Een wel-geordend leven

Uitgesproken door C. H. Spurgeon op 27 juni 1869 in de Metropolitan Tabernakel te Newington, Londen.

Copyright © Het Spurgeon Archief | Portret C.H. Spurgeon

Maak mijn voetstappen vast in Uw Woord, en laat geen ongerechtigheid over mij heersen. Psalmen 119:133

Dit is niet het gebed van een onbekeerd mens, of de kreet van een ontwaakte zondaar die dwaas verwacht de zaligheid in goede werken te vinden. Het is het gebed van iemand die behouden is en het weet. Het vers dat aan de tekst voorafgaat, toont dit.

Want hij vraagt genadig behandeld te worden, zoals de Heere gewoon is te doen met hen die Zijn Naam liefhebben. Hij is er daarom zeker van dat hij bij hen hoort, dat hij deelt in Gods genade. Het bewijs daarvan ziet hij in zijn liefde voor de Naam van de Heere. Nu, die personen die werkelijk behouden zijn, behoren tot de allerluidsten om te protesteren tegen alles wat lijkt op vertrouwen in goede werken: u zult hen met heel hun hart de eigengerechtigheid horen veroordelen, in elke gedaante.

U zult hen met alle kracht de gerechtigheid van de Heere Jezus Christus horen prediken als de enige grond waarop een ziel mag rusten, en toch zijn deze mensen, tegelijkertijd, van allen ter wereld, het meest ijverig voor goede werken. Zij zijn zelf het meest ernstig om heilig, in de vreze Gods te leven en de leer van God hun Zaligmaker in alle dingen te sieren.

David maakte geen belijdenis van zaligheid op grond van zijn eigen verdiensten. Hij was door goddelijke genade geleid om te vertrouwen op de besprenging van het kostbare bloed en zich te beroemen op een andere gerechtigheid dan de zijne. En toch was hij onvermoeibaar in het gebed en in zijn ernstige pogingen om gereinigd te worden van alle gebreken van het leven en toe te nemen in praktische heiligheid, om zo steeds meer een getrouwe dienstknecht van God te worden. Het gebed dat voor ons ligt, is het zuchten van een geredde ziel naar een hogere staat van heiligmaking. Het is het verlangen van een geest die al met God verzoend is om nog volmaakter gelijkvormig te worden aan de gedachten en wil van de Heere.

Laten wij zorgvuldig elk woord van de tekst opmerken. “Maak vast”, zegt David, of, zoals sommigen het lezen: “richt”, „zet recht”, “stel aan”, “vestig stevig”, of: “maak mijn voetstappen recht”. David zag, wanneer hij naar de natuur keek, dat overal orde heerste.

In de hemel boven hem en op de aarde beneden hem, en zelfs onder het gevogelte des hemels en de vissen van de zee. Hij verlangde er daarom naar om in het gelid te vallen en de harmonie van het heelal te bewaren. Hij was niet bang om uitgelachen te worden vanwege zijn leven van orde en regelmaat.

Want hij zag dat orde en regelmaat goddelijke instellingen waren. Hij streefde niet naar een willekeurig leven en benijdde de vrijbuiters niet, wier leus is: “Doe wat u wilt.” Hij verlangde er niet naar zijn eigen meester te zijn. Hij wenste in alle dingen geregeerd te worden door de hogere en volkomen wil van God. In de tekst buigt koning David zich eerbiedig voor de Koning der koningen. Hij sluit zich aan bij het leger van de Heere der heerscharen en vraagt om zijn marsorders, samen met de genade om die te gehoorzamen.

Merk vervolgens het woord “mijn voetstappen” op. David is bezorgd om de details. Hij zegt niet: “Orden mijn hele pelgrimstocht.” Dat mag hij wel bedoelen, maar zijn uitdrukking is veelzeggender en nauwkeuriger: hij verlangt ernaar dat iedere afzonderlijke stap in heiligheid wordt geordend. Hij verlangt ernaar in ieder klein onderdeel van zijn reis naar de hemel de leiding van God te ontvangen. Veel van de schoonheid van de heiligheid ligt juist in de kleine dingen. Heiligheid tot in de kleinste bijzonderheden is de volmaaktheid van voortreffelijkheid.

Als een leven in ieder uur de toets kan doorstaan, is het werkelijk zuiver. Wie niet zorgvuldig is in zijn woorden en zelfs in zijn gedachten, zal spoedig ook achteloos worden in zijn meer opvallende handelingen. Wie zonde duldt in wat hij als kleinigheden beschouwt, zal zich er spoedig ook in grotere zaken aan overgeven. Van dag tot dag leven en iedere stap bewaken, is de ware weg van de pelgrim. Er ligt meer besloten in het zorgvuldig letten op iedere afzonderlijke daad dan achteloze geesten zich wel voorstellen.

Laat dit dan uw gebed zijn: “Heere, richt mijn gedachten in de morgen, opdat de eerste stap die ik uit mijn kamer in de wereld zet, in Uw vreze mag worden gedaan. Bewaar mij aan mijn tafel in Uw tegenwoordigheid, achter mijn toonbank, op mijn akker, of waar ik ook mag zijn.

Laat mij niet toe Uw Geest door enig kwaad te bedroeven. En wanneer ik ‘s avonds ga liggen, laat zelfs die eenvoudige handeling, die zo onverschillig lijkt — mijzelf op mijn kussen neerleggen — verricht worden met een hart dat U liefheeft. Zodat ik gereed zal zijn om bij U te zijn, wanneer ik ‘s nachts wakker mocht liggen.”

Dit korte gebed, “Maak mijn voetstappen vast”, leert ons aandacht te hebben voor de kleinste bijzonderheden van het leven. Mogen wij door goddelijke genade leren wat deze woorden betekenen. Want zij betekenen nog veel meer.

De dichter beschouwt het Woord van God duidelijk als de eigenlijke weg van zijn leven, en hij bidt dat hij mag wandelen binnen de lijnen die Gods Woord getrokken heeft: dat hij altijd mag blijven binnen de heilige omheining die de geboden van God gemaakt hebben om de weg van de koning te bewandelen.

Hij bidt niet: “orden mijn voetstappen bij Uw Woord,” alsof het een wet was die op de zuil in de markt hing, om gelezen en bestudeerd te worden, en dan hangend te blijven op zijn plaats, maar “in Uw Woord,” alsof het gegrift was in zijn hart. En dan al zijn wegen, gedachten en wezen omvatte. Het Woord is de weg van onze mars, de zee van onze vaart, de weide van onze voeding, het huis van onze rust. Heere, laat ons nooit een stap erbuiten hebben, noch een wanordelijke stap erin. “En laat geen ongerechtigheid over mij heersen,” voegt de dichter eraan toe. Hij voegt vaak een negatieve smeekbede toe aan zijn positieve gebeden, alsof om ze te voltooien. De tweede uitdrukking is zwakker dan de eerste, en is in een lagere toon gesteld.

Alsof de smekeling zou zeggen: “Als, o Heere, mijn voetstappen niet zo geordend kunnen worden in Uw Woord, dat zij helemaal zonder zonde zijn, laat dan toch geen ongerechtigheid de overhand krijgen over mijn geest. Zelfs wanneer mijn ziel afdwaalt, laat mij dan toch in de hoofdzaak U trouw blijven. Als de zonde mij aanvalt, laat haar mij dan tenminste niet tot slaaf maken. En als ik een tijdlang afdwaal, laat mij dan toch steeds gerekend worden tot Uw eigen schaap, en niet tot de kudde van satan. O mijn Heere, laat geen ongerechtigheid plaatsnemen op de troon van mijn hart en mij tot haar onderdaan en dienaar maken. Als ik in het slijk uitglijd, laat het dan slechts een uitglijden zijn en laat mij er niet in blijven rollen.

Zo heb ik de woorden één voor één geopend, en nu, de laatste zin overslaand, omdat wij deze morgen geen tijd zullen hebben haar te overwegen, zal ik u vragen mij uw ernstige aandacht te geven, terwijl wij spreken over het plechtig-praktische onderwerp van de heiligmaking. Ten eerste zullen wij de orde van een heilig leven overwegen. Ten tweede, de regel van de heiligheid waarnaar die orde geschikt wordt: “Maak mijn voetstappen vast in Uw Woord.” En ten derde, de grote Bestuurder van die orde, de Heere Zelf.

Wanneer wij deze punten besproken hebben, zullen wij afsluiten met enkele praktische woorden, en moge de Heilige Geest ze ons genadig zegenen. Een heilig leven is geen werk van toeval: het is een meesterwerk van ORDE. David bidt dat zijn voetstappen geordend mogen worden.

Heiligheid verheugt zich in symmetrie, harmonie, verhouding, orde. Als wij bij het begin de orde van de heiligheid beschouwen als gelijkvormigheid aan de voorgeschreven regel, hebben wij die regel ons gegeven in levende karakters in het vleesgeworden Woord.

De wet van God, niet slechts zoals die door Mozes werd gegeven, maar zoals zij zichtbaar is geworden in het leven van onze Verlosser, is de leefregel voor de christen. Het betaamt ons daarom dat elke afzonderlijke handeling van ons leven, wanneer die door de alziende God wordt onderzocht en beoordeeld, oprecht en in overeenstemming met Zijn wil bevonden wordt.

Elke handeling behoort gevormd te zijn naar de volmaakte heiligheid van onze Heere Christus. Helaas vrees ik dat er velen zijn die zich christen noemen en honderden dingen doen zonder ook maar één keer stil te staan bij het voorbeeld van Christus en zich af te vragen of hun handelen daarmee in overeenstemming is.

Om te zien of die handelingen oprecht zijn. Maar een teder geweten, een hart dat werkelijk levend gemaakt is door de Heilige Geest, zal vaak stilstaan en, na elke afzonderlijke daad, zeggen: “O Heere, mijn God, ik bid U Uw dienstknecht te vergeven.

Als mijn woorden niet geordend zijn geweest naar Uw wil. Help mij nu, in de volgende stap die ik op het punt sta te zetten, dat ik moge voortgaan naar Uw gedachte.” Elke stap die een mens zet in het leven, bedenk dat, is een stap naar de hemel of naar de hel.

In alles wat wij doen, dienen wij óf God óf de duivel. Geen enkele handeling in ons leven is onbelangrijk. De pelgrim wint of verliest bij iedere stap die hij zet. Hoewel de gelovige, omdat hij in Christus is, nooit verloren zal gaan, zal hij als kind van God wel zeker en streng door de Heere worden gekastijd wanneer hij verkeerd handelt.

Als hij zondigt, zal hij de vrede van zijn geest verliezen en iets van het licht van het aangezicht van zijn Heere moeten missen. Wij kunnen het ons daarom nooit veroorloven lichtvaardig om te gaan met onze handelingen, woorden of gedachten. Zelfs wanneer wij alleen zijn en er geen plicht is die ons op dat moment dringend roept, staan wij ook in onze eenzaamheid in het volle licht van Gods alziend oog. Juist dan is het ten zeerste onze plicht de uitgangen van ons hart te bewaken, opdat wij de Geest van God niet op enige wijze bedroeven door boze gedachten of verkeerde verlangens. Mensen handelen dwaas wanneer zij zelfs hun meest onbeduidende handelingen lichtvaardig opvatten. Het leven is altijd een ernstige zaak, omdat het verbonden is met God en met de eeuwigheid.

Zorg ervoor dat u het leven zo beschouwt en speel er nooit mee alsof het slechts een ijdelheidsmarkt is. Velen lijken met het leven te spelen, maar wie werkelijk goed wil leven, gaat ernstig en bedachtzaam met ieder ogenblik om en heft zijn hart tot God op. Hij verlangt ernaar dat al zijn gedachten, woorden en daden de toets van het Laatste Oordeel kunnen doorstaan en in overeenstemming bevonden worden met de gerechtigheid van God. De eerste orde van een heilig leven is dan ook de orde van gelijkvormigheid aan de wil van de Heere.

Een andere vorm van orde waarnaar wij zouden moeten streven, zal ik, om het ons gemakkelijk te maken die te onthouden, de rekenkundige orde noemen. Dingen zijn nooit werkelijk in orde wanneer het tweede de plaats van het eerste inneemt, of het vijfde voorrang krijgt boven het tweede. Orde in het leven bestaat voor een groot deel hierin dat wij eerst het Koninkrijk van God en Zijn gerechtigheid zoeken en al het andere op zijn juiste plaats zetten. In een christelijk leven betekent dit dat wij de ziel op de eerste plaats stellen en het lichaam op de tweede.

Het betekent dat wij de eeuwige schatten eerst zoeken en aardse winst op de tweede, derde, vierde of nog veel verder achteraan plaatsen. Het betekent dat wij eerst de heerlijkheid van God zoeken en ons eigen geluk slechts als een ondergeschikt doel beschouwen. O, het is goed met de christen wanneer hij deze heilige rekenkunde goed heeft geleerd! Dan geeft hij het eerste de eerste plaats, het tweede de tweede plaats en het derde de derde plaats. Want juist hierin maken veel mensen fouten: zij geven het mindere de plaats van het meerdere en stellen de dienaar boven de meester.

Laat dit daarom ons dagelijks gebed zijn: “Heere, leer mij deze heilige rekenkunde en orden mijn voetstappen in Uw vreze.” Een andere vorm van orde is wat de wiskundigen de meetkundige orde noemen. In het christelijke leven behoort sprake te zijn van vooruitgang. Het zou niet slechts moeten gaan om een eerste, tweede en derde plaats, maar om een voortdurende groei. En als die vooruitgang steeds verder toeneemt, hoe groot kan de groei van een mens dan worden! Neem bijvoorbeeld alleen het getal twee.

En, beginnend met één, komt u tot twee, vier, acht, zestien, tweeëndertig, vierenzestig, honderdachtentwintig, en zo verder, tot ik weet niet welke hoogte! Wie voor Christus weinig deed toen hij nog maar een kind was in de genade, zou meer moeten doen wanneer hij een jongeman is, en het meest wanneer hij vader is geworden.

Wie met slechts weinig geloof de moerbeiboom kon bevelen uitgerukt te worden, zou, wanneer zijn geloof gegroeid is, de berg moeten kunnen bevelen zich te verplaatsen en in de zee geworpen te worden! De jongeman die een leeuw in tweeën scheurde, zou als man duizend Filistijnen moeten kunnen verslaan en zelfs de poorten van Gaza met stijlen en grendels en al kunnen uitrukken! Wij mogen nooit tevreden zijn met wat wij al gedaan hebben. Als u zelfvoldaan bent, zult u spoedig geestelijk arm worden. Als u ooit zegt: “Ik heb het bereikt”, zult u met de stroom meedrijven.

Maar een heilige ontevredenheid, een verlangen naar meer heiligheid, een openen van de mond en een hijgen naar iets beters — dát zal bewaren wat u reeds hebt en u tegelijk verrijken met wat u nog niet hebt bereikt! De juiste orde voor een christen is de orde van voortdurende vooruitgang. “Hoger!” roept de arend, terwijl hij steeds hoger opstijgt en de wolken onder zich achterlaat. Hoger, hoger, hoger, gelovige! Dit is Gods wil voor u. Wees daarom niet traag om gebruik te maken van dit geheiligde voorrecht. “Orden mijn voetstappen in Uw Woord, o Heere, door een gestadige meetkundige vooruitgang, opdat ik mag groeien in de genade en kennis van mijn Heere en Zaligmaker Jezus Christus!”

Er is nog een andere orde die iedere christen in acht behoort te nemen, namelijk de orde van evenredigheid. Er zijn bepaalde plichten die voor de onervaren gelovige met elkaar lijken te botsen. In hoeverre moet ik de eerste tafel van de wet onderhouden? En in hoeverre de tweede? Soms lijkt mijn plicht tegenover God te botsen met mijn plicht tegenover mijn ouders of mijn werkgever.

Welke weg moet ik dan kiezen? Hoe ver kan ik op de ene of de andere weg gaan zonder te zondigen, en waar moet ik stoppen zonder aan de andere kant schuldig te worden aan nalatigheid? Alle christenen zouden ernaar moeten streven hun leven in evenwicht te brengen, zodat de ene deugd niet in overmaat aanwezig is terwijl een andere ontbreekt. Helaas hebben wij belijders gekend bij wie de genade op het ene terrein zo sterk naar voren kwam dat zij er zelfs in doorsloegen, terwijl het gebrek aan genade op een ander terrein pijnlijk duidelijk was.

Sommigen zijn moedig, totdat hun moed overgaat in grofheid en opdringerigheid. Bij anderen heerst bescheidenheid, totdat zij laf en toegeeflijk worden. Niet weinigen zijn zo vol liefde dat hun spreken bijna misselijk maakt van de vrome uitdrukkingen en weerzinwekkend wordt voor oprechte mensen.

Anderen zijn zo trouw dat zij overal fouten menen te zien, zelfs waar die niet bestaan. Weer anderen zijn zo teer en toegeeflijk dat zij voor de meest duidelijke gebreken verontschuldigingen bedenken, waardoor de zonde in hun tegenwoordigheid ongestraft blijft. Het karakter van onze Heere was zo volmaakt in evenwicht dat geen enkele deugd een ongepast overwicht had. Neem Petrus: er is één opvallende eigenschap die hem kenmerkt; één trek die onmiddellijk uw aandacht trekt. Neem Johannes: er is een lieflijke eigenschap in zijn karakter die u meteen boeit,

waardoor zijn andere genadegaven gemakkelijk onopgemerkt blijven. Maar neem het leven van de gezegende Jezus, en het zal u verbijsteren te ontdekken welke deugd met de zuiverste glans straalt! Zijn karakter is als het lieflijke gelaat van een klassieke schoonheid, waarvan iedere afzonderlijke gelaatstrek zo volmaakt in harmonie is met alle andere, dat u, wanneer u ernaar hebt gekeken, vooral getroffen wordt door de algehele schoonheid. U merkt nauwelijks afzonderlijke trekken op: niet de schittering van de ogen, niet de fijn gevormde neus en niet de koraalrode lippen.

Wat in uw geest achterblijft, is één geheel van volmaakte harmonie. Naar zo’n karakter zouden ook wij moeten streven: een vermenging van alle volmaaktheden om één volmaakt geheel te vormen! Een samenvoeging van alle zoete specerijen om één zeldzaam en kostbaar parfum te vormen. Zo’n karakter kan alleen Gods Heilige Geest in ons voortbrengen, en waar Hij het ook vindt, daar neemt God er welbehagen in. Mogen wij dan genade ontvangen om de verschillende deugden in de juiste verhouding tot elkaar te bewaren. En bedenk: dit kunnen wij alleen ontvangen wanneer wij dagelijks in gebed op God wachten, en voortdurend roepen: “Maak mijn voetstappen vast in Uw Woord.”

Een andere vorm van orde is die van onze betrekkingen tot anderen. Wij staan niet alleen in deze wereld. Wij zijn allen middelpunten van cirkels, en talloze lijnen kruisen elkaar rondom ons en raken het leven van ons hart.

De gelovige behoort daarom te bidden dat zijn voetstappen zo geordend worden dat hij recht handelt in al zijn betrekkingen. Hoe is, wat God betreft, de orde van mijn leven? Ootmoedig met mijn God wandelen is mijn dagelijkse plicht. O, moge God ons deze moeilijke deugd leren! Hoogmoed is ons aangeboren, en ik veronderstel dat wij haar nooit volledig zullen afleggen totdat wij ons voor ons laatste bed uitkleden. Maar hoogmoed tegenover God, van de kant van een zondig schepsel, moet wel een bijzonder afschuwelijke zaak zijn.

Onze zielen zouden dagelijks moeten worstelen om ware nederigheid voor de Allerhoogste te verkrijgen. De Heere verdient bovendien onze liefde en dankbaarheid en daarom ook onze ijver, onze dagelijkse dienst en onze eerbiedige hulde: onze liefdevolle toewijding van geest, ziel en lichaam aan Zijn zaak. O, mochten wij toch leven alsof wij voortdurend in Zijn tegenwoordigheid waren, ziende Hem Die onzichtbaar is! Wij zijn Gods schepselen, Gods kinderen, Gods dienstknechten en Gods uitverkorenen; wij zijn leden van het lichaam van Christus en de bruid van Christus.

Wat voor mensen behoren wij dan te zijn? De Heere helpe ons te leven overeenkomstig onze betrekking tot Hem.

Maar wij hebben ook een betrekking tot de christelijke gemeente, en ook tegenover onze medepelgrims behoort ons leven passend en ordelijk te zijn. Wij moeten niet voortdurend berispen, maar ook niet blind zijn voor hun fouten. Wij moeten ijverig zijn, maar niet driftig. Wij moeten onafhankelijk zijn van mensen, maar niet ongehoorzaam aan de orde en tucht van de christelijke gemeente.

Helaas, hoevelen zijn er die onwillig zijn hun juiste plaats in de gemeente in te nemen, maar ernaar verlangen de eerste te zijn en hoog geacht te worden! Voor sommigen is het een van de moeilijkste lessen om te leren hoe zij zich behoren te gedragen in het huis van God. Twistzieke geesten kunnen deze les niet leren en richten daarom hun eigen kleine gemeenten op, vanuit de gedachte dat zij liever in de hel zouden heersen dan in de hemel dienen! Zij kunnen er niet toe komen tucht te erkennen of orde te handhaven. Dat de Heere ons toch van zulke mensen verlosse!

Ook onze betrekkingen binnen het gezin mogen wij niet vergeten. Hij is een armzalig christen die er niet naar verlangt in zijn eigen huis te wandelen overeenkomstig de plichten die het Woord van God voorschrijft. Bent u een kind? Het christendom ontslaat u niet van de plicht uw ouders te eren.

Bent u een dienstknecht? Het Evangelie van Jezus leert u niet om slechts voor het oog van uw meester te dienen, te bedriegen of u brutaal en oneerbiedig te gedragen. Bent u een meester? Uw godsdienst verplicht u de beste van alle meesters te zijn, want ook u hebt een Meester, namelijk Christus.

Bent u een ouder? Uw godsdienst legt u de plicht op uw kinderen op te voeden in de vreze Gods. Zijn wij buren? Laten wij dan allen die om ons heen wonen tot zegen zijn; laten wij zegenen en niet vervloeken. Wie onze naaste ook is, volgens de wet van onze Heere zijn wij hem geen geringe achting verschuldigd.

Ik heb geen recht mijn naaste lastig te vallen. Ik heb geen recht iets te doen wat hem verlies of schade berokkent. Integendeel, ik ben verplicht hem lief te hebben als mijzelf en mij ervoor in te spannen wanneer ik hem op enige wijze kan dienen.

Geliefden, wij hebben ook betrekkingen tot zondaren. Deze zijn van de grootste ernst. Omdat Christus u liefhad en stierf om u te redden, heeft Hij u geleerd anderen lief te hebben en zelfs bereid te zijn uw leven voor hen neer te leggen, opdat zij gered mogen worden.

Ziet u hoe dit onderwerp zich ontvouwt? Voor het oog van onze geest wordt het steeds wijder, totdat het een grenzeloze uitgestrektheid lijkt! Wat een wonderlijke zaak moet heiligheid dan zijn, wanneer iemand die haar bezit, in overeenstemming moet handelen met al die duizenden betrekkingen!

Wat een wonderbaarlijk werk van volmaakte afstemming! Een schilderij van de hand van een meester! Een kunstwerk zonder weerga! Muziek van ingewikkelde en verrukkelijke harmonieën! “Een eerlijk mens”, zegt het spreekwoord, “is het edelste werk van God.” Die uitdrukking is juist, want een heilig mens draagt de waarheid van God in zich. Ik durf te beweren dat het in evenwicht brengen van de wolken, het rangschikken van het firmament, het oprichten van de bergen en het leiden van de sterren,

ja, dat zelfs de schepping van levende lichamen met al hun wonderbaarlijke weefsel van spieren, pezen en zenuwen, en alle andere werken van God tezamen, in wijsheid en kracht niet kunnen overtreffen wat zichtbaar wordt in de heiligheid van een leven dat gevormd is door de heilige kracht van de Geest! In de heiligheid van zo’n leven wordt God duidelijker gezien dan in enig ander werk, behalve in de Persoon van Christus Jezus, onze Heere, want zulke heiligheid is slechts een weerspiegeling van Zijn leven.

De betrekkingen die ons van alle kanten omringen, werpen dan ook een helder licht op Davids bedoeling met de woorden: “Maak mijn voetstappen vast in Uw Woord.”

Maar ik ben nog niet helemaal klaar met dit onderwerp. Ik moet u er ook op wijzen dat er een orde van tijd is: de orde van de hemelse kalender.

Stiptheid wordt geëist. De verschillende tijden en gelegenheden moeten in acht worden genomen; de juiste tijd moet worden gerespecteerd. Van een christen kan dan ook alleen gezegd worden dat zijn leven wat de tijd betreft goed geordend is, wanneer hij al zijn tijd heeft geheiligd voor de edelste doeleinden.

Bestendigheid in oprechtheid is de ware schoonheid van de heiligheid. Het leven van niemand is goed geordend wanneer hij nu eens zorgvuldig en toegewijd leeft, maar op andere momenten weer achteloos handelt. Heiligheid bestaat niet in een plotselinge uitbarsting van ijver, die als een hevige stroom alles voor zich uit lijkt te vegen, zoals de Kison, die aanzwelt en alles meesleurt, maar daarna weer wegzakt. Heiligheid bestaat veeleer in de gestage stroom van Siloahs stille wateren, die voortdurend de stad van onze God verblijden. Heiligheid is geen brandende komeet die de volken verbaast met een voorbijgaande glans.

Zij is een vaste ster die met een stille straling door de duisternis van een verdorven tijd heen blijft schijnen. Heiligheid is volhardende gehoorzaamheid. Het is geen ware heiligheid wanneer zij slechts bestaat uit momenten van bijzondere ijver of uit opzienbarende vroomheid. Bovendien is heiligheid, wat onze omgang met de tijd betreft, ook tijdig. Het is de fout van velen dat hun deugden altijd te laat komen. Zij zijn geduldig wanneer de pijn al voorbij is, gul wanneer de gelegenheid om vrijgevig te zijn al verstreken is.

Zij vergeven nadat zij eerst hun woede in onvriendelijke woorden hebben geuit. Zij zijn bedroefd nadat zij kwaad hebben gedaan en lijken daardoor zelfs een goed hart te hebben. Maar als zij zich van het kwaad hadden kunnen onthouden, hoeveel beter zou dat zijn geweest!

De boom die God prijst, brengt zijn vrucht op zijn tijd voort. God geve dat wij allen zo onze voetstappen mogen ordenen, dat wij iedere deugd op haar juiste tijd voortbrengen. O, als ik de gelegenheden om met zondaren te pleiten die ik heb laten voorbijgaan, kon terugkrijgen, hoe zou ik ze dan willen benutten! Kon ik de gelegenheden om mijn kostbare Meester te verheerlijken die inmiddels, helaas, met de jaren zijn weggegleden, terugkrijgen, hoe zou ik dan proberen Zijn dierbare Naam te eren!

Maar de vrucht kwam niet op haar tijd, helaas, helaas, niet voor mij! Mijn God, help mij in de toekomst, opdat ik, wanneer de tijd daar is, door Uw Geest gereed mag zijn om te doen wat die tijd van mij vraagt. Nogmaals, wat dit betreft behoort er in de heiligheid van de christen ook een orde van gepastheid te zijn. Daarmee bedoel ik dit: wat voor een gewoon mens behoorlijk en voldoende zou zijn, en wat men van hem zou mogen verwachten, is niet de maatstaf voor de dienst van een christen aan zijn God.

“Wat doet u meer dan anderen?” is een zeer treffende vraag aan iedere belijder van het geloof in Christus.

Alleen maar eerlijk zijn, alleen maar rechtvaardig zijn — wat zegt dat eigenlijk? Er zijn duizenden atheïsten die zo leven! De sabbat onderhouden en zorgvuldig zijn in het houden van geregelde huiselijke godsdienstoefeningen — wat zegt dat? Menig huichelaar heeft dat jaar na jaar, zijn hele leven lang, gedaan! Van de christen wordt echter een bijzondere teerheid van wandel verwacht, een verhevenheid van geest en een onwereldsheid van hart. Niet slechts als van een mens, maar als van iemand die tweemaal geboren is.

Als een lieveling des hemels, als iemand wiens weg Christus is en wiens einde Christus is, mag hij zich daarom niet gedragen zoals men dat van een onbekeerd mens zou kunnen verwachten. O christen, u bent een priester! Wees daarom voorzichtig in de wijze waarop u uw God dient, aan Wiens altaar u staat. Laat niet alleen de bellen van uw belijdenis welluidend klinken, maar laat de granaatappels van uw heiligheid uw schoonheid zijn. O erfgenaam des hemels, u bent een koning! Speel dan niet met bedelaars. Grijp uw scepter en heers over uw begeerten!

Wees vorstelijk van karakter, zoals u van vorstelijk bloed bent. U bent een burger van de hemel! Laat uw wandel daarom hemels gericht zijn. U zult eenmaal met de heiligen en zelfs met de engelen delen in het oordeel. Voor u is een plaats aan de rechterhand van de grote Rechter weggelegd in het laatste gericht! Laat uw leven beantwoorden aan uw eer, uw afkomst, uw erfgoed en de gunstbewijzen die u ontvangen hebt. Laat uw voetstappen geordend worden overeenkomstig de waardigheid van uw staat.

Wij hebben hier te lang bij stilgestaan, maar het onderwerp bracht ons steeds nieuwe gedachten. Er liggen geweldige legers van gedachten in hinderlaag in deze tekst.

II. Zeer kort zullen wij ten tweede de regel van deze orde opmerken: “Maak mijn voetstappen vast in Uw Woord”, en niet: “Orden mijn voetstappen naar mijn wensen.” Dat zou niets anders zijn dan eigenwilligheid.

Vele mensen ordenen hun voetstappen naar het beginsel van wereldse winst en verlies. Wat iets oplevert, noemen zij goed; wat hun te veel kost, vermijden zij. Dat is gierigheid en hebzucht. De ware volgeling van Jezus vraagt niet dat zijn voetstappen worden geordend naar de regel van het genoegen,

zoals zij doen die altijd de gemakkelijkste weg kiezen, of die nu naar de hel naar beneden voert of naar de hemel omhoog leidt. Dat is kinderlijke dwaasheid. De goede mens verlangt ernaar gelijkvormig te worden aan Gods Woord, of de weg nu ruw of glad is. Hij vraagt niet om zich aan te passen aan wat anderen vóór hem hebben gedaan, zoals de menigte die niets nieuws wil proberen en alleen de wegen wil bewandelen waarop zij de sporen van anderen ziet. Gewoonte is voor hen de wet.

Niet zo David. Als hij de eerste is die een bepaald pad betreedt, is hij daar volkomen tevreden mee, zolang het maar Gods weg is. Het is dwaasheid om anders te willen zijn dan anderen, behalve wanneer het juist is om anders te zijn! Dan worden zelfs bijzonderheid en eigenzinnigheid de hoogste wijsheid!

Beter alleen naar de hemel te gaan dan met een hele kudde naar de hel! De heilige verlangt er evenmin naar zich te onderwerpen aan menselijke overleveringen. Hij hecht er weinig waarde aan — ja, minder dan aan niets. Wat maakt het uit als iemand volgens oude voorschriften verloren gaat? Veel beter is het behouden te worden langs de weg die mensen „ketterij” noemen, wanneer die weg maar Gods weg is. Nee, nee! De heilige bekommert zich niet om de dogma’s van priesters of om de overleveringen van de ouden. Zijn gebed is: “Maak mijn voetstappen vast in Uw Woord.”

Sommigen, ik weet het, vervallen in een zeer verderfelijke gewoonte waarmee zij zichzelf proberen te rechtvaardigen: zij ordenen hun voetstappen naar hun indrukken. Nu en dan ontmoet ik mensen die, naar mijn oordeel, nogal zwak van geest zijn. Zij reizen van plaats tot plaats en verrichten de ene dwaasheid na de andere, in de overtuiging dat zij de wil van God doen, omdat een of andere dwaze gril van hun zieke verbeelding hun voorkomt als een ingeving van boven.

Er zijn inderdaad momenten waarop de Heilige Geest iemand op een bijzondere wijze leidt, wanneer geen andere leiding toereikend zou zijn geweest. Ik twijfel dan ook niet aan het oude verhaal van de Quaker die ’s nachts zo onrustig werd dat hij niet kon slapen en zich gedrongen voelde naar het huis van iemand te gaan, mijlenver daarvandaan. Hij klopte op de deur, juist op het moment dat de bewoner op het punt stond zichzelf van het leven te beroven. Hij kwam precies op tijd om de daad te verhinderen. Ook ikzelf heb zulke bijzondere ingevingen ervaren en er zeer opmerkelijke gevolgen van gezien.

Maar wanneer iemand zijn leven laat leiden door zulke indrukken, leeft hij vaak als een dwaas en kan hij zelfs regelrecht in opstand komen tegen het geopenbaarde Woord van God. Niet uw indrukken, maar wat er in deze Bijbel staat, moet u altijd leiden. “Tot de wet en tot de getuigenis!”

Als iets niet overeenkomt met dit Woord, komt die indruk niet van God. Zij kan afkomstig zijn van satan, of uit uw eigen verwarde gedachten voortkomen! Ons gebed moet zijn: “Maak mijn voetstappen vast in Uw Woord.”

Welnu, die leefregel, het geschreven Woord van God, behoren wij te bestuderen en te gehoorzamen. De tekst laat zien dat de dichter verlangde te weten wat er in Gods Woord stond. Hij wilde het lezen en onderzoeken. O christen, hoe kunt u weten wat God van u verlangt, als uw Bijbel onaangeraakt blijft en onder het stof ligt?

Het gebed houdt ook in dat David, toen hij eenmaal Gods Woord kende, het in zijn geheel wilde gehoorzamen. Sommigen zijn kieskeurig in hun gehoorzaamheid. Het ene gebod van God willen zij wel gehoorzamen, terwijl zij voor een ander gebod gemakshalve hun ogen sluiten. Ja, sommigen zijn er zelfs regelrecht ongehoorzaam aan. O, dat het onder Gods volk niet zo zou zijn! Dat zij een evenwichtige geest zouden hebben in hun gehoorzaamheid en Gods Woord zonder uitzonderingen zouden aannemen, terwijl zij het Lam volgen waarheen Hij ook gaat!

“Maak mijn voetstappen vast, Heere”, niet in een deel van Uw Woord, maar in het geheel ervan. Laat mij geen bekende plicht overslaan en mij evenmin in een bekende zonde storten. In Davids hart lag, zoals dit gebed laat zien, een oprechte liefde tot heiligheid.

Hij was niet heilig omdat hij alleen maar voelde dat hij heilig behoorde te zijn, terwijl hij ondertussen liever anders zou willen leven. Wanneer hij ergens iets goeds en liefelijks zag, verlangde hij ernaar het zelf te bezitten. Als er ergens in Gods tuin een zeldzame vrucht of bloem van zuiverheid en voortreffelijkheid groeide, dan verlangde hij ernaar dat die in zijn ziel zou worden overgeplant, opdat zijn leven in alle dingen een volmaakt afschrift van het Woord van God mocht zijn.

Houd u daarom aan Gods Woord. In de goddelijke inzettingen ligt een volmaakte levensregel. Moge de Heilige Geest ons vormen naar het beeld van Zijn Woord.

III. Ten derde wil ik nog enkele woorden spreken over de BESTUURDER die David gekozen heeft. Hij wendt zich tot God Zelf om zijn voetstappen te ordenen. Veel hangt af van het voorbeeld dat iemand volgt en van de aanvoerder onder wie hij dient.

Wij lazen vorige week in de kranten over een commandant in Aldershot die door zijn soldaten werd gehoorzaamd met die snelle en strakke discipline die de Britse soldaat eigen is. Maar door een of ander misverstand of wanbeheer slaagde hij erin twee groepen dragonders op elkaar te laten botsen, zodat een of twee mannen gewond raakten en één man op slag werd gedood. Het is voor ons een heerlijke gedachte dat wij een Bevelhebber hebben Die nooit zulke fouten maakt. Hij zal onze voetstappen zo ordenen dat onze deugden niet met elkaar zullen botsen en Hij zal ons leven zo leiden dat het altijd veilig voor ons zal zijn Zijn geboden te volgen.

Wat bedoelt David ermee dat hij zich onder het bevel van God stelt? Dit bedoelt hij. Ten eerste: “Heere, geef mij een hart om U lief te hebben.

Ik smeek U, verander mij zo dat ik, terwijl ik vroeger door de kracht van mijn oude natuur tot het kwade neigde, nu door een nog krachtiger kracht tot de gerechtigheid mag neigen: de kracht van een nieuwe natuur. Orden mijn voetstappen en leg een krachtige drijfveer in mijn hart, die mijn voetstappen zal richten naar wat recht, waar en heilig is.”

Vervolgens bedoelt hij: “Heere, verlicht mij, zodat ik Uw Woord mag kennen. Giet een stroom van licht in mijn geest, opdat ik nooit het goede voor het kwade houd en nooit licht voor duisternis aanzie. O, verlicht de donkerste schuilhoeken van mijn ziel, opdat ik bij de eerste blik mag onderscheiden wat tegen Uw wil ingaat, zelfs wanneer het zich in de meest vleiende vermomming aandient!”

Opnieuw bedoelt hij: “Laat Uw Heilige Geest mij overschaduwen. Laat mijn geest niet slechts volgen, maar laat Uw Geest de weg leiden. Onderwerp al mijn vermogens aan Uw bestuur: mijn verstand, mijn genegenheden en mijn wil. Laat alles ondergeschikt worden aan Uw goddelijke heerschappij, opdat ik, niet langer onafhankelijk van U, heilig mag zijn zoals U heilig bent.”

Hij schijnt ook te bedoelen: “Bekoor mij met de schoonheid van de heiligheid. Laat mij het voorbeeld van Uw dierbare Zoon zo duidelijk zien, dat ik erdoor gegrepen word en verlang te doen zoals Hij deed, onder de goddelijke kracht en het gezag van Zijn voorbeeld.” En bedoelt hij ook niet: “Heere, schik de omstandigheden van Uw voorzienigheid zo dat ik niet boven vermogen verzocht word. Weerhoud mij wanneer ik dreig te zondigen. Zend mij hulp precies op het moment dat ik die nodig heb om een moeilijke taak van gehoorzaamheid te volbrengen”?

De voorzienigheid werkt samen met de goddelijke genade. Het is alsof de hand van een mens en de vleugel van een engel samenwerken. En wanneer God de ziel door Zijn genade aan het werk zet, na haar geheiligd te hebben, zorgt Hij er zeker voor dat Hij zowel haar uiterlijke vreugden als haar smarten zo ordent dat haar heiligheid erdoor wordt bevorderd.

Heere, doe dit, en orden zo mijn voetstappen in Uw Woord. Ik heb nu afgesloten, wanneer ik u nog twee of drie woorden van ernstig praktisch advies heb gegeven. Mijn broeders en zusters, vooral u die leden bent van deze gemeente: Is het nodig dat ik u ernstig aanspoor om gelijkvormigheid te zoeken aan het Woord van de Heere, zoals dat in Zijn geopenbaarde wil tot ons is gekomen? Als dat werkelijk nodig is, smeek ik u mij dan geduldig aan te horen, al is het maar één minuut.

U verlangt er allen naar de kracht van het Evangelie en de heerlijkheid van Christus’ Koninkrijk uit te breiden. Weet dan dat er nauwelijks iets is wat dit waarschijnlijker zal bevorderen dan het zoeken van heiligheid! Een heilige gemeente is altijd een krachtige gemeente. Een groep mensen zonder bijzondere gaven of grote rijkdom, maar die veel van de gelijkenis van Christus vertonen, is een macht in het land! Begeer geen talent, maar begeer goddelijke genade!

Verlang niet zozeer naar eer als wel naar heiligheid! Dit is het grote punt wanneer u de strijd voor Christus wilt winnen en de kroon op Zijn hoofd wilt zetten. O, laat mij maar weten dat u godvruchtige ouders bent, gehoorzame kinderen, vrome meesters en ijverige dienstknechten, en mijn kroon der verheuging zal inderdaad schitteren!

Maar als uw lippen onheilig zijn, is uw getuigenis niets waard en is mijn kroon verloren. Ik smeek u, bij de heerlijkheid van Hem Die voor u de doornenkroon droeg, bij al Zijn liefde en mededogen en bij de liefde die u Hem daarvoor terug mag toedragen: “Waakt en bidt, opdat gij niet in verzoeking komt”, en beveel uw wegen aan God aan, opdat zij gericht mogen worden in Zijn vreze.

Broeders en zusters, ik beveel u de heiligheid aan, omdat zij boven alle dingen in deze wereld een van de grootste bronnen van troost is in het uur van moeite. Laat een ziel diep vernederd zijn, en laat er zonde met die vernedering verbonden zijn, dan ligt er een doorn in haar kussen. Maar wanneer iemand weet dat hij voor Gods aangezicht bewaard wordt voor het kwaad en dat zijn oprechtheid niet met recht kan worden aangevochten, dan heerst er rust in zijn ziel. Buiten mogen de stormen woeden, maar in zijn ziel is vrede wanneer hij kan zeggen:

“Gij onderhoudt mij in mijn oprechtheid, en Gij stelt mij voor Uw aangezicht in eeuwigheid.”

Bedenk dat de beste weg om gemeenschap met God te genieten, de weg van heiligheid is. Vele heiligen Gods zien het aangezicht van Christus maandenlang niet, omdat zij achteloos zijn in hun levenswandel.

“Zullen twee te zamen wandelen, tenzij dat zij bijeengekomen zijn?” De Heere zal Zijn volk niet verstoten, maar tegelijkertijd zal Hij hun de tederheid van Zijn liefde niet openbaren wanneer zij niet zeer zorgvuldig met Hem wandelen. Een koning zal van een gewone onderdaan veel verdragen wat hij van een hoveling niet zou dulden. U bent van des Konings raad! U bent een gunsteling des Heeren! Zorg er daarom voor dat u omzichtig wandelt. De plaats waar God is, is volgens Jakob een geduchte plaats.

En zo is het ook, omdat er in de tegenwoordigheid van de Allerhoogste een heiligheid vereist wordt die ons de schoenen zou moeten doen uittrekken in heilige ontzetting. Wij hebben lange tijd gezucht en geroepen, omdat wij geen opwekking van de godsdienst zien. Het is het gewone gesprek onder ernstige zielen dat de tijden mat zijn. Ze zijn niet zo slecht als zij geweest zijn, en toch zien wij niet de vooruitgang in het Koninkrijk waarop wij gehoopt hadden.

Maar bedenk dit: als wij de Meester willen zien komen in de kracht en volheid van Zijn Geest, dan is een van de zekerste manieren om Hem te ontvangen dat wij heiliger worden. Zijn gemeente belemmert de zegen door haar inconsequentie. Een wereldse gemeente jaagt de Geest van God weg.

Waar een volk leeft naar de maatstaven en gewoonten van de wereld, onverschillig is in het gebed en traag in de inspanning, daar zal wel een naam zijn om te leven, maar daar zal de dood heersen. Maar waar een volk is dat, hoewel het weinig kracht heeft, toch Gods Woord bewaart en boven alles zijn klederen onbevlekt houdt, daar zal eerlang de almachtige arm van God voor de ogen van heel het volk openbaar worden!

O, was u rein, maak uzelf rein! Leg uw verborgen ongerechtigheden af. Verneder uzelf, o belijders, voor God! Moge de Heere u de geest van de bekering geven!

Moge Hij Zijn Geest over ieder van ons uitstorten! Mogen wij het oude zuurdeeg wegdoen en zo het feest houden. Mogen wij ons schudden van het stof van iedere zonde; dan zullen wij onze schone klederen aandoen, en de tijd van de heerlijkheid van de gemeente en van onze triomf zal komen.

Mijn lippen weigeren te spreken zoals ik zou willen over een onderwerp dat zwaar op mijn geest weegt. O God, zend ons heiligheid! Als het niet op een andere wijze kan, laat dan moeite komen om in ons haat tegen de zonde te bewerken! Als U niet anders wilt antwoorden, antwoord dan door verschrikkelijke dingen in gerechtigheid! O God, maak ons heilig, om Uws Naams eer!

Ten laatste vrees ik dat er onder deze menigte sommigen zijn die dit gebed nooit hebben gebeden.

“Maak mijn voetstappen vast in Uw Woord”, want hun voetstappen zijn zeker niet geordend naar Gods Woord. Sommigen van u hebben onzekere voetstappen: u zweeft tussen twee gedachten en kunt maar niet tot een beslissing komen. O dwazen en tragen van hart!

Kunt u niet tot een beslissing komen? Wat is beter: God of de duivel, heiligheid of zonde, de hemel of de hel? Het lijkt mij dat hierover geen uitstel of langdurige overweging nodig zou moeten zijn! O, dat de Heilige Geest u wijsheid leerde, zodat u niet langer zou aarzelen, maar nog deze dag zou beslissen!

Zowaar de Heere, mijn God, leeft: u hebt nog maar korte tijd te leven. En als u blijft aarzelen, zoals sommigen van u al veertig of zestig jaar hebben gedaan, dan zullen de preken die u hebt gehoord en de steken van uw geweten eens als snelle getuigen tegen u opstaan om u te veroordelen!

Er zijn anderen wier voetstappen nooit naar Gods Woord zijn geordend, omdat hun wegen huichelachtig zijn. Vandaag wandelen zij als christenen, morgen als wereldlingen. Zij zingen de liederen van Sion, maar ook de gezangen van Baäl. Zij aanbidden de Heere met Zijn volk, maar aanbidden ook Bacchus met zijn aanhangers. Wee degenen die een masker en een vermomming dragen, een schone schijn en een glinsterende vertoning ophouden, terwijl de waarheid niet in hen is!

Ik vrees dat er sommigen onder u zijn wier voetstappen niet door God geordend zijn, omdat uw wegen zondig zijn. Het genoegen betovert u! Helaas, wat is dit genoegen toch vluchtig: de beker glinstert en bruist, maar de droesem ervan is de hel! God geve dat u uw boze wegen zult verlaten en u zult keren wanneer Hij u bestraft, want dan heeft Hij beloofd Zich over u te ontfermen!

Onder ons zijn er deze morgen velen wier uiterlijke gedrag onberispelijk is en wier zeden uitstekend zijn, maar wier hart toch niet recht is voor God. Zij leven dag na dag zonder gebed. Zij hebben een atheïstisch hart dat de gedachte aan God schuwt.

Ik leg u dit gebed niet voor opdat u het eenvoudig zou nazeggen, maar opdat u uzelf eraan zou toetsen. En als dit ene gebed u al veroordeelt, hoe zult u dan bestaan voor de majesteit van de Rechter van de gehele aarde, Die Zelf zal komen om de wereld in gerechtigheid te oordelen?

Maar hoe staat het met ons Evangelie? Jezus is voor zondaren gestorven. Hij kwam om de goddelozen zalig te maken. Vertrouw op Hem! Vertrouw op Hem! Vertrouw op Hem, en vanaf deze dag zult u beginnen te leven! O, moge de Geest van God u helpen om op Hem te vertrouwen.

En dan, maar niet eerder, zult u in een gepaste toestand verkeren om dit gebed om heiligmaking te ademen tot de God van volmaakte heiligheid:

“Maak mijn voetstappen vast in Uw Woord.”

Preek nr. 0878 · Gehouden op 27 juni 1869, Metropolitan Tabernacle Pulpit deel 15. Bron: Spurgeon’s Sermons, spurgeon.org.

Steun ons met een donatie

Uw steun helpt ons om Het Spurgeon Archief in stand te houden. Dankzij uw bijdrage kunnen wij ons werk voortzetten en dit waardevolle archief gratis aanbieden en vrijhouden van reclame en commerciële invloeden.

Wij danken u hartelijk voor uw steun en betrokkenheid!

Archiefhulpmiddelen

Contact

Heeft u een tekstfout gevonden, of heeft u een vraag? Stuur dan een E-mail naar: [email protected]

Over de Auteur

C.H. Spurgeon

1834 – 1892 Was een Engelse baptistenpredikant in de puriteinse traditie. Belangrijke onderwerpen uit zijn prediking waren de vergeving van zonden en de noodzaak van wedergeboorte.

Onze Socials:

Copyright & Content