Biografie van Charles Spurgeon

Charles Haddon Spurgeon werd geboren op 19 juni 1834, slechts tien dagen nadat de grote William Carey in India was gestorven. Wegens economische omstandigheden werd de jonge Spurgeon op de leeftijd van 18 maanden naar zijn grootouders overgebracht om bij hen te wonen. Zijn grootvader, James Spurgeon, diende de kerk in Stambourne gedurende 54 jaar. Die paar jaar bij zijn grootouders hebben een diepgaande invloed gehad op het leven van de jongeman. Spurgeon was intellectueel altijd een beetje een raadsel. Hij kon ongeletterd overkomen, terwijl hij in werkelijkheid een groot intellect had. Een voorval uit zijn vroege schooltijd is daar een goed voorbeeld van. Toen hij ongeveer tien jaar oud was, begonnen Charles’ rapportcijfers op onverklaarbare wijze te verslechteren. Het leek erop dat hoe meer de winter vorderde, hoe lager zijn cijfers werden. De onderwijzer was aanvankelijk verbijsterd over deze terugval, totdat hij zich realiseerde dat de stoelen van de leerlingen van de hogere klassen vlakbij een tochtige deur stonden waar de koude wind voortdurend binnen sijpelde. Toen de onderwijzer de volgorde van de zitplaatsen omkeerde, zodat de zitplaatsen van de hogere klassen uit de buurt van de koude tocht waren, stegen Spurgeon’s cijfers dienovereenkomstig.

Zoals veel jonge mensen in zijn tijd, worstelde Charles een aantal jaren met zijn relatie tot God. Het was in die tijd gebruikelijk dat kinderen werden aangemoedigd om God met hun hele hart te zoeken. Er was niet zo’n haast om mensen “tot een besluit te brengen” zoals we dat vandaag de dag in veel van onze kerken zien. Net zoals John Bunyan zich tegen God verzette, herinnerde Spurgeon zich hoe hij zich verzette om zich over te geven aan de Heerschappij van Christus: “Ik moet bekennen dat ik nooit gered zou zijn als ik er zelf iets aan had kunnen doen. Ik worstelde, rebelleerde en kwam in opstand tegen God. Wanneer Hij wilde dat ik zou bidden, bad ik niet… Als ik het Woord hoorde, en de tranen over mijn wangen rolden, veegde ik die weg en weerstond Hem om mijn ziel te doen smelten. Maar lang voordat ik met Hem begon, was Hij al met mij begonnen.”

Na enige tijd van zoeken en vluchten, leidde God, die reeds met de 16-jarige jongen begonnen was, Charles naar een samenkomst die hij nooit meer vergeten zou. De Heilige Geest was al enige tijd in de ziel van de jongeman aan het werk. Spurgeon zei dat “God zijn ziel met tien zwarte paarden – de tien geboden – aan het ploegen was, en het kruis doorploegde zijn ziel met de boodschap van het Evangelie, want hij vond er geen troost in.” Ondanks al zijn bidden en Bijbelse opvoeding was Charles nog steeds verdwaald in de duisternis van zijn eigen hart.

Het voorval dat nu volgt is al zo vaak in zoveel bronnen vermeld dat het geen verdere toelichting nodig heeft. Op een zondagmorgen viel de sneeuw zo hard dat Charles niet in zijn eigen kerk kon komen en daarom dwaalde hij af naar een primitieve Methodisten Kapel. In leerstellig opzicht stond deze kleine gemeenschap ver af van de kerkelijke traditie van de Spurgeons. Toch wandelde Spurgeon die koude wintermorgen deze kleine gemeente van minder dan 15 mensen binnen. Toen hij binnenkwam verkondigde een ongeleerde en onbekende prediker de tekst:

“Wendt u naar Mij toe, wordt behouden, alle gij einden der aarde.” Tijdens die boodschap keek de prediker de jonge vreemdeling in hun midden aan en zei: “Jongeman, je ziet er erg ellendig uit … Je zult altijd ellendig zijn in leven en in dood als je mijn tekst niet gehoorzaamt, maar als je nu gehoorzaamt, op dit moment, zul je gered worden.” Spurgeon schreef later: “Tussen half elf, toen ik die kapel binnenging, en half twaalf, toen ik naar huis terugkeerde, heeft er een enorme verandering in mij plaatsgevonden!” Charles Haddon Spurgeon was een kind van Gods Koninkrijk geworden.

Noch hij, noch de wereld zou daardoor hetzelfde zijn. Spurgeon was al snel op zoek naar een gemeente die paste bij het werk dat God in zijn leven verrichtte. Tot zijn veertiende had hij nog nooit van baptisten gehoord, maar Charles werd aangetrokken door de baptistengemeente van Isleham. Uit respect voor zijn ouders schreef de jongeman hen over zijn verlangen om gedoopt te worden en zich bij die gemeente aan te sluiten. Zijn moeder schreef terug dat zij dikwijls voor zijn zaligheid had gebeden, maar dat zij nooit had gevraagd dat hij een Baptist zou worden. Charles antwoordde zijn moeder door te schrijven dat de “Heere met haar had gehandeld in Zijn gebruikelijke gulheid, en haar meer dan overvloedig had gegeven boven wat zij had gevraagd”.

Spurgeon volgde enige tijd een predikantsopleiding, maar hij ging nooit naar een officiële theologische school. Ongeveer twee jaar lang predikte hij in Waterbeach, een kleine gemeente dicht bij huis. De plattelandsjongen was echter niet geroepen om op het platteland te blijven. God stond op het punt Charles Haddon Spurgeon los te laten op de grootste stad van het Britse Rijk. Ver weg van het rustige leven van Waterbeach, was er in Londen een gemeente die bekend stond als New Park Street. Het was een van de zes grootste Baptistenkerken in Londen en bezat een erfgoed waarop weinig kerken aanspraak konden maken. Onder haar vroegere voorgangers waren Benjamin Keech, Dr. John Gill, en Dr. John Rippon. Deze drie grote namen in de Baptisten geschiedenis hadden samen 150 jaar in New Park Street gediend. Maar de tijden waren veranderd. New Park Street was nu wat wij zouden noemen een stadskerk. Het was gelegen in het midden van een smerige industriële wijk die moeilijk te bereiken was.

Wat eens een groeiende gemeente van 1200 zielen was geweest, was geslonken tot een groep van ongeveer 200 zielen. Na een reeks gebeurtenissen werd de jonge Spurgeon in 1854 gevraagd om in deze eens zo invloedrijke gemeente te prediken. Ondanks zijn onzekerheid over zijn leeftijd, was de 20-jarige Charles Spurgeon predikant geworden in de lijn van Keech, Gill en Rippon. De invloed van deze beginnende predikant op de mensen in New Park Street en de stad Londen was zo groot, dat het in 1855 duidelijk was dat een nieuw kerkgebouw nodig was om hun groeiende aantal te kunnen huisvesten. Terwijl de bouw vorderde, was de gemeente gedwongen de Exeter Hall af te huren, zodat men toch samen kon komen. Veel hoogstaande kerkelijke figuren vonden dit schandalig, omdat kerken in die dagen niet in openbare gebouwen bijeenkwamen. Deze groei was niet zonder kritiek. Sommige predikanten in Londen beweerden dat Spurgeon een roemjager was terwijl de plaatselijke kranten karikaturen plaatsten van Spurgeon als een egoïstische en ongeschoolde hansworst.

Spurgeon kreeg niet alleen een ambt in New Park Street, maar ook een vrouw. In 1855 doopte de dominee een mooie jonge vrouw met de naam Susannah Thompson. Bijna precies een jaar later werden Charles en Susannah zielsverwanten voor het leven. Woorden kunnen de band tussen deze twee niet beschrijven. Mevrouw Spurgeon zou semi-invalide worden en ds. Spurgeon zou gedurende het grootste deel van hun huwelijk lijden aan jicht en depressies. Toch vormden zij, samen met hun tweelingzoons een geweldig huwelijk. Susannah werd de persoonlijke secretaresse van haar man. Er is eens gerapporteerd dat zij aantekeningen maakte terwijl hij in zijn slaap sprak. Toen hij wakker werd, vond Spurgeon de preek die hij in zijn slaap had gemompeld. Hij had geslapen, maar Susannah niet. Zelfs na zijn dood hield Mevr. Spurgeon het werk levend door Charles’ preken te publiceren en duizenden boeken te verspreiden onder jonge predikanten en andere mensen. Ongeacht de hindernissen ging het werk door.

De gemeente was nog niet teruggekeerd naar haar nieuwe gebouw of zij realiseerde zich dat zij niet groot genoeg was. Daarom kwamen zij op zondagavond bijeen in de Surrey Music Hall. Op 19 oktober 1856 zaten tienduizend mensen in de Hall gepropt om Spurgeon te horen preken, en buiten stonden er nog eens tienduizend. Niet lang na het begin van de dienst riep iemand: “Brand!” De paniek die daarop volgde, kostte aan zeven mensen het leven. Gedurende enkele weken zonderde een depressieve dominee Spurgeon zich door deze gebeurtenis af. Maar zoals altijd gebruikt God zelfs de ergste gebeurtenissen om Zijn doelen te bereiken. Deze gebeurtenis, en die in de volgende maanden volgden, leidden tot het grootste hoofdstuk in Spurgeon’s bediening.

In 1856 kwam de gemeente van New Park Street bijeen om de bouw van een nieuw kerkgebouw te bespreken. In overeenstemming met zijn visie voor Londen, stemden Spurgeon en de gemeente ervoor om de naam van hun kerk te veranderen in Metropolitan Tabernacle. De jaren van dienst in New Park Street en Metropolitan Tabernacle zouden verbazingwekkend blijken. Toen Spurgeon in 1854 naar New Park Street kwam, had deze een ledental van 232. Tegen het einde van 1891 waren 14.460 zielen gedoopt en aan de kerk toegevoegd met een vast ledental van 5311. Als je al deze inspanningen leest zou je veronderstellen dat Spurgeon geen plezier kende. Maar dat is verre van waar. Zijn gevoel voor humor was alom bekend. C.H.S. had een afkeer van instrumentale muziek in de kerk, vooral bij gezangen. Na het horen van een speciale uitvoering werd Spurgeon verteld dat het muziek was die gezongen zou zijn door David. Zijn onmiddellijke antwoord was, “Dan weet ik waarom Saul zijn speer naar hem gooide.”

In een van zijn colleges aan de universiteit zei de dominee tegen zijn studenten: “Als je over de hemel preekt, trek dan een gezicht dat de lieflijkheid van God weerspiegelt; als je over de hel preekt, zal je normale gezicht het heel goed doen.” In plaats van ons te concentreren op de dingen die Spurgeon deed in New Park Street en Metropolitan Tabernacle, is het beter ons te richten op wat Spurgeon was. William Gladstone noemde hem “De Laatste Der Puriteinen.” Alleen het einde der tijden kan bewijzen of dat helemaal waar is, maar er zit een kern van waarheid in die titel. Spurgeon was geen hoog-kerkelijke calvinist, maar hij voelde zeker meer verwantschap met mannen als Calvijn en Bunyan dan met zijn tijdgenoten.

Sprekend over zijn grootvader, zei C.H.S.: “Ik voel soms de schaduw van zijn brede (puriteinse hoed) over mijn geest komen. Er is mij verweten dat ik een echo zou zijn van de Puriteinen, maar ik ben liever een echo van de waarheid dan de stem van de leugen.” Het werd al vroeg duidelijk dat Spurgeon niet bang was om zichzelf een etiket op te plakken. Hij kenmerkte zichzelf door zijn prediking, en niet door de theologie van een bepaald systeem. Hij was calvinistisch maar niet hyper-calvinistisch. Spurgeon ontweek nooit de schijnbare tegenstrijdigheid van de soevereiniteit van God en de verantwoordelijkheid van de mens om zich te bekeren. Toen hij daartoe werd uitgedaagd antwoordde hij: “Ik probeer vrienden niet met elkaar te verzoenen.” Spurgeon zou zelfs eens voor zijn preek hebben gebeden: “Heere, roep uw uitverkorenen, en roep er dan nog een paar.”

Evenals Fuller en Carey bewees Spurgeon dat het geloof in de uitverkiezing de evangelisatie niet vertraagt, maar juist opwekt. Hij predikte altijd tot zondaars en riep hen op tot bekering en redding.

Hoewel hij niet vaak opwekkingsbijeenkomsten hield, nodigde hij D.L. Moody uit om in zijn kerk te preken en zong Ira Sankey op zijn begrafenis. Omdat Spurgeon vasthield aan de grondbeginselen van het Calvinisme en tegelijkertijd een hartelijk evangelist was, werd hij vaak van alle kanten aangevallen. Sommige Calvinisten noemden hem een Arminiaan en veel Arminianen noemden hem een hyper-Calvinist. Deze aantijgingen deden Spurgeon weinig. Waar hij naar verlangde was waar eerdere puriteinen vurig voor gebeden hadden. Hij verlangde ernaar dat God Zijn Geest over Zijn volk zou uitstorten. Hij riep de kerk altijd op tot ware opwekking. Boven alles, was Spurgeon een prediker van het Woord. Niet de oppervlakkige, op zelfbehoud gerichte preken die we tegenwoordig vaak horen. Hij was hartstochtelijk verbonden met de hele raad van God. In het boek, The Greatest Fight in the World, zei hij: “Het Woord is als zijn Auteur, oneindig, onmetelijk en zonder einde. Als je als prediker tot een eeuwigdurende prediking zou worden geroepen, zou je een thema hebben dat gelijk is aan de eeuwigheid.”

Die niet aflatende trouw aan Gods Woord leidde tot grote zege in het leven van Spurgeon, maar soms ook tot grote geschillen. Aan het einde van Spurgeon’s leven was er een incident dat als een voetnoot begon, maar een krantenkop zou worden. In maart en april van 1887 verschenen er twee artikelen in Spurgeons tijdschrift, The Sword and Trowel. De artikelen wezen op het gestage verval dat zich onder de evangelische scheen voor te doen. Na deze artikelen volgden er nog verschillende waarin Spurgeon waarschuwde voor de invloed van het liberalisme in het algemeen en het arminianisme in het bijzonder. In al deze artikelen sprak Spurgeon over de neerwaartse lijn die de evangelische kerken doormaakten. Dit werd bekend als de Downgrade Controverse.

In het Septembernummer schreef C.H.S: “De tijd is gekomen dat christenen moeten opstaan: Het huis wordt leeggeroofd, de muren worden afgebroken, en de mensen liggen lekker warm in bed, bang om naar beneden te gaan en de inbrekers te ontmoeten die op hun inslaan. Inspiratie en speculatie kunnen niet samengaan. We mogen geen compromissen sluiten. Wij kunnen niet de inspiratie van Gods Woord verdedigen om het daarna te verwerpen; wij kunnen niet in de verzoening geloven en het ook ontkennen; wij kunnen niet over de leer van de zondeval spreken en toch spreken over de ontwikkeling van geestelijk leven vanuit de menselijke natuur… Wij moeten, of de ene, of de andere weg gaan. Besluitvaardigheid is de deugd van het uur.”

Toen Spurgeon de naam van de Baptist Union (waartoe de Metropolitan Tabernacle behoorde) begon te noemen, ging het snel bergafwaarts. In oktober trokken de voorganger en de kerk zich terug uit The Baptist Union.

In december werd Spurgeon door de Union over zijn uitspraken ondervraagd. Het was Spurgeon’s geloof en vertrouwen in het Woord van God dat hem ertoe bracht de kerk te waarschuwen voor haar afglijden naar liberalisme, maar het was eigenlijk zijn christelijke naastenliefde die hem in moeilijkheden bracht. Spurgeon had in vertrouwen de namen gekregen van enkele predikanten in de Union die de “nieuwe theologie” omarmden. Vanwege dit vertrouwen weigerde Spurgeon de namen te noemen van de mannen over wie hij sprak. Zo werd op 18 januari 1888 een motie van afkeuring uitgesproken tegen de grootste prediker van de Union. De teerling was geworpen. Spurgeons waarschuwingen zouden bewaarheid worden toen de Baptist Union zich meer en meer wendde tot de Hogere Kritiek en geleidelijk aan haar gehechtheid aan Gods Woord als de enige autoriteit van leven en geloof opgaf.

De invloed van Charles Spurgeon kan niet beperkt worden tot graden of titels die hem werden toegekend. Verschillende universitaire graden werden hem toegekend, maar hij weigerde ze altijd. Zoals zijn biograaf W.Y. Fullerton opmerkte: “De eer van de wereld … vond hij goedkoop; hij stelde intellect op prijs, hij was een echte boekenliefhebber, maar hij streefde altijd naar de eeuwige dingen in plaats van de tijdelijke.” Als er één tastbaar bewijs is overgebleven van de invloed die Spurgeon in zijn tijd had, dan is het wel te vinden in zijn preken. Met name zijn gedrukte preken hebben al meer dan 100 jaar een monumentale impact. Er zijn tot op de dag van vandaag 63 delen van Spurgeon’s preken in druk. Kranten hebben jarenlang zijn preken wekelijks en soms dagelijks verspreid. Er werden meer dan 100 miljoen van die wekelijkse preken verkocht. Als men al zijn publicaties in aanmerking zou nemen, zou men 200 grote boeken kunnen vullen. Zelfs in deze tijd zijn deze aantallen verbijsterend. Mensen van Californië tot Nieuw-Zeeland hebben één ding gemeen, ze kunnen praten over het schrijven van C.H. Spurgeon.

Men kan Spurgeon’s methode van preekvoorbereiding nauwelijks aanbevelen, tenzij men ook zijn geestelijke en intellectuele gaven bezit. Hij was een gulzige lezer en verdiepte zich in de Puriteinen. Charles ontdekte Bunyan’s Christenreis voor het eerst in de bibliotheek van zijn grootvader en zou het voor zijn dood meer dan 100 keer lezen. Hij was goed vertrouwd met Calvijn, Baxter, Owens, Gill, Fuller en vele anderen. In zijn preken citeerde Spurgeon uit de levens van Justin Martyr, Augustinus, John Bunyan, George Whitefield, Jonathan Edwards, John Gill, Andrew Fuller, en John Newton. Tegen de tijd van zijn dood bezat Spurgeon een persoonlijke bibliotheek van ongeveer 12.000 boeken. Een groot deel van die bibliotheek bevindt zich nu in het William Jewel College in de U.S.A.

Daar kwam nog bij dat Spurgeon een fotografisch geheugen had. Niets ontsnapte aan zijn geest en werd gecatalogiseerd voor later gebruik op het juiste moment. Vanwege al deze gaven begon C.H.S. pas op zaterdagavond met het opschrijven van zijn aantekeningen. Zijn zondagavond preken werden voorbereid op zondagmiddag. Eigenlijk werden zijn preken altijd voorbereid. Zijn hele leven was een preekvoorbereiding. Een andere belangrijke invloed factor was The Pastor’s College, dat tot op de dag van vandaag bestaat als het Spurgeon’s College. In 1861 waren er 21 studenten en al snel had de school een gemiddelde van ongeveer 100 studenten. Het was geen typisch Seminarium of Bijbelcollege. “Waar de mannen ook vandaan kwamen, het was duidelijk dat het college niet bestond om predikanten te maken, maar om hen op te leiden. Tenzij een man enig bewijs kon laten zien dat hij geroepen was om te preken … was hij niet welkom, hoe groot zijn gaven in andere richtingen ook waren.”

Prediken was niet Spurgeon’s enige passie. Hij was betrokken bij omvangrijke sociale projecten, vooral bij het werk voor de weeshuizen. Honderden kinderen die anders als dieven en landlopers op straat zouden hebben rondgezworven, werden gehuisvest, gevoed en onderwezen in het Woord van God. Spurgeon zei eens: “Wij zijn een grote kerk en we moeten een groot hart hebben voor deze stad.” Zoals eerder vermeld, leed C.H.S. aan ernstige jicht. De pijn bracht tijden van zware depressie met zich mee. Als deze tijden te intens werden gingen de Spurgeons vaak op vakantie in Mentone, Frankrijk. Terwijl hij in januari 1892 in Mentone was, verliet de Prins der Predikers deze aarde op de leeftijd van 57 jaar. Zijn begrafenistoespraak door Heber Evans vat de nalatenschap van Charles Haddon Spurgeon samen: “Er is een Charles Haddon Spurgeon die we niet kunnen begraven; er is in Norwood geen aarde genoeg om de Spurgeon uit het verleden te begraven.”

Als we naar de laatste jaren van Spurgeon’s leven kijken zou je kunnen denken, zoals sommigen van zijn tijd deden, dat hij twistziek werd. Maar dat is verre van waar. Hoewel hij een vurig Baptist was, koos Spurgeon twee mannen die de kinderdoop praktiseerden om zijn weeshuis te leiden. Hoewel hij een calvinist was, werd hij behouden in een Methodistenkerk en werd hij tegen het einde van zijn leven door een Presbyteriaan verzorgd. Er was ruimte voor een grotere kring van gemeenschap, maar niet als het ging om de onfeilbaarheid van de Bijbel en de kern van het Evangelie. Voor Spurgeon zou de echte stempel van zijn bediening nog lang na zijn dood gedrukt worden:

“Soms denk ik dat als ik in de hemel zou zijn, ik mijn werk in de tabernakel zou willen bezoeken, om, als ik er niet meer ben, te zien of het de tand des tijds heeft doorstaan en zal bloeien. Zult u zich aan de waarheid houden? Zult u vasthouden aan de oude leerstellingen van het Evangelie? Of zal deze kerk, zoals zovele andere, de eenvoud van het geloof verliezen, en praaldiensten en valse leer invoeren? Ik zou me omdraaien in mijn graf als zoiets zou gebeuren. God verhoede het! Hij zou niet meer wederkeren… Een week na Spurgeon’s heengaan wijdde B. H. Carroll een hele preek over zijn grote invloed in de wereld. Luister naar deze laatste woorden die hij, in typische Carroll stijl, over Charles Haddon Spurgeon sprak:

“Ja, Spurgeon is dood. De hoogste en breedste eik in het woud der tijden is gevallen. De zoetste, meest zilveren en verreikende stem die de blijde tijding verkondigde sinds apostolische tijden is verstomd. De hand, wiens sikkel de breedste baan sneed in de gerijpte graanvelden van verlossing, ligt gevouwen en beweeg loos op een levenloze borst, wiens hart, wanneer het klopte, gelijke tred hield met iedere menselijke vreugde en smart. Doch hij was klaar om geofferd te worden. Hij heeft de goede strijd gestreden. Hij behield het geloof, en terwijl wij wenen, draagt hij de drievoudige kroon van leven, vreugde en heerlijkheid, die God, de rechtvaardige Rechter, hem heeft toegekend … Op de vraag: “Waar leefde Spurgeon voor?” antwoord ik… “God”

En voor de man wiens leven geheel in het teken van genade stond, zou dat antwoord ongetwijfeld zeer bevredigend zijn geweest.

Categorieën

Welkom Terug!

Log hieronder in op uw account

Maak een nieuw account!

Vul de onderstaande formulieren in om te registreren op Het Spurgeon Archief

Haal uw wachtwoord op

Voer uw gebruikersnaam of e-mailadres in om uw wachtwoord opnieuw in te stellen.