Een preek uitgesproken door C. H. Spurgeon op 25 oktober 1857 in The Music Hall, Royal Surrey Gardens.

Maar het zal een enige dag zijn, die den HEERE bekend zal zijn; het zal noch dag, noch nacht zijn; en het zal geschieden, ten tijde des avonds, dat het licht zal wezen. Zacharia 14:7
Ik zal niet blijven stilstaan bij de bijzondere gelegenheid waarop deze woorden gesproken zijn, of bij de tijd waarop zij in het bijzonder betrekking hebben. Ik neem de zin liever als een regel van het koninkrijk, als een van de grote wetten van Gods bedeling der genade: “ten tijde des avonds, dat het licht zal wezen.”Want omdat God onveranderlijk is, is één daad van Zijn genade voldoende om ons de regel van Zijn handelen te leren. Nu vind ik op deze ene plaats opgetekend dat God bij een bepaalde gelegenheid, tijdens een tegenspoedige toestand van een volk, beloofde dat het „ten tijde des avonds, licht zou wezen.” Als ik dit in een menselijk geschrift had gevonden, zou ik veronderstellen dat het eenmalig kon zijn voorgevallen: dat er bij een bepaalde gelegenheid, in een noodsituatie, een zegen werd verleend. Maar ik zou daaruit geen algemene regel kunnen afleiden. Wanneer ik dit echter in het Woord van God geschreven vind, namelijk dat God bij een bepaalde gelegenheid, toen het avondtijd was, Zijn volk licht wilde geven, voel ik mij volkomen gerechtigd daaruit de regel af te leiden dat het voor Zijn volk altijd „ten tijde des avonds, licht zal wezen.”
Dit zal dan ook het onderwerp van mijn huidige rede zijn. Er zijn verschillende avondtijden die de gemeente en Gods volk overkomen. Als algemene regel mogen wij er volkomen zeker van zijn dat er ten tijde des avonds licht zal zijn. God handelt in de genade zeer dikwijls op een wijze waarvoor wij in de natuur een parallel kunnen vinden. God zegt bijvoorbeeld: “Want gelijk de regen en de sneeuw van den hemel nederdaalt, en derwaarts niet wederkeert; maar doorvochtigt de aarde, en maakt, dat zij voortbrenge en uitspruite, en zaad geve den zaaier, en brood den eter; Alzo zal Mijn woord, dat uit Mijn mond uitgaat, ook zijn, het zal niet ledig tot Mij wederkeren; maar het zal doen, hetgeen Mij behaagt, en het zal voorspoedig zijn in hetgeen, waartoe Ik het zende.“
Wij vinden Hem ook spreken over de komst van Christus: “Hij zal nederdalen als een regen op het nagras, als de druppelen, die de aarde bevochtigen.“
Wij vinden dat Hij het verbond der genade vergelijkt met het verbond dat Hij met Noach maakte aangaande de jaargetijden en de verschillende omwentelingen van het jaar: “zullen zaaiing en oogst, en koude en hitte, en zomer en winter, en dag en nacht, niet ophouden.“
Wij zien dat de werken der schepping zeer dikwijls een spiegel zijn van de werken der genade. Aan de wereld der natuur kunnen wij beelden ontlenen om de grote daden van God in de wereld van Zijn genade jegens Zijn volk te verduidelijken.
Maar soms overstijgt God de natuur. In de natuur volgt na de avondtijd de nacht. De zon heeft haar uren van reizen gehad. De vurige rossen zijn vermoeid en moeten rusten. Zie, zij dalen af langs de azuren hellingen en dompelen hun brandende hoeven in de westelijke zee, terwijl de nacht in haar zwarte wagen hen op de voet volgt.
God overstijgt echter de regel der natuur. Het behaagt Hem Zijn volk tijden te zenden waarin het oog van het verstand geen dag meer verwacht te zien, maar vreest dat het heerlijke landschap van Gods barmhartigheden gehuld zal worden in de duisternis van Zijn vergetelheid. Maar in plaats daarvan overstijgt God de natuur en verklaart Hij dat er ten tijde des avonds, in plaats van duisternis, licht zal wezen.
Het is nu mijn taak om deze algemene regel aan de hand van verschillende bijzonderheden te verduidelijken. Ik zal het langst stilstaan bij de laatste, aangezien die het voornaamste doel van mijn preek van deze morgen is.
I. Om dan te beginnen: „ten tijde des avonds, zal het licht wezen.” De eerste illustratie ontlenen wij aan de geschiedenis van de gemeente in het algemeen. De gemeente heeft als geheel vele avondtijden gekend. Als ik een beeld mocht ontlenen aan iets in deze lagere wereld om haar geschiedenis te beschrijven, zou ik haar vergelijken met de zee.
Soms is de overvloed der genade op heerlijke wijze openbaar geweest. Golf na golf rolde zegevierend over het land, bedekte het slijk der zonde en eiste de aarde op voor de HEERE der heirscharen. Haar voortgang was zo snel dat haar loop nauwelijks gehinderd kon worden door de rotsen van zonde en ondeugd.
Een volledige overwinning leek aangekondigd te worden door de voortdurende verspreiding van het Evangelie. De blijde gemeente dacht dat de dag van haar uiteindelijke triomf zeker was aangebroken. Haar woord, verkondigd door haar predikanten, was zo machtig en de Heere was zo heerlijk in het midden van haar legers, dat niets tegen haar bestand leek. Zij was „schoon, gelijk de maan, zuiver als de zon, schrikkelijk als slagorden met banieren.”
Ketterijen en scheuringen werden weggevaagd, en valse goden en afgoden verloren hun tronen. Jehova, de Almachtige, was in het midden van Zijn gemeente. Hij reed uit op het witte paard, overwinnende en om te overwinnen.
Wanneer u echter de geschiedenis leest, zult u ontdekken dat er altijd een eb is gekomen. Opnieuw scheen de stroom der genade zich terug te trekken. De arme gemeente werd teruggedreven, hetzij door vervolging, hetzij door innerlijk verval. In plaats van terrein te winnen op de verdorvenheid van de mens, leek het alsof de verdorvenheid van de mens terrein op haar won. Waar eens gerechtigheid was geweest, lag nu, als de golven der zee zich hadden teruggetrokken, het zwarte slijk en de modder van de menselijke vuilheid.
Op droevige wijze moest de gemeente zingen toen zij neerzat aan de rivieren van Babel en weende, terwijl zij haar vroegere heerlijkheden herdacht en treurde over haar tegenwoordige verwoesting.
Zo is het altijd geweest: vooruitgang, achteruitgang, een tijd van stilstand, en dan opnieuw vooruitgang, gevolgd door een nieuwe terugval. De hele geschiedenis van de gemeente is een geschiedenis van opmarsen en vervolgens snelle terugtochten. In haar geheel is het, naar ik meen, een geschiedenis van vooruitgang en groei. Maar wanneer wij haar hoofdstuk voor hoofdstuk lezen, zien wij een mengeling van succes en tegenslag, van overwinning en ontmoediging.
En zo, denk ik, zal het blijven, zelfs tot het einde toe. Wij zullen onze zonsopgangen hebben, onze middagen waarop de zon haar hoogste stand bereikt, en vervolgens haar ondergang in het westen. Wij zullen onze lieflijke dageraden van betere dagen hebben, onze hervormingen, onze Luthers en onze Calvijns.
Wij zullen onze heldere, volle middagtijd hebben, wanneer het Evangelie ten volle wordt gepredikt en de kracht van God wordt gekend. Wij zullen onze zonsondergang hebben, waarin kerkelijke zwakheid en verval zichtbaar worden. Maar precies zo zeker als de avondtijd over de gemeente schijnt te vallen, „ten tijde des avonds, zal het licht wezen.”
Let goed op deze waarheid, zoals die door de hele heilige geschiedenis van de gemeente heen zichtbaar wordt. In de dagen waarin elke lamp van de profetie uitgedoofd leek, toen hij die eens in de straten van Rome donderde, op de brandstapel werd verbrand en gewurgd. Toen Savonarola was heengegaan en zijn volgelingen in verwarring waren gebracht, en de zwarte wolken van het pausdom het zonlicht van Gods liefde en genade over de wereld leken te hebben uitgedoofd.
In die donkere, sombere eeuwen, waarin het Evangelie uitgestorven leek te zijn, fluisterde de satan ongetwijfeld bij zichzelf: „De zonsondergang van de gemeente is nu gekomen. Het is avondtijd voor haar. Slechts enkele stralen weten zich aan de Zon der gerechtigheid te ontworstelen om de duisternis te verlichten.”
De satan dacht misschien dat de wereld voor altijd onder de duisternis van zijn drakenvleugel zou blijven liggen. Maar zie! Ten tijde des avonds was er licht. God bracht de eenzame monnik voort die de wereld deed schudden. Hij verwekte mannen om Zijn medewerkers en helpers te zijn. De zon rees op in Duitsland. Zij scheen in elk land, en sindsdien hebben wij nooit meer zo’n avondtijd gehad, die zo dicht bij de duisternis was als in die gunstige periode. Toch zijn er andere tijden van sombere voortekenen geweest.
Er was een tijd waarin de Kerk van Engeland in diepe slaap verkeerde en de verschillende groeperingen van andersdenkenden er niet beter aan toe waren. De godsdienst was ontaard tot een dode vormelijkheid, en in geen enkele kansel van het hele land was leven of kracht te vinden. Er was een tijd waarin een ernstig man zo zeldzaam was dat hij bijna een wonder genoemd kon worden.
Goede mensen stonden bij de ruïnes van onze Sion en zeiden: „Helaas, helaas, voor de verslagenen van de dochter van mijn volk! Waar, waar zijn de dagen van de machtige puriteinen, die met de banier der waarheid in hun hand een leugen onder hun voeten verpletterden? O, waarheid, u bent heengegaan. U bent gestorven.”
„Nee”, zegt God, „het is avondtijd. En nu zal het licht zijn.”
Er waren zes jonge mannen in Oxford die samenkwamen om te bidden. Deze zes jonge mannen werden verbannen omdat zij te vroom waren. Zij trokken door heel ons land, en het kleine zuurdeeg doorzuurde het hele deeg. Whitefield, Wesley en hun onmiddellijke opvolgers flitsten als bliksem door het land in een donkere nacht. Zij brachten iedereen ertoe zich af te vragen waar zij vandaan kwamen en wie zij waren.
Terwijl zij zowel binnen als buiten de gevestigde kerk zulk een groot werk verrichtten, werd het Evangelie opnieuw met kracht en levendigheid gepredikt. Ten tijde des avonds heeft het God altijd behaagd licht aan Zijn gemeente te zenden.
Wij mogen verwachten dat wij donkerder avondtijden zullen zien dan ooit tevoren zijn aanschouwd. Laten wij ons niet inbeelden dat onze beschaving duurzamer zal zijn dan enige beschaving die eraan voorafging, tenzij de Heere haar bewaart. Het is mogelijk dat de gedachte die zo vaak als dwaasheid is uitgelachen, werkelijkheid zal worden: dat mensen op een dag op de gebroken bogen van de Londense brug zullen zitten en zich zullen verwonderen over de verdwenen beschaving, zoals mensen over de heuvels van Nimrod lopen en zich verwonderen over de steden die daar begraven liggen.
Het is heel goed mogelijk dat de gehele beschaving van dit land in de zwartste nacht zal uitsterven. Het kan zijn dat God opnieuw het grote verhaal zal herhalen dat zo vaak verteld is: „Ik zag, en zie, in het gezicht, zag ik een groot en verschrikkelijk beest, en het heerste over de volken, maar zie, het ging voorbij, en was niet meer.”
Maar als zulke dingen ooit gebeuren, als de wereld ooit tot barbarij en duisternis zou moeten terugkeren, als in plaats van een gestage vooruitgang naar de helderste dag al onze hoop wordt verijdeld, laten wij dan volkomen tevreden zijn met de zekerheid dat „ten tijde des avonds, het licht zal wezen” en dat het einde van de geschiedenis van de wereld geen einde zal zijn van Gods heerlijkheid.
Hoe rood van bloed en hoe zwart van zonde de wereld ook mag zijn, zij zal op een dag even zuiver en volmaakt zijn als toen zij geschapen werd. De dag zal komen waarop deze arme planeet bevrijd zal zijn van de windselen der duisternis die haar glans hebben verhinderd door te breken. God zal Zijn Naam nog doen kennen, van de opgang der zon tot haar ondergang toe.
„En de jubeljuiching, luid als machtige donderslagen, of als de volheid der zee, wanneer zij op de kust breekt, zal nog gehoord worden, de wijde wereld door.”
„Ten tijde des avonds, zal het licht wezen.”
II. Deze regel geldt evenzeer in het kleine als in het grote. Wij weten dat in de natuur precies dezelfde wet die het atoom regeert, ook de sterrenbollen bestuurt. „Diezelfde wet, die een traan vormt en haar beveelt van haar bron te druipen, die wet bewaart de aarde als een bol en leidt de planeten in hun loop.”
Zo is het ook met de wetten der genade. „Ten tijde des avonds, zal het licht wezen” voor de gemeente. „Ten tijde des avonds, zal het licht wezen” voor ieder individu. Christen, laten wij afdalen tot de nederige zaken van het dagelijks leven. U hebt uw heldere dagen gehad in tijdelijke zaken. Soms bent u zeer gezegend geweest. U kunt zich de dag herinneren waarop het kalf in de stal was, de olijf haar vrucht gaf en de vijgenboom haar oogst niet weigerde.
U kunt zich de jaren herinneren waarin de schuur bijna barstte van het koren en het vat overvloeide van de olie. U herinnert zich de tijd waarin de stroom van uw leven diep was en uw schip rustig voortdreef, zonder dat een verontrustende golf van moeite het lastigviel.
U zei in die dagen: „Ik zal geen smart zien. God heeft mij omheind. Hij heeft mij bewaard en mij behoed. Ik ben de lieveling van Zijn voorzienigheid. Ik weet dat alle dingen medewerken ten goede, want ik kan duidelijk zien dat het zo is.”
Wel, christen, daarna hebt u een zonsondergang gekend. De zon die zo helder scheen, begon haar stralen steeds schuiner te werpen, totdat de schaduwen ten slotte lang werden. De zon ging onder en de wolken begonnen zich te verzamelen. En hoewel het licht van Gods aangezicht die wolken met heerlijkheid kleurde, werd het toch steeds donkerder.
Toen dreigden de moeiten over u. Uw gezin werd ziek, uw vrouw stierf, uw oogsten waren schraal en uw dagelijks inkomen nam af. Uw voorraadkast was niet langer gevuld en u zwierf rond op zoek naar uw dagelijks brood. U wist niet wat er van u zou worden. Misschien werd u zeer diep vernederd.
De kiel van uw schip schraapte over de rotsen. Er was niet genoeg water om uw schip over de rotsen der armoede heen te laten varen.
„Ik zink in diep slijk”, zei u, „waar geen grond is. Al Uw baren en Uw golven zijn over mij heengegaan.” Wat u moest doen, wist u niet. Hoe meer u worstelde, hoe erger de situatie leek te worden. „Zo de HEERE het huis niet bouwt, tevergeefs arbeiden deszelfs bouwlieden daaraan.”
U zette zowel vlijt als zuinigheid in en voegde daar volharding aan toe. Maar alles was tevergeefs. Tevergeefs stond u vroeg op, bleef u laat op en at u het brood der zorgen. Niets kon u doen om uzelf te bevrijden, want al uw pogingen mislukten. U was bereid in wanhoop te sterven. U dacht dat de nacht van uw leven zich met eeuwige duisternis om u heen had verzameld. U wilde niet altijd blijven leven, maar verlangde ernaar uit dit tranendal heen te gaan.
Christen, getuig van de waarheid van deze stelregel uit de tekst! Was het niet licht met u ten tijde des avonds? De tijd van uw uiterste nood was juist het ogenblik waarop God Zijn gelegenheid aangreep. Toen het getij zich op zijn verste punt had teruggetrokken, begon het opnieuw te keren. Uw eb had haar vloed. Uw winter had haar zomer. Uw zonsondergang had haar zonsopgang!
„Ten tijde des avonds, was het licht.”
Plotseling werd u, door een of ander wonderlijk werk van God, zoals u het toen beschouwde, volkomen bevrijd. Hij bracht uw gerechtigheid voort als het licht en uw heerlijkheid als de middag. De Heere verscheen aan u zoals in de dagen van ouds. Hij strekte Zijn hand van boven uit, trok u uit diepe wateren, zette u op een rots en bevestigde uw gangen.
Merk dan op, o erfgenaam van de hemel! Wat in de jaren die voorbij zijn waar is gebleken voor u, zal waar blijven, zelfs tot het einde toe. Wordt u vandaag beproefd door wee, zorg en ellende? Wees welgemoed! In uw „avondtijd, zal het licht wezen.”
Als God ervoor kiest uw smart te verlengen, zal Hij uw geduld vermenigvuldigen. Maar het kan ook zijn dat Hij u in de diepten brengt om u van daaruit weer omhoog te leiden. Bedenk dat uw Zaligmaker neerdaalde om op te varen. Zo moet ook u zich buigen om te overwinnen.
En als God u gebiedt te bukken, zelfs tot in de diepste hel, bedenk dan dat Hij u, als Hij u gebiedt te bukken, ook weer omhoog zal brengen. Bedenk wat Jona zei: „uit den buik des grafs schreide ik, en Gij hoordet mijn stem.” O, roep met hem, die van ouds op God vertrouwde toen hij niets anders had om op te vertrouwen: „Alhoewel de vijgeboom niet bloeien zal, en geen vrucht aan den wijnstok zijn zal, dat het werk des olijfbooms liegen zal, en de velden geen spijze voortbrengen; dat men de kudde uit de kooi afscheuren zal, en dat er geen rund in de stallingen wezen zal; Zo zal ik nochtans in den HEERE van vreugde opspringen, ik zal mij verheugen in den God mijns heils.”
Doe dat en wees gezegend. Want „ten tijde des avonds, zal het licht wezen.”
III. Maar nu zoeken wij een derde illustratie, namelijk in de geestelijke smarten van Gods eigen volk. Gods kinderen hebben twee soorten beproevingen: tijdelijke en geestelijke. Ik zal bij dit punt kort stilstaan en een illustratie ontlenen aan de goede John Bunyan.
U herinnert zich de beschrijving van John Bunyan van de ontmoeting tussen Apollyon en Christen. Bunyan vertelt het op beeldende wijze, maar het is geen verzinsel. Hij die Apollyon ooit heeft ontmoet, zal u vertellen dat er in deze zaak geen vergissing mogelijk is, maar dat het om een vreselijke werkelijkheid gaat.
Onze Christen ontmoette Apollyon toen hij zich in de Vallei der Vernedering bevond, en de draak hem hevig belaagde. Met vurige pijlen trachtte hij hem te verdelgen en van het leven te beroven. De dappere Christen hield met al zijn kracht stand tegen hem en gebruikte zijn zwaard en schild zeer manhaftig, totdat zijn schild bezaaid was met een woud van pijlen en zijn hand aan zijn zwaard kleefde.
U herinnert zich hoe die man en die draak gedurende vele uren met elkaar streden, totdat de draak Christen ten slotte een verschrikkelijke slag toebracht, waardoor hij op de grond neerviel. O, wat een rampzalig moment! Toen hij viel, liet hij ook zijn zwaard vallen!
U hoeft zich het toneel slechts voor te stellen: de draak verzamelt al zijn kracht, plant zijn voet op de nek van Christen en staat op het punt een vurige pijl in zijn hart te slingeren. „Aha, ik heb u nu”, zegt hij. „U bent in mijn macht.”
Vreemd om te zeggen: „Ten tijde des avonds, was het licht.” Op het moment waarop de voet van de draak sterk genoeg was om het leven zelf uit de arme Christen te verpletteren, wordt ons verteld dat hij zijn hand uitstrekte. Hij greep zijn zwaard en gaf de draak een wanhopige stoot, terwijl hij uitriep: „Verblijd u niet over mij, o mijn vijandin! wanneer ik gevallen ben, zal ik weder opstaan.”
Hij verwondde de draak zo ernstig dat deze zijn vleugels spreidde en wegvloog. Christen vervolgde zijn reis en verheugde zich over zijn overwinning. De christen begrijpt dat allemaal. Het is voor hem geen droom. Hij is menigmaal onder de voet van de draak geweest. Ach, als de hele wereld in één keer op het hart van een mens zou worden gelegd, zou dat nog niet opwegen tegen het gewicht van één voet van de duivel!
Wanneer de satan eenmaal de overhand krijgt over de geest, ontbreekt het hem niet aan kracht, wil of boosaardigheid om haar te kwellen. Hard is het lot van de man die in zijn strijd met de boze onder diens hoef is gevallen. Maar geprezen zij God: het kind van God is altijd veilig. Hij is onder de voet van de draak even veilig als hij eenmaal voor de troon van God in de hemel zal zijn.
„Ten tijde des avonds, zal het licht wezen.”
Laten alle machten van de aarde en de hel, en alle twijfels en vrezen die de christen ooit heeft gekend, samenspannen om een heilige te belagen. Zie, God zal opstaan, Zijn vijanden zullen verstrooid worden en Hij zal voor Zichzelf de overwinning behalen.
O, om geloof te hebben om dat te geloven! O, om vertrouwen in God te hebben, Hem nooit te betwijfelen, maar zelfs in het donkerste moment van onze smarten te voelen dat alles goed met ons is! „Ten tijde des avonds, zal het licht wezen.”
IV. Verdraag mij terwijl ik nog slechts op één bijzonderheid zinspeel. Daarna kom ik tot datgene waarbij ik ten slotte voornamelijk wil stilstaan. Ook voor de zondaar die tot Christus komt, geldt deze waarheid: „Ten tijde des avonds, zal het licht wezen.”
Zeer dikwijls, wanneer ik bijeenkom om zoekende zielen te ontmoeten, komen er mensen naar mij toe om mij het verhaal van hun geestelijke geschiedenis te vertellen. Ze vertellen mij hun kleine verhaal met de grootst mogelijke verwondering en vragen mij, zodra ze het hebben verteld, of het niet buitengewoon vreemd is.
„Weet u, dominee, ik was gewoonlijk zo gelukkig met de dingen van de wereld. Maar er kwam overtuiging in mijn hart en ik begon de Zaligmaker te zoeken. En weet u, terwijl ik de Zaligmaker zocht, was ik lange tijd zo ellendig dat ik mezelf niet kon verdragen. Is dat niet een vreemde zaak, dominee?”
Wanneer ik hen dan in het gezicht kijk en zeg: „Nee, het is niet vreemd. Weet u, ik heb vanavond al een dozijn mensen gesproken en zij hebben mij allemaal hetzelfde verteld. Dat is de weg waarop al Gods volk naar de hemel gaat”, staren ze mij aan. Niet alsof ze denken dat ik hun een onwaarheid vertel, maar alsof ze het vreemdste ter wereld vinden dat iemand anders zich zou hebben gevoeld zoals zij zich gevoeld hebben.
„Ga nu zitten”, zeg ik soms, „en ik zal u vertellen wat ik voelde toen ik voor het eerst de Zaligmaker zocht.”
„Wel, dominee”, zeggen ze dan, „dat is precies hoe ik mij voelde! Maar ik dacht niet dat iemand ooit dezelfde weg had bewandeld als ik.”
Ach, het is geen wonder dat ons pad eenzaam lijkt wanneer wij weinig geestelijke omgang met elkaar hebben. Maar wie veel weet van Gods handelen met arme, zoekende zondaars, zal weten dat hun ervaringen altijd sterk op elkaar lijken. Over het algemeen kunt u de een in de ander herkennen wanneer zij tot Christus komen.
Wanneer de ziel Christus werkelijk zoekt, zal zij Hem in het donker moeten zoeken. Toen de arme Lot uit Sodom vluchtte, moest hij de hele weg in de schemering afleggen. De zon ging voor hem pas op toen hij in Zoar aankwam. Zo moeten ook zondaars, wanneer zij van hun zonden naar de Zaligmaker vluchten, in het donker hun weg gaan. Zij ontvangen geen troost en geen vrede totdat zij door eenvoudig geloof in staat worden gesteld alles te zien op Hem Die aan het kruis stierf.
Vanmorgen zijn er hier in mijn aanwezigheid vele arme zielen die in grote nood verkeren. Arm hart, mijn tekst is een troost voor u: „Ten tijde des avonds, zal het licht wezen.”
U had eens een klein licht: het licht van de zedelijkheid. U dacht dat u iets voor uzelf kon doen. Maar dat licht is nu volledig uitgedoofd. Vervolgens had u nog een ander licht: de kaars van de godsdienstige plechtigheden. U dacht er vast van overtuigd te zijn dat die u zou verlichten. Maar ook dat licht is nu uit.
U dacht nog dat u uw weg enigszins zou kunnen vinden bij het overgebleven schemerlicht van uw goede werken. Maar ook dat alles lijkt nu verdwenen te zijn.
U denkt: „God zal zo’n ellendeling als ik ben volkomen verdelgen! O, dominee! O, dominee! Ik ben de voornaamste der zondaren. Er heeft nooit zo’n verachtelijke ellendeling als ik geleefd. Of als er ooit zo iemand heeft geleefd, moet God hem zeker onmiddellijk in de hel hebben geworpen. Ik weet zeker dat er voor mij geen hoop is.
„Wel, dominee, wat ik ook doe, ik kan mezelf niet beter maken. Wanneer ik probeer te bidden, merk ik dat ik niet kan bidden zoals ik zou willen. Wanneer ik de Bijbel lees, lijkt alles tegen mij gericht te zijn. Het heeft geen zin. Wanneer ik naar het huis van God ga, lijkt de predikant op Mozes, die mij alleen de wet predikt. Hij lijkt nooit een woord van troost voor mijn ziel te hebben.”
Wel, arm hart, daar ben ik blij om. Ja, daar ben ik blij om. Verre zij het van mij om mij over uw ellende te verheugen, maar ik ben blij dat u bent waar u bent.
Als er hier iemand is die verloren is, kan ik alleen maar zeggen: ik ben er ook blij om, want juist zulke mensen kwam de machtige Herder redden. Als iemand van u voelt dat hij door Gods wet veroordeeld is, dank ik God dat u dit ervaart. Want zij die door de wet in hun geweten veroordeeld zijn, zullen ook door het Evangelie vergeving ontvangen.
Juist nu, op dit moment, wanneer u geen daglicht in uw hart hebt, wanneer u denkt dat de avondtijd is aangebroken en u voor eeuwig verloren zult gaan, juist nu is de tijd waarin God Zich aan u zal openbaren.
Zolang u nog een lompje van uzelf hebt, zult u nooit Christus bezitten. Zolang u nog één cent van uw eigen gerechtigheid hebt, zult u Hem nooit hebben. Maar wanneer u niets bent, is Christus van u. Wanneer u niets van uzelf hebt waarop u kunt vertrouwen, is Jezus Christus in het Evangelie uw volkomen Zaligmaker. Hij gebiedt mij u te vertellen dat Hij gekomen is om zulke mensen als u te zoeken en zalig te maken.
En nu ben ik op het punt gekomen om af te sluiten, nadat ik wat langer bij de laatste bijzonderheid heb stilgestaan: „ten tijde des avonds, zal het licht wezen.”
Als onze zon niet ondergaat voordat het middag is, mogen wij allen verwachten een avondtijd in ons leven te zullen hebben. Ofwel zullen wij door de dood uit deze wereld worden weggenomen, ofwel, als God ons spaart, zullen wij binnen afzienbare tijd de avond van ons leven bereiken. Over enkele jaren zal het verdorde, gele blad de passende metgezel zijn van iedere man en iedere vrouw.
Is daar iets droevigs aan? Ik denk het niet. De ouderdom, met al zijn zwakheden, lijkt mij een tijd van bijzondere zaligheid en voorrecht voor de christen.
Voor de wereldse zondaar, wiens smaak voor genot is verdwenen door de verzwakking van zijn krachten en het verval van zijn sterkte, moet de ouderdom een tijd van verveling en pijn zijn. Maar voor de oude soldaat van het kruis moet de ouderdom zeker een tijd van grote vreugde en zaligheid zijn.
Onlangs dacht ik op een avond, terwijl ik door een heerlijk landschap reed, aan de overeenkomst tussen de ouderdom en de avondtijd. De zon van de hete zorgen is ondergegaan. Die zon die scheen op onze vroegste godsvrucht, die nog niet veel wortel had en daardoor verschroeide, zodat zij stierf. Diezelfde zon verschroeide onze ware godzaligheid en deed haar dikwijls bijna verwelken. Zij zou haar hebben doen verwelken als zij niet geplant was aan de waterrivieren.
Die zon is nu ondergegaan.
De goede, oude man heeft geen bijzondere zorg meer in deze wereld. Tegenover de handel, het gegons, het lawaai en de strijd van de eeuw waarin hij leeft, zegt hij: „U bent niets voor mij. Mijn roeping en verkiezing vast te maken, mijn vertrouwen stevig vast te houden en te wachten totdat mijn verandering komt: dat is mijn enige bezigheid. Met al uw wereldse genoegens en zorgen heb ik niets te maken.”
De arbeid van zijn leven is geheel volbracht. Hij hoeft niet langer te zweten en te zwoegen zoals hij dat in zijn jeugd en op volwassen leeftijd deed. Zijn gezin is opgegroeid en niet meer van hem afhankelijk. Misschien heeft God hem gezegend en beschikt hij over voldoende middelen voor de behoeften van zijn ouderdom. Het kan echter ook zijn dat hij in een landelijk armenhuis de laatste jaren van zijn leven doorbrengt.
Hoe kalm en vredig is hij! Zoals de arbeider die bij het vallen van de avond van het veld terugkeert en zich op zijn rustbank neervlijt, zo rust de oude man van zijn arbeid. Wanneer de avond valt, komen we als gezinnen bijeen. Het vuur wordt aangestoken, de gordijnen worden gesloten en we zitten rond de haard. We denken niet langer aan de gebeurtenissen in de grote, rumoerige wereld. Zo is het ook in de ouderdom: niet de wereld, maar het gezin neemt ons volledig in beslag.
Hebt u weleens opgemerkt hoe eerbiedwaardige grootouders hun brieven vullen met berichten over hun kinderen? „Jan is gezond.” „Marie is ziek.” „Ons hele gezin maakt het goed.” Waarschijnlijk schrijft een zakenvriend over de daling van de aandelen of de stijging van de rente. Maar zulke berichten vindt u niet in de brieven van een goede, oude man. Hij schrijft over zijn gezin, zijn onlangs getrouwde dochters en alles wat daarmee samenhangt. Precies zoals wij doen wanneer de avond valt, denkt hij alleen aan zijn familiekring en vergeet hij de wereld om zich heen. Dat is wat de grijze, oude man doet. Hij denkt aan zijn kinderen en vergeet al het andere.
Hoe zoet is het dan om te bedenken dat er voor zo’n oude man licht is in de duisternis! „Ten tijde des avonds, zal het licht wezen.”
Vrees niet voor uw vermoeide dagen. Vrees niet voor uw uren van verval, o soldaat van het kruis! Nieuwe lichten zullen opgaan wanneer de oude lichten zijn gedoofd. Nieuwe kaarsen zullen worden aangestoken wanneer de lampen van het leven dof beginnen te worden. Vrees niet! De nacht van uw verval mag aanbreken, maar „ten tijde des avonds, zal het licht wezen.”
In de avondtijd heeft de christen vele lichten die hij nooit eerder bezat. Ze zijn door de Heilige Geest ontstoken en schijnen door Zijn licht. Er is het licht van een heldere geloofservaring. Hij kan terugblikken en zijn Eben-Haëzer oprichten, terwijl hij zegt: „tot hiertoe, heeft de HEERE, mij, geholpen.” Hij kan terugkijken naar zijn oude Bijbel, die hem sinds zijn jeugd licht heeft gegeven, en zeggen: „Deze belofte is aan mij vervuld en dit verbond is betrouwbaar gebleken. Ik heb mijn Bijbel vele jaren doorgelezen, maar nog nooit ben ik een gebroken belofte tegengekomen. Alle beloften zijn aan mij gehouden. ‘er is, niet één, goed woord, gevallen.’”
En wanneer hij God heeft gediend, bezit hij nog een ander licht dat hem verblijdt: het licht van de herinnering aan het goede dat God hem heeft toegestaan te doen. Sommige van zijn geestelijke kinderen komen bij hem en vertellen over tijden waarin God zijn gesprekken tot zegen voor hun ziel heeft gebruikt. Hij kijkt naar zijn kinderen en kleinkinderen, die opstaan om de Verlosser gezegend te noemen. In de avondtijd heeft hij licht.
Maar uiteindelijk breekt de nacht in volle ernst aan. Hij heeft lang genoeg geleefd en moet sterven. De oude man ligt op zijn bed. De zon gaat onder en hij heeft geen licht meer.
„Doe de vensters wijd open. Laat mij voor de laatste maal naar de open hemel kijken”, zegt de oude man.
De zon is ondergegaan. „Ik kan de bergen daar in de verte niet meer zien. Ze zijn allemaal in een mist gehuld. Mijn ogen zijn dof geworden en de wereld om mij heen is eveneens dof.”
Plotseling verspreidt zich een licht over zijn gezicht en roept hij: „O, dochter! Dochter! Ik zie een andere zon opgaan. U zei toch dat de zon zojuist was ondergegaan? Kijk, ik zie een andere zon! Waar eens die heuvels in het landschap lagen, die heuvels die in duisternis waren gehuld, zie ik nu heuvels die schitteren als brandend koper. En het lijkt mij dat ik op die top een stad zie die blinkt als jaspis! Ja, ik zie ook een poort die opengaat en geesten die naar buiten komen! Wat zeggen ze daar? O, ze zingen! Ze zingen! Is dit de dood?”
Nog voordat hij zijn vraag heeft uitgesproken, is hij heengegaan naar een plaats waar hij deze vraag niet meer hoeft te stellen, want de dood is daar volkomen onbekend. Ja, hij is door de paarlen poorten gegaan en zijn voeten staan op de gouden straten. Zijn hoofd is getooid met de kroon der onsterfelijkheid en de palmtak van de eeuwige overwinning is in zijn hand. God heeft hem aangenomen in de Geliefde. Hij wordt gerekend tot de heiligen in het licht en de belofte is vervuld: „ten tijde des avonds, zal het licht wezen.”
En nu, mijn grijze hoorder, zal het ook zo met u zijn? Ik herinner mij dat de eerbiedwaardige meneer Jay eens in Cambridge preekte. Hij strekte zijn hand uit naar een oude man die daar zat, net zoals sommigen van u hier zitten, en zei: „Ik vraag mij af of die grijze haren een kroon der heerlijkheid zijn of een dwazenkap. Ze zijn het een of het ander.”
Wanneer iemand op de leeftijd die sommigen van u hebben bereikt nog onbekeerd is, draagt hij inderdaad een dwazenkap van grijze haren. Maar als u een hart hebt dat aan Christus is toegewijd en u er nu van overtuigd bent dat u voor eeuwig van Hem zult zijn, dan draagt u een kroon der heerlijkheid op uw voorhoofd.
En nu, jonge mannen en jonge vrouwen, ook wij zullen spoedig oud zijn. Binnen korte tijd zal ons jeugdige gestel verzwakken en zullen we misschien een staf nodig hebben. Jaren gaan snel voorbij. Ze lijken steeds sneller te verstrijken terwijl ze over ons hoofd heengaan.
Mijn broeders en zusters, u bent jong, evenals ik. Hebt u de hoop dat uw avondtijd licht zal zijn? Nee, u bent begonnen met dronkenschap. En de avondtijd van de dronkaard is duisternis, die steeds donkerder wordt en uiteindelijk uitloopt op verdoemenis.
Nee, u bent uw leven begonnen met vloeken. De avondtijd van de vloeker kent geen licht, behalve de akelige vlam van de hel. Wees op uw hoede voor zo’n avondtijd!
Nee, u bent begonnen met vrolijkheid. Wees ervoor op uw hoede dat wat in vrolijkheid begint, niet eindigt in eeuwige droefheid.
Gaf God dat wij allen met Christus waren begonnen! Gaf Hij dat u de wijsheid verkoos, want „haar wegen zijn wegen der liefelijkheid, en al haar paden vrede.”
Sommige godsdienstige mensen zijn ellendig. Maar de godsdienst maakt hen niet zo. Ware godsdienst is een gelukkige zaak. Ik heb nooit geweten wat een hartelijke lach en een blij gezicht betekenden totdat ik Christus leerde kennen. Maar nu ik Hem ken, vertrouw ik erop dat ik in deze wereld kan leven als iemand die niet van de wereld is, maar er wel gelukkig in kan zijn. Terwijl ik mijn ogen opwaarts gericht houd naar de Zaligmaker, kan ik met David zeggen: “Loof den HEERE, mijn ziel, en al wat binnen in mij is, Zijn heiligen Naam.“
En hiervoor kan ik Hem het meest prijzen: dat ik weet hoe ik Hem moet prijzen. Ach, als u in de bloei van uw jeugd door de Heilige Geest in staat wordt gesteld uzelf aan God toe te wijden, zult u aan het einde van uw leven met enige droefheid terugkijken op uw zwakheden. Maar met veel grotere vreugde zult u terugzien op de genade die in uw jeugd begon, die u in uw volwassen jaren bewaarde, die u voorbereidde op uw ouderdom en die u uiteindelijk verzamelde als een volrijpe schoof in de schuur.
Moge de grote God en Meester deze woorden aan ieder van ons zegenen, door Jezus Christus, onze Heere. Amen.
Preek nr. 0160. Gehouden te Royal Surrey Gardens, Londen, New Park Street Pulpit deel 3. Oorspronkelijke titel: “Light At Evening Time”. Bron: Spurgeon’s Sermons, spurgeon.org.

