De enge poort

Een preek uitgesproken door C. H. Spurgeon in de Metropolitan Tabernacle te Newington (exacte datum niet overgeleverd; gepubliceerd op donderdag 19 april 1917).

Charles Haddon Spurgeon

Strijdt om in te gaan door de enge poort; want velen, zeg Ik u, zullen zoeken in te gaan, en zullen niet kunnen; Lukas 13:24

De geboden van onze Heere Jezus Christus worden ingegeven door de zuiverste wijsheid. Hij heeft ons goddelijke voorschriften gegeven voor het welzijn van onze ziel. Zijn geboden zijn bekleed met soeverein gezag, maar zij worden met zo’n oneindige vriendelijkheid uitgesproken dat wij ze mogen beschouwen als de raad van een waarachtige en trouwe vriend. Dit is geen wettische, maar een evangelische vermaning: Strijdt om in te gaan door de enge poort.

Hijzelf is de enige poort of de deur waardoor wij toegang kunnen vinden. En de weg om door Jezus Christus in te gaan, is niet door te werken, maar door te geloven!

Wat de strijd betreft waartoe wij worden aangespoord: het is een ernstig streven om alle rotsen, zandbanken en drijfzanden van gangbare dwalingen en bedrieglijke overleveringen te ontwijken. Het is een streven om op het diepe water te varen met Zijn verbond als onze zeekaart en Zijn Woord als ons kompas. Wij doen dat in eenvoudige gehoorzaamheid aan Zijn inzettingen en in vertrouwen op Hem als onze Loods. Zijn stem horen wij altijd, al kunnen wij Zijn aangezicht niet zien.

Het stormsein mag uw vrees wel wekken, maar het gevaarsignaal moet uw voorzichtigheid opwekken. Alleen al de vermelding klinkt als een dreiging: velen, zeg Ik u, zullen zoeken in te gaan, en zullen niet kunnen. Luister naar die waarschuwing, opdat u niet behoort tot de „velen” die schipbreuk lijden. Misschien zult u dan behoren tot de weinigen die ontkomen. Luister naar wat Jezus u vertelt dat met de menigte zal gebeuren, opdat het nooit met u persoonlijk zal gebeuren.

Let nu op:

I. EEN POORT WAARDOOR HET ZEER WENSELIJK IS BINNEN TE GAAN.

„Velen” zouden toch niet zoeken in te gaan als zij er niet van overtuigd waren dat het wenselijk is erdoorheen te gaan! Juist het feit dat zovelen tenminste zoeken in te gaan, al slagen zij er niet in, bewijst dat er een verlangen is. Er is een reden en een beweegreden waarom mannen en vrouwen ernaar moeten streven binnen te gaan.

Het is zeer wenselijk dat wij door deze poort, dat is Christus, binnengaan, omdat het de poort is van de vrijstad. De vrijsteden waren destijds aangewezen voor doodslagers. Wanneer de bloedwreker hen achtervolgde, konden zij door de poort gaan en in het heiligdom of de stad veilig zijn. Het Evangelie van Jezus Christus is bedoeld als een toevlucht voor hen die de wet van God hebben overtreden. De wraak zit hen op de hielen, en zij zullen zeker ingehaald worden tot hun eeuwig verderf, tenzij zij tot Christus vluchten en bij Hem beschutting vinden.

Buiten Christus achtervolgt het vurige zwaard ons snel en scherp. Er is maar één ontkoming aan Gods toorn, en dat is door een eenvoudig geloof in Christus. Geloof in Hem, en het zwaard wordt in de schede gestoken. Dan zullen de kracht en de liefde van God uw eeuwig deel worden! Maar weigert u in Jezus te geloven, dan zullen uw ontelbare zonden, die in Zijn boek geschreven staan, u worden aangerekend. Dat zal gebeuren op die dag waarop de pilaren van de hemel zullen wankelen en de sterren als verwelkte vijgen van de boom zullen vallen!

O, wie zou niet willen ontkomen aan de toekomende toorn! Wanneer de heer Whitefield predikte, hief hij vaak zijn handen op en riep: „O, de toekomende toorn! De toekomende toorn! De toekomende toorn!” In deze woorden ligt meer gewicht en betekenis dan een tong kan uitspreken of een hart kan bevatten. De toekomende toorn! De toekomende toorn!

Bent u eenmaal door die poort, dan bent u net als Noach nadat hij de ark was binnengegaan. U bent veilig voor de overweldigende watervloed. U bent beschut tegen de verterende brand die de aarde zal verslinden. U bent gered van de dood en het onheil die de ontelbare menigten van onbekeerden te wachten staan! Wie zou niet willen binnengaan waar zaligheid is, de enige plaats waar zaligheid te vinden is?

Het is wenselijk door deze poort binnen te gaan, omdat het de poort van een thuis is. Er klinkt zoete muziek in dat woord „thuis”. Jezus is het thuis voor het hart van Zijn volk. Wij komen tot rust wanneer wij bij Christus komen. Wij hebben alles wat wij nodig hebben wanneer wij Jezus hebben. Geluk is het deel van de christen in dit leven, zolang hij uit zijn Zaligmaker leeft.

Ik heb ‘s nachts buiten menigten daklozen gezien die al een uur van tevoren stonden te wachten tot de deuren opengingen. Arme zielen! Zij rilden van de kou. Maar zij verwachtten binnen korte tijd verwarmd en getroost te worden, voor een poosje, wanneer zij werden binnengelaten. Wat denkt u, o dakloze mannen en vrouwen? Stel dat er een blijvend thuis voor u was. Een thuis waaruit u nooit verbannen kon worden, een thuis waarin u als geliefde kinderen kon worden opgenomen. Zou het dan niet de moeite waard zijn lang aan de deur te wachten en telkens weer hard te kloppen, als u uiteindelijk maar toegang kreeg?

Jezus is een thuis voor de daklozen, een rust voor de vermoeiden, een troost voor de troostelozen. Is uw hart gebroken? Jezus kan u troosten! Bent u uit uw familie verstoten, of zijn uw dierbaren een voor een naar hun laatste rustplaats gebracht? Voelt u zich eenzaam, zonder vrienden en zonder vreugde? Vindt u „de zwarte, stromende rivier” te verkiezen boven deze onrustige stroom van het leven? Verkiest u dat boven die meedogenloze samenleving van mannen en vrouwen, die allemaal belust zijn op winst en vermaak, en die niets geven om uw smarten of uw zuchten?

O, kom tot Jezus! Vertrouw op Hem, en Hij zal een ster doen opgaan aan de zwarte middernachtelijke hemel! Hij zal een vuur in uw hart ontsteken dat het nu al zal doen gloeien van vreugde en troost! Het zou de moeite waard zijn een christen te zijn, ook afgezien van het hiernamaals. Zo’n troost als het geloof in Jezus nu al schenkt, is een onschatbare vergoeding!

Dit is de poort van de toevlucht, en het is de poort van een thuis. Bovendien leidt zij tot een gezegende maaltijd. Wij lazen zojuist over het avondmaal dat werd aangericht. Jezus voedt ons lichaam niet, maar Hij doet iets beters: Hij voedt onze geest. Een hongerige maag is verschrikkelijk. Maar een hongerig hart is nog veel verschrikkelijker, want een brood kan de maag vullen, maar wat kan het hart verzadigen?

O, wanneer het hart gaat hunkeren, kwijnen en smachten naar iets wat het niet kan krijgen, is het als de zee die niet kan rusten. Het is als het graf dat nooit gevuld kan worden. Het is als de bloedzuiger, wier dochters roepen: Geef, geef!Gelukkig is de man die in Jezus gelooft, want hij wordt meteen een tevreden man. Hij vindt niet alleen rust in Christus; ook vreugde en blijdschap, vrede en blijvende voldoening zijn zijn deel.

Ik zeg u wat ik zeker weet, en ik zou niet liegen, zelfs niet voor de Heere Zelf. Ik zeg u dat er in het geloof in Christus een vreugde te vinden is die haar weerga niet kent! Spreekt u van de uitgelaten stemming van hen die vrolijk zijn bij de dans, of van de feestvreugde van hen die vol wijn zijn? Het is niet meer dan het knetteren van een handvol doornen onder een pot. Hoe snel is het voorbij!

Maar de vreugde van de man die overdenkt hoe de liefde van Christus hem omvat, hoe het bloed van Christus hem reinigt, hoe de arm van Christus hem ondersteunt, hoe de hand van Christus hem leidt en hoe de kroon van Christus zijn deel zal zijn: de vreugde van zo iemand is bestendig, diep, overvloeiend en onuitsprekelijk!

Neem de armste christen in de hele wereld. Hij is bedlegerig, leeft van de armenzorg, zit vol pijn en staat op het punt te sterven. Maar als zijn hart op Christus rust, zou hij niet willen ruilen met de jongste, scherpzinnigste, rijkste en edelste geest die buiten de kerk van God te vinden is! Nee, koningen en keizers, roem niet langer op uw armzalige kronen, want hun glans zal spoedig verbleken! Uw purperen mantels zullen spoedig door de mot aangevreten zijn! Uw zilver zal spoedig verroesten. Van uw paleizen zal geen steen op de andere blijven!

Bitter zal de droesem van uw wijnbekers zijn, en al uw muziek zal eindigen in wanklank! Ik zeg u dat de armste van de hele schare van gelovigen in Christus Jezus u overtreft. Zij zouden hun zalige staat niet ruilen voor al wat de aarde goed of groot noemt. Zó overvloedig de moeite waard is het om tot Christus te komen, om het geluk en ook de rust die wij in Hem vinden.

Geliefde vrienden, ook daarom mogen mensen wel verlangen door de enge poort te gaan: omdat het de poort is die naar het paradijs leidt. Er was een poort van het paradijs waardoor onze vader Adam en onze moeder Eva wenend gingen. Zij lieten de hof achter zich om de woestijnachtige wereld in te trekken. Kunt u zich hen voorstellen, met de cherubs achter zich en het vlammende zwaard dat hun beval te vertrekken? Want het paradijs was geen plaats voor rebellen.

Sindsdien hebben mensen overal op de wereld rondgezworven om de poort van het paradijs te vinden, opdat zij er opnieuw zouden kunnen binnengaan. Zij hebben de toppen van de Sinaï beklommen, maar daar hebben zij haar niet gevonden. Zij hebben de wegen door de woestijn afgelegd, vermoeid en met bezeerde voeten, uitgeput en bezwijkend. Maar op al hun tochten hebben zij nergens een poort naar het paradijs gevonden.

De geleerde heeft haar gezocht in de oude boeken. De sterrenkundige heeft haar gezocht tussen de sterren. De zogeheten wijzen hebben haar proberen te vinden door hun kunsten te bestuderen. En dwazen hebben haar proberen te vinden tussen hun luiten en hun bekers. Maar er is maar één poort! Kijk, daar is zij! Zij heeft de vorm van een kruis. Wie de poort van de hemel wil vinden, vindt het kruis en de Man Die eraan gehangen heeft!

Gelukkig is hij die erbij kan komen en erdoorheen kan gaan, terwijl hij heel zijn vertrouwen stelt op de verzoening die de Man van smarten eenmaal aan het hout van Golgotha heeft volbracht. Op aarde is hij behouden. En in het uur van de dood zal hij onbelemmerd door die poort van paarlen gaan. Hij zal zonder schroom over de straten van goud wandelen en zonder vrees buigen voor de voortreffelijke heerlijkheid! Hij is vrijburger in de hemel. Het kruis is het kenteken van een burger van het hemelrijk! Heeft hij werkelijk in Jezus geloofd, dan is eeuwige zaligheid boven alle twijfel zijn deel!

Wie zou dan niet door de enge poort gaan? En wie zou er niet doorheen willen gaan wanneer hij bedenkt wat het lot zal zijn van hen die buiten de poort blijven? Hoe beven wij bij de gedachte aan die buitenste duisternis, waar wening zal zijn en gehuil en tandengeknars! Tegenwoordig worden er veel vragen opgeworpen over de eeuwige straf. O, broeders en zusters, daag de bittere werkelijkheid van zo’n verdoemenis niet roekeloos of onachtzaam uit!

Bespiegel over de leer zoveel u wilt, maar ik bid u: speel niet met de werkelijkheid. Voor eeuwig verloren te zijn, wat dat ook moge betekenen, zal meer zijn dan u kunt dragen, al waren uw ribben van ijzer en uw beenderen van koper. Daag de wrekende engel niet uit! Pas op dat u God niet vergeet, opdat Ik niet verscheure en niemand redde. Bij de levende God bid ik u: vrees en beef, opdat u niet buiten Christus gevonden wordt op de dag van Zijn verschijning.

Rust niet, wees niet gerust en nog veel minder vrolijk, totdat u behouden bent! In gevaar te verkeren van het vuur van de hel is een gevaar dat geen hart zich goed kan voorstellen en geen taal passend kan schilderen! O, ik smeek u, blijf niet staan, gun uzelf geen rust tot u buiten dat gevaar bent! Vlucht voor uw leven, want de vurige regen zal spoedig neerdalen! Ontkom! God versnelle in Zijn barmhartigheid uw schreden, opdat u tijdig ontkomt, voordat het uur van de barmhartigheid voorbij is en de dag van het oordeel komt! Dit zijn toch redenen genoeg om door de enge poort te willen binnengaan!

Let verder op wat onze Heere ons zegt:

II. ER IS EEN MENIGTE MENSEN DIE ZULLEN ZOEKEN IN TE GAAN EN NIET ZULLEN KUNNEN.

Wie zijn dat? Als u goed kijkt naar de menigte die probeert erdoor te komen, zult u volgens mij een aanzienlijk verschil zien tussen zoeken en strijden. U wordt niet alleen aangeraden te zoeken; u wordt dringend geboden te strijden. Strijden is een veel heftiger bezigheid dan zoeken. Behoort u tot hen die koeltjes om toegang vragen omdat zij menen dat het nu eenmaal zo hoort?

Er zijn er velen die tot de poort van de barmhartigheid komen en zoeken in te gaan. Maar zij strijden niet. Zij zijn niet bijzonder bezorgd en zeker verre van aangedaan. Wanneer zij naar de poort kijken, hebben zij bezwaar tegen de bovendorpel omdat die te laag is. En zij verwaardigen zich niet te bukken. Met een hoogmoedig hart kan men niet in Jezus geloven!

Wie op Christus vertrouwt, moet voelen dat hij schuldig is en dat erkennen. Hij zal nooit zaligmakend geloven tot hij grondig van zonde overtuigd is. Maar velen zeggen: „Daarvoor zal ik mij nooit verlagen. Tenzij ik iets aan het werk mag bijdragen en een deel van de verdienste mag hebben, kan ik niet binnengaan.” Nee, mijne heren, sommigen van u kunnen helemaal niet in Christus geloven, omdat u in uzelf gelooft!

Zolang iemand zichzelf een voortreffelijk mens vindt, hoe kan hij dan hoge gedachten hebben over Jezus? U verduistert de zon! U houdt uw eigen kleine handen voor het zonlicht; hoe kunt u dan verwachten iets te zien? U bent te goed om naar de hemel te gaan — tenminste, te goed in uw eigen ogen. O mens, ik bid dat God die zeepbel doorprikt, die opgeblazen blaas, en de lucht eruit laat lopen. Dan kunt u ontdekken wat u werkelijk bent.

Want u bent tenslotte niets anders dan een arme worm, verachtelijk ondanks uw verwaandheid en hoogmoed. Ondanks uw armoede bent u een aanmatigende worm, die het waagt zijn kop op te heffen terwijl hij niets heeft om op te roemen! O, buig u neer in nederige afkeer van uzelf. Anders zult u misschien zoeken in te gaan, maar niet kunnen!

Sommigen kunnen niet binnengaan omdat de grootsheid van het leven hen tegenhoudt. Zij komen met hun koets en span naar deze poort en verwachten naar binnen te rijden. Maar zij krijgen geen toegang. Er is geen andere weg tot zaligheid voor een lid van de adel dan voor een arme in het armenhuis! De grootste vorst die ooit geleefd heeft, moet op Jezus vertrouwen zoals de armste boer dat moet doen.

Ik herinner mij dat een predikant mij eens vertelde dat hij bij het sterfbed kwam van een zeer hoogmoedige vrouw van aanzienlijk vermogen. Zij zei tegen hem: „Denkt u, mijnheer, dat iemand als Betty, mijn dienstmeisje, op dezelfde plaats zal zijn als ik wanneer ik in de hemel ben? Ik heb haar gezelschap hier nooit kunnen verdragen. Zij is op haar manier een goede dienstbode, maar ik weet zeker dat ik het in de hemel niet met haar zou kunnen uithouden.” „Nee, mevrouw,” zei hij, „ik denk niet dat u ooit zult zijn waar Betty zal zijn.”

Hij wist dat Betty een van de nederigste en meest oprechte christelijke vrouwen was die er te vinden waren. Hij had deze hoogmoedige dame kunnen zeggen dat zachtmoedigheid in de ogen van God te verkiezen is boven aanzien. De Heere Jezus zal op de dag van Zijn komst al zulke onderscheidingen uitwissen. Op aarde kunnen zij heel terecht bestaan, maar in het hemelrijk kunnen zij niet erkend worden.

O rijke man, roem niet in uw rijkdom! Al uw vermogen zou, als u het mee kon nemen, geen enkele straatsteen in de straten van de hemel kunnen kopen! Vertrouw niet op dit armzalige slijk! O, leg het af als een kroon om op te roemen, en ga nederig met Lazarus door de poort!

Sommigen kunnen niet binnengaan omdat zij smokkelwaar bij zich hebben. Wanneer u in Frankrijk aan land gaat, staat daar de douanier die wil zien wat u in die mand hebt. Probeert u erlangs te glippen, dan wordt u al gauw aangehouden. Hij moet weten wat erin zit, want smokkelwaar mag niet worden ingevoerd. Zo kan ook bij de poort van de barmhartigheid, die Christus is, niemand behouden worden als hij zijn zonden wil behouden. Hij moet elke valse weg prijsgeven.

„O,” zegt de dronkaard, „ik zou graag naar de hemel gaan, maar ik moet deze fles op de een of andere manier naar binnen smokkelen.” „Ik zou graag een christen zijn,” zegt een ander. „Ik vind het niet erg de liederen van dr. Watts mee te zingen, maar ik zou af en toe graag een drinklied of een wereldse serenade zingen.” „Welnu,” roept een derde, „ik geniet op zondag met Gods volk, maar u moet mij doordeweeks de genoegens van de wereld niet ontzeggen. Die kan ik niet opgeven.”

Welnu, dan kunt u niet binnengaan. Want Jezus Christus behoudt ons nooit in onze zonden, maar Hij behoudt ons vànonze zonden. „Dokter,” zegt de dwaas, „maak mij beter, maar ik wil mijn koorts graag behouden.” „Nee,” zegt de dokter, „hoe kunt u beter worden terwijl u de koorts vasthoudt?” Hoe kan iemand van zijn zonden behouden worden terwijl hij aan zijn zonden vasthoudt? Wat is zaligheid anders dan verlost worden van de zonde? Wie de zonde liefhebben, mogen zoeken behouden te worden, maar zij zullen niet kunnen. Zolang zij hun zonden koesteren, kunnen zij Christus niet hebben!

Sommigen van u verkeren in deze droevige toestand. U komt al heel lang in dit bedehuis. Ik weet niet wat u tegenhoudt. Maar dit weet ik wel: er zit ergens een worm die het hart uit die mooi ogende appel eet. Een of andere verborgen zonde die u vertroetelt, richt uw ziel te gronde! O, had u maar de genade om haar op te geven en door de enge poort binnen te gaan, met vertrouwen op Jezus Christus!

Niet weinigen kunnen niet binnengaan omdat zij de zaak tot morgen willen uitstellen. Vandaag bent u in elk geval bezig met andere plannen en ontwerpen. „Laat mij nog een poosje genieten van de genoegens van het leven. Daarna zal ik binnengaan.” Uitstellers behoren tot de meest hopeloze mensen! Wie „morgen” op de lippen heeft liggen, zal waarschijnlijk nooit de genade in zijn hart laten heersen.

Anderen — en zij verkeren wel in de gevaarlijkste toestand van allemaal — denken dat zij al binnen zijn en dat zij zijn binnengegaan. Zij verwarren de buitenkant van de poort met de binnenkant! Het is een vreemde vergissing om in te vervallen, maar velen misleiden zichzelf zo. Zij wrijven hun rug tegen de deurposten en beweren dan dat zij net zo dicht bij de hemel zijn als ieder ander. Zij zijn nooit over de drempel gegaan. Zij hebben nooit werkelijk beschutting gevonden in Christus.

Misschien hebben zij zich op een opwekkingssamenkomst wonderlijk opgewekt gevoeld. Misschien hebben zij even luid en krachtig als wie ook in de bijeenkomst gezongen: „Ik geloof, ik zal geloven.” Er is een aanzienlijke schijn van verbetering bij hen. Zij hebben geen nieuw kleed gekregen, maar zij hebben het oude opgelapt. Zij zijn geen nieuwe schepselen, maar toch gedragen zij zich beter dan vroeger! En zij menen dat het „helemaal in orde” is.

Laat u niet misleiden, mijn beste vrienden! Pas op dat u een werk van de natuur niet aanziet voor de werking van Gods genade. Laat u niet beetnemen door de namaak van de tegenstander. Die is knap nagemaakt en ziet er echt uit. Als zij nieuw is, schittert en blinkt zij als fijn goud, maar zij zal de toets niet doorstaan! Elk stuk ervan zal op een dag met een spijker doorboord worden. Het zal bij God nooit als gangbare munt gelden.

Als u een godsdienst hebt, laat die dan echt en waar zijn, niet geveinsd en huichelachtig! Van alle bedriegers is de man die zichzelf bedriegt zeker de minst wijze, en ik denk ook de minst eerlijke. Speel niet de bedrieger met uw eigen ziel! Verdenk uzelf liever te veel dan te weinig. Beter naar de hemel reizen in angst voor het verderf dan dromen van het gezegende land terwijl u de andere kant op drijft. „Ach, dat bedrog zulke zachte gestalten kan aannemen!” Wees op uw hoede, ieder van u. Laat niemand zichzelf bedriegen!

Zo komt het dat een menigte mensen — ik had bijna gezegd: een ontelbare menigte — tegenwoordig zoekt in te gaan, maar om allerlei redenen niet kan. En toch heeft ditzelfde feit een nog verschrikkelijkere kant. Jezus zegt: velen, zeg Ik u, zullen zoeken in te gaan, en zullen niet kunnen.

De stervenden kunnen het niet. In paniek laat de stervende man de predikant halen naar wie hij nooit ging luisteren toen hij gezond was en de tijd hem zwaar viel. De aantrekkingskracht van de zondagen lag voor hem in losbandigheid: een uitstapje over de rivier of een goedkoop reisje naar Brighton en terug. Alles, werkelijk alles, liever dan het Evangelie horen! Hij las nooit zijn Bijbel. Hij bad nooit. Nu schudt de dokter het hoofd en stelt de verpleegster voor om „een predikant te halen”.

Arme ziel! Zij bedoelt het goed, maar wat denkt u dat hij kan doen? Wat kunnen wij predikanten voor u doen? Wat kan een mens doen voor zijn medeschepsel? Niemand van hen zal zijn broeder immermeer kunnen verlossen; hij zal Gode zijn rantsoen niet kunnen geven. Hij begint te zoeken, maar helaas: de arme man kan niet meer helder nadenken. Hij is in articulo mortis, in de stuiptrekkingen van zijn laatste strijd!

Zijn hoofd duizelt, de pijn in zijn binnenste neemt toe, er ligt een glazig waas over zijn ogen en er komen verwarde woorden over zijn lippen. Zelfs als hij kon nadenken, heeft hij wel iets anders om over na te denken dan de vreselijke toekomst die hem wacht! Kijk naar zijn wenende vrouw. Ziet u die lieve kinderen, die binnengebracht zijn om een laatste kus van hun vader te krijgen? Al was zijn geest krachtiger, dan zou die nog niet waarschijnlijk vervuld zijn van geestelijke gedachten. Het plechtige afscheid vraagt te veel om de ogenblikken die overblijven te besteden aan voorbereiding op de toekomst.

„Bid voor mij, mijnheer,” zegt hij met bezwijkende, haperende adem. Ja, hij zoekt in te gaan! In negenennegentig van de honderd gevallen vrees ik dat het antwoord luidt: hij zal niet kunnen. Ik heb weinig hoop op bekeringen op het sterfbed. Vertrouw er nooit op, ik smeek het u! Zo’n voorportaal als een rustig ziekbed krijgt u misschien nooit; misschien is het uw lot om plotseling op straat te sterven. En als u al een sterfbed krijgt, zult u wel aan iets anders te denken hebben dan aan godsdienst.

O, hoe vaak heb ik christenen horen zeggen als zij stierven: „Ach, mijnheer, als ik nu nog een God moest zoeken, wat een ellende zou dat zijn! Wat een zegen is het dat ik, met alle zorgen die nu over mij komen, een zekere en vaste hoop in Christus heb. Want ik heb Hem jaren geleden gevonden.” O, beste hoorders, behoor niet tot hen die uitstellen en talmen, totdat u in het stervensuur op een of andere manier zoekt in te gaan en merkt dat u niet zult kunnen!

Enkele jaren geleden werd ik om ongeveer drie uur ‘s nachts gewekt door het schelle rinkelen van de deurbel. Mij werd dringend gevraagd zonder uitstel een huis te bezoeken niet ver van London Bridge. Ik ging, en twee trappen hoger werd ik in een kamer binnengelaten. Er waren alleen een verpleegster en een stervende man; verder was er niemand.

„O, mijnheer,” zei zij, „de heer die en die heeft mij ongeveer een halfuur geleden gesmeekt u te laten halen.”

„Wat wil hij?” vroeg ik.

„Hij is stervende, mijnheer,” antwoordde zij.

Ik zei: „Dat zie ik. Wat voor man was hij?”

„Hij kwam gisteravond thuis uit Brighton, mijnheer; hij was de hele dag weggeweest. Ik heb een Bijbel gezocht, maar er is er geen in huis. Ik hoop dat u er een bij u hebt.”

„O,” zei ik, „een Bijbel zou hem nu niets meer baten! Als hij mij nog kon verstaan, zou ik hem de weg van de zaligheid kunnen vertellen in de woorden van de Heilige Schrift zelf.”

Ik sprak hem aan, maar hij gaf mij geen antwoord. Ik sprak opnieuw, maar weer kwam er geen antwoord. Alle besef was verdwenen. Ik stond een paar minuten naar zijn gezicht te kijken, tot ik merkte dat hij dood was. Zijn ziel was heengegaan. Van die man was bekend dat hij tijdens zijn leven openlijk met mij gespot had. Met krachtige woorden had hij mij vaak uitgemaakt voor een huichelaar.

Toch was hij nauwelijks door de pijlen van de dood getroffen, of hij zocht mijn aanwezigheid en mijn raad. Ongetwijfeld voelde hij in zijn hart dat ik een dienaar van God was, al wilde hij dat met zijn lippen niet erkennen. Daar stond ik en ik kon hem niet helpen. Hoe snel ik ook op zijn roep was gekomen, wat kon ik anders doen dan naar zijn lichaam kijken en weer naar huis gaan? Toen het te laat was, had hij verlangd naar de bediening van de verzoening. Hij zocht in te gaan, maar hij kon niet. Er was toen geen ruimte meer voor hem om zich te bekeren. Hij had de gelegenheid voorgoed verspeeld.

Daarom bid en smeek ik u, mijn beste hoorders, bij het naderen van de dood — die misschien veel dichterbij is dan u denkt —: sla ernstig acht op deze dingen! Ik kijk rond in dit gebouw en zie de banken en zitplaatsen waar luisteraars zaten wier gezichten ons eens vertrouwd waren. Zij zijn heengegaan: sommigen naar de heerlijkheid, sommigen weet ik niet waarheen. God weet het. O, moge het volgende heengaan, als het het uwe is, niet de plaats leegmaken van een spotter of van iemand die het Evangelie verwaarloosde! Of van iemand die in zijn geweten geraakt werd, maar de innerlijke vermaner het zwijgen oplegde en zich niet wilde bekeren!

Zo waar als de Heere leeft: u moet zich bekeren of verloren gaan! U moet zich óf bekeren óf voor eeuwig omkomen! Moge God u wijsheid geven om het goede deel te kiezen!

Uit de Schrift blijkt dat er zelfs na de dood sommigen zullen zijn die zullen zoeken in te gaan en niet zullen kunnen. Ik probeer niet uit te leggen wat ik niet kan begrijpen. Maar ik zie dat de Meester hen aan de linkerhand een vraag laat stellen: Heere, wanneer hebben wij U hongerig gezien? Het is alsof zij nog een sprankje hoop koesterden dat het vonnis over hen zou worden herroepen.

En op een andere plaats lees ik van hen die zullen komen en aan de deur zullen kloppen en zeggen: Heere, Heere, doe ons open! Maar de Heere van het huis, Die al is opgestaan en de deur heeft gesloten, zal antwoorden: Ik ken u niet, van waar gij zijt.

Is er dan zoiets als gebed in de hel? Wanneer de ziel zonder hoop het lichaam verlaten heeft, zal zij dan later nog hoop zoeken? Misschien wel. Bad de rijke man immers niet tot Abraham om Lazarus te zenden?

Het is niet meer dan natuurlijk om te verwachten dat zij, zoals zij op aarde aan Gods beloften twijfelden, in het verderf aan Gods bedreigingen zullen twijfelen. Misschien zullen zij hopen dat er een uitweg is. Zij zullen zoeken, zij zullen zoeken, maar zij zullen niet kunnen — niet kunnen binnengaan in de hemel! Zij zeiden op aarde dat zij niet konden; zij zullen merken dat zij het ook daar niet kunnen!

Non possumus, „wij kunnen niet”, is de uitvlucht van de zondaar: „Wij kunnen onze zonden niet laten! Wij kunnen niet geloven! Wij kunnen niet ernstig zijn! Wij kunnen niet biddend leven!” En hoe zal het hun dan voor de voeten geworpen worden! Zij kunnen de hemel niet binnengaan en zij kunnen niet ontkomen aan de pijniging. Zij kunnen niet leven en zij kunnen niet sterven. Zij kunnen het niet, omdat de poort van de hemel geen zondaar toelaat die niet gewassen is in het bloed van de Verlosser!

Terug met u! U wilde niet naar de fontein komen, u wilde zich niet laten wassen! Terug met u! U kunt het niet! U kunt het niet, omdat de hemel een toebereide plaats is voor een toebereid volk. En u hebt nooit aan voorbereiding gedacht! Weg met u, mijnheer! Hoe kunt u binnengaan als u niet voorbereid bent? De hemel is een plaats waarvoor geschiktheid nodig is. Mensen kunnen niet genieten van wat tegen hun natuur ingaat.

Weg met u, mijne heren! U zou niet van de hemel kunnen genieten als u werd toegelaten, want u bent in uw hart niet veranderd! Weg met u! Wat? Blijft u talmen? Roept u? Bidt u? Weent u? Smeekt u? Weg met u! Nee, de engelen zullen u wegdrijven. Want staat er niet geschreven dat u zelf buitengeworpen zult worden? U wordt zonder plichtplegingen weggedreven en weggejaagd van de poort van de heerlijkheid, omdat u niet wilde komen tot de poort van de genade.

Dit zijn verschrikkelijke dingen om uit te spreken. Ik zou er wel voor terugdeinzen zo te spreken, als de trouw aan uw ziel niet eiste dat ik de waarschuwing laat klinken. Als u sterft zonder geloof in Christus, zie, dan is er een grote kloof gevestigd tussen u en de hemel. Ik weet niet wat dat allemaal inhoudt, maar ik weet wel welk beeld het mij geeft en u behoort te geven: tussen hemel en hel is geen verkeer mogelijk! Niemand is ooit van de hel naar de hemel overgegaan.

Er is een grote kloof gevestigd, zodat zij die van hier naar u zouden willen overgaan, niet kunnen; en zij die daar zijn, evenmin vandaar naar ons kunnen overkomen. Geen enkele zucht heeft ooit de vlammen van de hel gekoeld. Geen enkele traan heeft ooit de woede van het vuur van Gods toorn geblust. Geen zondaar heeft ooit een overstap gemaakt van het gezelschap der verdoemden naar het gezelschap der engelen en de geesten der volmaakten.

O, ontzagwekkende gedachte! De poort zal voor altijd gesloten zijn; en wie buitengesloten is, zal voor altijd buitengesloten blijven. Dit brengt mij tot het laatste en belangrijkste punt:

III. EEN DRINGENDE AANSPORING OM TE STRIJDEN OM IN TE GAAN.

Omdat zovelen zoeken en niet kunnen binnengaan, zegt de Meester tegen u en mij: „Strijdt om in te gaan door de enge poort.”

Wat betekent dit strijden?

In de eerste plaats betekent het: wees ernstig over uw eigen behoud. Speel er niet mee. Maak van de godsdienst geen bijzaak, een tijdverdrijf voor een verloren uurtje op zondag. Als er één zaak is onder de hemel die al uw krachten, al uw verstand en heel uw ziel eist, dan is het wel de vraag of u behouden bent of verloren zult gaan. Ga er niet vanuit dat het wel goed zal komen. Neem uw zaligheid niet op goed geloof aan. Onderzoek uzelf! Roep tot God dat Hij u doorzoekt. Strijd alsof uw leven ervan afhangt, want het hangt er inderdaad van af — uw eeuwig leven!

In de tweede plaats betekent strijden: breek radicaal met de zonde. U kunt de zonde en Christus niet tegelijk vasthouden. Als u behouden wilt worden, moet die drankfles weg. Als u behouden wilt worden, moeten die oneerlijke praktijken in uw handel ophouden. Als u behouden wilt worden, moeten die goddeloze vrienden en die zondige genoegens worden opgegeven. Het zal een zware strijd zijn om los te komen van gewoonten die zo diep in uw natuur zijn ingesleten. Het zal voelen als het uithakken van een rechterhand of het uitrukken van een rechteroog. Maar het moet gebeuren! Strijd tegen uw boezemzonden; werp ze van u af in de kracht van de Heilige Geest.

In de derde plaats betekent strijden: zoek de Heere onmiddellijk en met heel uw hart. Stel het niet uit tot morgen! Heden, indien gij Zijn stem hoort, verhardt uw harten niet. Wacht niet op een geschiktere tijd; die geschiktere tijd zal nooit komen. Wacht niet tot u op uw sterfbed ligt, want dan zult u niet meer kunnen nadenken. Strijd nú! Roep nú tot Hem om genade! Werp u heden aan de voeten van de Zaligmaker.

En bovenal betekent strijden: vertrouw volkomen en alleen op Jezus Christus. Strijd niet om uzelf te redden door uw eigen tranen, uw eigen gebeden of uw eigen goede werken. Dat zou een heilloze strijd zijn die nergens toe leidt. Strijd om af te zien van alle zelfvertrouwen. Strijd tegen de hoogmoed die weigert als een arme bedelaar aan de poort van de genade te staan.

Ga door de enge poort! De poort is eng: u kunt er uw eigen verdienste niet doorheen meedragen; u kunt er uw zonden niet doorheen meenemen. U moet uzelf geheel ontledigen. Maar al is de poort eng, zij staat wijd genoeg open voor elke boetvaardige zondaar die komt! Christus wijst niemand af die in het geloof tot Hem vlucht.

O, ik smeek u: ga niet heen uit dit huis zonder vrede met God! Als u de poort voorbijloopt, loopt u de afgrond tegemoet. Als u aarzelt, kan de dood u wegrukken voordat de zon opnieuw opgaat. Maar als u thans uw toevlucht neemt tot de Man van Golgotha, als u heden uw zonden belijdt en rust op Zijn verzoenend bloed, dan bent u gered voor tijd en eeuwigheid.

Strijdt om in te gaan door de enge poort! Moge de Heere Zelf door Zijn Heilige Geest u kracht geven om binnen te gaan, om Zijns Naams wil. Amen.

Preek nr. 3560· Gehouden te Newington, Londen, Metropolitan Tabernacle Pulpit deel 63. Oorspronkelijke titel: “The Strait Gate”. Bron: Spurgeon’s Sermons, spurgeon.org.

Steun ons met een donatie

Uw steun helpt ons om Het Spurgeon Archief in stand te houden. Dankzij uw bijdrage kunnen wij ons werk voortzetten en dit waardevolle archief gratis aanbieden en vrijhouden van reclame en commerciële invloeden.

Wij danken u hartelijk voor uw steun en betrokkenheid!

Archiefhulpmiddelen

Contact

Heeft u een tekstfout gevonden, of heeft u een vraag? Stuur dan een E-mail naar: [email protected]

Over de Auteur

C.H. Spurgeon

1834 – 1892 Was een Engelse baptistenpredikant in de puriteinse traditie. Belangrijke onderwerpen uit zijn prediking waren de vergeving van zonden en de noodzaak van wedergeboorte.

Onze Socials:

Copyright & Content