Romeinen, maar geen Roomsen

Een preek uitgesproken in het jaar 1873, door C. H. Spurgeon, in de Metropolitan Tabernacle, Newington.

Copyright © Het Spurgeon Archief | Portret C.H. Spurgeon

Ik beveel u Febe, onze zuster, die een dienares is der Gemeente, die te Kenchreen is; opdat gij haar ontvangt in den Heere, gelijk het den heiligen betaamt, en haar bijstaat, in wat zaak zij u zou mogen van doen hebben; want zij is een voorstandster geweest van velen, ook van mijzelven. Groet Priscilla en Aquila, mijn medewerkers in Christus Jezus […] Groet elkander met een heiligen kus. De Gemeenten van Christus groeten ulieden. Romeinen 16:1-16

Dit hoofdstuk bevat de liefdevolle groet van Paulus aan de verschillende christenen die in Rome woonden. Bedenk dat dit een geïnspireerd gedeelte is. Al bestaat het uit christelijke beleefdheden aan verschillende personen, het is toch door een apostel geschreven, en niet als een gewone brief, maar als deel van het geïnspireerde boek. Er moet dus waardevolle stof in zitten. Al lijkt het bij het lezen soms onbelangrijk, onder de oppervlakte moet stichtelijke stof liggen, want al de Schrift is van God ingegeven en is op de een of andere manier tot ons nut bedoeld. Het laat ons in elk geval dit ene zien: Paulus had een zeer liefdevolle aard, en God koos als apostel van de heidenen geen man met een ruwe, gevoelloze, zelfzuchtige inborst. Zijn geheugen moet, net als zijn hart, in goede staat geweest zijn om zo’n groot aantal namen te onthouden. En dit waren nog maar enkelen van zijn vele geliefde broeders en geestelijke kinderen over de hele wereld, die hij in zijn andere brieven met name noemt.

Zijn warme hart scherpte, daar twijfel ik niet aan, zijn geheugen en bewaarde in zijn herinnering de gestalte, de omstandigheden, de geschiedenis, het karakter en de naam van elk van zijn vrienden. Hij hield te veel van hen om hen te vergeten. Christenen behoren elkaar lief te hebben en elkaars namen op hun hart te dragen, zoals de grote Hogepriester de namen van al Zijn heiligen draagt op Zijn met edelstenen versierde borstlap. Een christen is vanwege de liefde die hij anderen toedraagt altijd bezorgd om te behagen door vriendelijkheid, en verlangt er nooit naar iemand te kwetsen door onbeschoftheid. De genade maakt de dienaar van God in de hoogste zin tot een echte heer. Als wij uit dit gedeelte niets anders leren dan de plicht om liefdevol en welwillend met elkaar om te gaan, zijn wij er al beter van geworden, want er is onder belijders in deze tijd geen overvloed aan zachtmoedige aandacht en vriendelijke taal.

Verder is ons tekstgedeelte bijzonder rijk aan leerzame stof, zoals ik u hoop te laten zien. Zonder voorrede merken wij daarom eerst op dat dit gedeelte op een opmerkelijke manier laat zien hoe verschillend gezinnen zich tot de gemeente kunnen verhouden.

I. Ons tekstgedeelte laat op een opmerkelijke manier zien hoe verschillend gezinnen zich tot de gemeente kunnen verhouden.

Let op het derde vers, waar de apostel zegt: “Groet Priscilla en Aquila, mijn medewerkers in Christus Jezus.” Hier hebt u een gezin waarin zowel de vader als de moeder, of liever de man en de vrouw, bij de gemeente van God hoorden. Wat een gelukkige omstandigheid! Hun invloed op de rest van het huisgezin moet zeer krachtig geweest zijn, want wanneer twee liefhebbende harten samen optrekken, verrichten zij wonderen. Hoe anders klinken de namen “Priscilla en Aquila” dan de namen “Ananias en Saffira”! Daar zien wij een man en een vrouw die samenspannen in huichelarij, hier een vrouw en een man die verenigd zijn in oprechte toewijding. Driewerf gelukkig zijn zij die niet alleen in het huwelijk verbonden zijn, maar ook één zijn in de Heere Jezus Christus! Zulke huwelijken worden in de hemel gesloten.

Dit echtpaar bestond kennelijk uit gevorderde christenen, want zij werden leraars van anderen. En niet alleen leraars van onwetenden, maar ook van mensen die al veel van het evangelie wisten, want zij onderwezen de jonge Apollos, een welsprekend man, machtig in de Schriften. Zij legden hem de weg Gods nauwkeuriger uit, en daarom mogen wij aannemen dat zij zelf diep onderwezen christenen waren. Onze geestelijke vaders en voedstermoeders vinden wij gewoonlijk in de huisgezinnen waar man en vrouw wandelen in de vreze Gods. Zij helpen elkaar wederzijds en groeien daardoor meer in de genade dan anderen.

Ik weet niet waarom Paulus hier “Priscilla en Aquila” schreef en zo de vrouw voorop zette, want in Handelingen lezen wij van Aquila en Priscilla. Het zou mij niet verbazen als hij hen rangschikte naar hoedanigheid en niet naar de regel van het geslacht. Hij noemde Priscilla eerst omdat zij de eerste was in karaktersterkte en in groei in de genade. In Christus komt de vrouw een voorrang toe wanneer zij voorgaat in toewijding en in de zaken van God de sterkere geest blijkt te hebben. Het is goed wanneer natuur en genade ons beide toestaan te zeggen: “Aquila en Priscilla”, maar het is niet verkeerd wanneer de genade de natuur vooruit is en wij horen van “Priscilla en Aquila”. Of de vrouw nu als eerste of als tweede genoemd wordt, doet er weinig toe, zolang beiden werkelijk dienstknechten van God zijn.

Geliefde man, is uw vrouw nog onbekeerd? Houd nooit op voor haar te bidden! Goede zuster, hebt u de metgezel van uw vreugde nog niet zien binnenkomen om deel te krijgen aan de genade? Buig nooit uw knie voor uzelf zonder die geliefde naam voor de troon van de genade te noemen. Bid onophoudelijk dat de metgezellen van uw leven tot God bekeerd mogen worden.

Priscilla en Aquila waren tentenmakers, van hetzelfde ambacht als de apostel, die daarom in Korinthe bij hen verbleef. Zij hadden eerder in Rome gewoond, maar hadden moeten vertrekken door een bevel van Claudius dat de Joden uit de keizerlijke stad verbande. Toen dat bevel niet meer werd toegepast, schijnen zij naar Rome teruggekeerd te zijn, waar de enorme zonnetenten boven de grote openbare gebouwen een mooi werkterrein voor het ambacht van tentenmaker moeten hebben geboden. Hun werk als tentenmakers vroeg waarschijnlijk om een grote ruimte, en daarom lieten zij de christenen daar samenkomen. Paulus spreekt immers over de gemeente die in hun huis was. Het is een groot voorrecht wanneer een christelijk gezin de gemeente van God kan herbergen. Het is goed wanneer men oordeelt dat de huiskamer geëerd wordt door er een gebedssamenkomst te houden, en de beste kamer van het huis niet te goed vindt om de dienstknechten van God in te ontvangen. Zulk een woning wordt als het huis van Obed-Edom, waar de ark Gods bleef en een blijvende zegen achterliet.

Laten wij verdergaan. In het zevende vers vindt u nog een gezin: “Groet Andronikus en Junias, mijn magen, en mijn medegevangenen, welke vermaard zijn onder de apostelen, die ook voor mij in Christus geweest zijn.” Als ik dit gedeelte goed begrijp, gaat het hier om twee mensen, misschien twee mannen, misschien man en vrouw of broer en zuster, maar in elk geval vertegenwoordigen zij een deel van een huisgezin, en wel van een opmerkelijk huisgezin, want zij waren verwanten van Paulus en zij waren tot God bekeerd vóór Paulus zelf — een boeiend feit dat hier heel terloops naar voren komt. Ik heb mij weleens afgevraagd of de bekering van zijn verwanten Paulus mede aangezet heeft tot zijn moorddadige woede tegen de gemeente van Christus. Toen hij Andronikus en Junias, zijn verwanten, bekeerd zag tot wat hij voor het bijgeloof van Nazareth hield, heeft dat misschien de wanhopige vijandschap in hem opgewekt die hij jegens de Heere Jezus Christus toonde. Ik laat dat als vraag liggen, maar ik ben ervan overtuigd dat de gebeden van deze twee verwanten de jonge vervolger gevolgd zijn. Zou u diep genoeg zoeken naar de oorzaak van de bekering van Saulus van Tarsen op zijn weg naar Damascus, dan zou u die vinden bij de genadetroon, in de gebeden van Andronikus en Junias, zijn verwanten, die vóór hem in Christus waren.

Dat moet een grote bemoediging zijn voor allen onder u die verlangen naar de zaligheid van hun huisgezin. Misschien hebt u een verwant die zich hevig tegen het evangelie van Jezus Christus verzet. Bid juist daarom des te dringender voor hem! Er is voor hem niet minder hoop vanwege zijn ijverig verzet, want die man is kennelijk in een nadenkende gemoedstoestand, en de genade van God kan zijn onwetende ijver ten goede keren wanneer zijn hart verlicht en vernieuwd is. Er is iets te maken van een man die genoeg in zich heeft om zich tegen het evangelie te verzetten: een goed zwaard geeft een goede ploegschaar! Uit vervolgers kan God apostelen maken.

Tegenwoordig wemelt de wereld van slappelingen die het evangelie noch geloven noch geheel verwerpen. Zij zijn niet voor en niet tegen, niet trouw aan God en niet aan de duivel. Zulke mensen van stro zullen nooit hun zout waard zijn, zelfs al zouden zij bekeerd worden. Een eerlijke, volslagen hater van het evangelie is de man die met één aanraking van de goddelijke genade gemaakt kan worden tot een even oprechte liefhebber van de waarheid van God die hij eens verachtte! Bid door, bid ernstig, bid gelovig voor uw verwanten, en u zult misschien nog beleven dat zij op de kansel staan en het geloof verkondigen dat zij nu proberen omver te werpen! Het is een gelukkig en hoopvol teken voor een gezin wanneer een deel van het huisgezin zich bij de gemeente van God voegt.

Verderop ontmoeten wij een derde gezin dat met de gemeente verbonden was, maar hier was het hoofd van het huis geen christen. Dat leid ik tenminste af uit het tiende vers: “Groet hen, die van het huisgezin van Aristobulus zijn.” Niet “groet Aristobulus”, nee, maar groet hen die van zijn huisgezin zijn. Waarom wordt Aristobulus zelf overgeslagen? Het is heel goed mogelijk dat hij al gestorven was, maar veel waarschijnlijker is het dat hij onbekeerd was. Hij viel buiten de groet van de apostel omdat hij zichzelf erbuiten had geplaatst. Hij was geen gelovige, en daarom kon hem geen christelijke groet gezonden worden. Arme man! Het koninkrijk van God was hem nabij, ja, het was in zijn huis, en toch werd hij er niet door gezegend!

Spreek ik nu niet tot iemand die in dezelfde toestand verkeert? Waar bent u, Aristobulus? Dat is misschien niet uw naam, maar uw karakter is hetzelfde als dat van deze onwedergeboren Romein, wiens gezin de Heere kende. Ik zou in Gods naam goede en troostrijke woorden kunnen spreken tot uw vrouw en uw kinderen, maar tot u kan ik zo niet spreken, Aristobulus! De Heere zendt een boodschap van genade aan uw lief kind en aan uw beminde vrouw, maar niet aan u, want u hebt Hem uw hart niet gegeven. Ik zal voor u bidden, en ik ben blij te weten dat de leden van uw huisgezin die de Heere liefhebben, dag en nacht voor u pleiten. Het is een hoopvolle band die u met de gemeente hebt, ook al bekommert u zich daar misschien niet veel om. Wees er echter zeker van dat het koninkrijk van God u nabij gekomen is! Dit feit brengt een vreselijke verantwoordelijkheid mee als het niet tot uw zaligheid leidt, want als u, zoals Kapernaüm, door uw voorrechten tot de hemel toe verhoogd bent, zal het des te vreselijker zijn tot de hel toe nedergestoten te worden.

Het is droevig in een gezin wanneer de een aangenomen en de ander verlaten wordt. O, bedenk hoe ellendig uw toestand zal zijn als u in ongeloof volhardt! Wanneer uw kind in de hemel is en uw vrouw in de hemel is, en u uw moeder ziet die daar al is, en uzelf ver weg geworpen bent in de hel, dan zult u zich herinneren dat u geroepen werd en weigerde, dat u genood werd en niet wilde komen! U sloot uw ogen voor het licht en wilde niet zien! U verwierp Christus en kwam moedwillig om, een zelfmoordenaar van uw eigen ziel.

Nog een voorbeeld hiervan, en volgens mij een erger geval, vindt u verderop in ons tekstgedeelte, waar de apostel in het elfde vers spreekt over “het huisgezin van Narcissus”: “Groet hen, die van het huisgezin van Narcissus zijn, degenen namelijk, die in den Heere zijn.” Ik vermoed dat Narcissus het hoofd van het huis was en dat de bekeerlingen in dat huis zijn dienstknechten of zijn slaven waren. Er was in de dagen van Nero een Narcissus die door Nero’s opvolger ter dood gebracht werd. Hij was Nero’s gunsteling, en als ik dat gezegd heb, kunt u wel nagaan dat hij geen erg lovenswaardig karakter had. Hij schijnt buitengewoon rijk geweest te zijn, en even slecht als rijk. Toch, terwijl de zalen van het huis van Narcissus weerklonken van godslasterlijke liederen, en overdadige brasserij zich vermengde met tomeloze losbandigheid en zijn woning tot een ware hel maakte, was er in het vertrek van de bedienden en in de slaapzaal van de slaven een bewarend zout.

Misschien werd onder de trap, in het hoekje waar de slaaf wegkroop om te slapen, gebeden tot de levende God. En terwijl de meester er niets van vermoedde, zongen de knechten in zijn huis lofzangen op één Jezus Christus, de gezalfde Zaligmaker, Die zij aanbaden als de Zoon van God. Wonderlijk zijn de wegen van de verkiezende liefde, die de rijken en groten voorbijgaat om acht te slaan op de man van lage staat! Misschien is er een slechte meester binnen het bereik van mijn stem. Hijzelf is volkomen goddeloos, maar in zijn huis zijn er die de Heere in het gebed verwachten. Wie uw schoenen poetst, kan een van de geliefden des Heeren zijn, terwijl u die ze draagt zonder God en zonder hoop in de wereld kunt zijn. Het dienstmeisje in uw huis vreest de Heere, terwijl u Zijn lof vergeet. Een engel, onwetend ontvangen, bedient u aan tafel.

Er was enkele jaren geleden een goed man die placht op te blijven voor een zeker koning van ons, van trieste nagedachtenis — zijn naam moge vergaan! Die koning werd een heer genoemd, maar andere titels zouden hem beter beschrijven. Terwijl zijn meester uitgelaten was, verkeerde deze man met God en las hij Bostons “Crook in the Lot” (over het kromme in het levenslot) of een ander gezegend boek om de vermoeiende uren door te komen. Ook nu nog zijn er in de zalen van de groten en goddelozen, en in de verblijven van overtreders van allerlei slag, verborgenen van God die het zout der aarde zijn. Zij roepen dag en nacht tot God tegen de ongerechtigheid van hun meesters. Er zal een onderzoek komen over dit alles — de godvrezenden zullen niet altijd vergeten worden, de gouden klompen zullen niet altijd in het stof verborgen liggen. Bedenk, o meesters, hoe het u zal vergaan wanneer uw nederigste knechten met heerlijkheid gekroond worden en uzelf voor eeuwig gedreven wordt in de uiterste duisternis! Zoek ook u, o groten, de Heere, en Hij zal door u gevonden worden.

Wij kunnen niet bij Narcissus blijven staan. Laten wij ons wenden tot het twaalfde vers, waar u nog een voorbeeld vindt van een gezin dat met Christus’ volk verbonden was: “Groet Tryfena en Tryfosa, vrouwen die in den Heere arbeiden.” Ik veronderstel dat het twee zusters waren; de namen wijzen daar sterk op. Waar waren hun broers? Waar was hun vader? Waar was hun moeder? “Tryfena en Tryfosa” — hoe vaak heb ik ze in de gemeente gezien: twee nederige, ernstige, trouwe vrouwen, de enigen van hun gezin, terwijl al de anderen ver van God waren! O broeder, laat uw zuster niet alleen naar de hemel gaan. Vader, als uw dochters kinderen van God zijn, blijf dan zelf niet Zijn vijand. Laat het voorbeeld van uw godvrezende kinderen u helpen, o ouders, om zelf vastberaden voor de Verlosser te kiezen!

Wees gegroet, u genadige vrouwen die elkaar gezelschap houden op de weg naar de hemel! De Heere make u tot een troost voor elkaar! Mogen u hier en hierna schitteren als tweelingsterren die een zachte glans van heiligheid werpen over allen om u heen. Er is werk voor u in het huis van uw hemelse Vader, en al wordt u niet geroepen tot openbare prediking, toch kunt u in passende kring met veel aanvaarding “in den Heere arbeiden”.

Verderop, in het vijftiende vers, hebben wij een broer en zijn zuster: “Nereus en zijn zuster.” Het is mooi om het sterke en het zwakke geslacht zo verbonden te zien. Zij groeiden samen op in het veld van de natuur, en nu bloeien zij samen in de tuin van de goddelijke genade. Een godvruchtige broer en zuster: wat een lieflijke band! Zij zijn als de roos en de lelie in één boeket. Maar hadden zij geen andere familieleden? Was er verder niemand van hun verwanten over? Hadden zij geen zorgen in hun geest over anderen die hun dierbaar waren? U kunt erop rekenen dat zij vaak samen baden en zuchtten omdat hun familie niet in Christus was, want over de rest van het gezin zwijgt de tekst. God verhore uw gebeden, geliefde vrienden, wanneer u, zoals Nereus en zijn zuster, samen broederlijk bidt en zusterlijk pleit.

Nog een heel mooi voorbeeld van een gezinsband met de gemeente staat in het dertiende vers: “Groet Rufus, den uitverkorene in den Heere, en zijn moeder en de mijne.” Hier gaat het om een moeder en haar zoon. Ik wil niets vergezochts beweren, maar het lijkt mij geen ijdele gissing dat deze goede vrouw de vrouw was van Simon van Cyrene, die het kruis van Christus droeg. U herinnert zich dat Markus hem de vader van Alexander en Rufus noemt, twee mannen die toen kennelijk goed bekend waren in de gemeente van God. En hier worden Rufus en zijn moeder op vertrouwelijke toon genoemd. Of zij nu de vrouw van Simon was of niet, zij was kennelijk een vriendelijke, goede, beminnelijke ziel, een van die lieve oudere vrouwen die tegelijk een sieraad en een troost zijn voor de christelijke gemeente. Zij was zo’n voortreffelijke vrouw dat Paulus, als hij haar de moeder van Rufus noemt, eraan toevoegt: “en de mijne”. Zij was voor hem als een moeder geweest.

Het verbaast mij niet dat zulke voortreffelijke moeders voortreffelijke zonen hebben: “uitverkoren in den Heere”. Als wie wij diep liefhebben hun godsdienst met zich meedragen in een kader van hartelijke vrolijkheid, is het moeilijk de bekoring van hun lieflijke vroomheid te weerstaan. Wanneer een godvruchtige vrouw een tedere moeder is, is het geen wonder dat ook haar zonen, Rufus en Alexander, gelovigen in Jezus Christus worden, want de liefde en het voorbeeld van hun moeder trekken hen naar Jezus. Er is een legende verbonden aan Rufus en Alexander. Ik heb haar nooit gelezen, maar ik heb haar in gloeiende kleuren zien uitbeelden door een kunstenaar in een kathedraal in België. Ik zag een reeks schilderijen die Christus afbeeldden terwijl Hij Zijn kruis door de straten van Jeruzalem droeg. Onder de menigte had de schilder een man van het land geplaatst, die toekeek en zijn houweel en spade bij zich had, alsof hij zojuist uit het werk op de akkers de stad was binnengekomen.

Op het volgende schilderij is deze landman kennelijk tot tranen toe bewogen door de wreedheden die de Verlosser worden aangedaan, en hij toont zijn medeleven zo openlijk dat de wrede vervolgers van onze Heere, die de toeschouwers in het oog houden, het opmerken en zich boos om hem heen scharen. De twee jongens van de landman zijn er ook: Alexander en Rufus. Rufus is de jongen met het rode haar. Hij is vurig en vol hoop, moedig en rondborstig, en u ziet dat een van de ruwe mannen hem net om de oren heeft geslagen omdat hij medelijden toonde met de arme kruisdragende Zaligmaker. Het volgende schilderij laat zien hoe de vader gegrepen en gedwongen wordt het kruis te dragen, terwijl Alexander het houweel van zijn vader vasthoudt en Rufus de spade van zijn vader draagt — en zij gaan vlak bij de Heere Jezus mee en hebben groot medelijden met Hem. Als zij het kruis niet kunnen dragen, helpen zij hun vader althans door zijn gereedschap te dragen.

Natuurlijk is het maar een legende. Maar wie zou het verbazen als Alexander en Rufus hun vader het kruis van Christus zo goed zagen dragen dat zij ook zelf later de navolging van de Gekruisigde als hun eer beschouwden? En dat Paulus, toen hij de naam van Rufus neerschreef, hem een uitgelezen man noemde, want zo mogen wij de woorden “uitverkoren in den Heere” ook vertalen: “de uitgelezene van de Heere”? Hij was een voortreffelijk christen met een grote diepte van christelijke ervaring en in alle opzichten een waardige nakomeling van een opmerkelijke vader en moeder. Zo hebben wij gezien op welke verschillende manieren gezinnen met Christus in aanraking komen. Ik bid God dat elk gezin hier deel mag uitmaken van het ene grote geslacht in de hemelen en op de aarde, dat naar de Naam van Jezus genoemd wordt. Mogen al uw zonen en dochters, uw broers en zusters, uw dienstknechten en verwanten, maar vooral uzelf, het kruis van Jezus opnemen en in de Heere gered worden met een eeuwige zaligheid!

II. Dit belangwekkende gedeelte laat zien wat onder christenen als belangrijk geldt.

Onder wereldse mensen zijn er heel wat punten van belangstelling, en die zijn kenmerkend. In elke wereldse kring is een heel belangrijke vraag: hoeveel is iemand waard? In de juiste zin is dat ook voor christenen een belangrijke vraag, maar de wereldse mens bedoelt ermee: “Hoeveel geld heeft die man in zijn eigen kas bijeengeschraapt?” Hij kan zijn rijkdom op de slechtste manier ter wereld verworven hebben, maar daar let niemand op. De ene allesbepalende vraag onder de dienaars van de Mammon is: “Wat is zijn saldo bij de bankier?”

Paulus verwijst in zijn groet echter naar niemand vanwege zijn rijkdom of armoede. Hij zegt niet: “Aan Filologus, onze broeder, die tienduizend pond per jaar heeft, en Julia, onze zuster, die een koets met twee paarden houdt” — niets van dien aard! Hij noemt positie of bezit niet, behalve voor zover die doorklinken in de dienst die ieder aan de zaak van God bewees. Evenmin wordt gezinspeeld op belangrijke ambten die zij bij de overheid bekleedden, of dat zij zeer achtenswaardige mensen of personen van goede familie waren. De punten van belangstelling waren voor Paulus als christen heel anders dan die.

Het eerste wat hij eervol vermeldt, is hun dienst aan de gemeente. Van Febe staat in het eerste vers dat zij “een dienares is der Gemeente, die te Kenchreen is”, en in het tweede: “zij is een voorstandster geweest van velen, ook van mijzelven”. Onder christenen is het een onderscheiding en een eer om te mogen dienen, en het nederigste werk voor de gemeente van God is het eervolste. Wie op Gods manier eer zoekt, zoekt die door zichzelf te vernederen en de dienst op zich te nemen die de meeste zelfverloochening vraagt en de meeste smaad oplevert. Vooraan in de rijen van de goddelijke adel staan de martelaren, omdat zij het meest veracht werden. Zij hebben het meest geleden en hebben de meeste eer. Zo zal ook Febe haar naam ingeschreven zien in dit gouden boek van Christus’ adel, omdat zij de dienares van de gemeente was en daarin de armen en behoeftigen bijstond.

Ik twijfel er niet aan dat zij een verpleegster was onder de armere christenen, of, zoals sommigen haar noemen, een diacones. In de oude tijd was het immers zo dat de oudere vrouwen die het nodig hadden door de gemeente onderhouden werden, en dat zij zich op hun beurt bezighielden met de verpleging van zieke gelovigen. Het zou goed zijn als dat opnieuw zo was en als dat oude ambt weer in ere hersteld kon worden.

Iets anders wat onder christenen bijzonder telt, is hun arbeid. Sla uw Bijbel open en lees het zesde vers: “Groet Maria, die veel voor ons gearbeid heeft.” Dit is de zesde Maria die in de Bijbel genoemd wordt. Zij heeft zich kennelijk ingespannen om de dienaar te helpen. “Zij heeft veel voor ons gearbeid”, zegt de apostel, of “voor mij”. Zij was een van die nuttige vrouwen die persoonlijk voor de prediker zorgden omdat zij het leven van Gods dienstknecht kostbaar achtte en vond dat hij verzorgd moest worden in zijn vele arbeid en gevaren. Wat zij voor Paulus en zijn medearbeiders deed, wordt ons niet verteld, maar het kostte haar moeite, zelfs zoveel dat er staat dat zij veel gearbeid heeft. Zij had veel lief, en daarom zwoegde zij veel. Zij was “altijd overvloedig in het werk des Heeren”. Zuster Maria, volg uw naamgenote na!

Dan volgen de twee goede vrouwen, Tryfena en Tryfosa, van wie gezegd wordt dat zij “in den Heere arbeiden”, en Persis, van wie geschreven staat dat zij “veel gearbeid heeft in den Heere”. Ik denk niet dat Tryfena en Tryfosa boos waren omdat de apostel dit onderscheid maakte, maar het is wel een heel duidelijk en uitdrukkelijk onderscheid: de eerste twee arbeiden, maar Persis heeft veel gearbeid. Zo zijn er onder gelovigen verschillen en trappen van eer, en die worden afgemeten naar de mate van bewezen dienst. Het is een eer voor Christus te arbeiden; het is een nog grotere eer veel te arbeiden. Als dan iemand die zich bij de christelijke gemeente voegt, plaats of positie, eer of aanzien verlangt, dan is dit de weg: arbeid, en arbeid veel!

Persis was waarschijnlijk een slavin geweest en kwam uit een vreemd volk, uit het verre land Perzië. Maar zij was zo voortreffelijk van aard dat zij “de beminde Persis” genoemd wordt, en voor haar onvermoeibare vlijt wordt zij bijzonder vermeld. Onder de gelovigen worden de beloningen van hartelijke achting uitgedeeld naar de zelfverloochenende dienst die aan Christus en Zijn zaak bewezen wordt. Moge ons allen geholpen worden om veel te arbeiden, door de kracht van de Heilige Geest.

Daarnaast telt ook het karakter. Zoals ik al zei, wordt Rufus in het dertiende vers “den uitverkorene in den Heere” genoemd. Dat kan niet slaan op zijn verkiezing, want alle anderen waren ook uitverkoren. Het moet betekenen dat hij een uitgelezen mens was in de Heere: een man met een bijzonder lieflijke geest, een godvruchtig man, een man die met God wandelde, een man die goed onderwezen was in wat van God is, en een man wiens wandel gelijke tred hield met zijn kennis. “Groet” hem, zegt de apostel. Wie in de gemeente van God vermeld wil worden, moet echt karakter hebben: er moet heiligheid zijn voor de Heere, er moet geloof zijn, en van een man moet gezegd kunnen worden: “hij is vol des geloofs en des Heiligen Geestes”. Dat zal hem een vermelding bezorgen, maar niets anders zal dat doen.

Apelles wordt beschreven als “beproefd in Christus”, een beproefde, gelouterde en ervaren gelovige. Christenen waarderen hen die op de proef gesteld en getrouw bevonden zijn. Beproefde heiligen worden onder ons in ere gehouden. Karakter, ziet u, is in de gemeenschap van de gemeente het enige wat het vermelden waard is, en verder niets.

Toch is er nog iets anders. Ik vind hier iemand in de gemeente vermeld rondom wie veel belangstelling bestond vanwege het tijdstip van zijn bekering. Het staat in het vijfde vers: “Groet Epenetus, mijn beminde, die de eersteling is van Achaje in Christus.” U weet wat dat betekent. Toen Paulus in Achaje begon te prediken, was Epenetus een van zijn eerste bekeerlingen. Al is iedere dienaar aan al zijn bekeerlingen bijzonder gehecht, aan de eerste bewaart hij de tederste herinnering. Welke ouder koestert zijn eerste kind niet boven alle andere?

Ik kan uit ervaring spreken. Ik herinner mij goed de eerste vrouw die, toen ik begon het evangelie te prediken, beleed dat zij tot Christus gebracht was. Ik zie het huis op dit ogenblik voor mijn geest. En al kan ik niet zeggen dat het een schilderachtig huisje was, het zal mij altijd bezighouden. Groot was de vreugde die ik voelde toen ik het verhaal van die eenvoudige vrouw over berouw en geloof hoorde! Zij stierf en ging kort na haar bekering naar de hemel, weggenomen door de tering, maar de herinnering aan haar heeft mij meer troost gegeven dan de herinnering aan twintig of zelfs honderd bekeerlingen sindsdien gewoonlijk doet. Zij was een kostbaar zegel op mijn bediening, om die te beginnen en mijn jonge geloof aan te moedigen.

Sommigen van u waren de eersteling van mijn bediening in Londen, in Park Street, en u bent zeer kostbare mensen. Hoe graag zou ik zien dat sommigen van u in dit Tabernakel de eersteling van dit jaar werden — er zou iets bijzonder belangwekkends aan u zijn, want het zou ons het hele jaar door bemoedigen. Als u nu tot het zoeken van de Heere gebracht wordt, zal ik u altijd met liefde beschouwen en aan u denken wanneer ik dit hoofdstuk vol namen lees. Ik zal even dankbaar zijn voor hen die vanavond voor God geboren worden als voor hen die op enig ander tijdstip wedergeboren zijn, want mijn hart gaat ernstig naar u uit. Zo heb ik u laten zien dat er in de gemeente van God punten zijn die bij afzonderlijke personen de aandacht trekken, en welke dat zijn.

III. Maar nu de tijd voorbijgevlogen is, moet ik, al heb ik nog veel te zeggen, afsluiten met het derde punt, en dat is dit: dit lange gedeelte onthult de algemene liefde die er in de gemeente van God bestaat (of moet ik zeggen: zou moeten bestaan?).

Ten eerste laat heel het gedeelte de liefde van de apostel zien voor de heiligen en broeders te Rome. Hij zou niet de moeite genomen hebben dit alles aan hen te schrijven als hij niet werkelijk van hen gehouden had. En het laat zien dat er in die dagen christenen waren die vol liefde voor elkaar waren. Hun groet, de heilige kus, getuigde van hun vurige liefde, want zij waren wel de laatsten om uiterlijke tekenen te gebruiken zonder er iets mee uit te drukken.

Och, mocht de christelijke liefde nu onder alle christenen in sterkere mate heersen! “Ach”, zegt iemand, “er is er maar heel weinig van.” Ik ken u heel goed, mijn vriend. U bent de man die altijd over anderen klaagt dat zij te weinig liefde hebben, terwijl u er zelf geen hebt! Ik merk altijd dat wie zegt dat er onder christenen geen liefde is, oordeelt naar wat hij thuis in zijn eigen hart ziet — want wie christenen liefheeft, gelooft dat christenen ook elkaar liefhebben. U zult de man met een liefdevol hart vinden die wel zal zeggen: “Ik wou dat er meer liefde was”, maar nooit zal zeggen dat er helemaal geen is. Broeders en zusters, het is een leugen dat er onder christenen geen liefde is! Wij hebben elkaar nog steeds lief, en wij zullen dat door Gods genade nog meer tonen, als de Geest van God ons helpt!

Let erop dat de eerste christenen volgens dit gedeelte gewoon waren hun liefde voor elkaar te tonen door daadwerkelijke hulp. In het tweede vers zegt Paulus immers over Febe: “Opdat gij haar ontvangt in den Heere, gelijk het den heiligen betaamt, en haar bijstaat, in wat zaak zij u zou mogen van doen hebben; want zij is een voorstandster geweest van velen, ook van mijzelven.” Ik geloof niet dat de apostel een kerkelijke zaak bedoelde, maar haar eigen zaken, wat die ook geweest mogen zijn. Zij had misschien gelden te innen, of een klacht in te dienen bij het hoofdbureau over een veeleisende belastingontvanger. Ik weet niet wat het was, en het is net zo goed dat Paulus het ons niet vertelde. Het hoort niet bij de opdracht van een apostel om ons de zaken van andere mensen te vertellen. Maar wat het ook was, als een christen in Rome haar kon helpen, moest hij dat doen.

Zo moeten ook wij, als wij onze christelijke broeders op enigerlei wijze kunnen helpen, ons best doen dat te doen, voor zover het in ons is. Onze liefde mag niet alleen uit woorden bestaan, anders is zij zo ijl als de lucht. Let wel, u wordt niet geroepen om borg te staan voor uw broeders of voor hen uw naam op de achterkant van wissels te zetten. Doe dat voor niemand, want de Schrift spreekt zich daar uitdrukkelijk tegen uit: “Wie degenen haat, die in de hand klappen, is zeker”, zegt Salomo, en: wie voor een vreemde borg wordt, zal zekerlijk verbroken worden. Ik zou wensen dat sommige broeders wijs genoeg waren geweest om aan de leer van de Schrift op dit punt te denken, want het had hen een zee van moeilijkheden kunnen besparen.

Maar doe voor uw medechristenen alles wat het u geoorloofd is te doen. Doe het voor elkaar uit liefde tot uw gemeenschappelijke Heere, “draagt elkanders lasten, en vervult alzo de wet van Christus”. Wij zijn verplicht onze liefde voor elkaar te tonen, ook wanneer dat grote offers vraagt. In het vierde vers zegt de apostel immers van Priscilla en Aquila dat zij voor zijn leven “hun hals gesteld hebben”. Zij brachten zichzelf in groot gevaar om de apostel te redden. Zulke liefde bestaat nog steeds in onze gemeenten. Sommigen ontkennen dat, maar ik weet dat het zo is.

Ik ken christenen die oprecht kunnen zeggen dat zij bereid zouden zijn te sterven in de plaats van hun predikant, als zijn leven daardoor gespaard kon worden. Het is door sommigen hier gezegd, en ik heb het gehoord en gevoeld dat zij meenden wat zij zeiden. Ik weet dat er van sommige lippen hier het gebed is opgegaan dat zij liever eerder zouden sterven dan ik. Toen uw herder in gevaar was, hebben velen van u liefdevol verklaard dat als uw leven voor het zijne kon staan, het vrijwillig voor God zou worden gegeven. Christenen hebben elkaar nog steeds lief en brengen nog steeds offers voor elkaar. Ik zeg dit tot eer van velen van u: uw liefde tot uw herder is niet alleen in woord geweest, maar in daad en in waarheid, en daarvoor moge de Heere u belonen.

De christelijke liefde had in die dagen diep ontzag voor hen die om Christus geleden hadden. Lees het zevende vers. Paulus zegt dat Andronikus en Junias zijn medegevangenen waren, en juist daarom spreekt hij met bijzondere warmte over hen. Niemand werd onder de eerste christenen hoger geacht dan wie om Christus’ wil gevangen zat, dan de martelaar of wie bijna de marteldood gestorven was. Er werd zelfs te veel van zulke lijders gemaakt: terwijl christenen in de gevangenis zaten in afwachting van hun marteldood, kregen zij een aandacht die bijna te veel eerbied voor hun persoon verried.

Broeders, wanneer in deze tijd iemand uitgelachen wordt omdat hij Christus volledig volgt, of bespot wordt omdat hij een eerlijk getuigenis aflegt voor de waarheid van God, schaam u dan niet voor hem en keer hem de rug niet toe. Zo iemand mag niet verwachten dat u hem dubbele eer bewijst, maar hij mag wel eisen dat u schouder aan schouder met hem staat en u niet schaamt voor de smaad die hij voor Christus, zijn Heere, moet dragen.

Zo was het met de gemeente in de oude tijd: wie het eerst leed, stond ook het eerst in hun liefde en achting. Zij ontkenden nooit dat degene die ter dood veroordeeld was, hun broeder in Christus was. Integendeel, de christenen van de tijd der apostelen deden wat onze protestantse voorvaderen in Engeland deden. De jonge christenen van de gemeente gingen, wanneer er een martelaar ter dood gebracht werd, met tranen in de ogen staan om hem te zien sterven — en waarom, denkt u? Om de weg te leren! Een van hen zei, toen zijn vader hem vroeg waarom hij stiekem was gaan kijken hoe zijn herder verbrand werd: “Vader, ik deed het om de weg te leren.” En hij leerde hem zo goed dat hij, toen zijn beurt kwam, ook verbrand werd en in God even heerlijk zegevierde als zijn predikant!

Leer de weg, jonge man, om smaad te dragen! Kijk naar hen die bespot en uitgekreten zijn, en zeg: “Welnu, ik zal leren hoe ik mijn beurt moet nemen wanneer mijn beurt komt, maar zoals God mij helpt zal ik trouw en vrijmoedig voor de waarheid spreken.” Verder eerde die liefde altijd de arbeiders. Paulus zegt immers: “Maria, die veel voor ons gearbeid heeft”, en hij spreekt keer op keer met grote genegenheid over hen die arbeiden. Wij behoren veel te houden van wie veel voor Christus doen, of het nu christelijke mannen of vrouwen zijn. Helaas ken ik sommigen die, als iemand iets meer doet dan een ander, onmiddellijk gaten in zijn jas beginnen te zoeken. “De heer zus-en-zo is zeer ernstig, maar ach ja! En mevrouw zus-en-zo, ja — God zegent haar, maar, maar, ja.” Omdat zij niets bepaalds te zeggen hebben, halen zij de schouders op en laten zij iets doorschemeren. Dit is het tegendeel van de geest van Paulus, want hij erkende heilige vlijt en prees haar.

Beste vriend, word geen vitter — het is een even slecht beroep als dat van de zakkenroller. Houd uw mond totdat u het beter kunt! Hebt u ooit een man of vrouw gekend die God gezegend heeft en die volmaakt was? Als God door volmaakte werktuigen werkte, zouden de werktuigen een deel van de eer verdienen. Neem als vaststaand aan dat wij allen onvolmaakt zijn — maar hebt u dat eenmaal aangenomen, heb dan lief wie God goed dienen en sta nooit toe dat iemand in uw bijzijn tegen hen spreekt. Breng vitters onmiddellijk het zwijgen op door te zeggen: “God eert hen. En wie God eert, durf ik niet te verachten!” Wij kunnen niet fout zijn als wij onze eer plaatsen waar God het behaagt de Zijne te plaatsen.

Toch had de christelijke liefde in Paulus’ dagen — al hield zij van alle heiligen — haar voorkeuren. Lees het hoofdstuk door, en u zult Paulus horen zeggen: “Epenetus, mijn beminde”, “Amplias, mijn beminde in den Heere”, “Stachys, mijn beminde”, en “Urbanus, onzen medearbeider in Christus”. Dit waren allemaal personen die hij bijzonder hoogachtte. Van sommigen hield hij meer dan van anderen. U hoeft uzelf dus niets te verwijten als u sommige christenen beter vindt dan anderen en daarom meer van hen houdt, want zelfs de Heere Zelf had een discipel die Hij meer liefhad dan de anderen.

Ik wens al het volk des Heeren lief te hebben, maar sommigen kan ik het best liefhebben als ik het minst van hen weet, en bij hen vind ik de meeste troost wanneer ik hen een maand of zo niet gezien heb. Er zijn christenen met wie u in de hemel best zou kunnen samenwonen, maar het is een zware proef hen op aarde te verdragen, hoewel u voelt dat het goede mensen zijn — en aangezien God hen verdraagt, behoort u dat ook te doen. Aangezien er zulke eigenaardige mensen zijn, ga hun dan niet steeds in de weg staan om hen te ergeren — laat hen met rust en zoek de vrede door hen uit de weg te gaan. Broeders en zusters, laten wij elkaar liefhebben! Laten wij elkaar zeker liefhebben, want de liefde is uit God. Maar laten wij allen proberen beminnelijk te zijn, om deze plicht voor onze broeders zo gemakkelijk mogelijk te maken.

Verder had de liefde onder de christenen in die eerste tijd eerbied voor wie al lang in het geestelijk leven stonden, want Paulus spreekt over sommigen die vóór hemzelf in Christus waren. Ik hoop dat er onder ons altijd diepe achting zal zijn voor hen die het langst in Christus zijn, voor hen die de toets van de jaren doorstaan hebben, voor onze bejaarde leden, de ouderlingen en de oude moeders onder ons. Eerbied voor de ouderdom is slechts een natuurlijke plicht, maar eerbied voor gevorderde christenen is bovendien een voorrecht. Laat het onder ons altijd zo blijven.

En het laatste woord is dit: liefde voor alle christenen behoort ons ook de meest onopvallende en geringste leden van de gemeente te doen gedenken. Als wij lezen dat de apostel Paulus schreef: “Groet Asynkritus, Flegon, Hermas”, vragen velen van ons: “Wie waren die goede mensen eigenlijk?” En wanneer hij verdergaat met “Patrobas, Hermes”, vragen wij: “En wie waren die? Wat hebben die mannen ondernomen of verricht? Is dat alles? Wie was Filologus? En wie was Olympas? Wij weten bijna niets van die goede mensen.” Het waren gewone mensen, zoals de meesten van ons. Maar zij hadden de Heere lief, en daarom noemde Paulus hun namen en zond hij hun een boodschap van liefde, die in de Heilige Schrift bewaard is gebleven! Laten wij niet uitsluitend denken aan de vooraanstaande christenen, zodat wij het gewone voetvolk in het leger van de Heere vergeten. Laat het oog niet uitsluitend rusten op de voorste rij, maar laten wij allen liefhebben die Christus liefheeft! Laten wij alle dienaren van Christus waarderen. Het is beter Gods hond te zijn dan des duivels lieveling. Het is beter het geringste lid van de gemeente te zijn dan de grootste zondaar. Als Christus in hen is en zij in Christus zijn, en u een christen bent, laat uw hart dan naar hen uitgaan.

En nu, tot besluit: moge genade, barmhartigheid en vrede zijn met allen die onze Heere Jezus Christus liefhebben, en mogen wij ons best doen om eenheid en liefde onder Zijn volk te bevorderen. “De God des vredes zal den satan haast onder uw voeten verpletteren.” Laten wij daarom in onze lijdzaamheid onze zielen bezitten. O, mochten zij die nog niet tot het volk van de Heere gerekend worden, tot het geloof in Jezus Christus gebracht worden, tot Zijn heerlijkheid! Amen.

Preek nr. 1113 · spurgeon.org

Steun ons met een donatie

Uw steun helpt ons om Het Spurgeon Archief in stand te houden. Dankzij uw bijdrage kunnen wij ons werk voortzetten en dit waardevolle archief gratis aanbieden en vrijhouden van reclame en commerciële invloeden.

Wij danken u hartelijk voor uw steun en betrokkenheid!

Archiefhulpmiddelen

Contact

Heeft u een tekstfout gevonden, of heeft u een vraag? Stuur dan een E-mail naar: [email protected]

Over de Auteur

C.H. Spurgeon

1834 – 1892 Was een Engelse baptistenpredikant in de puriteinse traditie. Belangrijke onderwerpen uit zijn prediking waren de vergeving van zonden en de noodzaak van wedergeboorte.

Onze Socials:

Copyright & Content