de trappen van zijn preekstoel had laten glijden om het ter helle varen van een onbekeerde zondaar voor te stellen. Nu wist de bedenker van het vertelsel niet, dat aan de preekstoel der kerk in de Parkstraat geen trappen waren, maar dat hij door een deur met de kerkkamer gemeenschap had, zodat de prediker uit deze rechtstreeks op de stoel trad. Heeft de verhaler geweten, dat de preekstoel gelijk in meer andere kerken als een zwaluwnest aan de muur bevestigd was, dan was zijn leugen te boosaardiger, en werkelijk scheen aan velen geen verzinsel te laag, wanneer het maar beloofde de goede naam van de gevierde jonge man te zullen schaden. Het is wonderlijk, hoeveel mensen willige dienaars van de vader der leugens zijn en zijn werk bevorderen, wanneer zij door deze vorm van der Joden: “kruis hem! kruis hem!” het Woord Gods in zijn voortgang hopen te zullen stuiten. Ook doet dit de goede zaak geen schade. Daarom reeds zei Hij, die de gemeente te Laodicea toesprak als: “De Amen, de trouwe en waarachtige Getuige: “och, of gij koud waart of heet!” Het wezenlijke kwaad schuilt bij de lauwen en vreesachtigen, die wel geen vijanden maar door hun zelfzucht ook geen vrienden zijn. Door hun de leugen niet durven weerspreken, door het met bedenkelijk gezicht vragend het boze nieuwtje in eigen kring te herhalen en al de verdere openbaringen van lichtgelovigheid en mensenvrees, ondermijnen zij nog meer dan personen van onverholen boosheid de grond, die de belasterde draagt.

Soms waren de verhalen door misverstand ook van komische aard, en wellicht door vrienden in de wereld gebracht om door een karikatuur der leugens de leugenaars te beschamen. Zo gebeurde het, dat de predikant Jabez Bunting en Dr. Guthrie van Edinburg in een gezelschap waren, waar ook een der leerlingen van Spurgeons college aanwezig was. “Het wordt al erger,” verzuchtte de predikant Bunting; “ten minste als het waar is, wat ik voor zeker heb horen vertellen, dat Spurgeon op Palmzondag met een kroon op zijn hoofd en een palm in zijn hand gepreekt heeft.”

Zeker,” hernam de student van het college, “dat is de letterlijke waarheid.” “Dan is het iets zeer ergerlijks,” merkte Dr. Guthrie op. Maar uw vriend Punchon heeft precies hetzelfde gedaan en op die dag met een kroon op zijn hoofd en een palm in zijn hand gesproken.” Dat is een leugen,” zei de heer Bunting met nadruk, maar Spurgeons vriend maakte het nog erger door te zeggen: “Dr. Guthrie zelf heeft het ook gedaan.” Ik ben Dr. Guthrie,” sprak nu deze, menende, dat de Londenaar hem niet kende. “Gij kunt uit mijn naam aan iedereen zeggen, dat het een leugen is.” Maar hoe dwaas zou ge er wel uitzien, als gij bij het preken geen kroon (Hollands kruin) op uw hoofd en geen palm in uw hand had?”

Een algemeen gelach van allen, die in de val gelopen waren, bekroonde het gesprek. Aan deze verzinsels, die in woord en druk de rondte deden, werden allerlei spotprenten gepaard, sommige laag en bitter, maar enkele ook zo, dat de voorstelling voor scherts kan doorgaan en een lach uitlokken zonder een pijnlijk gevoel te wekken.

Tot de laatste behoorde een plaat met het bijschrift: “Vang ze levend!” De jonge prediker is voorgesteld als een verkoper van vliegenpapier, en zijn hoofd is met een dezer bladen omwonden. Een menigte vliegen zijn reeds door dat stuk papier van hun vrijheid beroofd en een gehele zwerm is in aantocht. Een andere tekening bevat een tegenstelling, die het twijffelachtig maakt, of een lofrede dan een bespotting van tweeërlei uiterste bedoeld is. Het onderschrift luidt: “Zwavel en stroop.” Het ene beeld stelt de jonge Spurgeon voor in het volste vuur van de hartstocht; het andere de heer Bellew, een prediker bekend door zijn sentimenteel uiterlijk, en overzoetsappige wijze van voordragen, wat in zijn kwijnende houding en droefgeestig voorkomen sprekend is uitgedrukt.

Onder deze karikaturen is er een met het onderschrift: “De Spurgeon–Save all; (letterlijk “alles behouder” maar in het Engels aanduidende het reeds ouderwets geworden huismeubel, dat bij ons de naam van profijtje draagt.) In het midden van die plaat staat een kaars op een kandelaar, waarnaast een profijtje ligt met het bijschrift: “Spurgeons profijtje ten bate van de restjes van zondaarslevens.” Verder geeft de plaatje een profijtje te zien, waar van niets meer over is dan de nog rokende pit, die de nodige walm geeft. Bijschrift: “De walm van een uitgedoofd leven.” Nog is afgebeeld een kaars als beeld van eens zondaars leven. Het dichtst bij de vlam is een tekening voorstellende een knaap, die reeds als zakkenroller dienst doet. Daaronder een jongen en een meisje, die in alles kennelijk reeds de nodige vorderingen op de weg van ongebondenheid en misdaad hebben gemaakt.

Lager ziet men een man, die een koffer steelt. Verder een boef; die jonge misdadigers drilt, en eindelijk een afgeleefde booswicht; bij deze kaars ligt Spurgeons profijtje of albehouder. Onder de gehele plaat is met flinke letters te lezen: “De Spurgeons albehouder tot opbranden van het leven van goddeloze zondaars.” Van zondaars sprekende, had Spurgeon in een van zijn leerredenen gezegd: “Gods genade zou nog allen hen op een albehouder willen plaatsen, want Zijn goedheid dringt Hem de kleinste eindjes kaars niet te versmaden.” De tekenaar scheen weinig besef te hebben gehad van de vertroostende waarheid, die in het sprekend beeld verborgen ligt.

Laat ons bij die tekening liever ons Whitefields bede herinneren: “Moge ik helder brandend sterven en mijn leven niet in walm uitdoven.” Al het verschil ligt in het einde, ook van mensen, die bij aanvang een helder brandend licht schenen, maar waarvan sommigen in plaats van al helderder licht te geven, langzamerhand verdoven om al walmend het einde te bereiken.

Een serie van dit soort van tekeningen heeft tot titel: “Kerkelijke schaduw–schetsen.” Op een daarvan zijn twee personen wier schaduw op de muur valt. De predikant Spurgeon staat rechtop met de wijsvinger opwaarts. De door hem gegeven schaduw is het beeld van een leeuw, en daaronder de woorden: “The great Lion of the day.” (De grote, hedendaagse vierde man.) Het tweede schaduwbeeld is dat van een tandeloos, oud en gekromde aartsbisschop, die met moeite de trappen van de preekstoel op strompelt, wiens beeld een oude vrouw tekent. Het onderschrift luidt: “Het hedendaags grappig oud vrouwtje.” Een beeld, dat de Engelse staatskerk als verouderd en afgeleefd moet aanduiden, en op het punt om voor kloeke dissenters als Spurgeon te bezwijken.

Een derde karikatuur tot dit soort behorende heet: “De oude en nieuwe conducteurs.” Op de een plaat is een omnibus met de naam: “The Regular.” Boven de ingang prijkt een bisschops mijter, en voorts zijn als halten aangeduid, Lambeth, Westminster, St. Paul, Canterbury, met de aankondiging: “Voor de oude vracht op de gehele rit.” Op de plaat, die van deze tegenhanger is, aanschouwt men: “The Opposition Omnibus.” Boven de ingang van deze is een bordje met het opschrift: “Verminderde vracht,” en boven de ingang zelf: “De kerk Nieuwe Parkstraat.” Spurgeon staat op het plaatje bij de ingang als conducteur. De wagen is van binnen en bovenop geheel gevuld, en tal van personen geven op allerlei manier te kennen, dat zij nog plaats begeren.

Het zelfde denkbeeld is in deze reeks uitgedrukt in: “de gewone Postwagen” en “de Snelwagen.” De eerste rijdt af aan de herberg: “het Gouden Vlies.” Een bisschop is koetsier en de twee paarden heten Kerk en Staat. De snelwagen wordt voorgesteld door een locomotief, die “de Spurgeon” heet en de pas in Londen gekomen prediker zit daarop met vliegende haren als jongens op een hobbelpaard. De teugels, die hij in handen houdt, zijn aan de schoorsteen verbonden.

Een andere komische plaat stelt Spurgeon voor omgeven door een monster crinoline, die hij met een zwaard havent en vernielt. Onder de plaat staat: “De crinoline aan fladders geslagen.” Tot verklaring dient een aan Spurgeon toegedicht woord: “Ik zag liever mijn zusters in kwakerseenvoud gekleed, dan dat zij zichzelf vergroten, uitbreidden en opbliezen naar de hedendaagse maat.” De datum dezer plaat is 1859.

In 1858, toen men reeds verlegen was met het monsterstoomschip: “the Great Eastern,” verscheen een plaat, die aanbeval er een casino van te maken, en als lokmiddel om publiek te lokken werd er op aangekondigd, dat Spurgeon dagelijks om de drie uur in diezelfde grote ruimte preken zou.

Op de 10de Oktober 1861 hield Spurgeon een lezing over: “de Gorilla en het door hem bewoonde land.” Dit was voor de tekenaars een te welkome gelegenheid om de prediker zelf in die gestalte voor te stellen, dan dat zij die ongebruikt zouden hebben kunnen laten voorbijgaan; en een wedijver begon, hoe het meest de lachlust op te wekken door Spurgeon met een Gorilla of als een Gorilla voor te stellen. Toen ik in 1862 voor het eerst in Londen was, prijkten nog overal deze Spurgeon–Gorilla platen voor de glazen. In bijna alle had men het hoofd, van een volslagen beeld op een visitekaartje, uitgesneden, dit zorgvuldig geplakt op een een Gorilla in allerlei standen voorstellende fotografie, waarna het kunststuk opnieuw, en als opeens naar de natuur genomen, gefotografeerd werd.

Mij kwamen toen bij het gadeslaan van dit spottersbedrijf de volgende gedachten voor de geest. Bij de oorspronkelijke fotograaf was het hele beeld genomen; geen werk van mensenhanden, maar een getrouw en onberispelijk beeld door de zon afgespiegeld. Toch namen de tekenaars niet meer dan een achtste gedeelte, “het gelaat,” en waarmee ook verbonden, dit werd Spurgeon en genoegzaam om onbekenden de prediker te doen herkennen. Het overige zeven achtste deel hoewel evenzeer van hoger oorsprong en getrouw afgebeeld, kon met welk ander gelaat nooit de indruk van Spurgeon geven en hem doen herkennen.

Ik vond daarin deze troostrijke gedachte ook voor eenvoudigen. In onze Bijbel, als Gods openbaringsboek lezen wij (2 Kor. 4:6): “God, die gezegd heeft, dat het licht uit de duisternis zou schijnen, is degene, die in onze harten geschenen heeft, om te geven verlichting der kennis der heerlijkheid van God in het aangezicht van Jezus Christus.” De heerlijkheid van God in het aangezicht van Jezus Christus is dus het eigenlijke hart der openbaring; gelijk het gelaat van Spurgeon, van het overig beeld gescheiden, hem, waar ook mee verbonden, herkennen deed. Zo is er geen macht ter wereld, die de oprechte, naar waarheid dorstende verhinderen kan, in het aangezicht van Jezus Christus de heerlijkheid Gods te zien, te belijden: God is liefde, en om Hem in Christus als Vader te herkennen en erkennen. Ook wat de heilige Schriften bovendien bevatten, heeft als het door de zon getekend beeld, wel een zelfde oorsprong, maar op openbaringsgebied niet gelijke waarde.

Welnu laat mensengeleerdheid daaraan haar wijsheid meten; wie eenmaal “in het aangezicht van Jezus Christus de heerlijkheid Gods aanschouwd en in de Zoon de Vader herkend heeft, en zich met Hem verzoend weet, behoeft zich wel even weinig om al het geschrijf en gewrijf tot Bijbelbestrijding te bekommeren, als wanneer tal van fotografen zich verenigd hadden om te bewijzen, dat de zon het overige deel van Spurgeons lichaam geheel gebrekkig en onherkenbaar had weergegeven. De overmacht der geleerdheid moge het verstand doen duizelen, over het geweten heeft zij geen macht; en zoekt deze geen slaapmiddel tot twijfel, “maar waarheid, gerechtigheid en een eeuwig leven”, dan leeft er niemand, die zich tussen haar en de Zoon Gods stellen kan en haar verhinderen om “de heerlijkheid Gods in het aangezicht van Jezus Christus te zien.” Heimelijke onwil in onszelf om door de waarheid overwonnen te worden, is het eigenlijk alleen, die aan een ons verbijsterende geleerdheid de macht geeft om op allerlei dwaalwegen te zoeken, wat alleen op het pad der gerechtigheid te vinden is.

De droom van Paul, de koster, levert de stof voor een andere plaat. Men zag daarop een menigte wegwijzers, en op ieder daarvan het hoofd van een meer algemeen bekend predikant. In het vers ter toelichting komen deze regels voor:

Hier is Schotlands Guthrie, de onthouder;
En naast hem ziet gij als schouder aan schouder,
Londens Spurgeon, de geestvol kloeke
Visser van mensen, katvis en snoeken.

De wegwijzer, waarboven Spurgeons hoofd, heeft drie armen. Eén wijst naar Rome en heeft tot opschrift: “Wacht u voor strikken en vallen, Rome is niet de ware rots.” Op de tweede arm staat te lezen: “Geen uitweg, geen vagevuur.” De linkerarm toont de goede veilige weg: “Recht uit naar de hemel, geen zijpaden.”

Ook Spurgeons schrijfstijl stond bloot aan beschimping, maar dit bijna alleen van dezulken, die zelf slecht Engels schreven en zijn bondige, kloeke stijl bij hun waterachtige bombast vergelijkende, meenden dat hij op een geheel verkeerde weg was. Het was de stumperds niet euvel te duiden, daar zelfs een geleerde als Jozef Scaliger, die noten schreef bij het boek van de heiden Longinus: “over het verhevene,” maar niet vatten kon, hoe deze opgetogen had kunnen zijn over het verhevene in de woorden: “En God zei: daar zij licht en daar was licht.” Scaliger had nooit simpeler uitdrukking gelezen en de woorden herhalende zei hij, dat hij er niet in het allerminst iets verhevens in kon zien. Wie kan een blinde de zachte, ineensmeltende kleuren van de regenboog doen bewonderen, of zelfs de ziende, die alleen in schrille kleuren schoonheid weet op te merken.

In 1878 verscheen nog een plaat, misschien wel naar Spurgeons lezingen: “Sermoenen in kaarsen,” die hem voorstelt als een gezaghebbend beoordelaar van smeerkaarsen, en die de groten prediker tekent bezig met een monstersnuiter Rome’s kaars uit te snuiten.

Tot hoevelerlei platen Spurgeon de stof ook geleverd heeft, van alle moet erkend worden, dat zij vrij zijn van die vergaande grofheden, waaraan Hogarth en anderen zich jegens John Wesley hebben schuldig gemaakt. Onze dagen zouden niet meer de ruwe gemeenheid hebben geduld, die vroeger als geestigheid werd gehuldigd. Maar al was de spot minder plomp en grof, het pogen om een trouw evangelieverkondiger te bespotten en afbreuk te doen, welt in elke vorm uit dezelfde bron, innerlijke vijandschap tegen God en zijn Woord en dienst. Niet alleen al het tegen hem geschrevene, maar ook al deze spotprenten werden door Spurgeon zorgvuldig bewaard. Zij konden hem niet wonden, veeleer gaven zij hem in ogenblikken van gedrukt of onwel zijn afleiding, en om te lachen over de dwaasheid, dat men zich om des broods of om toejuichings wille zo vermoeide.

Uit de tijd van zijn dienstdoen in de Nieuwe Parkstraat is ons nog de volgende anekdote bewaard. Een zeker man was gewoon zijn Zondagavonden op zijn manier met vrienden van zijn slag door te brengen. Op zekere Zondag, terwijl hij op weg was om een fles jenever te kopen, zag hij, hoe een menigte volks voor het gebouw was samengeschoold in de hoop de jonge prediker de hand te kunnen drukken. Het oog van de man viel op de leraar, en hij dacht: “Hij lijkt me van het goede soort.” Op de volgende Zondag zag hij opnieuw tal van personen, die wachtten om de prediker te verwelkomen, en hij drong mee in de kring om een handdruk te ontvangen. Eenmaal in het midden der kerkgangers raakte hij ook binnen en kreeg een staanplaats op de gaanderij bij de trap. Hij luisterde met verbazing, maar welk een rilling voer hem door de leden, toen de prediker, zonder opzet naar zijn kant ziende, opeens zei: “Zelfs de man, die daar met een fles jenever op de gaanderij staat, kan behouden worden.” “Hoe is het mogelijk,” dacht hij, “dat die man van mijn doen kennis draagt?”

Op de 8ste April 1885 deelde Spurgeon op een bidstond het navolgende mede: “Verleden week kwam iemand mij over zaken spreken, die zei: “Voor enige ogenblikken gevoelde ik mij geheel van mijn stuk gebracht.” “Hoe dat zo?” vroeg ik. “Wel, toen ik dit gebouw binnentrad, las ik op het aanplakbiljet, dat gij de vorige Zondag gepreekt hebt over de woorden: “Wat is uw leven?”

“Wat is daarin zo bijzonders?” “Op de dag toen gij een en twintig ja– ren oud werdt, hebt gij over datzelfde woord gesproken.” “Ongetwijfeld een heel andere preek dan ik verleden Zondag uitsprak.” Ik heb nog nooit tevoren gelegenheid gehad u de hand te drukken, gun mij nu dat genoegen?” “Waarom wenst gij dat?” Zie, op de dag, dat gij een en twintig jaar werdt, was ik diep in druk. Ik was zo zwaarmoedig en radeloos, dat ik ongetwijfeld de hand aan mijn leven zou geslagen hebben, ware het niet zo bestuurd geworden, dat ik u op die dag heb horen preken. Dat woord gaf mij opnieuw moed om te volharden in de strijd des levens, en wat nog beter is, het heeft mij bewaard van ooit in gelijke moedeloosheid terug te zinken. Ik woon ver van hier, maar niemand kan groter liefde voor u koesteren dan ik. Gij hebt mij als uit een grondeloze put opgetrokken.” Hoe innig verblijdde mij dit verrassend getuigenis; maar zijn zulke ervaringen niet het licht en de blijdschap van ons leven?”

Bij een spreken van zijn later welslagen, zei Spurgeon van die tijd: “Ik herinner mij best, dat ik nauwelijks in Londen gekomen slechts voor een handjevol mensen sprak, het was een klein kuddeke, maar met welk een innigheid konden zij bidden. Menigmaal was het, alsof wij bij ons pleiten de engel des Heeren aanschouwden en aanhielden om een zegen, tot wij onder de volle indruk van het plechtige van het gebed zeiden: “Laat ons stil zijn!” Wanneer wij dan zo enige ogenblikken in stilzwijgen neerzaten, was het alsof de kracht des Heeren ons overschaduwde, zodat ik niet meer vermocht dan de zegen uit te spreken en te zeggen: “Lieve vrienden, laat ons nu huiswaarts gaan en zorgen de ontvangen zegen niet te verliezen.” Ook is op dat bidden rijke zegen gevolgd. Langzamerhand stroomde het gebouw vol, zielen werden tot God bekeerd; en al geef ik ook immer boven alles en het eerst Gode de eer, ook geef ik een deel van die eer aan het bidden van mijn gemeente.”

Bij een openbare samenkomst, nu omstreeks tien jaren geleden vertelde Spurgeon het navolgende van een van zijn diakenen. Hij liet voorafgaan: “Wij hadden in die tijd zeer eerwaardige diakenen, die in al hun doen altijd zeer plechtig waren.” De diaken, waarvan hij sprak, had op zekere Zondag zijn zeer groot gouden horloge uit de zak gehaald, en hield het kennelijk op zulk een wijze omhoog, dat de jonge leraar het wel zien moest. Deze handeling moest dienen om de spreker indachtig te maken dat het reeds één minuut over de gewone tijd was. De spreker, zelf een vriend van op zijn tijd zijn, maar niet van zijn stuk gebracht door de vermaning, bekeek het uurwerk met nauwlettende blik en zei toen koeltjes: “Het schijnt een zeer goed horloge, maar het is erg ouderwets.”

Een tegenstand, erger dan het ergste soort van bespottelijk maken, werd in toepassing gebracht, toen het immer klimmende aantal toehoorders tot het toevlucht nemen tot de Koninklijke muziekzaal te Walworth noopte. De vergrote kerk in de Parkstraat bleek spoedig te klein om de zeer vermeerderende schaar van hoorders te bergen, en daar Exeter Hall niet beschikbaar was, werd de muziekzaal voor de avondgodsdienstoefening afgehuurd.

Op Zondagavond 19 Oktober 1856 werd de eerste godsdienstoefening in de Surrey–muziekzaal gehouden. Men rekent, dat het gebouw door omstreeks 12.000 personen bezet was. Spurgeon geeft nogmaals in “Zwaard en Troffel” van Maart 1890 een verhaal van de ontzettende gebeurtenis. De prediker vond bij zijn komen al de toegangen tot de tuin zo bezet, dat hij zich met moeite een weg door de menigte baande. De dienst was ongeveer tot het tweede gebed gevorderd, toen aan verschillende kanten de kreet: “Brand, brand!” werd aangeheven, gepaard met het roepen: “de galerij stort in, het gebouw bezwijkt!” Een panische schrik greep heel het gehoor aan, en grote getale van mensen verloren zo alle zelfbeheer, dat zij met geweld opdringend zich van de trappen stortten en anderen en zichzelf deerlijk bezeerden en verwondden. Spurgeon deed al wat hij vermocht om de mensen tot bedaren te brengen en voor een deel mocht hem dit ook gelukken. Toen hij daartoe ook de proef nam om met preken aan te vangen, maakten de booswichten, die de vuilaardige streek hadden beraamd, zulk een geweld dat hij de dienst eindigen moest. Zeven personen bekochten de moedwil met hun leven en zeer velen werden ernstig gewond. Dr. Campbell was van oordeel, dat het feit de kenmerken droeg van een komplot te zijn, dat minstens een honderdtal medewerkers telde.

Het gestel der prediker ontving door deze gebeurtenis een vreselijke schok. “Ik was,” zegt hij, “de eerste tijd geheel ongeschikt om te denken of mij met enig hoofdwerk bezig te houden.” En wie zou het niet geweest zijn, bij het van de preekstoel af getuige zijn van het dringen, verwonden en doden te midden van zulk een mensenschaar. Een enkel woord over het gebeurde en zelfs het zien van de Bijbel deed mij werktuiglijk in tranen losbarsten en bracht mijn denkvermogen in verwarring.” Ook liet het zich aanzien, dat een dienstwerk, dat met zo grote vruchtbaarheid was aangevangen, geknot en des predikers mond voor altijd gesloten was. Het ontbrak, helaas, niet aan personen, die dit met kennelijke ingenomenheid als stellig voorspelden. Spurgeon begaf zich voor een tijd rustig naar buiten, maar het duurde weken eer men zeker durfde zijn, dat de doorstane schrik niet in krankzinnigheid zou eindigen. Toen gebeurde het op zekere dag, dat hij peinzend in de open lucht staarde en rondziende bepaald werd bij het Schriftwoord aangaande zijn Heere en Meester (Ac 5:31): “Deze heeft God door zijn rechterhand verhoogd tot een Vorst en Zaligmaker, om Israël te geven bekering en vergeving van zonden.” “Ziende op mijn Heere, als overste Leidsman en Voleinder des geloofs”, zegt Spurgeon, “week opeens mijn vrees. Ik gevoelde, dat ik niet meer dan een gewoon soldaat was, en dat ik het als roeping moest erkennen om mijn Koning en Veldheer met trouw tot in de dood te volgen. Dus gesterkt, kende ik mij bereid om naar het slagveld terug te keren, de strijd mijns Vorsten te strijden.”

Een treurig bewijs rest ons te vermelden van de boze zin, waarmee hij door velen werd gadegeslagen, en die ook vermoedelijk tot deze boosaardige verstoring in zijn prediking had geleid. Mogelijk blijft het zeker, dat een bende zakkenrollers de aanslag had beraamd, maar waarschijnlijker is, dat de wind uit een andere hoek woei, en dat er een toeleg bestaan heeft om de zegenrijke loopbaan van de jeugdige prediker op deze wijze tot een einde te brengen. Zeker is het, dat iemand van enige betekenis de politie of rechterlijke macht heeft geraadpleegd, of het niet regeringsplicht was om Spurgeon en zijn vrienden een verder voortgaan te beletten; wat anders toch was hun bedrijf dan aan de gewone bedehuizen de collecten te ontstelen en er zichzelf mee te verrijken! Al dat soort van bedrijf was een vruchteloos pogen, daar het in de stichtings oorkonde vermeld en door de regering toegestaan was, de muziekzaal ook voor het houden van openbare godsdienstoefeningen te verhuren.

Op de plaats, waar eens de Surrey–muziekzaal stond, zijn als aandenken aan de treurige gebeurtenis, later een grote zendingszaal en scholen gesticht.

Het houden van avondgodsdienstoefeningen in de muziekzaal werd niet meer beproefd, maar in plaats daarvan de Zondagmorgen genomen, en grote scharen vloeiden toe om het woord te horen. Het doet ons genoegen te dezer plaatse te kunnen vermelden, dat hoewel Spurgeon in die dagen bemoeilijkt en belasterd werd door tal van hem en zijn werk vijandige personen, ook en soms van geheel onverwachte zijde vrienden opdaagden, die voor zijn persoon en arbeid in de bres sprongen; en dit misschien juist door afkeer en verontwaardiging over de lage wijze, waarop men een godsdienstige bijeenkomst had pogen te beletten. Een der medewerkers aan de Times gaf een beschrijving van zijn preekwijze, die van goedkeuring getuigde. Hij schreef: “Indien ik de geestelijke ware, die namens de Aartsbisschop examens afneemt, dan zou ik tot zijn Hoog Eerwaarde zeggen: “Hier is iemand, die door zijn welsprekendheid in staat is de grootste kerk met belangstellende hoorders te vullen. Mag ik daarbij de opmerking maken, dat de Hoofdstad in het bezit is van twee hoofdkerken: de St. Pauls–kathedraal en de Westminsterabdij. Hoe zou Uw Hoog Eerwaarde er over denken, als wij deze ketterse Calvinist en Baptist, die in staat blijkt om op één punt een 10.000 hoorders saam te brengen, eens uitnodigden om op een Zondag daarvan met zijn stem in een van die kerken in de preekruimte de proef te nemen.  Van een zaak ben ik zeker, dat wanneer hij in de Abdij spreekt, wij er geen herhaling zullen hebben van het onwaardig kunststukje om de preek aan het Lof te laten voorafgaan, met het doel om de mensen te dwingen de kerk niet te verlaten voor zij de kurkdroge preek hebben aangehoord.”

In de “Greville gedenkschriften” vindt men de volgende aantekening: 8 Februari. Ik ben zo juist thuis gekomen van het horen van een preek van de beroemde predikant Spurgeon. Hij sprak in de muziekzaal der Surrey Gardens. De plaats was geheel gevuld en hij deelde van de preekstoel mede, dat er 9.000 personen aanwezig waren. De dienst is aan die der Presbyteriaanen gelijk–psalmgezang, het uitleggen van een Psalm of ander gedeelte der Schrift en een preek. Spurgeon is bepaald een opmerkelijk man en iemand van onmiskenbaar karakter. Zijn voorkomen is niet zo opmerkelijk en zijn gelaat is een kleiner vorm van Macaulay. Hij heeft een zeer duidelijke, machtige stem, die door het hele gebouw met gemak verstaan wordt. Zijn voordracht is natuurlijk, levendig, zonder enige gemaaktheid of overdrijven. Hij heeft een verbazende gemakkelijkheid om zich uit te drukken en het juiste woord te bezigen terwijl zijn voorstelling van de waarheid overvloeit van beelden, dikwijls aan het dagelijkse leven, en dat zonder enige platheid of oneerbiedigheid maar passend ontleend, en die daardoor juist dubbel treffen. Ik ontving een diepe indruk van zijn ernst en oprechtheid. Hij sprak zonder geschreven preek of korte aantekeningen, en toch was dat inhoud en vorm de vrucht waren van rijpe studie. Zijn tekst bij deze gelegenheid was: “Reinig mij van de verborgen afdwalingen.” (Ps. 19:13 b). Zijn verdeling was, de ellende, de dwaasheid, het gevaar van deze, en het heil der verlossing, en hij sprak met klimmende welsprekendheid en macht. Hij sprak ruim veertig minuten, en naar de zakdoeken en hoorbare verzuchtingen te oordelen maakte zijn rede op velen een diepen indruk.”

Omstreeks deze tijd ving een onbekend, streng, maar welwillende beoordelaar aan, Spurgeon geregeld een lijst van door hem opgemerkte fouten, zoals het herhalen van enige bepaalde volzin in dezelfde preek, te zenden. Elke Maandag kwam geregeld het lijstje, en de prediker was groot genoeg om ze welwillend te ontvangen en wat hij moest toestemmen juist te zijn, ook ter harte te nemen.

Gedurende drie jaren bleef Spurgeon in de Surrey Gardens preken, en dit bij een toenemende ingenomenheid der hoorders en met klimmende zegen. Het was in deze tijd, dat de beroemde zendeling David Livingstone hem dikwijls hoorde en met hem bevriend werd. Toen deze edele reiziger in Afrika gestorven was, werd in een van zijn jaszakken een preek van Spurgeon gevonden, die aan deze ten geschenke is gegeven en door hem als een kostbaar aandenken bewaard geworden.

Toen deze drie jaren ten einde liepen, werd door de eigenaars van het gebouw besloten, het des avonds voor openbare vermakelijkheden open te stellen, en dit besluit gaf aanleiding, dat Spurgeon met zijn gehoor naar Exeter Hall verhuisde. In deze zaal predikte hij van 18 December 1859 tot 1 Maart 1861, toen hij op eigen grond in de nieuwe, voltooide Tabernakel kon overgaan.

De als prediker en schrijver beroemde predikant Bonney toonde gedurende de dagen van miskenning en vooroordeel, op hoe hoge prijs hij de prediker en zijn arbeid stelde: “Ik heb zelf ook enige populariteit genoten en altijd macht gehad een goed gehoor voor mij te zien, maar in de persoon van de heer Spurgeon zien wij een jong man van zo buitengewone gaven, dat hij bij het slechts vier en twintig uren vooruit bekend worden, gemakkelijk een schare van 20.000 kan samenbrengen. Zo iets heb ik nooit kunnen doen, en ik heb nooit iemand gekend van wie ik hetzelfde zou mogelijk geacht hebben.”

Niet enkel in Londen, maar waar hij ook optrad, overal vloeiden scharen bijeen om hem te horen. Op de 7de Oktober 1857 preekte hij in het Crystal Palace voor een gehoor van 24.000 personen. Bij die gelegenheid bedroeg de collecte voor het Indische fonds ongeveer 9.000 gld.

Ook als prediker in de open lucht was hij door zijn even welluidend als sterk stemgeluid enig. In de tweede reeks van zijn lezingen voor zijn studenten deelt hij daaromtrent bijzonderheden mee. Een van zijn vrienden in Oxfordshire had voor hem in het midden van een woud een voortreffelijke spreekplaats in orde gebracht. Al het kleinhout en een groot getal bomen waren weggenomen, zodat een grote open maar toch beschaduwde plaats was verkregen. Lanen waren door het woud geopend, die ruim toegang tot de plek boden en tevens de aanblik op het geheel zeer in schoonheid verhoogden.

Ook op het buitengoed van een vriend in Schotland heeft Spurgeon menigmaal voor duizenden gesproken. Op die plek bood de natuur in de heuvelachtige grond al het eigenaardige voor een uitmuntende spreekplaats.

Eens, dus verhaalde Spurgeon, “heb ik in de hooitijd in de open lucht gepreekt, terwijl een plasregen bij stromen neerviel. (Ps. 71:6. Eng.) “Hij zal komen als regen op het gemaaide gras, als plasregens, die de aarde doortrekken”, en bij de zegen hadden wij ook volop de last. Ik zelf was ruim bevochtigd en mijn gehoor moet tot op de huid door regent zijn geweest; maar niet één verliet de plaats en ik heb ook daarna niet gehoord, dat het aan iemands gezondheid schade heeft gedaan.  Wel heb ik met dank aan God vernomen, dat er bij die gelegenheid harten voor de Heere gewonnen en Hem toegebracht zijn.

Ook herinner ik mij levendig, dat ik eens aan de zeekant tussen de Cheddas–klippen gepreekt heb. Welk een plaats om het evangelie te verkondigen. Door welk een rijkdom van schoonheid en verhevenheid zagen wij ons omringd. Toen ik aan het einde van mijn preek gekomen was, riep ik deze rotsgevaarten tot getuigen op, dat zij mij de blijde boodschap van genade en zaligheid hadden horen verkondigen, en dat zij als getuigen zouden optreden in de dag des oordeels tegen mijn hoorders, indien deze de aanbieding van verlossing en eeuwig leven verwierpen. Nog pas voor weinige dagen ontmoette ik iemand, die door dat woord bekeerd en tot de vrede des heils gekomen was.”

Bij zo heuglijke herinneringen kan ik de vraag niet weerhouden: “Wat is toch oorzaak, dat dit zo goede voorbeeld, ook na de invoering van Zendingsfeesten, bij ons geen ingang en navolging vinden kan. Het is in Engeland niet iets, dat bij een enkel Kerkgenootschap of bij uitzondering bestaat. De kardinaal Manning sprak in West en Oost–Londen in de open lucht; in Oost–Londen soms met geen beter spreekplaats dan een kolenkar, en hij werd daardoor een zegen voor duizenden Ieren.  Bisschop Tait en bisschop Temple van de Staatskerk deden hetzelfde. Nu eens voor de beambten van spoorwegen, dan voor scharen van werklieden.  Rondom Newman Halls kerk Surrey Chapel was een hek en bij herhaling heb ik gezien, dat een der hulppredikers achter dat hek staande voor en na de godsdienstoefening predikte.

Mijn vriend Mc Cree heeft twintig jaren lang elke Zondag op de markt van St. Giles voor het ruwste deel van Londens bevolking gepredikt en zich zo, als uit de goten, een talrijke gemeente vergaderd, met welke ik eens met zegen avondmaal heb mogen vieren; bijna naijverig op de man, die zeker met veel offer en moeite maar dan toch ook zo kostbare schat voor de Meester, die voor goddelozen stierf, had vergaderd. Ach, de macht der gewoonte, zo sterk in al wat werelds en slecht is, hoe is zij een hinderpaal in het Koninkrijk Gods. Zelfs in de stad mijner inwoning, waar ik voor het Heilsleger niet het minste welslagen durfde hopen, luisteren de ruwsten met eerbiedige stilte naar het woord des behouds. Mocht dat voorbeeld eindelijk dringen tot loslating van ijzeren gebruiksregels, en de liefde van Christus de harten zo vernieuwen, dat de gloed de ijsbergen der doodse vormelijkheid smelten deed.

Waak op, schud af de sluimergeest,
De nacht vlood weg, het bruiloftsfeest
Des Konings komt elke ure nader!
Verbeid zijn komen, bidt tegader;
Der heren Heer
Keert zeegnend weer
Als liefdebron en levensader.

Al ‘t schepsel zucht naar ‘t morgenlicht
En wachten, ‘t oog omhoog gericht,
Naar voller gloed van licht en luister;
Dan knellen langer boei noch kluister,
Verlost van vrees
Juicht weeuw en wees:
Verwonnen is, o nacht, uw duister.”

Toef, Koning Jezus, langer niet,
Uw komst, die hoop en vrede biedt,
Doet kloek ons ‘t kwaad in de ogen staren;
Elk starresprankje, dat we ontwaren,
Getuigt, belooft,
O Heer en Hoofd,
Dat haast Ge U zelf zult openbaren.

Uw Geest bekwaam ons voor die tijd,
Beziel ons tot uw werk en strijd,
Bij ‘t daaglijks zielen voor u gaadren.
Uw levensbloed doordring onze adren,
Zo wachte uw kroon
Ons bij ‘t uw troon
Als gasten voor uw feestvreugd naderen.

De laatste der puriteinen.

De president Abraham Lincoln, een man van innige vroomheid en humor, welke hem evenals Spurgeon in de moeilijkste ogenblikken niet begaf, vertelde eens van twee Ieren, die na pas in Amerika geland te zijn, zeer verschrikt werden door het plotseling horen van een heirleger kwakende kikvorsen. Onder aanroeping van St. Patrick, hun beschermheilige, trokken zij echter moedig op de geheimzinnige vijand los. Nog meer waren zij verbaasd, toen zij, hoe ook rondziende, niets van een vijand bespeurden. Eindelijk zei de een tot de ander: “John, ik geloof wezenlijk, dat het enkel maar een geluid is.”

In het geloof van die eenvoudige Ier deelden in Londen niet weinigen na Spurgeons eerste optreden. Het was maar een geluid, dat wel niet aanhouden maar spoedig tot stil zijn komen zou. Maar het geluid in plaats van te verzwakken en weg te sterven, werd al krachtiger, drong tot al groter omvang door, en deed de ongeloofsprofeten geheel verstommen, toen zij aanschouwers werden van een naar het geluid berekende Tabernakel.

Een gebouw van zo grote afmetingen was door het toestromen van steeds meer hoorders in het overbevolkte en naar het getal van zijn inwoners aan kerken arme Londen, een noodzakelijkheid geworden.

Noot: Toen Spurgeon bij een der laatste keren dat hij te Mentone toefde, in het hotel door het uitglippen van zijn stok, die bij zijn gebrek hem steunde, een zo vreselijke val deed, dat deze hem dagen aan bed bond, waren hem bij andere verwondingen ook twee tanden uit de mond geslagen. Als om de toeschietenden gerust te stellen, was zijn eerste woord: “Painless dentistry!” (trekken zonder pijn). De gewone bluf van tandmeesters.

Spurgeons Tabernakel heeft meer dan iets anders die kerkennood openbaar gemaakt. De oude stad, de zogenaamde city, was rijk voorzien van niet meer bezochte kerken, maar de daaromheen wonende en zich al verder uitbreidende miljoenen, bleven grotendeels zonder kerken, totdat Spurgeons opgang naijver wekte; Londens Bisschop een fonds van 4.000.000 gld. bijeen verzamelde voor kerkbouw, en toen alle overige kerkgenootschappen met de Staatskerk begonnen te wedijveren om stallen en schaapskooien, kerken en evangelisatie gebouwen te stichten. Al had Spurgeon niet één andere verdienste dan die algemene en krachtige wedstrijd in het vervullen van deze behoefte van het kerkelijk gemeenteleven te hebben in het aanzijn geroepen, het zou hem genoegzaam tot een bestendige roem zijn geweest. Maar buiten die roem komt hem de eer toe aan het kerkelijk gemeenteleven niet minder dan zes en zestig takken van heilrijke arbeid te hebben geschonken.

Langzamerhand waren er meer en meer onder Spurgeons vrienden en vereerders, die een gebouw als de Tabernakel geworden is, als de kroon op zijn arbeiden begonnen te voorzien. Tussen bespiegelen en handelen ligt echter een grote kloof, en waar de prediker in de eerste plaats handelende persoon wezen moest en de stoffelijke middelen weten te verkrijgen, is de stichting van zo groot gebouw niets minder dan een heldendaad, een daad van stoutmoedig geloofsvertrouwen. Grote kathedralen zijn in Engeland en in geheel Europa gesticht, maar niet tot enkel prediken van het evangelie. Te durven aannemen, dat in de enkele prediking zulk een kracht schuilt, dat zij week aan week in een zelfde gebouw zeven duizend mensen te gelijk kan samenbrengen, zonder dat muziekuitvoeringen en andere lokmiddelen meehelpen, is op zichzelf een belijden van het evangelie als een kracht Gods, een magneet, die in de hand van een door de liefde van Christus gedrongen prediker machtiger trekt dan al wat de wereld ooit tot bekoring der zinnen heeft kunnen ontdekken.

Bij al het bovengenoemde komt nog, dat wij niet vergeten mogen, in welk gedeelte der stad de Tabernakel is gebouwd. De om zijn liefde tot de armen uit Engelands staatskerk verdreven Rowland Hill bouwde zijn zendingskerk met haar scholen in wat toen een van Londens armste buurten aan de zuidkant der rivier was. Zuidelijk Londen was in Spurgeons dagen niet meer, wat het in de tijd van Rowland Hill was, maar zulken die Londen kennen, noemen het toch een “der ergste districten in een der meest goddeloze delen der wereldstad.” Daar zulk een bouw aan te vangen, was een rekenen op Hem, die alle macht heeft ontvangen in de hemel en op aarde en zelf voorging verlorenen te zoeken. Er dertig jaren lang Zondag aan Zondag zevenduizend hoorders heen te trekken, bewijst wel dat de Heere Zijn op Hem bouwende dienaren niet alleen laat, maar naar zijn beloften met hen is naar de drang van hun liefde tot het verlorene. Wil iemand het gewicht van deze uitkomst verminderen door op Wesley en Whitefield te wijzen, dan vergete men niet, dat geen der mannen, die tot deze kring behoren, bestendig op een en dezelfde plaats het woord verkondigden. Mij komt het feit van Spurgeons gedurende zulk een tijdperk duizenden met geestdrift en liefde vervullen enig voor; en dat zulk een edele zin in zijn gemeente woonde, hebben wel de bidstonden bewezen, die week aan week een pleiten om het behoud van zijn dierbaar leven hoorden opgaan.

In Oktober 1856 werd de eerste grote bijeenkomst gehouden met het doel tot voorbereiding van de nodige stappen om het plan van een bedehuis, als de Tabernakel werd, te verwezenlijken. Gedurende de vijf jaren, welke tussen deze vergadering en de inwijding van het gebouw verliepen, zijn ongeveer f 400.000 bijeengebracht, zodat het gebouw, niet door schuld bezwaard, in gebruik genomen kon worden.

Noot: Niet minder merkwaardig is de bouw van de Christuskerk door Newman Hall, de tweede opvolger van Wesley’s tijdgenoot en geestverwant Rowland Hill, de stichter van Surrey Chapel, in een der toenmalige armste buurten van Zuid–Londen. De kerk was nauwelijks minder in ere dan Wesley’s Chapel aan de Cityroad in het Noorden, maar werd zo goed als onbruikbaar door een hoge spoorweg, waarop telkens spoorwagons voorbij de kerkramen snorden. Toen de jaren van grondhuur verstreken waren, moest de gemeente die omstreeks 1.300 leden telde, beslissen, om of het gebouw te kopen of een nieuwe kerk te stichten. Newman Hall, zoveel ouder dan Spurgeon, was in zijn 60ste levensjaar, maar nauwelijks minder dan Spurgeon in Engeland en Amerika bekend en geeerd, toog ook hij persoonlijk aan de arbeid. Het gelukte hem een kostbare plek grond te verkrijgen aan de Zuidkant, niet ver van het Parlementsgebouw, waar twee hoofdwegen samenkomen, en nu de prachtige Christuskerk, die 700.000 gld. gekost heeft, en de Lincolntoren heet, is een geschenk van Amerika’s Noordelijken Staten, en een hulde aan de Christenleraar, die, toen bijna geheel Engeland op de hand der Zuidelijken was, krachtig het recht der Noordelijkken voorstond, en de vrijlating der slaven met onwankelbaar geloog voorspelde.

Spurgeon zelf had om die som te vinden genoegzaam het hele land bereisd en overal gepreekt, waarbij hem de helft der collecte voor deze kerkbouw werd afgestaan. Bustes van de leraar, nabootsingen van een marmer beeld door Crittenden gebeeldhouwd, werden ten bate van het fonds verkocht. Na geruime tijd zoeken om een gelegen punt tot bouwen te vinden, werd de nu bebouwde plek als eigen, vrije grond van het Viskopersgilde gekocht, en Sir Morton Peto legde op de 16de Augustus 1859 de gedenksteen van het gebouw. Er werd gerekend op 5500 zitplaatsen, zodat als alle staanplaatsen gevuld waren 7000 personen in de ruimte bijeen konden zijn. Daar de kerk bij het openen schuldvrij was, kon later de kerk van de Parkstraat verkocht worden, om van de opbrengst der gemeente ontbrekende huizen voor haar armen te stichten.

Onder en achter de Tabernakel zijn verschillende vertrekken, waarvan twee groter afmeting hebben dan middensoort–kerken. De leeszaal, waar buiten het maandelijks avondmaal in de kerk, op elke andere zondagavond het avondmaal gevierd wordt, heeft voor 900 personen zitplaats, en in de daaraan grenzende zaal kunnen des Zondags 1.000 kinderen in kleine klassen Zondagsschool–onderwijs ontvangen. Voorts zijn er zes schoolvertrekken, en elf kamers voor verschillend kerkelijk gebruik.

Bij de steenlegging was Spurgeons vader tegenwoordig en sprak een eigenaardig en treffend woord. hij zei: “Ik was vroeger zeer bepaald van mening, dat mijn zoon verkeerd deed met naar Londen te gaan, en heden blijkt wel hoezeer ik ongelijk had. Voorts heb ik altijd geoordeeld, dat hij verkeerd deed met niet geregeld college lessen te volgen. Drie of vier malen zocht ik hem daartoe te overreden, de laatste maal gesteund door een vriend, die hem zeer lief had, maar vergeefs.  “Vader,” sprak hij, “ik zal er nooit toe overgaan dan in gehoorzaamheid aan uw volstrekt willen.” Doordrijven op die wijze wilde ik niet; en nu zie ik, dat God met hem geweest is, maar ofschoon ik dit spoedig opmerkte, bleef ik het verkeerd achten, dat hij de roeping naar Londen aannam, waarin ik opnieuw in kortzichtigheid faalde.

Eindelijk scheen het mij een verkeerde stap om voor heden herwaarts te komen, en het kan zeer goed zijn, dat ik ook daarin het weer mis had. Wat ik zeker kan zeggen, is, dat dit een der gelukkigste dagen van mijn leven is.  Ik weet geen woorden te vinden, wanneer ik denk aan al de liefde en goedheid waarvan mijn zoon reeds van jongsaan het voorwerp was. Aan Gods goedheid en die van zijn gemeente weet ik al die blijde uitkomsten dank. Aan hoeveel verzoekingen, mijn lieve vrienden, heeft niet reeds mijn zoon blootgestaan, en hoeveel is er nog, dat hem bedreigen kan. Gij hebt hem met uw gebeden omringd en God heeft uw smekingen gehoord en hem staande gehouden. O blijf, ik smeek u, met die ijver des harten voor hem bidden. Doet dat, gij allen, die hedenavond hier tegenwoordig zijt, bidt heden en zonder ophouden voor uw herder en leraar.

Een bijeenkomst als deze is reeds op zichzelf genoeg om in iemand zelfverheffing te wekken en zijn hart van hoogmoed te doen zwellen; maar Gods genade is, ook daartegenover, als een beveiligend schild algenoegzaam. Er waren indertijd personen, die altijd tot mij zeiden (en wat hen er toe dreef, weet ik niet en beoordeel ik ook niet) “Uw zoon houdt het nooit in Londen uit, geen zes maanden! Hoe zou hij, hij mist alle wetenschappelijke opleiding.” Mijn antwoord was: “Gij vergist u heel erg. Hij heeft de best mogelijke opleiding gehad. God zelf was zijn onderwijzer, en ook uitnemende leraren uit de mensen hebben hem niet ontbroken. Wat zijn wetenschappelijke kennis betrof, was ik voor mij zelf gerust, dat Londen hem niet te zwaar zou zijn. Anderen trachtten mij op het punt van zijn gezondheid te verontrusten en spraken: “Hij is niet sterk van gestel, bij zijn ijver houdt hij het daar nooit uit,” en toch ook in dit opzicht heeft God hem staande gehouden. Zeker hem is genoeg ten deel gevallen, dat zelfs een sterker gestel had kunnen schokken, maar ook in dat gevaar is God hem zeer genadig geweest.

Er is een zaak, die voor mijn vreugde op deze dag de hoogste kroon zou zijn geweest, namelijk, dat ook zijn grootvader hier heden had kunnen tegenwoordig zijn. “Jongen,” zei de oude man tot mij, “dring er niet op aan, dat ik met u meega, ik ben te oud geworden, en reeds het indenken van Gods goedheid en genade overstelpt mij.” Altijd spreekt hij van hem. Oude lieden hebben zo graag iets, waar zij gedurig over spreken, en zo spreekt hij altijd over zijn kleinzoon. En o, hoe zou het mij goed gedaan hebben, wanneer zijn moeder deze dag had mogen beleven, want ik ben zeker, dat naast God hij aan zijn moeder zijn toebrenging tot Christus te danken heeft.”

De laatste spreker was de rechter Payne, de vriend en helper van Lord Shaftesbury, een vriend van het volk zoals er weinigen zijn. Herhaaldelijk heb ik hem mogen horen en daarbij opgemerkt, dat hij steeds de uitverkorene was om voor de collecte te spreken en die aan te bevelen.  Eens hoorde ik hem een rede aanvangen, met het in herinnering brengen van een Franse uitgewekene, die een bijzonder slag van salade aanmaken had. Om de jonge man degelijk te helpen lieten aanzienlijken hem bij maaltijden de salade komen omroeren en betaalden zijn dienst met 60 gld. elke keer. Er was zulk een wedijver, dat hij soms op vijf plaatsen op één avond komen moest en dan nog rijtuig vrij had. Hierin ben ik hem gelijk, zei de heer Payne, dat ik, bijvoorbeeld hedenavond, op vijf verschillende plaatsen een verschillend woord spreken moet, maar ik krijg er geen stuiver voor en moet zelf het rijtuig betalen, om overal op de juisten tijd te zijn. De verdeling van zijn rede was doorgaans een versje, en eindigde met een versje, dat hij staartstuk noemde. Hij gaf steeds het nummer van zijn laatste staartstuk op. Hij was, toen ik hem het laatst hoorde, niet ver van het cijfer des jaars en zei, dat hij als hij dat bereikt had, om zijn leeftijd rust zou nemen. Hij was toen nog niet aan 1860 maar zo heel lang duurde het niet, of ik zag in de bladen hem No. 1925 reeds voorbij.

In het laatst is hij bezweken, de arbeidende standen en hun kinderen dienende tot het einde. Eens hoorde ik hem de collecte aanbevelen met heenwijzing op een zeer nederig dienaar bij de spoorwegen, de man, die met een potje geel rondgaat en de wagens lopende houdt. Welnu, zei hij, hoe beter gij ook de assen van deze vereniging met geel smeert, hoe beter de werkzaamheden lopen zullen. Hoeveel goud gaat tot nutteloze en onheilige doeleinden, dat de bloei van Gods koninkrijk had kunnen bevorderen, en hoe weinig volksvrienden, die gelijk de heer Payne als toevoegsel aan hun weldoen, willig zouden zijn bijna avond aan avond, en dit soms vijf malen op één avond, tot steun van goede zaken te spreken.

Soms koos de goede man ook woordspelingen tot zijn leidraad, en voegde dan aan elk deel een meestal luimig maar daarom niet minder ernstig woord toe. Zo waren het die avond de letters C. H. S. “Wat,” zei hij, “wordt ons door C. H. S. aangeduid. Allereerst betekenen de letters Charles Haddon Spurgeon. Dat is zijn naam, maar zij duidden ons niet minder aan: “wie hij is en hoeveel en uitnemend zijn gaven zijn.” “C.

H. S. means a Clear Headed Speaker who is Clever in Handling Subjects in Cheerful–Hearted Style. He is a Captain of the Hosts of Surrey; he is a Cold Hating Spirit; he has a Chapel Heating Skill; he is a Catholic Humbug Smarter; he is a Care–Hushing Sooter; he is a Child– Helping Strenghtener; he is a Christ–Honouring Soldier; and he is a Christ–Honoured Servant.

Dit is bij vrije vertaling: “C. H. S. wijst ons op een helder denkend Spreker die vaardig is in het Handig behandelen van zijn onderwerp en dit doet in hartig Opgewekte Stijl. Hij is Aanvoerder van Surrey’s Gemeentestrijders; een Koelheid Hatende Geest wiens Vernuft een Kerk warm maakt; hij is een Onverbiddelijke Bestrijder van Humbug een minzaam Verzachter van Leed; een Nooit Vermoeid Helper van kinderen; een Christus erend Krijgsknecht en een door Christus geëerd Dienaar.

“Op de 1ste Maart I86I, toen Exeter Hall zijn gemeente en hem voor het laatst gastvrijheid bood, zei Spurgeon in zijn preek voor die dag: “Naar de raad van Gods voorzienigheid hebben wij als kerkelijke gemeente reeds herhaaldelijk moeten verhuizen. Binnen deze muren werden wij reeds voor de derde maal gastvrij ontvangen. Ons omzwerven spoedt nu ten einde. Wat ons tot verhuizen dwong, was steeds de drang der genade; soms ook de dwang van het geweten; nu zijn het onze vervulde wensen en gebeden, die, als ik het woord als drang der liefde bezigen mag, dwingen van hier te gaan. Ik ben zeker, dat toen wij het eerst in de Surrey–gardens toevlucht zochten, God met ons ging. Ook Satan volgde ons op de voet, maar het boos bedrijf baatte zijn dienaars niet, de machten der duisternis schoten hun doel voorbij en moesten met beschaamdheid wijken.

Het jammerlijk onheil, waarvan de indruk nooit in mij zal verloren gaan, waardoor de boosheid onze samenkomsten trachtte te vernietigen, is in des Heeren weg een der krachtigste middelen geworden, om op de betekenis en invloed van zulke meer vrije godsdienstoefeningen te wijzen; en ik voel niet de minste twijfel, of die alom schrik en verontwaardiging wekkende gebeurtenis, is de moeder van een reeks van geestelijke zegeningen geworden. De arbeiders op Christelijk gebied, wie het ernst was met het verlorene en verstrooide voor de Goede Herder te zoeken, hebben op ons voorbeeld acht gegeven, en de verblijdende uitkomst gadeslaande, zijn zij onze navolgers geworden.

Terwijl te voren nooit in comediezalen of kathedralen gepredikt werd, zijn nu beide aan de evangelie verkondiging dienstbaar gemaakt. In elk van onze verplaatsingen hadden wij gelegenheid de liefdevolle hand Gods op te merken, en op deze plaats vooral, waar zoveel bewoners van Westelijk Londen de prediking zijn komen horen, die waarschijnlijk er groot bezwaar in zouden gevonden hebben een tocht naar de overzijde der rivier te doen. In deze zaal weten wij, dat de macht van Gods genade menig hard en verhard gemoed verbroken heeft; hier zijn harten vernieuwd geworden en geheel afgedoolden tot de schaapskooi teruggebracht.

“Geeft de Heere, o gij machtigen, geeft de Heere heerlijkheid en sterkte; geeft de Heere de heerlijkheid, die toekomt aan Zijn Naam!” En nu staan wij gereed om op te trekken naar het huis, dat ons God in een weg van zo kennelijke goedheid en gebedsverhoring geschonken heeft, en heden zou ik met Mozes willen bidden: “Sta op, Heere, laat Uw vijanden verstrooid worden en doe hen, die U haten, voor U vlieden.”

Op de 25ste Maart 1862 werd de grote Tabernakel tot de preekdienst gewijd, en dit met dankbare lof aan God, daar het gebouw geheel schuldvrij werd in bezit genomen. Naast God komt de eer van die uitkomst vooral de wakkere prediker toe, die, zonder Staatshulp of zonder om gaven te bedelen, meest door eigen werkzaamheid en zich voor het grote doel geven wist te slagen. Hoeveel arbeid, zorg en angst soms hem dit heeft gekost, is alleen aan God bekend; toch heeft hij op dit punt enkele bijzonderheden openbaar laten worden.

Een liefelijke erkentenis van zijn kant is het, dat hij er, voor de eerste stap te doen in het diepst van zijn ziel van overtuigd was, dat hij een zeer groot werk ondernam, dat alleen van God ontvangen kracht hem zou kunnen doen gelukken. Zo zegt hij ergens: “Ware ons zoeken van een ander bedehuis een kleine zaak geweest, dan had ik misschien in het besef van eigen kracht de hand aan het werk geslagen. Nu was het plan van zulk een omvang, dat ik het wel geheel in Gods hand moest geven en al mijn bekommernissen op Hem werpen. Zo staat dan de Tabernakel als een bewijs zowel van de macht van het gebed als van de vrucht van een hartgrondig en vurig geloof. Het zou een passend opschrift zijn, wanneer het gebouw te lezen gaf: “Vraag vrijmoedig, vertrouw blijmoedig, geniet overvloedig.” Het uitwendige van het gebouw is nu wel geheel de wereld overbekend, bijna zo bekend als het uitwendig voorkomen van de prediker zelf; en evenals al het werk van Spurgeon is ook het kerkgebouw naar zijn grootte en uitwendig voorkomen eenvoudig en goed, enkel, maar ook geheel naar het doel berekend.

Onder de bijzonderheden omtrent de bouw in het geheugen bewaard is ook deze, dat spoedig na de steenlegging door de leraar en een nu even als hij reeds overleden vriend de beginselen van het bouwwerk werden bezocht. Daar te midden van balken, planken en steenhopen verenigden beide mannen zich in gebed, smekende, dat niet alleen het werk voorspoedig mocht voortgaan, maar ook dat de werklieden tot de bouw gebezigd voor ongelukken mochten bewaard blijven. Bij het voltooien van het gebouw mocht een dankgebed opgaan dat beide smeekgebeden ten volle waren verhoord geworden.

Mij zal immer onvergetelijk blijven mijn eerste mede opgaan tot bijwonen van een morgengodsdienst oefening in de Tabernakel. Het is in Engeland en Schotland een goede gewoonte, dat wie recht op eigen plaats hebben, een kwartier voor het beginnen der godsdienstoefening hun plaatsen hebben bezet, waartoe hun door één of meer afzonderlijke ingangen gelegenheid wordt gegeven. Zodra het kwartier voor de tijd daar is, gaan alle toegangen open en is op het tijdstip van aanvangen de gewenste rust in het gebouw algemeen. Reeds een klein uur voor de tijd had ik post gevat onder de honderden, die het opengaan der drie grote hoofddeuren verbeidden. Langzaam onder deze menigte vooruitgekomen, had ik het geluk nog achter in de benedenruimte een zitplaats te bekomen. Welk een majestueuze aanblik was het, die schaar van gewis 7.000 personen te overzien, welke bij de slankheid der steunende ijzeren kolommen, die in zulk een massa nauwelijks in het oog vielen, zich opeens in haar geheel overweldigend aan het oog voordeed.

De vooruitspringende galerij, waarop de prediker, door zijn kerkeraad omringd, zelf geheel vrijstond, kwam wel enigszins aan de omvangrijke ruimte tegemoet, maar voor een volle zilveren stem als die van Spurgeon in die dagen, ware zelfs dit niet nodig geweest. Niet alleen ontging mij op de grote afstand niet één woord, maar welk een welluidende, zich tot alle buigingen voegende, zilveren stem was de spreker gegeven, en door oefening geheel in zijn macht! Gedurende zijn spreken werd onder de duizenden niet het minste geluid vernomen, allen hingen als aan zijn lippen, en ook mij was het een verrassing, toen hij het Amen sprak, en ik nauwelijks geloven kon reeds drie kwartier te hebben geluisterd.

Ook trof mij als vreemdeling zijn uitspraak van het Engels en zijn woordenkeus. Zonder de minste inspanning was hij mij verstaanbaar, en zijn woordenkeus en stijl waren zo naar het geheel van zijn hoorders berekend, dat zeker niemand het bedehuis heeft behoeven te verlaten, die niet zijn rede in al haar onderdelen had kunnen volgen. Zeker daarin lag wel zijn wonderbare macht, dat terwijl de meer ontwikkelde enkel bewondering was over meesterschap over taal en vorm, de eenvoudigste zich nauwelijks bewust werd, dat een grootheid op het gebied der welsprekendheid hem het evangelie had verkondigd. Wel waren het gouden appelen in zilveren gebeelde schalen, die de jeugdige prediker het volk, rijk en arm, geleerd en ongeleerd bood. Wie zal ze tellen, reeds die door zijn levende stem voor hun leven beslissende indrukken ontvingen; en denken wij daarbij aan de duizenden, aan alle wereldoorden, die door zijn schriften zijn toegebracht, welk een schare zal het dan zijn, van wie eens de trouwe dienstknecht zal mogen zeggen: “Zie, hier mij, Heere, en allen, die Gij mij gegeven hebt.”

Toen het gebouw gereed was, was Spurgeon zelf de eerste om te beseffen welke eisen deze ontzagwekkende ruimte aan zijn voordracht stelde. In 1875 zei hij: “Toen ik in de Tabernakel mijn dienst beginnen zou, kon ik niet anders oordelen, of ik zou na zeven jaren niet meer voor de arbeid berekend blijken. Nu heb ik het reeds veertien jaren volgehouden, maar veel langer zal het ook wel niet kunnen duren.” Meer dan nog eens veertien jaren heeft God hem tot volhouden bekrachtigd, en als wij nu dat vier maal zeven in rekening brengen, en zijn lichaams toestand in 1891 bij die van 1861 vergelijken, kunnen wij het dan wel anders dan genade noemen, dat de Heere hem nog in de volle glans der ere, door de liefde en gebeden van duizenden omringd, tot Zijn rust en heerlijkheid heeft doen ingaan, voor hij zich zelf overleefde, en bij zijn lichaams smarten nog de pijn van het gevoelen van dit zichzelf overleven door hem gekend werd! God is liefde; in zijn geven en nemen is Hij dezelfde; in aanbidding en dankzegging worde door ons zijn naam geloofd.

Het luttel ledental van de in Parkstraat steeds meer wegsmeltende Baptistengemeente is nu tot 5.328 geklommen. En hiermee worden niet uit gewoonte bloot vormelijk aangeslotenen bedoeld, waarvan een groot deel zich verder niet meer om kerk– en eredienst bekommert, maar geldt alleen van zulken, die bereid zijn hun aandeel te nemen aan het kerkelijk gemeenteleven door hun gaven en door het deelnemen in de gemeentearbeid waar te maken en te bezegelen. Dit grote beginsel, dat in staatskerken gedood is door het lidmaat zijn tot voorwaarde stellen om enig regeringsambt of post te verkrijgen, heeft op de gemeentevorming de noodlottigste invloed gehad, in ons vaderland gelijk overal daar buiten. In staatskerken kon het nauwelijks anders, of de predikanten gevoelde in hun dubbelzinnige positie steeds neiging om zich in te laten met zaken van Staatsbestuur, daarbij steunende op de zedelijke invloed door hen op tal van burgers geoefend. Een natuurlijke terugwerking hiervan was, dat Staatslieden niets onbeproefd lieten om het getal kerken en predikanten, tot gemakkelijker beheersing, zo klein mogelijk te houden. Vandaar ook in onze Nederlandse Hervormde kerken en het getal kerken en predikanten geheel onevenredig tot dat der zogenaamde lidmaten en onder deze laatsten een heirleger onverschilligen als nageslacht van Hervormden alleen om des staatsambts wille.

Dat bij ons de toestanden nog zijn, zoals ze zijn, en waar, daar een Staatskerk was of is, zijn ze beter? is noch aan onze eerste Koning, noch aan de personen uit zijn tijd, maar aan de wanverhoudingen van vorige eeuwen te wijten. Deze waren niet door een blote wijziging van vormen of kerkscheuren te genezen, maar zijn dit alleen door de werking van de Heilige Geest, die meestal, evenals in de natuur zich door langzame maar gezonde ontwikkeling kenmerkt. Zolang in onze grotere gemeenten de predikanten onder massa’s van tienduizenden zowat zendelingswerk voor hun goedgezinden verrichten; daarbij afzonderlijk en zonder enigen levensband met wijken van alweer duizenden voor bezoek bezwaard; moge dat juist zijn wat vroegere Staatslieden in hun belang de besten kerkvorm rekenden, naar de maatstaf van het gezond verstand en van het Evangelie is het een met onvruchtbaarheid slaan van de akker van het gemeenteleven.

Zoeke men toch de oorzaak van het kwaad en van de ellende, waar die ligt, in eeuwenlange onderdrukking van een vrij en door vrijheid heilig gemeenteleven. Een man van de werkdadigheid en invloed van Spurgeon is in onze Nederlandse Hervormde kerk nooit mogelijk of zelfs denkbaar geweest, maar daarom ook nooit een zo innig geliefde, voor wie maanden lang wekelijks de gebeden opklommen tot de troon der genade. Geen vervolging of inkwisitie is het ergste kwaad voor de gemeente van Christus, die onder de druk te krachtiger wordt en wast, maar een staatskerk, die onder de schijn van bescherming het leven in een dwangbuis belemmert en smoort, en zelfs na althans vormelijk vernietigd te zijn op elk onderdeel van het gemeenteleven nog belemmerend en verdrukkend blijft doorwerken.

Toen bij de aanwas der gemeente Spurgeons arbeid groeide, werd hem niet de keus gelaten om heen te gaan of zijn werk ten halve en slecht te doen, maar werd hem naar de behoefte eerst zijn broeder J. A. Spurgeon en later de predikant W. Stott, behalve een tal van betaalde en vrijwillige helpers terzijde gesteld. De gemeente, haar hoogst belang begrijpende, deed wat elke regering doet voor leger en vloot, al kost dit miljoenen schats, en wat ieder fabrikant doet in zijn fabriek; zij regelde de werkkrachten naar behoeften en doel, niet tevreden voor een klein hoopje kerkgangers te zorgen en duizenden aan toeval prijs te laten of geheel te verwaarlozen.

Voor Spurgeon was de beroeping van zijn broeder van onberekenbaar belang. Bij een gedurige vertakking en uitbreiding van het gemeenteleven was voor hem preekhulp niet het voornaamste, maar betere steun. Ook de predikant J. A. Spurgeon mag onder de begaafde predikers genoemd worden, maar hij is bovenal een man van zaken, de man, wiens arbeid niet zo in het oog valt, maar wiens bekwaamheid en zorg de moeite van het inwendige raderwerk evenredig maken aan de uitwendige omvang. Bij een zich geheel geven aan zijn roeping kon Charles steeds zeker zijn, dat het voor hem onmogelijke door zijn broeder James onverbeterlijk werd behartigd. Het worden der gemeente van de Tabernakel wat zij nu is, en God geve voortdurend blijve, is voor een groot deel te danken aan het zo elkaar voortreffelijk aanvullen der beide broeders. In de predikant Stott hadden beiden weer een medewerking van anderen aard. Zeker weinige personen waren in de goede zin meer populair dan de overleden leraar, maar nog meer dan hij is Stott een uitgelezen man voor de lagere klassen van Londens gemengde bevolking. Wat een meer verfijnde smaak in zijn spreekstijl en beelden afkeure, het volk verstaat hem en draagt hem op de handen ter wille van zijn blanke oprechtheid en edele zelfverloochening en zelfopoffering.

Gewis Spurgeon was een ideaal als herder en leraar, maar ook het kerkelijk gemeenteleven in de Tabernakel, gelijk het onder de bezieling van zijn geest zich als van waarachtig leven doordrongen vormde, is een ideaal. Ieder der gemeentebestuurders bewees zich door arbeid wat hij heette, maar ook van de 5.000 gemeenteleden durf ik mij zeker houden, dat ieder zijn lidmaatschap door het delen in gemeentearbeid en niet enkel door een dood prijken op een kerkelijk register bewijst.  Van onder naar boven ontwikkelt zich alle groei, en daarom moet zich ook veronachtzaming der mindere standen in de gemeente door allerlei tekenen van dood en verdorring in de toppen openbaren.

Wat tot het eigen innerlijk gedeelte van het kerkelijk gemeenteleven in de Tabernakel behoort, laat zich wel het best bij de behandeling van elk onderdeel bespreken. In de grote bijenkorf der gemeentewerkzaamheid is daar nimmer rust of stil stand. Vandaar dat ook buiten eigen grens als vanzelf dat leven zich helpend openbaart. Een niet onbelangrijk aantal gemeenten en zendingstations worden ondersteund in haar hebben van Zondagsscholen en verwaarloosden–scholen, van tractaatverspreiding en het hebben van onthoudersverenigingen voor volwassenen en kinderen in verband tot het kerkelijk gemeenteleven. Voor zoveel wij weten levert de geschiedenis van Christus’ kerkelijke gemeenten geen tweede voorbeeld, dat zich om één man als allen bezielend middelpunt zovele filantropische en godsdienstige ondernemingen hebben gevormd.

In navolging van een zo groot en scherpzinnig man als de Schotse wijsgeer Carlisle noemden wij Spurgeon “de laatste der Puriteinen,” en wij deden het, er een eretitel in ziende, die hij zelf niet zou geweigerd hebben als eretitel te aanvaarden. Nooit echter is de gedachte op die manier in één woord gelegd volkomen juist. Wat Carlisle bedoelde is evenwel zeer verstaanbaar, hij wilde in één woord uitspreken, dat niemand onder Spurgeons tijdgenoten zijn geest met gelijke geestdrift en volharding zo gevoed heeft met het manna en merg der waarheid, ons in de geschriften der oude Puriteinse Godgeleerde nagelaten. Hoe groot bewonderaar der Puriteinse godgeleerdheid hij was, heeft Spurgeon herhaaldelijk zelf uitgesproken en dit deed hem tot zijn studenten zeggen: “Gaat tot hen, gelijk een muis tot een vette kaas, eet uzelf in alle richtingen door hen heen, en gij zult u doorvoed en krachtig gevoelen.”

Hiermee is niet gezegd, dat Spurgeon met al de vormen, met al de verdelingen en onderverdelingen dezer vormen dweepte. Niet alleen heeft hij het verouderde in hen nooit verdedigd, maar het meer nog door eigen schrijfwijze veroordeeld, doch onderscheidende tussenvorm en wezen, eerde hij hun trouw aan de hoofdwaarheid van het evangelie, hun daarin zoeken van hun wapens en kracht, hun martelaarsgeest, niet alleen door woord en geschrift maar in hun daden geopenbaard.

Het is gemakkelijk de spot te drijven met de onwil der Puriteinen en Non–conformisten om in de kerk priestergewaden en misgebaar en al wat de leraar priesterlijk tussen God en het geweten van de Christen stelt, te dulden; zij, die een voor allen open Bijbel eisten en geen heerschappij over het persoonlijk geweten en geloof verdroegen, konden wel niet anders dan hun beginsel tot het uiterste drijven, om niet, toegevende, voet voor voet weer in het door hen zo streng veroordeelde spoor gedrongen te worden.

De bekende schrijver Charles Kingsley merkt bovendien terecht op, dat de eenvoudige stijl van kleding der Puriteinen op opmerkelijke wijze in de maatschappij heeft gezegevierd. Welk man van hoger stand en aanzien zou er nu aan denken zich zo te kleden als de koningsgezinden in de dagen van Karel de Tweede deden? Ook zal de godgeleerdheid der Puriteinen, ontdaan van de gebreken van taal en stijl, door innerlijke levenskracht blijven, omdat het een voorstelling der geopenbaarde waarheid is, die zich door geen andere laat verdringen. Het uitwendige der evangelie prediking zal blijven wisselen, omdat de spreektaal levend is en met de eeuwen van gedaante verandert, maar het evangelie zelf, de inhoud der prediking, duldt geen verandering, of het houdt op “de blijde boodschap van verlossing en zaligheid” te zijn.

In zover dus de inhoud en vorm der Puriteinse godgeleerdheid wortelt in het Nieuwe Testament en het wezenlijke daarvan weergeeft, mag Spurgeon Puritein genoemd worden, en past die naam voor allen, die terwijl zij niets willen weten dan Christus en die gekruisigd, toch met de Puriteinse belijdenisvorm in overeenstemming willen blijven. Wat toch anders is het eigenlijke wezen van het Puritanisme dan het hoofdbeginsel der Protestantse belijdenis: “Geen ander gezag in de gemeente dan Gods Openbaringswoord, het recht van het geweten om allen naar dat Woord zich te richten, de volkomen genoegzaamheid van Christus verlossingswerk, zoals de Heilige Geest zich de gelovige daarvan deelgenoot kennen doet. Indien het vasthouden aan deze hoofdbeginselen zo niet tot de laatste, dan toch tot een echte Puritein stempelt, dan telt gelukkig de Christenwereld nog duizenden welke met hen die naam als een erenaam wensen te dragen.

Spurgeons godgeleerde opvatting der waarheid is algemeen genoeg bekend, want nooit heeft het hem aan de moed ontbroken om zijn geloofsovertuiging duidelijk en onbewimpeld uit te spreken. Juist dit beslis– te in zijn prediking won hem hoorders. Zovelen waarlijk op godsdienst prijs stellen, dulden in de prediker geen aarzeling of dubbelzinnigheid, maar willen weten wat zij aan een voorganger hebben. In zijn “Sermoenen in kaarsen” verhaalt Spurgeon een bijzonderheid rakende het tegenwoordig omzwaaien met alle wind van lering, die hij graag tot waarschuwing meedeelde. Een hem bekend predikant was reeds meer dan eenmaal door verandering van inzichten tot een andere kerkgemeenschap overgegaan, zodat Spurgeon bij een weer ontmoeten doorgaans de vraag deed: “Wel, waar zijt gij nu?”

Op die vraag antwoordde zijn slachtoffer ten laatste: “Hoor eens, ik vind dit vragen ongepast, gij zijt er mij de laatste maal ook al weer lastig mee gevallen.” “Heb ik? Maar, zeg op, waar zijt gij nu?” bleef de vrager dringen, en de man was genoodzaakt te belijden, dat hij alweer tot anderen was overgegaan. Zeker, wie anderen onderwijst in het hoogste en aangelegenste moet groeien, maar er zijn op openbarings– en geloofsgebied zaken, die men niet ontwassen kan. Geen muziek beoefenaar kan de wetten der harmonie ontgroeien, noch een wiskundige de tafel van vermenigvuldiging. Op ieder gebied is het niet mogelijk de grenzen van een gezond groeien te overschrijden, zonder in een of ander opzicht misvormd en wanstaltig te worden.

Een man tot oordelen gerechtigd getuigt van Spurgeons prediking en zijn invloed als prediker: “In frisheid en forsheid van gedachte, in eenvoud en zuiverheid van taal, in helder vatten der evangelie waarheid, en in de nadruk, waarmee hij deze voordraagt en tot het geweten brengt, is hij misschien enig. Van jaar tot jaar werd zijn spreken schitterender en machtiger, zonder dat er in enig opzicht blijk van achteruitgang of uitputting was. Ongetwijfeld is het bereiken van dit zo hoge standpunt niet minder aan ernstige studie dan aan natuurlijke aanleg en oprechte vroomheid te danken. Wat hem in mijn oog van ieder ander prediker onderscheidt, is de onuitputtelijke verscheidenheid, welke zijn preken kenmerkt.”

Dezelfde beoordelaar zegt nog: “Hij behandelt zijn preektekst met zo blijkbare eerbied en waardering, als waren de door hem gekozen woorden de enige, welke God ooit door profetenmond als openbaringswoord gesproken had. Zijn tekst, en die als bij uitsluiting is de kiem, welke leven, geest en wezen aan zijn rede schenkt. Ieder van zijn preken ontleent een bijzondere geur en kleur aan het goddelijke waarheidszaad, waaruit zij als geboren en opgegroeid is. Naar zijn opvatting ligt de preek in de tekst als een bloem in de zaadkorrel verborgen; een deze zaken machtig spreker heeft niets meer te doen dan die bloem zich vrij te laten ontwikkelen. Dus beschouwd, is de Bijbel een voorraadschuur van waarheidszaden, die in rijkdom en afwisseling onuitputtelijk is; en omdat Spurgeon als prediker van dit geloof doordrongen was, zijn geen van zijn preken aan elkaar gelijk. Hij moge u bij de oude waarheden opnieuw bepalen, maar altoos geeft hij ze u van een andere zijde, of in een nieuw licht of onder andere omgeving te beschouwen.”

Eens vroeg iemand, zelf predikant, aan een der vereerders van de grote prediker: “Waaraan schrijft gij toch zijn grote opgang toe?” De wedervraag was: “Hebt gij de door hem uitgesproken delen preken doorlezen?” “Neen,” was het antwoord; “wie kan zulk een stroom doorworstelen?” “Zeker,” hernam de ander, “het is geen lichte taak, maar beter dan van mij zou u het rechte antwoord geworden. Eigenlijk moest het voor iemand, die zelf prediker is, geen zo moeilijke taak zijn, daar er juist voor deze zo ontzaglijk veel uit te leren valt. Ongetwijfeld is ook onder zijn preken, de een verreweg beter en schoner dan de andere, maar er is er niet een, die u niet doet begrijpen, hoe zulk een spreker zijn gehoor beheerst en behoudt.”

De schrijver Paxton Hood, die groot gezag heeft, wat het beoordelen van kansel welsprekendheid aangaat, zegt het volgende van wat met hem ieder als een der verwonderlijkste gaven in deze prediker ontdekt heeft, zijn stem: “Zijn stem is een, die eenmaal gehoord, nooit vergeten wordt. Welk een welluidendheid, gepaard aan volkomen ondergeschiktheid aan de wil van de spreker. Welk een omvang van geluid, gepaard aan die hartversterkende liefelijkheid, welke in het gemoed met onvergankelijke bekoorlijkheid blijft naklinken!” Niemand kan betwijfelen, dat op het gebied der welsprekendheid de stem voor veel gelden mag en moet. Spurgeons stem heeft een verbazingwekkende omvang; haar golven rollen met verwonderlijk gemak over de grootste mensenmassa heen, en dit met de helderheid van een schoon klokgeluid. Zijn stem toont zich, evenals hij zelf, onafhankelijk van zenuwindrukken en zenuwaandoeningen. Het is een stem, die de kracht van een bazuin aan die van een liefelijk speeltuig paart.

De stem van andere redenaars moge nog doordringender zijn geweest, nog meer accent hebben bezeten nog verstaanbaarder hebben kunnen fluisteren; maar nooit hoorden wij of hadden wij begrip van een stem, waarin zich zo de majesteit van het geluid des donders deed horen. Ik heb Spurgeons stem vergeleken bij een trompet, juister nog bij een klok; toch is het niet een volkomen en als afgesneden klokslag, want de tonen rollen door en versterven niet. Vele toonschakeringen zijn in zijn stem niet, maar alle zijn ze vol en wegslepend, en geven de indruk van een wilskracht en karakter, dat door zijn grootheid en meesterschap ontzag inboezemt.

“Als redenaar schittert Spurgeon door meer dan één buitengewone eigenschap, maar vooral door de gave van altijd verstaan te worden, van steeds de juiste toon te treffen, zodat hij een vergadering van personen, hoe groot ook, met zijn stem als weet te omvangen en in gespannen aandacht te houden. Het is reeds een gezegde uit de oude tijd en een waar woord, dat de stem de man tekent; dat zijn ziel en karakter zich afspiegelen in zijn stem, zodat een stem, die zich door volheid van toon kenmerkt, een volle en invloedrijke natuur openbaart.

In 1867 heeft Spurgeon zich onderscheiden door een spreken, dat met recht enig mag heten. De Agriculture Hall in Islington wordt gerekend 30.000 personen als hoorders te kunnen bevatten. Weinige predikers zijn zeker in staat geweest, zulk een mensenmassa als spreker van de aanvang tot de einde te boeien. Waarschijnlijk zouden in dit voor spreken zo weinig gunstig gebouw de grootste sprekers van vroeger en later dagen zijn te kort geschoten en hun gehoor hebben teleurgesteld, maar met schijnbaar luttel inspanning heeft Spurgeon zelfs voor die taak zich berekend getoond.”

Dezelfde beoordelaar schrijft omtrent Spurgeons stijl: “Het is over het geheel een gelijkmatige stijl, ofschoon ieder licht begrijpt, dat op dit algemeen karakter schitterende uitzonderingen zijn. Zijn stijl heeft door en door een echt Engels karakter en getuigt van een zeer grondig bestuderen der beste voorbeelden, vooral in zover die de evangeliedienaar voor zijn bijzondere welsprekendheid kunnen dienstbaar zijn. Zijn zinsbouw is in zuiverheid en gespierdheid, bij het gebruik van een Saksisch Engels, die van Bunyan en Milton evenarend. Zonder ooit lang of gerekt te zijn, zijn zijn zinnen vol en welluidend. Zulk een zinsbouw kenmerkt een bij het spreken bewogen gemoed en vuurgloed des harten.

Ieder groot en oorspronkelijk prediker heeft ontmoetingen of ziet zich getroffen door voorvallen, die nu eens lachverwekkend, dan weer treffend en hoogst aandoenlijk zijn. In het leven van Spurgeon behoort tot de eersten een bijzonderheid, die hij in zijn “Sermoenen in kaarsen” meedeelt. In zeker kerkgebouw, waar hij predikte, was de preekstoel buitengewoon eng en stonden daardoor de kaarsen, zo nabij de prediker, dat een wat levendige gesticulatie bijna onmogelijk was. Geruime tijd nam Spurgeon zich in acht voor het gevaar de kaarsen te raken, maar meer in vuur gekomen, daar kreeg een der lichtaanbrengers zulk een getuigenis van des sprekers geestdrift, dat hij uit de kandelaar met plotselinge vaart naar beneden tuimelde. Ongelukkig zat op het plaatsje, waar de kaars neerkwam, iemand met zijn rug naar de preekstoel. De man had dus zelfs geen gelegenheid gehad het hem dreigende gevaar te vermoeden en ziet, daar kwam te midden van zijn zeer aandachtig luisteren de vlammende kaars op zijn geheel kalen schedel. Geen wonder, dat hij met evenveel schrik als verbazing omzag en opsprong. “Nog zie ik,” zegt de prediker, “dat gelaat, en de mengeling van ontzetting en gramstorigheid, die er uit sprak, zodat ik niet kan nalaten te glimlachen, zo dikwijls het mij voor de geest komt.

Toen het gebeurde, begreep ik terstond, dat het wijs was er zo min mogelijk nota van te nemen en er alleen voor mijn rede voordeel mee te moeten doen. Ik zette mij daarom terstond over het lachwekkende der gebeurtenis heen, en geloof, dat de meeste van mijn hoorders de er uitgetrokken toepassing toestemden: “Ziet, hoe de heerlijkheid van dit leven in een punt des tijds kan te gronde gaan!”

Van geheel andere aard was, wat voorviel, toen hij eens naar aanleiding van de woorden: “Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij mij verlaten,” gesproken had. (Ps. 22:1.) Hij gevoelde zich op dat tijdstip zeer onwel en leed aan innerlijk diep gevoeld verdriet, zodat zijn eigen lichaams– en zielstoestand zich onwillekeurig duidelijk en machtig in zijn woord afspiegelde. Toen hij in de kerkkamer gekomen was, volgde hem daar bijna ogenblikkelijk een man, die krankzinnig scheen, maar, zoals bleek, enkel aan de uiterste radeloosheid ten prooi was, en door het aanschouwelijk spreken van de prediker in buitengewone opgewondenheid en strijd verkeerde. De ongelukkige stortte zijn hart uit aan het hart van de leraar, die hij gevoeld had, dat hij hooggaand leed zou kunnen begrijpen. Spurgeon hoorde hem aan en verstond nu zelf, dat zijn eigen lijden hem met een heilig doel getroffen had.  Vijf jaren later ontmoetten beiden elkaar opnieuw, en de leraar vernam toen, dat de man, die in zijn wanhoop zich van God en mensen verstoten en verlaten achtte, in Christus verzoening gevonden had en daardoor zich in de vrede Gods verblijden mocht.

Dat aan een eenvoudig en oprecht geloof de macht mag toegekend worden, die de Heere (Matt. 17:19–20) voor alle tijden er aan heeft toegeschreven, bewijst ook de volgende verblijdende ontmoeting, die Spurgeon met een arme lijder had. Een jongeling, die aan verlamming leed, hield zich vast overtuigd, dat als maar de predikant Spurgeon tot hem komen en met hem bidden wilde, Gods genade hem zeker herstel zou schenken. De altijd tot hulp bereidde leraar werd dit verlangen niet tevergeefs overgebracht, en hij gaf daaraan gehoor, van oordeel, dat zo al geen genezing volgen mocht, zijn bereidwilligheid tot komen, en zijn spreken en bidden de arme lijder tot zegen zou kunnen worden. Hij bad met de knaap en de kracht keerde tot de jongeling weer, zodat hij gezond werd en nog jaren daarna door handenarbeid zijn brood winnen kon. “Geen wonder, in de hogere betekenis van het woord, was geschied,” zegt de leraar, “maar de jongeling ontving naar zijn geloof en mijn gebed.” Wie zal durven bepalen, in hoever het geloof en in hoever Gods genade aan de uitkomst deel had? “Gij ontvangt niet,” zegt Jacobus, “omdat gij kwalijk bidt;” een uitspraak even stellig als die andere: “die bidt, die ontvangt,” waarin wel het kwalijk, ongelovig, dwingend bidden niet mede is ingesloten. Zonder een: “niet mijn maar uw wil geschiedde,” is geen gebed een goed en waarlijk bidden te achten. Met goede grond mogen wij ons overtuigd houden, dat hoeveel uit de tijd der middeleeuwen onwaar en versierd als wonderverhaal wordt opgedist, bij meer eenvoud ook werkelijk menige geloofsgenezing op het gebed heeft plaats gevonden.

Ik heb nu nog een bijzonderheid mede te delen, in anderen zin potsierlijk dan die van de vallende kaars, en die, voor ieder, “Wie Neerlands bloed door de aderen vloeit” iets ergerlijks zou kunnen hebben, wanneer hij voorbij ziet, welk een ruime betekenis het woord Dutchman in Engeland en Amerika heeft. In de mee te delen anekdote is onmiskenbaar de hoofdpersoon een Hamburger; gelijk in het nummer van 21 Januari van de Union Signal, Mevrouw Elisabeth Cumming een verhaal doet betreffende een dienstmaagd, die haar jaren trouw had gediend, “a Dutch girl” uit de buurt van Stuttgart. Het meisje had verkering met een jongeling uit dezelfde buurt, die ook naar Amerika was gegaan. Beiden waren Rooms–katholiek. De jonge man scheen oppassend, maar zodra waren zij niet getrouwd, of de man toonde zijn ware aard. Hij dronk, maakte al de spaarpenningen van zijn vrouw op, verteerde al zijn verdiensten zonder haar een penning voor haar en haar kind te laten. Na twee jaren nergens meer werk kunnende krijgen gaf de man gehoor aan de raad om naar Zuid–Dakota te gaan. Hij ging vooruit, en spoedig daarop, toen hij er werk gevonden had, hielp Mevrouw Cumming de vrouw hem te volgen. Toen deze haar bij het scheiden troost en moed insprak, zei zij:

Don’ you worry apout me, I clad to go vere dere is no visky solt, if it pe so as you say.” (wees over mij niet bezorgd, ik ben blij te gaan naar een Staat, waar geen whisky verkocht wordt, wanneer het daar zo is als u gezegd heeft.”)

De Dutch, die vooral in Amerikaanse boeken bespottelijk worden voorgesteld, zijn altijd personen, die b en p, t en d enz. verwisselen, dus een ook bij ons wel bekend soort van Duitsers. En wat nu werkte Dakota’s verbodswet? De man zelf verheugde zich in zijn gedwongen onthouding, zodat de vrouw al spoedig haar geluk niet te zeer roemen kon.  Zij schreef aan haar vorige Mevrouw, dat zij weer goed in de kleren zat, dat meubelen en huisraad weer aardig bijkwamen, en dat een waarlijk nieuw leven voor haar was aangevangen.

Het zo dikwijls op onze natie toegepast spreekwoord: “Dutch courage,” (jenevermoed) acht ik op deze gronden ontleend aan de arme Duitsers, die door de vorsten van kleine staten voor hun paleizenbouw als slachtvee aan Engeland werden verkocht. Dat deze arme bannelingen, als zij bij voorkeur voor kanonnevlees gebruikt werden, in nuchtere staat weinig lust hadden om zich te laten doodschieten, is wel zeer begrijpelijk. Zij werden eerst handelbaar, als zij door drank zo beneveld waren, dat zij niet wisten wat zij deden, ofschoon zij ter slachting gevoerd werden.

Welk een geheel andere wereld zou het zijn, als krijgszuchtigen de standen, waaruit de gewone soldaat is, minder als slachtvee beschouwden. In vredestijd moet hun zich dronken drinken het groter deel der kosten van leger en vloot op de gemakkelijkste wijs doen vinden; en zien sterke regeringen haar kans om met voordeel oorlog te voeren schoon, dan worden de velden gedrenkt met het bloed der duizenden, die eerst om oorlog te kunnen voeren met drank en bier gedrenkt geworden waren. Uit de Heilige Geest is zeker deze staathuishoudkunde der Christenvolken niet. Och, mochten zij in wier hand het lot van natiën is, meer in oprechtheid bidden: “Leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van de boze.

“Doch keren wij tot onzen Hamburgse Dutchman terug. Spurgeon ontving van hem een schrijven, dat hij tot daartoe diens preken met de grootste stichting en nut gelezen had. Doch welk een ontdekking had hij gedaan! Hij had uit een afbeelding gezien, dat iemand, die zo preken kon, o ergernis, een knevel droeg. Nu kon hij diezelfde preken niet meer met genot of zegen lezen, en hij bad hem dus dat ergerlijke baarddeel te willen verwijderen. Vrezende, dat de overtreder der betamelijkheid wat hardnekkig kon blijven, voegde hij er de afbeelding van zijn predikant aan toe, iemand bij wie het kleinste baardhaartje was weggeschoren en wiens dus geestelijk gemaakt hoofd, op een zeer brede witte ringkraag van enige verdiepingen rustte. Die ringkraag is nog een deel van het ambtsgewaad van Hamburgs predikanten, en dus gelukkig is de schrijver van de dwaze brief niet in Nederland te zoeken.

Toch mogen wij niet vergeten, dat Spurgeon hier omstreeks die tijd niet veel heuser, misschien zelfs minder heus zou bejegend zijn door de personen, die een predikant met baard zonder knevels “koetsier”, en bij een wat veel wit vertonend vest “een opengesneden varken” noemden. Gewoonten en gebruiken wisselen. Waar zijn de snuivers gebleven? Mochten zo ook de drinkgewoonten door waarlijk christelijke maatschappelijke gewoonten worden overwonnen en verbannen.

Van moeilijker ervaringen bleef de voor ieder toegankelijke leraar niet vrij. In zijn studeerkamer werd zo eens iemand toegelaten, die in zeer gevaarlijke mate krankzinnig bleek. Hij stroopte zijn mouw op bewerende dat zijn arm geheel verdord was en dat dit Spurgeons werk was, waarvoor hij hem met een dadelijke dood bedreigde. De leraar zocht hem tot bedaren te brengen en dit gelukte in zover, dat de waanzinnige zei: “Je schijnt me een goede kerel, en ik heb geen lust om je dood te maken. Heb je bij geval ook een broer? “Ja,” hernam de predikant, zich ten volle bewust, van het gevaarvolle van de toestand; “die kan het wel zijn.” Misschien wel,” zei de man een ogenblik aarzelend, maar hervatte zich plotseling en zei: “Neen, gij hebt het gedaan.” Nu richtte zich Spurgeon opeens op en zei met donderende stem: “Wat durf je zeggen, dat ik gedaan heb? Ellendige nieteling, pak je weg, of…

Nog had hij niet uitgesproken, of de verschrikte was reeds de kamerdeur uit, en de deur werd met spoed door de bedreigde van binnen verzekerd. De arme krankzinnige werd spoedig daarop gevat en in verzekerde bewaring gebracht. Had zich de predikant minder kordaat getoond door het bewaren van zijn tegenwoordigheid van geest, zijn leven ware in overgroot gevaar geweest.

Diezelfde gevatheid toonde hij op andere wijze tegenover een jongmens, die zijn familie door zijn loszinnige wijze van leven groot verdriet veroorzaakte. Toen hij deze eens ontmoette en de jongeling zich reeds op een erge strafpreek had voorbereid met het stellige voornemen die langs zijn koude kleren te laten aflopen en zich om geen vroom gefemel te bekommeren, stond hij enigszins bevreemd; toen het gesprek begon met de op schijnbaar losse toon gedane vraag: “Gij zijt een liefhebber van het bijwonen van wedrennen, als ik mij niet bedrieg?” Zeker, daar ben ik dol op. “Uitmuntend. En gij houdt zeker honden ook?” Ja.” Wel, dat verblijdt mij. Ga op die wijs voort, zo snel als gij slechts kunt. Wanneer gij er alles hebt doorgelapt, zult gij u misschien geschikt en willig achten, eens over een ander leven te gaan denken.”

De jonge man, die zich op een preek bereid had, waaraan hij zich in het minst niet storen zou, stond verbaasd zo te worden toegesproken, begon er over na te denken en toonde de mening van de leraar gevat te hebben, door terstond zijn leven te beteren.

Een lomperd uit hogere kring was eens zo onbeschoft om tot Spurgeon te zeggen: “Ik doe meer nut in de wereld dan gij. Gij verkondigt maar meningen en ik breng geld in omloop door aan wedrennen mee te doen.” Wel, hernam de prediker, “wanneer dit het geval is, dan zijt gij misschien de man, die een raadsel weet op te lossen, waarmee nog niemand raad wist. Waarom houdt de duivel er geen exprestreinen naar de hel op na?” “Ik geloof aan geen duivel noch aan een hel, en weet dus op deze vraag niet te antwoorden.” “Wel dan zal ik het u zeggen, omdat hij weet, dat de liefhebbers van wedrennen de weg nog veel sneller afleggen.”

Misschien heeft Spurgeon zelden opmerkelijker rede gehouden dan bij het leggen van de gedenksteen van de Devonshire Square kerk, te Stoke Newington. Een vroegere predikant in deze kerk was John Macgowan, een door John Wesley bekeerde. Deze schreef een boek: “Samenspraken van duivels,” een werk, dat eens hoog in de volksgunst stond, maar nu niet meer in de smaak valt. De kerk staat op de hoek van een straat en op de tegenoverliggende hoek staat een tapperij. De toenmalige Mayor der plaats volbracht de formaliteit van de steenlegging en verzocht daarop Spurgeon een woord te willen spreken.

Deze zei toen: “Deze kerk heeft een merkwaardige geschiedenis. Een van haar leraren was John Howard Hilton en een andere John Macgowan, de schrijver van “Samenspraken van duivels.” Het is mij, of ik heden een van die samenspraken verneem. In des duivels rijksgebied komt de mare, dat er te Stoke Newington iets bijzonders aan de hand is. Beëlzebub zegt tot een van zijn trawanten: “Ga heen en zie eens wat zij daar uitvoeren.” Bij zijn terugkeren boodschapt deze: “Zij leggen er de gedenksteen voor een nieuwe kerk.” Dat is slecht nieuws voor ons rijk. Ga en meld mij er meer van.”

Het nader verslag is: De Mayor der stad is er bij tegenwoordig.” Best, best! Een aan de staat verbonden kerk bracht nooit veel bijzonders tot stand. Alle kerkpatronaatschap is voordeel voor ons. Ga en zie nogmaals.

“De bode komt opnieuw en deelt mede: “Op de andere hoek der straat is een tapperij.” Best,” hernam nu Beëlzebub. “Die kerk zal ons niet hinderen.  De kerk, die op de staatsmacht vertrouwt en de buur van een kroeg kan zijn, kan niet bloeien en is van meet aan met onvruchtbaarheid geslagen.”

Op deze eigenaardige inleiding liet de spreker een hoog ernstige en krachtige rede volgen. Hij kende de omstandigheden, die hem vrijmoedigheid gaven tot zo krasse inleiding en wees op beide gevaren voor een werkelijk voor het Godsrijk vruchtbaar kerkelijk leven. De band tussen staat en kerk is bijna overal tot een spinragdraad geworden, maar ook zo leven nog de bittere gevolgen van een leven smorend kwaad voort. Het tot buur hebben van de fatsoenlijke of gemene kroeg echter is nog bijna geen kerkelijke gemeente tot ergernis. Hoe weinige gemeente opzieners hebben de moed zo op Gods zegen te rekenen, dat zij het onreine geld als bloedgeld verafschuwen. Onlangs zei Moody tot een brander in Schotland, die met welgevallen verhaalde, dat hij 160.000 voor kerkbouw had gegeven:

“En meent gij, dat gij daarmee de schuld hebt afgekocht, die door uw zielen moordend bedrijf op u rust?” Terwille van geld en mensengunst houdt zich nog bijna elke kerk onwetend van de zielenmoord, die de drankhandel onder haar gedoopten aanricht.

Het Pastors College

De Hogere school tot opleiding van jonge mannen, die reeds in vrije evangelisedienst, daarvoor aanleg en roeping toonden.

Spurgeon was geen volmaakt mens. Niemand, die dat dieper gevoelde en oprechter erkende dan hij zelf. Ook vereist het waarlijk niet veel mensenkennis om met en zonder vergrootglas de gebreken te ontdekken van iemand, die zo in het openbaar leefde en altijd zo geheel zichzelf gaf. Met te meer vrijmoedigheid zeggen wij daarom van hem, die een zo uitnemend door de Heere uitverkoren arbeider voor zijn koninkrijk gebleken is, dat hij een groot, een zeldzaam groot man was. De eenvoud, goedhartigheid en belangeloosheid door hem tot het einde betoond, zijn grondtrekken in zijn karakter, die aan al zijn spreken en arbeiden een luister geven, welke hem evenzeer een voorwerp der hartelijkste genegenheid als van eerbiedige verering hebben gemaakt.

Er is in de volle ontplooiing van zijn gaven een veelzijdigheid en tevens volkomenheid van elk der delen, die het bezwaarlijk maakt enig deel als het uitnemendste te kiezen. Alles hangt samen, zodat bijvoorbeeld, het Pastorscollege zich niet zonder de zelf uitnemende prediker en herder denken laat. Zonder daarom dit college van het overige te scheiden, of het boven zijn prediken te stellen, is het toch in mijn schatting de kroon op zijn evangeliedienst; gelijk ik mij bewust ben niet te sterk te spreken, wanneer ik zeg, dat deze stichting de stichter lief was als de appel van zijn oog.

Op zichzelf zie ik er niet veel bijzonders in, dat een knaap van zestien jaar zich zonder voorkennis van zijn ouders opnieuw in een rivier laat dopen, omdat hij oordeelt het Griekse woord voor dopen beter dan anderen te hebben verstaan. Voor mij ontleent deze daad betekenis uit het wereldbestuur van Hem, die als overwinnaar des doods en de uit de doden verrezene alle macht heeft ontvangen in de hemel en op aarde.  Alles, wat op het gebied des geestes voorvalt, in dit licht beschouwende, kunnen wij niet meer haten, die ons vervolgen en zullen wij zegenen, die ons vloeken; maar ook in al het kleine, dat tot grote uitkomsten leidt, het heilig bestuur eerbiedigen en aanbidden, dat juist door dat kleine het grote mogelijk maakte. Spurgeon was een der machtigen, aan wie de Heere vijf talenten toevertrouwde. En ziende op de uitkomst is het wel niet te sterk gesproken, wanneer ik beweer, dat alleen in Engelands Baptistengemeenten, zoals die in Spurgeons jeugd bestonden, voor een vrije en volle ontwikkeling van gaven als de zijne het passende arbeidsveld gegeven was. In elke andere kerkelijke gemeenschap had hij zich moeten bukken tot de officiële hoogte of laagte (?), en in kwellend dwangbuis zich wringen, of als Wesley en Rowland Hill zou hij of uit de staatskerk zijn uitgestoten, of als aan de predikant Booth zou hem het werk, dat hij juist als zijn roeping erkende, zijn onmogelijk gemaakt.

Wat hij van het door hem verrichte in andere gemeentekring had kunnen tot stand brengen, zeer bepaald ware daar voor de stichting van het Pastors–college, evenmin als in onze Nederlandse kerkgemeenten plaats of gelegenheid geweest.

Juist echter, dat een stichting als deze in ons land niet slaafs kan worden nagevolgd, beveelt haar bestudering te meer aan. Immers waar de uitwendige vormen te zeer verschillen, geldt dit niet van de beginselen, die van de Geest van Christus getuigende, aan geen vorm gebonden zijn, maar zich vormen scheppen, naarmate zij in des Heeren navolgers krachtiger leven en door heilige geestdrift tot uiting gedrongen worden.

Mij in mijn beschouwing tot de Nederlandse Hervormde kerk bepalende, zal wel niemand ontkennen, dat haar predikantennood een allertreurigst teken des tijds is, en in zijn verootmoedigend karakter te sterker spreekt, wanneer wij opmerken, dat iemand als Spurgeon, wiens eerste bezoldiging 144 gld. voor een geheel jaar was, om misschien tot 240 gld. te klimmen, een stichting in leven roept, waardoor hij voor die kleine arme gemeenten in 34 jaren een macht van 837 voortreffelijk gevormde leraren schenkt, waarvan nu 654 in werkelijke dienst. Door zo voortreffelijk levende werkkrachten groeien oude, arme gemeenten tot welvarende kringen en ontstaan nieuwe; en behoeven in beide de voorgangers niet langer als hongerlijders het brood der armoede te smaken.

Waar het feit staaft, dat zulk een omkeer niet alleen denkbaar maar in luttel tal van jaren mogelijk is, daar moet ons de vraag dubbel wegen: “vanwaar in een rijk land als Nederland, in zijn grootste, maar tevens aanzienlijkste en rijkste kerk een predikantennood, als wel in 1815 na de Franse overheersing begrijpelijk, maar die in 1892 na meer dan 70 jaren vrede en welvaart niets minder dan een nationale schande te noemen is?”

Spurgeon sprak niet te sterk, toen hij te Stoke Newington de duivel van de nieuw te stichten kerk liet zeggen: “Die kerk zal niets goeds tot stand brengen. Een kerk, die op de burgerlijke overheid leunt en met de nabuurschap van een tapperij vrede heeft, kan niet wel varen en kracht oefenen.”

Is de stelling van de Nederlandse Hervormde kerk nog wel een andere? Zij is geen Staatskerk meer. Wat daarin voordeligst schijnen mocht, behoort tot het verleden, maar wat is van het nadeel niet gebleven? De onderling in geloofsmening verdeelden, vroeger door Staatsgezag en begeerte naar burgerlijke ambten saamgekuipt, leven nu als vrij geworden strijdmachten in dezelfde ruimte, terwijl niemand afstand wil doen van kerken en fondsen, die de Staatsmacht uit heerszucht steeds tot het kleinst mogelijke, geheel onvoldoende cijfer beperkte.

Welke werkelijke opleiding van herders en leraren naar de ware, geestelijke behoeften der gemeenten is hierbij denkbaar of mogelijk. Tot Spurgeons College werd niemand toegelaten, die niet aan gaven een in daden gebleken heilige zin openbaarde. De toelating alleen was reeds een ereteken, en voor de toegelatene een pand, dat hij opgenomen was in een kring uitnemende, van harte bereid de Heere in zijn gemeente te dienen. Door haar innerlijke verdeeldheid en als Staatskerk aangeleerde onbegrensde karigheid in het voorzien van gebleken geestelijke behoeften hebben onze gemeenten als kerk, ook toen zij meer vrij geworden waren, op de bedroevendste wijze verzuimd stem te eisen in de toelating tot de academie van haar aanstaande leraren, terwijl zij reeds eerder haar belangstelling in de op de gymnasia toevenden hadden moeten tonen.

Als geheel machteloos heeft de kerk van 1815 af aangenomen wat de academiën goedvonden haar als kandidaten voor de theologie tot kandidaten voor de heilige dienst te leveren. Voor nu zestig jaren werd, ik spreek uit eigen ervaring, rijp en groen als student in de theologie, door literarische professoren ter wille van het collegegeld aangenomen. Mijn examen in de wiskunde liep af met deze twee vragen: hoeveel is een half maal een half, en hoeveel is anderhalf maal een derde…  ik dacht wezenlijk dat de schoolaardigheid van… een pannekoek volgen zou. Voor zulk een examen had ik de Gelderse 250 vraagstukken voor Algebra uitgewerkt. Voor Latijn, Grieks, Geschiedenis werd mij niets gevraagd. Is het wonder, dat er theologanten waren die geen letter Grieks of Latijn verstonden?

Hoevelen zijn zo ter wille van een handvol collegegeld voor tijd en eeuwigheid verloren gegaan, terwijl de door de examens gesleepten zich het gewilligst toonden om zich in wat Heldring de nachtschool noemde, te laten inlijven. Door de invloed van professor Cobet vooral, kwam in dit euvel een keer, maar een niet alleen plotselinge doch tevens zo geweldige, dat op slag aan twee derden, misschien drie vierden der dorpspredikanten de pas voor de vorming van hun zonen tot het leraarsambt werd afgesneden! Voor hen, die zeker in de gelegenheid waren de meest geschikten voor de stand en kring, waarin zij zelf leefden, te vormen, restte opeens niets dan de kazerne in plaats van de kerk voor hun zonen. De sergeanten–scholen te Kampen en Schoonhoven bloeiden naarmate de kerk meer aan armoede en predikantennood werd prijsgegeven. Gelijk eerst de schande, werd daarna het onrecht tijdelijk geduld.

Noot: Ook in andere kringen dan die der hooggeleerden had men vreemde begrippen over het luttele, dat nodig was, om nog wel voor predikant te kunnen dienst doen. Mijn vriend en leermeester A. J. Schroder, jaren lang hooggeacht predikant der Evang. Luth. gemeente te Arnhem, gaf als proponent in Amsterdam onderwijs in de oude talen. Op zekere dag bezocht hem de heer T., een bekwaam handelsman en zelf getrouw kerkganger. Deze verzocht hem zijn zoon Latijn te willen leren. Hij drong dit verzoek aan met te zeggen: “dat hij van alles beproefd had, maar zijn zoon was zo dom, dat hij er niets van te maken wist, daarom wilde hij hem nu maar dominee laten worden.” Voor dominee oordeelde de koopman was hij altijd nog goed genoeg Zeker te Leiden zou hij toen wel door de wijd open poort hebben kunnen binnengaan, gelijk zo menig, die niets van de oude talen wist. Helaas, welk een nawerking van een door Staatsgezag overheerste Staatskerk, dat zelfs nu na meer dan honderd jaren betrekkelijk vrijheid, de kerk niet de minste bewustheid schijnt te hebben, dat haar het recht toekomt, en haar alleen, en dus ook de dure plicht, om van meet aan te bepalen en te beslissen, wie geschikt zijn, ook uit zedelijk oogpunt, haar te dienen; zodat niet derden onafhankelijk toelaten, wie behoorden geweerd; en weren, die waarschijnlijk in de eerste plaats moesten toegelaten worden.

Had niet de Heere in een buiten de Hervormde kerk staande, in Broeder Van Dijk te Deutinchem, ons een helper in de trant en naar de maat voor Spurgeon verwekt, hoeveel donkerder zou de toestand heden zijn! En welke was lang de dank voor zijn belangeloos pogen? Spurgeon zegt in de voorrede van het eerste deel van zijn uitgegeven preken, wat nog meer van zijn persoon dan van zijn werk moet gelden: “Kan weinig tot lof van deze preken gezegd worden, iets bitterder kan er niet tegen geuit dan alreeds geschied is.” Gelukkig kon de schrijver zeggen, “dat nu de verguizing ook haar ganse woordenboek door is en haar venijn geheel over hem uitgestort heeft.”

Wel, Broeder van Dijk oogste op dit gebied gelijke lauweren, weinig is hem gespaard, wat ooit haat en laster hebben kunnen uitdenken. Rustig toezien, wat kwaads u in uw arbeid ook belemmere, het zo mogelijk nog als goed roemen, kan een weg der ere worden, maar een spa een spa noemen en het verkeerde met woord en daad bestraffen, vermag niemand, of hij moet bereid zijn althans bij aanvang alles te willen dragen wat verbittering en nijd smadelijks kunnen bedenken. Dienaars voor het Evangelie willende vormen, heeft broeder Van Dijk voor alles het eerst zijn oog op het jeugdige hart laten vallen. Zolang de kerk zich niet daarin moeder bewijst, dat zij zich voor haar jonge leraren van jongs af aan tot liefde bezield toont, maar ze neemt bij alle bestaande verdeeldheid, helaas, nemen moet, zoals een opleiding buiten haar toezicht ze aflevert, moge als voor 60 jaar de toevloed groot of gelijk, nu zelfs met de Van Dijk’s hulp schaars zijn, haar leraren zullen zo nooit een heilige, krachtige broedermacht worden.

Misschien met advocaten bekwaamheid als rechtzinnigen op een dispuutcollege kunnen schitteren, maar aan herders en leraren kan de Nederlandse Hervormde kerk nooit rijk worden, zolang de levende gemeente niet anders vertegenwoordigd is; zolang vertegenwoordigers en gemeenten beiden niet ieder het hunne doen om beginselen als waarvan het Pastors–College de vrucht is, ingang en macht te verschaffen. Mochten in liefde gesproken opmerkingen als deze, invloedrijken door vermogen of door stand in de maatschappij dringen, om de aard en het karakter van het Pastors–College met aandacht na te gaan, en zo ieder zijn plicht leren doen om de predikantennood te doen wijken voor een zo uitgelezen kring herders en leraren als Spurgeon voor Engelands Baptistengemeenten kweken mocht.

Niemand, dus zeggen allen, die hem van nabij kennen, heeft minder van een Paus in zijn aard en doen dan Spurgeon. Wel noemen zijn meest met hem op vertrouwelijke voet omgaande vrienden, althans achter zijn rug hem nog wel eens “de gouverneur;” hij weet dit, en heeft zelf schik in de benaming. Zijn vriendelijke vertrouwelijkheid gaat gepaard met grote praktische wijsheid in het anderen aan het werk zetten voor zaken, waarvoor zij naar zijn juiste blik bijzondere aanleg hebben.

“Doe iets, en doe het goed!” was de gedurige vermaning van een godvrezend man in de vorige eeuw. Dit woord was Spurgeon altijd voor ogen. Steeds waren zijn gedachten op het tot stand brengen van iets nodigs en nuttigs gericht, en enkele ondernemingen zijn van heel wat groter omvang geworden dan hij zelf had durven vermoeden. Vooral van zijn Pastors–College mag dit gelden. Het verdient hierbij opmerking, dat ieder waarlijk groot prediker heeft voortgeleefd in door hem gevormde leerlingen, en dat alle godsdienstige beweging van duur in die weg zangers en predikers heeft voortgebracht, die er de duurzaamheid van bevorderd hebben. Het werk van Spurgeon in zijn geheel weegt tegen een godsdienstige hervorming op en heeft zijn levenskracht bewezen in de discipelen, die hij voor de bediening van het Woord gevormd heeft.  Geen wonder dan ook, dat het College hem zo na aan het hart lag. Voor menig ander zou het voor een levenstaak ruim genoeg zijn geweest, maar hij had in zijn arbeiden een gemakkelijkheid, welke, wanneer hij aan iets de hand sloeg, het een niet zo zware taak deed schijnen.

Hierdoor heeft in de loop van dertig jaren het Pastors–College niet minder dan 837 goed gevormde herders en leraren aan Engelands Baptistengemeenten kunnen schenken, die met ere in de dienst van het evangelie werkzaam waren of nu zijn.

Van het Pastors–College geldt in de bijzonderste zin, wat van alle instellingen bij de Tabernakel waar is, dat het in zijn soort enig is, en zeer kennelijk de stempel van de persoonlijkheid van de stichter draagt. Het heeft een karakter, dat zeer van dat van alle andere academies verschilt, terwijl de gelukkige uitkomsten de methode, door de Meester gevolgd, ten volle hebben gerechtvaardigd.

De studenten worden met zorg gekozen uit jongelieden, die reeds predikers van het Woord waren en daarbij aanleg, ijver en een heilige zin toonden. Zij zijn niet naar Engelse gewoonte in een gebouw bijeen, maar om aan huiselijk leven en huiselijkheid gewoon te blijven, bij twee en drietallen in niet te veraf wonende gezinnen gehuisvest.

Aan een jong predikant, die groot opzien had tegen zijn taak, zei eens Dr. Bellamy: “Vul het vat, vul het vat, vul het vat; zo dikwijls gij dan tapt, zal de inhoud met een stroom vloeien. Vult gij echter het vat niet voortdurend, dan zal er hoe langer hoe minder en met steeds meer moeite voor de dag komen.” Het beste en meeste, dat collegevorming voor een jongmens doen kan, is hem leren, hoe op de beste wijze zijn vat tot meedelen aan anderen te vullen. In deze heilzame vorming van anderen heeft Spurgeon zegenrijk uitgemunt.

Het Pastors–College is op de meest natuurlijke wijze uit een ander ondernemen gegroeid. Zelf zegt de waardige Stichter er dit van: “Het Pastors–College is de echte vrucht van een gezegende evangelieprediking. Met de groei van deze is het meegegroeid, en uit haar krachtiger worden heeft het kracht ontleend. Het is niet door mij gezocht of beraamd, maar eiste als van zelf mijn opmerkzaamheid en vond steun door zijn eigen goede eigenschappen, waardoor het zich aanbeval… Zijn in betrekking staan tot een omvangrijke evangeliebediening bracht van zelf een meerdere gemeenzaamheid met een krachtig gemeenteleven en gemeentebestuur mede. Het medeleven van de studerenden met de toenemende bloei van onze werkzaamheden moest wel in grote mate hen voor eigen toekomstige werkkring bekwamen.”

Het College, indien wij het in zijn wording reeds zo mogen noemen, bestond bij aanvang uit een student. De naam van deze jongen man was

T.  W. Medhurst, die onder de prediking van Spurgeon tot bekering gekomen was en door hem naar Billingsgate en ander plaatsen gezonden werd om er het evangelie te verkondigen. Zijn bovenmate welslagen daarin deed zijn vriend en leraar bedenken om hem aan te moedigen, dat hij zich geheel aan de preekdienst wijden zou. Gaarne stemde Medhurst in het gedaan verzoek toe, en werd zo de eerste student van het College. Nog niet lang was Medhurst werkelijk dienstdoende, of hij kwam geheel terneergeslagen bij Spurgeon om die te zeggen, dat hij vreesde gedwaald te hebben en voor het prediken de rechte roeping en gaven te missen.

“Hoe bedoelt gij dat?” vroeg hem zijn raadsman. “Wel heb ik nu reeds bijna zes maanden gepreekt, en heb nog niet gehoord, dat er enige bekering heeft plaats gevonden.” “Gij verwacht zeker geen bekeringen elke maal, dat gij preekt?” Neen, elke maal heb ik ze niet verwacht.” Dan hebt gij ook naar uw geloof ontvangen,” hernam Spurgeon. “Wanneer gij van God grote dingen verwacht, zult gij ze ook ontvangen; doet gij het tegenovergestelde, dan zal het u ook naar uw kleingeloof gaan.”

Ook de Roomse kerk heeft leden aan te wijzen, die in gelijke geest spraken. De kardinaal De Bézulle zei: “Indien gij begeert goed te preken, is mijn eerste raad: bid met ernst; en mijn tweede raad is: houd aan met bidden; en het is mijn derde, vierde en tiende: verkeer veel met God in een vrijmoedig kinderlijk gebed.”

Een Frans prediker van de orde der Dominikanen zei: “Wanneer iemands hart maar geheel van God vervuld was, zou dit hem duizenden doen trekken. De liefde van Christus moet ons hart vervullen, zullen wij de macht hebben om ten goede op anderen invloed uit te oefenen. Liefde is de macht, die alle moeilijkheden oplost en over het verborgene licht verspreidt, dat door veelheid van woorden soms hoe langer hoe duisterder wordt.”

Een Franse prinses, dochter van Lodewijk XIV, zei eens: “God beloont grote redenaars met de toejuiching der wereld, maar Hij zal die leraar, die waarlijk zijn evangelie predikt, eren door hem vele zielen als verlosten te schenken.”

In woorden als deze ligt goede raad, die nooit door een dienstknecht van Jezus Christus behoorde vergeten te worden. Een veel verwachtend geloof, volhardend bidden, en een van harte vasthouden aan de hoofdwaarheden en beloften van het evangelie, zijn voorwaarden, die, wanneer zij in ootmoed worden vervuld, zegen met zich brengen. Spurgeon was diep doordrongen van des dienaars moeten beantwoorden aan die voorwaarden, en op trouw daaraan werd dan ook voortdurend door hem en zijn medearbeiders in deze zaak aangedrongen. Geen betere voorstelling kan men zich waarschijnlijk van de aard en het wezen van het Pastors College maken, dan door te lezen wat een der studenten, niet lang nadat hij de inrichting verlaten had, schreef:

Het zou wel even moeilijk vallen om een kind te beletten van zijn ge lukkig thuis te spreken, of een goed soldaat van zijn hem onvergetelijk regiment, als om een student, die pas het Pastors College verlaten heeft, te beletten om van zijn Alma Mater te verhalen. Als een, die nog pas enige dagen de zo geliefde stichting verlaten heeft, keert mijn geest onophoudelijk tot haar terug en dringen de herinneringen mij van haar te gewagen. Ik kan niet geloven, dat een van onze studenten ooit zijn eerste dag in ons college vergeet. Zijn hopen en vrezen, zijn vervuld zijn met wensen en plannen voor de toekomst, gevoegd bij de nieuwheid in al wat hij ervaart, maken op hem een indruk, die niet anders dan onuitwisbaar kan zijn. Wat mijn persoon betreft, moet ik zeggen, dat reeds op de eerste dag en op menig volgende door mij lessen van nederigheid en tevens van vastbeslotenheid geleerd werden. Hoe het toeging, weet ik zelf niet recht, maar verkregen kennis en eigenschappen, waaraan ik waarde gehecht had, namen met elke dag voor mijzelf kleiner afmetingen aan, zodat ik de ontdekking deed, dat ik althans niet meer betekende dan wel andere mensen, misschien zelfs nog iets minder. Hoe dank ik God nu voor die tijdig gedane ontdekking, en ik ben overtuigd, dat dit wijzer en beter inzicht een profetie was, dat voor mij kans bestond om vorderingen te maken en te slagen.

Als studenten deelden wij allen zeer spoedig de ervaring, dat zo wij bij onze opname in het Pastors–College door gemakzucht en begeerte naar een lui leventje mochten gedreven zijn, daar van die beide niets in stond en wij dan een verkeerd pad hadden uitgekozen. De verschillende klassen eisten een voortdurende inspanning en onbegrensde volharding in het willen slagen. Wat voortdurend de meest gevorderden werd voorgehouden, was des Apostels woord: “Niet dat ik het alreeds gegrepen heb, of alreeds volmaakt ben, maar ik jaag er naar.” Voorzeker wij moesten wel ons krachtig en aanhoudend inspannen, hetzij wij onder professor Fergusson Logika en Metaphysika behandelden; of onder professor Marchant Caesar en Xenophon lazen, of meergevorderd Tacitus en Plato; terwijl het hoofd van het College, professor Gracey voor Theologie, Nieuwtestamentisch Grieks en Hebreeuws geen lagere eisen stelde. Ik mag niet zeggen, dat wij tegen de inspanning morden of er te zeer tegen opzagen, doch indien wij er toen juist niet zo dankbaar voor waren, als plichtmatig was, is het tevens waar, dat nu ons elke dag meer tot dankbaar zijn voor het als een schat ontvangene aanspoort.

“Aan het einde van menige week ontbrak het niet aan een gevoel van moe en op zijn, maar dan kregen wij een riem onder het hart in de vriendelijke opwekkende woorden van de vice–president, in de bezielende causerie des Vrijdagsmiddags van de president en niet minder in de College–bidstond in de avond van die dag, welke ons staalde tot nieuwe en volhardende inspanning. Deze goede liefdezorg voor ons op de Vrijdag was niet zelden het middel om ons onze veerkracht te doen vernieuwen en de wat slap hangende vleugels tot beter vlucht te doen uitslaan.  Dit was de ervaring van bijna onze hele studentenkring. Er komt nog dit bij, dat ik en zeker anderen met mij, wel eens gevaar lopen het eigenlijke, hoge doel van ons studeren uit het oog te verliezen. Al studerend kwamen er tijden, die dreigden mijn geestelijk leven lager te stemmen en stomper te doen worden, wanneer het onverpoosd leven in studieboeken het gemoed deed neigen om zich minder door de macht van een Hogere geestelijke wereld te laten bezielen. Wanneer het binnen ons dus gesteld was, waren meestal de aangrijpende woorden van onze president en de gebeden van de bidstond genoeg, om ons opnieuw aan de voeten van de Meester dicht bij zijn kruis te brengen, en een gezonder zin en ons te herstellen. Mij is het zo herhaaldelijk gegaan als de volgende dichtregelen beschrijven.

Door Hem in ‘t drukst gewoel van ‘t leven
Als aangezien en aangeraakt,
Heeft licht en kracht mij niet begeven,
Maar werd moedeloosheid uitgedreven
En ik opnieuw gezond gemaakt.

Wanneer ik op het verleden terugzie vloeit mijn hart over van dankbaarheid voor de vele en velerlei hulp, die ik in de vorming en ontwikkeling van mijn geestelijk leven genoten heb door mijn opname in het Pastors–College en het leven onder de invloed van zijn geest. Hoe geheel anders had de uitkomst kunnen blijken, had daar niet alles de strekking gehad om ons tot een heilige wandel en tot een meer volkomen toewijding aan de dienst van Christus op te voeden. Zo dikwijls toch gevoeld de studerende, dat de Christus der scholen niet waarlijk en geheel dezelfde is, die eens aan Samaria’s put de Samaritaanse onderwees en voor verlorenen het kruis van de vloek boven een wereldse koningskroon koos. Hoe vaak doet het pijnlijk aan Sarons tedere roos met ruwe handen te zien betasten en kneuzen bij het zich oefenen van polemische zwaardvechters. Voor ons was daartegen een dankbaar herdacht tegenwicht de wijze en gedurig herhaalde raadgeving om onze persoonlijke godsvrucht met zorg veilig te stellen door een getrouwe avondmaalsviering en biddend lezen der Schrift. Ook ben ik van oordeel, dat de wijze, waarop wij tot prediken werden aangemoedigd, zeer heeft meegewerkt om des Heeren nabijheid te blijven gevoelen bij een waarlijk pogen om anderen in hun hoogste levensbehoeften tot zegen te worden.

Bij al onze vakken van studie hielden onze leraren niet op het hunne te doen om ons de zaken van het hoogste standpunt te doen beschouwen. Zij dreven ons niet tot werken om op scholastiek gebied uit te blinken, maar wilden, dat wij elke vordering in kennis zouden zoeken dienstbaar te maken aan onze voorbereiding om betere dienstknechten van Christus en bekwamer arbeiders in Christus’ koninkrijk te zijn. Op deze wijze zochten zij steeds een heilzame invloed op ons innerlijk leven uit te oefenen en werd ons de Heere en Zijn dienst iets meer werkelijks en altijd voor ogen dan anders het geval zou zijn geweest.

Naar mij voorkomt, was het een ons niet zo euvel te duiden zwak, dat wij onwillekeurig uit liefde onze onderwijzers voor de besten hielden, die ergens te vinden waren; en naar waarheid kan ik meedelen, dat alle studenten, die nu op het College zijn, denken en gevoelen, zoals wij vroeger in dit opzicht deden. Het is zo, de drie leraren hebben een verschillend temperament, wat wel niet anders kan, daar hun drietal de drie rijken van het verenigd koninkrijk vertegenwoordigen, maar alle drie verdienen onder de grote mannen geteld te worden; en zowel hun onderwijs als hun karakter hebben er toe bijgedragen om het denken, het leven en het dienstwerk van hen, die onder hun leiding zich bekwaamden, naar het hun voor ogen staande ideaal te vormen.

Zo zijn in hun klassen en bij ons bijkomend onderwijs van professor Chesshire in de natuurwetenschap en van professor Richardson in de welsprekendheid mijn collegedagen voorbijgegaan. Deze vier gelukkige jaren zijn voor mij als voorbij gespoed, en zijn mij steeds een tijdperk, waarop ik als met het liefelijkst licht bestraald, graag terug zie. Op het College heb ik in een kring van broeders geleefd. Een hechte vriendschaps band verbond ons, want wederkerige genegenheid maakte ons waarlijk één. Die hartelijke vriendschaps verwantschap is altijd een eigenaardige karaktertrek geweest onder de op het College studerenden, en wij allen hopen, en leven ook in het geloof, dat er nooit een tijd zal komen, dat deze gezindheid verkoelen en die band losser worden zal; gelijk immers ook betaamt onder broeders die één Meester dienen en hem als aller Heiland eren.

Nu sta ik gereed de grootse taak aan te vangen, waarvoor de vorming op het College mij bereidde, en weet ik nauwelijks woorden te vinden om God te danken, dat zijn genade mij langs een zo liefelijk en zonnig pad tot deze mijn bestemming heeft willen leiden. Mogen allen, die de stichting van onze geliefde voorganger Spurgeon waarderen, zich met mij willen verenigen om steeds in hun gebed haar te gedenken en daarover een steeds rijkere zegen af te smeken.”

Onder hen, die het bovenstaande lezen, denkt licht de een of ander, dit is een schoon getuigenis, maar de taal van iemand, die door een natuurlijke, zeer begrijpelijke maar toch overdreven ingenomenheid en door een dankbaar hart buiten de maat prijst. Horen wij ook een oordeel van iemand, die geheel buiten alle betrekking tot het College staande, zijn gevoelen er over heeft openbaar gemaakt. Hij zegt:

De eerste zaak, die ik als “een oprecht vriend” zal te berde brengen, is dat naast het vele, dat ik als de taal van hartelijke waardering hoorde, ik ook nu en dan in geheel andere geest, die lofspraken zeer kortwiekend heb horen spreken; zodat dit mij zeer deed wensen een eigen oordeel te kunnen vellen en voor mijzelf de plaats te bepalen, die het Pastors–College onder onze instellingen van onderwijs verdient in te nemen. Mij komt het voor, dat ook het Pastors–College zijn geboorte dankt aan de worstelingen, die de grootste omwenteling op godsdienstig en opvoedkundig gebied in ons land heeft gekenmerkt. Beide zijden van deze omwenteling (de godsdienstige en de opvoedkundige) hebben, voor zover ik oordelen kan, de oprechte waardschatting genoten van alle goedgezinden in de lande, omdat zij, op de rechte wijze behartigd, elkaar enkel tot steun konden zijn. Voor ons tegenwoordig doel hebben wij niet te onderzoeken, of de godsdienstige beweging de opvoedkundige heeft uitgelokt, of omgekeerd. Ook wil ik er niet bij stilstaan, welke van beide delen van de beweging de meeste en beste vruchten heeft geoogst. Op één uitkomst slechts wens ik te letten, omdat deze tot de arbeid van het Pastors–College in nauwe betrekking staat. Zij is deze, en ik meen, dat niemand dit mijn oordeel weerspreken zal, dat er van de zijde der op godsdienst prijsstellenden veel meer werk van goed, opvoedend onderwijs wordt gemaakt; terwijl het zeer de vraag is, of er ook meer prijs op godsdienst wordt gesteld door hen, die voor beter onderwijs ijveren.

In de eerste dagen der wording van het Pastors–College was het de vraag: “Op welke wijze zal het voorzien in de nood der tijden en omstandigheden, waaraan het zijn aanzijn dankt?” Gaarne kom ik er voor uit, dat ik de oplossing van dit vraagstuk steeds met grote bezorgdheid en belangstelling heb gadegeslagen. Het was iets, dat mij op het hart woog: “Zal deze jonge school op voldoende, degelijke wijze in de dubbele nood helpen voorzien? Daar de inrichting rechtstreeks wortelde in een godsdienstige opwekking, was er niet veel geest des onderscheids nodig om in te zien, dat zij ongetwijfeld op voldoende wijze baat zou geven aan de eisen van het verlevendigd godsdienstig bewustzijn. De grote vraag was: “Zal in de gewekte godsdienstbehoeften zo voorzien worden, dat deze vervulling gepaard gaat en drijft tot het verkrijgen van het beter onderwijs, dat een eerste eis van een goede opvoedkunde is? Zo stond voor mij het vraagstuk.

“Bij het zoeken naar een antwoord op de vraag: “Heeft het Pastors–College de hoogte, die ik als eis stel bereikt,” kan het geenszins als noodzakelijke voorwaarde gesteld worden, dat al zijn studenten zich als “eerste–prijsbehalers” hebben onderscheiden. De billijkheid mag niet verder gaan dan te verlangen, dat het zich machtig betoond hebbe in het goed voorzien van standplaatsen, waar een goede wetenschappelijke vorming evenzeer als vroomheid des harten een vereiste is. En wanneer ik nu om mij heen zie, wat valt mij dan vanzelf in het oog?  Er zijn plaatsen, waar in vorige geslachten uw gemeente als predikers is vertegenwoordigd geweest door mannen, die zeer in waarde gehouden werden en terecht beroemd waren, vooral de steden Cambridge en Broadmead behoren tot dit getal en mij blijkt, dat daar nu mannen dienst doen, die hun opleiding in het Pastors–College gehad hebben. Bij mijn onder zoek is mij gebleken, dat de lauweren, welke hun voorgangers verwierven met gelijk recht en gelijke frisheid het hoofd versieren van jonge mannen, die hun vorming onder Spurgeons leiding genoten.

Een uitkomst als deze heeft in mijn schatting betekenis. Stel ik nu naast deze verkregen vrucht de grote en krachtige pogingen, die gedaan zijn om de grote massa’s van Londens Oostelijke achterbuurten te bereiken, dan treffen mij uitkomsten van niet minder betekenis. Zowel de tabernakel van Oost–Londen als die van Shoreditch, beide behalve door een voortreffelijke prediking zich onderscheidend door allerlei filantropische arbeid, dan zie ik daar het knellend maatschappelijk vraagstuk opgelost op een wijze, waarmee de nauwst toeziende en de meest eisende vrede moet hebben. Op de dubbelen nood is het Pastors–College berekend gebleken en heeft uit milde overvloed daarin voortreffelijk weten te voorzien. Wanneer ik gadesla hoezeer zijn leerlingen zich op de hoogte getoond hebben der godsdienstige behoeften, en tevens hoe het herderlijke en alle soort van liefdewerk is behartigd en naar een hoger standaard beoefend, dan plaats ik vrijmoedig het College in de eerste rij van alle instellingen, die de vorming van predikanten naar de behoefte des tijds beogen. Het behoeft naar mijn oordeel niet meer bewezen te worden, wat de geschiedenis luide getuigt, dat deze goede stichting rijk is aan de levenskracht, vereist om haar arbeid aan haar naam en doel te doen beantwoorden.

Om echter zowel aan anderen als aan mijzelf recht te doen wedervaren, moet ik tevens uitspreken, dat er een tijd geweest is, die vrees en twijfel rechtvaardigden, hoewel ik er nooit voet aan heb gegeven. De vraag werd gedaan, kan het College wel meer dan een kortstondige bloeitijd hebben? Zal het meer kunnen doen dan middelmatige leraren en reizende evangelisten vormen? Zal het meer geven dan een haastig klaarmaken voor de vervulling van schreiende noden? Deze vragen wogen vele vrienden op het hart, die de onderneming niet minder dan ik het beste toewensten. Wat mij aangaat, ik zag terstond voortekens, die er op duidden, dat als maar de stoffelijke macht groeide, ook aan alle vereiste takken van onderwijs een volle en heilige zorg zou worden toegewijd. Niet ieder echter was gezind om de goede voortekenen op te merken en te erkennen. Die minder welwillende gezindheid behoort nu, naar ik geloof, geheel tot het verleden. Met blijdschap en deelneming herinner ik mij de tijd, dat de donkere kwartieren onder de tabernakel verwisseld konden worden met de ruime, goed verlichte zalen, waar nu onderwezen wordt. Zulke verbeteringen spreken naar buiten. Niets doet meer welslagen dan het welslagen zelf. De elk in het oog vallende bloei werkte niet weinig mee om de onderneming te doen waarderen en haar vruchten op de prijs te doen stellen, die zij reeds vroeger verdienden, maar die men nu eerst willig werd te zien.

Een bijval dus gewonnen heeft te meer kans van stand te zullen houden. Laat mij om hiertoe mee te werken, en voor niet meer dan als iemand, die buiten de zaak staat, mogen meedelen, aan welke goede eigenschappen ik het zo welslagen toeschrijf. Op het gebied van het leerstellige begeef ik mij niet, en geef ook mijn oordeel voor beter.

Het heeft mij niet aan gelegenheden ontbroken om zowel “de schitterender sterren” als “de flauwer schijnenden,” die van het College zijn uitgegaan, te kunnen volgen en gadeslaan. Onder hen heb ik veel verschil en ongelijkheid in gaven, bekwaamheid en stijl van preken opgemerkt. Te midden van al die verscheidenheid, meen ik toch in staat te zijn geweest om een zeer bepaalde, allen kenmerkende familietrek te ontdekken. Waarin zij overeenkomen, en wat in dat opzicht mij het meest getroffen heeft, is dat de mannen van het College allen zonder onderscheid iets bepaalds te zeggen hebben aangaande de grote waarheden in de Nieuwtestamentische geschriften neergelegd. Steeds heb ik bij hen ontdekt een bondig en puntig onderwijzen, dat rechtstreeks op het geweten gericht is en op ontdekkende wijze bij de aard en de macht der zonde, en bij de ons geopenbaarde weg om van haar dwangjuk verlost te worden, bepaalt.

Voorts bleek mij, dat zij bij het bespreken van deze onderwerpen niet van wijsgerige bespiegelingen uitgaan, maar dat zij bij hun spreken het gezag van Gods Woord tot grondslag leggen. Ook kan ik niet anders zeggen, dan dat waar keurigheid van stijl gemist werd, waar de gave van welsprekendheid en van beelden ontbrak, ik toch aantrof een gezonde helderheid en eenheid in het voorstellen der waarheid en deze voorgedragen op de toon van diepgevoelde overtuiging; iets, dat ik tot nog toe bij al uw studenten heb aangetroffen. Dit geeft aan hun spreken een eigenaardige aantrekkelijkheid en de welsprekendheid, die het mensenhart aangrijpt en vermeestert.

Ik houd mij verzekerd, dat dit de evangeliebediening is, welke op de rechte wijze de blijde boodschap Gods tot naar verlossing dorstenden en verlorenen brengt. Bedrieg ik mij niet, dan heb ik hiermee de hoofdeigenschappen genoemd, die aan de stichting de toegenegenheid en hulp verzekerd hebben van de beste vrienden van het evangelie in al onze kerkgenootschappen.

Naast deze hoofdkenmerken heb ik bovendien goede eigenschappen opgemerkt. Ik zie een zeer hoopgevende karaktertrek in dit eigenaardige van uw mannen, dat zij er allen oog op hebben en er wakker voor zijn om in niets achterlijk te wezen, wat hun dienstwerk vruchtbaar kan maken. Ook bij het ontbreken van universiteits–examens, die ik bemerkt heb dat buiten het plan der stichting liggen, is het toch ten volle gelukt uw studenten te doordringen van het besef, dat zij hun aanleg krachtig ontplooien en het steeds beogen moeten naar de hun geschonken vermogens zo veel doenlijk uit te munten. Zij tonen geestdrift, werken met volharding en bereiken daardoor in de regel de hoogte die tot werkelijk dienstdoen gevorderd wordt. Dit is een groot punt, want het kan niet genoeg beseft worden, dat tot een ware bevordering van heiligmaking des levens geen gave, die ons geschonken werd, met te grote zorg kan ontwikkeld worden.

“Wat in uw inrichting hoofdzaak en haar eigenaardigheid is, (het herderlijke werk), is een taak, die grote eisen stelt. Die zorg behoort het brandpunt te zijn, waarin alle stralen van kennis en ervaring samentreffen. De voortreffelijkheid en degelijkheid van uw college–arbeid ligt niet zozeer in het zonder verband beoefenen van allerlei takken van wetenschap, als in het verbinden van verwante zaken en dit zo, dat ze ieder haar lichtstralen laten vallen op het ene, dat wijselijk als hoofdzaak in het oog gevat is.

“Naarmate uw stichting in bloei toeneemt, is het mijn wensen en dat van allen, die haar een goed hart toedragen, dat zij steeds met alle macht voor dit ene, de best mogelijke herderzorg, ijveren en dat behartigen zal. Zolang hieraan de eerste plaats gegeven en gegund blijft, zullen al de overige delen als vanzelf hun rechte plaats vinden. Herderzorg als hoofddoel bewaard, leert het letterkundig deel aan het belang van de eredienst, het beoordelende aan het gelovige, het verstandelijke aan het geestelijke, het bloot kerkgenootschappelijke aan het waarlijk algemeen christelijke ondergeschikt te maken en houden. En is mij de vrijheid gegund een raad te geven, dan is mijn oordeel, dat om uw hoofddoel te bereiken Gods openbaringswoord bij toeneming een open boek moet zijn, open in de oorspronkelijke talen, open in al de verscheidenheid en het onbeperkt gezag van zijn onderwijs, zodat bij een ootmoedig, biddend en gelovig studeren uw studenten steeds meer zelfstandig en grondig geoefend leren lezen en verstaan, en zo als “machtig in de Schriften” “leren alle zoekende werken voor te staan.”

Aan deze belangstellende beoordeling van een buiten elke betrekking tot de stichting staande, verdient nog toegevoegd een getuigenis van een, die “als iemand die er mee bekend is,” het innerlijke van het college–leven in het Pastors–College beschreven heeft.

“Kan er wel, dus vraagt hij, van een innerlijk college–leven sprake zijn, waar de studerenden niet onder hetzelfde dak en binnen dezelfde muren leven? Menigeen, die ik dus hoor vragen, heeft tegelijk reeds het antwoord: onmogelijk!” op de lippen. Ware het vraagstuk niet reeds in de tegenovergestelde zin beantwoord, licht had ik evenzo gesproken. Intussen in dit geval, gelijk in zo menig ander, spreken de feiten krachtig ten gunste van het schijnbaar ongerijmde. Het gehele land door zijn de studenten van het Pastors–College aan een sterk getekende familietrek kenbaar en gekend. Dit gemeenschappelijk hen kenmerkende bezaten zij niet bij hun intrede in het College, waaruit wel vanzelf volgt, dat zij het door de modus vivendi (eigenaardige levensmanier) aldaar moeten verkregen hebben.

Hoe zo iets mogelijk geweest is, terwijl toch de studenten niet in een gebouw samenwonen, hun ontspannings en werkuren niet te samen doorbrengen, is het punt, waarover ik trachten wil enig licht te doen opgaan. In de regel strekt het gewoon college–verblijf tot bevordering van een levens wijze, die noch tot het gewone zaken doen noch tot het kerkelijk leven voorbereidt, een levenswijs te weinig afgezonderd voor een klooster karakter en niet voldoende in aanraking met de buitenwereld om deel van het gewoon maatschappelijk leven te zijn. Het is een soort van leven, dat op het College en nergens daarbuiten aangetroffen wordt. De regels en gewoonten, die er gezag hebben en heersen, zijn aan geen andere levenssfeer eigen. Het is de eigenaardigheid van ons college–leven, dat het van dit soort van zijn ten enenmale verschilt.

“Een feit is, dat een college–leven, zoals dit in de gewone zin verstaan wordt, onder ons niet bekend is. De broeders zijn bij twee en drie in verschillende huisgezinnen, zoveel mogelijk in de buurt van het College geherbergd, maar worden allen gedurende hun studeertijd gedurig belast met de prediking van het woord en allerlei tot de evangeliedienst behorend werk. Alleen voor het eigenlijk schoolwerk komen zij bijeen, en alle onderwerpen, die zij verenigd behandelen, zijn er rechtstreeks op aangelegd om hen voor hun toekomstige levenstaak te bekwamen. Wanneer men dit een en ander in rekening brengt, blijkt daaruit dat ons college–leven een zoveel mogelijk tesamen gevormd worden is tot de beste vervulling van de evangelie dienst. Het is deze bijzonderheid, die een eigen kenmerk zet op de voorbereidenden loopbaan der studenten, en die als een levensadem alles wat tot het college behoort, doortrekt en bezielt.

“Dit eigenaardige openbaart zich in de onder de studenten heersende geest van godsdienstige toewijding aan al wat zij tot hun voorbereiding doen. Ieder die enige uren in de kring van onze studenten doorbrengt, zal moeten erkennen, dat zij niet alleen hun taak met ernst behartigen, maar dat zij het doen met een eenvoudig vrome zin. Hun is een godsdienstzin en openbaring daarvan eigen, die in zijn natuurlijke eenvoud niet weinigen schokken en ergeren zou, die zich geen vroomheid zonder een lang gezicht en statige deftigheid weten te denken. Het is een vroom zijn zonder een huilend of zuur gelaat, maar een, die een opgewekte blik en blijmoedige toon tot haar merk heeft.

“Gelijk nu al wat werkelijk leven heten mag in bepaalde mate een aantrekkende en afstotende werking openbaart, is dit ook het geval met het onder ons bestaande college–leven. Het begin van elk leerjaar is de tijd, waarin de beide tegenovergestelde machten, aantrekking en afstoting zich onder de nieuwelingen doen gelden. Meest alle nieuw inkomenden slaan gedurende enige tijd hun nieuw levensterrein gade met een enigszins verwarde blik, waarin zich een zekere verbazing en evenzeer schroomvalligheid kennen doet. Enige weinige dagen, hoogstens enige weken leren de aankomeling, of de plaats hem voegt of niet. In het laatste geval begint hij al spoedig over hoofdpijn te klagen, en een verloftijd te vragen, die hem geredelijk voor onbepaalde tijd wordt gegund.

Diegenen, die door een verwante geest bezield zijn en een gulle en vriendschappelijke broederzin op prijs stellen, gevoelen zich spoedig in de nieuwe kring geheel thuis. Is er echter onder de broederschap iemand, die uit zijn aard wat ingetrokken, geaffecteerd, stijf of hoog is, hij bemerkt spoedig, dat onder ons die vreemde elementen aan een vermorzelingsproces onderworpen worden, dat wat overgevoelige soms wel eens pijn doet en gewond. Men maakt hem daarbij duidelijk, dat dit bepaald tot zijn welzijn geschiedt en voor zijn vorming hoog nodig is, en dat hij de aan hem bestede zorg met hetzelfde oog moet bezien als zijn weldoeners. Een geest van ruwheid openbaart zich echter daarbij nooit. Die een stootje velen kunnen, mogen wat harder les krijgen, zij die een schroomvallige aard hebben, worden steeds meer ontzien en door een zachter behandeling tot een vrijmoediger verkeer onder de broeders gewonnen.

“Het College is in de volste zin van het woord een broederschap, een broederschap, waarvan de bestuurders en leraren een deel uitmaken, zodat de broederband met hen, die naar Amerika en Australië gingen, nooit verbroken is, en uit die verre streken steeds enkelen naar de jaarvergadering lokt. De gewone gehechtheid van studenten aan hun Alma Mater heeft onder ons nog een daarbij komend element. Ik bedoel daarmee, dat onder ons nog iets meer aanwezig is dan de eerbied en dankbaarheid van de leerling aan zijn meester. Wat onder ons bestaat, komt meer overeen met de velerlei banden, die de Schot uit de Hooglanden aan het hoofd van zijn Clan verbinden. Het kan wedijveren met de geestdriftvolle liefde, die Luther en Calvyn van de onder hen studerenden wisten te winnen. Uit een zelfde bron spruit hun gehechtheid aan de president, als beantwoording van zijn ongeveinsde, broederlijke genegenheid voor hen, en die hem als een oudste broeder doet beschouwen en liefhebben.

“Deze broederzin heeft een machtige invloed op al de onderdelen van het werk in de eigenlijke school. Iedere student voelt zich ten volle vrij en daardoor vrijmoedig, om de moeilijkheden, die hem in de weg zijn, te doen blijken en daarvoor licht en hulp te vragen. Allen is het aan te zien, dat zij jonge mannen zijn, wie het met hard werken ernst is. De meesten hadden, voor hun opname in het College reeds arbeid, die inspanning eiste, verricht in hun weinig vrije tijd, die zij aan enige tak van evangeliedienst wijdden, alvorens hun besluit rijpte zichzelf geheel aan deze te geven. Ware het anders bij hen gesteld geweest, zij zouden de op hun nieuwe pad te overwinnen moeilijkheden geheel onoverkomelijk geoordeeld hebben. Zoals zelfs de zaken nu staan, toont bijna het einde van elk studiejaar enkelen, die de gevorderde inspanning met ziekte moeten boeten, zodat rusttijd hun zeer nodig blijkt.

“De geëiste inspanning spreekt vooral in die delen van het onderwijs, die zich kenmerken door een heilzame leertucht. Ik bedoel de klassen van het voordragen van preken en redestrijd. Deze laatste leert de broeders gewapend te zijn tot weerleggen van elke aanval; en welk onderwerp zo ook van twee zijden besproken wordt, het kan er soms bij het redewisselen heet toegaan! Wanneer predikers bij aanvang hun gaven beproeven leidt hun te hoog opvliegen al dikwijls tot een haastig inbinden om niet geheel op de grond neer te komen. Waagt zo een broeder zich wat hoog, dan kan hij rekenen op overvloed van welwillende pogingen om hem het hem beter voegend standpunt duidelijk te maken.  Wekt dit ontmoediging dan werkt de goedhartige broederzin weer helend, maar voor al wat onnatuurlijk of plat is, voor gemaniëreerdheid, provincialismen enz. is geen genade, deze moeten afgeleerd, zowel in het belang van de studerende als van de gemeente.

Wanneer een broeder twee of meer preken ter beoordeling heeft voorgelezen, mag hij gerekend worden (ten minste de vriendschap van de beoordelaars deed er al haar best toe), tot de dikhuidigen bevorderd te zijn. Prediker en preek komen zodanig onder de hamer der kritiek, dat hij gelukkig te achten is, die er zonder gebroken beenderen afkomt. Twee gebreken in voorgedragen preken worden steeds zonder de minste verschoning gekastijd. Het een is, het niet aanwezig of verkeerd voorgesteld zijn van de evangelie waarheid, en het andere het niet weten gebruik te maken van de preekstof om de harten tot de enige Zaligmaker te trekken. Wie in deze beide of een van deze beide te kort schiet, moet daarvoor boeten, en geen geleerdheid, geen diepte van gedachten, geen zuivere toepassing van de regels van welsprekendheid kan de prediker vrijwaren van de tuchtroede, welke hem wacht. Door zijn afdwalen op bijpaden, heeft hij gezondigd tegen de overtuiging en regel, die alles in het College beheersen, en hij moet daarvoor de verdiende straf lijden. Wat de leerling van het College voordrage, Christus en die gekruisigd moet op de voorgrond blijven, hij kan geen betere boodschap hebben voor een in zonde verlorene wereld en voor alle vermoeiden in haar midden, die naar vrede dorsten. Buiten het kruisteken, door het bloed van de Christus geheiligd, is er geen banier die tot overwinning leiden kan.”

Gelijk het Pastors–College door Spurgeon alleen werd op touw gezet, zo kwam in de aanvang de stichting ook bijna voor rekening van zijn beurs, die hij voor dit doel uit de inkomsten van zijn schrijven moest gevuld houden. Naarmate het aantal jongelieden toenam, werd dit voor hem bezwarender, vooral toen het debiet van zijn geschriften gevoelig leed, door zijn open en kloek partij kiezen voor het Noordelijk deel van Amerika’s Verenigde Staten in de door de Zuidelijken doorgedreven burgeroorlog ten bate van hun al stoutere eisen voor de handhaving van slavernij en slavenhandel in hun midden. Vooral de behoefte aan katoen voor hun fabrieken deed de meerderheid van Engelands kooplieden en fabrikanten de partij van het Zuiden trekken en in hun bij aanvang zegevieren juichen. Hierdoor moest de trouwe prediker in eigen land en over de Zee voor zijn vrijmoedig getuigenis boeten. Dit ging zover, dat Spurgeon het besluit genomen had zijn paard en rijtuig aan zijn stichting ten offer te brengen.

Noot: Wel is Spurgeon enig in zijn beramen en tot stand brengen van een nieuw, deugdelijk kerkelijk–gemeenteleven in de kring van Engelands Baptistengemeenten door zijn naar eigen inzicht in het leven geroepen Pastors–College. Hoe treurige indruk maakt daarnaast de geschiedenis van onze Hervormde Kerk sedert het einde der vorige eeuw. Voor de wraakoefening der verenigde tot daartoe onderdrukte kerkgenootschappen als staatskerk bezwijkend, had zij zich de gedwongen vrijheid tot een adeldom kunnen maken, indien voorgangers en leden met een geest als Spurgeon dreef, waren bedeeld geweest. Wie echter in hogere en lagere kring heeft het zich aangetrokken, dat althans aan de voornaamste Rijksuniversiteit de professoren in de letteren zonder examen geheel onontwikkelde, van de nodigste kennis verstoken jongelieden tot studenten in de theologie toelieten, als waren de minsten onder de onwetenden nog goed genoeg om het grootste kerkgenootschap in het land als herders en leraars te dienen? En wie trok het zich aan, dat die zelfde macht, aan wier genade de kerk zich slaafs had laten overleveren, tot het andere uiterste overslaande drie vierden der dorpspastorieën in de ban deed, als ware kennis van Grieks en wiskunde voor een evangeliedienaar het een en het alles? Dezelfde mannen, die eerst onverschillig de kerk met een vloed van ongeschikte kandidaten had overstort, riep toen naar eigen willekeur en goeddunken de predikantennood in wezen, die nu dorp bij dorp jaren achtereen naar herderzorg doet zuchten.

Dit offer echter wilden zijn vrienden niet gedogen. Zij lokten het besluit uit, dat bussen in de Tabernakel tot het ontvangen van vrijwillige offers voor het College werden geplaatst, en wekelijks werd op deze bussen medegedeeld, hoeveel de vorige Zondag daarin was ingezameld. Deze gemeentebijdrage bestaat nog heden en bewijst, dat waar de voorgangers der gemeente een prijzenswaardig pad kiezen en volgen, het genade vinden bij God en hij de mensen niet uitblijft.

Spurgeon heeft menigmaal verhaald, hoe hij in de dagen van benauwdheid soms zijn laatste beschikbare geld had uitgegeven, en dat hij niet wist, hoe aan het hoognodige te komen tot voortzetting van een arbeid, aanvankelijk zo gezegend, doch waarvoor de vermogenden nu hun gaven inhielden, omdat hij de waarheid Gods boven koopmansbelang voorsprak en handhaafde. Een vriend herinnerde hem eens, dat hij de beste bankier tot helper had. “Ik weet het,” hernam Spurgeon, “en gaarne zou ik op hem trekken, want ik heb niets meer.” “Waarom zoudt gij het niet doen? Hebt gij de zaak in het gebed gebracht?” “Voorzeker.” “Wel laat dan de uitkomst in zijn handen. Hebt gij uw brieven reeds geopend?” “Neen, op Zondag open ik nooit brieven.” “Nu doe het dan eens voor ditmaal.”

Aan dit verlangen werd voldaan, en de eerste brief de beste was de brief van een bankier, die schreef: “Waarde heer, wij delen u bij deze mede, dat een ons geheel onbekende dame, ons 200 pond st. heeft gezonden om die aan u over te maken in het belang der opleiding voor jonge mannen tot het predikambt.”

Niet lang na deze was het, dat een van Spurgeons vrienden een openbare samenkomst en avondmaaltijd voor vrienden der stichting in leven riep, waar dan de gasten gelegenheid vinden zouden om jaarlijks gezamenlijk door giften tot de bloei der inrichting bij te dragen. In het jaar 1891 werd bij deze samenkomst 36.000 gld. voor de stichting geschonken of ingeschreven.

Noot: Waar allen schuldig staan, is wel niemand bepaald schuldig te verklaren, maar welke grieven afgescheidenen en dolerenden immer met ernst te berde brachten, ik ken voor de kerk en dit als geheel, geen zwaarder schuld dan dat zij zich de macht uit de handen heeft laten nemen om zelf te oordelen en beslissen, wie tot haar dienst tot het academie onderwijs mag worden toegelaten.

Een jaarlijkse bijeenkomst van nog hoger belang en betekenis is die van allen, die op het College hun vorming genoten. In het voorjaar komen deze gedurende een week bijeen tot verenigd gebed en tot beraadslaging, hoe best de bloei en invloed der stichting te bevorderen. Hoe was de bij allen beminde stichter altijd de ziel dezer samenkomsten.  Zijn toespraken, zijn door humor gekenmerkte raadgevingen, zijn minzaamheid voor alle gaven aan alles een zonneschijn en zout, dat wie hem ook vervange, diep zal gemist worden, omdat weinigen een schat van liefde in het hart dragen als hem in alles en jegens allen onderscheidde.

Die geest van liefde kenmerkte hem ook in de keuze der bestuurders en onderwijzers van het College. Hij vroeg bij deze evenmin als bij de werken, waarvan hij een verzorger werd, tot welk kerkgenootschap zij behoorden. Voor wezen zag hij alleen op de mate van hulpbehoevendheid, in zijn helpers allereerst op hun liefde voor de Heere en hun geschiktheid om vaderlijke vrienden voor zijn studerenden te zijn; waarbij hij, zij het ook in de tweede plaats, op niemand zijn keus vestigde, dan van wie hij zeker was, dat zij uitmuntten in kennis en in de gave van hun wetenschap aan anderen mee te delen.

Uit het College zijn als vanzelf andere takken van werkzaamheid ontsproten. Zo heeft de Tabernakel zes evangelisten in dienst, die allen hun opleiding aan het College genoten. Twee der studenten doen pionierswerk, dat is, zij bezoeken de plaatsen, waar zich zonder kerk of leraar Baptisten bevinden, om deze te raden en helpen, en later verslag uit te brengen, of en hoe in zulke plaatsen in de behoefte van eredienst is te voorzien.

Onlangs is door allen, die in enige betrekking tot het College staan een zendelingsvereniging in het leven geroepen. Deze heeft geenszins ten doel om met de grote bestaande genootschappen in wedstrijd te treden, maar enkel om werkzaam op te treden op plaatsen, waar de akker nog niet ontgonnen werd. In samenwerking met de Noord–Afrika–zending zijn door haar zendelingen naar Marokko afgevaardigd. Een van deze, de heer N. H. Patrick werkt in die streken vooral onder de daar wonende Spanjaarden met blijkbare zegen. Op I5 Juli 1889 kon hij het vroegere café Oriëntal, dat een pesthol van zedeloosheid placht te zijn, voor onderwijs en godsdienstige samenkomsten openen. Moren, Joden en Spanjaarden komen meer en meer willig tot deze plaats en ondervinden er de invloed van het evangelie.

Juist omdat Spurgeons Pastors–College in de vorm, waarin het bestaat, onder ons niet is na te bootsen, heb ik zulke brede uittreksels van de daarop betrekkelijke verslagen een plaats gegeven. De geest en beginselen, die zich daarin uitspreken zijn voor elke vorm meer of minder, maar zeker in enige mate navolgbaar. Als vrucht der vroegere Staatsen burgemeesters heerschappij zijn geheel uiteenlopende richtingen in onze Nederlandse Hervormde kerk ingekuipt, welker gedwongen samenwoning misschien meer dan iets anders heeft bewerkt, dat de kerk nooit stem had in het toelaten tot de studie van voor haar dienst bestemden; en dat zelfs geen theologische maar enkel literarische professoren of naar hun belast werd, of naar hun eigendunkelijk goedvinden regelden, met welk soort van jongelieden de kerkelijke gemeenten zich zouden moeten tevreden stellen. Misschien zal eindelijk de vestiging en uitbreiding der Vrije Universiteit voor de vernederende en ergerlijke toestand de ogen doen opengaan, en de kerk een recht doen eisen, dat zij zich uit slaafsheid en onverschilligheid zonder zelfs de mond te openen heeft laten ontnemen.

Mocht tot die betere dag het haar reddend pogen van Broeder Van Dijk een toenemende erkenning en medewerking vinden. Gelijk de Heere der gemeente Spurgeon in een gemeente, waartoe hij oorspronkelijk niet behoorde, een arbeidsveld tot zegen voor tal van andere gemeenten deed vinden, zo zien en erkennen wij de leiding Gods in de vrije plaats, welke God aan broeder Van Dijk beschikte, om kerkelijk ongehinderd zijn kerk tot zegen te zijn. De smaad en laster, waarmee hij niet minder overvloedig dan Spurgeon overstelpt werd, billijken het vermoeden, dat de kerk, welke hij dienen wilde, had hij binnen haar grenzen gestaan, hem waarschijnlijk machteloos gemaakt, en met zijn werkkracht misschien tevens hemzelf zou hebben verbrijzeld. Maar ook hem heeft de Heere evenals Spurgeon door de verdrukking heen tot een standpunt geleid, waarop niemand meer zijn beginselen en doel kan verdonkeren.  Mochten nu maar de gemeente en haar opzieners en leden de wijsheid hebben een arbeid te steunen, die zelfs zonder de zo nodige inwendige hervorming, haar uit haar predikantennood kan helpen redden.

Spurgeon als Christen–Filantroop

Op een samenkomst der Vereniging in Engelands Staatskerk, die zich vooral het lot der hulppredikers en hun gezinnen aantrekt, zei eens Lord Shaftesbury van Spurgeon: “Hij is een waarlijk goed man, en ieder moet erkennen dat hij een wondervol prediker is. Laat mij er nog bijvoegen, dat hem de eer toekomt een enige kring van evangeliedienaars te hebben gevormd, die in hun spreken tonen, dat zij door hem ingewijd zijn in het geheim van zich rechtstreeks tot het hart van hun hoorders te richten.”

Aan de Secretaris van de Havelozen–scholen–Unie schreef Lord Shaftesbury in betrekking tot een vergadering, waarin Spurgeon spreken zou: “Het is mij zeer leed, dat ik miet tegenwoordig zal kunnen zijn. Het spijt mij zo, omdat er in ons midden niemand is, op wiens oordeel en hulp ik in zaken als deze hogere prijs stel dan op die van mijn vriend Spurgeon. Na bijna veertig jaren voor en met deze scholen geleefd te hebben, zou het mij een bijzonder genot zijn geweest het getuigenis en de raadgevingen van een zo hoog te schatten man te vernemen. Weinigen hebben zoveel en zo goed gepreekt als, en weinigen hebben zo hun woorden met daden bezegeld. Ik bewonder hem ten hoogste en ik heb hem innig lief, omdat ik niet geloof, dat ergens een meer oprecht en eenvou– dig dienstknecht van onze gezegende Heere is te vinden. Grote talenten zijn door hem goed gebruikt en hebben door Gods genade tot grote uitkomsten geleid.”

Lord Shaftesbury’s dagboeken vloeien over van getuigenissen aangaande Spurgeon. Zo:

12 Juni 1875. Gisteren om elf uren was ik in Spurgeons Tabernakel en heb onder zijn leiding zijn scholen, college, armhuizen en weeshuizen bezien. Alles rust op een gezonde grondslag, en kenmerkt zich door trouw aan de waarheid en de geest van het evangelie. Hij is een wonderbaar man, vol ijver, liefde en geloof. Welk een naam heeft hij en hoe groot gezag wordt door hem geoefend, en toch hoe volkomen nederig is hij bij het tonen van al de openheid en de eenvoud van een kind.

20 Juni 1884. Ik heb gisteren in de Tabernakel de grote vergadering ter ere van Spurgeons vijftigste geboortedag gepresideerd. Welk een aanblik! Weinig minder dan 7.000 volwassen personen waren in de grote ruimte opeen gepakt. Ik voelde mij bij de aanvang door die aanblik overweldigt.” Hoe goed doet het het hart woorden als deze te horen uit de mond van een man, zelf in de dienst des Heeren ook door zoveel tegenstand, smaad en miskenning gevormd en geheiligd.

Waarschijnlijk heeft geen deel van Spurgeons arbeid zoveel steun en algemene goedkeuring gevonden dan wat hij voor wezen tot stand bracht. Daar ik gedurende verscheidene jaren het voorrecht had in Londen in de nabijheid van het weeshuis te logeren, en ook de man, die aan het hoofd staat, mij ten zeerste aantrok, was ik steeds een trouw bezoeker en getuige van de toenemende bloei. Ook in de keuze van deze man, de heer Charlesworth, die vroeger de predikant Newman Hall ter zijde stond, had Spurgeon zich als “de Gouverneur” een man van zelfstandige wijsheid getoond. Zonder zijn verzet er tegen was door het Comité een advertentie geplaatst, vragende: “man en vrouw zonder kinderen.” Toch stond bij Spurgeon vast ook zonder die bepaling zelf naar de meest geschikte man om te zien. Zo nodigde hij de heer Charlesworth bij zich en vroeg hem, of hij lust zou hebben zijn tegenwoordige werkkring met het bestuur over het te stichten weeshuis te verwisselen. “Maar,” zei deze, “ik voldoe niet aan al de vereisten, ik ben vader van vier kinderen. “Wel, hernam Spurgeon, “dan zullen wij u een huis voor uw gezin en dit op ruime schaal bouwen. Het belang der kinderen gaat voor alles, en gij zijt in mijn oog de man, die wij behoeven. De vraag is: “hebt gij er lust in? Zo ja, laat dan het verdere aan mij over.”

Op die wijze kreeg het weeshuis een man aan het hoofd, die steeds de juiste blik van de leraar gerechtvaardigd heeft; een man, die als vaderlijk vriend der wezen de weerga mocht heten van hem, die op hem zijn keus had laten vallen.

In 1872 was het mijn plan om een boek te schrijven over Londens vondelingenhuis, weeshuizen en andere gestichten van weldadigheid. Behalve het vondelingenhuis had ik reeds de toegang tot verschillende weeshuizen en gestichten verkregen, en een twaalf tal bezien, toen de omstandigheden mij de volvoering van het opgevatte plan beletten. Veel uitnemends had ik gezien, maar het mij meer bekende weeshuis van Spurgeon bleef voor mij de kroon spannen. In Londen gebouwd, mist het voorrechten, die onder het hoge Godsbestuur ons Neerbosch hebben kunnen ten deel vallen, maar ware een gelijksoortige plaatsing te verkrijgen geweest, de overeenkomsten zouden zeker nog groter zijn.

Ook Spurgeon wilde van geen kazernebouw weten. Is zijn weeshuis geen eigenlijk dorp, toch van de weg af diep in gelegen en door een laan toegankelijk herinnert het enigszins aan het square der Hernhutter–gestichten te Zeist. De aanneming van kinderen, in alle Engelands gestichten nog aan een reeks van allerlei formaliteiten verbonden, is er even eenvoudig als te Neerbosch. Ook de kleding is er geen uniform, en een zelfde geest van vrijheid en blijmoedigheid toont dat de kinderen er zich gelukkig voelen, niet gedrild door de schijnheiligheid, die in het bijzijn van meerderen honingzoet fleemt, maar om vrij van die teugel des te duchtiger te schelden, knijpen en slaan. In de onmetelijke wereldstad was het mij steeds een genot in het weeshuis mij eens een uurtje kalm en als thuis te gevoelen.

De wording van het weeshuis heeft een opmerkelijke geschiedenis. In zijn maandschrift “Zwaard en Troffel,” had Spurgeon er de aandacht op gevestigd, hoeveel, in spijt van wat reeds door de predikant Andrew Reed en anderen gedaan was, nog voor arme wezen te doen bleef. Lang waren in Engeland de weeshuizen uitsluitend gilde weeshuizen, en nog is dit veel het geval. In zulke gestichten door leden van enig gilde of vereniging onderhouden, worden de kinderen naar hun stand opgevoed. Voor kinderen, die daar buiten vielen, restte het werkhuis of de openbare straat.

De predikant Andrew Reed, de ontwerper en stichter van vijf grootse inrichtingen, was, zover mij bekend, de baanbreker van een beter spoor, daarin ook door Spurgeon onder merkwaardige leiding gevolgd. In September 1866 ontving hij een brief naar aanleiding van zijn schrijven in “Zwaard en Troffel” van een mevrouw Hillyard, de weduwe van een predikant der Staatskerk, die niet lang tevoren tot de Baptisten was overgegaan. Zij bood de predikant 20000 pond st. (240000 gld.) aan om een weeshuis te stichten voor vaderloze knapen, om langs deze weg in de zorgen der moeders tegemoet te komen en de knapen voor verwildering te bewaren. Spurgeon schijnt met de dame niet bijzonder bekend te zijn geweest, want haar nederige woning aanziende, meende hij het er stellig voor te moeten houden, dat een vergissing had plaats gehad, en dat het voorzichtig was van die onschadelijke veronderstelling uit te gaan.

Tot Mevrouw Hillyard toegelaten, ving hij dan ook aan haar te bedanken voor haar toezegging van f. 200, doch eer hij verder kon gaan, viel de goede vrouw hem in de rede en zei: “Hoe, heb ik mij zo vergist en f. 200 geschreven, ik meende toch stellig 20000 genoemd te hebben. “Wel hernam Spurgeon lachende “dat staat er ook, maar op zichzelf hebben nullen geen waarde, en ik meende, dat licht een nul te veel op het papier kon geboren zijn.”

Hoe rijk en goed gemeend het aanbod was, de reeds met zoveel arbeid bezette man geloofde niet, dat hij voor deze nog bijkomende zorg berekend was. Daarom raadde hij de aanzienlijke gift liever aan George Muller, de op dit gebied ervaren man, tot uitbreiding van zijn wezenarbeid te schenken. Gelukkig had de dame hiervoor geen oren. In haar ogen was juist Spurgeon de man om de taak, waarvoor haar hart warm was, beter dan enig ander te volbrengen, en de uitkomst heeft geleerd, dat zij daarin niet heeft verkeerd gezien. Haar aanhouden overtuigde de wezenvriend, dat het de Meester was, die door deze moeder in Israël hem tot deze nieuwe, grootse taak riep, en hij boog zijn wil onder diens heilig gezag.

Het ontvangen kapitaal werd nu vastgezet, een twaalftal bestuurders gekozen, en in Zuid–Londen, te Stockwell, een eind van de openbare weg af, de grote plek grond gekocht, welke nu de kleinere en grotere gebouwen van het jongens en meisjesweeshuis als een zeer groot hofje omgeven. Het was een taak van grote verantwoordelijkheid en deze werd door de trouwe dienaar diep gevoeld en slechts biddend aanvaard.

In Juni 1867 schreef hij: “De Heere begint kennelijk ons wegen te openen om met het weeshuis een aanvang te maken, maar toch zijn de vensters des hemels niet zo geopend, als wij wensen en verwachten. Wij beiden biddende en in verzekerdheid van het geloof. Voor het oprichten der eerste, voor de gehele inrichting noodzakelijkste gebouwen is alleen reeds 120000 gld. nodig. Ook zullen wij die ontvangen, want de Heere is een hoorder van het gebed.”

Juli 1867. Wij wachten in geloof en bij gebed op de Heere, maar nog stelt zijn liefde ons op de proef. Daar wij alleen Gods wil beogen door ouderloze jongens in zijn wegen op te leiden, boven alles daarbij hun eeuwig behoud bedoelende, hebben wij de hoop gevoed, dat velen, die toch de Heere liefhebben, het nut en de praktische strekking der onderneming zouden erkennen, en terstond ons met kracht in de volvoering zouden hebben ter zijde gestaan. Gods weg, wij weten dit, is de beste, en die zal hij ook ons zijn, welke uitkomst zijn raad ons beschikke. Moet onze arbeid in een lang tijdsbestek en bij aanhoudend pogen tot stand komen, het zij zo, indien daardoor Gods naam te meer worde groot gemaakt.

“Wij hebben het voorrecht gehad een zuster te ontmoeten, die zich bereid toonde en die wij geheel geschikt achten om in haar eigen gehuurd huis vier jongens op te nemen, totdat het weeshuis gebouwd is. Onze waarde vriendin, die het stichting fonds van 240.000 gld. stortte, heeft nu bovendien al haar zilver afgestaan om voor de verzorging van dit viertal verkochte worden. Welk een voorbeeld heeft zij daarin gegeven aan diegenen der gelovigen, die veel boven het benodigde zilver hebben, dat beter dienst kan doen dan in lade of kist verborgen te liggen.”

Augustus 1867. De feiten, die wij met dankbaarheid vermelden, mogen het geloof van allen, die op de Heere bouwen, versterken. In antwoord op onze smekingen heeft de Heere de harten van velen bewogen, die ons gezamenlijk omstreeks I3.000 gld. hebben toegezonden. Vooral merken wij dankzeggend de hand Gods op in de volgende gaven. Mevrouw Pyson, een dame, die ons dikwijls voor het College steunde, zond ons op haar 25 jarig huwelijksfeest de 6.000 gld., die haar echtgenoot tot haar vrije beschikking gesteld had, als bewijs hoezeer hij haar lief heeft en waardeert. Onze zuster heeft deze som bestemd voor de bouw van een der huizen, dat zij “het zilveren–bruiloftshuis” genoemd wenst. Nog beschikte ons de Heere een even rijke gift, ook tot het bouwen van een huis. Een broeder, die mij voor zaken kwam spreken, reikte mij voor die bouw een envelop met 7.200 gld. over. Op geen van deze beide gaven hadden wij enig uitzicht. Gods goedheid heeft er ons mee verrast. Toen ik daags daarop in de open lucht predikte, drukte een onbekende zuster mij een envelop met 240 gld. in de hand voor het College en een tweede met 240 gld. voor het weeshuis. Hoe heeft de Heere ons geholpen!”

De werklieden bij de Heer Higgs in dienst, die de Tabernakel hebben gebouwd, boden edelmoedig hun arbeid aan om een derde huis te bouwen, waarvoor de heer Higgs al de materialen geven zal en dat “Het Werkmanshuis” zal heten. De gedenkstenen voor deze drie gebouwen: “Het Zilveren–bruiloftshuis,” “Het Koopmanshuis,” en “Het Werkmanshuis” zijn op de 9 Aug. 1864 gelegd. Bij die gelegenheid kon worden meegedeeld, dat de 60.000 gld. nodig voor de aankoop van de grond verkregen waren, en dat bovendien door vrienden het bouwfonds met 24000 gld.  was vergroot.

Dus bemoedigd en aangemoedigd besloten Spurgeon en zijn vrienden tot de bouw van een achttal woningen, die naar hun berekening voor 150 jongens een thuis zouden kunnen worden. Tot onderhoud van een zo groot gezin werd berekend, dat jaarlijks 36.000 gld. zouden nodig zijn. Interest van kapitaal kon deze som niet wezen, zodat voor de dagelijkse benodigdheden op de bereidwilligheid der weldadige moest gerekend worden. Aarzelde Spurgeon eerst om de hand aan de ploeg te slaan, bij een begonnen arbeid wist hij niet van wijken. Omdat hij nooit een overhaast besluit nam en onder de enkele indruk van het ogenblik handelde, wist hij te minder van wijken, nadat hij eens de ingeslagen weg als pad van plicht beschouwde. Ook werd hij in zijn vertrouwen op God niet teleurgesteld. In November van hetzelfde jaar schonk de heer Olney 6.000 gld., tot aandenken aan zijn overleden echtgenote, “Het Eenheidshuis.” Voorzeker een edeler aandenken dan een kostbare marmeren graftombe.

Hoe groot de behoefte aan een stichting van deze aard was, bleek terstond, daar zodra een 50 tal geplaatst kon worden voor meer dan 200 aanvrage gedaan werd, waarvan nauwelijks een enkele had behoeven afgewezen te worden, daar bijna allen aan de voorwaarden voldeden, indien er plaats geweest ware.

In Januari 1868 schreef Spurgeon: “Voor nu drie weken bracht mij een onbekende de vorstelijke som van 12.000 gld. om nog twee huizen te bouwen.

Maart 1868. Juist op het laatste ogenblik van het ter perse gaan van ons maandschrift ontvang ik van de heer A. B., een mij geheel onbekende, de som van 24.000 gld. Laat toch al onze vrienden de Heere prijzen voor zijn goedheid. Hoe schandelijk is ongeloof in zulk een weldoener, want hoe rijkelijk kroont Hij het dikwijls nog zo zwakke geloof van zijn knechten. De brief, die er bij was, bewees, dat de gift van dezelfde gever is, die onlangs 12.000 gld. zond. Onze vrees was eerst, dat het weeshuis het College in de weg zou staan en schade doen, maar, waarde lezers, merkt op, hoe de Heer een in ongeloof vrezen weet te beschamen.”

Deze brief was van de volgende inhoud: “Waarde heer! Gij zult u mijn voornemen herinneren om aan uw College een gift te schenken. Heden wierp ik in uw brievenbus een envelop met 24000 gld. aan banknoten, 12000 gld. voor het College en de andere 12000 voor de voltooiing van het weeshuis. Dit laatste bewoog mij om uw College te gedenken. Ik ben een U onbekende, maar uw (gedrukte) preken zijn mij des te beter bekend. Moge de Heere U gezondheid en kracht schenken om nog menig jaar zijn woord te verkondigen en zijn werk te doen. A. B.

De Baptistengemeenten bleven niet achter in een gemeenschappelijk blijk van waardering van deze liefdearbeid. Door inzameling en inschrijving kwam een som bijeen van 11180 gld. bestemd voor de bouw en het meubileren van twee huizen, die de naam van “getuigenishuizen” zouden dragen. Bij het leggen van de gedenksteen op 1 Juni 1868 bood de predikant Wigner uit naam van alle Engelands Baptistengemeenten een adres aan, in overeenstemming waarmee beide huizen samen deze gedenksteen in de gevel dragen:

“Deze beide huizen zijn gebouwd uit de vrijwillige bijdragen der Baptistengemeenten in Engeland, en alzo aangeboden aan de Eerw. C. H. Spurgeon, als een bewijs van hoogachting en toegenegenheid.

A. B. GOODALL, Penningmeester van het fonds.

I. T. Wigner, secretaris.

Op de geboortedag van de leraar, 18 Juni, legde de heer Olney Jun. de gedenksteen der beide “Zondagsschoolhuizen,” die een gave waren van de kinderen, welke de Zondagsschool in de Tabernakel bezochten. Mevrouw Spurgeon was zelf vertegenwoordigster van de leraren, die op het College gevormd waren, en door haar werd de gedenksteen van het Collegehuis gelegd.

In Januari 1869 werd de heer I. Charlesworth, die gedurende zeven jaren de predikant Newman Hall in Surrey Chapel had terzijde gestaan, als hoofd van het weeshuis aangesteld. Rijkelijk bleek in deze keus de mensenkennis en wijsheid van de stichter van het weeshuis, dat onder de leiding van deze bekwame man en kindervriend aan de hoogste verwachtingen heeft beantwoord.

Het volgend uittreksel toont, dat ook dagen van geldverlegenheid voorkwamen.  December 1873. Tot onze verbazing bericht ons het verslag van de secretaris, dat na betaling van alle rekeningen 36 gld. in kas blijven.  Hoe dreef ons dit tot bidden uit, en ons gebed vond verhoring. Stel u, lezer, echter in onze plaats met een gezin van 220 grage jongens en slechts 36 gld. in kas! Het is zo gemakkelijk tot anderen te zeggen: “De Heere zal voorzien!” maar zou hij, die zo spreekt, in engten, als waarin wij ons op dat ogenblik bevonden, zich die waarheid, hoewel bevestigd, zo gemakkelijk in geloof hebben toegeëigend?”

Hoe dikwijls leggen zij, die telkens zulke woorden als gemeenplaatsen uitspreken, de handen nog iets steviger op hun zak, vast besloten zelf geen tussenpersonen tussen de hulpbehoevenden en Gods vaderlijke voorzienigheid te zijn.

Zulke dagen van benauwdheid en geloofsbeproeving verhinderen echter Spurgeon niet om, zeker van Gods welgevallen en bijstand, ook voor meisjes een weeshuis in het aanzijn te roepen, en de Heere heeft ook daarin zijn dienaar heerlijk doen slagen.

Eenmaal ‘s jaars, op de geboortedag van de leraar, werd in het weeshuis feest gevierd en aan de vader van het grote kindertal bood dan een overgroot vriendental hun gaven voor de door hem zo geliefden aan.  Welk een droeve dag zal de 19 Juni dit jaar in het weeshuis zijn. Misschien wordt nu wel Mevrouw Spurgeons jaardag verkozen; maar aan welke dag ook de voorkeur gegeven worde, geen gaven of vermaken zullen bij machte zijn hem niet te doen missen, die vooral op zulk een dag de zonneschijn van het feest was.

De heer Charlesworth is evenals onze vriend Van ‘t Lindenhout van oordeel, dat de wezen niet altijd in de bijenkorf moeten opgesloten blijven, en dat althans een uitgelezen kringetje meer begaafden vrij der gemeente tonen mag, dat een goed ingericht weeshuis niet vreugdeloos en somber is. Gelijk onder leiding van de stichter van Neerbosch’ Weesinrichting mijn vriend Sneep als kapelmeester van zijn hoornblazers en zangmeester van zijn koor in verschillende plaatsen hoorbaar maakt, hoe men in het weeshuis het aangename aan het nuttige weet te paren; doet de heer Charlesworth met zijn jonge volkje tochten, waarop een deel als klokkenspelers en anderen door reciteren en zingen de geest, die in het Stockwell–weeshuis heerst, doet kennen. De stuurlui aan wal, die alles beter weten dan wie in de zaken leven, zullen ook wel in Engeland niet hebben nagelaten over deze uitgangen een afkeurend oordeel te vellen, maar mij deed het genoegen ook in dit opzicht overeenstemming tussen Neerbosch en Stockwell te vinden. Mannen als Spurgeon en Charlesworth hebben wel als opvoeders een naam, die een door hen gekozen spoor tot aanbeveling strekken mag.

De geest, die de kinderen tegenover hun vriend en weldoener bezielde, kan ook uit het volgende huiselijk voorval blijken. “Eens,” dus verhaalde Spurgeon, “was ik met een vriend op de speelplaats van het weeshuis gezeten, toen een aardig klein ventje, van zowat acht jaar, de kring der spelenden verliet, mijn hand vatte en op de open toon, die onder de kinderen heerst tot mij zei: “Mijnheer Spurgeon, mag ik een ogenblikje tussen u en mijnheer komen zitten.” “Wel, Willem, vertel maar eens wat gij te zeggen hebt. “Hoor u eens, mijnheer Spurgeon, en veronderstel, dat een klein jongetje, die geen vader heeft, in het weeshuis woont, met veel andere jongens, die ook geen vader hebben. En veronderstel u, dat die andere jongens moeders en tantes hadden, die eens in de maand komen en dan hun appels en sinaasappelen meebrachten, en hun stuivers gaven; en veronderstel dat deze kleine jongen geen moeder en geen tante heeft, en zo nooit iemand hem prettige dingen brengt; denkt u niet dat de een of ander hem dan wel eens een stuiver geven mocht? Weet u, mijnheer Spurgeon, want dat ben ik.”

Arm klein hart! Hoe welsprekend had hij lucht gegeven aan het gevoel van bitterheid, dat hij kende, als de dag van bezoek elke maand daar was en “hem bracht nooit iemand prettige dingen.” Niet ongetroost ging hij heen en de bezoekdag kreeg voor hem en andere vergetenen een zonnestraaltje.

Spurgeon gaf aan de mededeling deze treffende wending: Wanneer wij dit voorval op het grote mensenleven toepassen, dan zou menigeen, die iets van die verloren toestand kent, kunnen zeggen: “Vrienden, stelt er was een arme zondaar, die zich geheel verloren en zonder hoop kende, maar wie al zijn zonden vergeven werden en door Jezus van een geheel verlorene met God werd verzoend en tot een kind Gods gemaakt; zou gij niet denken, dat zulk een begenadigde alles moest doen voor zijn verlosser en diens evangelie? Weet u, mijnheer Spurgeon, want dat ben ik en hier is een dankbare gift voor de wezen?”

Voor het boekje, dat deze mededeling bevat en “het Stockwell–weeshuis” in zijn bijzonderheden kennen doet, is een titelplaat, die de belommerde laan afbeeldt, welke naar het weeshuis leidt, en de schaduw, welke de bomen op het pad werpen vormen het woord HOME (thuis). Of de zon dit kunststuk wel eens bewerkt, is kwalijk te geloven, maar zeker is, dat als zij het deed, zij slechts de volle waarheid vermelden zou; want wie, zoals ook ik, de stichting dikwijls en de gehele inrichting van nabij heeft gezien, moet erkennen, dat alles met wijze liefde geregeld is, zodat wel Stockwell’s weeshuis door geen ander in de schaduw gesteld kan worden. De Rijksinspecteur getuigt er dan ook in een van zijn verslagen van: “Een voortreffelijke stichting, uitmuntend wat plan en inrichting betreft, en zo mogelijk nog beter in uitvoering.”

Het kunnen verkopen der Parkstraatkerk leidde tot het in wezen roepen van een oudevrouwenhuis, dit is echter eerst geworden wat het nu is, door de 60.000 gld., welke Spurgeon daarvoor afstond van het geschenk hem op zijn zilveren bruiloft aangeboden.

Onder de overige weldadigheidspogingen van de nooit met zijn werk voldane herder en leraar uitgegaan, zou bijzondere vermelding verdienen de Colportage–vereniging, in 1865 door hem opgericht. Toen werd met twee beproefde mannen begonnen, wier getal nu tot 90 is aangegroeid.  Een jarenlang onder zoek doet mij echter betwijfelen, of zulk een vereniging, als ook b.v.in Schotland 124 colporteurs heeft, in Nederland tot bloei zou kunnen komen. Zover ik heb kunnen nagaan, is eensdeels op de dorpen in Engeland en Schotland de gelegenheid tot aankoop van boeken minder dan hier, maar bestaat daar ook, vooral in Schotland, veel meer belangstelling in het lezen van degelijke boeken van het soort, dat de colportage–vereniging aanbiedt.

Liever dan enkel nog enige namen te geven, maak ik van de mij ten dienste staande ruimte gebruik om er op te wijzen, dat, hoeveel Spurgeon door anderen deed, zijn altijd zichzelf geven, voor al wat van hem uit ging een bezieling en drijfkracht was. Niemand meer meester dan hij om anderen, op wie hij invloed had, tot een volle ontwikkeling van aanleg en krachten te brengen, maar dit nog meer door eigen daad dan een voorbeeldig meesterlijke leiding. Stave dit een enkel voorbeeld en wel uit zijn laatste, door toenemend lijden zo moeilijke levenstijd.

Spurgeon heeft altijd een de evangeliedienaar waardige belangstelling in de geheelonthoudersbeweging getoond. Ofschoon hij in de tijd, dat hij bijna dagelijks preekte, meende, dat wijn hem nodig en een behoefte was, liet hij toch die overtuiging niet gaan boven wat hij als voorbeeld voor zijn gemeente volstrekt noodzakelijk achtte. Vooral op een kindervereniging in zijn gemeente stelde hij prijs, en zijn beide zonen werden haar eerste leden. Toen de beweging, als van de werkmansstand uitgegaan, nog in onere was, gaf hij bij de Mei–samenkomsten het voorbeeld door zijn Tabernakel tot een Onthouderspreek te lenen.

Hetzelfde deed hij tot het einde toe jaarlijks voor een onthouderszending, welke acht of tien achtereenvolgende dagen innam. Steeds werd die christelijke veldtocht door hem zelf geopend. Dit heeft hij ook nog de laatste maal gedaan op een Maandagavond, nadat hij des Zondags twee maal gepreekt en al het gewone Maandagswerk verricht had. Ziek en afgemat had hij, die weinige maanden later tot een betere rust dan hij hier zich gunde, inging, zich voor ditmaal licht aan de taak kunnen onttrekken. Hij deed het niet, en naar waarheid meen ik gezegd te hebben: “Bij andere gelegenheden moge hij uit het oogpunt van kunst nog welsprekender gesproken hebben, meer als vader zeker nooit. Hij sprak bij deze gelegenheid “als een vader, die elk ogenblik tot scheiden kan geroepen worden.” Ja, het was, of een voorgevoel van een niet meer ver afzijnd einde hem drong zijn uiterste krachten tot een laatste woord saam te vatten. Hoort, hoe hij zijn rede aanvangt:

Ik ben zeer bevreesd, mijn vrienden; dat de verslaggevers, die ik zie, zich met hun komen hier vergist hebben, want ik heb niets te zeggen, dat waard is opgetekend te worden. Ik ben te op, te geheel uitgeput om nog iets te kunnen zeggen, dat waard is in druk te verschijnen. Ik kan u verzekeren, dat ik mij Zondagavond zo geheel op gevoelde, dat ik het betwijfelde, of het wel de moeite waard was, dat ik nog te bed poogde te komen. Alle kracht daartoe scheen mij ontzonken. Nu heb ik de hele dag zitten tobben om met pijnlijk gezwollen handen de proef van mijn preek te herzien, en ervaren welk een zwaar en langzaam vorderend werk dit wezen kan. Na hier te half vijf voor de dames–bijeenkomst gekomen te zijn, en daarna de gewone bidstond geleid te hebben, ben ik nu hier, en vind niet de minste stof tot spreken in mijn hersenen, zodat er ook wel niets uitkomen kan. Toch wil ik mijn best doen u een en ander op het hart te leggen. Hoe het er uit komt, doet er minder toe, er zijn dingen die moeten gezegd worden, hoe goed of kwalijk het ga!”

Toen greep de afgematte, doodmoede man zich zelf aan en sprak uit volheid des harten zeker weinig minder dan een uur, wanneer ik naga, dat mijn vertaling van zijn rede tien bladzijden, zeer dicht gedrukt beslaat.

Onder gelijke omstandigheden hoorde ik in het jaar 1863 in Mei eens Lord Shaftesbury op het onthouders–jaarfeest van mijn vriend, de predikant Maguire spreken. Het was de laatste der Mei vergaderingsdagen en het was de waardige man aan te zien, dat hij zich reeds tot het uiterste gegeven had, zodat hij ook vooruit verzocht van spreken verschoond te blijven. Op deze bijeenkomst hadden de vrouwen, op het oog meest huismoeders verre de overhand, en het was of deze bijzonderheid een laatste vonk van levensgeest in de goede mensenvriend aan blies.  Althans aan het einde der bijeenkomst nam hij uit zichzelf het woord, en sprak uitvoerig en met zeldzame gloed de moeders toe, haar de waarde der geheelonthouding in des werkmans gezin met vaderlijke ernst op het hart leggend. Nooit heb ik de indruk van die edele zelfoverwinning en dat heilig willen verloren, en vaak heb ik daaruit in moeilijke ogenblikken bezieling ontleend.

Zeer verheugt het mij, dat zonder mijn invloed en zelfs buiten mijn weten van deze treffende laatste rede van Spurgeon te Leiden, gedrukt bij Eduard Ydo een tweede druk is verschenen. (prijs f 0,03;  50 exemplaren f 1,25; 100 exemplaren f 2,00). Mocht, nu de mond van de begaafde spreker gesloten is, dit ernstig en zeker een van zijn laatste, reeds onder de indruk van het sterven gesproken woord, een toenemend tal van kopers en verspreiders vinden.

Vreemd moet het mij toeschijnen, dat de Christelijke bestrijding der drinkgewoonten, (gewoonten, die onze kleine natie bij het stiefmoederlijkst behartigen der heidenzending jaarlijks enkel aan jenever tachtig miljoen guldens doen verkwisten), een deel van het christelijk gemeenteleven, dat een herder als Spurgeons zo na aan het hart lag, in ons land bijna alle evangeliedienaars en opzieners der gemeenten, en wat nog meer bevreemdend is, bijna alle moeders zo koud en onverschillig laat. Terwijl de kwaal het hart en levensbloed der natie verteert, het door foezel bedorven en krachteloos bloed van de werkmanstand in zijn kinderen is aan te zien, mogen schatkistbelang, handelsvoordeel en gewoontegezag ongehinderd het euvel van kwaad tot erger doen groeien.

Elke nieuwe minister van financiën legt zonder medelijden of blozen enige guldens meer op de jeneveraccijns, zo het heet om de verkoop te beperken, innerlijke zekerheid dat de geraamde som tot de laatste cent toe zal binnenkomen! Ook berust daarin steeds onze wetgevende macht, die volksvertegenwoordiging heet, maar als Lucus van non Lucendo; want wat anders dan partijbelang wekt daar leven en belangstelling. Toch zwijgen de dienaars van Hem, die alle macht heeft ontvangen in hemel en op aarde, en die zeker ook daarom tot hen zei: “Ik ben met u tot de voleinding der wereld,” opdat zij met woord en daad zouden tonen, van welk een Koning en Meester zij dienaren zijn. Door hoeveel grootheid schittert Spurgeon, maar mij is dit zijn afscheidswoord een der luisterrijkste parels in zijn herders– en leraarskroon.

C.H. Spurgeon als Volksschrijver

Ik zou ook boven dit hoofdstuk hebben kunnen schrijven als man van letteren, want onder de grote letterkundigen besloeg hij zijn plaats met ere. Toch was hij in de volste zin volksman. Uit het volk voortgekomen, voor het volk levende, als gezant van Christus zo goed als bij uitsluiting voor het volk schrijvende. Zoveel en velerlei heeft hij op het dus beperkt gebied geschreven, dat een oordeelkundige beschouwing bijna een boekwerk zou wezen. Ook zijn zijn boeken in zulk een getal in onze taal overgebracht, –zelf vertaalde ik “Jan Ploegers Praatjes; Leerredenen aan de landbouw ontleend;” “Ja en Amen” “Sermoenen in kaarsen, dat reeds het denkbeeld van een bloemlezing doet duizelen. De geest van onderwijzend schrijven van de leraar spreekt eigenaardig in enige uitingen van zijn gemoed in zijn studiebijbel op het schutblad geschreven:

C. H. Spurgeon 1856.
“De lamp bij mijn studie.”
Haar licht bestraalt mij helderder dan ooit!” 1861.

“Och, dat mijn ogen meer tot zien geopend werden.” 1864. “Door het gebruiken versleten, opnieuw gebonden, 1870. De lantaarn is vernieuwd, en het licht er binnen is in mijn ogen schoner en verblijdender dan ooit.”

Spurgeon was een man van het Woord, en dit doet mij besluiten hem bij voorkeur zelf te laten spreken, liever dan enige uit noodzaak oppervlakkige beschouwingen over de lange reeks van zijn geschriften te geven. Ik koos daartoe een van zijn allereerst uitgegeven preken. Niets kan wel beter staven hoe lasterlijk alle praatjes waren, die over het onedel karakter van zijn preekwijze werden uitgestrooid; alsook, welke vorderingen gebed, studie en ervaring hem op zijn eigen gebied hebben doen maken, hij reeds als een Saul op eenentwintigjarige leeftijd “van zijn schouders en opwaarts hoger was dan al het volk.” Spurgeon preekte toen nog in de Nieuwe Parkstraat. Zijn naam en roem moesten zich nog vestigen. Reeds was toen het gehalte van zijn spreken gedegen goud. Op een Zondagmorgen in Maart 1855 preekte hij naar het woord, (1 Joh. 5:4)

“Al wat uit God geboren is, overwint de wereld; en dit is de overwinning, die de wereld overwint, ons geloof.”

“Liefde is in woord en beschrijving in Johannes’ brieven een heilige geest, die alles doortrekt. Het woord zelf doet zich aanhoudend voor en de geest doorademt elke zinsnede. Elke letter van zijn schrijven is om zo te spreken, in deze hemelse honing gedoopt en er van doortrokken. Van God sprekende noemt hij die als vanzelf Liefde; van de broeders gewagende wordt hun naam Geliefden; kon hij anders, die van de wereld zelfs schreef: “Alzo lief heeft God de wereld gehad, dat hij haar zijn eniggeboren zoon gegeven heeft.” Van het begin tot het einde van al zijn schrijven is liefde grondtoon, drangreden en doel.

Wel mag het daarom ons verbazen, dat uit onze tekst te midden van een zo vrede ademend schrijven zulk een krijgstoon ons toe klinkt. Het is geen vrede en liefdestem, die zegt: “AI wat uit God geboren is, overwint de wereld.” Hier is sprake van weerstand bieden en kampstrijd.  Het woord “overwint” duidt zwaard en oorlogvoeren aan, een strijd, die een worstelen tot de doodstrijd toe betekent. Dit is niet de zachte, vriendelijke uitdrukking van liefdeheil, die van fluwelen lippen vloeit en zachter dan olie vloeit. Hoe is het mogelijk, dat het Evangelie, dat liefde tot aanvang en einde heeft, ook zulk een oorlogstaal doet horen? Niet in het evangelie ligt de oorzaak, maar in de wereld, omdat in haar een beginsel leeft, dat lijnrecht tegenover liefde staat.

De grondbeginselen, die haar in al haar zijn en doen besturen, kunnen geen licht verdragen, en daarom moet de duisternis verdreven, alvorens het aan het licht mogelijk zal zijn in volle helderheid en glans te stralen. Voor de zomer de scepter voeren kan, moet hij de grauwe winter verslaan, de gure Maartse stormwinden tomen en de milde waterstromen van April hebben weg gewist. Evenzo moet een strijd voorafgaan, eer wat groot en goed is, het meesterschap over en in de wereld kan bezitten. Satan zit vast genesteld op zijn in bloed gegrondveste troon; zonder voor strijd bezweken te zijn, zal hij daarvan niet wijken. Duisternis broedt over de natiën, en de zon kan haar lichtrijk niet vestigen dan na de nacht met haar pijlen doorboord en op de vlucht gedreven te hebben. Vandaar dat ook Christus, hoewel “de Vredevorst, zeggen moest: “Ik ben niet gekomen om vrede te brengen, maar het zwaard.” De strijd is niet zijn doel, maar alleen het middel, voor Hem noodzakelijk om zijn heilig doel te bereiken.

Hoe droevig klinkt het ons toe, dat de aarde een strijdperk moet zijn, omdat het goede er niet wonen kan, dan na over het kwade te hebben gezegevierd! Engelen zien op ons, en o, hoe zouden zij ons ter hulpe willen snellen, maar de strijders onder de Overste Leidsman tot behoud mogen alleen de krijgsknechten van het kruis zijn. Die kleine schare moet alleen staande strijden, maar om tot heerlijkheid te overwinnen. Ook zal zij haar Leidsman tot zegepralen genoegzaam blijken.

Onze tekst vestigt onze aandacht op drie zaken. Ten eerste gewaagd hij van een grote overwinning: “Dit is de overwinning.” Voorts wijst hij op een heerlijke geboorte: “Al wie uit God geboren is.” En eindelijk roemt hij in een deugdelijke genade, waardoor wij de wereld overwinnen: “ons geloof.”

1. Onze tekst gewaagd van een grote overwinning, de grootste van al de overwinning der overwinningen. De geschiedenis maakt melding van oorlogen en zegepralen, maar wie overwon de wereld? Het is van Alexander de Grote gezegd, maar geschiedde het met recht? Toen hij alles scheen te bezitten, was hij meer dan ooit een overwonnen man. Zie hem wenend de handen opheffen, in zijn roemzucht dorstend om een tweede aardbodem met verwoesting te kunnen slaan. Voor het uiterlijk scheen hij wel overwinnaar, maar de slaaf van zijn begeerlijkheid, werd de wereld meer zijn meester, naarmate zijn gebied zich vergrote. Wie was er na hem, die de wereld overmocht? Groter dan Caesar en ieder oorlogsheld na hem zou hij zijn en meer dan alle ooit gewonnen krijgslauweren zou hij verdienen.

Het is Christus alleen, die zeggen mocht: “Ik heb de wereld overwonnen;” en hij ook: “die de zijnen als schapen in het midden der wolven zond,” is het die hen, schoon schijnbaar weerloos, gelijke overwinning behalen doet. Die strijd tot zegepraal, mijn vrienden, is, ik verzeker het u, een zware strijd. Met geen ridderspel is hij te vergelijken, of met de overmoedsdroom van een jeugdig vrijwilliger, die, zodra hij enige wapengrepen meester is, reeds van een zegekroon droomt. Des Christens strijd is een strijd voor het hele leven, een strijd, die een moedig hart en de spanning van alle spiervezels vordert, en waarin bij overwinning blijken zal, dat alleen al onze kracht genoeg was en niets daarboven ons restte. In deze strijd zou het moedigste hart falen en de sterkste deinzen, leefde niet in de kampende het bewustzijn: “de Heere is met mij, wie zou ik vrezen!” Kwam het in de strijd tegen de wereld alleen aan op kracht als haar helden bezitten, een Christen zou niet slechts hun gelijke maar hun meerdere kunnen zijn. Maar een andere is de kampplaats, en andere zijn de wapenen tot overwinning. De strijd ligt op het gebied van verstand, hart en geest. Wie op één punt overwinnaar is, ontdekt terstond een nieuwe te bestrijden macht. Oneindig in gedaante, in geweld, in haten is onze tegenstander, en tot onze dood komen ons nieuwe heirmachten tegen, die als dienaren dezer wereld ons ten strijde dagen en dringen. Toch is er niet één voor ons onoverwinnelijk. Slaan wij slechts de in het geloof strijdende gade en hoe hij de overwinning behaalt.

2. Hij is overwinnaar, zodra hij zelf zich stelt als wetgever tegenover de wereld, die haar gewoonten hem opdringen wil. Gij weet, de wereld heeft een oud, overgroot wetboek met eigen gebruiken en gewoonten, en wie zich daarnaar niet voegen wil, doet een door deze beheerste maatschappij in de ban. Hoevelen doen, wat zij iedereen zien doen, en hebben daarbij vrede. Hoeveel oneerlijkheid wordt zonder schroom gepleegd, omdat het ja wel misdadig, maar gebruikelijk is. Is dit met u anders, of zijt ook gij gewoon, als gij de meerderheid zekere gewoonten volgen ziet, u met deze daarnaar te voegen? Kunt gij, zo doende, geloven, dat de pijnen van het strafgericht u minder pijnlijk zullen zijn, omdat gij met een grote schaar de weg gekozen hebt, wier einde zijn paden des doods en eeuwig verderf? Merkt op, dat het de dode vis is, die met de stroom meegaat, en dat alleen de levende macht heeft, tegen de stroom in te zwemmen.

De mens moet Christen zijn, niet door zijn ik, maar door de in hem inwonende Christus, in diens kracht de macht bezitten om naar gewoonten niet te vragen, met het algemeen gebruikelijke niet te rekenen, en alleen een oor te hebben voor de vraag: “Is het goed of kwaad?” Al maakt mij het goede zonderling, welnu, ik zal het betrachten. Al deed niet een het, zo zal ik het toch doen. Ik ben vast besloten mijn beginsel en plicht te volgen, al zou het een gehuil van haat en smaad doen opgaan, en de wereld mij door steenworpen en brandstapel haar zin en gezindheid openbaren. Wil niemand mij volgen, welnu, ook alleen weet ik, wie met mij is. Niet mensen, maar de Heere zal mij wegen en met mijn Meester wens ik te staan of te vallen.

Wat doet tegenover zulken de wereld? In sierlijk rechters gewaad uitgedost plaatst zij zich op haar zetel, en zegt minzaam en plechtig: “Mijn vriend, hoe zijt gij verbijsterd en op een dwaalweg. Let eens op wat alle mensen, wat uw stamgenoten, naar mijn wetten en gewoonten doen. Wat gij u ten regel wilt stellen, is al honderden jaren buiten gebruik. Wat beeldt gij u in, dat gij meent u straffeloos tegen mij te kunnen verzetten!” Na zulk een inleiding haalt zij haar verweerd wetboek voor de dag en wijst u er op, hoe het onder de regering van Nebukadnezer en van Farao gesteld was, die naar de aard van haar leerschool wetten gaven en deden eerbiedigen. “Regels en gewoonten, die zo het zegel der oudheid hebben, kunnen niet zonder heiligschennis worden weersproken, of meent gij alleen meer te zijn dan al mijn dienaren?” Wel, wie Christen is, bezit die overmoed. Wie moed hebben de Heere en zijn kruisbanier te volgen, doen als de gelovigen te Efeze, zij verbranden de toverboeken van het bijgeloof, storen zich evenmin aan haar dreigingen als aan haar gewoonten, en weten, ook door de wereld uitgeworpen, met opgeheven hoofd en een kloek hart door het midden van bedreiging en bespotting heen te gaan. Zij laten de vreesachtigen het proefstuk om God en de wereld, Christus en Baal gelijktijdig te dienen. Een keuze moet gedaan worden en wie de goede keuze doet, kent zich, hoe zwak zelf, in Gods kracht machtig tot overwinning der wereld.

3. Wie zo gezind is, komt in verzet tegen de gewoonten der wereld. Hij veroordeelt ze niet alleen, maar poogt ze door andere, door nieuwe vervangen te zien. Welk een openbaring van des vijands gezindheid is bij zulk een opstaan tegen zijn gezag te wachten? Terstond werpt nu de wereld het over een anderen boeg. Op meesterachtige toon verkondigt zij: “Deze mens is een ketter, een dweper, een huichelaar.” Met dat woord van aanklacht op de lippen grijpt zij naar haar zwaard en roept haar trawanten ten strijde. “Getrouwe onderdanen,” zegt zij, “ziet, hoe deze, onwillig om te doen als iedereen, mijn gezag en heerschappij zoekt te tarten. Vervolgt hem, tot hij verbrijzeld neer ligt.” Tevens roept zij haar geestelijke hulptroepen op en beveelt: “Laster, kom op uit uw hellekrochten, spuw op hem uw venijn; Nijd, scherp uw tanden en doe hem uw beten voelen.” Zo omringt zich de wereld door al haar machten, en laat hand en tong niet rusten in het hem vervolgen. Waar zij kan kwelt zij hem, legt zij hem lagen tot vernietiging van zijn maatschappelijke welvaart, en zodra hij tot verdediging der waarheid de mond opent, zoekt zij door spotlach en vuile redenen zijn stemgeluid te smoren. En hoe betoont zich de dienstknecht des Heeren, waar zich dus de wereld in haar boosheid roert en geweld oefent? Weet hij van deinzen? Verlaagt hij zich tot buigen? Verraadt zijn gelaat en houding een kleinzielig sidderen? Neen, neen! Wetende, dat hij in Christus alle dingen vermag, honger en koude en gebrek lijden, ja, als een slachtoffer geofferd te worden, betuigt hij als een Luther: “Ik wijk voor niemand!” en aanvaardt de strijd, als de wereld opstaat om hem ten bloede te bekampen.

Wanneer de wereld en haar stoet
Hem dringt met macht geweld,
Staat hij, sterk door vernieuwd gemoed,
Hoe ook der haatren boosheid woed,
Kalm, pal als Christenheld.

Hoe staat het in dit opzicht met u, mijn vrienden? Behoort gij nog soms tot diegenen, die wel vroom willen zijn, als er geen strijd mee gemoeid is, maar die bij de minste tegenspraak hun godsdienst bedekken en vaarwel zeggen? Alzo niet, voor wie de godsdienst meer is dan een kleed; zij, die uit God geboren en hem in Christus kinderen zijn, voor ‘s mensen dreigen niet deinzen, maar als het moet de eenzaamheid van de woestijn of de duisternis van de kerker kiezen boven wat heerlijk is bij de mensen. Wie Christus is ingelijfd, acht alle dingen schade voor het delen van des Meesters heerlijkheid. In Hem gevonden te worden, in Hem schuilplaats te vinden, schenkt hem vrede en blijde hoop te midden van het gieren van der wereld stormen. Te midden der woedende, huilende orkanen van wereldwoede en haat, klinkt zijn gezang:

Jeruzalem, mijn heerlijk huis,
Hoe is uw naam mij zoet;
Mij open door mijns Konings kruis
Ga ‘k, door zijn offerbloed.
Gereinigd, ‘t pad, dat tot u leidt,
Straks delend in Zijn heerlijkheid.

4. “Wel,” zegt de wereld, als zij die jubel hoort, “met wie zo blijmoedig weten te zingen, moet ik het met andere wapenen uit mijn wapenkamer beproeven.” En het giftig tuig, dat zij dan voor de dag brengt, is het gevaarlijkst en dodelijkst van alle. Een vriendelijk u toelachende wereld is heel wat meer te duchten dan een, die met donker, dreigend gelaat u aanblikt. Zij redeneert in haar overdenking op deze wijs. “Met dwingen en slaan vorder ik met deze geen enkelen voetstap.  Ik ga mijn wapenrusting afleggen en reik hem dan mijn zachte, blanke hand, opdat hij die kusse. Ik zal hem trachten wijs te maken, dat ik hem lief heb en hem met vriendelijke woorden en vleitaal zoeken te winnen.”

Hoe juist heeft Bunyan het beeld van Mevrouw Zeepbel beschreven: “Zij heeft iets hartvermeesterends over zich; ieder van haar volzinnen weet zij met een glimlach te eindigen en te zalven; altijd zoekend naar wat strelen en innemen kan, is winnen en heersen haar nooit uit het oog verloren doel.” Gelooft mij, vrienden, Christus navolgers zijn veel minder in gevaar wanneer zij vervolgd, dan wanneer zij bewonderd en gevierd worden. Wie enig toppunt van volksgunst bereikte, heeft alle reden tot vrezen en beven. Wanneer men ons uitfluit en scheldt, is er niet zoveel oorzaak voor bezorgdheid, maar dan vee lmeer, wanneer voorspoed ons troetelt en het volk ons als op de handen draagt. Wee onzer, wanneer alle mensen wel van ons spreken. De gure koude winter zal ons met zijn kilheid en stormen de mantel der gerechtigheid niet van de schouders rukken, maar de opgaande zon, die de lucht al warmer maakt en balsemt, kan zelf ons ons eergewaad doen prijsgeven en tot naaktheid brengen.

Hoe menigeen kwam op deze wijze ten val, door wierook eerst bedwelmd om eindelijk met verloren goede naam in duisternis onder te gaan. Niet alzo, wie waarlijk door het levend Woord God de Vader tot kind is wedergeboren. Hij gaat veilig daarheen, hetzij de wereld hem met een vleiende glimlach of barre dreiging begroete. Prijst men hem te recht, zijn woord zal zijn: “Indien al mijn daden lof verdienen, alleen aan God komt er de ere van toe.” Wie waarlijk groot zijn, weten hoeveel zij te kort schieten en dat zij boven eigen dagelijks inkomen niet te geven hebben. Sommigen kunnen niet tevreden leven, zo hun niet in ruime mate lof ten deel valle. Welnu dit worde hun deel voor zoveel zij er aanspraak op kunnen doen gelden. Zijn zij in hun hart kinderen Gods, de Heere hun sterkte zal hen bewaren in deze hun zwakheid, en op de hoogten, waar zij gevaar lopen uit te glijden, hun voeten vastmaken als die der hinden. Hij is het, die door geloof ons tot overwinnen der wereld machtig maakt.

5.  Soms ook moet de wereld de Christen als in de kerker een gevangenbewaarder zijn. God zendt hem tegenspoed en smarten tot het leven een kerker is, en de wereld daarin gevangenbewaarder in deze dienst doende naar al de verraderlijkheid van haar verdorven aard. Hebt gij ooit in uw geloof beproevende zorgen en moeiten verkeerd, mijn vrienden? en is in uw benauwdheid de wereld nooit tot u gekomen met een woord als dit: “Arme gevangene, ik heb een sleutel, die u de deur openen en u in vrijheid stellen zal. Gij verkeert in geldelijke moeilijkheden, maar ik zal u zeggen, hoe uit die nood vrij te komen. Uw kwelgeest Geweten moge er wat tegen hebben, maar leer hem, niet in alles de mond te steken. Hij zal met de vraag komen, of het wel eerlijk is, maar maak u daarover niet moeilijk, het is tijd genoeg eerlijk te zijn, wanneer gij het geld hebt, dan kunt gij rustig berouw gevoelen, zo er in de daad wat verkeerds was.” Zo zal de wereld u in uw zwak zoeken te tasten, maar wie gelooft, antwoordt: “Verre van mij, dat ik zo iets zou doen.” –”Wel,” herneemt de wereld, “wanneer gij er zo over denkt blijf dan zuchten en kermen, maar waarlijk het is toch meer dan erg, dat iemand, zo braaf als gij, in zulk een enge kerker zit opgesloten.”

“Neen,” spreekt de Christen: het was mijns Vaders wil mij in de engte te brengen, en ook zal Hij, maar op zijn tijd en in zijn weg mij weer in de ruimte stellen; doch al moest ik in deze toestand sterven, naar uw raad en met uw aanbevolen middelen zal ik niet naar uitkomst trachten. Mijn Vader weet wat mij nodig is, en alleen tot mijn welzijn heeft Hij deze bezwaren beschikt. Laat die toenemen, laat deze kerker mijn graf worden, ik zal mijn mond bedwingen en niet murmureren. Hem wil ik verbeiden, maar geen vinger verroeren om in een weg, die hem bedroeven zou, uit deze engte vrij te worden.” Wat, schertst dan de wereld, “wie was ooit groter dwaas dan gij, die voor een hersenschim vrijheid en geluk veracht en versmaadt.” Met spotlach zult gij haar in haar gram horen herhalen: “Welk een hersenloos brein, de kinderachtige stumper heeft geen moed tot het doen van een kloeke daad, hij is te benauwd om op een wat onstuimige zee scheep te gaan, maar wandelt liever op de eentonig vervelende paden van een ouderwetse eerlijkheid!” Ja, dit is zijn wil en keus, en doordien hij daarin vast en pal staat, overwint hij de wereld.

O, zo ik mij niet beperken moest, welke harde kampstrijden kon ik u voor ogen stellen! Hoe menig arm meisje heeft bij de eis der wereld, die niet vraagt tot welke prijs goedkoopte verkregen wordt, gewerkt, gezwoegd, zich afgemarteld tot haar de vingers tot op het been ontvleesd waren, om een overkarig loon te trekken van het maken der kleren, welke wij dragen, zonder er ons van bewust te zijn, dat zij ten koste van vlees en bloed, en met verwoesting van het kostbare schone leven van arme meisjes zijn verkregen. Hoe zijn er onder deze honderden malen verzocht, voor wie alle strikken gespreid worden om haar ten val te brengen, maar die de strijd zonder wankelen doorstreden, en die eer en reinheid boven alles stellend in de diepste armoede staande bleven, “zuiver als de zon, schoon als de maan, schrikwekkend als slagorden met banieren.”

Ook ontbreekt het niet aan mannen voor wie de gelegenheid openstond, om in één enkel uur rijk te zijn en voor altijd overvloed te hebben, indien zij maar de hand hadden willen uit strekken naar het onreine, waarnaar te zien zelfs misdaad is, omdat een heilig God het verbood. Lokkend en aansporend vleide de wereld: “Wees rijk, wees rijk!” maar de Heilige Geest getuigde met zijn geweten: “Neen, blijf eerlijk en dien God met zuivere handen en een rein hart.” O, hoe bange strijd valt in het wereldrumoer vaak binnen het hart te doorstrijden! Wie echter in Christus Gode leeft, zegt: “Neen, al kon ik de sterren in werelden van goud veranderd zien, ook voor die ophoping van schatten zou ik mijn beginselen niet ten offer brengen en aan mijn hart schade willen lijden.” Zo treedt de navolger van de Voleinder van het geloof zegevierend voort, zijn is de overwinning die de wereld overwint.

II. Onze tekst getuigt van zegepraal, maar wijst ons ook op de bron van zo grote krachtsontwikkeling, als voortkomende uit de heerlijke geboorte, die hij vooropstelt. Nadat het zeker was, dat de grote zaal in Exeter Hall ons voor prediking zou worden afgestaan, meende een vriend mij te moeten raden, daar toch de voorzichtigheid te gebruiken het verschil van meningen bij mijn toehoorders te ontzien. Welk soort van preken had ik echter wel moeten voordragen, indien ik er naar had willen trachten om het ieder naar de zin te maken en allen te behagen!  Ik ben gewoon te prediken, wat ik geloof waarheid te zijn, en wanneer het weglaten of bedekken van een enige, door mij in geloof erkende waarheid, mij voor eeuwig koning van Engeland maken kon, zou ik de voet op die kromme weg niet zetten. Wie mijn woord niet horen willen of dragen kunnen, hebben niets te doen dan weg te blijven. Wie hier komen, komen uit vrije keus; indien wat mij waarheid is, hun niet behaagd of smaakt, het is geen hun opgedrongen spijs. Nooit zal ik de vrees koesteren of er mijn landgenoten van verdenken, dat zij de man de rug zullen toekeren, die niet aarzelt onverholen aan wat hij als waar leerde kennen getuigenis te geven.

Dit geldt ook van de heerlijke geboorte, zonder deelgenootschap waaraan de Heere zelf gezegd heeft, dat niemand het koninkrijk Gods zelfs zien kan. Nu moge Pausdom en Puseïsme een wedergeboorte door de doop leren, ik zal niet ophouden te getuigen, dat het op nieuw geboren worden niet de uitkomst kan zijn van het uitstorten van enige droppels water op het voorhoofd van een kind. Wie met gezonde hersenen kan dat aannemen? Of sluit het niet in, dat een gedoopte speler, ontuchtige en dronkaard onder de op nieuw geborenen te tellen zijn. Neen, Gods gave is een andere en betere, wanneer Hij de zondaar door wedergeboorte het eeuwige leven in Christus deelachtig maakt.

Uit God geboren zijn, dat is de wedergeboorte; en allen, die dat heil deelachtig zijn, “al wat uit God geboren is”, zegt onze tekst, “overwint de wereld.” Deze nieuwe geboorte is als het heilige der heiligen der openbaring van Gods genaderaad. Preek wat gij wilt, maar met weglating van deze heilswaarheid, en hoorders zullen u, als gij de gave van spreken hebt, niet ontbreken. Plaats echter het noodzakelijke van zulk een gehele omkeer in wezen en zijn, die niet anders is dan een overgang uit de dood in het leven, naar de Schrift in vol en helder licht, en allen, wie het niet om de waarheid maar om een valse vrede te doen is, zullen voor u de oren sluiten en zich haastig afwenden.  Zegge toch niemand, wanneer de dienaar des Meesters woord: “tenzij iemand op nieuw geboren worde, hij kan het koninkrijk Gods niet zien” ten ernstigste aandringt: “dweepachtige overdrijving!” Deze stellige verklaring in Gods eigen openbaringswoord, is mij heilig. Op dat woord sta en pleit ik, daarnaar wil ik geoordeeld worden.

En nu dan, wat heeft het in “op nieuw geboren te worden?” Wie zal u het eerste geboren worden verklaren, en hoe zou dan onze gebrekkige taal deze hoogheilige verborgenheid, die alleen door ervaring kan gekend worden, beschrijven voor wie aan haar heerlijkheid vreemd zijn! Zegt niet de Heere zelf van degene, die dit heil in Hem deelachtig is: “De wind blaast, waarheen hij wil, en gij hoort zijn geluid, maar gij weet niet vanwaar hij komt en waar hij heengaat, alzo is een iegelijk, die uit de Geest geboren is.” Maar al is die geboorte een niet te verklaren heilgeheim, niet minder dan ons evenzeer onbegrepen natuurlijk leven kan het haar deelachtig zijn gekend en ervaren worden. Niet als in de slaap en buiten des mensen medeweten wordt zij zijn deel. Het is een overgang uit de dood in het leven, die vaak niet dan onder de bangste smarten tot stand komt, maar die, hoe geheimzinnig, de grootste, de meest stellige omkeer is, omdat haar uitkomst een “nieuw hart” en “een gehele vernieuwing is van de geest van het gemoed.”

Zou zulk een levensvernieuwing anders dan een bovennatuurlijk karakter kunnen dragen? Hoe zou zulk een gehele verandering een daad van de zondigen mens zelf kunnen wezen! Waarlijk het is iets anders en meer dan alle uitwendige verandering in levenswijs, gewoonten en geloofsbegrippen, die niet buiten het bereik van ‘s mensen eigen wil liggen.  Het is “een nieuw beginsel,” dat zich in het hart werkzaam betoont, en dat van binnen uit de gehele mens drijft en beheerst. Noch eigen wil, noch het Bijbelwoord op zichzelf, noch enige prediking, hoe welsprekend ook, vermag iets zo groots en wonderbaars; het is Gods genadedaad, een scheppingswerk van zijn Heilige Geest. Daarom ook is het een onveranderlijke verandering. Hoe der mensen bespiegeling van deze waarheid heeft willen afdoen, alleen door het op nieuw geboren worden in andere of zwakker zin dan de Schrift leert, te verstaan, kunnen zulke leringen worden gangbaar gemaakt. “Wie uit God geboren is,” zegt de Schrift, “zondigt niet.” De op nieuw geboren kan niet roemen, “het alreeds gegrepen te hebben of alreeds volmaakt te zijn;” maar hoeveel droefheid hem zijn nog in zwakheid struikelen baart, van zichzelf af en op Christus, die zijn leven is, ziende, doet zijn geloof hem pal staan in de overtuiging en roem, dat niets meer ooit hem zal kunnen scheiden van de liefde Gods, welke is in Christus Jezus onzen Heere.

III. Wie uit God geboren zijn, ontvingen het nieuwe leven niet vergeefs, maar openbaren daarin een heuglijk genadebetoon van God. “AI wat uit God geboren is overwint de wereld.” Wat is het, dat hen doet zegepralen in deze hachelijke strijd, een strijd in waarheid op leven en dood? “Dit”, zegt onze tekst, “is de overwinning, die de wereld overwint, ons geloof.” Niet door de rede en haar beleid overwint de Christen deze wereld. Onze rede is ook Gods gave, een kostelijk geschenk, waarop niemand smale; maar noemen wij haar een kaars, dan behoren wij bij vergelijking het geloof een zon te heten. Al is mij het zonlicht het hoogste, ik zou een dwaas zijn, als dit mij er toe bracht om het nuttig kaarslicht te verachten. Ik gebruik mijn rede, maar als Christen, onder besturing van de Geest. Zonder deze leiding is de rede niet meer dan een houten zwaard, terwijl het geloof een stalen wapen is, dat niet als hout splintert en breekt, maar tot zegepraal strijden doet. Is niet zelfs het natuurlijk geloof een macht die doet zegevieren?

Raadpleegt de geschiedenis! Welke helden zien wij in haar gedenkschriften met lauweren gekroond? Waren het niet zij, die aan hun macht tot overwinnen geloofden? Ziet rond in het dagelijks leven?  Wie zijn het, die de hoogste bergtoppen in eigenlijke en overdrachtelijke zin konden bereiken? Zijn het niet alleen zij, die vooruit aan de mogelijkheid van het opklimmen tot zo hoog standpunt geloofden?  Wie van vrees en onzekerheid vervuld, welke kamp ook wagen, geen overwinning kan hen kronen, maar Gods kinderen triomferen over de wereld, omdat zij in God geloven en daarom hun oog steeds gericht is op de bergen, vanwaar hun hulp komen zal.

Nooit gebeurde op aarde iets edels, edelmoedigs of groots, dat algemene verbazing wekte, of het sproot voort uit geloof. Het geloof was de wortel der daad. Leonidas streed sterk door een natuurlijk, Jozua door een goddelijk geloof; Xenophon vertrouwde op zijn veldheersbeleid, Matthias’ zonen op het Godebehaaglijke van hun ondernemen. Het geloof is het machtigste van alle machten.

Het is de monarch, die de scepter voert over de geest van ons gemoed, en het niet leven en willen leven onder die heerschappij, maakt de mens verachtelijk, omdat hij hoe langer hoe meer onbeduidend en een speelbal van allerlei drijven wordt. Zodra daarentegen bezielt niet werkelijk het geloof de mens, of gij herkent ook zijn beeld in de tekening van het paard: “dat de vrees belacht en zich niet omkeert vanwegen het zwaard.” Op aarde bestaat geen tweede macht aan het geloof gelijk. Het maakt naar ‘s Heeren beeldspraak de mens bijna aan God in almacht gelijk, omdat het een kracht is aan God zelf ontleend, en die door de macht van zijn Geest bergen zich doet verplaatsen tot in het hart der zee.

Laat mij u trachten duidelijk te maken, hoe het geloof de Christen tot het overwinnen der wereld in staat stelt. Er is daarbij overeenkomst met de geneeswijze, die wij homeopathie noemen. Klinkt u dat vreemd. Toch is het zo, ook hier wordt het beginsel aanschouwelijk, “dat het gelijke het gelijke heelt.” Hoe wordt het geloof machtig om de vrees voor de wereld met voeten te treden? Door de vreze Gods. Dreigt de wereld de navolger van Jezus met de marteldood, als hij voor haar afgoden zijn knie niet buigt; zijn antwoord is: “Ik vrees veel meer hem, die beide ziel en lichaam kan verderven in de hel.” Hoe kent zich het geloof sterk om niet te achten op alles wat de wereld hem als hoop voorspiegelt? Vooruitzicht op rijkdom, aanzien en macht? Antwoordt op al dat voorspiegelen van vergankelijke heerlijkheid niet het geloof: “een levende hoop doet mij zien op een onverderfelijke, onbevlekte en onverwelkelijke erfenis, die mij in de hemelen is bewaard?”

Wanneer de wereld hen wijst op het voorbeeld van haar dienaren, die zij in het bereiken van macht steunde en tot het toppunt er van verhief, en hem vraagt: “Waarom zou gij dit voorbeeld van uw bekenden en naastbestaanden niet volgen?” Dan is dit het antwoord van het geloof: “Omdat ik het voorbeeld van mijn Meester, die mijn enige Heere en Meester is, en daarom ook dat alleen, volgen wil.” “Maar, zie eens,” dringt de wereld verder, “zijn dan die en die niet overal wijs, groot en goed geacht, en algemeen geëerd geworden?” Maar het geloof blijft er bij: “Ik zie alleen op Christus. Niemand zo groot, zo wijs, zo goed als Hij. Buiten Hem heb ik niet voorgenomen iets te weten.” Zo worden ook de genoemde voorbeelden door een enig voorbeeld overwonnen. “Best”, gaat de wereld voort, “daar niets van alles, wat ik u aanbeval, u kon overhalen, laat het dan mijn liefde zijn, waaraan gij in uw hart toegang schenkt. Weet, mijn vriend, en ervaar met welk een liefde ik weet lief te hebben.” Maar sterker dan ooit wijst het geloof deze gunst en gaven af. Het zegt: “God heeft mij lief en ik heb mijn God lief, hoe zou ik u liefhebben, waardoor ik een vijand van God zou moeten worden!” Zo stelt het geloof aan liefde liefde, aan vrees vrees, aan hoop hoop, aan voorbeeld voorbeeld tegenover en overwint de wereld door met het gelijksoortige haar machten schadeloos te maken en te overwinnen.

Mannen broeders, ik weet en besef, dat ik als nog niet veel meer dan een kind tot u gesproken heb, maar ik deed het, zo goed als ik vermocht. Eenmaal zal ik mij de macht gegeven zien om met meer overredingskracht en beter u het Woord Gods te verkondigen. Hiervan echter ben ik voor mij zelf zeker, dat ik naar mijn beste weten en in volle oprechtheid tot u sprak. Verre ben ik van mij een redenaar te kunnen achten. Niet meer doe ik dan spreken wat mijn hart mij dringt te zeggen. Daarom mag ik niet eindigen zonder de vraag: “Hoevelen van u hier hebben goede grond om zich een nieuwgeborene te heten?” Sluite toch niemand zijn oor voor die vraag om als zovelen te zeggen: “Wat gij wilt is overdrijving en dweperij! Gaan wij dan niet geregeld ter kerk, zijn wij niet stipt in het volgen van haar gebruiken. Is niet dat een voldoende godsdienstigheid?” Ik zeg u, neen, en voor Gods rechterstoel zou ik het als nu u zeggen: “dat ik u naar des Meesters woord bij het noodzakelijke van een op nieuw geboren worden heb bepaald.”

Hoort niet naar anderen, die zeggen: “Wat wil deze, ben ik nu niet oneindig beter dan ik vroeger was? Hoeveel laat ik na, dat ik vroeger deed, en doe wat ik vroeger verzuimde. Is dat niet hervorming en meer dan voldoende?” Veel moge het zijn, maar van oplappen is op dit gebied geen sprake. God is een heilig God, vernieuwing van het gemoed moet hij eisen, alleen een nieuw schepsel kan voor hem bestaan. Zo lang uw vleselijk ik, uw oude mens niet met Christus mede gekruisigd, mede gestorven en mede opgestaan is, zijt gij vreemd aan de wedergeboorte en kunt gij zelf het koninkrijk Gods en zijn heerlijkheid niet gezien hebben.

Wanneer ik zo spreek en betuig, verkondig ik u geen nieuwe leer, geen onbekende waarheid. Er is geen leerboek uit de Hervormingstijd, dat niet in overeenstemming met de Schrift leert, wat ik u heden heb verkondigd. Geen mantel van godsdienstvormen baat ons, maar alleen een levende godsvrucht. Niet alleen onze Zondag, niet minder onze Maandag moet de vernieuwing van de geest van ons gemoed tonen, zal deze waar en proefhoudend blijken. Niet kerkgebaar, maar wat God in de binnenkamers ziet, is maatstaf voor ons innerlijk leven. Onderzoekt bij uzelf, of gij reeds de overwinning kent, waarvan ons tekstwoord spreekt; of gij ziende op de verleidingen, listen en het dreigen van deze wereld u doordrongen gevoeld van de overwinningsgeest, welke vrijmoedigheid geeft tot de roem: “Ik vermag alle dingen door Christus, die mij kracht geeft.” Zoek in de zwakheid van mijn spreken geen verontschuldiging, maar plaats u voor de spiegel van Gods woord om zelf uw beeld te aanschouwen en tot de zelfkennis te komen, welke Christus als een enig algenoegzaam Zaligmaker doet aannemen. Zie, zie op Hem, onze overste Leidsman en Voleinder van het geloof, en moge daarbij een stem in uw harte weerklinken, als is neergelegd in deze ontboezeming:

Is dat geloof mijn deel en schat,
Dat ziende op ‘t enge en steile pad,
Dat hier mijn Koning koos,
In Zijn kracht en door Zijn Geest
Voor ‘s werelds dreigen onbevreesd
Zijn spoor volgt voor altoos.

Heer, blijke U volgen ook mijn lust,
O, diep ben ‘k in mijn ziel bewust,
‘k Heb zelf daarvan niet de eer;
Al wat ik ben en eens zal zijn,
Niets is het dan een weerschijn
Van ‘t licht uws aanschijns, Heer.

Bij de beperkte ruimte mij vergund en daar het mij vooral te doen was om de geest van Spurgeons prediken te doen kennen, heb ik mij hier en daar enige bekorting veroorloofd, die naar ik vertrouw, de inhoud van het goede woord niet hebben geschaad. Eén exemplaar van zijn preken werd door Spurgeon als een vriendschappelijk aandenken bewaard. Het is een preek na Livingstones dood bij de geschriften, waarop hij bijzonder prijs stelde, gevonden. Het is aan het papiertje zien, dat het stuk door de zendeling in zijn eenzaamheid tot zijn bemoediging herhaalde malen moet gelezen en bepeinsd zijn. Het werd door mevrouw Bruce, Livingstones dochter aan de vriend van haar vader geschonken. Boven de titel van de preek schreef de waardige man “Zeer goed. D. L.”

Het onderwerp was: “Smartelijke levens ontmoetingen geen strafgerichten.” Niet onwaarschijnlijk koos de prediker dit onderwerp naar aanleiding van een hatelijke brief van een geestelijke van de staatskerk, waarin deze beweerde, dat Spurgeons lijden door zijn reumatische jicht een strafgericht Gods was wegens zijn beoordeling der Engelse staatskerk. Deze brief kwam Spurgeon in handen gelijktijdig met het bericht, dat Bisschop Wilberforce door een val van het paard de nek gebroken had. Zijn enig antwoord op het ontvangen schrijven was: “Indien een gezwollen voet een teken van Gods ongenoegen is, wat dan te zeggen van een gebroken nek?”

In dit laatste weerwoord spreekt een karaktertrek, die aan de ernst, die aan al zijn spreken en handelen een te hoger betekenis gaf. Van jongs af aan een vijand van alle gemaaktheid als het masker van innerlijke onwaarheid, openbaarde hij zijn streven om in alles waar te zijn door een eenvoudige natuurlijkheid en aantrekkelijken humor, die zijn ernst te meer deed waarderen en evenzeer volwassenen als jeugdigen en kinderen tot hem aantrokken.

De hem vijandige lieten niets onbeproefd om juist aan die edele karaktertrek door waarheid en verzinselen hun giftigste pijlen te scherpen.  Zo toonde iemand, naar hij zelf meende, een heilige verontwaardiging, toen hij Spurgeon aan de algemene verachting zocht prijs te geven, door openbaar te maken, hoever de prediker zich had kunnen vergeten bij het oplezen van een lijst van collecten voor de te bouwen Tabernakel. Toen had bij het nagaan der lijsten de zo gevierde man zich aan niet minder schuldig gemaakt dan aan het volgende vergrijp.

“Hij heeft,” zo berichtte de man in een nieuwsblad, “toen de giften werden opgelezen, en vermeld werd de gift van de heren Knight en Duke (Ridder en Hertog) gezegd: “Waarlijk wij zijn in nobel gezelschap.” Toen later kwam de heer King (koning) vijf shilling (een kroon) zei hij: “Hoe heeft de koning waarlijk zijn kroon gegeven! Welk een vrijgevig monarch.” Zelfs is hij zover gegaan om, toen de naam van Mijnheer Pig (varken) voorkwam en deze een guinje (guinea) gegeven had, te zeggen: “dat is een guinea pig (een Indiaans varken). Nu wage nog iemand,” gaat de gebelgde schrijver voort, “te zeggen, dat de Heer Spurgeon zich nooit verlaagde tot onheilige en gemene grappigheden!”

In zijn geschriften heeft Spurgeon de humor, die zijn gesprekken zo aantrekkelijk maakte, vooral lucht gegeven in zijn ook onder ons welbekende “Praatjes van Jan Ploeger.” Hoe deze in de smaak vielen, blijkt wel uit een verkoop van honderdduizenden exemplaren. Wie zegt, hoe menigmaal hij juist in ogenblikken van ziekte en pijn in die richting zijn gedachten heeft geuit om zich als boven de natuurlijke geneigdheid tot gedruktheid en mindere tevredenheid te verheffen. Wat mij tot die gedachte leidt, zijn niet alleen gevatte en geestige uitdrukkingen, wanneer hij pijn leed of hem iets smartelijks overkwam, maar b.v. een brief, die hij, na zijn vreselijke val van de trappen in het logement te Mentone, aan zijn vriend Newman Hall, de predikant van Surrey Chapel schreef. Het was de eerste brief, die hij na die val, en nog steeds veel pijn lijdend, op papier bracht, in antwoord op een belangstellend schrijven van zijn vriend.

“Geliefde Broeder, uw vriendschap zal mij wel vergunnen kort te zijn. Zeer dank ik u. Ik ben nu in een toestand van overgang van verdoving tot pijn en van pijn tot ogenblikken van rust, van zwaar hoesten tot een met flauwe stem spreken, van smartelijk samenkrimpen tot het omscharrelen als een kind, dat begint te lopen met een stoel als loopwagen. Hier is de man, die twee tanden uit de mond viel zonder dat het zijn tandvlees deerde, en die tweemaal zo over zijn hoofd buitelde, dat hij zijn geld uit zijn zak in zijn laarzen terugvond. Voor mij is het zelfs in de ernstigste omstandigheden onmogelijk het komische niet te zien, dat er zo dikwijls mede gepaard gaat. Geen greintje van mijn vrede of innerlijke blijdschap heb ik verloren, al zou ik een hond op het innigst beklagen, die in zijn vier poten leed, want ik in mijn ene been reeds heb doorstaan. Allen hier zijn welvarend, ik hoop spoedig in staat te zijn huiswaarts te keren.

De uwe in hartelijke vriendschap C. H. SPURGEON.

Van bedelen om medelijden wist Spurgeons krachtige geest niet, en gelijk hij zich in de dagen van gedruktheid opvrolijkte met het zien van de spotprenten, die hem moesten vernietigen, kan ik mij voorstellen, dat hij zijn beste stukjes van Jan Ploeger schreef, waar anderen tot niets of slechts tot een klaagzang kracht zouden gehad hebben.

In het jaar 1872 verscheen voor het eerst zijn: “Jan Ploegers Almanak,” die door spreekwoorden en puntige gezegden algemenen aftrek vond. Deze kostelijke schatten van levenswijsheid leidden tot de uitgave van twee lijvige delen: “Zoutkelders” getiteld, welke in de zelfde geest als de Almanak de rijkdom van Engelands spreekwoordenschat aanschouwelijk maken, terwijl niet weinigen aanleiding gaven tot ernstige of luimige aanmerking, immer bondig en puntig. De schrijver zegt van deze beide delen in de voorrede: “Nimmer heb ik op een der bladzijden mijn enig doel uit het oog verloren, en hetzij ik ernstig of luimig schreef, altoos het geestelijk welzijn van mijn lezers bedoeld. Goddelijke gevoelens als een voedzaam vlees gesandwicht tussen sneetjes en woorden van gezond verstand, worden, waar zij met smaak worden genoten, licht onbewust een gezond zielevoedsel.”

Preken zouden zelden vervelend worden, als zich de prediker meer moeite gaf om er meer levendigheid in te brengen door kernspreuken en pittige gezegden, gelijk een huismoeder door een weinig specerij haar gerechten smakelijker maakt. Op zich zelf beschouwd moge men dit beuzelachtig noemen, maar in werkelijkheid is het niet een beuzeling, dat het preken een ernstige waarheid eerder doet ter harte nemen en bewaren door dezulken, die van nature traag van geest of licht verstrooid zijn.

Laat mij door enkele voorbeelden dit geschrift beter doen kennen: “Wie een vrouw om haar uiterlijk schoon trouwt, is even dwaas als die zijn vogel opeet, omdat hij zo fraai zingt. “De wittebroodsdagen (Eng. ho– ningmaan) kunnen niet altijd duren, eet daarom wel de maan op, maar bewaar de honing. Sommigen eten al de honing op, zodat hun niets rest dan de koude, weinig licht gevende maan.”

Toespelingen op het huwelijk komen op bijna elke derde bladzijde voor, en zijn niet minder van praktische strekking dan vermakelijk. Ook de Christen geheelonthouder geeft de lezers zijn deel. “Houdt de kurk op de fles, en gij loopt geen gevaar, dat de boze geesten, die er in schuilen, u van de been helpen.”

De rode leeuw, de witte zwaan!
Hoe fraai en groots de namen klinken,
Is enkel lokaas om te drinken;
En ‘t op hun noden binnengaan,
Hoe glanzig het uw neus doe blinken,
‘t Helpt u en ‘t uwe naar de maan.

Zulke waarheden als de volgende zijn in deze tijd woorden op zijn pas.

“Een modepop en zijn moeder zijn enkel in dit ene gelijk, zij kan nooit een man worden en hij ook niet.”

“De man, die op niets te roemen heeft dan op zijn voorouders, gelijkt op een aardappelplant, al wat er goeds aan is, is onder de grond.”

“De mens is een dier dat zondigt. Niet zelden is hij een wolf voor zijn medemensen, een slang op Gods akker en een schorpioen voor zich zelf.”

Ik zou deze vluchtige schets met een kort woord over Spurgeons twee lezingen: “Sermoenen in kaarsen,” ten einde brengen, waren ze niet zo kortelings verschenen, en zo algemeen in handen van de kring, waarvoor ook dit boek bestemd is, dat reeds tot een herdruk is besloten. Het boek heeft dus alle kans beter voor zich zelf te spreken, dan de enkele regels, die ik aan de vermelding zou kunnen wijden. Liever dan zulk onnodig werk te doen, breng ik in herinnering, dat de opbrengst van de “Sermoenen” voor de bouw van het nieuwe hospitaal is bestemd. Met andere woorden wil dit zeggen, dat het boek, wanneer het de lezer tot nut en vermaak was, eigenlijk aankloppend vraagt: “Doe voor de goede zaak nog iets meer dan enkel de kleine prijs van het geschrift betalen.” Laat de Sermoenen, die Spurgeons fijn luisterend oor in Kaarsen vernam, voor u zoveel licht verspreiden, dat uw hart u zegt, dat er en geen beter geldbesteding en geen zuiverder godsdienstbeoefening is, dan weduwen en wezen wel te doen. Dit te doen, maakt ons tot rentmeesters van God, die op zijn tijd zijn rentmeesters gedenken zal, naarmate zij weldeden aan hen, die ‘s Vaders Zoon hun in zijn plaats heeft achtergelaten.

Spurgeons echtgenote, ook in haar lijden, zijn hulp en steun.

Spurgeon heeft altijd de jonge dame, die zich zo willig toonde om bij zijn eerste preek in Londen het kleine gehoor te versterken, beschouwd en in liefde geëerd als een Rebekka, hem van de Heere zelf tot steun en als en zonneschijn bij zijn zware taak en roeping beschikt. Ook verdiende de waardige vrouw die waardering en hulde. Jaren van smartelijk lichamelijk lijden zijn haar deel geweest, maar was zij, zoals Spurgeon dit in zijn “Sermoenen in kaarsen” aandoenlijk tekent hem een engel der vertroosting in zijn lijden, nooit heeft zij geduld, dat wat zij doorstond, ook maar enige stoornis zou brengen in de reuzentaak, welke op zijn schouders rustte. Welk een eerbied dwingt zij ook nu in haar rouw af. Bij het diepst gevoel van wat zij in de geliefde mist, na het zo plotseling verkeren van een krachtig gewekte hoop op herstel in de zekerheid van het nabijzijnd einde, betoont zij een kloekheid van het geloof, die zo heerlijk het woord der genade bewijst: “Mijn kracht wordt in zwakheid volbracht.

Steeds was het haar wil en wens op de achtergrond te blijven. Toch is het voor haar noodzakelijk geworden verslag te geven van een liefdearbeid, waartoe zij zich, hoe zwak en lijdend ook, in staat achtte; en dit boekje, getiteld: “Tien jaren in dienst van het boekenfonds” openbaart niet alleen, wat zij bij beter gezondheid voor de pers zou hebben kunnen schrijven, maar biedt onwillekeurig de liefelijkste kijkjes in een gelukkig huiselijk leven.

Zo schreef mevrouw Spurgeon bij hun verhuizen van de Nachtegaalstraat naar Westwood: “Hoe pijnlijk doet het aan, een plaats te verlaten, die het hart dierbaar geworden is door er drie en twintig jaren te hebben doorgebracht, jaren vol ern– stige en liefelijke herinneringen. Ieder plekje en hoekje in huis en tuin weet iets te vertellen van blijde en droeve voorvallen, en het herdenken van heuglijke genadebetoningen Gods blijft als een kostbaar behangsel gehecht aan de muren der ledig en verlaten geworden vertrekken. Op deze plaats hebben wij bijna vijf en twintig jaren van een gelukkig huwelijksleven doorgebracht, en ofschoon zowel man als vrouw zware pijnen moesten lijden en maanden lichamelijke zwakheid kenden was toch ons huis ons veel meer een Bethel dan een Bochim.

De muren zelf zouden ons van ondankbaarheid beschuldigen, wanneer wij de smartelijke herinneringen niet tot zwijgen brachten door ons danken; want de Heere heeft ons met weldaden overladen en elke duim gronds geheiligd door tekenen van zijn liefdevolle goedheid. De zon van zijn goedheid heeft van elk deel van onze woning een lichtbeeld in onze harten afgespiegeld, en ofschoon daar andere lichtpunten en schaduwen in verdere dagen zich zullen aftekenen, zullen zij nooit de ons dierbare beelden kunnen uitwissen of doen verflauwen, die ons dankbaar geheugen naijverig vasthouden zal. Tedere herinneringen zullen de beelden der ziekenkamer onuitwisbaar maken, want hoe vaak was het ons daar als een poort des hemels. Hoe wist de zorgvolle liefde van mijn echtgenoot steeds het kleine vertrek te veraangenamen, en dankten wij er, als een herstelling intrad, die wij nauwelijks meer durfden hopen. Dan het studeervertrek, geheiligd door des leraren arbeid, en de stille getuige van zijn innerlijk worstelen en gemeenschap oefenen met de Heere, een verkeer met zijn God, alleen Gode en zijn eigen ziel bekend.  In onze huiskamer,” voegt mevrouw Spurgeon er bij, “zijn op verlangen van de vrienden, die het huis van ons overnamen, de volgende door mijn echtgenoot geschreven dichtregelen geplaatst:

“Vaarwel, geliefd vertrek, wij staan u af aan vrinden;
O, woon bij hen Gods vrede als eens bij ons hier in.
Gods engelen hoeden, wie de vreugd huns levens vinden
In ‘t leven voor de Heer, die hen als teer beminden
Bezoekt met steun en troost tot eeuwig zielsgewin.

Soms is het scherts, die aan het boekje aantrekkelijkheid verleent. Mevrouw Spurgeon ontving eens twee brieven. “De eerste was kennelijk van een jongmens die zeer begeerde Spurgeons “Lezingen voor mijn studenten” te hebben, maar die verkeerd ingelicht, of na zelf de dwaze gissing gemaakt te hebben, mij bepaald en met aandrang vroeg om hem mijn lezingen te willen geven. De door u geschreven lezingen, voegde hij er tot verduidelijking bij, als om alle misverstand onmogelijk te maken. “Mijn beste man was niet uitgeput in scherts over het dwaas verzoek. “0,” zei hij, “die zijn nog niet in druk. Hoe jammer, ze zijn zo kostelijk, maar tot nu nog enkel mondeling voorgedragen.” Ik liet hem op die wijs naar hartelust voort praten, totdat ik op zegevierende wijs de tweede brief te voorschijn bracht. “Wel,” zei ik, “laat ons nu ook op de keerzij letten, want deze brief vraagt mij de prijs van “MIJN MEESTERS: Schatkist van David.” Dit was zoete weerwraak voor mij. Ik verzuimde nu niet schertsend het blaadje te keren tegen manlief, die mij altijd zo gaarne de meesteres noemt, en van mijn kant alle munt te slaan uit de twee grappige schrifturen, die met een zelfde post gekomen waren.

Wij lachten tot ons de tranen over de wangen liepen en wij hebben ook onze vrienden er hartelijk over doen lachen. Bij ons heersen, Gode zij dank, enkel liefde en vrede. Het spreekt wel van zelf, dat Jan Ploeger, zoals het ook behoort, de meester is, ook mijn meester. Ik ben er trots op zijn gezag en mijn onderdanigheid te erkennen; maar dit neemt niet weg, dat ik evenzeer “de Meesteres” ben, en wanneer ik dus zo nu en dan op mijn beurt “een lezing” meen te moeten houden, dan tracht ik die zo in te richten, dat mijn Jan meent een leerdicht te horen, dat zeer in zijn smaak valt. Dat doet het dan ook, maar voor de pers zou het niet deugen.”

Het volgende is even treffend als schoon: “In de laatste tijd had mijn beste man het tot gewoonte gemaakt, dat wanneer hij de teksten voor de Zondagsdienst had voorgelezen, hij mij in zijn studeervertrek noodde en mij vergunde hem voor te lezen wat door verschillende uitleggers over de plaatsen gezegd werd. Nooit is enige bezigheid mij zo aangenaam, leerzaam en tot geestelijke hulp geweest. Hoe was vaak mijn hart brandende in mij, wanneer mij de volle zin van menig Schriftwoord geheel helder werd, en zijn rijkdom als manna door mij genoten werd. Nooit vergeet ik de avonden, waarin het lijden van de Heere Jezus ons voor ogen was, en wij met tranen gedachten aan de smart, waaraan nooit enige andere smart is gelijk geweest. Hoe zalig waren mij de doorgebrachte uren, heerlijk vooral door de ogenblikken, waarin bij de rustpunten in mijn lezen de stem van mijn geliefde mij verklaarde wat ik niet verstond of mij de volle rijkdom van het woord gevoelen deed. Daardoor kreeg ik arme gevangene bij mijn aan huis gebonden zijn een kostelijke voorproef van hetgeen aan de gemeente zou te genieten gegeven worden. Zou ik God genoeg kunnen danken voor die verkwikkende teugen uit de beek, die langs mijn levenspad stroomde!”

Deze uittreksels doen wel genoegzaam kennen, welk een geest het hele boek doorademt. De oorsprong van het Boekenfonds wordt door mevrouw Spurgeon dus verhaald:

“Het was in de zomer van 1875, dat mijn echtgenoot het eerste deel van zijn “Lezingen voor Studenten” voltooid had. Bij het lezen van de ontvangen schone bladen, vroeg mij de Schrijver: “Wel, hoe bevallen ze u?” en uit volheid van het hart was mijn antwoord: “Hoe zou ik wensen, dat ik aan elk predikant in Engeland een exemplaar ten geschenke kon geven.” “Welaan, waarom het dan niet gedaan? Hoeveel zijt gij gezind bij te dragen?” vroeg mijn man, die altijd meer van plannen uitvoeren dan van plannen maken houdt.

“Gaarne beken ik, dat ik op zulk een voet bij stuk houden niet voorbereid was. Ik was bereid genoeg geweest om te wensen, dat het kostbaar boek mocht kunnen uitgedeeld worden, maar het was niet bij mij opgekomen zelf iets te doen om die gedachte te helpen verwezenlijken. Jan Ploeger echter weet altijd de voren, die hij snijdt, recht aan op iemands hart te richten en heeft er de slag van alle kluiten zelfzucht zo op zij te werpen, dat het goede zaad wel niet anders kan dan een goede plaats vinden. Zo duurde het bij mij niet lang, of ik was aan het bedenken, wat op de huishouding en speldengeld viel uit te zuinigen om met het plan althans een begin te maken. Overgunstig stonden toen juist onze financiën niet, zodat bekrimping op enkele punten noodzakelijk zou blijken; maar daar stond tegenover, welk een genot het mij zou zijn, het gelaat van mijn beste Jan van genoegen te zien stralen bij de gedachte, dat door mijn tussenkomst zijn boeken overal zouden worden verspreid. Dit denkbeeld trok mijn hele hart naar de verwezenlijking van het zo plotseling verrezen plan.

En nu heb ik nog het meest wonderlijke van de zaak te vermelden, namelijk, dat ik het geld er voor gereed en wachtend vond. In een kleine lade had ik zorgvuldig kroonstukken (stukken van drie gulden) bijeen, een spaarpotje, dat ik vermeerderd had met elk stuk van dat bedrag, dat mij toevallig in handen kwam. Ik telde deze en bevond, dat er juist genoeg was om er honderd exemplaren mee te betalen. De kleine spijt om van mijn spaarpotje te scheiden werd ruim opgewogen door het mij voorgesteld genot, en zonder dat ik het zelf wist, was op dat ogenblik het boekenfonds geboren.

Op een volgende bladzijde staat vermeld, dat Mevrouw Spurgeon in de vorigen winter (1874) een citroenpit had geplant, die goed opkwam, en zich nu tot een flinke boom heeft ontwikkeld. Dit citroenboompje is nauw verbonden geraakt aan de arbeid van het Boekenfonds, beide toch zijn uit een klein zaadje geworden en zonder dat van hun groeien enig bepaald denkbeeld bestond. Tot de lievelings denkbeelden van Mevrouw Spurgeon behoorde de gedachte, dat zij voor elk nieuw blad aan haar klein boompje honderd pond sterling ontvangen moest. “Let maar op”, zei ik tot mijn beide jongens, “gij zult zien, dat de Heere mij honderd ponden voor dit werk schenken zal.” Later kwam er menige dag dat “moeders honderd ponden” de stof voor scherts en vrolijkheid waren.”

Het oorspronkelijk plan reikte niet verder dan het uitdelen van honderd exemplaren. Deze groeiden echter tot een tweehonderdtal. Toen besloot mevrouw Spurgeon om zo mogelijk delen van “de Schatkamer Davids” weg te geven. Bij de aanvang ontvingen van de boekenvoorraad alleen de predikanten, die op het College gestudeerd hadden, maar spoedig kregen ook andere Non–conformisten predikanten hun aandeel. Toen begonnen hulppredikers en geestelijken der Engelse staatskerk aanvragen te doen, en zelfs enkele geestelijken onder de Hoogkerkelijken toonden zich dankbaar voor zulk een boekgeschenk. Mevrouw Spurgeon stelt duidelijk in het licht, dat, zovelen aanvragen deden, steeds de boeken van haar echtgenoot vroegen, ofschoon zij zelf zich daaraan niet bond, maar dikwijls ook andere boeken zond, waaraan zij begreep dat behoefte moest bestaan.

Medelijden met arme predikanten deed Spurgeon eens schrijven: “In plaats van steeds te hakken en te vitten op van boeken verstoken predikanten, die hun hersenen kwellen met het vinden van nieuwe onderwerpen en niet weten, hoe ze met frisheid te bespreken, zou men oneindig wijzer en beter doen zulke leraren aan de hun zo nodige, goede boeken te helpen. Een paard voort te zwepen, is even onrechtvaardig als dwaas, wanneer men weet, dat het gebrek aan voedsel is, wat hem buiten staat stelt goede dienst te doen.”

Met het geven van boeken werden ook andere noden openbaar, en bleek het, hoe, waar predikanten voor hun inkomen geheel van hun gemeenten afhankelijk zijn, deze op het papier zo schone kerkinrichting in de praktijk alles behalve een roos zonder doornen is. Hartbrekende geschiedenissen van het armoe lijden van vele predikanten kwamen Mevrouw Spurgeon door haar boekenfonds ter kennis en deden haar in 1877 de grond tot een nieuw fonds leggen: “Het fonds tot hulpbetoon aan noodlijdende predikanten.”

Hoe op dit gebied een waarlijk voldoende regeling te treffen? Leraren heel of half tot staatsbeambten te maken is het heilige ontheiligen; hen zelf het nodige door een inkomen uit de plaatsgelden te laten verdienen, is de prediker der waarheid persoonlijk verlagen en een buitensluiten van de armen buiten het kerkgebouw; alles over te laten aan de willekeur van de gemeente heeft zoveel slaven en armoelijders gemaakt, dat de vraag bijna gelijk staat met de vraag naar de kwadratuur van de cirkel. Hulpfondsen door vermogenden gesticht, zouden een oplossing kunnen schijnen, indien ook hier niet de macht tot overheersing en willekeur leidde. Zo iets, dan is wel deze moeilijkheid het bewijs, dat elke kerk niet anders kan dan voor zulk een groot deel op het gebied van de gewone maatschappij te staan, dat een zuiver geestelijk karakter, dat is vereenzelviging met het koninkrijk Gods, een onmogelijkheid is. Alle priesterdrijven lijdt op deze rots schipbreuk, en voor de evangeliedienaar rest geen ontwijken van des Heeren eis: “Wie achter mij wil komen, verloochene zichzelf, neme zijn kruis op en volge mij.” De dienstknecht is niet meer dan zijn Meester, en deze kwam niet om gediend te worden, maar om te dienen. Dit laatste doe hij, willig en geleerd hebbende gebrek te hebben tot hongerlijden toe.  Zijn God, die de vogels voedt en de bloemen van het veld kleedt, zal een getrouwe dienstknecht niet boven zijn kracht en niet boven de eis van het belang van zijn koninkrijk laten beproefd worden.

Mevrouw Spurgeon maakt met dankbaarheid melding van de gewilligheid van vele uitgevers om haar tot verminderde prijs aan de door haar ter uitdeling gewenste boeken te helpen. In het boek, dat over tienjarige werkzaamheid handelt, komen verscheidene opmerkingen voor als deze: “Hebt gij wel opgemerkt, manlief,” zei ik, “hoe de Heere het werk juist beperkt tot de maat van mijn niet grote kracht. Jaar aan jaar schenkt zijn hand mij genoegzaam hetzelfde inkomen. Wanneer een vriend mij ontvalt, verwekt de Heere, zonder advertenties of ander middel, mij een ander in zijn plaats. Gedurende nu zes jaren staan inkomsten en uitgaven vast, en schenken mij een kalme, rustige arbeid, juist geschikt voor de zwakke vingers van haar, die de arbeid verrichten moet. Is daarin niet de tedere liefdezorg des Heeren kennelijk?”

“Zet dat in uw verslag, wijfje,” sprak mijn Hoofd, “en ik heb naar zijn raad gedaan. “Uit het laatste verslag blijkt, dat in 1890 niet minder dan 6.867 boekdelen zijn weggegeven, wat gedurende 15 jaren het bedrag tot 122.129 brengt. Bovendien werd een getal van 7.000 preken en een menigte traktaatjes niet alleen in Engeland maar ook in zijn koloniën en andere landen verspreid.

Van de trouwe moeder sprekende, reken ik het hier de plaats althans ook een enkel woord van haar beide zonen te zeggen. Op de 20ste September 1856 bracht Mevrouw Spurgeon als tweeling twee zonen ter wereld. Charles Spurgeon ontving zijn opleiding te Brighton en was niet alleen een degelijk student, maar muntte ook boven anderen uit in het in Engeland zo geliefde volksspel, cricket. In het jaar 1877 werd hij student in het Pastors–College. Dus zich voor zijn levenstaak voorbereidend, nam Charles tevens de zorg op zich in een kleine gemeente, te Wandsworth, welke dreigde te niet te gaan. Het trouwe dienstbetoon van de student werd zo gezegend, dat een grote, invloedrijke gemeente de macht van zijn dienstdoen is geworden. Ook het welgelukken van een poging als deze bewijst, dat het kerkelijk gemeenteleven zich van het maatschappelijk, wettelijk gebondene moet onderscheiden door een vrijheid, welke het liefdebetoon niet in een keurslijf van reglementen dood schroeft! Waar nood en lijden is, moet niet om bandeloosheid te voorkomen, een gemeente aan wanorde en verderf worden prijsgelaten.

In het jaar 1879 wijdde Charles zich met gelijke ijver aan de opbeuring der achteruitgaande gemeente te Greenwich en slaagde boven verwachting in zijn pogen. Aan haar hoofd is hij steeds werkzaam. In het jaar 1881 Op de 11de April trad hij met een Miss Jacob van Norwood in het huwelijk.

Thomas Spurgeon bleek bij zijn opwassen niet bestand tegen Engelands klimaat. Na zijn studies volbracht te hebben, ging hij naar het verre Zuiden en heeft in Australië en Nieuw Zeeland zich een getrouw arbeider in ‘s Heeren wijngaard betoond.

Een heerlijke dag in het leven van Spurgeon was de feestviering in het Weeshuis, waar zijn beide zonen voor het eerst een openbare rede hielden. Bij dit feest waren de vader van de leraar, zijn broeder en zijn beide zonen tegenwoordig. Drie geslachten, en ieder van hen verwaardigd het Evangelie der verlossing en zaligheid te mogen verkondigen.

Met diep gevoel staren wij op de weduwe, die voor het eerst haar echtgenoot op de tocht naar het voor hem onontbeerlijke Mentone, zijn geliefd rustoord, had kunnen vergezellen, en die zijn hoop deelde, wellicht hersteld met hem naar eigen woning terug te keren. Een punt des tijds deed de ijdelheid van dit droombeeld blijken. Zonder hem, die zij zo innig had liefgehad en geëerd, was haar terugkeren. Eén punt des tijds verijdelde de zo krachtig gewekte hoop, maar zich buigende onder de raad Gods en op een heerlijk verleden terugziende, sprak zij in ootmoed haar berusting uit. Beter dan iemand doorzag zij, hoe zwaar hem het hervatten van zijn arbeid zou hebben moeten vallen en welk steeds toenemend lijden te vrezen stond. In haar hart hield één gevoel de boventoon, dat de liefdevolle Vader in de hemel het haar vergund had, niet ver te zijn van de geliefde in zijn laatste levensdagen, maar hem een engel der vertroosting tot in zijn laatste levensstonde te hebben kunnen zijn.

Terugblik op werk en strijd

Ik weet dit terugzien niet beter in te leiden dan door de mededeling van het adres, Spurgeon op zijn 50ste geboortedag, de 19 Juni 1884 aangeboden door de verschillende christelijke verenigingen, wier arbeid van de Tabernakel uitging. Dit adres ging gepaard met een gift uit de gemeente van 50.000 gld. welke door de leraar, evenals wat hem op zijn zilveren huwelijksfeest was geschonken, terstond naar gebleken behoeften verdeeld werd onder de verenigingen, die onder zijn leiding werkzaam waren.

Dit stuk luidde:

Aan De EERWAARDEN HEER C. H. SPURGEON.

Herder en leraar der gemeente van de Tabernakel.

“Met vereende dankzegging aan God en hartgrondige erkentenis der goede diensten door U aan het geheel der gemeenten van Jezus Christus gedaan, en bij diep gevoel van uw edel karakter en zo wel verdiende roem, vragen wij U onze oprechte gelukwensen op uw vijftigste geboortedag wel te willen aannemen.

“Ontvang de verzekering, dat wij gevoelen, dat alleen de liefde, die ons allen aan U hecht, ons enigszins kan doen uitspreken, hoe uw persoon en uw arbeid gewaardeerd worden door ons en allen, die wij thans vertegenwoordigen. Was het enigszins mogelijk, dat de lippen van hen allen, die U als een broeder liefhebben en als een vader in Christus eren, U hoorbaar zouden maken, welke gevoelens in hun harten leven, de muziek van hun koor zou in dit uur wel als de stem van vele wateren zijn.

Vergaderd als wij nu zijn in dit heilig gebouw, heilig niet door enige wijding bij het in gebruik nemen, maar door genade wonderen in de redding van mensenzielen, betaamt het ons voor alles U te begroeten als herder en leraar van deze oude gemeente. Meer dan dertig van uw vijftig levensjaren waart gij in ons midden. Als onze Voorganger zijt gij tot de einden der aarde een welbekende. Rijkelijk door de Geest Gods begaafd met wijsheid en bescheidenheid tevens, heeft uw leiding als regerend ouderling ontwakend verschil doen zwijgen en een liefelijke eendracht bevorderd. De driehonderd zielen, die nog de gemeente der Parkstraatkerk vormden, zijn onder uw evangeliebediening tot bijna zesduizend gemeenteleden aangegroeid in deze Tabernakel. Onder uw waakzaam toezicht is onze hele familie, en dit zonder enige verstoring van orde en regel machtig gegroeid.

Gij kwaamt in ons midden in het bezit van al de frisheid der jeugd. In het levenstijdperk, waarin veelbelovende knapen van de schoolbanken naar de collegekring overgaan, was uw ontwikkeling reeds die van de man, en vertoonde zich evenzeer rijpe vrucht als het bekoorlijkste groen aan de takken. Het was blijkbaar, dat een zeer degelijke opvoeding uw deel was geweest, en uw karakter toonde toen reeds een rijpheid, die u een algemeen vertrouwen schonk en anderen u als de leider van hun beraadslagingen en besluiten deden kiezen. Het schone vooruitzicht, dat uw lentetijd bood, is in geen opzicht door teleurstelling gevolgd. Uw natuurlijke gaven hebben u nooit tot gewoonten van traagheid kunnen verleiden. De u geschonken talenten hebben veeleer en immer krachtig tot een er mee woekeren aangespoord.

Voorspoed heeft u noch tot zelfverheffing noch tot een op uw gewonnen lauweren rusten gedreven. Altijd was uw streven de zeilen zo wijd mogelijk te spannen om met gunstige wind een volle winst te behalen. De overmacht over de volksgeest, welke bij toeneming uw deel werd, heeft u nooit overmoedig gemaakt, maar eer met bezorgdheid vervuld en u aan strengere regels van tucht over uzelf gebonden. Hoe gelukkige voortekenen waren dit voor de gemeente als beloften van toenemenden bloei.  Wij beweren hiermee niet, dat uw eigen waakzaamheid genoegzaam had kunnen zijn bij zo grote en overweldigende verantwoordelijkheid als de groei der gemeente u oplegde. Hij, in wiens hand de teugels van het wereldbestuur rusten, heeft zelf met zijn schild u behoed in tijden van gevaar, en was u een loods op de ondiepten en schietstromen, die met schipbreuk dreigden. Aan uw onwankelbaar geloof aan die leidende zorg menen wij de tegenwoordigheid van geest en moed des harten te mogen toeschrijven, welk u in alle gewichtige omstandigheden hebben gekenmerkt.

Sommigen van ons zijn van de beginne met u geweest, maar sedert uw komst in ons midden is reeds een geslacht voorbijgegaan. In de plaats der vaders zijn voor een goed deel hun kinderen gekomen, en nu zien ouderen en jeugdigen op het door u afgelegde pad als een reeks van welgelukte pogingen, maar die zo afmattende arbeid tot volhardende zelfverloochening eisten, dat zij u uw strijdgenoten steeds deden voorgaan in een zonder ophouden aanroepen van de naam des Heeren. Zo is door u het veld van op het Evangelie gegronde instellingen in de gemeente veelzijdig ontwikkeld. Ook hebt gij ze alle, boven uw verwachting zelfs, zien groeien en voor anderen de kostelijkste vruchten opleveren. Zo beleidvolle leiding eist onze dankbaarheid, maar niet minder die der duizende gevers, die gij in de gelegenheid gesteld hebt om ook tot zegen voor zichzelf met verblijdende vrucht weldadigheid te oefenen. Het heeft de Heere behaagd om wat gij ook onderneemt, ieder uwer pogingen met zegenrijke uitkomsten te kronen. Zo werdt gij een getrouw rentmeester, die zich schatten in de hemel heeft opgelegd in zijn doen en zorgen voor weduwen en wezen. Ook verwachten wij, dat bij het opnieuw ingaan van een tiental jaren overvloedige gaven voor uw stichtingen u zullen verblijden en uw zo heilrijk pogen tot krachtige steun zijn.

Een gelegenheid als deze is zo plechtig en ons woord draagt zulk een ernstig karakter, dat wel de Schrift onze leidsvrouw bij onze woordenkeus mag zijn. Wij houden ons verzekerd, dat alle broeders en zusters in de Heere over geheel de aardbodem voor u bidden. Even zeker zijn wij dat alle gemeenten op aarde, die de Heere Christus liefhebben, God in u verheerlijken. De Heere behoede en beware u tot de einde. Tot op deze ure mocht gij uw onbevlekte naam onder de mensen bewaren. Moogt gij ook al, evenals wij allen, voor God aan dwaling en tekortkoming schuldig staan, ons moet het toeschijnen, dat gij wel niet veel zou te verbeteren vinden, als gij van uw doorleefd leven ons een herziene uitgave schenken kondt.

Bij de aanvang van uw loopbaan deden laster en smaad wat zij konden om u te vernietigen, maar uw wandel en werk heeft hen overwonnen en doen zwijgen. De kinderen dezer wereld, die eertijds u bespotten, groeten u nu eerbiedig. Heeft uw godsdienst prediking hen niet tot bekering kunnen brengen, gij hebt door uw weldoen hun achting afgedwongen. Hoog staat gij in de algemene schatting. Uw minzaamheid jegens allen, doet nu allen u een goed hart toedragen. De spreuk in ons Bijbelboek, die zo menig wijsgeer onbegrijpelijk was, heeft in uw leven haar voldingend bewijs: “Als iemands wegen de Heere behagen, zo zal Hij ook zijn vijanden met hem bevredigen.

“Wanneer gij, waarde Heer, u overtuigd houdt van onze oprechte deelneming in de ziekten en smarten, die u troffen, mogen wij ook wel onze deelneming en blijdschap uitspreken bij het gedenken van de voorrechten van uw persoonlijk en huiselijk leven, die als zonnestralen op u nederdaalden en uw jubelfeest te heerlijker maken.

Uw waarde en hoog door ons vereerde echtgenote, wier leven zolang in de weegschaal beefde, werd u behouden. Ware zij in haar langdurige ziekte minder heldhaftig en voor zichzelf veel eisend geweest, gij zou u wel niet zo geheel aan uw veelzijdige en steeds groeiende arbeid hebben kunnen wijden. In haar stille afzondering heeft haar vindingrijk vernuft zelfs nieuwe wegen tot weldoen weten te ontdekken en ontginnen. Haar boekenfonds staat ver boven onze lof, gelijk dit haar pogen zegen bracht in verre landen en haar naam verbindt aan alle stations, waar enig zendeling als gezant van Christus de blijde boodschap der verlossing predikt.

Uw vader en moeder, toonbeelden van een wandel in stille vroomheid voor de Heer, zijn beiden in het leven gespaard gebleven om hun eerstgeboren zoon de eervolle plaats te zien bereiken en met ere bekleden, die nu ook aan hun naam een wereldbekendheid schonk. Uw waardige broeder, die het niet minder deel van uw herderzorgen, hun stoffelijk gewicht, met en voor u draagt, stond ook in ieder ander opzicht met een machtige hulp u ter zijde. Allen kennen en eren wij hem als de man van zaken, maar niet minder, als die zich kloek en onvermoeid geeft in het doen van alles, wat ze kan doen bloeien en vruchten dragen.

Uw beide zonen zaagt gij naar de wens uws harten zich aan de evangeliebediening wijden, en beiden tonen ieder in hun kring, dat de zalving van de Heiligen hun niet onthouden werd.

Maar wij keren tot uzelf als de hoofdpersoon op deze dag weer, als zodanig erkend en geëerd door tienduizenden, voor wie uw naam een zinnebeeld is van reinheid van beginselen en van heilige kracht; terwijl in hun schatting niemand u als prediker gelijk is in getrouwe verkondiging van het Woord en het bezield zijn door de Heilige Geest met een kracht, die als onweerstaanbaar zich in zoveler hart en geweten openbaart.

Over uw dierbaar hoofd smeken wij verenigd al de zegeningen af, die het de Algoedheid behage u te schenken.

Mogen uw schreden verder, gelijk tot hiertoe geleid en gestuurd worden. Moge een nog niet geboren geslacht eens getuigen, dat de vruchten van uw ouderdom in overvloed en macht gelijk zijn aan die van uw jeugd. Moge uw leven op aarde als het loflied zijn van ons gewijd Psalmboek, met welks schatten gij onze zielen zo mild hebt gevoed. Zo legde u de Heere tot Zijn rust bij een aanschouwen van Zijn eeuwig koninkrijk en het reeds als van verre horen der Halleluja’s, die God en het Lam in de dag der voleinding verheerlijken.”

Aan dit woord van dankbare waardering zij nog verbonden een vluchtige vermelding en dit naar tijdsorde, van bijzonderheden welke in ons verhaal niet zo geredelijk plaats was te geven.

Op de 16de Juli 1876 waagde Spurgeon voor het eerst de proef om de Tabernakel op bepaalde tijden des Zondags open te stellen voor personen, die niet gewoon waren aan de openbare godsdienst deel te nemen. Deze eerste poging werd reeds dadelijk met een schitterende uitslag bekroond. De eigenaars van plaatsen gaven voor zulk een godsdienstoefening hun plaatsen vrij, en telkens werd het bedehuis bezet door duizenden, die anders buiten de gelegenheid waren de leraar, die zo gaarne allen alles wilde zijn, te horen.

In het jaar 1877 werd door de vrouwen, leden van de Tabernakel, de Bloemenzending aangevangen. Aan de zieken in de burgerlijke en militaire hospitalen werden bouquetten uitgereikt met een daaraan verbonden tekstwoord. In gewone ziekten, maar ook niet zelden als een gevaarvolle, vrees inboezemende operatie te doorstaan was, waren deze bloemen een evangelie van vertroosting en bemoediging.

In het jaar 1877 trad Spurgeon voor het eerst in betrekking tot de zendingsarbeid door een lid van de Tabernakel, de heer W. Orsman, onder de Straatventers van Golden Lane verricht. Hoe deze straat ooit aan de naam Goudlaan is gekomen, is wel bij de tegenwoordige toestand een raadsel. Meer dan eens heb ik daar een toevluchtsoord van verwaarloosden bezocht, maar de Goudlaan was zowat, wat vroeger het Franse pad onder de Jordaanbuurten was. Zo dikwijls Spurgeon daar voor de straatventers preekte, bewees hij zijn enige geschiktheid en macht om zich, en dit zonder in het minste het heilige te schaden, naar elk gehoor te voegen, en tot de laagsten der laagsten af te dalen en zich evenzeer naar hun begrijpen te voegen als naar de behoeften van hun hart en geweten.

De heer Orsman was een lid van Spurgeons gemeente, zijn leraar en diens voorbeeld waardig. Hij was ambtenaar bij het stadsbestuur en besloot in 1861 al zijn vrije tijd te wijden aan het evangeliseren der straatventers, die in Goudlaan en die gehele armoedige omtrek woonden. Deze straatventers waren een zorgeloos slag van mensen, onbeschaafd en zonder godsdienst. Niet zeldzaam was het, dat meer dan één gezin in één vertrek vernachtten, waar dan niet alleen mannen, vrouwen en kinderen, maar ook de ezels, hun kostwinners, bijeen waren. Werd er iets verdiend, dan was het zo gewonnen zo geronnen, en leverde de verkoop niets, dan was het jammerlijk armoe lijden. De kinderen van dit volkje leverden vooral het contingent der Havelozen–scholen, en hierdoor werd de aandacht van Lord Shaftesbury, de stichter van deze scholen, op de heer Orsman en zijn werk gevestigd. Nooit wachtende tot hij tot goed doen genodigd of gedrongen werd, schreef de edele Lord terstond aan de heer Orsman: “Gij schijnt mij toe werkzaam te zijn in een groot werk ten bate van Londens armste klassen. De heer Gent, mijn vriend en directeur der Havelozen–scholenunie, noemt het een “edel werk.” Welaan, ik zal mij gelukkig rekenen uw voortreffelijk pogen te steunen, en kan het u van enig nut zijn, dan zal ik u gaarne als voorzitter van uw vereniging dienen.”

Hiermee ving Lord Shaftesbury zijn arbeid onder de straatventers aan, een arbeid tot zijn dood voortgezet. Hij werd zelfs een van hun gilde, leerde hen wedijveren in het verzorgen van hun ezels, en het was een grote dag in het leven van de mensenvriend, toen hem in hun vergaderzaal een “ezel en kar” als lid der broederschap werd aangeboden. Op het platform, met de arm om de hals van zijn ezel geslagen, hield Lord Shaftesbury een toespraak, waarin hij onder anderen zei: “Wanneer ik dit leven verlaat, begeer ik geen andere hulde, dan dat men van mij zegge “dat ik mijn plicht gedaan heb als een ezel de zijne, met nooit uitgeput geduld en een onderwerping zonder murmureren.” Hij had de straatventers vrijheid gegeven om hem te schrijven, zo dikwijls zij in iets zijn hulp behoefden. Hun vrees was, of hun schrijven hem wel bereiken zou. “Wees daar gerust op, wanneer gij bij mijn naam maar voegt: “K. G.” (ridder van de Kouseband) en S. (straatventer.)”

Op de 6de Mei van ditzelfde jaar werden de gedenkstenen gelegd van drie armhuizen te Newington. In Juni verscheen het eerste stukje van Jan Ploeger in “Zwaard en Troffel.”

In dit zelfde jaar preekte Spurgeon voor het eerst op een werkdag voor de mannen van de beurs, en later ook voor de hoofden van grote handelszaken en fabrieken.

Toen hem in Mei 1879 bij zijn zilver huwelijksfeest omstreeks 75000 gld. werden aangeboden, die hij terstond aan zijn liefdewerken wijdde, deelde hij in de Tabernakel, waar hem het geschenk werd overhandigd, de volgende bijzonderheid uit de tijd van de stichting van de gebouwen mee:

“Toen wij de poging zouden beproeven, was er een zeer begrijpelijke aarzeling bij het benoemd comité. Wie kan dit euvel duiden. Ook wenste ik niet, dat iemand zich persoonlijk wagen zou. Ik kende mij geheel bereid de verantwoordelijkheid op mij te nemen, want hoewel niet meer dan een stroman was ik zonder enige vrees. Ik was zeker, dat de zaak mogelijk was en dat alle kosten voor de opening van het gebouw zouden voldaan zijn. Die rustige verzekerdheid had echter een grondslag, welke in grote mate een man vereert, die reeds enige jaren tot zijn rust is ingegaan. Ik was, bij zekere gelegenheid, met een vriend uitgereden om buitenaf te preken. Een heer, in een open sjees gezeten, haalde ons in en deed mij de vraag, of ik voor een poosje bij hem plaats wilde nemen, daar hij mij wenste te spreken. Ik deed dit en nu zei hij: “Gij hebt een aanvang gemaakt met het bouwen van dat overgroot huis.”

“Ja.” –”Gij zult wel bemerken, dat velen van uw vrienden op dit punt wat zenuwachtig zijn. Welnu, als man van zaken ben ik zeker, dat gij slagen zult, en buitendien God is met deze arbeid en hij kan dus niet mislukken. Toch is het mijn wens dat gij er nooit angstig of bekommerd over zijt.” Ik zei toen, dat ik de grootheid van de taak ten volle besefte en hoopte, dat de Heere mij bekwamen zou, die voorspoedig ten einde te brengen.

“Hoeveel schat gij,” vroeg hij toen, “dat er nog nodig is, om de zaak geheel tot voltooiing te brengen?” Mijn antwoord was: “Nog een volle 20.000 (Ÿ 250.000) boven hetgeen reeds ontvangen is.

“Welnu,” hernam hij toen, “ik zal u dat bedrag bezorgen, onder de bepaalde voorwaarde, dat gij er niet meer afneemt, dan gij volstrekt nodig hebt. Let wel,” ging hij voort, “ik ben persoonlijk niet van plan om meer dan 600 gld. bij te dragen, maar gij zult pandbrieven van mij ontvangen voor het volle bedrag.” Dit was een vorstelijke hulp. Ik was, gelijk vanzelf spreekt, gebonden niemand van deze waarborg te spreken, maar de innerlijke rust, die deze mij gaf, was mij bij al mijn arbeid van het hoogste belang. Toch was geen minder geloof mij blijvend nodig, want het stond binnen mij vast, dat het geld van mijn vriend onaangeroerd blijven zou; maar de Heere had genadig alle reden tot vrees van mij weggenomen. Boven de mij toegezegde 600 gld. is geen penning van de waarborgsom nodig geweest; toch was ik niets minder dankbaar voor de tijdige toezegging van hulp dan wanneer het tot een werkelijk in bezit nemen daarvan had moeten komen.

Bedachten maar meer allen, die zo vermogend zijn, van hoeveel waarde zulk een geruststellend woord hunnerzijds bij nut en nodige, maar moeilijke pogingen is; hoeveel angst en zorg zouden zij kunnen lenigen en de harten van Gods medearbeiders verblijden.

De predikant James Spurgeon verhaalde bij deze samenkomst, dat hem zo menigmaal gevraagd werd, waarin hij het geheim gelegen achtte, dat alles in de Tabernakel met zo buitengewone voorspoed werd bekroond. “Ik geloof niet,” zei hij, “dat ik op die vraag beter antwoord zou kunnen geven, dan ik eens deed aan iemand, van wie ik ze het allerminst had verwacht. Ik was in de winkel van een Jood in Shoreditch om een kleinigheid te kopen. Toen de man ontdekt had, dat ik Spurgeon heette, vroeg hij mij, of ik familie was van de grote man van die naam. Nadat ik hem had meegedeeld, dat ik de eer had diens broeder te zijn, sloot hij zorgvuldig de deur, keek voorzichtig rond, of ook iemand ons zou kunnen beluisteren, en vroeg mij toen, wat ik voor de oorzaak van zijn zo machtig welslagen hield. Ik zei daarop: “Ik zal u ronduit zeggen, wat ik voor mij vast geloof; zijn welslagen rust in het feit, dat hij Jezus van Nazareth en Deze hem lief heeft. Ik zeg dit niet in een zin, die u onaangenaam kan zijn, want ik weet wie gij zijt; maar daar het naar uw genomen voorzorgen u kennelijk te doen is om uit mijn mond de waarheid te vernemen, heb ik u geen ander antwoord kunnen geven; want ik geloof, dat daarin alleen en geheel de oplossing van het u en velen zo verbazend feit schuilt.

“In het jaar 1880 bracht de op vertoning maken aangelegde staatkunde van Lord Beaconsfield en het mensen slachten in de Oost–Indiën, dat daarvan gevolg was, mede, dat Spurgeon tegen zijn anders gevolgde gewoonte een meer werkzaam aandeel in het politieke volksleven nam. Uit die tijd deelde hij de volgende bijzonderheid mede.

“Ik had aangenomen om voor mijn goede oude vriend John Offord te preken. Deze was zo wat half Plymouth–broeder en half Baptist. Ik zei tot hem: “Ik zou reeds een kwartier uur eerder bij u geweest zijn, maar ik ben opgehouden door het stemmen voor de verkiezingen.

“Beste vriend,” hernam hij, “hoe hebt gij zo iets kunnen doen! Ik dacht, dat gij een burger van het Nieuw Jeruzalem en niet van deze wereld waart. “Dat ben ik ook,” was mijn antwoord, “maar ik heb nog een oude mens in mij, en die is een burger dezer wereld. “Maar dan behoort gij die te kruisigen.”

“Ziedaar wat ik juist gedaan heb. Hij is een oude Tory en ik heb hem gedwongen om voor de liberalen te stemmen.”

Ik besluit deze vluchtige arenlezing op een overrijk veld met een woord van de evangelist Jabez Inwards, een man zelf een beroemd spreker en ijveraar voor het koninkrijk Gods. “Ik heb,” dus zei hij, “eens in openbaar debat staande gehouden, dat Spurgeon de grootste prediker van onze tijd is.

“Wie,” vroeg ik, “is als prediker ooit bij machte geweest zo groot een Tabernakel te stichten, die zonder hulp van een regering of van enige grote vereniging, geheel schuldvrij kon geopend worden? “Wie heeft een college voor studenten gesticht en aan de jongelieden zulk een opleiding gegeven, dat zij zich in spijt van allen tegenstand in de eerste reien plaats hebben gewonnen?

“Wie buiten hem kan zeggen, dat zodra hij de spreekplaats betreedt, al wat hij zegt, van het eerste woord af zal worden opgeschreven, naar verschillende wereldoorden getelegrafeerd en zo door duizenden in ieder land zal worden gelezen? “Wie is er, die als hij zeggen kan, dat in elke trein en in ieder schip, dat vertrekt, minstens een enkele preek van hem zal te vinden zijn?

“Dit alles en hoeveel meer is van de heer Spurgeon waar. “Neen, niet meer dan de waarheid zegt deze beknopte lofrede van de man, die zich in het openbare leven een weg baande, op de tijd, dat anderen nauwelijks de school hebben verlaten. Bij zijn komen in Londen had hij daar geen vriend of bekende, werd predikant bij de kleinste en minst getelde gemeente en dit in een kerkgebouw, waar de leden van meer dan een duizendtal tot driehonderd geslonken waren.

Al deze bezwaren kwam hij, in korte tijd en op zeldzaam schitterende wijs te boven, zodat buiten zijn lichamelijk lijden hij gezegd mocht worden een toppunt van geluk, zowel als van eer te hebben bereikt. Over dat geluk in het werk van zijn bediening wierpen zijn vijf laatste jaren een schaduw, daar het in aanraking komen met al de nieuwere meningen op het gebied van godsdienst en godgeleerdheid hem tot een handelen dwongen, waaronder zijn eigen ziel wel het meest zal geleden hebben. Op zijn hoog standpunt moest hij getuigen en als Luther te Worms kon hij niet anders zeggen: “Hier sta ik, ik kan niet anders.” In hoever hij de ontstane gisting meer had kunnen en mogen overlaten aan de Heere, die alle macht heeft ontvangen in de hemel en op aarde, beoordelen wij niet. Met zijn broeder James zeggen wij: “Hij had Jezus van Nazareth lief, en mocht hij in deze strijd in woord of daad een schrede te ver hebben gedaan, dan was het nog de liefde van Christus, die hem drong. Nederig, eenvoudig, oprecht als een kind tot de einde, heeft geen onheilige eerzucht of ander onrein beginsel hem kunnen drijven. Over zijn lichamelijk lijden kon hij schertsen, over het lijden van zijn ziel bij het aanranden van de eer van zijn Meester niet.  Ook zal een verlossing daaruit nog wel meer dan uit het lijden van het vlees voor hem de bitterheid van de dood hebben weggenomen.

Spurgeon was zelf een man van het gebed en hij hechtte de hoogste waarde aan het gebed des geloofs. Een van de vele treffende voorbeelden van gebedsverhoring in zijn herderlijk leven, is wel het volgende, dat hij dus aan een vriend verhaalde: “Voor nu twee jaren kwam een arme vrouw, diep verslagen en van twee buren vergezeld tot mij in de kerkkamer. Haar man had haar verlaten en was buitenslands gegaan. Haar droefheid had haar tot het bedehuis uitgedreven en mij horende leide zij uit mijn spreken af, dat ik met de zaak geheel bekend was. Gij zult licht begrijpen, dat ik er niets van wist en zij een algemeen, toelichtend voorbeeld als op haar toestand duidende had verstaan. Zij verhaalde mij toen wat er gebeurd was en dit was wel zeer droevig. Ik zei: “Ons rest niets, dan voor de Heere neer te knielen en God om zijn bekering te smeken.” Zo deden wij, en ik bad, dat God de man tot inzien van zijn zonde brengen mocht en bekeerd tot de zijnen doen wederkeren.

Toen wij van onze knieën oprezen, zei ik tot de arme vrouw: “Tob nu niet langer. Ik voel mij innerlijk verzekerd, dat hij tot u zal wederkeren en nog eens een lid van onze kerk worden.” Zij ging heen, en bij het vele dat altijd voorkomt, vergat ik deze ontmoeting. Na enige maanden kwam de vrouw terug met dezelfde buren en een man, die zij mij als haar echtgenoot voorstelde. Inderdaad was hij als een bekeerde teruggekeerd. De zaak en datums nader onderzoekende bleek, dat op de eigen dag, dat wij voor zijn behoud baden, hem aan boord een openliggend exemplaar van een van mijn preken in handen was gekomen. Hij las dit en de waarheid greep zijn hart en geweten aan. Tot berouw gekomen, keerde hij zo spoedig mogelijk tot zijn vrouw en zijn beroepswerk terug. Sedert zijn en hij en zijn vrouw leden van onze gemeente geworden. Nooit zal het nu iemand gelukken deze vrouw aan de macht van het gebed te doen twijfelen. Ook ik voel op dit punt niet de minste twijfel. Niet dat ik er in de gewone zin een wonderdaad in zie, neen, gebed en gebedsverhoring zijn een deel van de heilige wereldorde, zodat de schaduw van iets dat komen zal, reeds vooruit door het geloof kan worden aanschouwd.”

De vriend vroeg daarop: “Moet bij dit gebed des geloofs het hart met een zich bewuste verwachting van verhoring bezield zijn? Is het niet genoeg te handelen naar de oude spreuk “werken en bidden, en daarbij verwachten, dat de Albestuurder de middelen zal doen gelukken, die tot het doel worden aangewend?” Spurgeons antwoord was: “Het gebed zelf is één van die middelen. “Om al deze dingen wil ik gevraagd worden, zegt de Heere.” Er moet een uitgaan des harten tot God zijn met de verzekerdheid, dat wanneer ons dit nut is, Hij het begeerde geven zal. Niemand kan volstrekt zeker zijn, of enig tijdelijk voordeel hem ten zegen of ten vloek zou worden, en dit moet ons in onze wijze van vragen zo omzichtig maken. De leer, dat het gebed altoos ziekten heelt, waarvan men tegenwoordig zoveel hoort, zou logisch doorgedreven de dood van de aarde verbannen, want er zal altijd althans wel één zijn, die voor het herstel van de zieke bidt. De mens kan toch zijn Schepper de wet niet stellen, maar hetzij wij het uitspreken of niet, onze wil behoort zich geheel en in alles naar Gods raad en welbehagen te voegen.”

Bij gelegenheid van zijn vijftigste verjaardag werd aan Spurgeon de vraag gedaan, of hij van oordeel was, dat in die 50 jaren de wereld beter geworden of verachterd was. “Dit is een vraag van wijde omvang,” was zijn antwoord. “Zeker is het er in vele opzichten niet beter op geworden. De strijd om het bestaan is harder, en behoefte aan werk en brood groter dan ooit te voren. Maar er is in menig opzicht vooruitgang vooral op het gebied van de drinkgewoonten. Ik geloof, dat in de fatsoenlijke klasse niet meer het ras veel–drinkers bestaat, die vroeger op hun veel verdragen roemden. Ik tenminste weet van zulken niet meer. Lord Shaftesbury oordeelde terecht, dat het steeds dichter opeen wonen, de zedelijkheid zeer benadeelt, maar in de betere standen schijnt men meer prijs te stellen op goede boeken. Onze grootmoeders lazen boeken, die onze dochters zich schamen zouden in te zien. Ook is de vermindering van misdaden door ouderen en jongeren gepleegd een heuglijk teken des tijds. Er is vooruitgang, en met blijdschap hoorde ik vertellen, dat Lord Shaftesbury dezer dagen gezegd heeft, dat wij slechts een kloek hart en een vast geloof nodig hebben om de duivel de baas te blijven.”

Wanneer Spurgeon te Mentone toefde hield hij zich altijd verre van de prachtige parken en van de speelplaats Monte Carlo, waar ieder vrije wandeling heeft, ook zonder de speelzalen te bezoeken. Hij deed dit niet uit vrees van zelf tot spelen verlokt te worden, maar ook in verband tot een mededeling van een vriend omtrent een gesprek, dat deze met de pachter der speelbanken had gehad. Deze had aan Spurgeons vriend gevraagd, waarom hij nooit een voet in de zo schone parken zette. “Wel,” hernam deze, “waar ik u niet bevoordeel, gevoel ik geen recht om mij met het uwe te bevoordelen.

“Gij bedriegt u zeer,” was het antwoord. “Het is voor mij van het hoogste belang, dat personen van uw stand en karakter van de parken gebruik maken. Wanneer allen dit even als gij nalieten, zouden mij spoedig een goed deel van mijn klanten ontvallen. Meen niet, dat gij niet door uw enkel hier wandelen zonder mee te spelen, de vermeerdering van mijn inkomsten bevordert. Velen, die er anders niet aan denken zouden om aan mijn speeltafels aan te zitten, voelen zich geheel veilig, wanneer zij u in de parken volgen; en vandaar tot de speeltafel is de overgang voor de meesten gemakkelijk genoeg.

“Zo weet de duivel tot de beste mensen toe als zijn lokvinken te gebruiken, zelfs zonder dat zij het inzien of bemerken. Hoe voorzichtig behoorde ons dit te maken in het bezoeken van plaatsen, die misschien onszelf geen schade zullen doen, en in onze drinkgewoonten, die zo licht zwakkeren tot een valstrik zijn. (Rom. 14:12–23 15:1–4)

Spurgeon had en toonde een groot vertrouwen in het eigenlijke volk, en bewees daarin evenzeer zijn degelijke mensenkennis als zijn geloof. “Ik heb,” zei hij, “veel meer vertrouwen in de grote volksmassa, dan in de rijken en leeglopers, die uit de hoogte smalen op hen, welke Gode en mensen behaaglijke goede werken doen, daarbij de spot drijvende met personen, wier schoenriemen zij niet waardig zijn te ontbinden.  Het is niet de straatventer, die lelijke bijnamen voor Lord Shaftesbury verzint, maar het zijn de mannen van zijn eigen rang en stand, mannen, die beschaafd en rijk zijn en voor wier aan ledigheid gewende handen Satan altijd iets slechts te doen weet te vinden. Wees er zeker van, het volk zal altijd zijn natuurlijke leidslieden volgen, de mannen, die leven en arbeiden om hun naar lichaam en ziel tot weldoeners te zijn. Zie, dit is meer dan van de meeste rijken kan gezegd worden, daar zij noch gezind zijn een goede leider te volgen noch anderen tot goede leidslieden te zijn. Hun toeleg is dikwijls niet anders dan zich te bevoordelen met anderen de hun toekomende voordelen te ontnemen. Er valt veel veiliger op het instinct der massa’s te bouwen, dan op de grillen van rijken, die niet weten, wat zij met hun geld en tijd zullen uitvoeren. In het overdrijvende van het tegenwoordig Socialisme ligt onze veiligheid, mannen van zulke uitersten leveren zelf het tegengif voor hun dwaasheid.”

Een man, zo gezind van hart en geest, was geen man om zich ter wille van andere bekrompenheid allerlei wetten en juk te laten opleggen. Zulken wist hij meest met een geestige zet terecht te wijzen. Zo meende eens een Sabbattistische letterknecht hem te moeten bestraffen, omdat hij zich met zijn rijtuig naar de kerk had begeven. Spurgeon wees hem hierbij niet op zijn zieke been, dat hem het lopen niet zou hebben veroorloofd, maar toen de man het eerste deel van het vierde gebod statig had opgezegd, hernam Spurgeon. “Juist, mijn vriend, maar ziet gij, mijn paard leeft onder de wet en ik onder de genade. Het is een Jood, en heeft zijn Sabbat op Zaterdag, en dient mij nu bij mijn rusten op de dag des Heeren.”

Spurgeons huiselijk leven was in ieder opzicht zonnig. Reeds in de Nachtegaalslaan en later buiten was hij gewoon op de Vrijdagavond een twaalftal of meer predikanten te nodigen, om, zoals hij het noemde, “wat van de hoogte en het genot der kerkelijke bijeenkomsten weer tot de sfeer van het gewone leven af te dalen.” Bij deze samenkomsten heerste de meest vrije en gezellige geest. Een of twee vergezelden hem doorgaans uit de stad in zijn rijtuig, de overigen kwamen per spoor. De namiddag werd in de zomertijd in de tuin doorgebracht, die altijd in de keurigste orde was, want Spurgeons hart hing aan zijn tuin en het was of de vogels en zijn bijen hem kenden. Buiten werd dan gekegeld of enig ander behendigheid eisend spel gedaan, en er was niet meer pret, dan wanneer enig predikant, die de pen beter dan een kegelbal hanteerde, een worp deed, die gevaarlijker voor andere benen dan voor de kegels was. Intussen bezocht Spurgeon met deze of die “Sneeuwwitje of Daphne” of andere van Mevrouw Spurgeons koeien, die het weeshuis van melk voorzien. Ook moest zulk een vriend het leeuwerikennest in de wei bezien, en het verhaal horen, hoe de koeien dat nest ontzagen en er steeds een dikke rand gras om vrij lieten.

Dan volgde de uitgebreide thee in de eetzaal, Mevrouw Spurgeon had haar plaats aan de een zijde der theetafel en haar echtgenoot aan de andere. Zijn huisknecht George bediende de gasten. George was in zijn soort een persoonlijkheid, zowat als Tom Purdie bij Walter Scott. Hij was zo wat een deel van het gezin geworden en kwam soms met enige droog komische opmerking voor de dag. Soms lokte zijn heer zelf dit uit en zei: “Toe, George, vertel gij de heren die historie eens van “zo en zo.”

Wanneer de thee was afgelopen verhuisde men naar de grote zaal, waar een vrij gesprek was, of men zich bezig hield met het zien van platen en fotografieën. Beurtelings zette een der vrienden zich aan het orgel en zong, terwijl de vrienden als koor invielen, of wel allen zongen. Spurgeons lievelingslied was:

“Het kruis staat vast, Halleluja!” tussen de liederen vergastte Spurgeon de vrienden op de beste van zijn ervaringen, die hij op zo enige wijze wist te vertellen.

Te 8.30 uur verschenen de dienstboden in de zaal, en had er een huisgodsdienstoefening plaats, die door haar eenvoud en ernst het einde van de dag als met een geestelijk avondrood heerlijk maakte. Spurgeon was een vriend van het gezang. Niet alleen heeft hij met de grootste zorg voor zijn gemeente een eigen gezangboek verzameld, maar zelf heeft hij een reeks uitstekende gezangen gedicht. Ik laat hier een vertaling van een drie tal volgen. Het eerste van deze werd reeds op zijn 18de jaar geschreven.

Immanuel.

Gewetensoordeel boog bezwaard
Door schuldenlast mijn hart ter aard;
Toen, gans verbrijzeld van gemoed
Viel ik, mijn Heiland, U te voet,
Volzalig uur! Genadewel!
Ik smaakte uw liefde Immanuel

Als smart mij met haar strik omsnoerd,
Mijn ziele macht’loos met zich voert,
Geen hoop mij steunt, maar voor mijn voet
Het lot een afgrond gapen doet,
Keert nacht en storm uw oogwenk snel,
Uw naam hoedt mij, Immanuel.

Waar voor uw naam ik smaadheid lijd,
De haat zich in mijn leed verblijdt
En Bazansstieren om mij heen
Vergadren, sta ik niet alleen,
Met U is me al hun woeden spel;
Mijn rots zijt gij, Immanuel.

Wanneer de hel van woede blaakt,
De satan dreigend mij genaakt;
En voor mij ‘t licht in ‘t Oosten daagt,
Ik door de felste haat belaagd,
Bij duizenden mijn haatren tel,
Zijt gij mijn schild Immanuel!

Wanneer mijn pad ten einde spoedt,
En in de stroom des doods mijn voet

Steeds meer zijn diepste diepten raakt,
Troost, haast tot hoger vreugd ontwaakt,
Mij bij des afscheids laatst vaarwel,
Uw aanblik mijn Immanuel

En wist uw liefdehand omhoog
De laatste smartetranen droog,
Dan, starende op uw heerlijkheid
Naar uw genade ook mij bereid,
Zing ik bij ‘t hemels snarenspel
U ‘t nieuwe lied Immanuel!

Het volgende is getiteld: “Verlossing” een in Engeland zeer geliefd gezang, dat gezongen kan worden op de welbekende schone zangwijs: “Milde regenstromen drenken.”

Verlossing.

Zondaar, onder schuld gebogen,
Ga tot Jezus met uw schuld,
En, aan angst en smet onttogen,
Ziet Gods liefderaad ge onthuld
In de zoendood,
Die uw oor deel heeft vervuld.

Zondaar, blind, arm, naakt en schuldig,
Vlucht tot Jezus, Hij is rijk;
Hij, ontfermend en geduldig,
Wil, dat Gods genade u blijk,
Dat zijn heilzon
Van uw voetspoor nooit meer wijk.

Zondaar, zonder hoop op leven,
Zie op Jezus, en ontwaar
Welk een macht Hem is gegeven
Als uw Heer en Middelaar;
Hij, uw Heiland,
Maakt al Gods beloften waar.

Zondaar, zonder maat misdadig,
Kom tot Jezus, en uw nacht
Keert in lichtglans Hij genadig;
‘t Hart, dat naar verlossing smacht
Zal Hij helen,
Die ons stervend ‘t leven bracht.

Het derde is een lied voor een bidstond in de vroege morgen en de zangwijs de zogenaamde gewone maat, die bij tal van zangwijzen past.

Ochtendbidstond

Zoet klinke ons morgenlied
Bij bloemengeur en dauw,
Als ‘t in de stilte hulde biedt
aan ‘s Vaders liefdetrouw

De paarlen op ‘t gebloemt’,
Haar dos bij ‘t ochtendfeest
Verkwikken ook het hart, dat roemt,
Gedrenkt door ‘s Vaders Geest.

En voor des levens strijd
En arbeid wordt hervat,
Is ‘t onze smeekbee: “Heer, verblijd,
Sterk ons op ‘t enge pad.

“Waarheen de stroom ons voer’,
Geef ons het weten vree,
Dat door uw vaderhand het roer
Uw wil volgt op de zee.

“Eens leed als wij in ‘t vlees,
O God, uw eigen Zoon,
De redder, die voor ons verrees,
En plaats geeft op zijn troon.

“Heeft Hij de morgenstond
Geheiligd door gebeen,
Och, blijk steeds meer ons hart en mond
Met Hem in ‘t bidden een.

Mij is niet gebleken, dat Spurgeon zijn bruid in minnezangen heeft verheerlijkt. Van zijn geluk en behoefte zijn hart in dichtmaat uit te spreken, getuigt echter het volgende lied, dat hij eens bij afwezigheid van huis aan zijn zo vurig door hem beminde echtgenote toezond.

Zijn, vrouwtjelief! wij ver vaneen,
Ons zij een brug mijn lied,
Die onze harten, beste kind,
Een plaats van saamkomst biedt.

Een minnaar draagt zijns liefsten naam
Gegrift in eelgesteent,
Ik draag uw beeltnis in mijn hart,
Sinds God ons heeft vereend.

Wat in de wol niet werd geverfd
Derft haastig kleur en gloed
Uw liefde, die mijn hart verwon,
Trotseert de stoutste vloed.

Gelijk al ‘t nat van Garda’s meer
Met een saffiertint gloort,
Toont heel mijn zijn, dat u mijn hart
Voor altoos toebehoort.

Is de eerste min, als vaak de dauw
Een parel, die versterk,
Of als met vleuglen ener duif
Naar vreemde kusten zwerft:

O, mijn liefde is als de zon,
Als zij haar baan doorloopt,
Een vuurgloed, door geen tijd of lot
Verdovend, of gesloopt.

De hechtheid van de huwlijksband,
Die onze harten snoert,
Is Christus, die de doodsweg door

Naar reiner sfeer ons voert.
En is Hij in ons beider hart
Een enig Hoofd en Heer,
Toch knielen we eens, dan eeuwig saam,
In eenheid voor Hem neer.

Uit Spurgeons eigen mond kunnen wij vernemen, welke zijn beschouwing van het gemeenteleven was, en wat hij daarvoor in anderen en allereerst in zichzelf eiste: “Ik ben, zei hij, “slechts één onder een groot aantal arbeiders. Van ieder, die als lid tot mijn gemeente toetreedt, wordt verwacht, dat hij aan enig deel van de gemeentearbeid zich wijden zal. Begeert iemand zich als lid aan te sluiten, dan is het na onderzoek naar zijn kennis mijn woord: “Beste vriend, gij schijnt mij toe een bekeerd man te zijn en ik hoop, dat gij ook waarlijk in Christus een nieuw schepsel zijt; maar wanneer het nu uw wens is om u bij onze gemeente aan te sluiten, wat zijt gij dan als een levend lid in haar midden in het belang van uw medemensen voornemens te doen? Wanneer gij eenmaal in ons midden opgenomen, geen drang der liefde kent om voor anderen te leven, is dit buiten mijn schuld, maar de gemeente heeft dan aan u, als aan iemand, die niets doet, en, wat erger is, die een slecht voorbeeld geeft, een kwade koop.” Voor zoveel ik er iets aan vermag, komt met mijn goedkeuring niemand in onze gemeentekring, die niet vooruit zijn woord geeft, dat hij zich aan enig deel van de gemeentearbeid tot heil van anderen wijden zal.

Al zeer dikwijls gebeurt het, dat zij, ziende op de toestanden om hen heen, dit verlangen iets vreemds vinden; iets, wat zij nog nooit beseft hadden, dat het de hoogste en heilige roeping van een christen is. Het brengt hen echter tot nadenken, tot een zich afvragen: wat zou ik kunnen doen? en in de meeste gevallen tonen zij zich bereid om te verrichten wat naar mijn oordeel het beste voor hen geschikt zou zijn. Dat geen liefhebberijwerk als een soort van ontspanning verlangd wordt, moeten zij wel weten. Mijn diakenen zijn harde werkers, mannen die arbeiden, alsof het werk voor de Tabernakel hun enige roeping ware. Allerlei soort van dienstwerk is een gedurige eis. Ik weet, dat velen van ons jong volkje leden van cricket–clubs, voetbalclubs, zwemclubs zijn, en de eersten bij spierkracht eisende oefeningen, maar in gemeentearbeid door goeddoen uit te munten gaat daarom toch bij hen boven alles. Er zijn in onze gemeentedienst allerlei dienstverrichtingen: de bloemenzending, bidstonden, de buiten– en binnenlandse zending en al het overige, dat voor een goed deel beslag legt op de tijd en het leven van onze gemeenteleden. Ik weet geen kerkgemeenschap, die voor 50 jaren zulk een veld bearbeidde, als wij, nu doen.”

Moest het zo niet overal zijn? Maar helaas, van het ogenblik af, dat Constantijn de Grote er zijn heil in zag om in de gemeente van Christus het beste politieke werktuig voor regerenden te erkennen, was de staatskerk als vloek voor een waar gemeenteleven geboren. In allerlei vormen en onder allerlei namen zijn de leisels gesmeed, waarmee der machtigen hand Christus’ erfdeel naar hun wil en plannen sturen kon; en wie alleen naar de wil van de enige Meester vroegen, hadden meer dan het geboefte te lijden. Zo werd op allerlei wijs en in allerlei vorm het gemeenteleven onder de knie gehouden, en lag de akker van gemeentearbeid, bij te stipter dienst van vormen, braak, overal bijna aan heidegrond gelijk. Het is de eer van de Moravische broeders, dat hun zendingsijver aan de vroomheid van Engelands Methodisten het rechte vuur en de innige zalving geschonken heeft, waarvan Spurgeons gemeentearbeid ook een der vruchten is.

Wat men in het heilsleger afkeure, blind is hij, die er niet in zien kan een andere reactie tegen de verlaging door de staatskerken het gemeenteleven aangedaan. Wat er gebrekkigs is in Methodisme en alle daaraan nader of minder verbonden arbeidsvormen, de staatshoepels zijn gebroken, hun merktekenen zullen uitslijten; maar in de worstelingen op dit veld zal geen rust komen, totdat de gemeente, zij het met omwegen en afdwalingen zich het pad gebaand heeft, dat waarlijk en in volle overeenstemming is met het raadsplan der liefde van Hem, die alle macht heeft ontvangen in de hemel en op aarde, en wiens eerste majesteitsbevel was: “Predikt het evangelie aan alle creaturen, beginnende van Jeruzalem.”

Al wat op dit gebied tot omweg en afdwaling leidt, is haasten; met enig soort van geweld zoeken te verkrijgen, wat alleen door de Geest Gods kan tot stand komen. Zij die geloven haasten niet. Vandaar dat, toen eens Spurgeon gevraagd werd, “of hij niet een afdoend middel wist tot verbetering der toestanden,” zijn wijs antwoord was: “geen nieuw; voortgaan, getrouw voortgaan op de gebaande weg. Er moeten steeds meer werkers als stadszendelingen zijn. In samenwerking met deze huis aan huis–, en kamerbezoek, meer liefdezorg voor de armen, meer hulp aan hulpelozen, en een meer waarlijk als vertegenwoordiger van de Vader der wezen leven voor weduwen en wezen.”

Spurgeon was daarom de eerste om zich persoonlijk niets bijzonders toegerekend te zien. Weinig strekt wel hem zo tot eer als de woorden bij het feest van zijn vijftigste verjaardag door zijn broeder James gesproken. Zonder enige vleierij bracht hij de oudere broeder hulde. Met nadruk zei hij: “Het wordt gezegd: geen groot man is groot in de ogen van zijn knecht, die te veel achter de schermen ziet. Ik geloof, dat ik zeggen mag, dat ik mijn broeder door en door ken, en hoe meer ik hem leer kennen, des te meer heb ik hem lief en acht hem te hoger om zijn trouw aan zijn Heere en Meester.”

Na de uit het hart gesproken woorden van de liefhebbende broeder merkte Spurgeon op: “Beste vrienden, ik bemerk, dat ik al mijn best moet doen om niet te vergeten, dat ik niets meer ben dan de vertegenwoordiger van u allen. Onmogelijk had ik kunnen doen wat tot stand kwam, indien ik niet zulk een gewillige, trouwe, volhardende, liefhebbende gemeente met en achter mij had gehad. Sluit zich iemand bij ons aan, die wat stijf en overvormelijk is, dan wordt hij geen blijver. In de regel zegt zo iemand, dat hij het met u niet vinden kan en verlaat ons; maar het ware van de zaak is, dat er in hem niets is, dat bij mij een aansluitingspunt vindt, en dit doet hem elders zoeken, wat hem voegt.

Verenigd hebben wij het voorrecht een kring te zijn, die met een warm hart elkaar aanhangt en waarin ieder ijvert om het meeste goed te doen. Ongetwijfeld, wij zouden het allen nog veel beter kunnen doen, en daartoe willen wij ons best doen; maar dit weet ik, dat geen gemeente beter voor haar leraar kan zijn dan gij voor mij waart; daarom is het mijn wens, omdat mijn broeder deze zeep gebruikt, die in zijn eigen fabriek bereid en volkomen zuiver is, hij meent ieder woord, dat hij zegt, ten volle, doch juist daarom wens ik u allen met mij in de waskuip, en dan heb ik er niets tegen, dat de zeep zo schuimt, dat wij allen onder het schuim bedolven raken.”

Zo ook behoort het in het gemeenteleven. Zonder hoofd is het lichaam geen lichaam meer, maar in een gezond lichaam heeft ieder lid zijn eigen plaats en hebben allen recht op hun deel der eer, al is het het hoofd, dat de leiding heeft. Ook meen ik, dat om een gemeente als die van Spurgeon te vormen, zij slechts een hoofd moet hebben; al heeft dit hoofd, gelijk Spurgeon in zijn broeder en de predikant Stott twee handen tot helpers. Een gemeente met veel herders en leraren is in mijn oog het zuinigheidsproduct der staatskerken, door de toeleg om voor het hoogste levensgebied even karig als b.v. voor oorlogskosten verkwistend te zijn. Ook wanneer elke gemeente een kerkelijk huisgezin vormt met één hoofd als leider, kan daarom een band, die even innig is, bestaan; of liever de massa leraren en gemeenteleden, nu nauwelijks meer dan op een hoop liggend zand verbonden, kunnen door zelfstandigheid in eigen kring, wedijver in liefdedienst en eenheid in aller gehechtheid aan de enige Heere en Meester een waarlijk levende, werkzame, innig verenigde broederbond worden. Mocht dit haast de vrucht zijn van al de gisting in ons kerkelijk leven.

Laatste levensdagen, overlijden en uitvaart.

Reeds de aanvang van het jaar 1891 toonden kentekenen, hoezeer de overzware arbeid de man, die zich voor al wat hij deed, geheel gaf, zijn van nature sterk gestel had aangetast en gesloopt. Uit een krachtig voorgeslacht had hij bij het stille leven van een dorpspredikant licht de hoge leeftijd van zijn grootvader en vader kunnen bereiken, maar steeds doende naar het woord en voorbeeld van de grote Apostel: “Ik behandel mijn lichaam hard;” konden eindelijk de korte tijdperken van rust zijn levensduur niet meer boven zekere grens verlengen.

Het door mij vermelde voorbeeld aan zijn in deze tijd spreken voor de onthouderskring in de tabernakel en de toestand van lichaam en geest, toen hij die zo voortreffelijke, enkel liefde ademende rede hield, maken elk verder betoog overbodig om duidelijk te maken, wat hij in gunstiger ogenblikken van zichzelf eiste en door de wilskracht der tederste liefde voor de Heere en zijn gemeente volbracht.

Bij de Mei–samenkomsten, waarbij anders zozeer Spurgeons voorzitterschap begeerd en gewaardeerd werd, vind ik zijn naam slechts twee malen vermeld. Eens voor een vergadering der Zondagsschoolunie, die in hem een van haar meest belangstellende vrienden telde. Dit was echter niet een der hoofdsamenkomsten, maar een kleinere in de Bloomsburykapel.

Op Maandag 1O Mei leidde hij nog de jaarvergadering van de Colportagevereniging van de Tabernakel, een der verenigingen, die hem het allernaast aan het hart lagen. Wel was hier voor reden, daar het verslag van de secretaris meedeelde, dat de colporteurs ten getale van 97, in het laatste jaar 1078314 geschriften hadden verkocht, en dat gedurende het nu 42jarig bestaan der vereniging voor een bedrag van ongeveer één en een half miljoen gulden verkocht was.

Vier en twintig jaren, dus nog slechts één jaar ontbrak voor het zilverfeest der vereniging. Die dag van eer en vreugde zou echter de geliefde Voorzitter niet meer op aarde mee vieren. Zij, die ook nu weer aan zijn lippen hingen, terwijl hij de waarde en betekenis van deze tak van evangelisatie op aller hart bond, wisten het niet, dat het de laatste maal was, dat hij dit hem dierbaar arbeidsveld hun aanbeval.  Moge het allen in de aanstaande Mei–vergadering tot te vaster besluit verenigen, om de zo rijk gezegende arbeid eendrachtig en met toenemende ijver en kracht te behartigen. Ook bij deze gelegenheid sprak Spurgeon zijn waardering uit, dat al hun colporteurs vrijwillig geheelonthouders zijn, en ook daardoor mannen aan wie met vol vertrouwen hun gewichtige taak kan worden overgelaten.

Spoedig na deze bijeenkomst, ongeveer iets voor of op de 20ste Mei werd de ijverige leraar door de influenza aangetast. Dat deze op zich zelf reeds gevaarlijke ziekte voor een lichaam, dat reeds zoveel doorstaan had, de grootste betekenis moest hebben, behoeft nauwelijks gezegd. Met recht mag de vraag gedaan, of zijn nooit rustende ijver niet te veel waagde met reeds weer op de 11de Juni de poging te doen tot geregelde hervatting van zijn dienstwerk. Des morgens in de Tabernakel optredend moest hij tot de gemeente het verzoek richten, wat geduld met hem te hebben, terwijl hij zijnerzijds zijn best zou doen zijn stem zo goed mogelijk te gebruiken. Na toch, voegde hij er bij, een ernstige bezetting op de longen te hebben doorstaan, had zijn stem nog niet weer haar gewone omvang en kracht herkregen. Waar reeds in het laatst van Juni dagelijkse bidstonden voor het herstel van de geliefde leraar zijn begonnen, ligt het vermoeden voor de hand, dat ernstige verschijnselen op de ontijdige proefneming zijn gevolgd, en deze of een volgende preekbeurt de laatste van zijn zo rijk gezegend dienstwerk zijn geweest.

In het begin van Augustus scheen de hoop op herstel verlevendigd, en werden al de instellingen aan de Tabernakel verbonden der gemeente en de vrienden van de leraar door de opzieners krachtig op het hart gebonden, opdat de zieke vriend in dit opzicht zonder zorg mocht zijn. Een opnieuw instorten volgde de beterschap, maar voor het einde der maand, bezielde de zieke de overtuiging: “dat zijn leven gespaard was gebleven op het vurig en aanhoudende gebed der gemeente, en dat op des Heeren tijd hij een volkomen herstel en de geschiktheid tot hervatten van al Zijn arbeid mocht verwachten.” Was echter Spurgeon schijnbaar iets beter, de toestand was eind Augustus zoveel minder dan in het laatst van Juli, dat de predikant Stott uit naam van de broeder van de leraar de gemeente moest meedelen, dat bij diens laatst bezoek hij de zieke uiterst zwak had bevonden, en deze bij gebrek aan eetlust en slaap nog verre was van de weg van beterschap. Wel week een der treurigste verschijnselen, het buiten kennis zijn en ijlen, maar iets betere dagen werden telkens door ongunstige gevolgd; zodat, al konden de geneesheren in het laatst van September ook verklaren, dat de smartelijkste aandoeningen van het lijden geweken waren, de werkelijke toestand was daardoor niet verbeterd.

De gemeente bleef volhouden in haar smekingen en mocht dit haar herder troosten, ook een merkbaar toenemen van de verkoop van zijn preken in en buiten Engeland bewees, hoe algemeen in ontelbare gezinnen de harten warm klopten voor de zieke en zijn gemeente, voor wie gewis ook deze tekenen van algemene deelneming bemoedigend waren. In de eerste dagen van Oktober werd overgegaan tot een verplaatsing van de lijder naar Eastbourne, een badplaats aan de Zuidoostkust van Engeland, in de hoop, dat de zeelucht gunstig op het slapen en de eetlust zou werken. Bij zijn verlaten van Londen schreef Spurgeon aan zijn gemeente: “Daar ik bijna allen eetlust verloren heb, is het nodig geoordeeld daartegen iets te doen. In alle stilte trek ik nu naar de zeekust, in de hoop, dat de Heere mij daar zal doen herleven. Uw heilige eenheid van zin en ijver voor onze gemeentearbeid zijn mij dagelijks tot bemoediging en vertroosting. Och, of ik maar weer hersteld ware en zonder tussenpozen van ziekte u dienen kon! Maar misschien zal ik later des te vruchtbaarder arbeider zijn, naarmate ik meer een lijder was ik houd mij verzekerd, dat uw gebeden mij voortdurend gedenken.”

Een verblijf van drie weken bij de zee had in zover het gewenst gevolg, dat Spurgeon naar Londen kon terugkeren, met het vooruitzicht nog voor November naar zijn gewone rustplaats aan de Riviera, Mentone, te kunnen gaan en daar in zachter klimaat zijn gezondheid hersteld te zien. Op de 1Ode Oct. had hij reeds uit Eastbourne de volgende uitvoerige en opwekkende brief kunnen schrijven:

Waarde Vrienden!

Mijn geneesheren hebben het goed ingezien, toen zij de raad gaven, dat ik hierheen zou gaan, want mijn eetlust is aanmerkelijk toegenomen en ik gevoel mij veel beter. Ik houd mij verzekerd, dat ik spoedig een warmer klimaat zal kunnen opzoeken. Die verandering is iets, waarnaar mijn geneesheer verlangend voor mij uitziet. Het overlijden van andere patiënten maakt hem bezorgd voor koude vatten, vooral daar ik een huid verloren heb en de nieuwe nog overgevoelig is, en dus zeer vatbaar om van koude en guurheid een nadelige invloed te ervaren. Ik weet mij echter in de handen van Hem, die over de weersgesteldheid en alle andere dingen gebied voert. Het is mij zulk een gelukkig besef, dat ik door uw en veler gebeden als door heilige engelen handen gedragen word.

De Heere heeft mij uit een grote bezorgdheid gered, door mij met kennelijke zekerheid te doen inzien, dat ik van Dr. Pierson vragen mocht, of hij wel uit broederliefde gedurende mijn afwezigheid mijn preekdienst zou willen vervullen. Hij is een man naar mijn hart en machtig in het toebrengen van zielen tot de Heere. Van hem ben ik zeker, dat hij niets anders bedoelen zal dan de verheerlijking van onze God. Het is zijn wens, dat allen in de gemeente hem zullen terzijde staan met hun gebeden en arbeid. Hij zal nu reeds Amerika verlaten hebben en rekent, zo de Heere wil, op 25 Oktober voor u te kunnen optreden. Zodra het goed en wijs geoordeeld wordt, hoop ik zelf weer in uw midden te zijn. Dr. Pierson heeft, om ons te kunnen helpen, alle andere belangen en zaken ter zijde gesteld. Op de zelfde tijd, dat ik mij aangespoord gevoelde om hem hulp te vragen, had God hem er toe geleid om mij zijn broederlijke bijstand aan te bieden.

Dat mijn beste vrouw in staat is geweest mij hierheen te vergezellen, stemt mij ontzaglijk dankbaar en blij; maar wanneer zal ik al de geliefde vrienden weerzien, die mij gedurende een nu veertig jaren arbeid ter zijde stonden, en ik mij in dat wederzien gelukkig gevoelen?

Uw zeer lief hebbende

Eastbourne, 1O Oct.     C. H. SPURGEON.

In dit voor een zieke uitvoerig schrijven spreekt de vernieuwde hoop op een volledig herstel, een hoop, die wel niet verwezenlijkt werd, maar voor de lijder en de zijnen tot bijna aan zijn levenseinde voortduren mocht. Ook bleef alles in dit tijdperk van overgang voorspoedig, daar voor het eerst aan Mevrouw Spurgeon vergund werd haar echtgenoot naar Mentone te vergezellen. Welk een voorrecht voor de haar zo innig liefhebbende echtgenoot. Jaren aaneen was de geliefde aan huis gebonden geweest, maar nu hem de krachten ontzonken, had de Heere haar genadig opgericht om zelf mede in al de behoeften van de lijder te voorzien en bij wisselende hoop en vrees zich bij elkaar te weten. Hoe zal dit bijzijn van zijn dierbare levensgezellin hem boven alles een stof tot danken zijn geweest, toen hij in een plotselinge bezwijming voor zichzelf de volle zekerheid verkreeg, dat de Heere hem een beter thuis had bereid dan hij nog zo pas had voorzien, dat hem in zijn aards vaderland wachtte.

Op Maandagvoormiddag 26 Oktober werd geheel Engeland in hoopvolle verwachting verlaten. Door een overgroot getal belangstellenden werd de zo hoog geschatte leraar aan het Station opgewacht. Hij werd voor de reis vergezeld door Mevrouw Spurgeon, zijn broeder James en diens vrouw, zijn bijzondere secretaris, de predikant Harrald, en de diakenen, die steeds tot zijn hulp met hem te Mentone waren. Uit Calais kon hij doen telegraferen: “Behouden en gelukkig te Calais. De overtocht deed mij goed en de zeelucht heeft mij verkwikt.”

Zonder oververmoeidheid te Mentone gekomen, scheen het zuidelijk klimaat zijn gewone uitwerking op de lijder niet te missen; althans Spurgeons broeder, die op de 16de November uit Mentone terug was, verblijdde op de bidstond van die avond alle aanwezigen met het bericht: “dat zich verder geen verschijnselen hadden voorgedaan, die behoefden te doen vrezen, dat na een tijdperk van rust zijn broeder diens dienstwerk niet zou kunnen hervatten, al was het dan ook binnen beperkte grenzen. Dit althans stond reeds vast, dat ook bij de beste uitkomst zijn broeder voortaan niet meer dan eenmaal des Zondags zou mogen preken.”

De eerste uitwerking van lucht en omgeving hield echter niet in dezelfde mate aan. In de aanvang van December moest Spurgeon schrijven: “Ik kan niet zeggen dat de beterschap toeneemt, maar ik gevoel mij ook niet minder, terwijl regendagen mij noodzaakten binnen te blijven.” Hij voegde er hoopvol bij: “toch leef ik in vol vertrouwen op geheel herstel, een hoop, die mij bij blijft ook als mijn lichaam zich door zwakheid geheel mat en af gevoeld. O, mocht de Heere nog eens deze maanden van pijnlijk zwijgen door jaren van gezegende prediking willen vergoeden.” Op de 10de December volgde een schrijven in dezelfde geest. De hoop op herstel bleef onverminderd, maar het toenemen der krachten vorderde weinig. Des te blijder was daarom de stemming te Mentone en in de gemeente thuis bij de overgang van het jaar. De volgende op 31 December geschreven brief werd op de Zondag 3 Januari bij de morgen– en avondgodsdienstoefening als een hoopvolle blijmare voorgelezen:

“Mijn waarde vrienden, Ik geloof u met goede grond te kunnen meedelen, dat een groter verandering ten goede heeft plaatsgegrepen, dan tot nu toe zich nog voordeed; Het kwaad is niet geweken, maar alles voorspelt een sneller toeneming van beterschap. Hoe groot zal mijn blijdschap zijn, wanneer ik het tijdstip durf gaan bepalen, dat ik tot mijn spreekplaats en tot u zal kunnen terugkeren. Dit punt van beterschap heb ik echter alsnog niet bereikt. Moge nu de Heere de wolk van zijn zegeningen in een tropische regen over u willen uitgieten. Dit is de mij verblijdende verwachting, die zijn goedheid vervulle! Hoe dankbaar ook voor alles wat de Heere deed en doet, verlang ik vurig naar meer. Begeerlijkheid is zonde, maar immers niet, wanneer ons ernstig begeren een dorsten is naar de beste gaven. Al wat ik doen kan, is in stilheid beiden en verwachten. Soms verkeer ik in vreze, of ook iets in mij het komen van de zegen zou kunnen verhinderen; deelt ook niet soms gij met mij dat vrezen? Wanneer een liefelijke muziek zal aangehoord worden, gaan er altijd enige ogenblikken van diepe stilte vooraf. Ieder schroomt als adem te halen, opdat het de toon der muziek niet schade. Juist dit ervaar ik in dit ogenblik. Moge geen fluisteren, dat het getuigen van de Geest hinderen zou, in huis of hart vernomen worden. Laat alle koudhartigheid, wereldzin, verschillen met anderen of zelfzucht al de oude zuurdesem worden weggedaan, opdat wij de feestdag van de vernieuwing van het jaar zonder iets, dat verontreinigt, mogen vieren. Moge de Heere zelf al de kinderen des huizes een rijk deel schenken en mochten zij, die nog aan de deur toeven op de eerste dag van de nieuwe tijdkring een machtig trekken van de Geest ervaren om in dankbaar geloof de drempel van het Vaderhuis te overschrijden. Vrede wonen binnen de muren van ons dierbaar heiligdom en voorspoed ruste op al de liefdearbeid der gemeente. “Om mijner broeders en mijner vrienden wil zal ik nu spreken: “Vrede zij in u.” Bereid, voor zoveel ik vermag, u te dienen en met onveranderlijke liefde.

C.H. Spurgeon.

Dat in het hart van de leraar en in de kring van de zijnen een levende hoop op geheel herstel was ontwaakt, zal ieder gerechtvaardigd achten bij het lezen van de volgende schone en stichtelijke woorden, die hij in het midden van een kleine vriendenkring gezeten op de Oudejaarsavond en Nieuwjaarsmorgen gesproken heeft. Was dit eerste pogen van zijn gemeente tot overgrote blijdschap, het is nu voor allen, die hem liefhebben een kostelijke nalatenschap, en waar hij na zijn laatst bezwijmen niet meer van zichzelf gesproken heeft, tevens als het afscheidswoord van zijn stervenssponde. Blijve hij ook door dit woord bij Christus’ gemeente over geheel de aarde in gezegend aandenken.

Lieve Vrienden!

Ik ben niet in staat veel tot u te spreken in deze tijd. Met vreugde zou ik u iedere morgen tot het gebed uitgenodigd hebben, zo ik u had kunnen ontvangen, maar mijn kracht liet zulks niet toe. Ik kan mij niet weerhouden een weinig tot u te spreken op deze laatste avond van het jaar, bij wijze van Terugblik, en misschien zal ik op de nieuwjaarsmorgen er enige woorden aan toevoegen bij wijze van Vooruitzicht.

Wij zijn zover gekomen op de levensreis; en staande aan de grenspaal van een nieuw jaar, zien wij achterwaarts. Laat ieder van ons terugblikken op het pad door hem zelf betreden.

Het zal niet nodig zijn, dat ik schone woorden of sierlijke volzinnen tot u spreek, ieder zal nu, met eigen ogen, de afgelegde weg overzien.

Onder datgene, wat onze aandacht waardig is, tellen we de gevaren, waaraan wij ontkomen zijn. Nadat Bunyans pelgrim veilig door de Vallei van de Schaduwen des Doods getrokken was, daagde het morgenlicht voor hem, en zag hij terug op de weg vol vrezen, die achter hem lag. Eens had het hem verschrikkelijk toegeschenen bij nacht door het dal te moeten trekken, maar terwijl hij terugblikte en de verschrikkingen zag, waaraan hij ontkomen was, moet hij zich verblijd hebben, dat de duisternis het gevaar voor zijn oog verborgen had, toen hij zich daarin bevond. Met ons is het ook in grote mate zo geweest. Gode zij dank, nu wij de gevaren aanschouwen, dat wij veilig daar doorgegaan zijn.

Gedurende het jaar, dat deze avond eindigen zal, zijn sommigen van ons zeer dicht nabij de kaken des doods geweest; sommigen van ons hebben wellicht op de rand van de afgrond der wanhoop gestaan en toch, wij leven en hopen. Ons pad is vol geweest van beproeving en verzoeking, toch zijn wij staande mogen blijven. Ons hart is verscheurd door inwendige strijd, maar het geloof is overwinnaar gebleven. Niemand van ons weet, hoe nabij hij enige grote zonde of misstap geweest is. Een enkele daad zou ons gehele leven hebben kunnen veranderen, maar wij zijn bewaard gebleven voor die daad. Anderen zijn gestruikeld, en droevig gevallen, en wij zijn van gelijke bewegingen als zij: gezegend zij de hand, die ons ondersteund heeft! De Griekse liturgie spreekt van het “onbekende lijden” van de Zaligmaker. Ongetwijfeld was dat de grootste van Zijn smarten. De Heere heeft gezien, wat wij niet zien konden, en ons bewaard waar wij onszelf niet bewaren konden.

Ik wens u te herinneren, dat het gevaar af te weren een grote gunstbetoning is. Zeker vader zou zijn zoon op een afgesproken plaats ontmoeten. Zij hadden ieder vele mijlen afgelegd om de bepaalde plaats te bereiken, en toen zij elkaar zagen, maakte de zoon vol dankbaarheid de opmerking: “Vader, de Voorzienigheid heeft mij op merkwaardige wijze bewaard op de weg, want mijn paard is driemaal gestruikeld en heeft mij zelfs afgeworpen, maar toch heb ik geen letsel bekomen.” Zijn vader antwoordde:

“Het is wel; maar ik ben ook op merkwaardige wijze bewaard gebleven, want mijn paard heeft de gehele weg afgelegd zonder eenmaal te struikelen.” Voorwaar, voor gevaar behoed te blijven, is een even groot voorrecht als in gevaar behoed te worden, maar wij vergeten dit. Laat ons God danken voor ons gespaard leven, voortdurend genot van gerieflijkheden en onbevlekte naam; want dit zijn waren, die gemerkt zijn als “Breekbaar,” en dat zij niet verbroken zijn, is een wonder van genade. Hoevelen zijn er gestorven, sedert wij elkaar voor het laatst zagen! Ziekten en dood hebben om ons gewaard als schoten in de hitte van de strijd, en alleen Hij, die in dagen van ouds Davids hoofd dekte in de dag van de strijd, kon ons van de dood bewaren. Ons geestelijk leven bezitten wij nog, en alleen Hij, die de sterren in haar baan houdt, was machtig ons staande te houden. Tranen van dankbaarheid moeten onze ogen vullen, terwijl, om de woorden van Salomo’s Hooglied tot de onze te maken, wij zien: “van de top van Senir en Hermon, van de woningen der leeuwinnen, van de bergen der luipaarden.”

Wat mij aangaat, ik durf bij mijn terugblik elke zonden van het verleden jaar niet over het hoofd te zien, over welke ik ongeveinsd berouw gevoel. Wie niet beseft, dat hij zondig is, kent zichzelf in het geheel niet. Wie zijn eigen onwaardigheid niet gevoeld, moet verhard of opgeblazen zijn. De zonden van nalatigheid zijn die, welke mij het meest verontrusten. Ik zie terug, en bedenk wat ik had kunnen doen en niet gedaan heb: wat gelegenheden om nuttig te zijn ik niet heb aangegrepen, wat zonden ik zonder berisping heb laten voorbijgaan, wat worstelende beginners op de weg der genade ik nagelaten heb te helpen.  Ik kan niet anders dan mij bedroeven, dat wat ik gedaan heb, niet beter en niet in dieper afhankelijkheid van God geschiedde. Nu bemerk ik in mijn heilige dingen, gebreken in het begin, gebreken in de voortzetting, gebreken in de voleinding. Uitstel voor het aanvangen, traagheid in de handeling, en zelfvoldaanheid daarna, verderven onze beste daden. Hoe eindeloos zou de lijst van onze misslagen en tekortkomingen zijn! O, vrienden, als wij een van onze levensjaren nauwkeurig onderzoeken, de gedachten, beweegredenen en geheime drijfveren van onze ziel nagaan, hoe vernederd moeten wij ons gevoelen! Terwijl ik vandaag door de straten van Mentone reed, gevoelde ik mij neergebogen door een bewustzijn van zonde, maar opeens werd mijn geest door de gedachte vertroost: “Ja, en daarom heb ik mijn deel en lot in het werk van de Heere Jezus, want Hij zei met nadruk: “Ik ben niet gekomen om te roepen rechtvaardigen, maar zondaars tot bekering.”

Waarom is Jezus gestorven? Hij stierf voor onze zonden. Het zou niet nodig geweest zijn, dat Hij voor de mensen stierf, zo de mensen niet gezondigd hadden. Waar geen zonde is, is geen deel in het zoenoffer. Zo wij geen schuldgevoel kennen, staan wij nog niet in betrekking met de Zaligmaker, die kwam om Zijn volk zalig te maken van hun zonden. Voor wie pleit Jezus? Hij heeft gebeden voor de overtreders; indien ik geen overtreder ben, heb ik geen verzekerdheid, dat Hij voor mij pleit. De gehele openbaring van verzoening is voor zondige mensen en daar ik mij van mijn schuld bewust ben, zo ben ik, door het geloof verzekerd in de Goddelijke genade te staan. Mijn geloof legt toeëigenende hand op Hem, die als het Hoofd van zijn gemeente als onze Koning onze strijd volstreed en als onze Hogepriester ons met de Vader verzoende. In Hem zie ik mijn zonden en de zonden van alle gelovigen voor altijd uitgedelgd en door zijn dood ons deel in zijn eeuwig leven verworven.

Weerhoudt niet de tranen van berouw, die u naar de ogen dringen, maar blijven wij daarbij in ootmoedig geloof staren op de heilige, die als de Zoon des mensen is verhoogd geworden, gelijk de slang in de woestijn, zodat een iegelijk, die in hem gelooft, als met hem mede gekruisigd en mede gestorven, in en door hem zijn rein en onvergankelijk leven deelachtig wordt. Ook als verlosten van dood en zonde zouden wij nog slechts gelijk zijn aan een ledig vat, maar door het bloed van het kruis worden wij gereinigd, opdat de volheid van Gods genade in ons wonen. Ja, “het is een getrouw woord en alle aanneming waard, dat Jezus Christus in de wereld gekomen is om zondaren zalig te maken.” In die gezegende waarheid rust mijn ziel. Ofschoon ik meer dan veertig jaar lang Christus en Die gekruisigd verkondigd en velen aan des Meesters voeten heb geleid, wordt in dit plechtige ogenblik mijn pad door geen andere straal van hoop verlicht, dan die van de hoogte van Golgotha’s heuvel daarop neerdaalt.

Aanziet hem daar, ons Paaslam, geslacht
Toen vlekkeloos rein het offer hij volbracht,
Dat ons verzoend Gods liefde doet aanschouwen;
Als in de dood ons elke hoop ontzinkt,
Blijft Hij de Star, die troostrijk voor ons blinkt,
De vaste Rots, waarop alle eeuwen bouwen,

Een vloed van licht stroomt ons tegen, zo wij terugzien op onze zegeningen! Telt ze samen! Begint uw berekeningen te maken! Denkt aan grote zegeningen en kleinere zegeningen, tijdelijke zegeningen en eeuwige zegeningen; zegeningen bij dag en zegeningen bij nacht; zegeningen in de wering van het kwade en zegeningen in het genieten van het goede; zegeningen thuis en zegeningen op reis, zegeningen in uw gezin, zegeningen in de stad, op het veld, in de samenleving en in de eenzaamheid. Zegeningen, genoten voor uw gehele ziel en voor elk deel van uw lichaam. Er zijn zegeningen voor het geweten in vrees en hoop; zegeningen voor verstand en hart, maar te gelijkertijd zegeningen voor het oog, het oor, het hoofd en de hand. Het gehele landschap van ons leven wordt door zegeningen als met gouden stralen beschenen. in de liefde Gods hebben wij geleefd, ons bewogen en zijn wij geweest. Wij zien elke morgen nieuwe zegeningen, zegeningen, oud als de eeuwige heuvelen; stromen van zegen, oceanen van zegen; zegen alles, en alles zegen.

God is mij; in het bijzonder goed geweest. Ik verbeeld mij ieder hart te horen fluisteren: “Dat wilde ook ik juist zeggen.” Lieve vrienden, ik wil die gedachte niet als mijn uitsluitend eigendom beschouwen; wat mij betreft, is zij volkomen waar: ik twijfel niet, dat zij evenzo waar is ten opzichte van ieder uwer. Kunnen wij ons voorstellen, hoe God genadiger voor ons had kunnen zijn, dan Hij geweest is? Zo gij de God der liefde kent, zo gij in Hem woont en Zijn Geest in u, zult gij u met mij verenigen om overvloedig de lof van de gedachtenis van Zijn goedheid uit te spreken. Hoe wonderbaar is Zijn goedertierenheid! Hoe vrij! Hoe teder! Hoe getrouw! Hoe blijvend! Hoe eeuwig! Neen, ik kan zelfs niet beproeven een schets te geven van des Heeren goedheid aan ons betoond in het nu verdwijnende jaar; wij moeten elk van ons voor zichzelf die nagaan. “Voor hoeveel hebt gij de Heere te danken?” is een vraag, welke door ieder van ons persoonlijk beantwoord worden moet.

Nog een opmerking, eer ik sluit. Welke zijn de lessen, die onze genadige God verlangde, dat wij leren zouden, uit alles wat gedurende het jaar voorgevallen is? Ieder van ons heeft Zijn bijzondere tucht en onderwijzing genoten, maar voor allen was die niet hetzelfde. Er staat geschreven: “Al uw kinderen zullen door de Heere geleerd worden,” maar alle kinderen lezen niet op hetzelfde ogenblik dezelfde bladzijde.  Hebben wij niet geleerd minder van mensen en meer van God te verwachten? Minder besluiten te nemen, maar die, welke met wijsheid en in opzien tot God genomen zijn, ten uitvoer te brengen? Hebben wij niet meer leren inzien, hoe wankelbaar aardse vreugde is? Zijn wij niet meer vervuld van de behoefte de tegenwoordigen tijd en de talenten, die wij bezitten, te gebruiken? Zijn wij ons niet bewust, dat wij noch zo goed, noch zo wijs, noch zo getrouw geweest zijn, als wij meenden? Hebben wij geleerd te dalen, opdat Jezus rijzen moge, en dat in de geest van Johannes de Doper, toen hij uitriep: “Hij moet wassen, maar ik moet minder worden.” Dit zijn waarheden, het leren waard. Tijd en kracht ontbreken mij om langer stil te staan bij de lessen, welke de ondervinding ons leert, als ons hart bereid is voor het Goddelijk onderwijs. Wij behoren veel geleerd te hebben in 365 dagen. Ik hoop, dat het zo is. Vergun mij alleen te wijzen op een waarheid, die mij bijzonder getroffen heeft.

Gedurende het afgelopen jaar heb ik leren zien, dat er meer liefde en eenheid onder Gods volk heerst, dan men algemeen gelooft. Ik spreek niet uit zelfzucht, maar uit dankbaarheid. Ik kon mij niet voorstellen, dat Christenen uit allerlei kerkgenootschap, uit eigen beweging en bij voortduring smeken zouden om de verlenging van mijn leven. Ik gevoel mij een schuldenaar tegenover al Gods volk op aarde. De gemeenten schenen met de vrienden te wedijveren in het zenden van troostwoorden aan mijn vrouw, en mijn voorspraak te zijn bij God. Zo iemand 20 jaar geleden voorspeld had, dat voor een dissenterende prediker, en een zeer openhartige ook, in vele kerken, en zelfs in de Westminster Abdy en in de Sint Paulskerk, zou gebeden worden, zou men het niet geloofd hebben; maar toch was het zo.

Er is meer liefde in de harten der Christenen, dan zijzelf vermoeden. De afwijkingen in ons oordeel zien wij ten onrechte als verschil in onze harten aan, het is er verre van, dat zij hetzelfde zouden wezen. In deze dagen van ongelovige kritiek, zullen gelovigen van allerlei kleur tot eenheid gedreven worden. Wat mij aangaat, ik geloof, dat alle geestelijk levende personen reeds één zijn. Toen onze Heere voor Zijn gemeente bad, dat zij één mocht zijn, werd Zijn gebed verhoord, en zij, die Hem in oprechtheid dienen, zijn zelfs nu in geest en waarheid één in Hem. De verschillende wijzen van hun Godsverering zijn als de voren van een akker; de akker blijft één stuks lands, ondanks de sporen van de ploeg. Tussen ongeloof en geloof’ is een onpeilbare afgrond, maar waar geloof is in de Eeuwigen Vader, geloof in het Grote Zoenoffer en geloof in de Inwonenden Geest is een levende, liefdevolle, blijvende vereniging.

Ik heb ook geleerd, dat, wanneer een gemeente met vurige smekingen pleit, zij moet en zal gehoord worden. Geen geval is hopeloos, als velen daarvoor bidden. De dodelijkste ziekten laten haar prooi los voor de macht van eenparige smekingen. Zo lang ik leef, ken ik een zichtbare belichaming van het feit, dat voor het gebed des geloofs, opgezonden door de Gemeente Gods, niets onmogelijk is. Het is waard ziek te zijn om deze waarheid te leren en in zijn eigen persoon haar bewijs te zijn.

In deze kleine kring zal misschien deze en gene zijn, die zegt: “Dit zijn niet juist de lessen, welke mij dit jaar geleerd heeft.” Misschien niet. Maar zo gij Jezus en Zijn liefde, die alle verstand te boven gaat, meer hebt leren kennen, is dat genoeg. Weest dankbaar zo gij Jezus zelfs een weinig hebt leren kennen. Beoordeel uzelf niet naar de maatstaf dergenen, die ouder zijn en meer ondervonden hebben; maar verblijdt u in de Heere. Dank God voor het licht der sterren, en Hij zal u maanlicht geven; prijs Hem voor het maanlicht, en Hij zal u zonlicht schenken, dank Hem voor het zonlicht en gij zult eenmaal de stad binnengaan, waar geen licht der zon van node is, want de Heere God verlicht ze voor eeuwig. Moge dit jaar in zegen eindigen! Amen!

Op de Nieuwjaarsmorgen kwamen de vrienden wederom bijeen, maar ditmaal voor een kortere toespraak.

De dorpel van het Nieuwe jaar overschrijdende, zien wij vooruit, en wat zien wij? Zo wij een telescoop konden verkrijgen, machtig om ons het einde des jaars te doen aanschouwen zouden wij wijs handelen die te gebruiken? Ik geloof het niet wij weten niets van de gebeurtenissen, die ons wachten: van leven of dood voor onszelf of onze vrienden, van verandering in onze toestand, van ziekte of gezondheid. Welk een zegen, dat deze dingen voor ons verborgen zijn! Zo wij onze beste zegeningen konden voorzien, zouden zij haar frisheid en zoetheid verliezen, terwijl wij ze met ongeduld verbeiden. Het wachten zou vermoeidheid, en gemeenzaamheid zou verachting baren. Zo wij onze moeite er mede vooruit zien konden, zouden wij ons daarover bekommerd maken, lang voordat haar tijd daar was, en door die bekommernissen zouden wij de vreugde van de zegeningen, die ons geschonken worden, missen. Grote genade heeft een sluier tussen ons en de toekomst opgehangen; en wij willen die laten hangen.

Toch is niet alles verborgen. Sommige dingen zien wij duidelijk. Ik zeg “wij”, maar ik meen diegenen, wier ogen geopend zijn, want niet ieder kan zien in de ware zin. Zekere dame zei tot de heer Turner: “Ik heb dikwijls dat vergezicht gezien, maar ik heb daarin nooit ontdekt, wat gij op uw schilderij gebracht hebt.” De grote kunstenaar zei eenvoudig: “Zoudt ge niet willen, dat ge het zien kondt?” Met ogen des geloofs in de toekomst schouwende, kunnen de gelovigen veel zien, dat hun, die geen geloof bezitten, verborgen is. Laat mij u, in weinige woorden, zeggen wat ik zie, wanneer ik in het nieuwe jaar blik.

Ik zie een pad gebaand van 1 Januari 1892 tot 1 Januari 1893. Ik zie een weg bereid door de voorkennis en voorbestemming Gods. Niets in de toekomst is aan het lot overgelaten, neen, zelfs niet het vallen van een musje op de aarde en het verliezen van een haar van ons hoofd wordt door het toeval beschikt, maar alle gebeurtenissen des levens zijn geregeld en besteld. Niet alleen is elke wending van de weg op de Goddelijke kaart aangegeven, maar zelfs elke steen, elke droppel morgendauw of avonddamp, welke het gras aan de rand bevochtigt. Het is geen ongebaande woestijn, die wij doortrekken; de Heere heeft in Zijn onfeilbare wijsheid en eindeloze liefde ons pad bereid. “De gangen van de rechtvaardigen worden van de Heere bevestigd, en hij heeft lust aan Zijn weg. Dan zie ik een Gids, geschonken als onze Leidsman op de weg.” Tot Hem zeggen wij blij: “Gij zult mij leiden met Uw raad.” Hij wacht om met ons te reizen, de gehele weg. “Want het is de Heere uw God, die met u gaat, Hij zal u niet begeven, noch u verlaten.” Wij behoeven niet door het leven te trekken als door een eenzame woestijn, een plaats voor draken en uilen, want Jezus zegt: “Ik zal u geen wezen laten, ik kom weer tot u.”

Ofschoon wij vader, moeder en onze liefste vrienden verliezen zouden, er blijft Een, die onze natuur eenmaal aannam, die ons nooit begeven zal. Een, eens mensen zoon gelijk, betreedt nog de levensweg der gelovige harten, en elk waar gelovige komt uit de woestijn, leunende op de Geliefde. Wij voelen de tegenwoordigheid van de Heere Jezus zelfs nu, in deze kamer, waar twee of drie in Zijn naam bijeen zijn, en ik vertrouw, dat wij die gevoelen zullen door alle maanden, wanneer de aarde hard is als steen. Hier, in de Riviera, behoorden wij de nabijheid van onze Heere te sterker te gevoelen, omdat het land zozeer overeenkomt met “Uw land, o Immanuel!” Hier is het land van olie der olijven, en van vijgen, en van druiventrossen van Eskol. Langs zulk een blauwe zee wandelde Hij, en zulke rotsachtige heuvels beklom Hij. Maar hetzij hier, hetzij elders, laat ons opzien tot Hem, opdat Hij in ons wone, en dit jaar in der waarheid make tot een “jaar onzes Heeren.”

Behalve de weg en de Gids, zie ik zeer duidelijk met het oog des geloofs, de kracht voor de weg. Over de gehele afstand van dit jaar, zullen wij pleisterplaatsen vinden, waar wij kunnen rusten en ons verkwikken, en daarna onze tocht voortzetten, zingende: “Hij verkwikte mijn ziel.” Wij zullen kracht hebben in voldoende mate, maar niet te veel, en die kracht zal ons gegeven worden, als zij nodig is, niet eer. Als heiligen zich verbeelden teveel kracht te hebben, worden zij zondaars, en lopen gevaar hun lokken te laten afscheren door de Filistijnen. De Heere van de weg zal de pelgrims van het benodigde geld voorzien, maar het is mogelijk, dat Hij het niet wijs acht hen met overvloedige fondsen te bezwaren.

God, die in alles voorziet, zal, die op Hem vertrouwen, niet verzaken. Als wij aan de plaats komen, waar wij de last op de schouders moeten nemen, hebben wij ook de plaats bereikt, waar ons de kracht daartoe geschonken wordt. Zo het de Heere behaagd onze moeite tienmaal groter te maken, zal Hij onze kracht naar verhouding doen toenemen. Tot elk gelovige spreekt de Heere: “Uw sterkte zal zijn gelijk uw dagen.” Gij gevoeld nog niet, dat gij genade hebt ontvangen om het pad des doods te kunnen ingaan; maak u daarover niet bezwaard. Gij zijt nog niet stervende. Terwijl gij u nog met uw zaken en de plichten des levens bemoeien moet, kunt gij tot God opzien om de genade, die daartoe nodig is, en wanneer uw leven u ontzinkt en uw enige zorg de landing op het eeuwige strand betreft, zie dan op tot God, uw Zaligmaker, om stervensgenade in uw stervensuur. Wij mogen een uitstorting der Goddelijke genade in ons verwachten, wanneer de menselijke kracht faalt, en een dagelijkse mededeling van kracht, voorziende in onze dagelijkse behoefte daaraan. Onze lampen zullen van olie voorzien zijn, zolang zij moeten branden. Laat onze tegenwoordige zwakheid ons niet in verzoeking brengen om de Heilige Israëls te beperken. Daar is een toevluchtsoord op elke pas over de Alpen des levens en een brug over elke rivier van beproeving, die ons pad naar de Hemelstad snijdt. Heilige Engelen, die ons bewaren, zijn zeker even talrijk als gevallen engelen om ons te verleiden. Wij zullen nooit in enige nood komen, waarvoor onze genadige Vader geen voorziening heeft bereid.

Ik zie zeer duidelijk een macht, die over alle dingen regeert, welke ons op de weg bejegenen. Ik zie een werkzaamheid van de Heilige Geest, waardoor evenzeer als wijzelf alle dingen van gedaante veranderd worden, zodat al wat oud is nieuw en herschapen wordt. Wij weten, ook daarin dat diegenen, die God liefhebben, alle dingen medewerken ten goede, namelijk diegenen, die naar Zijn voornemen geroepen zijn.”

Ik zie een hand die wonderen werkt, die de zwaarden der ziekten verandert in ploegscharen van verbetering, en de spiesen der beproeving in snoeimessen van tucht. Door deze Goddelijke kracht wordt het bitter veranderd in zoet en vergiften in geneesmiddelen. “Dat zal hun niet schaden,” is een belofte, te sterk voor het zwakke geloof, maar de volle verzekerdheid bevindt, dat zij waar is. Als God voor ons is, wie kan tegen ons zijn? Welk een vreugde, Jehova zelf als onze banier te zien, en God zelf met ons, als onze Aanvoerder! Voorwaarts dan in het Nieuwe jaar, “want de rechtvaardige zal geen leed wedervaren.”

Nog één opmerking. Zij geldt de verwachting die onze grootste blijdschap vormt. Ons vertrouwen is, dat God in dit jaar in ons en door ons zal verheerlijkt worden. Naarmate wij in de loopbaan het doelwit nader komen, en zo onze bestemming in ons al meer vervuld zien, zullen wij een toenemende vreugde smaken. Of zou er voor het hart groter stof van blijde dank kunnen zijn, dan in het bedenken, dat God, die in het hoge en heilige woont, verheerlijkt wil zijn in en door zulke nietige schepselen als wij. Toch is het zo. God is licht, licht in de openbaring van zijn Heilige liefde. Wij zijn in onszelf duisternis, maar zodra de Geest het dekkleed van ons hart wegneemt, worden wij niet alleen zelf verlicht, maar ontvangen wij ook de macht om de heiligheid van Christus, die het beeld Gods is, te weerkaatsen in nog duistere plaatsen, tot toebrenging diegenen, die nog verre of nabij in de schaduwen des doods gezeten zijn. Zo zal wel reeds de Heere ook door sommigen van ons in het afgelopen jaar zijn verheerlijkt, maar wij hopen, dat, onze verandering van gedaante zodanig toeneming in heerlijkheid worde, dat dit ingetreden en ieder volgend jaar de gemeente meer een licht tot verlichting der volken worde. Hetzij dit door arbeid of lijden moet tot stand komen, alles zij ons goed, zo God maar verheerlijkt wordt.

Dan ook zal ieder, die onze levensloop gadeslaat, moeten erkennen, dat wij niet zelf meenden iets te zijn of te vermogen, maar dat het werk en de krachten Gods zich in onze zwakheid hebben geopenbaard. Zie elk in ons de meesterhand des Pottenbakkers, die ons niet te gering achtte om in ons zijn rijkdom en genade te tonen. Dan alleen is het goed met ons, wanneer anderen in ons woord en wandel als van zelf opmerken en erkennen, dat God groot en goed is. Zo zal ons hele leven een voortdurend offer worden, een altaar, waarvan offergeuren oprijzen, die anderen een reuk des levens ten leven zijn. Moge zo ons leven van jaar tot jaar, van schrede tot schrede reiner en meer godewaardig, een leven van enkel dankzegging en lof worden. De heerlijkheid van zulk een wandel eindigt nimmer. Onze Halleluja’s met al hemelser klank jubelend, zullen wij de berg des Heeren opklimmen, zal onze voet de drempel van Zijn heiligdom betreden om daar de gelukzaligheid van het ons herwonnen Eden voor eeuwig te smaken. Dat geve de Heere, en Hij zelf zij daartoe met ons in dit begonnen jaar. Amen.

Deze eerste proeve van prediking heeft kennelijk geen invloed ten kwade geoefend, want de berichten op de 10de en 17de Januari aan de gemeente meegedeeld bleven even gunstig luiden. Er was een geheel vrij zijn van pijn, daardoor rustiger slaap en meer eetlust, alle tekenen, die hoop deden voeden. Maar al te spoedig echter zou deze hoop verduisterd worden. Nog schreef wel Woensdag 20 Jan. Spurgeon zelf met het oog op de regendagen: “Eindelijk zonneschijn, en ik hoop daarmee op goede vooruitgang. In de laatste dagen was ik echter minder wel en wat jicht in de rechterhand bemoeilijkt mij het schrijven.” Reeds die Zaterdag echter moest de predikant Harrald telegraferen: “Onze vriend is zeer ziek geweest. Kan niet schrijven. Moest drie dagen het bed houden. Nu weer merkbare beterschap.”

Die beterschap evenwel hield niet aan en de beslissende omkeer was zeer plotseling. Spurgeons vriend en secretaris deelt daaromtrent het volgende mede: “Men heeft mij bij herhaling gevraagd, wanneer heeft onze leraar dat gezegd: “Ik heb de goede strijd gestreden enz.” en mijn antwoord moest zijn, hij heeft dat niet gezegd. Bezig het telegram op te schrijven, dat onze vriend verzonden wenste, viel de zieke opeens in bezwijming. Nadat deze voorbij en onze vriend weer geheel bij gekomen was, deed ik hem de vraag, hoe het telegram te eindigen, daar zijn gemeente zo begerig was te weten hoe het hem ging. Op de hem eigen wijze hernam hij toen: “zij zullen dat spoedig genoeg weten.”

Mijn overtuiging is, dat onze vriend reeds gedurende enige dagen het bewustzijn had gehad, dat niet herstel maar zijn einde nabij was. Althans na enige ogenblikken zei hij: “Mijn taak hier is afgedaan.” Daarop besprak hij met mij zaken, die hij niet besproken zou hebben, dan in de volle zekerheid, dat zijn einde daar was. Van zich zelf sprak hij niet, al wat hij met inspanning van zijn laatste krachten uitte, gold anderer belang. Gelijk hij steeds voor anderen had geleefd, zo was ook voor anderen zijn laatste denken en zorgen. Zonder doodssmarten mocht zijn bewusteloos inslapen zijn. Des Apostels zegewoord is door Mevrouw Spurgeon geuit en wel mogen allen het van hem zeggen, die op Zondag 31 Januari des avonds ten elf uren in zijn rust was ingegaan. Nog zo kort te voren had hij met blij vooruitzien op herstel en bij herhaling gezegd: “In Februari ben ik thuis.” Zo is het ook geschied, maar naar des Vaders raad in het betere thuis, waar alles heerlijkheid zonder schaduw van zonde of smarte is.

“Slechts een vijftal,” vervolgde de heer Harrald, “was van dat aandoenlijk ogenblik getuige, en met de vrouw, die hij zo innig had liefgehad en die zoveel verloor, knielden wij tot gebed neer bij de sponde des ontslapenen. O, hoe werden wij getroffen, toen na mijn bidden, terwijl wij daar zo geknield lagen, de naar het lichaam zwakke maar naar de geest zo krachtige echtgenote haar lippen opende om in haar rouw God te danken voor alles, wat Hij haar in de haar zo dierbare echtvriend geschonken had. Hoe hoog Mevrouw Spurgeon het voorrecht schatte, dat zij haar zieke echtgenoot had kunnen vergezellen, bleek in haar woord van dank aan allen, die haar deelneming in haar verlies hadden betoond. Zij schreef van de geliefde: “Al wat zich uitnemends, edels en de Heer gelijkvormigs denken laat, scheen in hem verenigd;” en voegde er bij: “De Heere verleende naar Zijn genade ons beiden drie maanden van het hoogste aards geluk voor Hij hem wegnam.” Ja, onze Vader doet naar zijn woord: “Als een, die zijn moeder troost zal ik u troosten.”

Na alles wat de gezondheid van Mevrouw Spurgeon in de laatste maanden en bij de plotselinge schok in de laatste dagen had doorleefd, is het zeer begrijpelijk, dat de geneesheren haar niet vergunden terstond zich zonder noodzaak aan de invloed van een zo sterke klimaats verandering bloot te stellen, als bij een dadelijke terugkeer naar Londen onvermijdelijk was. Alleen in de geest kon zij dus tegenwoordig zijn bij de buitengewone betoningen van liefde en hulde haar dierbare afgestorvene in zijn gemeente en door geheel Londen betoond. Op Woensdag 11 Febr. had in de Tabernakel een gedachtenisdienst plaats. In de namiddag van predikanten en studenten van alle gezindheden. De vergadering was zo overtalrijk, dat zij aan een economisch concilie had kunnen doen denken. Alle Londens kerkgenootschappen waren vertegenwoordigd, en al hun vertegenwoordigers waren één, niet alleen in het erkennen van Spurgeons grootheid als prediker, maar niet minder van zijn edel karakter, waarin eenvoud, ootmoed en liefde aan zijn prediken en arbeiden de volle betekenis gaven.

Liever dan bij de welsprekende taal dezer ure in het brede stil te staan, verplaatsen wij ons in de meer huiselijke morgenuren, die allen, die als leden, arbeiders en beweldadigden tot de Tabernakel behoorden, samenbracht binnen de muren, waarin de stem van de geliefde voorgangers nooit meer zou worden gehoord. De bijeenkomst werd door de broeder van de overledenen geleid. Nadat de predikant Pearce in gebed voorgegaan, en een toepasselijk lied gezongen was, sprak de hoogbejaarde Dr. Angus het eerst. Vroeger predikant in de Parkstraatkerk, was het nu reeds over de 50 jaren, dat hij die gemeente met een andere verwisselde. Hij was haar echter blijven liefhebben en weinigen konden zich meer verheugd hebben dan haar oude leraar in de macht, die haar onvergetelijke voorganger betoond had om haar van een kleine schare tot de grootste en meest bloeiende onder hun gemeenten te verheffen.  Hoe vurig zou hij begeerd hebben, dat juist een man als Spurgeon zijn leeftijd had mogen bereiken, en met zijn zeldzame overvloed van gaven de gemeente dienen. Maar Gods liefde groter en wijzer dan die der mensen had nu de trouwe dienaar op het toppunt van zijn heerlijkheid met onvergankelijke eer gekroond, mocht ook dat de gemeente doen in een honderdvoud vruchtdragen van de liefdearbeid aan haar besteed.

De grijsaard, die op het diepst bewogen gesproken had, werd gevolgd door Dr. Pierson, die met een gloed van welsprekendheid het enige van een bijeenkomst schetste, als die van een groot gezin, dat het heengaan van een vader beweent. Na dit karakter der samenkomst te hebben aangeduid, zei hij: “Maar ik mag mijn eigen rede niet aanvangen, dan na u in hoofdzaak de brief van Mevrouw Spurgeon te hebben meegedeeld die ik hedenmorgen ook als een woord van haar aan u allen ontving.  Voor u schrijft zij: “Hoe weinig dachten wij, wat God voor zijn dienstknecht bestemd had, toen Hij hem uit uw midden weg en over de zee deed gaan. Was des Vaders raad anders dan ons wensen en bidden, dit doe ons geloof niet wankelen in de wijsheid en liefde van zijn bestel. Hoe bewolkt en onzeker U en mij de toekomst mag voorkomen, ons hart blijve Hem vertrouwen zonder enig toegeven aan vrees. Voor mij is het volstrekt noodzakelijk voortdurend opwaarts te zien om te kunnen staande blijven.

(Bij het horen dezer woorden konden zeer velen hun aandoening niet langer meester blijven.) Wat onze geliefde aangaat, het woord: “Hij is niet hier, hij is opgestaan” geldt evenzeer van hem als van de Heere. Heden is hij reeds gedurende een week in het huis des Vaders! Hoe groot zal zijn verrukking geweest zijn bij het van aangezicht tot aangezicht aanschouwen van zijn Verlosser en Zaligmaker. Welk een welkomstgroet zal hem bij zijn thuis komen gebeid hebben! Hij verliet deze aarde en liet al haar moeite en smart achter zich. Niet voor een ogenblik zelfs wens ik hem terug, al is hij mij zo onuitsprekelijk dierbaar, dat geen woorden het zeggen kunnen. Ik zal gedurende deze week van droeve rouw zonder ophouden voor u bidden. Zelf gevoel ik mij als een arme schipbreukeling, (ook dit woord ontlokte opnieuw een aandoenlijk snikken en wenen), die met moeite het strand heeft bereikt, en wenend en met gebroken hart staart op anderen, die nog in de branding der smart worstelen. Gelooft mij met christelijke liefde en innige deelneming uw dankbare vriendin, Suze Spurgeon.

Het van de gloed der innigste waardering bezielde woord van Dr. Pierson laat zich niet woordelijk terug geven. Ondermeer zei hij: “Deze geliefde man Gods was in deze familiekring een prediker van het evangelies. En welk een prediker! Ik ben overtuigd, dat in deze eeuw geen tweede hem is gelijk geweest in het eenvoudig en overredend verkondigen der blijde boodschap. Het was zijn heldhaftig besluit en keuze, niets te willen weten dan Jezus Christus en die gekruisigd, en met welk een uitkomst is dit nooit verloochend willen bekroond. Niets anders predikende dan deze enige heilswaarheid heeft hij de grootst bekende schare hoorders van het begin tot het einde van zijn bediening aan zijn lippen weten te boeien. Wie ooit was daarin hem gelijk.

Kortzichtigen miskenden zijn grootheid en spraken van de engte van zijn gezichtseinder, maar omdat zij niet bij machte waren het eigenlijk geniale van zijn prediking te vatten. Van een bewonderaar van Paganini wordt verhaald, dat hij zijn viool verbrandde, nadat hij de meester op één snaar melodieën en harmoniën had horen voortbrengen, zoals geen ander ze aan een viertal snaren ontlokken kon. Dit ook is de onvergankelijke roem van Charles Haddon Spurgeon, dat, terwijl hij op zijn speeltuig slechts deze een snaar, “Christus en die gekruisigd” duldde, hij melodieën en harmonieën voortbracht, zoals geen ander ze uit een vol besnaard instrument had kunnen te voorschijn roepen. De onvergankelijke heerlijkheid van onze broeder ligt in zijn zelfbeperking in zijn prediken.”

Met gelijke warmte deed Dr. Pierson Spurgeon’s verdienste als herder der hem toevertrouwde kudde en als hoofd en leider van een waarlijk evangelische gemeentearbeid uitkomen.

Uit het gesprokene door de predikant Harrald deelde ik reeds het belangrijkste mede. Anderen volgden en alvorens de rouwende schare uiteenging, deelde nog de predikant J. A. Spurgeon dit pas van de weduwe uit Mentone ontvangen telegram mede: “Mijn hart bloedt en deelt uw rouw; maar de blijdschap van onze geliefde is nu volkomen. De dood zal tot overwinning verslonden worden en de Heere Heere zal de tranen van alle ogen afwissen.

“Des Donderdags voormiddags te elf uren had de begrafenis plaats. Was het bij de begrafenis van kardinaal Manning gebleken, dat het volk zijn vrienden kent en lief heeft en eert, de deelneming bij de begrafenis van Spurgeon betoond is zonder weerga. De begrafenis zelf werd gekenmerkt door een eenvoud, welke niemands nieuwsgierigheid kon wekken. Zo geschiedde het naar de wil en in de geest van hem, die enkel eenvoud en ootmoed was. Geheel de weg, welke de stoet tot Norwoods kerkhof volgde, was van tien tot vijftien personen diep met toeschouwers bezet. Alle winkels waren gesloten en alle drinkplaatsen hadden de gordijnen neergelaten. Voor de kinderen van het Stockwell–weeshuis was een tribune aan de weg opgesteld. Het voornemen was, dat zij bij het voorbijtrekken van de stoet een lied zouden zingen, maar tevergeefs beproefden zij het, de droefheid was hun te machtig. Iemand, die hen zo had liefgehad en aan wie zij allen zo innig gehecht waren, konden zij slechts met hun tranen eren.

De lijkdienst zelf was kort maar treffend. Toen de kist in de groeve was neergelaten, eindigde de predikant Brown met dit woord van afscheid tot de dode: “Bemind hoofd van onze gemeente, trouwe herder, vorst onder de predikers des Woords, geliefde broeder, (beste Spurgeon, wij zeggen u geen vaarwel, maar roepen slechts voor een tijd u het “goeden nacht” toe. Bij het eerste aanbreken van de dag der opstanding zult gij heerlijk verrijzen. Maar eigenlijk niet u, ons moet een goede nacht gelden. Wij zijn het, die in de donkerheid achterblijven, gij zelf verkeert reeds in de lichtglans Gods. Ook onze nacht zal spoedig voorbij en alle droefheid voor ons ten einde zijn.

Een nooit vermoeid arbeider waart gij op de akker, en nu is uw arbeidstaak en haar moeite voleindigd. Hoe lijnrecht is de door u geploegde vore. Geen enkele blik achterwaarts heeft haar kunnen krommen. Rijke oogsten hebben uw geduldig zaaien gekroond. Reeds is de hemel rijk aan garven van uw akker, en hoevelen, die wij de uwe mogen noemen, zullen nog jaren lang volgen. Krijgsknecht Gods, uw strijd was langdurig en met ere hebt gij die doorstreden. Het zwaard, dat uw hand zo stevig omklemd hield, ontviel haar, maar om door de palmtak van hemelvrede te worden vervangen. De krijgshelm drukt niet langer uw vaak zo moede hoofd, maar reeds omgeeft de zegekrans uw slapen. Voor een wijle zal hier uw stof rusten; maar om op de stem uws Konings te ontwaken en uw heerlijkheid te volmaken. Tot die dag, slaap rustig, geliefde broeder.  Wij danken God, die u ons gaf en verwachten u in geloof eenmaal hem en de Zaligmaker met u in de gewesten des heils voor eeuwig te prijzen.”

Op deze eigen dag van uitvaart en rouw ontvloeiden aan mijn pen de volgende dichtregelen, waarmee ik de vluchtige maar uit het hart geschreven levensschets van de ook mij onvergetelijke vriend en broeder besluit.

De grote strijder is bezweken,
De laatste sprank van hoop geblust;
Ontelbren beidden nog een teken,
Maar ‘s Vaders liefde schonk hem rust.

Hij stierf, omringd door de gebeden,
Die pleitten voor de dierbren vriend,
Maar hem riep naar ‘t herwonnen Eden
De Meester, steeds zo trouw gediend.

Hoe heerlijk was zijn korte leven,
Van jongs met zegepraal gekroond,
Dat door profetengeest gedreven,
Gods macht in zwakheid heeft betoond.

Geen leerschool deed hem God doorlopen,
Maar als gezalfde met Zijn Geest,
Deed hij als knaap reeds zondaars hopen
Of sidderen, voor geen mens bevreesd.

Hem was een macht des Woords geschonken
Als schaars een stervling werd bedeeld,
Maar meest heeft in hem uitgeblonken
De liefde, die ‘t gebrook’ne heelt.

Waar duizend aan zijn lippen hingen,
Ervoer nog groter tal, die troost
En bijstand mild en rijk ontvingen,
Zijn herdergoedheid onverpoosd.

Zijn leven is zijn ereteken,
Geen beeld of eerzuil vraagt zijn graf;
Ofschoon gestorven, blijft hij spreken,
Die tot zijn dood zichzelf steeds gaf.

Waar anderen deinsden voor de smarte,
Of nederzonken onder ‘t wicht,
Stond nog hij pal, en bleek zijn harte
Gestaald door hoger kracht en licht.

Zo werkte hij, bij klimmend lijden
Al meer gefolterd en verzwakt,
Sterk door een hoop op verder strijden,
Tot op zijn doodsbed niet geknakt.

Hij troostte, in ‘t midden van zijn pijnen
Nog zijn gemeente week aan week,
Zichzelf vergetend voor de zijnen,
Tot in hem alle kracht bezweek.

Wel mogen bij zijn graf wij rouwen
Met de ongetelde dankbare schaar,
Wier lichtstar doofde in de getrouwen,
Wie liefde– of plichteisch nimmer zwaar.

Ooit scheen, waar ‘s Meesters stem hij hoorde;
En Wie, van mensen bijna vergood,
Geen andere roem of kroon bekoorde
Dan trouw te blijven tot de dood.

Die trouw deed hem zijn taak volenden

Als ‘s Meesters knecht en ‘s Vaders kind,
En door wie, van ‘t nabijst hem kenden,
Het meest geëerbiedigd en bemind.

Gemeente Gods, wij zijn zijn erven,
Ons blijft zijn woord, al ging ook hij;
Waarderen wij ‘t, opdat ons sterven
Eens heerlijk als zijn einde zij.

Arnhem, Febr. 1892. 

Categorieën

Welkom Terug!

Log hieronder in op uw account

Maak een nieuw account!

Vul de onderstaande formulieren in om te registreren op Het Spurgeon Archief

Haal uw wachtwoord op

Voer uw gebruikersnaam of e-mailadres in om uw wachtwoord opnieuw in te stellen.

Send this to a friend