Taferelen uit De Christenreis

CHARLES H. SPURGEON

— ❦ —

Taferelen

uit

De Christenreis

— ❦ —

Spurgeons verklaring en toepassing van

John Bunyans pelgrimsreis

Vertaald uit het Engels

naar ‘Pictures from Pilgrim’s Progress’, 1903

© 2026 Teun van der Plas

Alle rechten voorbehouden.

De Nederlandse vertaling van ‘Pictures from Pilgrim’s Progress’ van Charles H. Spurgeon (1903) is een uitgave van Teun van der Plas. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd of openbaar gemaakt zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de vertaler. Wanneer uw voorkeur uitgaat naar een pdf, kunt u hier de [pdf downloaden].

Inhoud

Woord vooraf

Hoofdstuk 1 Gezeglijk gaat met Christen op weg

Hoofdstuk 2 De twee pelgrims in de poel Mistrouwen

Hoofdstuk 3 De man die Bijstand heette

Hoofdstuk 4 De behulpsels

Hoofdstuk 5 Christen en de pijlen van Beëlzebub

Hoofdstuk 6 Christen bij het kruis

Hoofdstuk 7 Formalist en Hypocriet

Hoofdstuk 8 Formalist en Hypocriet, vervolg en slot

Hoofdstuk 9 Christen komt aan bij het paleis Sierlijk

Hoofdstuk 10 ‘Kom in, gij gezegende des Heeren’

Hoofdstuk 11 Christen en Apollyon

Hoofdstuk 12 Wat Getrouw op de weg overkwam

Hoofdstuk 13 Wat Getrouw op de weg overkwam (slot)

Hoofdstuk 14 De IJdelheidskermis

Hoofdstuk 15 ‘Wacht u voor de Vleier’

Hoofdstuk 16 De Betoverde Grond

Hoofdstuk 17 Hoe het meneer Vrezende verging

Hoofdstuk 18 Hoe het meneer Vrezende verging (slot)

Hoofdstuk 19 Meneer Kleinmoedig en meneer Gereed-tot-hinken

Hoofdstuk 20 Christin aan de poort en aan de rivier

Woord vooraf

Toen mij werd gemeld dat er een reeks toespraken over ‘De Christenreis’ was ontdekt, verheugde ik mij als iemand die grote buit vindt. Ik hoopte namelijk dat deze geurige bloemen, nadat ze de bladzijden van ‘Het Zwaard en de Troffel’ hadden verrijkt, tot een heerlijk boeket verzameld konden worden. Door de barmhartigheid van God is mijn hoop vervuld. Maand na maand zijn de ‘Taferelen’ bijna anderhalf jaar lang in het tijdschrift verschenen, en er komen volop getuigenissen binnen dat de lezers ze op prijs hebben gesteld. Nu is het moment gekomen om het boek uit te geven, en hier is het: een fonkelende sierketen, nu de edelstenen aaneen zijn geregen.

Drie extra ‘Taferelen’ vindt u in dit boek, te weten: ‘Christen bij het kruis’, ‘Christen en Apollyon’ en ‘De IJdelheidskermis’. Het is niet weinig verrassend dat er in de reeks lezingen geen spoor te vinden was van enige verwijzing naar deze belangrijke onderdelen van het verhaal. Daaruit volgt echter niet dat de grote prediker ze voorbij is gegaan. Mogelijk zijn ze niet opgetekend, of zijn de manuscripten zoekgeraakt. Na enig zoeken in de preken en andere werken van C. H. Spurgeon vond ik voldoende en, naar ik meen, passend materiaal voor de ontbrekende schetsen. De predikant van het Metropolitan Tabernacle was zo verliefd op John Bunyan, en stond zo dicht bij hem in geloof, gedachte en taal, dat ik ervan overtuigd ben dat er nog een tweede boekdeel kan worden samengesteld met ‘Taferelen’ van andere opvallende gebeurtenissen en personen uit deze heerlijke zinnebeeldige vertelling. Wie kan eraan twijfelen dat er in ‘De Spurgeon-bibliotheek’ overvloedig stof te vinden is voor ‘Taferelen’ van bijvoorbeeld ‘Christen onder de berg Sinaï’, ‘De heuvel Moeilijkheid’, ‘Kasteel Twijfeling’, ‘Kleingeloof’, ‘Beulah’ en ‘Dapper-voor-de-Waarheid’?

Uit de tekst zelf blijkt dat deze toespraken gehouden zijn op de maandagavondse gebedssamenkomsten, met het bijzondere doel om hen te stichten die pas een begin hadden gemaakt met de pelgrimstocht. ‘U jonge bekeerlingen,’ zei de prediker steeds weer, in zijn persoonlijke en scherpe stijl. Toch hebben ook de meer gevorderden in zijn gemeente, daar ben ik zeker van, gretig en met vreugde geluisterd. Zo zal het ook met dit boek gaan. Hier is melk voor kinderen en vaste spijs voor volwassenen. Bovendien is die spijs zo bereid dat de ‘kinderen’ er graag van zullen proeven, terwijl de ‘volwassenen’ er wel bij zullen varen als zij ook een teugje van de melk nemen.

C. H. Spurgeon was een meester in het verklaren. Wie hem ooit heeft gehoord, genoot niet minder van zijn uitleg van de Schriften dan van zijn gebeden en zijn preken. In druk heeft hij commentaar geleverd op de Psalmen (‘Davids Schatkamer’) en op Mattheüs (‘Het Evangelie van het Koninkrijk’), en ook op Manton (‘Voorbeelden en overdenkingen, of Bloemen uit een puriteinse tuin’). En hier hebben wij zijn commentaar op ‘De Christenreis’, ‘het lieflijkste van alle prozagedichten’, zoals hij het zelf noemt.

Het is gemakkelijk te zien dat de uitlegger met zijn schrijver meeleeft en dat hij zijn taak met liefde verricht. Als de heer Spurgeon ooit was overgehaald om een bladzijde te vullen in het weleer zo populaire ‘bekentenissenalbum’, dan was zijn antwoord op de vraag ‘Wie is uw lievelingsschrijver?’ vrijwel zeker ‘John Bunyan’ geweest. Hij heeft zich keer op keer over hem uitgelaten als ‘mijn grote lieveling’, en hij heeft laten vastleggen dat hij De Christenreis minstens honderd keer had gelezen. De reden voor die voorkeur is niet ver te zoeken. Beiden hielden van ‘het Boek der boeken’. Toen hij aandrong op ernstige bestudering van de Schrift, zei C. H. Spurgeon eens:

‘O, dat u en ik tot in het hart van het Woord van God zouden doordringen en dat Woord in onszelf zouden opnemen! Zoals ik de zijderups heb zien eten van het blad en het heb zien verteren, zo moeten ook wij doen met het Woord van de Heere: niet over het oppervlak kruipen, maar er recht in bijten, tot wij het in ons binnenste hebben opgenomen. Het is nutteloos om slechts met het oog over de woorden te glijden, of om de dichterlijke uitdrukkingen of de historische feiten te onthouden; maar het is zalig om in de ziel van de Bijbel zelf te eten, tot u ten slotte in Bijbelse taal gaat spreken, uw stijl naar Bijbelse voorbeelden gevormd is en, wat nog beter is, uw geest doorgeurd is met de woorden van de Heere. Als voorbeeld van wat ik bedoel wil ik John Bunyan noemen. Lees iets van hem, en u zult zien dat het bijna is alsof u de Bijbel zelf leest. Hij had hem gelezen tot zijn ziel er helemaal van doortrokken was; en hoewel zijn geschriften op bekoorlijke wijze vol poëzie zijn, kan hij ons zijn Christenreis, het lieflijkste van alle prozagedichten, niet geven zonder ons voortdurend te laten voelen en zeggen: “Wel, deze man is een levende Bijbel!” Prik hem waar u maar wilt: zijn bloed is bijbels, de kern van de Bijbel stroomt uit hem. Hij kan niet spreken zonder een tekst aan te halen, want zijn ziel is vol van het Woord van God. Ik beveel zijn voorbeeld bij u aan, geliefden.’

Bovendien sprak de roemrijke Dromer een taal die de predikant van het Tabernakel na aan het hart lag. Zij spraken dezelfde tongval. In een toespraak uit 1862, gehouden bij de herstelling van Bunyans graf, verzekerde de heer Spurgeon zijn toehoorders dat Bunyans werken hun gestel niet zouden belasten zoals die van Gill en Owen dat misschien doen. ‘Het is prettige lectuur,’ zei hij, ‘want Bunyan schreef en sprak in eenvoudig, Saksisch Engels en las ijverig in de Bijbel van de oude vertaling.’

Het was ongetwijfeld de bedoeling van mijn dierbare vader om deze toespraken uit te geven, want hij was al begonnen ze te herzien. Had hij die taak maar kunnen voltooien! Dan zouden ze veel volmaakter zijn geweest. Nu hebben wij ze grotendeels zoals hij ze uitsprak. Zijn stem is onmiskenbaar te herkennen in deze kernachtige zinnen.

Ik kan mij voorstellen dat hij, als hem het leven was gespaard om deze stichtelijke toespraken uit te geven en er een inleiding voor te schrijven, zijn lezers zou hebben aangespoord zoals hij zijn hoorders bij de bovengenoemde gelegenheid aanspoorde: om in hun hart een gedenkteken voor John Bunyan op te richten, om zijn nakomelingen te worden door de waarheid in zich op te nemen die hij leerde, en om zijn gedachtenis levend te houden door te leven in zijn geloof. Moge het lezen van deze bladzijden liefde wekken voor het boek dat zij verklaren en toepassen, en evenzeer voor het Boek waarvan beide schrijvers ‘doordrenkt’ waren.

Thomas Spurgeon

Clapham, 1903

Hoofdstuk 1
Gezeglijk gaat met Christen op weg

Na de Bijbel is het boek dat ik het hoogst waardeer ‘De Christenreis’ van John Bunyan. Ik geloof dat ik het minstens honderd keer van begin tot eind heb gelezen. Het is een boek waar ik nooit op uitgekeken raak, en het geheim van zijn frisheid is dat het zo grotendeels uit de Schrift is samengesteld. Het is in wezen bijbelse onderwijzing, gegoten in de vorm van een eenvoudige en toch zeer treffende zinnebeeldige vertelling.

Het heeft mij al een tijd op het hart gelegen om een reeks toespraken over ‘De Christenreis’ te houden. De personen die John Bunyan beschrijft hebben namelijk vandaag nog hun levende evenbeelden, en zijn woorden hebben een boodschap voor velen die zich in onze gemeenten bevinden.

U herinnert zich dat Christen, ‘met een boek in zijn hand en een grote last op zijn rug’, het uitriep: ‘Wat zal ik doen om zalig te worden?’ Toen ‘zag hij een man naderen, wiens naam Evangelist was’, en die wees hem naar het kleine poortje en het schijnende licht. Dan zegt Bunyan:

‘Toen zag ik ook dat de man begon te lopen. Hij was nog niet ver van zijn huis, of zijn vrouw en kinderen merkten het en begonnen hem na te roepen dat hij terug moest keren. Maar hij stak zijn vingers in zijn oren en riep: “Leven, leven, eeuwig leven!” (Luk. 14:26.) Zo keek hij niet achterom, maar vluchtte rechtdoor naar het midden van de vlakte (Gen. 19:17).

Zijn buren kwamen ook naar buiten om hem te zien lopen (Jer. 20:10); en terwijl hij liep, bespotten sommigen hem, dreigden anderen hem en riepen enkelen hem achterna dat hij terug moest keren. Onder hen die dat deden waren er twee die vast besloten hadden hem met geweld terug te halen. De naam van de één was Halsstarrig en die van de ander Gezeglijk.’

In plaats van hun toe te geven, begon Christen hen onmiddellijk te bewegen om met hem mee te gaan. Halsstarrig beantwoordde al zijn pleidooien met spot en smaad, maar Gezeglijk liet zich gemakkelijk overhalen. Hij is een beeld van hen die ogenschijnlijk naar de hemel op weg gaan, maar de wortel der zaak niet in zich hebben en daarom spoedig terugkeren. De gelijkenis die Bunyan van hem heeft getekend, verdient onze aandachtige overweging, want zij is in elke trek waar.

Het is veelzeggend dat Gezeglijk er in de eerste plaats met Halsstarrig op uit ging met het kwade oogmerk Christen terug te halen naar de stad Verderf. Zo kunnen ook sommigen die gewoon waren de slechtste omgang te hebben, soms, zelfs zonder dat de genade van God in hen werkt, ertoe gebracht worden hun slechte kameraden te verlaten en voor een tijd hun lot te verbinden met de volgelingen van Christus.

Deze Gezeglijken, die nog altijd een zeer talrijke familie vormen, zijn sterk afhankelijk van hen die hen omringen. Zijn zij geboren in een godvrezend gezin, dan is het waarschijnlijk dat zij belijdenis van hun geloof zullen doen. Het is zelfs mogelijk dat zij hoog geacht worden en misschien jarenlang een zeer achtenswaardig christelijk karakter dragen. Komen zij daarentegen terecht tussen slechte vrienden, dan laten zij zich door hen zeer gemakkelijk verleiden en worden zij ertoe gebracht te drinken, te vloeken en te vervallen in alle ondeugden van de sterkere personen die hen beïnvloeden. Het zijn nauwelijks mannen te noemen. Het zijn kwallen die door elke wending van het getij worden meegesleurd. Zij missen het ware kenmerk van mannelijkheid, en dat is standvastigheid. Halsstarrig daarentegen had er te veel van. Als u een Halsstarrig en een Gezeglijk bij elkaar kon brengen en tot één mens kon maken, dan zou u, wat de natuurlijke mens betreft, iets krijgen dat dichter bij ware mannelijkheid komt dan beiden afzonderlijk. Halsstarrig had alle vastberadenheid, terwijl Gezeglijk er niets van had.

Ik denk dat Gezeglijk een buigzaam schepsel was, en daarom deed Halsstarrig met hem wat hij wilde, totdat de arme zwakkeling in de greep kwam van een sterker man dan Halsstarrig, namelijk Christen. Overigens is er niemand die het kan opnemen tegen een christen wanneer het om invloed gaat. Er gaat een kracht uit van de waarheid die aan ons is toevertrouwd wanneer zij haar werk ongehinderd kan doen, en geen enkele leugen kan daaraan tippen. Als iemands geest werkelijk buigzaam is, dan lijdt het geen twijfel dat een ernstig christen, die door goddelijke genade op de rechte weg is geleid, een wonderlijke macht over zo iemand zal hebben. Zo sterk was Christens invloed dat Gezeglijk, terwijl Halsstarrig nog stond te schelden, hem terechtwees en zei: ‘Mijn hart is genegen om met mijn buurman mee te gaan.’ Christen had niet veel gezegd, en het leek niet dat hij veel invloed uitoefende, maar er was al iets in Gezeglijk gaan werken. In de aanwezigheid en de blik van een christen ligt een macht over het hart van de mens. Bovendien groeit invloed: zo gebeurde het dat Gezeglijk al spoedig nog verder ging en vrijmoedig verklaarde: ‘Ik ben van plan met deze goede man mee te gaan en mijn lot met het zijne te delen.’

U ziet echter dat Gezeglijk geen last op zijn rug had, zoals Christen. Dat was een van de bewijzen dat hij geen ware pelgrim was. Wat mensen tot Christus brengt, is het besef dat zij Hem nodig hebben. Hoewel het zondebesef geen voorwaarde voor de zaligheid is, is het wel de enige drijfveer die mensen ooit tot het vertrouwen op Jezus brengt; het is de prikkel die de goddelijke genade gebruikt wanneer zij mensen tot de Zaligmaker trekt of drijft. Gezeglijk scheen in het begin niet erg bezorgd toen hij hoorde dat de stad Verderf ten ondergang gedoemd was. Maar toen Christen zo fraai over de hemel sprak, dacht hij dat er wel iets in kon zitten. Ja, hij meende dat dat wel zo moest zijn, als een man als Christen zijn gezin en zijn zaak kon verlaten om op een lange pelgrimsreis te gaan. Hij oordeelde dus dat hij het zelf waarschijnlijk beter zou krijgen als hij met Christen meeging. Maar al die tijd had hij geen last op zijn rug. Hij had geen besef van zijn behoefte aan een Zaligmaker, en dat was al in het begin een zeer ernstig gebrek bij iemand die beweerde op pelgrimsreis te zijn naar de hemelse stad.

U zult ook opmerken dat het enige wat Gezeglijk tot meegaan verleidde, Christens praten over ‘de onverderfelijke, en onbevlekkelijke, en onverwelkelijke erfenis’ was. Er zijn predikers die zo fraai kunnen uitweiden over de hemel, over de gezegende gemeenschap in dat gelukkige land waar de bewoners

‘elkaar ontmoeten om nooit meer te scheiden’,

dat de helft van hun hoorders zich gedrongen voelt te zeggen: ‘Wij gaan ook op weg.’ Deze predikers spreken over de muur van jaspis, de poorten van parel, de straat van goud, de glazen zee en de regenboog als een smaragd rondom de troon, op zo’n manier dat mensen met een dichterlijke aanleg, en vooral zij die buigzaam van aard zijn, in hun gevoelens worden geraakt door beschrijvingen die slechts een stoffelijk beeld geven van wat geestelijk bedoeld was. Zij menen werkelijk dat de hemel letterlijk is wat het boek Openbaring figuurlijk zegt dat hij is. Zij komen nooit bij de kern van de innerlijke betekenis; het is het omhulsel van de uiterlijke betekenis dat hen bekoort. Daardoor zijn zij tevreden, in vervoering gebracht, betoverd en gefascineerd, en zo besluiten zij de reis te beginnen.

Om de volle waarheid over de heer Gezeglijk te zeggen: hij begon uitstekend. Ik heb u er al aan herinnerd dat hij Christen verdedigde toen Halsstarrig hem uitschold; en toen Halsstarrig zijn smaad op Gezeglijk zelf richtte en zei: ‘Wat, nog meer dwazen?’, leek hij daar niet voor terug te deinzen. Sommige van deze buigzame mensen zullen zelfs veel vervolging verdragen en er genoegen mee nemen dat zij worden bespot en uitgelachen; zij zullen zelfs schade lijden liever dan terugkeren. Als zij dit werkelijk ‘om Christus’ wil’ doen, is het goed; maar dikwijls dragen zij het slechts met het oog op eigen verheffing en om als beloning iets beters te verkrijgen, zodat nog altijd de zelfzucht hen beheerst. Zij geven een weinig op van het goede dat er in deze wereld is, en het is eigenlijk niet veel wat zij opofferen, omwille van de betere wereld die nog geopenbaard zal worden.

Alles wat zij hebben, ‘huis, of broeders, of zusters, of vader, of moeder, of vrouw, of kinderen, of akkers’, willen zij niet opgeven om Christus’ wil en ‘des Evangelies wil’; daarom zijn zij Christus’ ware discipelen niet. Zij zijn bereid een klein offer te brengen, maar alleen om de hemel te winnen of aan de hel te ontkomen.

Let op de manier waarop Christen Gezeglijk behandelde nadat Halsstarrig hen had verlaten. Ik denk dat hij hem al eerder had gekend en heel goed wist wat een zachte, meegaande man hij was en hoe gemakkelijk hij naar de ene of de andere kant kon worden gebogen. Toch versmaadde hij zijn gezelschap niet, maar zei tot hem: ‘Wel, buurman Gezeglijk, ik ben blij dat u bent overgehaald om met mij mee te gaan.’ U en ik, beste vrienden, zijn verplicht mensen uit te nodigen om tot Christus te komen, wie of wat zij ook zijn. Wij moeten hen zoveel mogelijk bemoedigen, ook al hebben wij in ons eigen hart een gegronde vrees dat sommigen van hen het niet tot het einde zullen volhouden. Ik denk niet dat het aan ons is om jonge mensen die ernstig lijken te zijn over geestelijke zaken te zeggen dat wij bang zijn dat zij niet zullen volharden, en hen zo te ontmoedigen. Onze taak is veeleer tot elk van hen te zeggen: ‘Kom, buurman, ga met mij mee en het zal u gaan zoals het mij gaat.’ Het is het werk van de Geest om het net van het evangelie te vullen; het is onze plicht het uit te werpen en het langs de bodem te slepen. En of wij goede of slechte vis vangen, is niet zozeer onze zorg als die van onze Meester. Christen, hoewel zelf nog niet in vrede, had een prijzenswaardige liefde voor anderen. Het is een schone trek, die ik graag zie bij hen die het tweede werk van de genade in hun ziel ervaren, dat zij willen dat anderen voelen wat zij voelen. Het gedrag van Christen moet een les zijn voor sommigen van u die al lang vreugde en vrede in het geloven hebben, maar die niet tot anderen zeggen: ‘Wel, buurman Gezeglijk.’ Probeer zelf iets te bezitten van de ijver en het medelijden van deze arme pelgrim, die een verontrust geweten had en toch een meelevend hart.

Zo ging Gezeglijk op weg, onbezonnen en luchthartig, zonder de kosten te berekenen en zonder ook maar een ogenblik rekening te houden met de moeilijkheden van de weg. Het is een reis die altijd te lang zal blijken voor wie haar alleen in eigen kracht begint. Terwijl zij over de vlakte gingen, begon Christen met Gezeglijk te spreken over wat hij zelf had ervaren, ‘de machten en verschrikkingen van wat onzichtbaar is’. Maar zodra hij dat deed, begon Gezeglijk over iets anders. Hij wilde niets weten van zulke zaken. Hij had de hele zaak in feite vleselijk opgevat. Van de machten en verschrikkingen van de onzichtbare wereld wist hij niets, en kennelijk wilde hij er ook niets van weten. Hij keerde terug naar wat hem in het begin had aangetrokken en zei tot Christen: ‘Kom, buurman Christen, omdat wij hier alleen zijn, verhaal mij nu eens verder, welke dingen wij zoeken en hoe wij die deelachtig zullen worden.’

Deze twee mannen raakten al wandelend en pratend op een dwaalspoor doordat zij veel spraken over dingen die geen van beiden goed begreep. Het is waar dat Christen zei: ‘Omdat u er zo begeerlijk naar bent, wil ik u daarvan wel wat voorlezen uit mijn Boek.’ Er zat dus iets goeds in hun gesprek, dat wij van harte kunnen aanbevelen; toch is zelfs dat misschien niet het wijste wat jonge beginners kunnen doen. Het is inderdaad wijs om de Bijbel te lezen en te spreken over wat erin staat, maar dat moet met veel gebed gebeuren, wil het van werkelijk geestelijk nut zijn. Ik zoek tevergeefs naar een woord over het bidden van Gezeglijk, maar over Christen lees ik, zelfs voordat hij op reis ging:

‘Hij ging ook nu en dan eenzaam in het veld wandelen, soms lezende, soms biddende; en zo bracht hij enige tijd door. Ik zag op een keer toen hij in het veld wandelde en, zoals hij gewoon was, in zijn Boek las, dat hij zeer benauwd werd in zijn gemoed; en terwijl hij las, barstte hij uit zoals tevoren en riep: “Wat zal ik doen om zalig te worden?” (Hand. 16:30-31.)’

Zo was het niet bij Gezeglijk. Wat hij Christen uit het Boek hoorde voorlezen, maakte hem niet bedroefd, maar betoverde en verrukte hem. Hij dacht alleen aan het hemelse vaderland, niet aan de plaag van zijn eigen hart en niet aan de verdoemelijke aard van zijn zonde. Deze dingen waren nooit met kracht tot hem doorgedrongen zoals tot Christen, en daarom zei hij niet: ‘Kom, laten wij samen knielen en om genade smeken’, maar hij zei: ‘Wel, mijn goede reisgenoot, ik ben zeer blij deze dingen te horen. Komaan, laat ons onze weg bespoedigen.’ Ja, in het begin is niemand zo enthousiast als deze lege, holle mensen. ‘Laat ons onze weg bespoedigen’, zei Gezeglijk. Broeders, het advies is zeker goed, maar ik hoor het niet graag uit zulke monden. Het is een zeer gepaste aansporing op haar plaats, maar niet wanneer zij komt van iemand die nooit door de zonde is bezwaard, nooit onder de hamer van Gods wet is gebroken en nooit zijn eigen nietigheid en waardeloosheid heeft leren voelen. U die leeg bent, kunt wel snel reizen; u die nooit de last van de zonde op uw hart hebt gevoeld, kunt wel snel lopen. Gezeglijk wil alleen maar voortjagen, drukte maken en lawaai verwekken. Hij bezoekt opwekkingssamenkomsten en wil dat die lang duren. Als de bui over hem komt, is hij bereid de hele nacht op te blijven, zijn huis op stelten te zetten en allerlei buitengewone dingen te doen, alleen om te laten zien hoe vol ijver hij is. Maar na korte tijd is het allemaal voorbij. Het is als het knetteren van doornen onder een pot: ze branden zo fel dat de pot overkookt en het vuur uitgaat.

‘Komaan’, zei Gezeglijk, ‘laat ons onze weg bespoedigen.’ Christen zei: ‘Ik kan zo hard niet voortgaan als ik wel wil, vanwege deze last die ik op mijn rug heb.’ Toen vertelt Bunyan ons, op het moment dat zij hun gesprek beëindigden:

‘Zij naderden een zeer modderige poel, die midden in de vlakte lag; en doordat zij niet goed uitkeken, vielen zij beiden plotseling in het moeras. De naam van die poel was Mistrouwen.’

Hoofdstuk 2
De twee pelgrims in de poel Mistrouwen

Door veel te praten en weinig te bidden, en doordat zij niet letten op waar zij liepen, bevonden Christen en Gezeglijk zich plotseling spartelend in de poel Mistrouwen. Bunyan zegt:

‘Hier wentelden zij gedurende een tijd in rond en werden erg besmeurd met het slijk en de modder; en daar Christen zo’n pak op zijn rug had, begon hij al te zinken in het slijk.’

Zelfs toen hadden zij, als zij maar hadden geweten waar zij moesten kijken, kunnen ontdekken dat er ‘door het beleid van de Wetgever zekere goede en vaste treden geplaatst waren, door het midden van deze poel’. Hadden zij hun voeten op die treden gezet, met andere woorden: hadden de pelgrims op de beloften van God vertrouwd, dan hadden zij de overkant kunnen bereiken zonder dat hun kleding ook maar enige vlek had opgelopen.

Ik ben altijd geneigd Evangelist een deel van de ongemakken te verwijten die de arme Christen in de poel Mistrouwen heeft geleden. Ik ben een groot liefhebber van John Bunyan, maar ik houd hem niet voor onfeilbaar. Onlangs hoorde ik over hem een verhaal dat ik zeer goed vind. Er was een jongeman in Edinburgh die zendeling wilde worden. Hij was een verstandig jongeman, en dus dacht hij: ‘Als ik zendeling wil worden, hoef ik mij niet ver van huis te begeven; ik kan net zo goed zendeling in Edinburgh zijn.’ Dat is een wenk voor sommigen van u, dames, die in uw wijk traktaatjes uitdelen en uw dienstmeisje Mary er nooit een geven. Welnu, deze jongeman ging op pad en nam zich voor de eerste de beste die hij ontmoette aan te spreken. Hij ontmoette een van die oude viswijven. Wie van ons ze heeft gezien, vergeet ze nooit meer; het zijn werkelijk buitengewone vrouwen. Hij liep op haar toe en zei: ‘Daar komt u, met uw last op uw rug. Mag ik u vragen of u ook nog een andere last hebt, een geestelijke last?’ ‘Wat!’ zei zij. ‘Bedoelt u die last uit “De Christenreis” van John Bunyan? Want als u die bedoelt, jongeman: daar ben ik al jaren geleden van verlost, waarschijnlijk voordat u geboren was. Maar ik ben het beter aangepakt dan de pelgrim. Die Evangelist over wie John Bunyan vertelt, was zo’n dominee die het evangelie niet predikt. Want hij zei: “Houd dat licht in uw oog en ga recht op het kleine poortje aan.” Maar mens toch, daar moest hij niet naartoe! Hij had moeten zeggen: “Ziet u dat kruis? Ga daar meteen heen!” In plaats daarvan stuurde hij de arme pelgrim eerst naar het kleine poortje, en veel goeds heeft hij daar niet aan gehad!’ ‘Maar bent u dan niet door een poel Mistrouwen gegaan?’ vroeg de jongeman. ‘Jawel, dat heb ik gedaan, maar ik vond het veel gemakkelijker om erdoor te gaan met mijn last af dan met die last op mijn rug.’ De oude vrouw had volkomen gelijk. John Bunyan heeft de verlossing van de last te ver van het begin van de pelgrimsreis geplaatst. Als hij wilde laten zien wat gewoonlijk gebeurt, had hij gelijk; maar als hij wilde laten zien wat zou moeten gebeuren, had hij ongelijk. Wij mogen niet tot de zondaar zeggen: ‘Nu, zondaar, als u behouden wilt worden, ga dan naar het doopbassin; ga naar het kleine poortje; ga naar de kerk; doe dit of dat.’ Nee, het kruis moet vlak voor het kleine poortje staan, en wij moeten tot de zondaar zeggen: ‘Werp u daar neer, en u bent veilig. Maar u bent pas veilig wanneer u uw last kunt afwerpen, aan de voet van het kruis kunt liggen en vrede in Jezus kunt vinden.’

Laten wij Christen nu een poosje verlaten en onze gedachten richten op zijn metgezel, Gezeglijk. Deze ervaring in de poel Mistrouwen was de eerste beproeving die hij tegenkwam sinds hij op pelgrimsreis was gegaan. Het was, vergeleken met wat nog volgt, een lichte beproeving. De poel zou hen waarschijnlijk niet verzwelgen. Het was lang niet zo erg als in de kerker van reus Wanhoop te liggen of in de vallei Verootmoediging met Apollyon te moeten vechten. Het was voor niemand veel om te verdragen, maar het was meer dan Gezeglijk kon opbrengen. Bunyan beschrijft zo wat hem overkwam:

‘Hierop begon Gezeglijk moeilijk en zeer toornig te worden en zei tot zijn metgezel: “Is dit het geluk waarvan u mij zoveel verteld hebt? Als wij al in het begin van onze reis zo’n tegenspoed hebben, wat staat ons dan nog te wachten voordat wij aan het eind ervan zijn? Als ik het er hier levend afbreng, dan mag u die schone plaats wel alleen houden.” Nadat hij deze woorden had geuit, deed hij een hevige worsteling of twee en spartelde zo uit de modder, juist aan die kant van de poel die naar zijn huis was gekeerd. Zo verdween hij, en Christen zag hem nooit weer.’

Zo gebeurt het vaak, zonder enige grote uiterlijke beproeving, enkel door moedeloosheid van gemoed: een plotselinge domper doet de blos van de eerste vreugde verbleken, en sommigen van hen die op de weg naar de hemel zijn begonnen, keren terug. Zo bewijzen zij dat zij niet goed zijn begonnen en dat het werk van God, de Heilige Geest, nooit werkelijk in hun ziel heeft plaatsgevonden.

Sommigen van u, beste vrienden, worden zeer warm, opgewonden en enthousiast wanneer u de diensten hier bijwoont of met uw kameraden samenkomt in een van onze vele Bijbelklassen. Dan moet u misschien naar het platteland verhuizen, en dat is alsof u uit een broeikas in een ijsput stapt; en meteen vergeet u alle gelukkige ervaringen die u onder ons hebt gehad. Of het gebeurt dat ik op een zondagmorgen, in plaats van een vertroostende en geruststellende preek te houden, een wakkerschuddende, hartonderzoekende preek houd, en u zich gekwetst voelt of schrikt en alle verlangen opgeeft om het pelgrimspad te bewandelen.

‘De vreesachtige ziel die vermoeit en bezwijkt
en Gods wegen niet meer bewandelt,
wordt nauwelijks een heilige geacht
en maakt haar eigen verderf zeker.’

Wees op uw hoede, bid ik u, voor elke godsdienst die enkel voortkomt uit het vleselijke verlangen om van de hemel te genieten. Zowel de schrik van de hel als de vreugde van de hemel is onvoldoende om de ziel werkelijk de Zaligmaker te laten zoeken. Er moet een besef van zonde zijn en een verlangen naar heiliging. Want uiteindelijk is het wezen van de hel de zonde en het wezen van de hemel de heiligheid, en u zult niet zomaar tot God gaan alleen vanwege de hel of de hemel als uiterlijke zaken. Alleen door het wezen van die twee uiterlijke zaken zult u ertoe worden gebracht op Jezus Christus te vertrouwen: de zonde die op u drukt, en uw ziel die roept om reinheid, heiligheid en gelijkheid aan God.

Moge God geven dat wij geen Gezeglijken in onze gemeente hebben! Helaas, wij krijgen ze soms toch, en zij komen een heel stuk verder op de pelgrimsweg dan de heer Bunyan beschrijft. Zij gaan langs het huis van Uitlegger; zij beklimmen de heuvel Moeilijkheid; zij gaan zelfs voorbij het kruis. Maar zij voelen natuurlijk hun last nooit van hun rug rollen. Zij zijn zich er niet van bewust dat er een last is. Wanneer christenen zingen, zingen zij ook mee, omdat zij denken dat zij binnenkort dezelfde erfenis zullen ontvangen. Meestal gaan zij midden op de dag door de vallei Verootmoediging. Apollyon vecht nooit tegen hen, en zij verwonderen zich erover dat hij hen niet aanvalt. Zij denken wat een goede mensen zij zijn, en wat een slechte mensen het wel moeten zijn die de innerlijke onrust en de slagen van het geweten kennen waarover zij ons horen spreken. Zij kunnen niet begrijpen waarom wij het hebben over christenen die zulke hevige innerlijke strijd voeren. Maar als zij de Heere werkelijk kenden, zouden zij het spoedig begrijpen; en zolang zij Hem niet kennen, zal veel van onze prediking hun een raadsel blijven.

Gezeglijk was een volslagen vreemdeling voor de levende godsvrucht. Hij had zichzelf bekeerd; of liever, Christen had hem bekeerd door zijn praten over de hemel. En misschien was hij, als de poel Mistrouwen er niet was geweest, net als Onkunde rechtstreeks naar de oever van de rivier gegaan en door IJdel Vertrouwen overgezet, alleen om aan de poort de toegang te worden geweigerd, door de twee Blinkenden aan handen en voeten gebonden te worden weggedragen en door de achterdeur in de hel te worden geworpen. Want er is een achterdeur naar de hel, evengoed als een voordeur; en sommige belijders, die ogenschijnlijk een heel eind op de weg naar de hemel zijn gekomen, zullen uiteindelijk door deze deur in de hel terechtkomen, tenzij zij zich van hun zonde bekeren en geloven in onze Heere Jezus Christus. Maar wat werd er van Gezeglijk nadat hij zich uit de poel Mistrouwen had gewerkt? Bunyan zegt:

‘Ik zag ook, toen Gezeglijk thuiskwam, dat zijn buren hem kwamen bezoeken, en enigen van hen zeiden dat hij een wijs man was omdat hij teruggekeerd was; anderen noemden hem een dwaas omdat hij het had gewaagd met Christen mee te gaan. Weer anderen bespotten zijn lafheid en zeiden: “Wel, nu u het eenmaal had gewaagd, had u er niet om een paar moeilijkheden mee moeten ophouden. Was ik in uw plaats geweest, dan was ik voortgegaan.” En zo zat Gezeglijk bedremmeld tussen hen in.’

Er is één ding aan de wereld dat ik dikwijls bewonderd heb. Wij zeggen soms: ‘Geef de duivel wat hem toekomt’, en ik wil de wereld ook geven wat haar toekomt. Ik bedoel dat, wanneer iemand een eindje op de weg van de godsdienst gaat en dan terugkeert, de gewone wereldlingen hem meestal verachten. Ik geloof dat de goddeloze wereld een oprechte eerbied heeft voor een ware christen. Zij haat hem, en dat is de enige hulde die zij hem kan brengen. De reden dat de mensen in de dagen van onze Zaligmaker Hem haatten en bespotten, was dat zij een ontzag voor Hem hadden dat ik verschrikkelijk zou willen noemen en waarvoor zij geen andere uitdrukking wisten. Zij haatten en verfoeiden wat zij niet naar waarde konden schatten, en zo toonden zij door hun spot en hoon hoe ver zij ervan af waren de uitnemendheid van de Zaligmaker te begrijpen. Dezelfde behandeling mag u van de goddelozen verwachten als u uw Heere gelijkt.

Maar wanneer een voorgewende pelgrim terugkeert, verachten zij hem. Zij noemen hem een ‘overloper’, en zij hadden geen juistere naam voor hem kunnen vinden. ‘O!’ zeggen zij, ‘een tijdje geleden was je bij de ernstige mensen, en je was blijkbaar even ernstig als zij; maar wat ben je nu?’ En wanneer de man dan de kroeg binnenloopt, weet u hoe zij hem begroeten: ‘Ah, meneer Ernstig! Dus je bent teruggekomen?’ Wanneer zij hem naar de schouwburg volgen, zeggen zij tegen hem: ‘Hoe lang is het geleden dat je in het Tabernakel was?’ of zij maken een grove grap over hem. Zij weten de zweep van de spot te hanteren, en ik dank hen dat zij dat doen, en hoop dat zij hun slagen altijd flink laten neerkomen.

Maar bedenk wel dat de geringe spot die Gezeglijk in dit leven zo moeilijk te dragen vindt, slechts een heel lichte voorsmaak is van wat hij in de hel zal moeten dragen. U herinnert zich die opmerkelijke beschrijving die de profeet Jesaja geeft van de koning van Babel, toen hij in de hel nederdaalde. Alle koningen die hij had verwoest en wier landen hij had geteisterd, lagen op hun bedden van vuur; en toen zij hun grote veroveraar zagen binnenkomen, begonnen zij niet te beven, maar siste het uit hen: ‘Gij zijt ook krank geworden, gelijk wij, gij zijt ons gelijk geworden. Hoe zijt gij uit den hemel gevallen, o morgenster, gij zoon des dageraads! hoe zijt gij ter aarde nedergehouwen, gij, die de heidenen krenktet!’

Als iemand van u terugkeert, zoals Gezeglijk deed, dan zal dit het ergste bestanddeel zijn van uw eeuwige pijniging: dat u op een bepaalde manier wel op de weg naar de hemel bent gegaan, dat u deed alsof u een christen was, dat u zei dat u zich onder de banier van het kruis had laten inschrijven, dat u veel sprak over uw ervaring, dat u naar de gebedssamenkomst ging en misschien zelfs hardop bad, dat u traktaatjes uitdeelde, en dat u toch, na alles, slechts een huichelaar was, en daarom aan het einde te midden van de vlammen van de hel terechtkwam. Als ik dan toch moet omkomen, laat het dan zijn als een zondaar die nooit beweerd heeft een heilige te zijn, en niet als een Gezeglijk, die naar de hemelse stad op weg ging en toen terugkeerde naar zijn huis in de stad Verderf. Het zou beter zijn geweest voor hen die de smaak van hemelse dingen in hun mond hebben gehad, en toch niet ‘gesmaakt hebben dat de Heere goedertieren is’, als zij nooit iets van de weg der gerechtigheid hadden gekend.

Sommigen van u, beste vrienden, moeten wel of een Gezeglijk of een christen zijn. U hebt van nature zo’n aard dat u niet anders kunt dan gemakkelijk beïnvloed te worden door uw omgeving; en tenzij de genade van God u tot een kind van God maakt, zult u van Hem worden afgeleid. U kunt geen Halsstarrig zijn; daarvoor bent u te goed, in de gewone zin van het woord ‘goed’: u bent te vriendelijk, te liefdevol en over het geheel te teerhartig om u jegens Christen te gedragen zoals die man deed. U zou het niet over uw hart kunnen verkrijgen te drinken of te vloeken; de invloed van uw moeder en het voorbeeld van uw vader hebben te veel macht over u om een Halsstarrig te worden. U kunt niet zondigen zoals anderen dat kunnen; u kunt niet zondigen in onwetendheid. Ik was bijna gaan zeggen dat ik wenste dat u dat kon. Als u verloren moet gaan, als u niet van plan bent te geloven in onze Heere Jezus Christus, als u vastbesloten bent verloren te gaan, dan zou het voor u veel beter zijn te vergaan als Tyrus en Sidon dan als Bethsaïda, Chorazin of Kapernaüm.

Ik geloof dat velen van u, wanneer u in dit Tabernakel komt, het gevoel hebben dat u wel Gezeglijken móeten zijn. Er zijn in deze gemeente enkelen, die ik toevallig persoonlijk ken, die niet anders kunnen dan mij te komen horen, terwijl zij toch onbekeerd blijven. Ik preek tegen hen, en zij weten dat ik dat doe, en zij hebben achting voor mij omdat ik het doe, en danken mij er zelfs voor, en zeggen soms dat zij hopen dat zij eens bekeerd zullen worden. Maar zij zijn zo buigzaam dat zij onder een preek zullen wenen en op hun manier zullen bidden; en wanneer zij van hier zijn weggegaan, grijpt een sterkere hand dan de mijne hen vast. Een kameraad zegt tegen hen: ‘Kom mee; trek je niets aan van wat Spurgeon zegt, ga met mij mee.’ En zij kunnen geen ‘nee’ zeggen. Zij hebben de zedelijke moed niet om te zeggen dat zij niet zullen gaan waarheen de goddelozen hen leiden. Zodra zij tot zonde worden verleid, geven zij toe. Zij wensen dat er geen verleiders waren en dat zij in een wereld konden komen waar het goede de overhand had. Zij zijn als een zeilschip dat van elke wind afhangt en door elk briesje heen en weer wordt geblazen. Zij hebben geen innerlijke kracht om weerstand te bieden.

Dat is niet de manier om in de hemel te komen. U hebt als het ware een goddelijke machine nodig die krachtig aan het werk is, met heel haar stampende, hijgende kracht, zodat u vooruit komt tegen wind en golven in en rechtdoor blijft gaan, steeds even snel en onafgebroken voortgaand naar de verre haven. Moge God u door Zijn genade tot deze zalige toestand brengen! Ik had zo graag zo indringend tot u willen spreken dat u niet had kunnen vergeten wat ik zei, maar naar huis was gegaan om erover na te denken en erover te bidden en het te geloven. Ik zou zelfs willen dat u wenste nooit geboren te zijn, want dan zou ik hopen dat u zou wensen opnieuw geboren te worden. Anders is er geen hoop voor u. U bent eenmaal geboren; er is geen mogelijkheid dat u over het feit heen komt dat u bestaat. Vraag de Heere dat u mag bestaan in Christus Jezus. U bent een schepsel, en de enige hoop voor u is dat u ‘een nieuw schepsel in Christus Jezus’ wordt gemaakt. Moge de Heilige Geest u tot dit punt brengen! Vraag Hem dat te doen. De beste plaats om een besef van zonde te krijgen is aan de voet van het kruis. Moge mijn gezegende Meester u daar ontmoeten, en u tot Zichzelf trekken, zodat u behouden wordt en aan het einde niet onder de Gezeglijken wordt gevonden! Amen.

Hoofdstuk 3
De man die Bijstand heette

‘Daar lag Christen nu alleen te worstelen in de poel Mistrouwen. Hij probeerde intussen uit de modder te krabbelen naar de kant die het verst van zijn eigen huis lag, aan de kant van het kleine poortje; maar hij kon het niet bereiken vanwege het pak dat hij op zijn rug had. Toen zag ik in mijn droom dat er een man tot hem kwam, wiens naam Bijstand was, die hem vroeg wat hij daar deed.

Christen: “Mijnheer, een man die Evangelist heet, heeft mij deze weg gewezen. Hij wees mij ook naar die poort daar, zodat ik de toekomende toorn zou ontvlieden; maar toen ik daarheen op weg was, ben ik hier gevallen.”

Bijstand: “Maar waarom lette u niet op de treden?”

Christen: “Vrees drong zo op mij aan dat ik de kortste weg heb genomen, en zo viel ik hier in.”

Toen zei hij: “Geef mij uw hand.” Dit deed hij, en Bijstand trok hem eruit, zette hem op vaste grond en beval hem zijn weg te vervolgen (Ps. 40:3).’

Overeenkomstig de verscheidenheid van gaven die voortkomen uit dezelfde Geest van God, vervulden degenen die zich in de eerste eeuwen van het christendom inspanden om reizigers naar de hemelse stad te leiden, verschillende ambten en werden zij onder verschillende namen gekend. Paulus zegt ons in zijn eerste brief aan de Korinthische pelgrims (1 Kor. 12:28): ‘En God heeft er sommigen in de Gemeente gesteld, ten eerste apostelen.’ Zij moesten van plaats naar plaats trekken, gemeenten stichten en voorgangers aanstellen. Er waren ‘ten tweede profeten’, van wie sommigen profetieën uitspraken, terwijl anderen de gave hadden die te verklaren. Dan kwamen ‘ten derde leraars’. Dat waren waarschijnlijk óf herders die over verschillende gemeenten waren aangesteld en de pelgrims op de weg naar de hemel leidden, zoals Groothart dat deed, óf mannen als Evangelist, die rondreisden om de mensen die zij ontmoetten te waarschuwen en de weg te wijzen.

‘Daarna krachten, daarna gaven der gezondmakingen.’ En de apostel vergeet niet nog een andere groep mensen te noemen, die ‘behulpsels’ worden genoemd. Wie deze mensen precies waren, is op deze afstand van tijd zeer moeilijk, zo niet onmogelijk te zeggen. Sommigen die in de pelgrimsverslagen thuis zijn, hebben gemeend dat het hulpvoorgangers waren, die de vaste herders af en toe hielpen, zowel in het herderlijk werk van het huisbezoek als in het prediken van het Woord. Anderen hebben gemeend dat het hulpdiakenen waren, en misschien zelfs diakonessen, een ambt dat in de apostolische gemeenten werd erkend. Weer anderen hebben zich voorgesteld dat deze ‘behulpsels’ de dienstdoenden in het heiligdom waren, die ervoor zorgden dat vreemdelingen goed werden opgevangen en die de zaken regelden die altijd door iemand moeten worden geregeld wanneer mensen samenkomen voor de gezamenlijke eredienst. Wie zij ook waren en wat hun taken ook mogen zijn geweest, zij schijnen een nuttige groep mensen te zijn geweest, waard om in dezelfde lijst genoemd te worden als apostelen, profeten en leraars, en zelfs om genoemd te worden naast wonderdoeners en hen die de gaven van genezing hadden. Het is zeer waarschijnlijk dat zij geen officiële positie bekleedden, maar slechts door de natuurlijke drang van het goddelijke leven in hen werden bewogen om alles te doen wat leraar, herder of diaken kon helpen in het werk van de Heere. Zij behoorden tot die soort broeders die overal van nut zijn, die altijd een gat kunnen dichten en die maar al te blij zijn wanneer zij merken dat zij de gemeente van God op welke wijze ook van dienst kunnen zijn, hoe nederig die ook is. De gemeente van deze tijd verheugt zich in een flinke schare van ‘behulpsels’, maar misschien kan een enkel woord hun reine gemoed opwekken door hen te herinneren.

John Bunyan, van wie wij nog zullen zien dat hij zowel een meester is in de christelijke ervaring als in de heilige zinnebeeldige vertelling, heeft in de passage aan het begin van dit hoofdstuk een deel beschreven van het werk van deze ‘behulpsels’, dat zeer waardevol en zeer nodig is. ‘De man die Bijstand heette’ kwam tot Christen toen die spartelde in het vuile moeras van de moedeloosheid. Net toen de arme man op het punt stond te stikken, doordat hij zijn houvast in de poel had verloren en met al zijn gespartel alleen maar dieper en dieper in de modder zonk, kwam er plotseling iemand naar hem toe. Van hem zegt Bunyan in heel zijn zinnebeeldige vertelling niets meer, en hier vertelt hij ons alleen zijn naam. Hij stak zijn hand uit, sprak enkele bemoedigende woorden en trok hem uit de modder. Hij zette hem op de koninklijke weg en ging toen zijn eigen weg, een man die op aarde onbekend is, maar in de annalen van de hemel staat opgetekend als wijs om zielen te winnen.

Er zijn tijden in het goddelijke leven waarin de hulp van verstandige christelijke broeders onschatbaar is. De meesten van ons, die nu verblijd zijn met een vaste hoop, weten alleen al te goed wat die vreselijke poel Mistrouwen is. Ikzelf heb er ongeveer vijf jaar in gesparteld en ken dus haar verschrikkelijke gesteldheid goed. Op sommige plaatsen is zij dieper dan op andere en walgelijker, zoals op de plek waar David was toen hij riep: ‘Ik ben gezonken in grondeloze modder, waar men niet kan staan.’ Maar geloof mij, een mens mag zichzelf driewerf gelukkig prijzen wanneer hij eruit komt. Want zelfs op haar best dreigt zij hem, zodra hij er goed en wel in zit, levend te verzwelgen. Dierbaar, zeer dierbaar moet ons altijd de hand zijn die ons uit de ‘ruisenden kuil’ heeft geholpen; en terwijl wij alle eer geven aan de God van de genade, kunnen wij niet nalaten het werktuig dat Hij zond om ons te redden met de grootste liefde te beminnen.

Op de top van sommige Zwitserse bergpassen houdt het kanton, tot behoud en gemak van de reizigers, een kleine groep mannen in dienst. Zij wonen in een huisje op de berg, en hun taak is reizigers op weg te helpen. Het was een groot genoegen om, toen wij de steile helling van de Col d’Obbia in Noord-Italië opploegden, op ongeveer drie of vier mijl van de top een man naar beneden te zien komen, die ons groette alsof hij ons al jaren kende en op onze komst had gewacht. Hij had een schop in zijn hand; en hoewel wij niet wisten wat ons te wachten stond, wist hij het kennelijk precies, en was hij op elke noodsituatie voorbereid. Weldra kwamen wij in diepe sneeuw, en onze vriendelijke voorloper ging meteen met zijn schop aan het werk om een pad vrij te maken, waarlangs hij de zwakkeren van het gezelschap op zijn rug droeg. Het was zijn taak voor de reizigers te zorgen, en na korte tijd kwam er een tweede bij hem, die verfrissingen voor de vermoeiden bij zich had. Deze mannen waren ‘behulpsels’, die hun leven doorbrachten op dat deel van de weg waar men wist dat er vaak behoefte aan hun diensten zou zijn. In de vlakte zouden zij weinig waard zijn geweest; hun aandacht zou zelfs opdringerig kunnen zijn geacht als zij ons elders hadden ontmoet. Maar zij waren zeer waardevol, omdat zij zich juist daar aandienden waar zij nodig waren, en ons als het ware met vriendelijkheid opwachtten.

‘Behulpsels’ zijn van weinig nut voor een mens die zichzelf kan helpen. Maar wanneer hij hopeloos wegglijdt in het slijk van de poel Mistrouwen, dan wordt een man met een liefdevol hart kostbaarder dan het goud van Ofir. Als ik Bunyan goed begrijp, zijn de mannen van deze groep ‘behulpsels’ opgesteld rondom de randen van het grote, troosteloze moeras Mistrouwen. Het is hun taak op de uitkijk te staan en langs de rand van de poel te luisteren naar het roepen van arme, door de nacht overvallen reizigers die door de modder staan te waggelen. Zoals de Royal Humane Society ’s winters, wanneer het ijs zich vormt, haar mannen langs de randen van de vijvers in de parken plaatst en hun opdraagt op wacht te staan en te zorgen voor wie zich op het ijs mocht wagen, zo zou in elke gemeente een klein groepje christenen, mannen en vrouwen, altijd gereed moeten zijn om te luisteren naar noodkreten en uit te zien naar gebroken harten en neergeslagen geesten. Dat zijn de ‘behulpsels’ die wij nodig hebben; en dat waren misschien ook de oude ‘behulpsels’ van wie Paulus spreekt.

Het kan goed zijn deze ‘behulpsels’ enkele aanwijzingen te geven over hoe zij zoekende zondaren uit de poel Mistrouwen kunnen helpen. Uit mijn eigen ervaring als herder voel ik mij gedrongen een zorgvuldige navolging aan te bevelen van ‘de man die Bijstand heette’, zoals Bunyan hem beschrijft.

Allereerst: wanneer u iemand ontmoet die wanhoopt, laat hem dan zijn eigen toestand uiteenzetten. Toen Bijstand Christen hielp, stak hij niet meteen zijn hand naar hem uit, maar vroeg hij hem wat hij daar deed en waarom hij niet op de treden had gelet. Het doet mensen veel goed wanneer zij hun geestelijke leed voor hun vertroosters mogen blootleggen. De biecht bij een priester is een gruwel, maar het meedelen van onze geestelijke moeilijkheden aan een medechristen zal dikwijls een zoete verlichting zijn en een heilzame oefening. U die de ontwaakten wilt helpen, doet er verstandig aan te doen zoals de engelen bij het graf, die de wenende Maria vroegen: ‘Vrouw, wat weent gij?’ Hun antwoorden bepalen de handelwijze van de helper en helpen bij de toepassing van de nodige vertroosting. Een patiënt die zijn ziekte begrijpt, zal zich blijmoediger aan de behandeling van een wijze arts onderwerpen. Ik heb wel gemerkt dat het enkele uitspreken van een moeilijkheid ervoor zorgde dat zij onmiddellijk verdween. Enkele van de pijnlijkste twijfels zijn als afschuwelijke nachtuilen: zij kunnen het daglicht niet verdragen. Er zijn veel geestelijke moeilijkheden die zouden verdwijnen tijdens het onderzoek, als iemand ze maar lang en eerlijk genoeg onder ogen zag om ze te kunnen beschrijven. ‘Gij kleingelovige! waarom hebt gij gewankeld?’ is de manier waarop onze Heere de rede in slagorde stelt tegen het ongeloof. Laat de treurende zijn zaak uiteenzetten, in elk geval; en luister geduldig naar hem. Neem die jonge man apart, beste broeder; vraag hem rustig met u te gaan zitten en vraag hem dan: ‘Wat is het punt dat u in verwarring brengt? Wat kunt u niet begrijpen? Wat maakt u zo terneergeslagen en moedeloos?’ Verstandig bracht Bijstand, die goede man, Christen ertoe zijn leed uit te storten. Doe evenzo.

Betrek vervolgens, zoveel in u is, de zaak van de ander in uw eigen hart. Bijstand kwam aan de rand van de poel en boog zich neer naar zijn arme vriend. Misschien komt u dit voor als een onbelangrijke aanwijzing, maar het kan niet anders of u zult maar weinig hulp, indien enige, kunnen bieden als u haar niet opvolgt. Medeleven is de drijfveer van ons vermogen anderen te troosten. Als u zich niet kunt inleven in de nood van een ziel, zult u voor die ziel geen ‘zoon der vertroosting’ zijn. Probeer dus zelf tot hen neer te komen om ‘met de wenenden te wenen’, zodat u hen kunt opheffen tot het platform van uw vreugde. Spot niet met een moeilijkheid omdat die u klein toeschijnt; bedenk dat zij zeer groot kan zijn voor wie er door gekweld wordt. Begin niet te schelden en zeg niet tegen de bezorgde vragensteller dat hij niet zo zou moeten voelen als hij voelt of niet zo bedroefd zou moeten zijn als hij is. Zoals God Zijn eeuwige armen onder ons legt wanneer wij zwak zijn, zo moet u de uitgestrekte armen van uw medeleven leggen onder uw jongere en zwakkere broeders, om hen op te tillen. Als u een broeder in het slijk ziet, steek dan uw armen helemaal in de modder, zodat u hem door de genade van God lichamelijk eruit kunt tillen. Bedenk dat u eens precies was waar deze moedeloze zuster van u nu is, en probeer, als u kunt, uw eigen gevoelens terug te halen uit de tijd dat u in haar toestand verkeerde. Het kan zijn, zoals u zegt, dat de jongeman of het meisje erg onverstandig is. Ja, maar u was zelf eens onverstandig; en toen ‘gruwelde’ uw ziel ‘van alle spijze, en zij was tot aan de poorten des doods gekomen’. U moet, om met Paulus te spreken, ‘dwaas worden’ ter wille van hen. U moet zich verplaatsen in de toestand van deze eenvoudigen van geest. Als u dat niet kunt, hebt u een opleiding nodig om te leren hoe u een helper moet zijn; u kent de weg nog niet.

Uw volgende stap kan zijn deze arme broeders te troosten met de beloften van God. Bijstand vroeg Christen waarom hij niet naar de treden had gezocht; want er lagen goede en vaste stapstenen midden door de poel; maar Christen zei dat hij ze uit overmatige vrees had gemist. Wij moeten zinkende zielen wijzen op de vele kostbare beloften van Gods Woord. Broeders, zorg ervoor dat u zelf goed bekend bent met de vertroostende verklaringen van de Schrift; houd ze op het puntje van uw tong, klaar voor gebruik op elk moment dat zij nodig zijn. Ik heb gehoord van een zekere geleerde die miniatuuruitgaven van de klassieke schrijvers bij zich droeg, zodat hij bijna een hele Bodleian Library in zijn zak had. O, dat u miniatuurbijbels bij u droeg; of beter nog, dat u het hele Woord van God in uw hart had verborgen, zodat u, zoals uw Heere, ‘met den moede een woord ter rechter tijd zou weten te spreken’! ‘Hoe goed is een woord op zijn tijd!’ Telkens wanneer u een bedrukte ziel ontmoet, wat een zegen is het dan voor u om tegen hem te kunnen zeggen: ‘Ja, het is waar dat u een zondaar bent; maar Christus Jezus is in de wereld gekomen om de zondaren zalig te maken!’ Misschien zal hij u zeggen dat hij niets kan doen; maar u kunt antwoorden dat hem niet gezegd wordt iets te doen, want er staat geschreven: ‘Geloof in den Heere Jezus Christus, en gij zult zalig worden.’ Misschien antwoordt hij dat hij niet kan geloven; maar dan kunt u hem herinneren aan de belofte: ‘Een iegelijk, die den Naam des Heeren zal aanroepen, zal zalig worden.’ Sommige teksten in de Bijbel zijn als die sterrenbeelden aan de hemel die zo duidelijk zijn dat de zeeman, wanneer hij ze eenmaal ziet, weet in welke richting hij stuurt. Bepaalde schitterende gedeelten van de Schrift lijken aan het uitspansel van de Openbaring te zijn gezet als leidsterren voor verbijsterde zielen. Wijs op die teksten. Haal ze vaak aan. Zet de ogen van de zondaar erop vast. Zo zult u hem het doeltreffendst helpen.

Als een wanhopende ziel deze bladzijden mocht lezen, laat mij hem dan deze zeer grote en kostbare beloften van onze genadige God voorhouden: ‘De goddeloze verlate zijn weg, en de ongerechtige man zijn gedachten; en hij bekere zich tot den HEERE, zo zal Hij Zich Zijner ontfermen, en tot onzen God, want Hij vergeeft menigvuldiglijk.’ ‘Hij houdt Zijn toorn niet in eeuwigheid; want Hij heeft lust aan goedertierenheid.’ ‘En die wil, neme het water des levens om niet.’ Deze drie teksten zijn voorbeelden van de ‘treden’ die ‘de Heere van de weg’ heeft laten plaatsen op de plekken waar zij zinkende zondaren het best kunnen helpen.

Probeer, nadat u de beloften hebt aangehaald, hen die uw hulp nodig hebben uitvoeriger te onderwijzen in de weg van de zaligheid. Het evangelie wordt elke sabbat op duizenden kansels gepredikt, en toch is er niets dat zo weinig bekend is of juist begrepen wordt als de waarheid die in Jezus is. De prediker kan, ondanks al zijn pogingen, het eenvoudige evangelie voor sommigen van zijn hoorders niet duidelijk maken. Maar u, die geen predikers bent, kunt het misschien wel, omdat uw gemoedstoestand en opleiding toevallig precies passen bij het bevattingsvermogen van de betrokken persoon. God is mijn getuige hoe ernstig ik altijd mijn best doe om alles wat ik zeg helder en duidelijk te maken, maar toch kunnen mijn eigenaardige denk- en uitdrukkingswijzen onaangepast zijn aan de gevallen van sommige personen onder mijn gehoor. U kunt met heilig doorzettingsvermogen en tact misschien die harten verblijden die niet één lichtstraal uit mij opvangen. Als mijn broeders en zusters, de ‘behulpsels’, voortdurend en verstandig actief zijn, kunnen zij dikwijls met eenvoudige taal verklaren waar theologen alleen maar verwarring zaaien. Wat misschien niet is begrepen in de vorm van scholastieke godgeleerdheid, kan het hart bereiken wanneer het wordt uitgesproken in de taal van het dagelijks leven. Wij hebben predikers nodig in de huiskamer, de keuken en de werkplaats, die de natuurlijke taal van de mensen spreken. Universiteiten en colleges verhullen de waarheid dikwijls door hun manier van spreken. Als u, onze vrienden die zich onder de wereld begeven, hetzelfde maar in een andere vorm zegt, dan zal de zondaar zeggen: ‘Ach! Nu zie ik het; uit de taal van de herder kon ik het niet begrijpen, maar uit uw gewone woorden begrijp ik het wel.’

Als u zielen wilt helpen, wijs hen dan op de Zaligmaker. Val hen niet lastig met zaken die er niet toe doen, maar verwijs hen onmiddellijk naar ‘het dierbaar bloed’ van Jezus, want dat is de enige bron van vergeving en reiniging. Zeg de zondaar dat een ieder die op Jezus vertrouwt, zalig zal worden. Wijs niet naar het kleine poortje, zoals Evangelist deed, want dat is niet de zuiverste weg, maar zeg de zondaar rechtstreeks naar het kruis te gaan. De arme Christen had niet in de poel Mistrouwen hoeven te rondspartelen als hij van meet af aan een volledig onderwezen gelovige had ontmoet om hem de weg te wijzen. Scheld de misleide Evangelist niet uit, maar probeer, door de zondaar altijd naar Golgotha te wijzen, het kwaad ongedaan te maken dat hij de pelgrim aandeed.

Wilt u dit nog aanvullen? Vertel dan de benauwde uw eigen ervaring. Velen zijn op die manier geholpen om aan de poel Mistrouwen te ontkomen. ‘Wat!’ roept de jonge vriend uit tot wie wij spreken, ‘hebt u ooit gevoeld wat ik voel?’ Ik heb mij dikwijls vermaakt wanneer ik met vragenden sprak en zag hoe zij van verbazing hun ogen opensperden bij de gedachte dat ik ooit had gevoeld wat zij voelden. Ik zou mijn ogen veel verbaasder hebben opengesperd als ik het niet had gevoeld. Wij vertellen onze patiënten al hun verschijnselen, en dan denken zij dat wij hun hart moeten hebben gelezen; terwijl het erop neerkomt dat ons hart precies is als het hunne en dat wij, door onszelf te lezen, hen lezen. Wij zijn dezelfde weg gegaan als zij, en het zou een heel moeilijke zaak zijn als wij niet konden beschrijven wat wij zelf hebben doorstaan. Zelfs gevorderde christenen putten dikwijls grote troost uit het lezen en horen van de ervaringen van anderen, als die lijken op hun eigen ervaringen; en voor jonge mensen is het een hoogst gezegend genademiddel om anderen te horen vertellen wat zij vóór hen hebben doorgemaakt. Ik wilde dat onze oudere broeders vaker ‘behulpsels’ waren in dit opzicht, en dat zij, wanneer zij anderen in moeilijkheden zien, tot hen zouden zeggen dat zij precies dezelfde moeilijkheden hebben doorstaan. Dat is beter dan, zoals sommigen doen, de jonge mensen te verwijten dat zij niet weten wat zij niet kunnen weten, en hen te berispen omdat zij geen ‘oude hoofden op jonge schouders’ hebben, waar die overigens vreemd misplaatst zouden zijn.

Nog eens: u zult de jonge vragensteller zeer helpen door met hem te bidden. O, de kracht van het gebed! Als u de zondaar niet kunt zeggen wat u wilt zeggen, kunt u het soms wel tot God zeggen terwijl de zondaar het hoort. Er is een manier om al biddend met iemand te zeggen wat u hem niet rechtstreeks in zijn gezicht kunt zeggen; en het is soms goed, wanneer u met een ander bidt, de zaak zeer duidelijk en ernstig voor te dragen, ongeveer zo: ‘Heere, U weet dat deze arme vrouw, die nu voor U geknield ligt, zeer bedroefd is; maar het is haar eigen schuld. Zij wil niet geloven in Uw liefde, omdat zij zegt dat zij er geen bewijs van voelt. U hebt bewijs genoeg gegeven in de gave van Uw dierbare Zoon; maar zij blijft erop staan iets van zichzelf te willen zien waarop zij kan rusten, een goede gemoedstoestand of goede gevoelens. Zij is vele malen verteld dat al haar hoop in Christus ligt, en helemaal niet in haarzelf; toch blijft zij vuur zoeken te midden van water, en leven in de graven van de dood. Open haar ogen, Heere; wend haar gezicht in de goede richting en leid haar om op Christus te zien, en niet op zichzelf!’

Op deze manier bidden stelt de zaak zeer duidelijk, en kan op zichzelf al nuttig zijn. Bovendien is er een werkelijke kracht in het gebed; de Heere verhoort nog altijd zeker het roepen van Zijn volk. Zo zeker als de elektrische stroom de boodschap van de ene plaats naar de andere brengt, zo zeker als de wetten van de zwaartekracht de hemellichamen beheersen, zo zeker is het gebed een geheimzinnige maar zeer werkelijke kracht. God verhoort het gebed. Daar zijn wij even zeker van als dat wij ademen: wij hebben het beproefd en bevonden. Het is niet af en toe dat God ons heeft gehoord, maar het is voor ons een even vanzelfsprekende zaak geworden om te vragen en te ontvangen als het voor onze kinderen is om ons om voedsel te vragen en het uit onze hand te ontvangen. Ik zou er nauwelijks aan denken te proberen te bewijzen dat God mijn gebed hoort; ik twijfel er niet meer aan dan aan het feit dat de wet van de zwaartekracht mij beïnvloedt wanneer ik loop, stilzit, opsta en neerlig. Oefen dan deze kracht van het gebed, en u zult dikwijls ontdekken dat, wanneer niets anders een ziel uit haar moeilijkheid kan helpen, het smeken dat wel kan. Er zijn geen grenzen, beste vrienden, als God met u is, aan uw vermogen om anderen te helpen door de kracht van het gebed.

Deze aanwijzingen, en het zijn er niet veel, moet u in uw geheugen bewaren, zoals men de voorschriften van de Royal Humane Society bewaart met betrekking tot mensen die in levensgevaar zijn door verdrinking.

Hoofdstuk 4
De behulpsels

Nu wij hebben gesproken over de beste manier om zielen uit moedeloosheid en benauwdheid te helpen, wil ik beschrijven wie met recht ‘behulpsels’ mogen heten. Want niet iedereen, en zelfs niet elke belijdende christen, is bekwaam om dit zo hoognodige werk te doen. Het eerste wat een echt ‘behulpsel’ nodig heeft, is een teder hart. Sommige broeders zijn door de goddelijke genade bijzonder toegerust en geschikt om zielenwinners te worden. Ik ken een ijverige broeder die ik dikwijls mijn jachthond heb genoemd, want hij is altijd op de uitkijk naar hen die door het Woord getroffen zijn. Zodra hij ziet dat er zielen zijn die bezorgd lijken, is hij waakzaam; en wanneer hij hoort van een samenkomst van bekeerlingen, is hij in rep en roer. Hij kan eerder log en traag hebben geleken, maar op zulke ogenblikken flitsen zijn ogen, klopt zijn hart sneller, wordt zijn hele ziel tot daden bewogen en is hij als een nieuw mens. In ander gezelschap voelt hij zich misschien niet thuis, maar onder bekeerlingen en vragenden is hij vol leven en vreugde. Waar die te vinden zijn, vat zijn hart onmiddellijk vlam; want te midden van de verscheidenheid van gaven die van de ene Geest voortkomen, is zijn gave kennelijk het helpen van zielen in geestelijke nood. Zo iemand was Timotheüs, over wie Paulus de Filippenzen schreef: ‘Want ik heb niemand, die even alzo gemoed is, dewelke oprechtelijk uw zaken zal bezorgen.’

U weet dat er in het gewone leven mensen zijn die als verpleger geboren zijn, terwijl anderen helemaal niet kunnen verplegen. Als u ziek was, zou u hen niet in uw buurt willen hebben, ook al kwamen zij om niet of betaalden zij u om te mogen komen. Zij bedoelen het waarschijnlijk goed, maar op de een of andere manier ontbreekt hun de zachtheid en de tederheid die voor een goede verpleger onmisbaar zijn. Zij stampen zo zwaar door de kamer dat zij hun arme patiënt wakker maken; en als er ’s nachts een medicijn moet worden ingenomen, smaakt het nog slechter wanneer zij het u toedienen. Maar anderzijds hebt u een echte verpleegster gekend, misschien uw eigen vrouw: u hoorde haar nooit door de kamer lopen toen u ziek was, want zij loopt zo zacht dat u eerder haar hart zou horen kloppen dan haar voetstap. Zij kent ook uw smaak, uw voorkeuren en uw afkeren, en weet altijd precies wat zij u moet brengen om uw zwakke eetlust te prikkelen. Wie heeft ooit gehoord van een verpleegster die beter geschikt was voor haar werk dan juffrouw Nightingale? Het lijkt alsof God haar met opzet in de wereld heeft gezonden, niet alleen om zelf te verplegen, maar ook om anderen te leren verplegen. Zo is het ook in geestelijke dingen. Ik heb een eenvoudig voorbeeld gebruikt om u te laten zien wat ik bedoel. Er zijn mensen die, als zij bedrukten proberen te troosten, zo onhandig te werk gaan dat zij vrijwel zeker veel meer moeite veroorzaken dan zij wegnemen; treurenden troosten is kennelijk niet hun sterke kant. Het echte ‘behulpsel’ van zielen in nood is iemand die misschien geen hoofd vol klassieke geleerdheid heeft, maar wel een groot en warm hart; hij is eigenlijk helemaal hart. Van de geliefde apostel Johannes is gezegd dat hij van het hoofd tot de voeten een vuurzuil was. Zo iemand heeft een ziel nodig die rilt in de koude winter van moedeloosheid en benauwdheid. Wij kennen zulke mannen; moge God er velen meer opleiden en ons allen meer geven van de zachtmoedigheid die in Christus was. Want als wij daartoe niet op deze wijze zijn toegerust, zullen wij het werk nooit goed kunnen doen.

Een echt ‘behulpsel’ heeft niet alleen een groot en liefdevol hart nodig, maar ook een zeer scherp oog en oor. Er is een manier om oog en oor gevoelig te scherpen voor zondaren. Ik ken enkele broeders en zusters die, als zij in hun bank zitten, bijna kunnen zeggen hoe het Woord werkt bij hen die naast hen zitten. Een getraind en ervaren ‘behulpsel’ weet precies wat hij tegen zijn buren moet zeggen wanneer de preek voorbij is. Hij weet hoe hij het moet zeggen en of hij het in de bank moet zeggen, of op de trap naar beneden, of buiten het gebouw, of dat hij tot later in de week moet wachten. Zij hebben een soort heilig instinct, of liever een zalving van de Heilige Geest die hun precies vertelt wat zij moeten doen, hoe zij het moeten doen en wanneer. Het is een zegen wanneer God Zijn wachters zo langs de randen van de poel Mistrouwen plaatst. Dan luisteren zij met scherpe oren naar elk geluid; en wanneer zij ergens in de modder een plons horen, haasten zij zich ter redding, hoe donker en mistig het ook is. Misschien hoort niemand anders de kreet van de ziel in nood dan zij die zich erop toeleggen ernaar te luisteren.

Voor dit werk hebben wij ook mannen nodig die snel ter been zijn om de bedrukten te hulp te snellen. Sommige belijders spreken nooit met hun buren over hun ziel; maar wij danken God dat er anderen zijn die een vreemdeling niet laten gaan zonder een ernstig woord over Christus. Ik bid die ‘behulpsels’ dat zij in deze goede gewoonte volharden, en ik ben ervan overtuigd dat de Heere hen daarin zal zegenen. Want hoewel er veel is dat de prediker kan doen die getrouw de boodschap van zijn Meester overbrengt, is er dikwijls nog meer te doen voor hen die in een persoonlijk gesprek het geweten van de hoorder kunnen bereiken en met de hulp van de Heilige Geest zijn ziel kunnen verlichten. Voor een werkelijk bekwaam ‘behulpsel’ hebben wij ook een man met een liefdevol gezicht nodig. Wij maken ons gezicht niet zelf; maar geen broeder die gewoonlijk nors kijkt, zal veel uitrichten bij bezorgde vragers. Opgewektheid beveelt zichzelf aan, vooral bij een bedroefd hart. Wij willen geen lichtvaardigheid in deze heilige dienst, maar er is een groot verschil tussen opgewektheid en lichtvaardigheid. Ik weet dat ik altijd kan zeggen wat ik voel aan een man die mij vriendelijk aankijkt, maar aan iemand die op een koude, ambtelijke toon van hoog uit tegen mij praatte, alsof het zijn taak was mijn persoonlijke zaken te onderzoeken om mij te doorgronden en mij weg te sturen, zou ik niets kunnen meedelen. Ga dit moeilijke werk zachtjes, vriendelijk en liefdevol aan; laat uw opgewekte gelaat vertellen dat de godsdienst die u hebt de moeite waard is, dat zij u opvrolijkt en troost. Want zo zal de arme ziel in de poel Mistrouwen eerder hopen dat zij ook hem zal opvrolijken en troosten.

Ik beveel u ook ernstig aan vaste grond onder de voeten te hebben als u een ‘behulpsel’ voor anderen wilt zijn. Als u een broeder uit de poel moet trekken, moet u zelf stevig staan; anders trekt hij u, terwijl u hem eruit probeert te tillen, misschien in de modder. Bedenk dat het luisteren naar de twijfels van anderen soortgelijke twijfels in uw eigen geest kan wekken, tenzij u stevig bent gevestigd in uw persoonlijk aandeel in Christus Jezus. Als u nuttig wilt zijn in de dienst van uw Heere, moet u niet altijd twijfelen en vrezen. De volle verzekerdheid is niet noodzakelijk voor de zaligheid, maar wel voor uw succes als helper van anderen. Ik herinner mij dat ik, toen ik voor het eerst les gaf op een zondagsschool, een van de jongens uit de klas probeerde te wijzen op de Zaligmaker. Hij leek bezorgd over zijn geestelijke toestand en zei tegen mij: ‘Meester, bent u zalig?’ Ik antwoordde: ‘Ja.’ ‘Maar weet u het zeker?’ vroeg hij; en hoewel ik hem toen niet antwoordde, voelde ik dat ik hem niet goed kon verzekeren dat er zeker zaligheid is in Jezus Christus, tenzij ik zelf op Hem had vertrouwd en Zijn macht om te redden had ervaren. Probeer zelf vaste grond onder de voeten te krijgen. Dan zult u aan de rand van de poel Mistrouwen nuttiger zijn dan zij die voortdurend uitglijden op haar slijkerige oevers.

Omdat u hen wilt helpen die in de poel worstelen, moet u haar goed leren kennen; zoek uit welke plekken het ergst zijn en waar zij het diepst is. U hoeft daarvoor niet ver te gaan; u bent er waarschijnlijk zelf in geweest en herinnert er u dus iets van; en u kunt gemakkelijk van de een en de ander te weten komen waar zij het ergst is. Probeer, als u kunt, de zielkunde van de moedeloosheid te begrijpen; ik bedoel niet door Dugald Stewart en andere schrijvers over zielkunde te bestuderen, maar door echte, innige ervaring: leer de twijfels en vrezen die ontwaakte zielen beroeren op praktische wijze kennen. Wanneer u dit hebt gedaan, moge de Heere u dan een sterke hand geven, want u hebt die nodig als u zeer nuttig wilt worden, zodat u de zondaar die u wilt redden stevig kunt vastgrijpen! Onze Heere Jezus Christus genas de melaatsen niet zonder hen aan te raken, en wij kunnen onze medemensen geen goed doen als wij steeds op afstand van hen blijven. De prediker kan zijn hoorders soms in zijn greep krijgen; hij voelt dat hij hen vasthoudt en bijna alles met hen kan doen wat hij wil; en als u een ‘behulpsel’ voor anderen wilt zijn, zult u de gezegende kunst moeten leren het geweten, het hart, het oordeel, de hele mens te grijpen. Wanneer u eenmaal een benauwd hart in uw greep hebt, laat het dan nooit meer los voordat u het in vrede aan land hebt gebracht. Heb een hand als een bankschroef, die de zondaar nooit loslaat wanneer u hem eenmaal vast hebt. Zal een dienaar van God een zondaar ooit weer in de poel laten terugvallen wanneer hij hem eenmaal bij de hand heeft genomen en hem begonnen is eruit te trekken? Nee, niet zolang de rots waarop hij staat vast en onwrikbaar blijft en hij de zondaar met de handen van het geloof en het gebed kan vasthouden. Moge God u leren mensen te omvatten met liefde, met geestelijk medeleven, met die heilige hartstocht voor zielen die hen niet loslaat voordat zij gered zijn!

Nog iets: als u anderen uit de poel Mistrouwen wilt helpen, moet u een gebogen rug hebben. U kunt hen er niet uit trekken als u kaarsrecht blijft staan; u moet helemaal afdalen naar de plek waar de arme schepselen in de modder wegzinken. Zij zijn bijna verdwenen; de modder en het slijk staan hun al bijna boven het hoofd; dus moet u uw mouwen opstropen en met een goed hart aan het werk gaan als u hen wilt redden. ‘Maar zij kunnen geen correct Engels spreken!’ zegt iemand. Dat geeft niet; spreek geen verfijnd Engels tegen hen, want zij zouden het niet begrijpen; spreek slecht Engels dat zij wel kunnen verstaan. Men zegt dat veel preken van Augustinus vol schokkend slecht Latijn staan. Niet omdat Augustinus een slecht Latinist was, maar omdat het potjeslatijn van die tijd beter bij het oor van het volk paste dan een klassiek correcter taalgebruik zou hebben gedaan; en wij zullen ons op soortgelijke wijze moeten uitdrukken als wij mensen willen bereiken. Er is een zekere preutsheid bij predikers die hen ongeschikt maakt voor sommige soorten werk: zij kunnen er hun mond niet toe brengen de waarheid in zulke eenvoudige taal te zeggen dat vissersvrouwen haar begrijpen. Maar gelukkig is de man wiens mond de waarheid zo kan verkondigen dat de mensen tot wie hij spreekt haar aannemen. ‘Maar denk aan de waardigheid van de kansel’, zegt iemand. Ja, dat doe ik; maar wat is dat? De ‘waardigheid’ van een oorlogswagen bestaat uit het aantal gevangenen dat aan zijn wielen geketend is, en ‘de waardigheid van de kansel’ bestaat uit de zielen die tot God bekeerd zijn door het evangelie dat daar wordt verkondigd. Geef uw hoorders geen verheven jargon, geen gewichtige zinnen in de stijl van Johnson en geen rollende volzinnen; er is geen ‘waardigheid’ in deze dingen als zij over de hoofden van uw hoorders heen gaan. U moet, zoals Paulus aan de Romeinen schreef, u ‘tot de nederige voegen’; en soms zult u mannen en vrouwen ontmoeten tot wie u moet spreken in een stijl die uw eigen kieskeurige smaak niet aanspreekt, maar die uw oordeel en uw hart u zullen gebieden en opleggen. Leer u te bukken. Ga bijvoorbeeld een huisje niet binnen als een deftige dame die iedereen laat zien wat een grote zaak het voor haar is zich tot een bezoek aan arme mensen te verlagen. Ga op een kapotte stoel zitten als er geen andere in de kamer is; zit op de rand als het biezen zitvlak weg is; ga dicht bij de goede vrouw zitten, ook als zij niet zo schoon is als zij zou kunnen zijn; en praat met haar, niet als haar meerdere, maar als haar gelijke. Als er een jongen met knikkers speelt en u wilt met hem praten, moet u hem niet van zijn spel wegroepen en ook niet van hoog op hem neerkijken zoals zijn onderwijzer zou doen; begin met enkele speelse opmerkingen en laat dan een ernstiger zin in zijn oor vallen. Als u mensen goed wilt doen, moet u naar hen toe gaan waar zij zijn. Het heeft geen zin redevoeringen te houden voor verdrinkende mannen; u moet naar de rand van de poel gaan, uw armen uitstrekken en proberen hen vast te grijpen.

Dit zijn dus enkele van de kwalificaties van een echt ‘behulpsel’.

Ik sluit nu af met een poging om die broeders en zusters die in het verleden ‘behulpsels’ zijn geweest, aan te sporen in de toekomst nog ernstiger met dat werk door te gaan, en hen die het nog niet hebben geprobeerd, op te wekken er onmiddellijk mee te beginnen.

Misschien vraagt iemand: ‘Waarom zou ik anderen helpen?’ Mijn antwoord op die vraag is: omdat zielen hulp nodig hebben; is dat niet genoeg? De kreet van de ellende is een afdoend argument voor het betonen van barmhartigheid. Zielen sterven, gaan verloren; help hen dus. Enkele weken geleden stond er in de kranten een verhaal over een man die dood in een sloot werd gevonden; en later bleek dat hij daar zes weken moet hebben gelegen. Er werd gezegd dat iemand de kreet ‘Verloren! Verloren!’ had gehoord, maar het was donker en hij ging niet naar buiten om te zien wie het was! ‘Verschrikkelijk! Verschrikkelijk!’ zegt u; en toch hebt u misschien precies zo gehandeld tegenover onsterfelijke zielen. Onder uw buren zijn er velen die misschien niet roepen ‘Verloren!’, omdat zij niet voelen dat zij verloren zijn, maar dat zijn zij wel; en laat u hen in de sloot van de onwetendheid sterven zonder hun te hulp te komen? Er zijn anderen die wel ‘Verloren!’ roepen en die een woord van troost en richting nodig hebben; laat u hen in wanhoop omkomen bij gebrek daaraan? Broeders en zusters in Christus, laat de nood van de mensheid u tot activiteit prikkelen ten behoeve van de vele verlorenen om u heen. Bedenk ook hoe u zelf geholpen bent toen u in een soortgelijke toestand verkeerde. Sommigen van ons zullen die lieve zondagsschoolleraar, die tedere moeder, die genadige vrouw, die vriendelijke jongeman, die voortreffelijke ouderling van de gemeente nooit vergeten, die eens zoveel voor ons deden toen wij in zielsnood waren. Wij zullen altijd denken aan hun heldere aandacht en hulp; zij leken ons visioenen van heldere engelen toen wij in de dikke mist en duisternis van de wanhoop verkeerden. Betaal dan de schuld die u aan hen hebt; kwijt u van de verplichting door anderen te helpen zoals u zelf bent geholpen in uw tijd van nood.

Bovendien verdient Christus het. Daar buiten in de duisternis is een verloren lam; het is Zijn lam, zult u er dan niet om Zijnentwil voor zorgen? Als er een vreemd kind aan onze deur stond dat om een nachtverblijf vroeg, zou gewone menselijkheid ons ertoe kunnen bewegen het arme schepseltje uit de sneeuw en de wind binnen te halen; maar als het het kind was van onze eigen broer of van een dierbare vriend, zou het medeleven van de verwantschap ons dwingen het te beschermen. Die zondaar is hoe dan ook uw broeder in de ene grote menselijke familie; dus rust er door zijn verwantschap met u, ook al ziet hij dat nu misschien niet in, een zedelijke verplichting op u hem alle hulp te geven die in uw macht ligt.

Geliefden, u hebt geen ander argument nodig als u wist hoe gezegend dit werk op zichzelf is. Wilt u ervaring opdoen? Help dan anderen. Wilt u groeien in genade? Help dan anderen. Wilt u uw eigen moedeloosheid van u afschudden? Help dan anderen. Dit werk versnelt de hartslag, verheldert het zicht, staalt de ziel tot heilige moed; het schenkt uw eigen zielen duizend zegeningen om anderen op de weg naar de hemel te helpen. Sluit de vloeden van uw hart op, en zij zullen stilstaan, stinken, rotten en bederven; laat ze stromen, en zij zullen fris en zoet zijn en voortdurend opwellen. Leef voor anderen, en u leeft honderd levens in één. Voor ware zaligheid: scheid mij van de ledigheid en verbind mij met de ijver.

Als dat geen voldoende reden is, bedenk dan dat u tot dit werk geroepen bent. Uw Meester heeft u gehuurd, dus het is niet aan u om te kiezen wat u wilt doen. Hij heeft u uw talenten geleend, zodat u ermee moet doen wat Hij u gebiedt. Besluit dat u onmiddellijk een praktische dienst voor uw Meester zult verrichten, want Hij heeft u daartoe geroepen. Doet u dat niet, dan zult u waarschijnlijk spoedig de roede van de tuchtiging voelen. Als u anderen niet helpt, zal God u behandelen zoals mensen hun rentmeesters behandelen die geen juist gebruik maken van de hun toevertrouwde goederen: uw talent zal van u worden weggenomen. Ziekte kan over u komen omdat u niet actief was toen u gezond was; u kunt tot armoede vervallen omdat u uw rijkdom niet juist hebt gebruikt; u kunt in diepe wanhoop worden gebracht omdat u wanhopige zielen niet hebt geholpen. Farao’s droom is sinds zijn dagen vaak vervuld. Hij droomde dat er zeven koeien, schoon van aanzien en vet van vlees, uit de rivier opkwamen en dat er na hen zeven andere opkwamen, lelijk van aanzien en dun van vlees, die de vette koeien opaten. Soms bent u vol vreugde en vrede, maar lui en werkeloos, en doet u anderen geen goed; en wanneer dit het geval is, hebt u alle reden te vrezen dat de zeven magere koeien de zeven vette zullen opeten. U kunt er zeker van zijn dat magere dagen waarin u niets voor uw Meester doet, magere zondagen, magere gebeden enzovoort uw vette sabbatten, uw vette genaden en uw vette vreugden zullen opeten, en waar bent u dan?

Bedenk bovendien dat wij, elk uur dat wij leven, dichter bij de hemel komen, en dat zondaren dichter bij de hel komen. De tijd waarin wij Christus kunnen dienen door zielen te winnen, wordt voortdurend korter. Onze dagen zijn zeer weinig, laten wij ze dus allemaal voor God gebruiken. Laten wij de beloning niet vergeten die Hij Zijn getrouwe dienaren zal geven. Gelukkige geest, die anderen zal horen zeggen wanneer hij de hemelse gewesten binnengaat: ‘Mijn vader, ik verwelkom u!’ Kinderloze zielen in de heerlijkheid, die op aarde nooit tot zegen voor anderen waren, moeten zeker de hemel van de hemel missen; maar zij die velen tot Christus hebben gebracht, zullen naast hun eigen gelukzaligheid ook de vreugde van het medeleven hebben met andere geesten die zij tot de Zaligmaker hebben geleid. Ik wilde dat ik de boodschap van mijn Meester kon uitspreken in woorden die zich een weg door uw harten zouden branden. Ik verlang dat elk gemeentelid een werker voor Christus zal zijn. Wij willen geen darren in deze korf; wij willen alleen bijen en geen wespen. De nutteloosste mensen zijn gewoonlijk de twistzieksten; en zij die het gelukkigst en vredigst zijn, zijn meestal degenen die het meest voor Christus doen. Wij worden niet zalig door werken, maar door genade; maar omdat wij zalig zijn geworden, verlangen wij werktuigen te zijn om anderen tot Jezus te brengen. Ik zou u allen willen aansporen mee te helpen in dit goede werk: oude mannen, jonge mannen, broeders en zusters, naar uw gaven en ervaring, help. Ik wilde dat ieder van u zou voelen: ‘Ik kan niet veel doen, maar ik kan helpen; ik kan niet prediken, maar ik kan helpen; ik kan niet in het openbaar bidden, maar ik kan helpen; ik kan niet veel geld wegschenken, maar ik kan helpen; ik kan niet optreden als ouderling of diaken, maar ik kan helpen; ik kan niet schitteren als een “heldere, bijzondere ster”, maar ik kan helpen; ik kan mijn Meester niet alleen dienen, maar ik kan helpen.’ Een oude puritein hield eens een zeer opmerkelijke preek; er waren slechts twee woorden in de tekst, en die waren: ‘en Bartholomeus’. De reden dat hij deze tekst nam was dat de naam van Bartholomeus in het evangelie nooit alleen wordt genoemd; hij wordt altijd met een van de andere apostelen in verband gebracht. Hij is nooit de hoofdpersoon, maar altijd de tweede. Laat dit uw gevoel zijn: als u niet alles zelf kunt doen, zult u helpen te doen wat u kunt.

Wanneer ik mijn gemeente bijeenbreng, beschouw ik de vergadering als een raadsvergadering om graden uit te reiken aan die leerlingen die dit na vele zittingen van arbeid hebben verdiend; en dan voel ik dat wij aan hen die de gelegenheden goed hebben benut de heilige titel van ‘behulpsels’ mogen verlenen. Sommigen van u hebben die eervolle naam al lang verdiend. Anderen van u zullen hem krijgen wanneer zij hem verdienen; haast u dus om hem te winnen. God geve dat het uw vreugde mag zijn de hemel binnen te gaan, Hem lovend dat Hij u door Zijn genade heeft geholpen om een helper van anderen te zijn!

Hoofdstuk 5
Christen en de pijlen van Beëlzebub

‘Maar op hetzelfde ogenblik dat Christen de poort binnentrad, trok Goede Wil hem aan zijn mouw. Toen vroeg Christen: “Wat betekent dat?” Hij antwoordde: “Zie, daarginds ligt een sterk kasteel, waar Beëlzebub heer en meester is; van daar schieten hij en degenen die het met hem houden hun pijlen af op hen die zich naar deze poort begeven, om hen te doen sterven voordat zij er binnenkomen.”

Toen zei Christen: “Ik verheug mij, en tevens sta ik te beven.”’

In deze passage doelt Bunyan op het feit dat zielen die op het punt staan behouden te worden, gewoonlijk met de hevigste verzoekingen worden bestookt. Het kan zijn dat ik nu tot sommigen spreek die zich in die toestand bevinden. Zij zoeken de Zaligmaker; zij zijn begonnen te bidden; zij verlangen te geloven in de Heere Jezus Christus; maar zij stuiten op moeilijkheden die zij nooit eerder hebben gekend, en zij zijn bijna ten einde raad. Het kan hun helpen als wij een aantal van de pijlen beschrijven die op ons werden afgeschoten toen wij bij de poort kwamen, want het is mogelijk dat de pijlen die op hen worden afgeschoten van dezelfde soort zijn.

De meest voorkomende is deze: de vurige pijl van de herinnering aan onze zonden. ‘Ach!’ zegt de aartsvijand, ‘het is onmogelijk dat zulke zonden als de uwe worden uitgewist. Denk aan het aantal van uw overtredingen: hoe u van uw geboorte af bent afgedwaald, hoe u in de zonde bent volhard, hoe u hebt gezondigd tegen licht en kennis, tegen de meest genadige uitnodigingen en de meest verschrikkelijke bedreigingen. U hebt de Geest der genade smaadheid aangedaan; u hebt het bloed van Christus vertreden. Hoe zou er vergeving voor u kunnen zijn?’ De getroffen ziel, verpletterd onder het besef van haar zonde, beaamt deze insinuaties vanzelf. ‘Het is waar’, zegt zij, ‘ook al is het Satan die het zegt: ik ben precies zo’n zondaar als hij beschrijft.’ Dan vreest de arme ziel of er voor zo’n overtreder wel vergeving mogelijk is. Waarschijnlijk denkt zij aan een of andere grove zonde die zij heeft begaan: de lasteraar herinnert zich zijn godslastering, de onkuise man zijn wellust, en Satan fluistert hem in het oor: ‘Als u die ene zonde niet had begaan, was er misschien hoop voor u geweest, maar die overtreding heeft u voorbij de grens van de hoop gevoerd. U bent nu als de man in de ijzeren spelonk; de wanhoop heeft u gegrepen, en voor u is er nu geen verlossing meer.’ Arm hart! Er zijn vele Schriftplaatsen die voldoende behoren te zijn om al deze vurige pijlen van de booze te breken of te stompen. Bijvoorbeeld deze: ‘Het bloed van Jezus Christus, Zijn Zoon, reinigt ons van alle zonde’; ‘Alle zonde en lastering zal den mensen vergeven worden’; ‘Die tot Mij komt, zal Ik geenszins uitwerpen.’ God geve dat zij bij u doel treffen!

Soms treft de zondaar een andere satanische verzoeking als een bout uit een ouderwetse kruisboog. Zij luidt: ‘Het is te laat voor u om behouden te worden. U kreeg veel evangelie-uitnodigingen toen u jong was; u was “bijna overgehaald” toen u nog maar een jongeling was; maar u hinkte zo lang op twee gedachten dat de Heere ten slotte Zijn hand ophief en in Zijn toorn zwoer dat u Zijn rust niet zou ingaan. U bent dus nu elke hoop voorbij.’ Velen worden al jaren door deze vreselijke angst gedrukt; en sommigen zijn als de gevangenen in de dodencel van Newgate, die de grote klok van St. Sepulchre hun doodsklok hoorden luiden. Toch is er geen woord waarheid in deze insinuaties van Satan. Want zolang een mens in deze wereld is, zal hem vergeven worden als hij zich van de zonde bekeert en in Jezus Christus gelooft. Er zijn veel zondaren gered op het allerlaatst van hun leven, zoals de boetvaardige moordenaar. Velen zijn tot Christus gebracht en hebben zelfs op het elfde uur van de dag in Zijn wijngaard mogen werken. Nergens in de Schrift staat dat God tot iemand die oprecht berouw heeft, zal zeggen dat Hij hem niet aanneemt. In de tekst die ik zojuist aanhaalde, wordt geen leeftijdsgrens genoemd. ‘Die tot Mij komt, zal Ik geenszins uitwerpen.’ Als iemand negentig jaar oud is en tot Christus ‘komt’, zal hij niet worden uitgeworpen. Ja, en al was hij zo oud als Methusalah en kwam hij tot Christus, de belofte zou nog steeds gelden.

Wanneer deze angst verdwijnt, wordt zij vaak gevolgd door een andere. Satan zegt: ‘Ja, uw leeftijd mag niet de reden zijn dat het te laat is, maar u hebt de Heilige Geest weerstaan; u hebt het geweten tot zwijgen gebracht; u hebt vaak, toen u “bijna overgehaald” was, gezegd: “Voor ditmaal ga heen; en als ik gelegenen tijd zal hebben bekomen, zo zal ik u tot mij roepen.”’ ‘Bovendien’, kan de vijand zeggen, ‘was u eens uiterlijk zo godsdienstig dat iedereen u voor een christen hield, en u dacht dat zelf ook. U gaf les op de zondagsschool en soms predikte u; maar u weet waar u sindsdien bent geweest en hoe u u hebt gedragen. U bent teruggekeerd, als “de hond tot zijn eigen uitbraaksel”, en als “de gewassen zeug tot de wenteling in het slijk”; er kan dus nu geen hoop voor u zijn. U mag kloppen aan de poort van de barmhartigheid, maar zij zal voor u niet opengaan.’

Welnu, beste vrienden, hoe scherp die pijl ook is en hoe goed hij vaak gericht is, er zit geen werkelijke kracht in. Als Christus degenen die Hem eenmaal hadden verworpen niet aannam, zou Hij ons nooit hebben aangenomen. Want sommigen van ons wezen Zijn uitnodigingen af en smoorden de vermaningen van het geweten wel duizend keer, en toch ontving Hij ons genadig toen wij tot Jezus kwamen, en had Hij ons vrijelijk lief. Ja, geliefden, en als u tot Hem komt nadat u tienduizend uitnodigingen hebt afgewezen, als u op Hem vertrouwt na al uw dwarsboming van de Geest van God, zult u geenszins worden uitgeworpen.

Veel bezwaarde zielen zijn zeer in de war geweest over de leer van de verkiezing. Het hoort bij de sluwheid van Satan dat hij een waarheid die kostbaarder is dan fijn goud neemt en haar verandert in een struikelblok op de weg van een zondaar die tot Christus komt. De leer van de verkiezing is als een diamant door haar schittering; maar de duivel weet haar scherpe kant zo te gebruiken dat menig arme zondaar er smartelijk door wordt gewond. ‘U bent niet uitverkoren’, zegt Satan; ‘u bent nooit door God uitgekozen: uw naam staat niet in het boek des levens van het Lam.’ Hoe gemakkelijk zou de zondaar de beschuldiger kunnen antwoorden als hij bij zijn volle verstand was! Hij zou kunnen zeggen: ‘Hoe weet u dat ik niet uitverkoren ben en dat mijn naam niet in het boek des levens staat? God heeft u nooit gemachtigd mij dit treurige nieuws te brengen; daarom zal ik mij er niet mee kwellen.’ Waarom zouden wij zulke angst ons van Christus laten weerhouden, terwijl wij haar ons niet van andere handelingen laten weerhouden? Een man is zeer ziek en zijn vrouw zegt dat zij een dokter zal halen. ‘Nee, lieve vrouw’, zegt hij, ‘het heeft geen zin een dokter te halen, want ik ben bang dat ik voorbestemd ben om te sterven.’ Hier is een man die reist en plotseling een ongeluk krijgt. Natuurlijk probeert hij zichzelf te bevrijden; maar als hij zou praten zoals sommigen doen in geestelijke zaken, zou hij zeggen: ‘Ik weet niet of het mij bestemd is te ontkomen, en daarom zal ik het niet proberen.’ Geeft een schipbreukeling het zwemmen op omdat hij niet weet of hij ooit het land zal bereiken? Houdt u op met werken omdat u niet weet of u uw loon zult ontvangen? Houdt u op met eten omdat u niet weet of het u bestemd is nog een dag te leven? Weigert u te gaan slapen omdat u niet weet of het besloten is dat u nog ooit zult ontwaken? Nee, u gaat uw dagelijkse zaken af zonder aan het goddelijke besluit te denken, en op die manier wordt het goddelijke besluit in u vervuld.

U wordt in Gods Woord geboden te geloven in de Heere Jezus Christus; en ik zal u één ding zeggen: als u in Christus gelooft, is dat het onomstotelijke bewijs dat u een van de uitverkorenen bent en dat uw naam in het boek des levens staat. Ik heb dat Boek nooit gezien, maar ik weet dat nooit een ziel in Jezus heeft geloofd wier naam er niet al in stond. Als u tot Christus komt met berouw over uw zonde, weet ik dat God u heeft uitverkoren tot het eeuwige leven, want berouw is Gods gave en een teken van Zijn eeuwige liefde. Hij zegt: ‘Ik heb u liefgehad met een eeuwige liefde; daarom heb Ik u getrokken met goedertierenheid.’ God trekt ons tot bekering en geloof met de banden van Zijn liefde omdat Hij ons van eeuwigheid heeft liefgehad. Laat dus dat gezegende woord ‘verkiezing’ u nooit verontrusten. De dag zal komen dat u zult dansen bij het horen ervan; en dan zal niets uw hart zo met muziek vervullen als de gedachte dat de Heere u van vóór de grondlegging der wereld heeft uitverkoren tot voorwerp van Zijn bijzondere genade.

Nog een van de vurige pijlen van de duivel is deze: ‘U hebt de onvergeeflijke zonde begaan.’ Ach, deze pijl heeft in menig hart gezworen, en het is zeer moeilijk om met zulke gevallen om te gaan. De enige manier waarop ik met iemand die zo wordt aangevallen redeneer, is te zeggen: ‘Ik ben er volkomen zeker van dat u, als u naar zaligheid verlangt, de onvergeeflijke zonde niet hebt begaan; en ik ben er absoluut zeker van dat u die zonde niet hebt begaan, als u nu komt en op Christus vertrouwt. Want elke ziel die op Christus vertrouwt, is vergeven, naar het Woord van God, en daarom kunt u die zonde niet hebben begaan.’ Niemand weet wat die zonde is. Ik geloof dat zelfs Gods Woord het ons niet zegt, en het is zeer terecht dat het dat niet doet. Zoals ik vaak heb gezegd, is het als het bord dat wij soms zien staan: ‘Hier zijn mensenvallen en zelfschietende geweren opgesteld.’ Wij weten niet waar de vallen en de geweren staan, maar wij hebben helemaal niets te zoeken aan de andere kant van de heg. Zo is er ‘een zonde tot den dood’; ons wordt niet gezegd wat die zonde is, maar wij hebben er niets te zoeken om over de heg te gaan in welke overtreding ook. Die ‘zonde tot den dood’ kan bij verschillende mensen verschillend zijn. Maar wie haar ook begaat, hij verliest vanaf dat moment alle geestelijke begeerten. Hij heeft geen wens om behouden te worden, geen zorg om zich te bekeren, geen verlangen naar Christus; zo vreselijk is de geestelijke dood die over de man komt die haar heeft begaan, dat hij nooit meer naar het eeuwige leven hunkert. Voor zo’n geval hoeven wij niet te bidden; de apostel Johannes zegt: ‘Voor dezelve zonde zeg ik niet, dat hij zal bidden.’ Ik heb enkele gevallen ontmoet waarin zulk een stompzinnige onverschilligheid voor alles wat goddelijk is bestond, of zulk een spottende verachting voor al het geestelijke, dat ik, hoewel ik zelfs voor de allerergste zondaars zou bidden, heb gevoeld: ‘Voor die man kan ik niet bidden.’ Maar niemand van u verkeert in die toestand als u verlangt naar barmhartigheid; als u de zonde haat en haar probeert te ontvluchten, hebt u die zonde tot den dood niet begaan.

Anderen worden gekweld door de verzoeking dat het aanmatiging van hen zou zijn om op Christus te vertrouwen. Dat is weer een leugen van Satan, want het kan nooit aanmatiging zijn wanneer een mens doet wat het Woord van God hem zegt te doen. Als de Heere Jezus Christus een mens gebiedt op Hem te vertrouwen, dan moet het de plicht van die mens zijn dat te doen, en bijgevolg kan het geen aanmatiging zijn. Aanmatiging is te zeggen: ‘O Heere, U hebt mij geboden op U te vertrouwen, maar ik ben bang dat ik dat niet mag.’ Dat is aanmatiging van de ergst mogelijke soort. ‘Ik kan niet berouw hebben zoals ik zou willen’, zegt iemand. Wie heeft u tot rechter over uw eigen berouw gesteld? Er wordt u gezegd te vertrouwen op wat Christus heeft gedaan. ‘Maar ik kan niet bidden zoals ik zou willen.’ Wie heeft u gezegd dat u op uw gebeden moest vertrouwen? U moet steunen op wat Christus voor u heeft gedaan en niet op wat u zelf kunt doen. ‘Maar als ik in een betere gemoedstoestand kon komen, zou ik hoop hebben.’ Wie heeft u gezegd dat u eerst in een betere gemoedstoestand moest komen en dan pas tot Christus? De boodschap van het evangelie is: ‘Kom zoals u bent, arme zondaar, en werp u op Christus, rustend geheel op de persoon, het bloed en de gerechtigheid van de eens gekruisigde, maar nu verhoogde Verlosser.’ Het is geen aanmatiging voor u om dit te doen. Niemand is ooit door aanmatiging in de hemel gekomen, maar ontelbare miljoenen zijn er binnengegaan door op Christus te vertrouwen, en u zult een van hen zijn als u maar op Hem vertrouwt, en op Hem alleen.

Behalve al deze vurige pijlen die ik heb genoemd, zijn er veel ondefinieerbare insinuaties die Satan in de harten van mensen werpt wanneer zij tot Christus komen. Ik zou u bijna niet willen zeggen wat zij zijn, want daarmee zou ik werkelijk het werk van de duivel kunnen doen; maar deze ene kan als voorbeeld dienen. Mannen, en ook vrouwen, hebben soms zo’n zielsnood gehad dat zij werden verleid zichzelf van het leven te beroven. Er zijn gevallen geweest waarin zij die vreselijke misdaad bijna begingen; maar precies op het laatste moment was er een Goede Wil die zijn hand uitstak en hen binnen de deur van de barmhartigheid trok. ‘Ach!’ denkt Satan, ‘als ik maar een van Gods uitverkoren mensen ertoe kon brengen zichzelf te vernietigen voordat hij in Jezus geloofde, dan zou ik daar voor altijd mee kunnen pochen.’ Ja, maar dat heeft hij nooit gedaan en dat zal hij nooit doen. Als u, mijn vriend, ooit in verzoeking komt die zonde te begaan, zeg dan gerust: ‘Wat voor goeds zou ik ervan hebben als ik mezelf vernietigde? Wat! “Uit de braadpan in het vuur springen”, zoals het oude spreekwoord zegt? Om aan mijn zonden te ontkomen, zou ik met bloed aan mijn handen voor het gerecht van mijn Schepper stormen?’ Er is geen waanzin die daarmee te vergelijken is. Hebt u zo’n vreselijke haast om te sterven en zo’n haast om u te omringen met onblusbare vlammen? O, denk er niet aan, maar keer u tot Jezus, want er is nog hoop, zelfs voor u; en als u zich maar op Hem werpt, zult u vreugde en vrede ondervinden in het geloven.

Hoofdstuk 6
Christen bij het kruis

‘Ik zag ook dat de hoge weg waarlangs Christen gaan moest, aan beide zijden werd beschermd door een muur, en die muur heette Heil (Jes. 26:1). Deze weg liep de beladen Christen op, maar niet zonder grote moeilijkheid, vanwege de last die hij op zijn rug had. Zo spoedde hij zich voort tot hij aan een wat hoger gelegen plaats kwam, waarop een kruis stond, en wat lager, in het dal, een grafstede.’

Een Stem zei: ‘Weg, weg naar Golgotha!’ Toch beefde hij bij die stem, want hij zei in zichzelf: ‘Waarom zou ik daarheen gaan? Daar is mijn zwartste zonde begaan; daar heb ik de Zaligmaker vermoord door mijn overtredingen.’ Maar Barmhartigheid wenkte en zei: ‘Kom, kom weg, arme zondaar!’ En de zondaar volgde. De ketenen zaten om zijn benen en handen, maar hij kroop voort zo goed hij kon, tot hij aan de voet kwam van de heuvel die Golgotha heet, en op de top daarvan zag hij een kruis.

O zondaar, wilde u toch aan de voet van het kruis staan en aan Jezus denken tot u troost kon vinden! Ik geloof dat de kortste weg naar het geloof is dat men het voorwerp van het geloof goed overweegt. De ware manier om troost te vinden is niet te proberen u buiten het kruis te troosten, maar te denken aan Christus Die voor u stierf, tot u getroost bent. Zeg tot uw ziel: ‘Ik zal nooit van het kruis wijken voordat ik in dit dierbare bloed ben gewassen:

“Gezegende Zaligmaker, aan Uw voeten lig ik,
hier om genezing te ontvangen of te sterven;
maar de genade verbiedt die pijnlijke vrees,
de almachtige genade, die hier zegeviert.”’

Genezing kwam voor de door de slangen gebetenen doordat zij naar de slang opzagen, niet doordat zij naar hun eigen wonden keken, en evenmin doordat zij hoorden van de genezing van anderen. Zo zal ook voor u genezing komen, niet zozeer doordat u naar de zonde kijkt of over Christus hoort, als wel doordat u het oog van uw gemoed op het kruis richt en nadenkt over Hem Die daar stierf, tot u, door Zijn verdiensten te overwegen, in Hem gelooft en zo zalig wordt.

‘Zo zag ik in mijn droom dat, toen Christen bij het kruis aankwam, zijn last van zijn schouders losraakte, van zijn rug viel en begon te rollen, en zo bleef rollen tot hij aan de mond van het graf kwam, waar hij in viel; en ik zag hem niet meer.’

De pelgrim werd pas van zijn last verlost toen hij aan de voet van het kruis kwam, en daar verloor hij haar voorgoed. Bunyan bedoelde hiermee niet het papistische symbool dat nu zo algemeen wordt vereerd; hij had geen achting voor zulke snuisterijen en afgoderij. Hij bedoelde dat een beladen ziel geen vrede vindt voordat zij vertrouwt op het verzoenend Offer van Jezus. De zonde moet gestraft worden; het geweten weet dat, en het doet de zondaar sidderen. Jezus is gestraft in de plaats van hen die op Hem vertrouwen; de gelovige weet dat, en hij voelt dat hij terecht veilig is voor verdere straf. Zijn geweten rust, en zijn hart is blij. Als Jezus de straf van de wet voor mij heeft gedragen, dan is God rechtvaardig en ben ik toch veilig. De gerechtigheid kan geen twee straffen voor één overtreding eisen; een lijdende Jezus maakt het onmogelijk dat zij veroordeeld worden voor wie Hij als plaatsvervanger stierf. In de wonden van Jezus is rust voor vermoeide gewetens, maar nergens anders. Wie op de verdienste van Zijn verzoening vertrouwt, wordt door Hem van de toorn gered.

Toen dr. Neale, de vooraanstaande ritualist, ‘De Christenreis’ verroomste, liet hij de pelgrim bij een zeker bad komen, waarin hij werd ondergedompeld en waar zijn last werd weggewassen. Volgens deze vervalste uitgave van de zinnebeeldige vertelling werd Christen gewassen in het bad van de doop, en zo werden al zijn zonden weggenomen. Dat is de manier waarop de Hoge Kerk zich van de zonde ontdoet. De ware manier is haar bij het kruis kwijt te raken. Let nu op wat er gebeurde. Volgens dr. Neales ‘Christenreis’ groeide die last weer aan op de rug van de pelgrim. Dat verbaast mij niet; want een last die de doop kan wegnemen, komt zeker terug, maar de last die men bij het kruis kwijtraakt, verschijnt nooit meer, voor eeuwig.

‘Toen werd Christen blij en opgewekt en zei met een vrolijk hart: “Hij heeft mij rust gegeven door Zijn smart en leven door Zijn dood.” Daarna stond hij enige tijd stil om te kijken en zich te verwonderen, want het was zeer verrassend voor hem dat de aanblik van het kruis hem zo van zijn last kon ontheffen. Hij keek dus, en keek opnieuw, tot de bronnen in zijn hoofd het water langs zijn wangen deden stromen.’

Laat ontwaakte zondaren zich ervoor hoeden troost te ontvangen van hen die het berouw geringschatten. Het is tenslotte geen kleinigheid. Zij zeggen ons: ‘Het is alleen maar een verandering van gezindheid.’ Maar wat een verandering van gezindheid! De woorden klinken klein genoeg, maar berouw zelf is geen bagatel. Zij zeggen ons dat berouw niet noodzakelijk verdriet over de zonde inhoudt; maar wij waarschuwen hen, en allen die het aangaat, plechtig: als hun berouw geen smart bevat omdat zij God hebben beledigd, dan is het geen berouw ‘naar God’, en dan zal er berouw over dat berouw nodig zijn. Een berouw zonder tranen is geen berouw. Zij die zich op de juiste wijze tot de Heere keren, treuren over de zonde en ‘kermen bitterlijk, gelijk men bitterlijk kermt over een eerstgeborene’. Uit het kruis ontspringen zowel berouw als geloof. Wij brengen deze genaden niet naar het kruis, maar vinden ze bij het kruis. Het zijn liefdestekenen van Jezus. Wanneer Hij in ons opgaat als de Zon der gerechtigheid, zijn dit Zijn eerste stralen. O, dat alle arme zondaren kwamen en in deze zonneschijn gingen zitten!

Wanneer ik denk aan mijn overtredingen, die mij beter bekend zijn dan wie ook, en bedenk dat zij zelfs mij niet bekend zijn zoals zij God bekend zijn, voel ik alle hoop weggevaagd en mijn ziel in volslagen wanhoop achtergelaten, tot ik opnieuw bij het kruis kom en bedenk wie het was Die daar stierf en welke plannen van oneindige barmhartigheid door Zijn dood zijn vervuld. Het is zo zoet weer op te zien naar de Gekruisigde en te zeggen: ‘Ik heb niets dan U, mijn Heere, geen vertrouwen dan op U. Als U niet als mijn plaatsvervanger wordt aangenomen, moet ik omkomen; als Gods aangewezen Zaligmaker niet genoeg is, heb ik geen ander. Maar ik weet dat U de Geliefde van de Vader bent, en ik ben aangenomen in U; U bent alles wat ik heb of nodig heb.’

Geliefden, ik denk dat u uit eigen ervaring weet dat de dood van Christus het meest op u heeft ingewerkt in uw bekering. Ik hoor veel zeggen dat het voorbeeld van Christus grote invloed heeft op goddeloze mensen; maar dat geloof ik niet, en ik heb het zeker nooit gezien. Het heeft grote invloed op mensen wanneer zij wedergeboren zijn en gered van de toekomende toorn, en daarom vol dankbaarheid zijn; maar voordat dit gebeurt, hebben wij mensen gekend die de handelwijze van Christus bewonderden en zelfs boeken schreven over de schoonheid van Zijn karakter, terwijl zij tegelijk Zijn Godheid ontkenden. Zo verwierpen zij Hem in Zijn wezenlijke karakter, en hun koele bewondering voor Zijn leven had geen enkele invloed op hun gedrag.

Maar wanneer iemand gaat inzien dat hij vergeven en gered is door de dood van Jezus, wordt hij bewogen tot dankbaarheid en dan tot liefde. ‘Wij hebben Hem lief, omdat Hij ons eerst liefgehad heeft.’ Die liefde, die Hij in Zijn dood openbaarde, heeft de hoofdveer van ons bestaan geraakt en ons bewogen met een hartstocht die wij tevoren niet kenden; en daarom haten wij de zonden die eens zoet waren en keren wij ons met heel ons hart tot de gehoorzaamheid die eens zo onaangenaam was. Het geloof in het bloed van Christus heeft meer kracht om het menselijk karakter te veranderen dan alle andere overwegingen. Als het kruis eenmaal gezien is, is de zonde gekruisigd. Als het lijden van de Meester eenmaal is begrepen als voor ons verdragen, voelen wij dat wij niet van onszelf zijn, maar ‘duur gekocht’. Dit inzicht in de verlossende liefde in de dood van onze Heere Jezus maakt het hele verschil; het bereidt ons voor op een hoger en beter leven dan wij ooit hebben gekend. Het is Zijn dood die dat doet.

‘Terwijl hij zo stond te kijken en te wenen, zie, er kwamen drie blinkende personen tot hem, die hem groetten met: “Vrede zij u.” De eerste zei tot hem: “Uw zonden zijn u vergeven.” De tweede trok hem zijn lompen uit en bekleedde hem met andere klederen. De derde zette een merk op zijn voorhoofd en gaf hem een rol met een zegel erop, die hij tijdens zijn loop moest inzien en bij de hemelpoort moest overgeven; en daarop gingen zij heen. Toen sprong Christen driemaal van vreugde op en ging zingend voort:

“Tot hiertoe kwam ik, beladen met mijn zonde,
en niets verlichtte de smart die mij drukte,
tot ik hier kwam: wat een plaats is dit!
Moet hier het begin zijn van mijn zaligheid?
Moet hier de last van mijn rug vallen?
Moeten hier de banden knappen die hem aan mij bonden?
Gezegend kruis! Gezegend graf! Gezegend meer nog
de Man Die daar voor mij te schande werd gemaakt!”’

Stelt u zich de ervaring voor van een dierbare vriend die zojuist in Jezus heeft geloofd en aan wie de Geest van God getuigt dat hem vergeven is. Wat voor man zal hij zijn? Ik zal proberen hem u te schilderen. Ik zie al zijn ogen glinsteren met een licht dat ik er nooit eerder zag. De man ziet er werkelijk knap uit; u zou hem nauwelijks herkennen als u hem vóór deze grote verandering had gekend. Hij had een last op zijn gemoed waardoor hij altijd zorgelijk keek. Die is weg, en nu ziet hij er buitengewoon gezegend uit. Maar ik zie ook tranen in zijn ogen; hoe zijn die erin gekomen? In zijn vroegere dagen was hij niet erg tot wenen geneigd. Hij treurt bij de gedachte dat hij ooit zo’n goede God heeft beledigd; want niets doet ons zo’n verdriet over de zonde hebben als het besef volkomen vergeven te zijn. Hij weet dat hem vergeven is, hij is er zeker van; hij weet dat God hem liefheeft, en nu walgt hij ervan dat hij ooit zo diep is gezonken. Maar als u een van zijn tranen nam en onder een microscoop legde, of haar bestanddelen ontleedde, zou u merken dat er geen bitterheid in zit. Vreugde is met zijn droefheid vermengd terwijl hij aan de voet van het kruis staat en de voeten van zijn Heere wast met zijn boetvaardige, maar regenboogkleurige tranen.

Zie hem nu naar huis gaan. Hij heeft daar, naar ik hoop, enkele christelijke vrienden; en zo ja, dan zal het niet lang duren voordat zij de verandering in hem opmerken, en het duurt niet lang of hij wil hun het gezegende geheim vertellen. Moeder wil weten wat haar jongen is overkomen, en hij slaat zijn armen om haar hals en zegt: ‘Moeder, ik heb de Heere gevonden.’ Zij is zeer verheugd, en misschien zeer verrast, want het was zijn gewoonte niet over godsdienst te praten; hij placht er soms mee te spotten en de draak mee te steken. Zal hij naar bed gaan zonder gebed? Nee; niemand hoeft hem te zeggen dat hij moet bidden; hij heeft de hele weg naar huis gebeden en ook terwijl hij daar zat. Dit zijn de eerste echte gebeden die hij ooit heeft opgezonden; maar het is voor hem nu even natuurlijk geworden om te bidden als het voor een levend mens is om te ademen. Het moment waarop christenen beginnen te zingen op de wegen van de Heere, is wanneer zij voor het eerst hun last verliezen aan de voet van het kruis. Zelfs de gezangen van de engelen lijken niet zo zoet als het eerste lied van verrukking dat opwelt uit het diepst van de ziel van het vergeven kind van God. Goed mocht de arme Pelgrim, nu hij zijn last kwijt was, driemaal van vreugde opspringen en zingend verdergaan:

‘Gezegend kruis! Gezegend graf! Gezegend meer nog
de Man Die daar voor mij te schande werd gemaakt!’

Gelovige, herinnert u zich de dag waarop uw boeien afvielen? Herinnert u zich de plaats waar Jezus u ontmoette en zei: ‘Ik heb u liefgehad met een eeuwige liefde’; ‘Ik delg uw overtredingen uit als een nevel, en uw zonden als een wolk’; ‘Al uw zonden die u hebt gezondigd, zullen u niet gedacht worden’? O, wat een zoete tijd is dat, wanneer Jezus de pijn van de zonde wegneemt. Toen de Heere mijn zonde voor het eerst vergaf, was ik zo opgetogen dat ik me nauwelijks kon bedwingen niet te dansen. Ik dacht op weg naar huis, van het huis waar ik in vrijheid was gesteld, dat ik de stenen in de straat het verhaal van mijn bevrijding moest vertellen. Mijn ziel was zo vol vreugde dat ik elke sneeuwvlok die uit de hemel viel wilde vertellen van de wonderlijke liefde van Jezus, Die de zonden van een van de voornaamste rebellen had uitgewist. Die gelukkige dag, waarop ik de Zaligmaker vond en leerde mij aan Zijn dierbare voeten vast te klampen, was een dag die ik nooit zal vergeten. Ik kan getuigen dat de vreugde van die dag volstrekt onbeschrijfelijk was. Er was geen uitdrukking, hoe fanatiek ook, die niet bij de vreugde van mijn geest op dat uur zou hebben gepast. Sindsdien zijn er vele dagen van christelijke ervaring voorbijgegaan, maar er is er nooit één geweest die de volle verrukking, de sprankelende blijdschap had die die eerste dag had. Ik dacht dat ik van de stoel waarop ik zat had kunnen opspringen en met de wildste van die methodistische broeders die aanwezig waren had kunnen uitroepen: ‘Mij is vergeven! Mij is vergeven! Een gedenkteken van genade! Een zondaar gered door bloed.’ Mijn geest zag haar ketenen in stukken gebroken; ik voelde dat ik een bevrijde ziel was, een erfgenaam van de hemel, een vergevene, aangenomen in Jezus, uit het modderig slijk en uit de ruisende kuil opgehaald, met mijn voeten op een rotssteen gesteld en mijn gangen vastgemaakt. Ik kon begrijpen wat John Bunyan bedoelde toen hij verklaarde dat hij de kraaien op het geploegde land alles over zijn bekering wilde vertellen.

Ik heb een christen horen zeggen dat hij, toen hij de Zaligmaker vond, zo gelukkig was dat hij niet wist hoe hij zich moest inhouden, en dat hij zong als een heel muziekkorps:

‘Gelukkige dag, gelukkige dag,
toen Jezus mijn zonden wegwaste.’

Het is het voorrecht van ware gelovigen ‘de hele tijd te zingen’. Vreugde in God past bij onze toestand.

‘Waarom zouden de kinderen van een Koning
al hun dagen in rouw gaan?’

Vreugde in de Heere schaadt het rijk van Satan meer dan wat ook. Ik denk er net zo over als Luther, die, wanneer hij slecht nieuws hoorde, placht te zeggen: ‘Kom, laten wij een psalm zingen en de duivel dwarszitten.’

‘Zij zullen zingen van de wegen des HEEREN.’ Wanneer de wegen zeer ruw worden en paden van lijden, en de pijnen veelvuldig en hevig zijn, zing dan nog. Er is geen muziek die tot de troon van God opstijgt en zoeter is in Jehova’s oor dan het lied van lijdende heiligen. Zij zullen Hem op hun legers zegenen en Zijn hoge lof zingen in het vuur. Dwars door de vallei van de Schaduw des Doods gaan en de hele weg zingen; de heuvel Moeilijkheid beklimmen en zingen op zijn rotsen; voorbij reus Grimmig gaan en zelfs voorbij het kasteel van reus Wanhoop en door de Betoverde Grond, en nog steeds blijven zingen; en komen aan de oever van de rivier en erin afdalen en nog steeds zingen: dat is een lieflijk gezicht bij een christen. Mogen de inzettingen des HEEREN onze gezangen zijn ter plaatse van onze vreemdelingschap, totdat wij opstijgen om daarboven te zingen!

Wij danken alles aan de gekruisigde Jezus. Wat is uw leven, mijn broeders, dan het kruis? Vanwaar komt het brood van uw ziel dan van het kruis? Wat is uw vreugde dan het kruis? Wat is uw verlustiging, wat is uw hemel dan de Gezegende, Die eens voor u werd gekruisigd, Die altijd leeft om voor u te bidden? Klamp u dan vast aan het kruis. Sla beide armen eromheen! Houd de Gekruisigde vast en laat Hem nooit meer los. Kom op dit moment opnieuw tot het kruis en rust daar nu en voor altijd! Ga dan, met de kracht van God op u rustend, heen en predik het kruis! Vertel het verhaal van het bloedende Lam. Herhaal het wonderlijke verhaal, en niets anders. Het maakt niet uit hoe u het doet, verkondig slechts dat Jezus voor zondaren stierf. Het kruis, door de hand van een baby omhooggehouden, is net zo krachtig als wanneer een reus het omhooghield. De kracht ligt in het woord zelf, of liever in de Heilige Geest Die daarmee en daardoor werkt.

O heerlijke Christus, wanneer ik een visioen van Uw kruis heb gehad, heb ik het eerst gezien als een gewone galg, en U hing eraan als een misdadiger; maar terwijl ik keek, zag ik het beginnen te rijzen en hoog op te torenen, tot het de hoogste hemel had bereikt en door zijn machtige kracht ontelbare mensen tot de troon van God had opgeheven. Ik heb zijn armen zien uitstrekken en zich uitbreiden tot zij de hele aarde omarmden. Ik heb de voet ervan zo diep zien neergaan als onze hulpeloze ellende reikt; en wat een visioen heb ik gehad van Uw heerlijkheid, o Gekruisigde!

Broeders, geloof in de kracht van het kruis voor de bekering van wie u omringen. Zeg van niemand dat hij niet gered kan worden. Het bloed van Jezus is almachtig. Zeg van geen wijk dat zij te diep is gezonken, of van geen groep mensen dat zij te ver heen is: het woord van het kruis wint de verlorenen terug. Geloof dat het de kracht van God is, en u zult merken dat dat zo is. Geloof in Christus de Gekruisigde en predik vrijmoedig in Zijn naam, en u zult grote en verblijdende dingen zien. Twijfel niet aan de uiteindelijke zege van het christendom. Laat geen wantrouwen door uw ziel gaan. Het kruis moet overwinnen; het moet bloeien met een kroon, een kroon die past bij de Persoon van de Gekruisigde en bij de bitterheid van Zijn doodsstrijd. Zijn loon zal even groot zijn als Zijn smarten. Vertrouw op God, hef uw banier hoog, en trek nu met psalmen en gezangen ten strijde, want ‘de HEERE der heirscharen is met ons’, de Zoon van de Allerhoogste gaat onze voorhoede voor. Voorwaarts, met het geschal van zilveren bazuinen en de juichkreten van hen die de buit grijpen. Laat niemand het hart ontzinken! Christus is gestorven! De verzoening is volbracht! God is voldaan! De vrede is uitgeroepen! De hemel schittert van bewijzen van barmhartigheid die al aan tienduizend maal tienduizend zijn bewezen! De hel beeft, de hemel aanbidt, de aarde wacht. Rukt voorwaarts, gij heiligen, naar de zekere overwinning! U zult overwinnen ‘door het bloed des Lams’.

Hoofdstuk 7
Formalist en Hypocriet

‘Christen zag twee mannen over de muur komen, aan de linkerzijde van de enge weg, en zij haalden hem snel in. De een heette Formalist en de ander Hypocriet. Zij voegden zich dus, zoals ik zei, bij hem, en hij raakte met hen in gesprek.

Christen: “Vanwaar komt u, mijne heren, en waar is de reis heen?”

Formalist en Hypocriet: “Wij zijn geboren in het land IJdele Eer en gaan om lof te verkrijgen naar de berg Sion.”

Christen: “Waarom kwam u niet door de poort, die aan het begin van deze weg gebouwd is? Weet u niet dat er geschreven staat dat hij die niet door de deur ingaat, maar van elders inklimt, ‘een dief en moordenaar’ is?” (Joh. 10:1).

Zij zeiden dat al hun landgenoten het te ver om vonden om voor de ingang naar de poort te gaan, en dat het daarom bij hen gebruikelijk was de weg te bekorten door over de muur te klimmen, zoals zij hadden gedaan.

Christen: “Maar zal het niet worden aangerekend als een overtreding tegen de Heere van de stad waar wij heen gaan, dat wij Zijn geopenbaarde wil aldus schenden?”

Zij zeiden hem dat hij zijn hoofd daar niet over hoefde te breken; want wat zij deden, deden zij naar gewoonte, en zij konden, als het nodig was, getuigen aanvoeren die dat voor meer dan duizend jaar bevestigden.’

Nadat Christen aan de voet van het kruis was geweest en van zijn lompen was ontdaan, nieuwe klederen had ontvangen, een merk op zijn voorhoofd en een rol met een zegel erop, ging hij verheugd zijn weg. Hij was nog niet ver gekomen toen hij bij drie mannen kwam die vast sliepen, met boeien aan hun hielen. Dat waren Slechte, Luiaard en Vermetele. Christen maakte hen wakker en bood aan hen te helpen hun ijzers kwijt te raken, maar al snel gingen zij weer liggen, en hij moest alleen verder. Terwijl hij in zijn gemoed bedroefd was over hun onverschilligheid, ‘zag hij twee mannen over de muur komen, aan de linkerzijde van de enge weg’.

Mogelijk waren er opwekkingssamenkomsten geweest, en tijdens een opwindende bijeenkomst hadden deze twee mannen plotseling besloten christen te worden. Zij namen niet de moeite om ware bekering en een levend geloof in de gekruisigde Zaligmaker te verkrijgen. Het werkelijke werk in het hart interesseerde hen niet, en het werk van de Heilige Geest in hen evenmin; maar zij besloten belijdenis te doen van christen te zijn en zich bij de gemeente aan te sluiten. Zij dachten: christenen dragen een bepaald soort jas, dus dragen wij dezelfde; maar of hun hart goed was voor God, daar bekommerden zij zich niet om. Zij kwamen over de muur gerold.

Bunyan zegt dat zij ‘snel’ naar Christen toe ‘kwamen’. Het had hem lange tijd gekost om te komen waar hij was, maar zij haalden hem in een paar minuten in. Niemand lijkt zo snel te groeien als zij die geen wortels hebben en daarom in werkelijkheid helemaal niet groeien. Een kind met voor een duit zeep en een pijpje blaast al gauw grote bellen, beschilderd met vele kleuren en fonkelend van schoonheid; maar het zijn slechts bellen. Ze zijn zeer snel gemaakt en verdwijnen even snel. Hoed u voor het opzetten van een schijngodsdienst. U kunt een stuk gewoon hout gemakkelijk zo verven en van nerven voorzien dat men het voor eiken- of sandelhout aanziet; maar het zou vele jaren duren om echt eikenhout te laten groeien en vele maanden om sandelhout uit het verre land te halen. Het namaken van iets goeds mag snel gaan, maar het houdt geen stand. U die zo snel oudere christenen inhaalt: zorg dat het uw persoonlijke ervaring is, en niet iets wat u uit boeken hebt geleerd of op een ervaringssamenkomst hebt opgepikt. Als iemand niets te dragen heeft, kan hij snel lopen. Lege trommels geven veel geluid, en ondiepe beken stromen snel. Zo komen Formalist en Hypocriet snel naar Christen toe.

Ik weet niet tot welke richting Formalist behoorde. Ik ken zijn vader zeer goed, en die had verscheidene kinderen. Eén van hen ging naar de Anglicaanse kerk; zelfs twee of drie uit die tak van de familie, die zeer gelukkig en tevreden waren, gingen daar altijd heen. Eén of twee van hen gingen wat verder dan de Anglicaanse kerk en richtten zich op Rome, waarbij zij ceremoniën en opzichtige gewaden vermenigvuldigden, en ik weet niet wat nog meer. Maar als ik het mij goed herinner, was er één van de zonen die presbyteriaan was. Hij kon niets verdragen wat op het rooms-katholicisme leek, maar was desondanks een groot voorstander van alle vormen van de kerk van Schotland. Een andere zoon sloot zich aan bij de baptisten, en dat was een kerel uit één stuk, zo rechtzinnig als maar kon. Hij wist wat wat was in de leer en eiste de volle maat, en nog een beetje meer. Hij zou met hand en tand strijden voor de verdediging van de geloofsdoop en het avondmaal van de Heere. Ik weet het niet helemaal zeker, maar ik vrees soms dat ten minste één van de familie Formalist lid is van het Tabernakel. Als het niet een van de zonen is, dan komt misschien een kleinzoon hier. Er zijn veel van deze mensen, en wij moeten niet verbaasd zijn als sommigen van hen naar ons komen.

‘O!’ zeggen zij, ‘wij zullen proberen christenen te zijn; en om christen te zijn, moeten er zo en zo veel uiterlijke handelingen worden verricht. Wij zullen de gebedssamenkomst bezoeken; wij zullen naar de Bijbelklassen gaan; wij zullen de ouderlingen spreken; wij zullen ons laten dopen; wij zullen ons bij de gemeente aansluiten; en als wij dit allemaal hebben gedaan, zijn wij zeker op de rechte weg. Hebben wij niet als het ware het getuigschrift van Gods eigen gemeente ontvangen dat wij in orde zijn? Het is waar dat wij over de muur zijn gerold; wij zijn niet vernederd vanwege de zonde; wij hebben ons vertrouwen niet op de Heere Jezus Christus gesteld; maar toch zijn wij op de goede weg; zegt niet iedereen dat wij dat zijn? Daarom moet het wel goed met ons zijn.’ Zo was Formalist.

Hypocriet was echter de grotere schurk van de twee, want hij geloofde in de zaak helemaal niets. Formalist had misschien nog een zekere mate van geloof, van een bepaalde soort; hij dacht dat er misschien iets in vormen en ceremoniën zat. Maar Hypocriet zei in zijn hart: ‘Ach, het is allemaal een mooi verhaal, maar het is wel een zeer respectabel verhaal; en als ik doe alsof ik het geloof, zullen de mensen beter over mij denken.’ Ik herinner mij dat één lid van deze familie zei: ‘Als ik mij bij de gemeente aansluit, krijg ik misschien een hofje’; en een ander overwoog: ‘Heel misschien kan ik een uitkering van zoveel per week krijgen.’ Weer een ander dacht: ‘Het zou een uitstekende zaak zijn om predikant te worden en op die manier een goed inkomen te krijgen.’ En een ander zei bij zichzelf: ‘Dit zou mijn zaken ten goede komen; de mensen zouden zeggen: “Hij gaat naar die en die kapel, daar moeten wij zaken mee doen, weet u.”’

Er is een zeer talrijke familie van dit soort; en er zijn nog anderen die er misschien geen geldelijk gewin van verwachten door te belijden dat zij christen zijn, maar die denken: ‘Nu ja, zie je, het geeft je de schijn een goed soort mens te zijn, je krijgt de achting en waardering van je vrienden; je moeder zal blij zijn; je man zal verheugd zijn; al je vrienden zullen zo tevreden zijn en zullen veel ophef van je maken.’ Zo gaat de man erin mee, hoewel hij in zijn hart zegt: ‘Er zit niets in; het is allemaal onzin.’ Hij rolt over de muur; de verborgen kracht van de levende godzaligheid interesseert hem niet. Het is hem genoeg dat hij in de christelijke gemeente is gekomen, en daar is hij van plan te blijven. Soms zegt hij dat hij net zo goed is als de meesten van ons; en hoewel hij weet dat hij zo verrot is als maar kan, schept hij toch op tegenover die bevende maar ernstige zielen die niet zo vlot kunnen praten en niet zoveel vlaggen in hun mast voeren.

Welnu, deze twee mannen kwamen snel naar Christen toe, en hij groette hen, want het is de plicht van de christen niet om wie dan ook te verdenken; en wanneer hij mensen op de goede weg aantreft, moet hij hen behandelen alsof zij oprecht zijn tot hij bewijs van het tegendeel heeft. Als het de wet van Engeland is dat ieder mens voor eerlijk moet worden gehouden totdat is bewezen dat hij een schurk is, dan zou het zeker de wet van de christelijke gemeente moeten zijn. Toen hij hen dus zag op de enge weg, waarop zo weinig reizigers zijn, begon Christen met hen te spreken. Hij vroeg hun vanwaar zij kwamen, en zij antwoordden: ‘Wij zijn geboren in het land IJdele Eer.’ Daar komen alle formalisten en huichelaars vandaan. Zij roemen in zichzelf. Zij denken dat hun eigen hart goed is. Zij concluderen dat hun natuurlijke goedheid volstaat, en dat daarom een paar vormen en een kale belijdenis hun op de dag des oordeels zullen baten.

Christen vroeg hun ook: ‘Waar is de reis heen?’ ‘Wij gaan’, zeiden zij, ‘om lof te verkrijgen naar de berg Sion.’ Helaas, die liefde voor lof! Het is een uiterst verdoemelijke strik. Wij houden allemaal van lof; het heeft geen zin dat te ontkennen. Er is gezegd dat

‘de hoogmoedige, om haar te winnen, moeite op moeite verdraagt;
de bescheiden haar mijdt, maar alleen om haar zeker te maken.’

Wij hebben er soms allemaal een oog op, en niemand kan zeggen dat hij haar niet min of meer begeert. Natuurlijk houden wij niet van vleierij wanneer die er met de troffel wordt opgesmeerd. Wij willen geen dikke klonten boter op ons brood, want dan beginnen wij te vermoeden dat het niet echt is. Wij zijn allen in staat een flinke hoeveelheid lof te ontvangen, maar het is moeilijk gezond te blijven onder zulke omstandigheden.

Deze twee mannen zochten lof. Zij hadden de lof van mensen liever dan de lof van God. Broeders, doen wij niet soms goede daden uit verlangen naar lof? Ik dacht vandaag over juist deze zaak na. Ik heb een bepaalde taak op mij genomen die ik niet bijzonder graag doe. Ik zou eronderuit komen als ik dat durfde, want ik denk niet dat ik erin zal slagen, en zij zal veel van mijn tijd in beslag nemen en mij veel moeite bezorgen. Maar terwijl ik bij mezelf mopperde over wat een domkop ik was om aan zo’n ondankbare taak te beginnen, dacht ik: ‘Ik zal er geen eer en geen erkenning voor krijgen; maar als ik haar toch van begin tot einde doe met het oog op Gods eer, zonder aan mezelf te denken, dan is dat genoeg.’ Als ik een moeilijk werk aanpak dat ik graag doe en daarin slaag, zal iedereen zeggen: ‘Hij heeft het uitstekend gedaan’, en zo krijg ik hier lof, hoewel ik misschien het ‘Wel gedaan!’ niet zal horen wanneer ik uiteindelijk bij mijn Meester kom. Maar als ik iets aanpak waar het vlees voor terugschrikt, met een enkel oog op Gods eer, zal ik de zoete voldoening hebben dat mijn Heere mijn daad goedkeurt, wat er ook van komt. Hoed u, bid ik u, voor het ‘gaan om lof te verkrijgen naar de berg Sion’.

Christen stelde deze twee mannen vervolgens deze zeer belangrijke vraag: ‘Waarom kwam u niet door de poort die aan het begin van de weg gebouwd is?’ Als er nu iemand hier is die bij zichzelf zegt: ‘Met mij is alles in orde; ik ben altijd naar mijn parochiekerk gegaan’, of ‘ik ben altijd naar de kapel gegaan’; als er iemand is die zegt: ‘Met mij is alles in orde, want ik ben ten doop gehouden’, of ‘met mij is alles in orde, want ik ben gedoopt’, dan vraag ik u: ‘Waarom kwam u niet door de poort die aan het begin van de weg gebouwd is?’ Hoe komt het dat u niet gekomen bent zoals God u heeft geboden te komen, door een levend geloof in de levende Zaligmaker, door berouw, door te steunen op Hem Die alleen de Weg, de Waarheid en het Leven is? Als u al jarenlang gemeentelid bent, hoeveel jaren ook, doe dan liever afstand van die positie dan dat u een godsdienstige belijdenis laat zijn als een lijkwade waarin een lijk wordt gewikkeld. Heb het goddelijke leven in u, of ik smeek u in de Naam van God geen belijdenis te doen die u onmogelijk kunt sieren, maar die aan het einde de ondergang van uw ziel zal zijn!

Als antwoord op de vraag van Christen: ‘Waarom kwam u niet door de poort?’ gaven Formalist en Hypocriet een reden die hun voldoende leek. ‘Zij zeiden dat al hun landgenoten het te ver om vonden om naar de poort te gaan voor de ingang, en dat het daarom bij hen gebruikelijk was de weg te bekorten door over de muur te klimmen, zoals zij hadden gedaan.’ Formalisten denken: ‘Wij hebben er geen bezwaar tegen ten doop te worden gehouden, geconfirmeerd te worden, het sacrament te gebruiken en naar de kerk of de kapel te gaan; maar dat berouw hebben over de zonde, dat geloven, dat zich aan Christus vastklampen, dat zoeken naar heiliging: ach, “het is te ver om”.’ Zij rollen liever over de muur. Zij roepen: ‘Vrede, vrede!’ terwijl ‘daar geen vrede is’. Ik hoop dat u, beste vrienden, niet zo dwaas bent. Beter een heel eind omlopen en gelijk hebben dan overhaast een valse conclusie trekken en merken dat u zich vergist. Bovendien is het uiteindelijk niet ‘te ver om’. De veilige weg is in werkelijkheid een korte weg, en vertrouwen op Christus is de rechtstreekse weg naar het eeuwige leven.

Christen vroeg deze mannen verder, zeer terecht, hoe zij verwachtten aangenomen te worden als het een overtreding tegen God was om op de weg te komen zonder door de poort binnen te gaan. Als het zonder geloof onmogelijk is Gode te behagen, hoe kunt u dan verwachten Hem te behagen door te vertrouwen op vormen en ceremoniën? Zelfs uw gebeden zijn een gruwel voor God, tenzij u door Christus tot Hem bent gekomen voor barmhartigheid en vergeving. Als u rust in uw Bijbellezen, in uw kerkgang of in uw lesgeven op de zondagsschool, als u steunt op iets wat u bent, doet of voelt, dan leunt u op iets wat u aan het einde in de steek zal laten. U maakt van deze dingen eigenlijk een antichrist en stelt ze in de plaats van Jezus. Hoe kunt u aan het einde goed zijn als u aan het begin fout zit? Als u niet door de deur binnenkomt, kunt u er zeker van zijn dat u nooit de poorten van het Paradijs zult bereiken.

Deze mannen zeiden tegen Christen dat ‘hij zijn hoofd daar niet over hoefde te breken’; en dat is het antwoord van veel formalisten en huichelaars. Zij zijn moeilijker te benaderen dan de uitgesproken onbekeerden. Wie helemaal geen besef van godsdienst heeft, luistert vaak naar wat u te zeggen hebt; terwijl die andere mensen, die zoveel weten en zo weinig doen, u zeggen dat u zich met uw eigen zaken moet bemoeien, want dat zij even goed zijn als u. Als u op die manier tegen een echte christen spreekt, dan is hij u zeer dankbaar voor de vermaning om zichzelf te onderzoeken. Het ware kind van God zal, wanneer het onder een doorvorsende bediening zit, de wond verdragen en God vragen de predikant te helpen die te onderzoeken. Het is een teken van een goede hartstoestand wanneer u bereid bent te worden doorgrond; maar het is een vreselijk bewijs van huichelarij en formalisme wanneer u tegen anderen zegt: ‘Laat ieder bij zijn eigen godsdienst blijven; ga u uw weg, en laat mij de mijne; ik denk dat ik net zoveel gelijk heb als u.’

Deze mannen verzekerden Christen ook dat het al meer dan duizend jaar de gewoonte was. Daarin spraken zij de waarheid. Mensen hebben zich van oudsher verlaten op uiterlijke vormen en gemeend iets te zijn terwijl zij niets waren. Iemand die met Christus wandelde en zelfs het stuk brood uit dezelfde schotel met Hem at, verraadde Hem. Er zijn altijd mensen geweest die ‘een gedaante van godzaligheid’ hadden, ‘maar die de kracht derzelve verloochend hebben’. Zulken waren ‘vlekken’ bij de plechtige liefdemaaltijden in de dagen van de apostelen. Het waren ‘waterloze wolken’, onvruchtbare bomen, ‘tweemaal verstorven, en ontworteld’. Zo is het nog altijd. Er zijn voor formalisme en huichelarij inderdaad hoogst eerbiedwaardige voorgangers. Ga naar Rome, en u zult er volop zien. Ga naar een groot aantal van onze parochiekerken in Engeland, en u zult formaliteit zien die waanzinnig is geworden. Stap binnen in onze eigen nonconformistische kerken, en hoeveel dood formalisme kan er ook in onze fatsoenlijke ingetogenheid zijn! Helaas, dit is de godsdienst van veel belijdende christenen in het hele land: ‘U hoeft u niet druk te maken over het geloof of die andere gewichtige zaken die de ziel en God aangaan; maar als u naar uw kerk gaat en daar regelmatig uw plaats inneemt, komt alles met u in orde.’ Dit is valse godsdienst; moge God ons ervoor behoeden! Mogen wij oprecht zijn in onze liefde tot Christus en in ons geloof in Zijn verzoenend offer!

Hoofdstuk 8
Formalist en Hypocriet, vervolg en slot

‘”Maar”, zei Christen, “zal uw handelwijze de toets van het recht kunnen doorstaan?”’

Ik houd van de manier waarop Christen de zaak waarover zij twistten op de proef stelt, en ik wil aan ieder van u de vraag doorgeven die hij aan Formalist en Hypocriet stelde: ‘Zal uw handelwijze de toets van het recht kunnen doorstaan?’ Gode zij dank, als wij op de Heere Jezus Christus vertrouwen, hoeven wij de uitslag van geen enkel rechterlijk onderzoek te vrezen. Het is toch volgens het recht dat een mens zijn belofte moet houden en dat een eed bindend is voor wie hem aflegt; en wij hebben die ‘twee onveranderlijke dingen, in welke het onmogelijk is dat God liege’, namelijk Zijn belofte en Zijn eed, ‘opdat wij een sterke vertroosting zouden hebben, wij namelijk, die de toevlucht genomen hebben, om de voorgestelde hoop vast te houden’.

‘God heeft beloofd te vergeven
aan allen die in Zijn Zoon geloven.’

Dat is een zaak die een rechterlijke toets doorstaat. Als wij in Hem geloven, moet en zal Hij ons vergeven. De twee mannen konden die rechtstreekse vraag niet beantwoorden, en dus zeiden zij tegen Christen: ‘Als wij op de weg komen, wat maakt het dan uit op welke manier wij erop komen? Als wij erop zijn, zijn wij erop. U bent slechts op de weg, en u bent, zoals wij zien, door de poort binnengekomen; en wij zijn ook op de weg, en wij zijn over de muur gerold.’ Zo zeggen er vandaag de dag velen: ‘U bent belijders, en wij zijn belijders; u komt aan het avondmaal van de Heere, en wij komen aan het avondmaal van de Heere; u bent een christen, en wij zijn christenen; de een is even goed als de ander, weet u; en ieder vat staat op zijn eigen bodem.’ Deze mensen verklaren dat zij net zo goed zijn als u christenen. Ik heb Formalist wel horen zeggen: ‘Ik ben een stuk beter dan u, want u moet vaak klagen dat uw leven niet is zoals u weet dat het zou moeten zijn. Ik heb u in uw gebeden horen belijden dat u verre van volmaakt bent. Welnu, ik ben volmaakt.’

Hebt u Formalist nooit zo horen praten? Ik wel, menigmaal. Ik heb mensen gekend die zich bij de gemeente kwamen aansluiten en mij op mijn vragen antwoordden dat zij volmaakt waren. Eén man verzekerde mij dat hij zes maanden had geleefd zonder zonde in gedachten, woorden en daden. Ik vroeg hem of hij daar zeker van was, en hij antwoordde: ‘Ja.’ ‘Welnu dan’, zei ik, ‘dan kan ik u niet voordragen als lid van deze gemeente, want er is niemand anders van dat soort onder ons, en ik ben bang dat u zich ongelukkig zou voelen tussen zulke arme onvolmaakte schepselen als wij.’ Zo stuurde ik hem zijn weg.

Er zijn anderen, die niet zo dwaas zijn volstrekte volmaaktheid te beweren, maar die denken dat zij daar verbazend dicht bij zijn. Ik heb me vandaag vermaakt toen ik een advertentie las voor ‘een ivoren gebedenboek voor de kerkdienst, met vergulde sneden en gevoerd met satijn’. Dat is voor het gebruik van ‘ellendige zondaars’ op zondag! Het leek mij vreemd; en toch, hoeveel van onze godsdienst lijkt daar precies op! Het is zeer fraai werk voor wie ‘stof en as’ zijn. Er zit veel trots zelfs in onze nederigheid.

Toen Formalist en Hypocriet tot Christen zeiden: ‘Wij zien niet in waarin u van ons verschilt, dan alleen in de mantel waarmee u omhangen bent, en die is u zeker door uw buren gegeven om de schaamte van uw naaktheid te dekken’, gaf de ware pelgrim een zeer passend antwoord. Hij zei:

‘Hij is mij gegeven door de Heere van de plaats waar ik heenga; en wel, zoals u zegt, om mijn naaktheid te bedekken. Ik beschouw het als een bewijs van Zijn goedheid jegens mij, want tevoren had ik niets dan lompen. En bovendien troost ik mij op mijn weg aldus: zeker, denk ik, wanneer ik aan de poort van de stad kom, zal de Heere ervan mij als een van de Zijnen herkennen, omdat ik Zijn eigen rok aan heb, een rok die Hij mij uit vrije genade gaf op de dag dat Hij mij van mijn lompen ontdeed.’

Dit is een van de dingen die de formalist niet kan nabootsen: het kleed van Christus’ gerechtigheid, vergezeld van een nederig besef van de eigen ongerechtigheid en haveloosheid. De huichelaar wil niet toegeven dat hij onrechtvaardig is, en de formalist wil niet belijden dat al zijn gerechtigheden zijn ‘als een wegwerpelijk kleed’. Hij denkt dat zijn eigen gerechtigheid alles is wat God van hem vraagt, en dat zij voor zijn doel volkomen volstaat. Maar de man met een gebroken hart en een verslagen geest zal zich er nooit voor schamen te zeggen, in aanwezigheid van alle mensen: ‘Ja, ik was haveloos, en verloren, en verwoest, en u hebt een ware uitspraak gedaan, ook al bedoelde u die als spot; want ik ben niets dan een bedelaar die de kleren van een ander draagt.’ Ik houd van die trek in het karakter van Christen: juist datgene waarmee deze mannen hem plaagden, was wat hij als goede reden voelde om God dankbaar voor te zijn.

Ik ben echter geneigd te denken dat Christen niet zo verstandig was in wat hij deze twee mannen vervolgens zei. Nadat hij over zijn mantel had gesproken, voegde hij eraan toe:

‘Daarenboven heb ik nog een merkteken aan mijn voorhoofd, waarop u misschien nog niet hebt gelet, maar dat een van de naaste vertrouwelingen van mijn Heere mij daar heeft gezet op de dag dat mijn last van mijn schouders viel. Ik zeg u ook dat mij toen een verzegelde rol werd gegeven, om mij te vertroosten door haar te lezen terwijl ik de weg ga; mij is ook gelast haar bij de hemelpoort over te geven, ten teken dat ik zeker daarheen ga, en al deze dingen, daar twijfel ik niet aan, ontbreken u, en zij ontbreken u omdat u niet door de poort binnenkwam.’

‘Hierop gaven zij hem geen antwoord; alleen keken zij elkaar aan en begonnen te lachen.’ Natuurlijk; wat wisten zij af van het merk op het voorhoofd en de rol in de hand? Zij hadden zich bij de gemeente aangesloten, zij hadden ‘het sacrament genomen’, zij hadden de gebruikelijke plechtigheden verricht; dus moest alles wel in orde zijn. ‘Een merk op uw voorhoofd’, zei de een, ‘wat heb je daaraan?’ ‘En de rol’, zei de ander, ‘wat is dat?’ Wees niet te snel, beste vrienden, om iedereen over het geheim van de Heere te vertellen, of over uw innerlijke ervaring. Wanneer u iemand ontmoet die deze dingen kan waarderen, maak het dan tot een punt om God te verheerlijken door uw getuigenis; maar wanneer u met een formalist praat, of met een sluwe huichelaar, is het beter, zodra u merkt dat hij vertrouwt op wat hij in zichzelf vindt, hem de valsheid van zijn vermeende gerechtigheid te laten zien, dan veel te zeggen over wat de Heere voor u heeft gedaan. Hoed u ervoor het gebod van onze Heere over het werpen van parelen voor de zwijnen te overtreden, ‘opdat zij zich niet omkeren en u verscheuren’. Wanneer u spreekt over het nederig wandelen met God, zullen zij u meteen beginnen uit te lachen.

Bunyans volgende beschrijving van de pelgrim interesseert mij altijd; hij zegt:

‘Toen zag ik dat zij allen voortgingen, behalve dat Christen voorop bleef, die met niemand meer sprak dan met zichzelf, en dat soms zuchtend en soms getroost.’

Ik weet dat John Bunyan mij nooit heeft gezien, maar hij heeft mijn portret zeer nauwkeurig geschetst, want dat is precies de manier waarop ik tot mezelf spreek: ‘soms zuchtend en soms getroost’. Ik kijk naar binnen, en dan spreek ik zuchtend; dan kijk ik weg naar Christus, en dat stelt mij in staat getroost te spreken. Ik kijk om mij heen en zie allerlei beproevingen en moeilijkheden, en dan spreek ik zuchtend; dan kijk ik op naar de liefde van mijn Vader, en ik spreek getroost. Ik kijk soms naar enkelen van het volk van de Heere die niet wandelen zoals zij zouden moeten, en dan spreek ik zuchtend; dan denk ik aan het eeuwige voornemen van de Heere om hen ‘onberispelijk’ te stellen ‘voor de tegenwoordigheid Zijner heerlijkheid’, en dan spreek ik getroost. Onlangs liep een man mij op straat voorbij die zo luid tegen zichzelf praatte dat ik dacht dat hij tegen mij sprak. Het is niet altijd verstandig dat te doen; maar toch, terwijl wij door de wereld gaan, kunnen wij tegen slechtere mensen praten dan tegen onszelf. Mag ik een suggestie doen, want ik ken enkele vrienden die zeer graag praten? Als zij het niet erg zouden vinden meer tegen zichzelf te praten, zou de slechte naam van hun buren niet zo snel bekend worden, en het zou voor henzelf, denk ik, even aangenaam zijn. Sommige mensen houden van roddel en laster; maar het zou beter zijn als zij deden zoals David en hun ziel uitstortten door tegen zichzelf te praten. Over goddelijke dingen te spreken tegen uw eigen ziel en in gemeenschap te zijn met uw eigen hart op uw bed is een wijze en gezegende oefening. Daarna gaat Bunyan verder:

‘Zo zag ik hen allen voortgaan, tot zij aan de voet van de heuvel Moeilijkheid kwamen, waar een fontein was. Daar lagen ook nog twee andere wegen, naast de weg die recht van de poort afging; de ene ging ter linkerzijde en de andere ter rechterzijde onder langs de heuvel; maar de nauwe weg, die ook de rechte was, leidde recht de heuvel op, en de opgang langs de zijde van de heuvel heette Bezwaarlijk.’

Nu komt het erop aan. Christen is door de poel Mistrouwen gegaan, dus hij is niet bang om de heuvel Moeilijkheid te beklimmen. Hij is aan de voet van het kruis geweest en heeft daar zijn last verloren, dus hij bukt zich, drinkt bij de fontein en zegt: ‘Met Gods hulp zal ik ook de heuvel Moeilijkheid beklimmen.’ Misschien was het een kleine vervolging, of misschien was het onenigheid in de gemeente; misschien was het verlies in zaken, of het kan een andere uiterlijke beproeving zijn geweest; maar wat het ook was, hij zette zich schrap voor de beproeving. De ware christen zegt altijd in zichzelf:

‘Door vloeden en vlammen, als Jezus leidt,
volg ik waar Hij gaat.’

Maar onze vriend Formalist zag dat er voor hem nog een andere weg openstond. Hij redeneerde bij zichzelf dat het werkelijk ongerijmd was dat mensen zich om de godsdienst enig ongemak moesten getroosten. Wij horen jonge mensen dikwijls praten over de vuurproef die zij moeten doorstaan, zonder te weten wat een vuurproef werkelijk is; want een vuurproef doorstaan betekende op blote voeten over gloeiend hete ploegscharen lopen. Formalist zei dus dat hij het niet erg vond godsdienstig te zijn wanneer het respectabel was en wanneer het niet inhield dat hij feesten in de betere kringen of een huwelijk met een goddeloze moest opgeven; maar wanneer het de toorn van een vader of het verzet van zijn oude vrienden over hem bracht, zei hij dat hij dat niet kon verdragen. Hij zou dus het pad nemen dat naar links liep en om de voet van de heuvel Moeilijkheid slingerde; dan zou hij aan de andere kant uitkomen, waar hij Christen met evenveel moeite zou zien afdalen als hij was opgeklommen, en dan zou hij tegen hem zeggen: ‘Ik heb al die moeite gemist en ben toch gekomen waar u bent, gezond en wel.’ Zo was het echter niet, want Formalist ging langs de weg die Gevaar heette, en die leidde hem in een groot woud, waar hij volkomen verdwaalde. Wat Hypocriet betreft: hij nam de weg die Vernieling heette, ‘die hem in een zeer wijd veld bracht, vol donkere bergen, waar hij struikelde en viel, en niet meer opstond’. Ik veronderstel dat dit betekent dat hij in de wildernis van de zonde trok. Hij zei tot zichzelf: ‘Ik heb genoeg van dit soort dingen. Als ik om de godsdienst gesmaad moet worden of mijn klanten moet verliezen, geef ik het allemaal op en doe ik zoals de anderen; ik zal het mij gemakkelijk maken en mij vermaken; ik zie niet in waarom ik mijzelf zou blijven verloochenen.’ Zo begon hij met één wereldse genoegen en ging door naar een tweede en een derde, en spoedig ‘viel hij en stond niet meer op’.

De duivel is niet in één dag een duivel geworden, en de ergste zondaars worden dat niet allemaal ineens. Een mens kan lange tijd een zeer fatsoenlijk uitziende huichelaar zijn. De hoorns en de hoeven komen er misschien nog niet uit te voorschijn; zij groeien geleidelijk en laten zich te zijner tijd zien. De weg van de opstand tegen God kan zeer geleidelijk zijn, maar hij versnelt naarmate u erop vordert; en als u de heuvel af begint te rennen, zal de steeds groeiende vaart u steeds sneller naar het verderf voeren. U christenen moet waken tegen het begin van wereldgelijkvormigheid. Ik geloof werkelijk dat de groei van de wereldgezindheid is als ‘het begin des krakeels’, dat is ‘gelijk een, die het water opening geeft’. Als u eenmaal begint, weet niemand waar u zult ophouden. Ik krijg soms deze vraag voorgelegd over bepaalde wereldse vermaken: ‘Mag ik dit en dat doen?’ Het spijt mij zeer wanneer iemand mij die vraag stelt, omdat zij laat zien dat er iets mis is, anders zou zij helemaal niet gesteld worden. Als het geweten van een mens hem laat zeggen: ‘Nu, ik kan wel naar A gaan’, dan zal hij zeer spoedig doorgaan naar B, C, D, E, en door alle letters van het alfabet. Wanneer dieven onze huizen willen beroven en merken dat zij niet door de voordeur kunnen binnenkomen, zoeken zij een klein raampje aan de achterkant en zetten daar een kleine jongen in. Zodra hij binnen is, opent hij de deur voor de dieven, en het huis is gemakkelijk leeggeroofd. In de zogenaamde kleine zonden zit veel onheil. Wanneer Satan ons niet met een grote zonde kan vangen, zal hij het met een kleine proberen. Het maakt hem niet uit welk aas hij gebruikt, als hij zijn vis maar vangt. Wees op uw hoede voor het begin van het kwaad, want velen die goed op weg schenen te zijn, zijn afgeweken en omgekomen tussen de donkere bergen in het wijde veld van de zonde.

Het is treurig dat wij zo moeten spreken over Formalist en Hypocriet, die eens even goede mensen leken om te zien als u en ik nu, maar die zo ellendig omkwamen. God geve dat wij noch formalisten noch huichelaars mogen zijn, maar ware pelgrims, op weg naar de stad Sion, en Hem zij de lof en de eer!

Hoofdstuk 9
Christen komt aan bij het paleis Sierlijk

Wij gaan nu John Bunyans eigen beschrijving bekijken van Christen die zich bij de gemeente voegt. Hij schetst één ware pelgrim, namelijk Getrouw, die zich nooit bij de gemeente heeft aangesloten, maar alleen zijn weg ging totdat Christen hem inhaalde. Daardoor leed hij grote schade, zoals Christen tot hem zei toen hij over het paleis Sierlijk sprak: ‘Ik wens wel dat u bij het huis geroepen had, want u zou daar vele zeldzaamheden gezien hebben, waarvan de herinnering u levenslang bijgebleven zou zijn.’ Toch diende Getrouw, als een uitnemend heilige met grote diepte van kennis en ervaring en met veel vastheid van overtuiging, zijn Meester goed zonder zich bij de gemeente aan te sluiten. En u herinnert zich dat Bunyan hem afbeeldt als iemand die uit de vlammen van de brandstapel, de marteldood op de IJdelheidskermis, werd opgenomen in een wagen met een span paarden, ‘door de wolken, onder het geluid van bazuinen, langs de kortste weg tot in de Poort van de Hemel’.

Maar Christen, en Christin, en Barmhartig, en bijna alle andere pelgrims, zo niet allemaal, stopten bij het paleis Sierlijk, waarmee Bunyan de plaats van bijzondere christelijke gemeenschap bedoelt: de gemeente van God op aarde. Dit paleis Sierlijk lag een eindje voorbij de top van de heuvel Moeilijkheid. Christen verspilde enige kostbare tijd doordat hij in het prieel sliep, zijn rol verloor en terug moest om haar te zoeken; maar ten slotte, zegt Bunyan,

‘hief hij, terwijl hij zijn ongelukkige misstap beweende, zijn ogen op; en zie, daar stond een statig paleis, Sierlijk geheten, recht voor hem, juist aan de kant van de goede weg.

Ik merkte ook dat hij met spoed voortging, in de hoop daar mogelijk nog een nachtverblijf te vinden; maar toen hij nog niet ver gevorderd was, kwam hij op een zeer nauwe doorgang, omtrent tweehonderd passen aan deze kant van de portierswoning, en zag, toen hij nauwkeurig voor zich uit keek, twee leeuwen op de weg.’

Wanneer iemand zich met een christelijke gemeente wil verenigen, gebeurt het vaak dat hij moeilijkheden voor zich ziet, zoals deze ‘twee leeuwen op de weg’. Hij begint bij zichzelf te zeggen: ‘Zo’n beproeving kan ik niet doorstaan.’ Het lijkt hem zo’n zware proef om met een christenbroeder over zijn ervaring te moeten spreken, en iets heel vreselijks om voor de gemeente te moeten komen, en nog verschrikkelijker om gedoopt te worden; en zo begint de arme meneer Schuchter te sidderen en te beven. Soms komen er zelfs ergere vrezen op dan deze, en de verlegen ziel roept: ‘Zal ik kunnen volhouden als ik belijd een volgeling van Christus te zijn? Zal ik ook later nog een goed getuigenis voor Hem afleggen, net als nu? Wat zal mijn man ervan zeggen? Wat zal mijn vader zeggen? Wat zullen mijn collega’s zeggen wanneer zij horen dat ik mij openlijk een discipel van Christus heb genoemd?’ Dat was de moeilijkheid van de arme Christen: ‘hij zag twee leeuwen op de weg’.

‘”Nu zie ik”, dacht hij, “de gevaren die Mistrouwen en Vreesachtig teruggedreven hebben.” (De leeuwen nu waren geketend, maar dat zag hij niet.)’

Het ongeloof heeft gewoonlijk een scherp oog voor de leeuwen, maar een blind oog voor de kettingen die hen tegenhouden. Het is heel waar dat er moeilijkheden zijn op de weg van hen die belijden volgelingen van de Heere Jezus Christus te zijn. Wij willen dat niet verbergen, en wij willen niet dat u tot ons komt zonder de kosten te berekenen. Maar het is ook waar dat deze moeilijkheden een grens hebben die zij niet kunnen overschrijden. Zoals de leeuwen op het pad van de pelgrim zijn zij geketend, aan banden gelegd en volstrekt onder de beheersing van de Heere God, de Almachtige.

‘Zeer bevreesd geworden, begon hij te denken, of hij niet teruggaan en hen volgen wilde; want hij zag niets anders tegemoet dan de dood. Maar de Portier, die Waakzaam heette, bemerkte vanuit zijn huisje dat Christen stilstond en van wil scheen om terug te keren, en riep hem toe: “Is uw kracht zo klein? (Mark. 13:34-37.) Vrees deze leeuwen niet, want zij zijn geketend en liggen hier alleen om het geloof, waar het is, te beproeven en om hen die het niet hebben, te ontdekken. Blijf midden op de weg en geen kwaad zal u bejegenen.”’

Waakzaam betekent de goede predikant, die altijd waakzaam moet zijn voor zielen. Hij zei de pelgrim ‘midden op de weg te blijven’; en wij geven u hetzelfde advies. Leef consequent, wandel zorgvuldig: niet vlak aan de rand van de weg, alsof u half geneigd bent ervan af te dwalen, maar op de kruin van de weg, midden op de koninklijke weg. Wandel in oprechtheid en rechtschapenheid, wat er ook het gevolg van mag zijn. Een tijdlang kunnen moeilijkheden u doen vrezen, maar zij kunnen u werkelijk geen kwaad doen. De leeuwen zijn geketend.

Wat is de moeilijkheid op de weg van wie van u verlangt belijdenis te doen van zijn geloof in Christus? Ik vraag u ernstig haar recht in het gezicht te zien; want ik geloof dat zij, als u dat doet, spoedig zal verdwijnen. Overweeg de moeilijkheid zorgvuldig, en overweeg dan de veel grotere moeilijkheid op uw weg als u het geloof dat u naar uw zeggen werkelijk hebt, niet belijdt. Bedenk deze woorden van de Heere Jezus, die u nooit kunt wegverklaren: ‘Maar wie Mij verloochenen zal voor de mensen, die zal verloochend worden voor de engelen Gods.’ ‘O!’ zegt u, ‘ik verloochen Christus niet; ik belijd Hem alleen niet.’ Ja, maar dat is precies wat onze Zaligmaker met het verloochenen van Hem bedoelde, want Hij had kort daarvoor gezegd: ‘Een iegelijk, die Mij belijden zal voor de mensen, dien zal ook de Zoon des mensen belijden voor de engelen Gods’; zodat de uitdrukking ‘wie Mij verloochenen zal voor de mensen’ kennelijk bedoeld is voor hem die Christus niet belijdt. Zorg er dus voor dat u naar voren komt en getuigt dat u aan Christus toebehoort, als u werkelijk de Zijne bent. Toen Israël zich afkeerde om het gouden kalf te aanbidden, ‘bleef Mozes staan in de poort des legers, en zeide: Wie den HEERE toebehoort, kome tot mij! Toen verzamelden zich tot hem al de zonen van Levi.’ Mogen er velen zijn die nu komen en hun geloof belijden, omdat de Heere hen door Zijn genade tot Zichzelf heeft geroepen!

‘Toen zag ik dat hij al bevende voortging, uit vrees voor de leeuwen, maar ook goed acht gaf op het onderricht van de Portier; hij hoorde hen ook wel brullen, maar zij deden hem geen kwaad. Daarom klapte hij in de handen en liep voort tot hij bij de poort kwam, waar de Portier stond. Toen zei Christen tot de Portier: “Mijnheer, wat is dit voor een huis? Zou ik hier deze nacht niet kunnen logeren?” De Portier antwoordde: “Dit huis is hier gebouwd door de Heere van de heuvel, die het stichtte tot gerief en bescherming van de reizigers.”’

Het doel waarvoor het paleis Sierlijk, de gemeente van de levende God, is gesticht, is dat ‘pelgrims, op weg naar de stad Sion’, daar rust, verkwikking, onderdak en bescherming mogen vinden. Ik vraag mij af wat sommigen van ons zouden hebben gedaan als de sabbatsdiensten van het heiligdom er niet waren geweest, het samenkomen om God te dienen in zijn verschillende vormen van prediking, gebed en lofzang. Wanneer ik buiten Engeland ben en over het vasteland reis, op plaatsen waar geen openbare samenkomst voor de eredienst is, probeer ik als de sabbatten aanbreken altijd twee of drie christenvrienden te ontmoeten, om samen het Woord van God te lezen, te bidden en te zingen en, als het kan, onze Heere te gedenken in het breken van het brood; en wij hebben Christus dan zeer dierbaar bevonden. Toch mis ik altijd dit Tabernakel en zijn gewijde diensten; niets kan hun plaats in mijn hart innemen. Ik heb dikwijls gevoeld zoals de psalmist toen hij van Jeruzalem verwijderd was: het leek bijna meer dan hij kon dragen, en hij verlangde ernaar zelfs de geringste plaats in de voorhoven van het huis van de Heere te genieten. Ik ben er zeker van dat het zo moet zijn bij ieder van u die de Heere liefheeft: als u verbannen werd van de plaats waar Gods naam in het bijzonder wordt vermeld en waar u zo vaak gevoed bent met ‘het vette der tarwe’, wat zou u doen? Misschien is het voor sommigen van u nacht, zoals het voor Christen was toen hij bij het paleis Sierlijk kwam; en daarom hebt u onderdak nodig, en nog veel meer. Welnu, de gemeente van Christus is juist daarvoor ingesteld: dat christenen door het gebruik van de genademiddelen en door onderlinge gemeenschap getroost en verkwikt worden.

‘De Portier vroeg ook vanwaar hij kwam en waar hij heen reisde. Daarop antwoordde Christen: “Ik kom van de stad Verderf en ga naar de berg Sion; maar omdat de zon onder gegaan is, wens ik, als het kan, deze nacht wel hier te vertoeven.”

“Hoe is uw naam?” vroeg de Portier, en Christen antwoordde: “Mijn naam is nu Christen, maar voorheen heette ik Genadeloos. Ik ben uit het geslacht van Jafeth, die God in de tenten van Sem zal doen wonen” (Gen. 9:27).

“Maar hoe komt u zo laat? De zon is al ondergegaan”, vroeg de Portier.’

Ach, dat is een vraag die ik pelgrims vaak moet stellen: ‘Waarom komt u zo laat om zich bij de gemeente te voegen? Waarom hebt u Christus niet eerder beleden?’ Zo velen stellen deze zeer belangrijke zaak lange tijd uit, alsof zij van geen belang was. Ik merk dat wie haar een maand of twee uitstelt, haar al gauw een jaar of twee uitstelt; en doen zij dat, dan stellen zij haar zeer waarschijnlijk nog langer uit. Zij zijn waarlijk bekeerd, zij zijn gelovigen in de Heere Jezus Christus, en toch hebben zij, omdat zij zich niet meteen bij de gemeente voegden, steeds maar uitgesteld, tot sommigen van hen zelfs gestorven zijn zonder lid van de gemeente te zijn. Ik zeg natuurlijk niet dat zij door deze nalatigheid verloren zijn gegaan; maar ik zeg wel dat zij door hun ongehoorzaamheid aan Zijn duidelijk gebod veel zegeningen hebben gemist, en veel gelegenheden om God onderweg te verheerlijken.

Christen moest een zeer droevige belijdenis afleggen:

‘”Ik zou hier wel vroeger geweest zijn, maar ik, ‘ellendig mens’, sliep in het prieel dat aan de kant van de heuvel staat; ja, ik zou toch nog veel vroeger hier geweest zijn, maar in mijn slaap verloor ik mijn bewijzen en kwam zonder die aan de top van de heuvel; toen voelde ik ernaar, maar vond ze niet; dus was ik gedwongen bedroefd terug te gaan naar de plaats waar ik had geslapen en waar ik ze ook vond; en nu ben ik hier gekomen.”’

Hij noemde de ware reden waarom hij zo laat bij het paleis Sierlijk aankwam, maar het was erg jammer dat hij moest toegeven dat hij had liggen sluimeren en zo zijn bewijzen had verloren en terug moest om ze te halen. Wanneer u en ik in een slaperige toestand vervallen, lopen wij zeer gemakkelijk het gevaar onze bewijzen te verliezen en te denken dat wij helemaal geen kinderen van God zijn. Zo verliezen wij onze eerste liefde, onze hoogste vreugden en het onwankelbare vertrouwen op God dat wij eens bezaten; en terecht voelen wij dat wij ons niet bij de gemeente kunnen voegen voordat wij deze zegeningen terug hebben; zodat wij, zoals de arme Christen, de heuvel Moeilijkheid weer moeten afdalen en de steile helling opnieuw moeten opploeteren. Zo gaan wij dezelfde weg driemaal in plaats van slechts eenmaal, alleen omdat wij in het prieel in slaap vielen terwijl wij hadden moeten doorgaan naar het paleis Sierlijk. Driewerf gelukkig zullen wij zijn als wij, evenals de pelgrim, hoewel laat, veilig de poort bereiken van dat heilige huis, ‘door de Heere van de heuvel gebouwd tot gerief en bescherming van de reizigers’.

Hoofdstuk 10
‘Kom in, gij gezegende des Heeren’

‘De Portier zei toen tot Christen: “Wel, ik zal één van de maagden van deze plaats roepen; en wanneer zij uw woorden goed vindt, zal zij u binnenleiden bij de andere leden van het gezin, volgens de regels van het huis.”’

John Bunyan was lid van een Baptistengemeente, en hij wist hoe men de dingen op ordelijke wijze doet. Soms heb ik mensen horen zeggen dat u bij het lezen van De Christenreis niet kunt opmaken tot welke kerkelijke richting de schrijver behoorde; maar als u zijn boek nauwkeurig bestudeert, zult u spoedig ontdekken, uit wat hij heeft weggelaten en uit wat hij heeft opgenomen, welke positie de goede man innam. Toen John Bunyan zich bij de gemeente van ds. Gifford aansloot, zei de voorganger tot hem: ‘Welnu, John, ik ben blij te horen dat u bekeerd bent, maar ik kan de verantwoordelijkheid niet op mij nemen u als lid in de gemeenschap op te nemen; ik moet een van mijn ouderlingen of diakenen vragen u te spreken. De gemeente moet iemand aanwijzen die met u spreekt en aan de overige leden verslag uitbrengt of u al dan niet moet worden aangenomen.’

‘Toen trok Waakzaam, de portier, aan een bel, op welk geluid een ernstige en schone jonkvrouw, genaamd Bescheidenheid, aan de deur van het huis kwam en vroeg waarom zij geroepen werd.’

De ambtsdrager van de gemeente die de kandidaten voor het lidmaatschap moet spreken, moet ‘ernstig’ zijn in zijn houding en ‘schoon’ in zijn karakter; hij moet bescheiden zijn en toch liefdevol; hij mag niet willen worden misleid en evenmin zijn medeleden laten misleiden; hij moet bezorgd zijn niet te streng te zijn, om niet hen die waarlijk des Heeren zijn buiten de gemeente te houden, en aan de andere kant niet te toegeeflijk, om niet hen op te nemen die Zijn volk niet zijn.

‘De portier antwoordde: “Deze man is op reis van de stad Verderf naar de berg Sion, maar omdat hij vermoeid is en de nacht hem overvallen heeft, vroeg hij mij of hij hier vannacht mocht vertoeven; daarom zei ik hem dat ik u zou roepen, opdat u, na met hem gesproken te hebben, zou handelen zoals het u goeddunkt, naar het gebruik van het huis.” Toen vroeg zij hem vanwaar hij kwam en waar hij heen ging; en hij vertelde het haar.’

Dit lijkt op het onderzoek van bekeerlingen dat wij gewoonlijk aanduiden als ‘de ouderlingen spreken’. Op de vragen van Bescheidenheid ging Christen niet om de zaak heen draaien en over andere dingen praten, maar hij vertelde haar dadelijk wat zij weten wilde. ‘Zij vroeg hem vanwaar hij kwam.’ Die vraag werd gesteld om vast te stellen of hij wist wat hij van nature was; want als u niet weet wat u van nature bent, begint u in werkelijkheid niets goed te weten. Als u nooit hebt ontdekt dat u in zonde geboren en in ongerechtigheid ontvangen bent, als u nooit hebt beseft dat u een zondaar bent, verloren en verdoemelijk, en als u bovendien uw last nooit bij het kruis kwijtgeraakt bent, dan bent u niet geschikt om in het paleis Sierlijk te worden ontvangen, want dan bent u kennelijk geen ware christen.

Daarna vroeg Bescheidenheid aan Christen ‘waar hij heen ging’. Dat is een zeer belangrijke vraag. Ik vrees dat er velen zijn die niet weten waarheen zij gaan, naar de hemel of naar de hel, al koesteren zij een flauwe hoop dat het uiteindelijk misschien toch wel goed met hen zal aflopen. Er zijn ook mensen die beweren dat een mens niet kan weten of hij behouden is voordat hij in de andere wereld is aangekomen. Zij moeten toch wel een andere Bijbel lezen dan ik elke dag lees; want die spreekt, zo komt het mij voor, heel duidelijk over deze zaak: ‘Die geloofd zal hebben, en gedoopt zal zijn, zal zalig worden’; en: ‘Wij dan, gerechtvaardigd zijnde uit het geloof, hebben vrede bij God, door onzen Heere Jezus Christus.’ Een mens wordt toch zeker niet zalig zonder het te weten; en hij bezit evenmin vrede met God zonder zich ervan bewust te zijn dat hij die vrede heeft.

‘Zij vroeg hem ook hoe hij op de weg gekomen was; en hij vertelde het haar.’

Dat is nog zo’n vraag die wij u zullen stellen als u zich met ons in de gemeenschap van de gemeente wilt verenigen. Wij zullen tot u zeggen: ‘U belijdt dat u op de weg naar de hemel bent; maar hoe bent u begonnen op die weg te wandelen? Wat bracht u ertoe de pelgrimsreis aan te vaarden? Hoe kwam u ertoe uw behoefte aan een Zaligmaker te beseffen? Hoe is het werk van de genade in uw hart begonnen?’ Wij zullen niet van u verlangen dat u de dag en het uur noemt waarop u bekeerd bent. Sommigen van ons kunnen dat van zichzelf wel zeggen, maar anderen niet; en er zal geen bescheiden maagd zijn die boos op u wordt als u het niet kunt. Wanneer het regent, zou zelfs een Salomo er vaak niet met zekerheid op kunnen antwoorden wanneer het begonnen is, want eerst was het een soort nevel, toen werd het een fijn motregentje, en daarna begon het werkelijk te regenen. Wanneer u doornat was, wist u dat het geregend had; maar u had niet kunnen zeggen wanneer het begonnen was. Evenzo kan vaak niemand zeggen op welk ogenblik de zon opkwam, terwijl u toch weet dat zij is opgegaan, want u ziet haar en voelt haar. Toen ik eens in Zwitserland was, ging ik op een middag een vijfduizend voet omhoog om in een herberg te slapen en de volgende dag klaar te zijn voor de zonsopgang. Vroeg in de morgen werd er op een grote hoorn geblazen en iedereen sprong uit bed, want dat was het teken dat de zon opkwam. Wij renden allen naar buiten, gewikkeld in onze dekens, misschien wel tweehonderd mensen, en stonden alle naar het oosten te staren om de zon te zien opkomen; maar wij waren te laat, want de zon was al op voordat wij er waren. Zo gaat het vaak met het werk van de genade in het hart. Het is er, maar u weet niet wanneer het er gekomen is. Dit is een punt waarover de bescheiden maagd u zeker zal ondervragen; en ik hoop dat wij van u zullen kunnen zeggen wat Bunyan van Christen zegt: ‘en hij vertelde het haar.’

‘Daarop vroeg zij hem wat hij op de weg gezien en ontmoet had; en hij vertelde het haar.’

Wij zullen willen weten wat uw ervaring is geweest sinds u christen werd: of u de kracht van het gebed hebt ondervonden doordat God uw smeekbeden verhoord heeft; of u, wanneer u verzocht werd, de verzoeker hebt kunnen weerstaan en overwinnen. Wij zullen u ook vragen wat u voor Christus doet, wat u van Christus denkt, en hoe het gesteld is met uw gewoonten ten aanzien van het lezen van de Schrift, het persoonlijk gebed en dergelijke dingen.

‘En ten slotte vroeg zij hem naar zijn naam; en hij zei: “Die is Christen; en ik heb zoveel te meer verlangen om hier vannacht te vertoeven, omdat ik, naar ik bemerk, aan deze plaats zie dat zij door de Heere van de heuvel gebouwd is tot verkwikking en bescherming van pelgrims.” Toen glimlachte zij, maar het water stond haar in de ogen; en na een kleine pauze zei zij: “Ik zal twee of drie andere leden van het gezin roepen.”’

U ziet dat zij een tedere, liefdevolle, zachtmoedige persoon was. Zij glimlachte toen zij hoorde wat de pelgrim zei; zij was verheugd over zijn getuigenis, en ‘het water stond haar in de ogen’ terwijl zij de Heere dankte dat er opnieuw een ziel uit de duisternis was gebracht tot Zijn wonderbaar licht.

In deze passage hebt u een verwijzing naar de verschillende ambtsdragers van de gemeente. Meneer Waakzaam was de predikant; Bescheidenheid was de diaken of ouderling; en dan volgden ‘twee of drie andere leden van het gezin’.

‘Toen liep zij naar de deur en riep Voorzichtigheid, Godvruchtigheid en Liefde.’

Dit zijn de gezanten van de gemeente: Voorzichtigheid, die geen huichelaars wil binnenlaten; Godvruchtigheid, die geestelijke dingen verstaat en weet hoe zij het hart moet doorzoeken; en Liefde, die vriendelijk en toch rechtvaardig oordeelt, naar de liefde van Christus die in haar hart is uitgestort.

‘Dezen, nadat zij nog een ogenblik met hem gesproken hadden, namen hem in huis. Spoedig kwamen vele leden van het gezin hem al aan de dorpel verwelkomen, zeggende: “Kom in, gij gezegende des Heeren! Dit huis is gebouwd door de Heere van de heuvel, opdat zulke reizigers daar onthaald zouden worden.” Toen boog hij het hoofd en volgde hen in het huis. Nadat hij was binnengetreden, zat hij neer; zij gaven hem iets te drinken en vonden tezamen goed, dat sommigen van hen, terwijl het avondmaal gereed gemaakt werd, een afzonderlijk gesprek met Christen zouden hebben, om alzo de tijd op de beste wijze te besteden; en zij wezen Godvruchtigheid, Voorzichtigheid en Liefde aan om met hem te spreken.’

Daar laat ik hem voor het ogenblik, in goed en gezellig onderdak; en ik hoop dat velen van u verleid zullen worden om aan dezelfde deur te komen en op dezelfde wijze binnen te gaan in de rust en de veiligheid van het paleis Sierlijk, de gemeente van Christus op aarde.

Hoofdstuk 11
Christen en Apollyon

‘Nu dacht Christen eraan verder te gaan, en zij waren het ermee eens. “Maar eerst,” zeiden zij, “laten wij nog eens naar het wapenhuis gaan.” Dat deden zij; en toen hij daar was, bekleedden zij hem van het hoofd tot de voeten met wapens die beproefd waren, voor het geval hij onderweg misschien aanvallen te verduren zou krijgen.’

John Bunyan plaatst met grote wijsheid het paleis Sierlijk eerst; en nauwelijks is Christen de poorten van het paleis uit of hij begint af te dalen in de vallei Verootmoediging. Zij hadden hem een zwaard gegeven, een schild en een helm. Die had hij nooit eerder gehad. Nu hij zijn zwaard had, bleek hij het tegen Apollyon te moeten gebruiken; nu hij zijn schild had, moest hij het omhooghouden om de vurige pijl op te vangen; nu hij het wapen van ‘alle gebed’ had ontvangen, merkte hij dat hij het nodig had toen hij door die vreselijke plaats ging, de vallei van de schaduw des doods. God geeft Zijn volk geen wapens om mee te spelen; Hij geeft hun geen kracht om die aan hun begeerten te besteden. Heere, als U mij deze voortreffelijke wapens hebt gegeven, dan zal ik ze zeker nodig hebben in zware strijd. Als ik aan Uw tafel een maaltijd heb gehad, wil ik bedenken dat het maar een korte wandeling is van de opperzaal naar de hof van Gethsemané. Daniël, de man die zeer geliefd was, werd diep vernederd: ‘Mijn sierlijkheid werd aan mij veranderd in een verderving, zodat ik geen kracht behield’, toen God hem ‘dit grote gezicht’ liet zien. Zo ging het ook met de bevoorrechte Johannes. Hij moest verbannen worden naar Patmos; in de diepe eenzaamheid van dat door de Egeïsche Zee omgeven eiland moest hij ‘de openbaring van Jezus Christus, die God Hem gegeven heeft’ ontvangen. Ik heb gemerkt, in het gewone verloop van de christelijke ervaring, dat onze grootste vreugden vaak komen vlak na enkele van onze zwaarste beproevingen. Wanneer de loeiende storm zijn kracht heeft uitgeraasd, sust hij zichzelf in slaap. Dan volgt er een tijd van kalmte en stilte, zo diep in haar rust, dat alleen de ontzaglijke storm de moeder van zo’n machtige kalmte kan zijn geweest. Zo gaat het ook met ons: diepe golven van beproeving, hoge bergen van vreugde. Maar het omgekeerde is bijna net zo vaak waar: van de top van de Pisga gaan wij naar onze graven; van de top van de Karmel moeten wij afdalen naar de holen van de leeuwen en strijden tegen de luipaarden. Laten wij op onze wachttoren zijn, opdat het ons niet gaat als Manoach, die, nadat hij de engel Gods had gezien, daarna zei: ‘Wij zullen zekerlijk sterven, omdat wij God gezien hebben.’

‘Toen ging hij verder; maar Bescheidenheid, Godvruchtigheid, Liefde en Voorzichtigheid wilden hem tot aan de voet van de heuvel vergezellen. Zo gingen zij tezamen voort en hernamen hun vorige gesprekken, tot zij begonnen af te dalen. Toen zei Christen: “Zoals het moeilijk was om naar boven te komen, zo is het, voor zover ik zie, gevaarlijk om naar beneden te gaan.” “Ja,” zei Voorzichtigheid, “zo is het; want het is een moeilijke zaak voor een mens om af te dalen in de vallei Verootmoediging, zoals u nu doet, zonder onderweg uit te glijden.” “Daarom,” zeiden zij, “zijn wij met u meegekomen, om u de heuvel af te begeleiden.” Zo begon hij af te dalen, maar zeer omzichtig; toch gleed hij een keer of twee uit.’

Satan valt een christen die dicht bij God leeft zelden aan. Het is wanneer de christen van zijn God afdwaalt, geestelijk uitgehongerd raakt en zich probeert te voeden met ijdelheden, dat de duivel zijn gunstige uur ontdekt. Soms staat hij wel voet aan voet tegenover het kind van God dat ijverig is in de dienst van zijn Meester, maar dan is de strijd gewoonlijk kort. Wie uitglijdt terwijl hij afdaalt in de vallei Verootmoediging, nodigt Apollyon bij elke misstap uit hem aan te vallen. O, dat wij genade hadden om nederig met onze God te wandelen!

‘Toen zag ik in mijn droom dat deze goede gezellen, toen Christen beneden aan de heuvel was, hem een brood, een fles wijn en een tros rozijnen gaven, waarna hij zijns weegs ging.

Maar nu, in deze vallei Verootmoediging, kwam de arme Christen zwaar in het gedrang; want hij was nog maar een klein eindje gegaan of hij zag een afschuwelijke vijand over het veld op zich afkomen: zijn naam is Apollyon. Toen begon Christen bevreesd te worden en overlegde bij zichzelf of hij terug zou gaan of stand zou houden. Maar hij bedacht weer dat hij geen wapenrusting voor zijn rug had; en daarom meende hij dat het keren van de rug de vijand een groter voordeel zou geven om hem met gemak met zijn pijlen te doorboren. Daarom besloot hij het te wagen en stand te houden; “want,” dacht hij, “al had ik niet meer op het oog dan mijn leven te behouden, dan nog zou het het beste zijn stand te houden.”’

John Bunyan heeft Christen niet afgebeeld als iemand die slapend in een gemakkelijke leunstoel naar de hemel wordt gedragen. Hij laat hem zijn last kwijtraken aan de voet van het kruis, maar hij toont hem ook als iemand die op handen en voeten de heuvel Moeilijkheid beklimt. Christen moet afdalen in de vallei Verootmoediging en het gevaarlijke pad bewandelen door de sombere verschrikkingen van de schaduw des doods. Hij moet dringend waakzaam zijn om zichzelf wakker te houden op de Betoverde Grond. Nergens wordt hij ontheven van de bezwaren die bij de weg horen; want zelfs aan het einde moet hij de zwarte rivier doorwaden en worstelen met haar verschrikkelijke golven. Inspanning is nodig van het begin tot het einde; en u die pelgrims naar de hemel bent, zult ontdekken dat dit geen allegorie is, maar een werkelijkheid. Uw ziel moet haar lendenen omgorden; u hebt uw pelgrimsstaf en uw wapenrusting nodig. U moet de hele weg naar de hemel te voet afleggen, strijdend tegen reuzen, vechtend met leeuwen en worstelend met Apollyon zelf.

‘Zo ging hij voort, en Apollyon kwam hem tegemoet. Het monster nu was afschuwelijk om te zien: het was bekleed met schubben als een vis (en dat is zijn trots), het had vleugels als een draak en voeten als een beer, en uit zijn buik kwamen vuur en rook; en zijn mond was als de muil van een leeuw. Toen hij bij Christen gekomen was, bezag hij hem met een minachtend gelaat en begon hem aldus te ondervragen.

Apollyon: “Waar komt u vandaan en waar gaat u heen?”

Christen: “Ik kom van de stad Verderf, de plaats van alle onheil, en ik ga naar de stad Sion.”

Apollyon: “Hieruit bemerk ik dat u een van mijn onderdanen bent, want heel dat land is van mij, en ik ben er de vorst en de god van. Hoe komt het dan dat u van uw koning bent weggelopen? Als ik niet hoopte dat u mij nog meer dienst zou bewijzen, zou ik u nu met één slag ter aarde vellen.”

Christen: “Ik ben wel geboren onder uw heerschappij, maar uw dienst was hard en uw loon zodanig dat een mens er niet van leven kon, want de bezoldiging der zonde is de dood (Rom. 6:23); daarom heb ik, toen ik tot mijn jaren gekomen was, gedaan zoals andere bedachtzame mensen doen: ik heb uitgezien of ik mijn toestand misschien kon verbeteren.”

Apollyon: “Er is geen vorst die zijn onderdanen zo licht wil verliezen, en ik wil u ook nog niet verliezen; maar aangezien u klaagt over uw dienst en uw loon, wees tevreden terug te keren, en wat ons land maar kan opbrengen, beloof ik u hierbij te geven.”

Christen: “Maar ik heb mij aan een ander verhuurd, namelijk aan de Koning der koningen; en hoe kan ik met fatsoen met u terugkeren?”

Apollyon: “U hebt hierin gedaan zoals het spreekwoord zegt: ‘van kwaad tot erger gekomen’; maar het is gebruikelijk dat degenen die zich Zijn dienaren hebben genoemd, Hem na een poos de zak geven en tot mij terugkeren. Doe dat ook, en alles zal goed zijn.”

Christen: “Ik heb Hem mijn geloof gegeven en Hem trouw gezworen; hoe kan ik dan hiervan terugkeren en niet als verrader opgehangen worden?”

Apollyon: “U hebt hetzelfde aan mij gedaan, en toch ben ik bereid alles over te zien, als u nu nog omkeert en terugkomt.”

Christen: “Wat ik u beloofd heb, was in mijn onmondige jaren; en bovendien houd ik het ervoor dat de Vorst onder Wiens banier ik nu sta, mij kan ontslaan, ja, ook kan vergeven wat ik gedaan heb door met u mee te gaan. En bovendien, o vernielende Apollyon, om de waarheid te zeggen: Zijn dienst, Zijn loon, Zijn dienaren, Zijn bestuur, Zijn gezelschap en Zijn land bevallen mij beter dan het uwe; houd daarom op mij verder te overreden; ik ben Zijn dienaar en ik zal Hem volgen.”’

Ik heb mensen ontmoet die een bevreesd hart hadden en bang waren verloren te gaan, omdat zij voelden dat zij op een of ander tijdstip van hun leven hun christelijke plicht hadden verzuimd. Dat is een oude verzoeking die Satan godvrezende mensen vaak in de weg legt. U herinnert zich hoe Apollyon, behalve de lage insinuaties die wij aanhaalden, de arme Christen ook van ontrouw beschuldigde:

‘Toen u pas op reis ging, bent u bezweken, toen u bijna verstikte in de poel Mistrouwen; u hebt verkeerde wegen beproefd om van uw last verlost te worden, terwijl u had moeten wachten tot uw Vorst hem van u had afgenomen; u hebt zondig geslapen en uw kostbare bezit verloren; u bent ook bijna overgehaald terug te gaan toen u de leeuwen zag; en wanneer u spreekt over uw reis en over wat u gehoord en gezien hebt, verlangt u in uw binnenste naar ijdele eer in alles wat u zegt of doet.’

Mocht nu iemand van u door soortgelijke beschuldigingen van de tegenstander geplaagd worden, bedenk dan dat Christus u niet om uw goede werken heeft liefgehad (zij waren niet de oorzaak dat Hij u begon lief te hebben), en dat Hij u ook nu niet om uw goede werken liefheeft; zij zijn niet de oorzaak dat Hij u blijft liefhebben. Hij heeft u lief omdat Hij u wil liefhebben. Wat Hij nu in u goedkeurt, is wat Hij Zelf u gegeven heeft; en dat is altijd hetzelfde, het blijft steeds zoals het was. Het leven van God is voortdurend in u; Jezus heeft Zijn hart niet van u afgekeerd, en de vlam van Zijn liefde is geen zier verminderd. Daarom, kleinmoedige: ‘Vrees niet, wees sterk.’

‘Toen brak Apollyon uit in een hevige woede en zei: “Ik ben een vijand van deze Vorst; ik haat Zijn persoon, Zijn wetten en Zijn volk; ik ben opzettelijk uitgetrokken om u te weerstaan.”

Christen: “Apollyon, pas op wat u doet, want ik ben op ’s Konings weg, de weg der heiligheid; wees dus op uw hoede.”

Toen zette Apollyon zich dwars over de hele breedte van de weg en zei: “Ik ben in deze zaak zonder vrees. Maak u gereed om te sterven; want ik zweer bij mijn helse afgrond dat u niet verder zult gaan; hier zal ik uw ziel vergieten.” En daarmee wierp hij een vurige pijl naar zijn borst; maar Christen had een schild in zijn hand, waarmee hij hem opving en zo het gevaar daarvan afwendde.

Toen trok Christen zijn zwaard, want hij zag dat het tijd was zich te roeren; en Apollyon viel hem even snel aan en wierp pijlen zo dicht als hagel; waardoor Apollyon Christen, ondanks alles wat deze deed om het te ontwijken, in zijn hoofd, zijn hand en zijn voet verwondde. Dit deed Christen een weinig achteruitwijken; Apollyon zette daarom zijn werk met kracht voort, en Christen vatte opnieuw moed en weerstond zo manhaftig als hij kon. Dit zware gevecht duurde meer dan een halve dag, totdat Christen bijna geheel uitgeput was. Want u moet weten dat Christen, door zijn wonden, noodzakelijk steeds zwakker en zwakker moest worden.’

Dit is geen louter beeld. Wie Apollyon ooit ontmoet heeft, zal u zeggen dat hierover geen misverstand mogelijk is, maar dat er een ontzagwekkende werkelijkheid in zit. Christen ontmoette Apollyon in de vallei Verootmoediging, en de draak bestormde hem zeer woest; met vurige pijlen probeerde hij hem te vernietigen en hem het leven te benemen. De dappere Christen hield hem met al zijn kracht stand en gebruikte zijn zwaard en schild zeer manhaftig, totdat zijn schild bezaaid was met een woud van pijlen en zijn hand aan zijn zwaard kleefde. Vele uren streden mens en draak. Ik meen hem nu voor mij te zien: die vreselijke gevallen geest, de aartsvijand van onze zielen. ‘O Satan, gij hebt mij zwaar gestoten!’ Menig kind van God moet deze kreet uiten. Het is Satans schuld niet als wij niet geheel vernietigd zijn. Het ontbreekt de duivel niet aan boosaardigheid, sluwheid, woede of volharding, als wij nog steeds het veld houden. Hij heeft ons vele malen ontmoet, met allerlei wapens, schietend van rechts en van links. Hij heeft ons verzocht tot hoogmoed en wanhoop, tot bezorgdheid en zorgeloosheid, tot aanmatiging en luiheid, tot zelfvertrouwen en wantrouwen jegens God. Wij zijn niet onkundig van zijn listen en evenmin onervaren in zijn wreedheden.

Ik weet dat ik spreek tot vele heiligen Gods die de taal van David met nadruk kunnen gebruiken: ‘Gij hadt mij zeer hard gestoten, tot vallens toe’; want ik woon onder een beproefd en verzocht volk. De strijd tussen de ziel van de gelovige en de duivel is hard. Ongetwijfeld zijn er menigten van mindere geesten die de mensen verzoeken, en met succes ook; maar die zijn door godvrezende mensen veel gemakkelijker opzij te zetten dan hun grote aanvoerder.

‘Toen greep Apollyon, zijn kans ziende, Christen dicht vast en, met hem worstelend, bracht hij hem een vreselijke val toe; en daarbij vloog Christens zwaard uit zijn hand. Toen zei Apollyon: “Nu heb ik u zeker.” En daarmee had hij hem bijna doodgedrukt, zodat Christen aan zijn leven begon te wanhopen. Maar, zoals God het wilde, terwijl Apollyon zijn laatste slag haalde om met deze goede man een einde te maken, stak Christen behendig zijn hand uit naar zijn zwaard en greep het, zeggende: “Verblijd u niet over mij, o mijn vijand; wanneer ik gevallen ben, zal ik weder opstaan”; en daarmee gaf hij hem een dodelijke steek, die hem terugdreef als iemand die zijn dodelijke wond ontvangen had. Toen Christen dat zag, stortte hij zich opnieuw op hem, zeggende: “Maar in dit alles zijn wij meer dan overwinnaars, door Hem, Die ons liefgehad heeft” (Rom. 8:37). En daarop spreidde Apollyon zijn drakenvleugels uit en maakte zich uit de voeten, zodat Christen hem niet meer zag (Jak. 4:7).’

Ten slotte bracht de vijand Christen een vreselijke val toe, en hij ging neer op de grond; en, wee de dag, op het ogenblik dat hij viel, liet hij zijn zwaard vallen! Zie de draak al zijn kracht verzamelen, zijn voet op Christens nek zetten en op het punt staan de vurige pijl in zijn hart te werpen. ‘Aha, nu heb ik u,’ zegt hij, ‘u bent in mijn macht.’ Maar toen de voet van de draak de arme Christen het leven stond uit te drukken, strekte deze zijn hand uit, greep zijn zwaard, en terwijl hij zijn vijand een wanhopige steek toebracht, riep hij: ‘Verblijd u niet over mij, o mijn vijand; want wanneer ik gevallen ben, zal ik weer opstaan.’ Zo wanhopig hieuw hij op de draak in dat deze zijn vleugels uitspreidde en wegvloog, en Christen zette zijn reis voort, verheugd over zijn overwinning. De ware gelovige begrijpt dit alles. Voor hem is het geen droom. Hij heeft vele malen onder de voet van de draak gelegen. Ach, en de hele wereld die tegelijk op iemands hart gelegd wordt, weegt niet op tegen één voet van de duivel. Wanneer Satan de geest eenmaal de baas is, ontbreekt het hem niet aan kracht, noch aan wil, noch aan boosaardigheid om haar te kwellen. Zwaar is het lot van een mens die onder de hoef van de Boze is gevallen. Maar gezegend zij God: het kind van God is altijd veilig, even veilig onder de voet van de draak als het zal zijn voor de troon van God in de hemel. En laten alle machten van de aarde en van de hel en alle twijfels en vrezen die christenen ooit kennen, samenspannen om een heilige te bestoken: in het donkerste ogenblik, zie, God zal opstaan, en Zijn vijanden zullen verstrooid worden, en Hij zal Zichzelf de overwinning behalen. O, dat wij geloof hadden om dit te geloven!

‘In dit gevecht kan niemand zich voorstellen, tenzij hij het gezien en gehoord had zoals ik, hoe Apollyon gilde en afschuwelijk brulde al de tijd van de strijd; hij sprak als een draak; en aan de andere kant, welke zuchten en kermen er uit Christens hart barstten. Ik zag hem al die tijd geen enkele vriendelijke blik werpen, totdat hij merkte dat hij Apollyon met zijn tweesnijdend zwaard gewond had; toen glimlachte hij inderdaad en keek omhoog; maar het was het verschrikkelijkste gevecht dat ik ooit gezien heb.’

Apollyon is de heer van legioenen en bezit de hoogste mate van macht en sluwheid. Wie eenmaal voet aan voet tegenover hem gestaan heeft, weet dat Christen in de vallei Verootmoediging inderdaad zwaar in het nauw zat toen de draak de pelgrim de weg versperde en hem om zijn leven liet strijden. Geen christen zal veel te lachen vinden terwijl hij strijdt voor zijn geloof, zijn hoop en zijn leven met deze allerwreedste vijand. Boden van Satan stompen ons vreselijk, maar Satan zelf verwondt dodelijk; daarom wordt ons met wijsheid geleerd te bidden: ‘Verlos ons van den Boze.’ De tweestrijd met de aartsvijand zal elke spier van de ziel op de proef stellen en elke zenuw van de geest pijnigen; hij perst het koude zweet op het voorhoofd en doet het hart springen van angstklopping, en zo brengt hij ons tot op zekere hoogte naar onze Gethsemané en doet ons voelen dat de smarten van de hel ons hebben aangegrepen. Deze vorst van de duisternis heeft een scherp zwaard, grote bedrevenheid in het schermen, een geweldig gericht schot en een grenzeloze boosaardigheid van hart; hij is dus geen geringe tegenstander, maar iemand die te ontmoeten een vreselijke beproeving is. In zijn ontzaglijke persoonlijkheid ligt voor ons, arme stervelingen, een massa gevaar besloten. Toen de arme Christen onder Apollyons voet lag, werd het leven bijna uit hem geperst; maar hij zag dat, zoals God het wilde, het zwaard dat uit zijn hand gevallen was, juist binnen zijn bereik lag; en hij strekte zijn hand uit en greep dat ‘zwaard des Geestes, hetwelk is Gods Woord’, en daarmee gaf hij zijn tegenstander zo’n vreselijke steek dat deze zijn drakenvleugels uitspreidde en wegvloog. O, dat wij de vijand zo’n steek konden geven! Laten wij de beloften uitdragen; laten wij het evangelie verkondigen; laten wij overal de vrije genade van God bekendmaken; en zo zullen wij de strijd naar de poort terugdragen en maken dat wie ons vervolgden zelf vervolgd worden. Hallelujah voor het kruis van Christus! Wij dragen het voorwaarts in de gelederen van de vijand, vol vertrouwen op de overwinning. Onze moed ontbreekt niet en onze hoop wordt niet flauw; de Heere die ons geholpen heeft, is de God van de overwinningen; ‘de HEERE der heirscharen is met ons; de God van Jakob is ons een Hoog Vertrek.’

Hoofdstuk 12
Wat Getrouw op de weg overkwam

‘Christen: “Welnu, buurman Getrouw, vertel mij nu eens wat u onderweg is overkomen, toen u hierheen kwam; want ik weet dat u het een en ander hebt meegemaakt, anders zou het misschien als iets wonderlijks aangetekend moeten worden.”

Getrouw: “Ik ben ontkomen aan de poel die, naar ik bemerkte, u is overkomen, en kwam zonder dat gevaar aan het poortje; alleen ontmoette ik iemand wiens naam Wellust was, die mij bijna kwaad had gedaan.”

Christen: “Het was goed dat u aan haar net ontkwam; Jozef werd door haar hard aangevallen en hij ontkwam haar zoals u; maar het had hem bijna het leven gekost. Maar wat deed zij u?”

Getrouw: “U kunt zich wel enigszins voorstellen welk een vleiende tong zij had; zij drong sterk bij mij aan om met haar af te wijken en beloofde mij allerlei genoegen.”

Christen: “Nee, het genoegen van een goed geweten beloofde zij u niet.”

Getrouw: “U weet wat ik bedoel: al het zinnelijke en vleselijke genoegen.”

Christen: “Dank God dat u haar ontkomen bent: ‘Op wie de HEERE vergramd is, zal daarin vallen’ (Spr. 22:14).”

Getrouw: “Nee, ik weet niet of ik haar wel geheel ontkomen ben.”

Christen: “Wel, ik vertrouw dat u niet hebt toegestemd in haar begeerten.”

Getrouw: “Nee, om mijzelf niet te verontreinigen; want ik dacht aan een oud geschrift dat ik eens gezien had en dat zei: ‘Haar treden houden de hel vast’ (Spr. 5:5). Dus sloot ik mijn ogen, om niet betoverd te worden door haar blikken (Job 31:1). Toen schold zij mij uit, en ik ging mijns weegs.”’

De eerste verzoeking van Getrouw was zeer grof. Het is werkelijk bijna een schande erover te spreken; toch moeten ook de reinsten en meest hemelsgezinden, zolang zij nog in het lichaam zijn, belijden dat deze verzoeking hun pad heeft gekruist. Het maakt niet uit hoe dicht wij bij God leven, noch hoe wij onze weg gereinigd hebben door daarop te letten naar het Woord van God: tot ons allen, en ik heb soms gedacht vooral tot de jongen en de ouden, komt deze verzoeking zeker. Het is een zegen als wij door Gods genade Jozefs manier gebruiken om haar te overwinnen, namelijk door ervoor weg te vluchten; want een andere manier is er niet. Vlucht, want met deze vijand valt niet te onderhandelen. Terwijl u dralen blijft, wordt u gevangengenomen. Terwijl u kijkt, wordt de vrucht geplukt. Terwijl u nadenkt over hoe u de aanval van de slang kunt weerstaan, bent u al gevangen in haar kronkels. Wie aarzelt, is verloren. ‘Behoud u om uws levens wil; zie niet achter u om, en sta niet op deze ganse vlakte’ is de enige aanwijzing voor ieder die uit Sodom wil komen. Er is voor deze zonde geen ontkomen dan door de vlucht. ‘Vlied de begeerlijkheden der jonkheid’, schreef Paulus aan Timotheüs.

Let erop dat Getrouw, hoewel hij de verleiding van Wellust niet toegaf, zegt: ‘Ik weet niet of ik haar wel geheel ontkomen ben.’ Waarschijnlijk richten de verzoekingen van het vlees ons schade aan, zelfs wanneer wij ze weerstaan. Als de kolen ons niet branden, zwartmaken zij ons toch. Alleen al de gedachte aan het kwade, en vooral aan zulk kwaad, is zonde. Wij kunnen nauwelijks een krantenbericht over iets van die aard lezen zonder dat onze geest tot op zekere hoogte bezoedeld wordt. Er zijn bloemen die de lucht met hun geur vervullen terwijl zij bloeien; en van deze dingen mag ik zeggen dat zij een slechte lucht verspreiden naarmate zij ons telkens weer ter ore komen. Tot zover Wellusts aanval op Getrouw. Moge iedere pelgrim bewaard blijven voor haar net en haar gracht!

‘Christen: “Hebt u onderweg geen andere aanval ontmoet?”

Getrouw: “Toen ik aan de voet van de heuvel Moeilijkheid kwam, ontmoette ik een zeer bejaard man, die mij vroeg wat ik was en waar ik heen ging. Ik zei hem dat ik een pelgrim was op weg naar de Hemelse Stad. Toen zei de oude man: ‘U ziet eruit als een eerlijke kerel; wilt u bij mij blijven wonen voor het loon dat ik u zal geven?’ Toen vroeg ik hem naar zijn naam en waar hij woonde. Hij zei dat zijn naam Adam de Eerste was en dat hij woonde in de stad Verleiding (Ef. 4:22). Ik vroeg hem toen wat zijn werk was en welk loon hij mij wilde geven. Hij zei mij dat zijn werk uit allerlei genoegens bestond; en zijn loon, dat ik ten slotte zijn erfgenaam zou worden. Ik vroeg verder wat voor huis hij hield en welke andere dienaren hij had. Hij zei mij dat zijn huis werd onderhouden met alle lekkernijen van de wereld en dat zijn dienaren zijn eigen kinderen waren. Toen vroeg ik of hij kinderen had. Hij zei dat hij er maar drie dochters had: de Begeerlijkheid van het vlees, de Begeerlijkheid van de ogen en de Grootsheid van het leven, en dat ik met allen mocht trouwen als ik wilde (1 Joh. 2:16). Toen vroeg ik hoe lang hij wilde dat ik bij hem woonde. En hij zei mij: zolang als hijzelf leefde.”’

Ik veronderstel dat iedere christen die ver op de weg naar de hemel gevorderd is, begrijpt wat Getrouw bedoelt wanneer hij spreekt over Adam de Eerste. Toch is het goed er een poos bij stil te staan, want zo worden wij gedrongen de machtige genade te prijzen die ons bevrijdt van de macht van deze vader van alle onheil: de oude Adamsnatuur die in ons is.

Let er eerst op dat deze natuur wordt beschreven als een oude man. Misschien zijn sommigen van u nog maar twee of drie jaar bekeerd, maar bent u dertig jaar oud; dan is de oude natuur dertig, hoewel de nieuwe natuur pas drie is. Sommigen die zeventig jaar oud zijn, kunnen toch nog maar kinderen in de genade zijn. Hoe kunnen wij verwachten dat een pasgeboren kind opgewassen is tegen de oude man, tenzij God te hulp komt en hem meerdere kracht geeft? Deze oude man ontmoette de pelgrim en noemde hem ‘een eerlijke kerel’. Zo is het: onze oude natuur wil ons altijd gunstig over onszelf laten denken. Het Woord van God zegt dat ‘het hart arglistig is, meer dan enig ding’. Onder de bedriegerijen die het bedrijft, zoekt het ons altijd te vleien. O ja, wij zijn werkelijk verbazend eerlijke kerels! Ik heb mensen gekend die allerlei zonden bedreven hadden en zich erop beroemden dat zij uitzonderlijk eerlijk waren. Het zijn geen huichelaars! Zij doen zich niet godsdienstig voor. Zij haten vroom gepraat, enzovoort, enzovoort. Wees op uw hoede voor de complimenten die uw eigen hart u maakt.

Vervolgens vroeg Oude Adam aan Getrouw met hem mee naar huis te gaan. Let erop dat hij hem loon beloofde. Onder de Oude Adam is alles loon; onder de Nieuwe Adam is het niet uit schuld, maar uit genade. De oude heer zei hem wat het loon zou zijn. Hij zei dat Getrouw ten slotte zijn erfgenaam zou worden. Dat zou een mooie erfenis zijn, want ‘de bezoldiging der zonde is de dood’; en als wij naar het vlees wandelen, zullen wij uit het vlees verderf maaien. Wij erven alleen wat de Oude Adam ons nalaat; en wat betekent dat anders dan dat wij erfgenamen van de toorn zijn, ‘gelijk ook de anderen’? Een slecht vooruitzicht voor een dienaar om dienst te nemen waar de eeuwige toorn het loon van zijn dienst moet zijn! Wat het werk betreft, zei Oude Adam dat het allerlei genoegens zou zijn. Ja, er is genot in de zonde, op zijn manier. De vleselijke gezindheid waardeert het. Het schuim boven op de beker schittert in zoveel kleuren van de regenboog, en de smaak ervan is aanvankelijk zo zoet, dat wie drinkt vergeet wat de droesem is, die volgens God alle goddelozen van de aarde zullen uitzuigen. Zelfs in dit leven moet hij ervan drinken, en in het toekomende leven zal hij het eeuwig verderf ondervinden ‘van het aangezicht des Heeren’. Daarna zei de oude man dat zijn huis werd onderhouden met alle lekkernijen van de wereld; en dat is waar, want de oude natuur zoekt boven alles zichzelf te vermaken en is toch nooit tevreden. Toen Salomo haar dienaar werd, nam hij dienstknechten en dienstmaagden, zangers en zangeressen, muziek, wijn en allerlei genoegens, en toch moest hij zeggen: ‘Ijdelheid der ijdelheden, het is al ijdelheid.’ Alle genoegens van het vlees zijn niets beters dan een zinsbegoocheling. Hoe spoedig zijn zij voorbij en verdwenen! De vlam van enkele doornen is snel voorbij, en een handvol as is alles wat overblijft. De drie dochters van de oude man kent u. Over de Begeerlijkheid van het vlees hebben wij al gesproken onder het hoofd van de wellust. Dan is er de Begeerlijkheid van de ogen. Het oog kan bijna niets moois aanschouwen zonder het te begeren. Wij worden spoedig hebzuchtig, tenzij de Geest van God onze gedachten in de juiste teugels houdt. ‘Gij zult niet begeren’ is een gebod dat wij vaak bijna zonder het te merken overtreden. Daardoor berouwt ons de zonde tegen dat gebod, dat onze gedachten en onze verlangens raakt, niet zoals het behoort. Wat de Grootsheid van het leven betreft, ik vrees dat vele christenen zich onderwerpen aan deze derde dochter van de Eerste Adam door zelfverwennerij in kleding, in uitgaven, in allerlei vertoon. Bedenk wel: deze Grootsheid van het leven is, hoewel zij naar het oordeel van de mensen de meest fatsoenlijke van de drie is, een even echte dochter van de Oude Adam als de Begeerlijkheid van het vlees. Ik kan mij niet voorstellen dat onze Heere Jezus Christus Zich zo kleedde dat Hij de aandacht op Zijn persoon vestigde; en evenmin kan ik mij voorstellen dat Maria Magdalena, of Maria en Martha, de zusters van Lazarus, zich bekommerden om louter uiterlijk vertoon en praal. Ik kan mij niet voorstellen dat zij zo wandelden in het licht van het aangezicht van hun Meester. Zij waren veeleer getooid als die heilige vrouwen van oude tijden, ‘welker versiersel niet was het vlechten des haars en het omhangen van goud of het aantrekken van klederen’, maar de sieraden van een zachtmoedige en stille geest. Deze dochter van de Oude Adam wordt in onze dagen hoog geacht. Zij houdt de modewinkels draaiende en zij brengt menigeen voor de rechtbank wegens faillissement; en helaas, zij wordt in vele van onze christelijke kringen uitgenodigd en wordt er zeer goed aangezien.

Oude Adam stelde voor dat Getrouw met hen allen zou trouwen als hij wilde. Er zijn mensen die in dit verschrikkelijke drievoudige huwelijk zijn getreden, en zij hebben er een vreselijke drievoudige vloek aan overgehouden.

Let op hoe lang de dienst zou duren. Hij zei Getrouw dat hij wilde dat deze bij hem woonde ‘zolang als hijzelf leefde’. Wanneer een mens zich aan de Oude Adam overgeeft, komt hij nooit meer los van de dienst; want hoewel de Oude Adam voor de jongen zijn strikken heeft, heeft hij ook zijn verzoekingen voor de middelbare leeftijd, en ik ben er zeker van dat hij er voor de ouden net zoveel heeft. Deze slang kan zich aan elke leeftijd en elke gezindheid aanpassen, en er is geen gat zo klein of hij kronkelt erin. De dienst van de zonde is een dienst voor het hele leven, en het einde ervan is eeuwig wee.

‘Christen: “Wel, en tot welk besluit kwamen de oude man en u ten slotte?”

Getrouw: “Wel, in het begin voelde ik mij enigszins geneigd met de man mee te gaan, want ik vond dat hij zeer mooi sprak; maar toen ik, terwijl ik met hem praatte, naar zijn voorhoofd keek, zag ik daar geschreven: ‘Leg af de oude mens met zijn werken.’”’

Wat een genade dat Getrouw ertoe geleid werd de oude man te onderzoeken! Wij hoeven hem maar te bekijken om te zien wat hij is. Hij is zo doorzichtig slecht dat iemand, als hij maar zijn ‘denkmuts’ opzet, spoedig moet zien dat ‘de oude mens’ met zijn werken ‘afgelegd’ moet worden. Het geweten, denk ik, is in ons allen alert genoeg om ons te zeggen dat zelfverwennerij, in welke vorm ook, niet goed kan zijn voor de volgelingen van de heilige Jezus. ‘Leg af de oude mens met zijn werken’ was het brandmerk op zijn voorhoofd; en zodra Getrouw dat zag, weigerde hij nog langer iets met hem te maken te hebben.

Hoofdstuk 13
Wat Getrouw op de weg overkwam (slot)

‘Christen: “En toen?”

Getrouw: “Toen drong het brandend heet tot mijn gedachten door dat hij mij, wat hij ook zei en hoezeer hij mij ook vleide, als slaaf zou verkopen zodra hij mij in zijn huis had. Daarom zei ik hem op te houden met praten, want ik zou de deur van zijn huis niet naderen. Toen schold hij mij uit en zei mij dat hij iemand achter mij aan zou zenden die mijn weg bitter zou maken voor mijn ziel. Zo keerde ik mij om om van hem weg te gaan; maar juist toen ik mij omkeerde, voelde ik dat hij mijn vlees vastgreep en mij zo’n dodelijke ruk naar achteren gaf dat ik dacht dat hij een stuk van mij met zich mee had getrokken. Dit deed mij uitroepen: ‘Ik ellendig mens!’ (Rom. 7:24). Zo ging ik mijn weg de heuvel op. Toen ik ongeveer halverwege was, keek ik om en zag iemand achter mij aan komen, zo snel als de wind; hij haalde mij in juist bij de plaats waar de bank staat. Zodra die man mij had ingehaald, was het één woord en één slag: hij sloeg mij neer en liet mij voor dood liggen. Maar toen ik weer een weinig tot mijzelf gekomen was, vroeg ik hem waarom hij mij zo behandelde. Hij zei dat het was vanwege mijn heimelijke neiging tot Adam de Eerste; en daarmee gaf hij mij nog een dodelijke slag op de borst en sloeg mij achterover neer; zo lag ik aan zijn voeten, even dood als eerst. Toen ik weer tot mijzelf kwam, riep ik hem om genade; maar hij zei: ‘Ik weet van geen genade’; en daarmee sloeg hij mij weer neer. Hij had mij ongetwijfeld afgemaakt, ware er niet Een voorbijgekomen die hem gebood op te houden.”

Christen: “Wie was het die hem gebood op te houden?”

Getrouw: “Ik kende Hem in het eerst niet, maar toen Hij voorbijging, zag ik de gaten in Zijn handen en in Zijn zijde; toen maakte ik op dat het onze Heere was. Zo ging ik de heuvel op.”

Christen: “De man die u inhaalde, was Mozes. Hij spaart niemand en weet niet van barmhartigheid jegens hen die zijn wet overtreden.”

Getrouw: “Ik weet het zeer goed; het was niet de eerste keer dat hij mij ontmoette. Hij was het die tot mij kwam toen ik nog rustig thuis woonde, en mij zei dat hij mijn huis boven mijn hoofd zou aansteken als ik daar bleef.”’

Getrouw zei: ‘Toen drong het brandend heet tot mijn gedachten door dat hij mij, wat hij ook zei en hoezeer hij mij ook vleide, als slaaf zou verkopen zodra hij mij in zijn huis had.’ Ach, zo is het inderdaad. Als wij toegeven aan een van de begeerten van het vlees, worden wij er slaven van; en er is geen slavernij die te vergelijken is met die van de mens die zich aan zijn eigen verdorven natuur heeft overgegeven. Hij gaat van kwaad tot erger, en van erger tot het allerergste. Wat een slavernij brengt de drank met zich mee! ‘Bij wien is wee? bij wien och arme? bij wien gekijf? bij wien het beklag? bij wien wonden zonder oorzaak? bij wien de roodheid der ogen? Bij degenen, die bij den wijn vertoeven; bij degenen, die komen om gemengde drank na te zoeken.’ En wat onze begeerten betreft: er zijn nog opvallender straffen die erop volgen. Ieder weet dat hij er niet een beetje aan kan toegeven zonder dat de neiging bestaat er steeds meer aan toe te geven.

Daarop begon Oude Adam Getrouw uit te schelden. Zo zeker als u de verlokkingen van het vlees weerstaat, zal het zich omkeren en u verscheuren. De duivel heeft twee manieren om met ons om te gaan. Eerst spreekt hij ons vriendelijk toe en zegt ons te doen wat hij wil; maar als wij hem ‘nee’ zeggen, verklaart hij dat wij geen kinderen van God zijn en begint hij ons uit te schelden alsof hij zelf een heilige was met het recht ons te berispen. Hij zal onze vijand zijn, in de ene of in de andere richting. Zo deed deze oude man tegenover Getrouw.

Hij deed ook nog iets anders, wat sommigen van ons zeer goed begrijpen. Hij gaf Getrouw een dodelijke ruk. Ach, het zou ons de tranen in de ogen moeten brengen als wij bedenken welke rukken de zonde ons soms heeft gegeven, alsof zij ons opnieuw in haar slavernij wilde slepen. Wij kenden het kwaad en hadden door Gods genade besloten het te weerstaan; wij vielen er ook niet in, en toch waren ‘onze voeten bijna uitgeweken, onze treden bijkans uitgeschoten’. Het vlees van de beste mensen is niet meer dan het vlees van een verdorven natuur, en de oude natuur van de heiligste mens is door en door vleselijk en kan niet anders zijn. Zij is zo slecht en afschuwelijk dat zij begraven moet worden; want zelfs God Zelf zal nooit proberen haar te verbeteren. De nieuwe natuur moet komen en haar eerst onderwerpen en ten slotte doden, totdat zij geheel gestorven is; maar zolang zij er is, ‘is zij vijandschap tegen God’ en ‘onderwerpt zij zich der wet Gods niet; want zij kan ook niet’. Welke rukken kan zij geven, alsof zij een mens in tweeën wilde trekken!

Vele gelovigen zijn diep neergeslagen vanwege deze strijd in hun binnenste. Zodra er oorlogen en gevechten zijn tussen de twee mensen, de oude mens en de nieuwe mens, besluiten zij onmiddellijk dat het met hen gedaan is. Wat een dwaze gevolgtrekking! Want als er geen oorlogen waren, zou dat een bewijs zijn dat er geen leven was. Als er geen strijd was, zou dat een bewijs zijn dat er maar één macht in hen was, en dat die macht de boze was. Trek uit uw innerlijke onrust, uit de verzoeking die u aanvalt en de kracht waarmee zij tegen uw innerlijke beginselen optreedt, niet de conclusie dat u daarom een door God verworpene bent. Het is veeleer een reden waarom u zou roepen: ‘Wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods?’ en waarom u in geloof zou juichen: ‘Ik dank God door Jezus Christus, onzen Heere.’

Vaak ben ik verbaasd over sommige christenen die niets begrijpen van deze innerlijke strijd die uit de dubbele natuur voortkomt. Ongetwijfeld zijn zij echte discipelen, maar zij schijnen volkomen verbijsterd dat wij het mogelijk achten dat een christen zijn oude verdorvenheden nog in zich heeft. Misschien ben ik slechter dan andere mensen, maar ik moet u belijden dat er geen dag voorbijgaat waarop ik niet pijnlijk bewust ben van de zonde die in mij woont; en hoewel ik weet dat ik door genade behouden ben en een nieuwe natuur in mij heb die door God de Heilige Geest is gewerkt, moet ik toch vaak uitroepen met de apostel: ‘Ik ellendig mens, wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods?’ Ik dacht dat dit de ervaring was van al Gods volk. Ik kan alleen zeggen dat ik blij zou zijn er vanaf te zijn als het zonder kon; maar ik geloof dat er tot aan de poorten van de hemel deze dagelijkse strijd zal zijn, deze strijd van uur tot uur tussen het huis van David en het huis van Saul, tussen het zaad van de vrouw en het zaad van de slang, tussen de Oude Adam en de Nieuwe Adam, tussen het natuurlijke en het geestelijke.

Onze pelgrim ontkwam echter; maar hij ontkwam slechts met een bedreiging, want de oude man zei hem dat hij iemand achter hem aan zou zenden die zijn weg bitter zou maken voor zijn ziel. U weet wie dat was. Het was Mozes; want wanneer de wet het geweten van een christen treft, zegt zij tot hem: ‘U belijdt volkomen ontkomen te zijn aan het verderf dat door de begeerlijkheid in de wereld is; maar kijk eens naar uzelf! U weet dat u, als u aan uzelf was overgelaten, gedaan zou hebben wat anderen deden; en hoewel u voor de daadwerkelijke zonde bewaard bent, hoe hebt u de gedachte eraan onder uw tong omgerold, en hoe zoet was het! Hoe kan er een verandering in uw natuur zijn als zoiets van u gezegd kan worden?’ Telkens weer komt de grote knuppel neer, tot u geheel bloedend ligt en op het punt staat om te komen. Wanneer de wet zelfs een christen onder handen neemt en Een hem niet te hulp komt, zal zij spoedig de besten onder ons doden. ‘Uit de werken der wet zal geen vlees voor Hem gerechtvaardigd worden.’ Wanneer de christen door de wet Gods geoordeeld wordt, doet zij hem zeggen: ‘De wet is geestelijk, maar ik ben vleselijk, verkocht onder de zonde.’ Zij doet een mens daar liggen alsof hij dood was. ‘Want zonder de wet leefde ik eertijds; maar als het gebod gekomen is, is de zonde weder levend geworden, doch ik ben gestorven.’ Ik voelde de kracht van de zonde in mij werken, en ik scheen aan de voeten van de aanklager te liggen als iemand die geheel zonder leven is. Nu, de wet kan de christen in werkelijkheid niet doden. Als christenen weten hoe zij stand moeten houden, zal zij hun geen kwaad doen. Wij zijn niet onder de wet, maar onder de genade. ‘Gij hebt niet ontvangen den Geest der dienstbaarheid wederom tot vreze; maar gij hebt ontvangen den Geest der aanneming tot kinderen, door Welken wij roepen: Abba, Vader!’

Mozes is tenslotte een goede vriend van ons. Hij slaat ons zeer hevig; maar wanneer hij ons tot Christus drijft, is het voor ons een gezegende ervaring. Als hij dreigt ons huis boven ons hoofd in brand te steken, als hij ons verdrijft uit onze toevluchten van leugen, is dat voor ons werkelijk een weldaad. Toch is het een zeer pijnlijk proces wanneer het geweten door Mozes wordt geslagen.

Hoe blij is het ogenblik waarop Hij voorbijkomt Die ‘gaten in Zijn handen en in Zijn zijde’ heeft! Nu, christen, dat begrijpt u. Wanneer u de gekruisigde Christus te zien krijgt, houden de donderslagen van Sinaï op u schrik aan te jagen. Wanneer u kunt voelen dat Hij u heeft liefgehad en Zichzelf voor u heeft overgegeven, en de overtreding van uw Oude-Adamsnatuur in Zijn eigen lichaam aan het hout heeft gedragen, kunt u zich verblijden met een vreugde die onuitsprekelijk is en vol heerlijkheid. U weet wat het is door Mozes mishandeld te worden. Ik vertrouw dat u ook weet wat het is door de liefdevolle Heere genezen te worden en op uw weg gezonden te worden onder blijdschap.

Sommige mensen zullen dit alles niet begrijpen. Ik kan alleen bidden dat zij het nog mogen begrijpen; want bedenk: als er in u geen strijden zijn naar wat goed is, dan bent u volkomen verdorven. Als u nooit verontrust en nooit benauwd bent, hebt u alle reden om bedroefd te zijn. Als u nooit de strijd strijdt, zult u nooit de overwinning behalen. Als u nooit lijdt, zult u nooit heersen. Als u uzelf niet hebt leren verloochenen, zult u geen deel hebben met Gods volk. U kunt gemakkelijk zien welke van de vissen in een rivier dood zijn en welke leven. Daar drijft er een met de stroom mee, boven op het water. Wij mogen er zeker van zijn dat die dood is. Maar ziet u die andere vis die snel tegen de sterke stroom in komt? Dat is geen dode vis, maar een levende. En wanneer u een mens ziet die wordt meegevoerd door de gewoonten van zijn buren en precies doet wat anderen doen, mag u concluderen dat dat een dode ziel is. Maar wanneer een mens strijdt tegen zichzelf, tegen de gewoonte, tegen alles wat van deze wereld is, dan weet u dat hij een levend mens is; en de God Die hem leven heeft gegeven, zal dat leven onderhouden en het ten slotte belonen. Het bewijs van leven is het eenvoudige vertrouwen op de bloedende Zaligmaker. Geliefden, houd uw ogen op Hem gevestigd. Hij alleen kan u behoeden voor Mozes en voor Adam de Eerste. En o, arme zondaar! Als u volmaakte rust wilt krijgen, wend dan uw betraande ogen naar Hem Die zegt: ‘Wendt U naar Mij toe, wordt behouden, alle gij einden der aarde!’

Hoofdstuk 14
De IJdelheidskermis

‘Toen zag ik in mijn droom dat zij, zodra zij uit de woestijn gekomen waren, aanstonds een stad voor zich zagen; en de naam van die stad is IJdelheid, en bij de stad wordt een kermis gehouden, de IJdelheidskermis genoemd. Zij duurt het hele jaar. Zij draagt de naam IJdelheidskermis omdat de stad waar zij gehouden wordt lichter is dan ijdelheid (Ps. 62:10), en ook omdat alles wat daar verkocht wordt of daarheen komt, ijdelheid is; zoals de wijze zegt: “Al wat komt, is ijdelheid” (Pred. 11:8).’

De gelukkigste staat van een christen is de heiligste staat. Zoals het het heetst is vlak bij de zon, zo is er het meeste geluk vlak bij Christus. Geen christen geniet van vertroosting wanneer zijn ogen op de ijdelheid gericht zijn. Ik neem het goddelozen niet kwalijk dat zij zich naar hun vermaak haasten. Laat hen er hun volle deel van hebben; het is alles wat zij te genieten hebben. Maar christenen moeten hun vreugde zoeken in een hogere sfeer dan de smakeloze nietigheden van de wereld. IJdele bezigheden zijn gevaarlijk voor vernieuwde zielen.

‘Nu loopt de weg naar de Hemelse Stad, zoals ik zei, juist door deze stad waar deze vrolijke kermis wordt gehouden; en wie naar de stad wil gaan en toch niet door deze stad wil gaan, “zou uit de wereld moeten gaan” (1 Kor. 5:10).’

Wanneer u moe wordt van de strijd en de zonde die u aan alle kanten tegemoet treden, bedenk dan dat alle heiligen dezelfde beproeving hebben doorstaan. Zij zijn niet op een dons bed naar de hemel gedragen, en u moet niet verwachten dat u het gemakkelijker zult hebben dan zij. Zij moesten hun leven wagen tot de dood toe op de hoogten van het veld, en u zult niet gekroond worden voordat ook u als een goed krijgsman van Jezus Christus kwaad hebt verduurd. Daarom: ‘Staat in het geloof, houdt u mannelijk, wordt sterk.’

‘Nu moesten deze pelgrims, zoals ik zei, door deze kermis. Welnu, dat deden zij; maar zie, op het ogenblik dat zij de kermis binnengingen, kwam alle volk op de kermis in beroering, en de stad zelf was als het ware in rep en roer om hen; en dat om verscheidene redenen. Want

ten eerste waren de pelgrims gekleed in een soort kleding die anders was dan de kleding van allen die op deze kermis handelden. Het volk van de kermis keek hen daarom ten zeerste aan: sommigen zeiden dat zij dwazen waren, sommigen dat zij gekken waren, en sommigen dat zij vreemdelingen waren (1 Kor. 4:9).

Ten tweede: zoals zij zich over hun kleding verwonderden, zo verwonderden zij zich ook over hun spraak; want weinigen konden verstaan wat zij zeiden. Zij spraken van nature de taal van Kanaän; maar zij die de kermis hielden, waren mensen van deze wereld. Zodat zij van het ene einde van de kermis tot het andere elkaar barbaren schenen (1 Kor. 2:7, 8).’

Als u Christus volledig volgt, zult u er zeker mee te maken krijgen dat men u de een of andere scheldnaam geeft. Men zal zeggen hoe vreemd u bent. Wordt u een ware christen, dan bent u spoedig een getekend man. Men zal zeggen: ‘Wat is hij eigenaardig!’ ‘Wat is zij vreemd!’ Men zal denken dat wij proberen ons opvallend te maken, terwijl wij in werkelijkheid alleen gewetensvol zijn en de wil van God willen gehoorzamen.

Men zal zeggen: ‘U bent ouderwets!’ U gelooft dezelfde oude dingen die men in de dagen van Oliver Cromwell geloofde, die oude puriteinse leerstellingen. Men lacht om ons geloof en beweert dat wij onze vrijheid verloren hebben.

‘Deze kermis is geen nieuw opgerichte onderneming, maar een zaak van oude datum. Ik zal u de oorsprong ervan tonen.

Bijna vijfduizend jaar geleden waren er pelgrims die naar de Hemelse Stad wandelden, zoals deze twee eerlijke personen; en Beëlzebub, Apollyon en Legio, met hun metgezellen, bemerkten aan het pad dat de pelgrims maakten, dat hun weg naar de stad door deze stad IJdelheid liep; en zij bedachten hier een kermis op te richten, een kermis waarop allerlei ijdelheid verkocht zou worden en die het hele jaar zou duren. Daarom wordt op deze kermis alle koopwaar verkocht zoals huizen, landerijen, bedrijven, plaatsen, eer, bevorderingen, titels, landen, koninkrijken, lusten, vermaak en genoegens van allerlei aard, zoals hoeren, vrouwen, mannen, kinderen, meesters, dienaren, levens, bloed, lichamen, zielen, zilver, goud, paarlen, kostbare stenen en wat niet al.’

Er zijn velerlei soorten ijdelheid. De narrenkap met zijn belletjes, de vrolijkheid van de wereld, de dans, de luit en de beker van de losbandigen: van dit alles weten de mensen dat het ijdelheden zijn. Zij dragen hun eigen naam en titel op hun voorhoofd. Veel verraderlijker zijn de even ijdele dingen: de zorgen van deze wereld en de verleiding van de rijkdom. Een mens kan de ijdelheid even waarachtig volgen in het kantoor als in de schouwburg. Als hij zijn leven doorbrengt met het vergaren van rijkdom, brengt hij zijn dagen door in ijdel vertoon. Tenzij wij Christus volgen en onze God tot het grote doel van ons leven maken, verschillen wij alleen in schijn van de lichtzinnigsten.

Het is de zoetheid van de zonde die haar des te gevaarlijker maakt. Satan verkoopt zijn vergif nooit naakt; hij vergult het altijd voordat hij het slijt. Wees op uw hoede voor genoegens. Velen zijn onschuldig en gezond, maar velen zijn verderfelijk. Er wordt gezegd dat waar de mooiste cactussen groeien, de giftigste slangen op de loer liggen. Zo is het met de zonde. Uw mooiste genoegens zullen uw grofste zonden herbergen. Pas op! De adder van Cleopatra werd binnengebracht in een mand met bloemen. Satan biedt de dronkaard de zoetheid van de bedwelmende beker. Hij biedt ieder van ons ons eigen bijzondere genot aan; hij streelt ons met genoegens om ons te kunnen grijpen.

‘En bovendien zijn er op deze kermis te allen tijde goochelarijen, bedriegerijen, spelen, toneelstukken, dwazen, apen, schurken en boeven te zien, en dat van allerlei soort.

Hier zijn ook, en dat voor niets, diefstallen, moorden, overspel en valse eden te zien, en dat van een bloedrode kleur.’

Verban voorgoed alle gedachten aan het toegeven aan het vlees, als u wilt leven in de kracht van uw opgestane Heere. Het is niet passend dat een mens die in Christus leeft, woont in het verderf van de zonde. ‘Wat zoekt gij den Levende bij de doden?’ zei de engel tot Maria Magdalena. Zou de levende in het graf wonen? Zou het goddelijke leven opgesloten zitten in het knekelhuis van de vleselijke begeerte? Hoe kunnen wij deel hebben aan de beker des Heeren en toch de beker van Belial drinken? Gelovige, van de openlijke begeerten en zonden bent u zeker verlost; maar bent u ook ontkomen aan de heimelijker en verraderlijker lijmstokken van de satanische vogelvanger? Bent u uitgegaan uit de begeerte van de hoogmoed? Bent u ontkomen aan de traagheid? Bent u geheel ontkomen aan de vleselijke gerustheid? Zoekt u dagelijks boven de wereldsgezindheid uit te leven, boven de grootsheid van het leven en de verstrikkende ondeugd van de gierigheid? Jaag naar de heiligheid; zij is de kroon en de heerlijkheid van de christen.

‘Ten derde, maar wat de kooplieden niet weinig vermaakte, was dat deze pelgrims al hun waren zeer gering achtten. Zij gaven er niet eens om ernaar te kijken; en als men hun toeriep te kopen, staken zij hun vingers in hun oren en riepen: “Wend mijn ogen af, dat zij geen ijdelheid zien” (Ps. 119:37), en keken omhoog, ten teken dat hun handel en wandel in de hemel was (Fil. 3:20, 21).

Er was er een die toevallig, spottend, het gedrag van de mannen opmerkte en tot hen zei: “Wat wilt u kopen?” Maar zij keken hem ernstig aan en zeiden: “Wij kopen de waarheid.”’

De gewone godsdienst van onze tijd is een mengelmoes van Christus en Belial. ‘Indien de HEERE God is, volgt Hem na; en indien het Baal is, volgt hem na!’ Er kan geen verbond tussen beide zijn. Jehova en Baäl kunnen nooit vrienden zijn. ‘Gij kunt niet God dienen en den Mammon.’ ‘Niemand kan twee heren dienen.’ Alle pogingen tot compromis in zaken van waarheid en reinheid zijn op leugen gegrond. Moge God ons behoeden voor zo’n hatelijke dubbelhartigheid. U moet geen gemeenschap hebben met de onvruchtbare werken der duisternis, maar ze veeleer bestraffen. Wandel waardig uw hoge roeping en waardigheid. Bedenk, o christen, dat u een zoon bent van de Koning der koningen. Bewaar uzelf daarom onbesmet van de wereld. Bezoedel de vingers niet die weldra hemelse snaren zullen bespelen; laat de ogen niet de vensters van de wellust worden die weldra de Koning in Zijn schoonheid zullen zien; laat de voeten niet verontreinigd worden in modderige plaatsen, die weldra over de gouden straten zullen wandelen; laat de harten niet gevuld worden met hoogmoed en bitterheid, die binnenkort gevuld zullen worden met de hemel en overvloeien van verrukte vreugde:

‘Rijs op naar waar de eeuwige schoonheid bloeit
en alle vreugde goddelijk is,
waar rijkdom die nooit wordt verteerd
en eindeloze heerlijkheid straalt!’

‘Daarop kreeg men aanleiding de mannen des te meer te verachten; sommigen spotten, sommigen hoonden, sommigen spraken smadelijk, en sommigen riepen anderen op hen te slaan. Ten slotte kwam er een groot rumoer en opschudding op de kermis, zodat alle orde verloren ging. Nu werd het terstond de grote heer van de kermis gemeld, die snel kwam en enkele van zijn trouwste vrienden machtigde om die mannen te onderzoeken om wie de kermis bijna ondersteboven was gekeerd. Zo werden de mannen voor onderzoek gebracht; en zij die over hen zaten, vroegen vanwaar zij kwamen, waarheen zij gingen en wat zij hier deden in zo ongewone kleding. De mannen zeiden hun dat zij pelgrims en vreemdelingen in de wereld waren en dat zij naar hun eigen land gingen, het hemelse Jeruzalem; en dat zij de mannen van de stad noch de kooplieden enige aanleiding hadden gegeven hen zo te mishandelen en hen op hun reis op te houden, behalve hierom: dat zij, toen iemand hun vroeg wat zij wilden kopen, hadden gezegd dat zij de waarheid wilden kopen. Maar zij die aangewezen waren hen te onderzoeken, geloofden niet anders dan dat zij gekken en dwazen waren, of anders mensen die gekomen waren om alles op de kermis in verwarring te brengen. Daarom namen zij hen, sloegen hen, besmeurden hen met modder en zetten hen toen in een kooi, opdat zij een schouwspel zouden zijn voor alle mensen van de kermis. Daar lagen zij dan enige tijd en werden het mikpunt van ieders spot, boosaardigheid of wraak, terwijl de grote heer van de kermis nog steeds lachte om alles wat hun overkwam.’

Pelgrims reizen als verdachte personen door de IJdelheidskermis. Wij staan niet alleen onder toezicht, maar er zijn ook meer spionnen dan wij denken. Het bespieden is overal, thuis en buiten de deur. Als wij in de handen van de vijanden vallen, mogen wij eerder grootmoedigheid van een wolf verwachten, of barmhartigheid van een duivel, dan enige lankmoedigheid met onze zwakheden van mensen die hun ongeloof jegens God kruiden met schandalen over Zijn volk. Leef een godvrezend, genadig leven, en u zult de vervolging niet ontlopen. U kunt gelukkig zo geplaatst zijn dat u onder ernstige christenen leeft en zo de vervolging ontkomt; maar neem de gemiddelde christen, en hij zal het zwaar te verduren hebben als hij getrouw is. De goddelozen zullen hen die de Heere Jezus trouw zijn, smaden. Christenen worden uitgelachen op de werkplaats, op straat wijst men hen na en een smadelijke naam wordt hun nageroepen. Nu zullen wij weten wie Gods uitverkorenen zijn en wie niet. De vervolging werkt als een wan; wie licht is als kaf, wordt door haar vlaag weggedreven; maar wie echt koren is, blijft en wordt gezuiverd. Onverschillig voor de achting van de mensen gaat de waarlijk godvrezende zijn weg en vreest de Heere voor altijd.

‘Laat ons horen de zaak van het gehele wetboek.’ Mijn verlangen is dat de gemeenten heiliger mogen worden. Het grieft mij zoveel wereldgelijkvormigheid te zien. Hoe vaak leidt rijkdom mensen op een dwaalspoor; hoeveel christenen volgen de mode van deze goddeloze wereld. Helaas, ondanks al mijn prediking dwalen velen rond en proberen zij lid van de gemeente en tegelijk burger van de wereld te zijn. Wij hebben onder ons openlijke liefhebbers van Christus die al te veel handelen als ‘liefhebbers der wellusten’.

Het is een schandelijke zaak dat iemand die belijdt christen te zijn, gevonden wordt in muziekzalen, kroegen en plaatsen van uitbundig feestgedruis waar u niet kunt komen zonder dat uw zeden bezoedeld worden, want u kunt uw ogen noch uw oren openen zonder dadelijk te weten dat u in de achterbuurten van Satan bent.

Ik vermaan u bij de levende God: als u geen goed gezelschap kunt houden en de kring van losbandigheid niet kunt mijden, belijd dan niet dat u volgelingen van Christus bent; want Hij gebiedt u uit hun midden uit te gaan en u af te scheiden. Als u genot kunt vinden in ontuchtig gezelschap en wulpse liederen, welk recht hebt u dan om u te mengen in de gemeenschap der heiligen of mee te zingen in het zingen van psalmen?

Houd het beste gezelschap. Wees veel met hen die veel met God zijn. Laat hen uw uitgelezen gezellen zijn die Christus tot hun uitgelezen gezel hebben gemaakt; laat Christus’ liefde uw liefde zijn. Met wie zullen gelovigen zijn dan met gelovigen? Ons spreekwoord zegt: ‘Soort zoekt soort.’ Een heilige en een zondaar te zien omgaan, is levenden en doden samen te zien huishouden. Het is beter met Lazarus in lompen te zijn dan met de rijke man in kostbare kleren. Woon waar God woont. Maak hen tot uw gezellen op aarde die uw gezellen in de hemel zullen zijn. Een onheilige kerk! Zij is nutteloos voor de wereld en wordt door de mensen niet geacht. Zij is een gruwel, de spot van de hel, de afschuw van de hemel. De ergste kwalen die ooit over de wereld gekomen zijn, zijn haar aangedaan door een onheilige kerk. O christen, de geloften des Heeren zijn op u. U bent Gods priester: handel als zodanig. U bent Gods koning: heers over uw begeerten. U bent Gods uitverkorene: ga niet om met Belial. De hemel is uw deel: leef als een hemelse geest. Zo zult u bewijzen dat u waarachtig geloof in Jezus hebt; want er kan geen geloof in het hart zijn tenzij er heiligheid in het leven is:

‘Heere, ik wens te leven als iemand
die een met bloed gekochte naam draagt;
die niets vreest dan U te bedroeven
en geen andere schande kent.’

Hoofdstuk 15
‘Wacht u voor de Vleier’

Toen Christen en Hopende de Liefelijke Bergen verlieten om hun weg naar de Hemelse Stad voort te zetten, zeiden de herders tot hen: ‘Wacht u voor de Vleier.’ Zij leerden later door droevige ervaring hoe dwaas het is deze raad in de wind te slaan. Zo luidt het verhaal:

‘Zij gingen toen voort tot zij op een plaats kwamen waar zij een weg zagen die zich bij hun weg voegde en bovendien even recht scheen te lopen als de weg die zij moesten gaan; en hier wisten zij niet welke van de twee zij zouden nemen, want beide schenen recht voor hen te liggen; daarom bleven zij hier staan om te overleggen. En terwijl zij over de weg nadachten, zie, daar kwam een man, zwart van vlees maar gekleed in een zeer licht gewaad, tot hen en vroeg waarom zij daar stonden. Zij antwoordden dat zij naar de Hemelse Stad gingen, maar niet wisten welke van deze wegen zij moesten nemen. “Volg mij,” zei de man, “want daarheen ga ik ook.” Zo volgden zij hem op de weg die zojuist op de hunne was uitgekomen en die allengs afboog en hen zo ver afvoerde van de stad waarheen zij wilden gaan, dat hun aangezicht er in korte tijd van afgekeerd was; toch volgden zij hem. Maar weldra, voordat zij het wisten, bracht hij hen beiden binnen het bereik van een net, waarin zij beiden zo verstrikt raakten dat zij niet wisten wat te doen; en daarmee viel het witte kleed van de rug van de zwarte man. Toen zagen zij waar zij waren. Daarom lagen zij daar een tijd lang te schreien, want zij konden zichzelf er niet uit krijgen.

Toen zei Christen tot zijn gezel: “Nu zie ik dat ik gedwaald heb. Hebben de herders ons niet bevolen ons voor de vleiers te wachten? Zoals de wijze man zegt, zo hebben wij het heden bevonden: ‘Een man die zijn naaste vleit, spreidt een net uit voor zijn gangen’ (Spr. 29:5).”

Hopende: “Zij gaven ons ook een bericht met aanwijzingen over de weg, om hem des te zekerder te vinden; maar ook dat hebben wij vergeten te lezen, en wij hebben ons niet gewacht voor de paden van de verderver. Hierin was David wijzer dan wij; want hij zegt aangaande de handelingen der mensen: ‘Naar het woord Uwer lippen heb ik mij gewacht voor de paden des inbrekers’ (Ps. 17:4).” Zo lagen zij zichzelf te beklagen in het net.’

Dit is niet het beeld van een verzoeking om geheel van de goede weg af te wijken. Het pad van de verderver scheen evenwijdig te lopen aan het pad dat zij hadden moeten houden. Zij gingen ook niet blindelings voort, maar overlegden met elkaar. Daarin vergisten zij zich; want zij hadden hun Boek met aanwijzingen moeten raadplegen. Zo werden zij misleid door een heer met een innemend voorkomen, die eruitzag als een dienaar van de Koning der koningen en zacht tot hen sprak en hun verzekerde dat hij hen naar de Hemelse Stad kon leiden, omdat hij er zelf heen op weg was. Zijn innemende toon bracht hen ertoe zich aan zijn leiding over te geven; en weldra waren hun gezichten recht afgekeerd van de stad waarheen zij tevoren zo vurig hadden gestreefd. U ziet dat het hier niet gaat om een bewuste keuze voor de zonde, maar om misleiding doordat men het Woord van God heeft verwaarloosd, dat de ware gids van de pelgrim is.

Er zijn vleiers van dit soort in ons eigen hart. In onze ervaring is het vaak gebeurd dat wij leefden in eenvoudige afhankelijkheid van de Heere Jezus Christus, de rechte en enge weg die leidt tot het eeuwige leven, en dat wij dan weldra misschien de ervaringen van een of andere groot man lazen en dachten: ‘Welnu, het zal wel goed zijn te voelen zoals hij voelde, te twijfelen zoals hij twijfelde, op en neer geslingerd te worden zoals hij.’ Dat is een andere weg, en wij beginnen te denken dat het goed is te leven bij gevoelens. De vleier zegt ons niet met zoveel woorden dat wij het geloof in Christus alleen moeten opgeven. Wij zouden hem herkennen en ontzet zijn als hij dat deed; maar hij fluistert ons in dat wij een klein eindje mogen wandelen bij onze heilige gevoelens. Wij zijn nu niet meer zulke kinderen als eens; wij zijn enigszins gegroeid in de genade; wij mogen nu een beetje steunen op het verleden; het is niet meer nodig dagelijks aan Christus te hangen; waarom zouden wij niet rusten in wat wij bij onze bekering genoten, en zo nodig aanvullen met wat tegenwoordige gemoedsstemmingen en gevoelens, tegenwoordige kracht in het gebed, of tegenwoordig nut in het werk van de Heere?

Meneer Vleier weet heel goed dat er, wanneer wij het meest geheiligd zijn, nog genoeg reden is om elke dag van ons leven te wenen. Hij weet dat zij die het meest op Jezus lijken, nog heel, heel ver van Hem af staan. Er is veel meer reden om onze zondigheid te betreuren dan om onze heiligheid te bewonderen. Zoals wij Christus Jezus als Heere hebben aangenomen, zo moeten wij in Hem wandelen. Wij vertrouwen dus nog steeds alleen op Zijn verdiensten. Als u ook maar een klein eindje op uzelf begint te wandelen, zult u spoedig ontdekken dat dat pad u onmerkbaar zo in de wettische richting voert dat u, zo niet uzelf te redden, dan toch uzelf behouden te houden probeert door de werken der wet. Binnen korte tijd valt de gelovige die dat doet in het net. Hij zal merken dat de smarten van de hel hem als het ware aangrijpen; hij zal benauwdheid en droefenis vinden. Wanneer een vogel in een net gevangen is, probeert hij er langs de ene en langs de andere kant uit te komen. Hij kan zijn vleugels breken, maar hij kan niet ontkomen; hij verstrikt zich er eerder nog dieper in. Zo zal ook de ziel die het eenvoudige geloof heeft verlaten om te leven van haar eigen werken, gevoelens en ervaringen, tevergeefs verlichting zoeken. Zij is in wettische slavernij. De Tien Geboden zijn genoeg om een zwaar net te vormen wanneer zij zich om de zondaar wikkelen die ze overtreden heeft. Wie kan zonder het bloed van Jezus Christus hopen te ontkomen aan een ontwaakt geweten? Zo wordt de christen gevangen in een net wanneer de Vleier die in zijn ziel woont, hem verleidt tot eigengerechtigheid en tot het verlaten van de Heere. Luther zei altijd: ‘U hoeft voor een zwarte duivel niet half zo bang te zijn als voor een witte.’ De witte duivel van de eigengerechtigheid is gevaarlijker voor de christen dan zelfs de zwarte duivel van de openlijke zonde. Wanneer openlijke zonde ons verzoekt, weten wij dat het zonde is, en wij worden geholpen haar te verlaten. Maar vaak lijkt de witte duivel een engel des lichts; en onder het gewaad van het streven naar heiliging of het najagen van volmaaktheid worden wij verleid ons kinderlijk vertrouwen op onze Heere te verlaten. Langs deze weg ligt het net!

Er zijn zoveel andere netten dat ik ze niet zou willen tellen. U, jonge bekeerlingen, kunt iemand tegenkomen die tot u zegt: ‘Ik hoor dat u bekeerd bent; dat verheugt mij; maar waar gaat u ter kerk?’ ‘O, bij die en die!’ ‘Ach, daar moet u niet heen gaan; het is voor sommige dingen heel goed, maar er zijn hogere waarheden die u daar nooit zult leren; u moest met ons meekomen en horen hoe wij u de profetieën kunnen uitleggen’; en zo zullen zij u, onder het mom dat u naar profetische waarheid moet luisteren, in de een of andere nieuwe vorm van dwaling voeren.

Anderen zullen proberen u ertoe te brengen met hen de pracht van uiterlijke vormen en ceremoniën te bewonderen. Hoeveel onoplettenden zijn zo al verleid tot het ritualisme en het roomse geloof! Weer anderen zullen zeggen: ‘O, u moet geen predikant hebben!’ Zij maken de herders van de Heere, die op de Liefelijke Bergen te vinden zijn, zwart en dringen u aan te gaan waar iedereen iedereen onderwijst. Zij zijn het volk van God; zij zijn geen sekte, hoewel zij tienduizend maal bekrompener zijn dan enige sekte die ooit bestaan heeft. Wees op uw hoede, bid ik u, voor elke vorm van leer of praktijk die u zou wegleiden van de plaats waar u tot God bent geboren, waar u in Christus bent opgevoed, waar u nuttig bent gemaakt en voortgeholpen bent in het goddelijke leven. Er zijn bepaalde sekten die er alleen van leven leden van andere gemeenten weg te stelen, terwijl het doel van een christelijke gemeente moet zijn zielen rechtstreeks uit de wereld te winnen. Deze vleiers, want dat zijn zij meestal, zullen u zeggen dat u te ervaren bent om onder de gewone bediening te zitten; dat u veel te nuttig of te geestelijk bent om in zo’n gemeente te blijven. Als u naar hen luistert, zult u spoedig merken dat er magerte in uw ziel gekomen is en dat u verstrikt bent in het net, want u bent afgetrokken van de waarheid zoals die in Jezus is, door een of andere geloofsbelijdenis van mensen.

Ik wil vooral onze jonge leden waarschuwen voor die vorm van geloof die slechts de helft van de Bijbel houdt; voor hen die de goddelijke verkiezing verkondigen maar de verantwoordelijkheid van de mens negeren, en die de hoge leer prediken maar weinig of niets te zeggen hebben over de christelijke praktijk. Ik ben ervan overtuigd dat dit weer een net van de Vleier is, en velen heb ik erin gevangen gezien. Zij hebben alle zorg voor de zielen van anderen laten varen, zijn onverschillig geworden of kinderen verloren gaan of behouden worden, hebben zich op hun droesem gezet om het vette te eten en het zoete te drinken, en zijn gaan denken dat dit alles was waarvoor zij verlost waren. Hun bewogenheid is verdwenen; zij hebben geen tranende ogen over verloren zondaren; ja, zij hebben het zelfs een teken van onzuiverheid in de leer gevonden om zich ook maar te bekommeren om het redden van zondaren. Moge God u bewaren dat u in dit net gevleid wordt, opdat u niet met vele smarten doorboord wordt! U moet alleen naar de Bijbel zien. Toets elk nieuw denkbeeld aan deze toetssteen: ‘Tot de wet en tot de getuigenis!’ Eis van elk vleiend denkbeeld een ‘Zo zegt de Heere’. Het oude Boek is onze onfeilbare gids.

Laten wij nu de passage lezen waarin Bunyan beschrijft hoe de pelgrims uit het net bevrijd worden.

‘Ten slotte bemerkten zij een Blinkende die naar hen toe kwam met een gesel van kleine koordjes in de hand. Toen Hij op de plaats gekomen was waar zij waren, vroeg Hij hun vanwaar zij kwamen en wat zij daar deden. Zij zeiden Hem dat zij arme pelgrims waren die naar Sion gingen, maar dat zij van hun weg waren afgeleid door een zwarte man, in het wit gekleed, “die ons zei,” zeiden zij, “hem te volgen, want hij ging ook daarheen.” Toen zei Hij met de gesel: “Dat is Vleier, een valse apostel, die zich veranderd heeft in een engel des lichts” (Spr. 29:5; Dan. 11:32; 2 Kor. 11:14, 15). Toen scheurde Hij het net en liet de mannen eruit. Daarna zei Hij tot hen: “Volg Mij, opdat Ik u weer op uw weg breng.” Zo leidde Hij hen terug naar de weg die zij verlaten hadden om de Vleier te volgen. Toen vroeg Hij hun: “Waar hebt u vannacht gelegen?” Zij zeiden: “Bij de herders, op de Liefelijke Bergen.” Hij vroeg hun toen of zij van die herders geen bericht met aanwijzingen voor de weg hadden gekregen. Zij antwoordden: “Ja.” “Maar,” zei Hij, “hebt u, toen u in verlegenheid stond, uw bericht niet tevoorschijn gehaald en gelezen?” Zij antwoordden: “Nee.” Hij vroeg hun: “Waarom niet?” Zij zeiden dat zij het vergeten waren. Hij vroeg bovendien of de herders hun niet gezegd hadden zich voor de Vleier te wachten. Zij antwoordden: “Ja; maar wij dachten niet,” zeiden zij, “dat deze welsprekende man hij was” (Rom. 16:18).

Toen zag ik in mijn droom dat Hij hun gebood neer te liggen; en toen zij dat deden, kastijdde Hij hen zwaar, om hun de goede weg te leren waarop zij moesten wandelen (Deut. 25:2); en terwijl Hij hen kastijdde, zei Hij: “Zovelen als Ik liefheb, bestraf en kastijd Ik; wees dan ijverig en bekeer u” (Openb. 3:19; 2 Kron. 6:26, 27). Toen dit gedaan was, gebood Hij hun hun weg te gaan en goed acht te geven op de andere aanwijzingen van de herders. Zo dankten zij Hem voor al Zijn vriendelijkheid en gingen zachtjes langs de rechte weg voort, zingende:

“Kom hier, gij die langs de weg wandelt;
zie hoe het de pelgrims vergaat die verdwalen!
Zij zijn gevangen in een verstrikkend net,
omdat zij goede raad lichtvaardig vergaten.
Waar is het: zij werden gered; maar zie, zij zijn
bovendien gegeseld. Laat dit uw waarschuwing zijn.”’

Wanneer een christen in het net van de eigengerechtigheid raakt, wordt hij zeker bevrijd, omdat hij de Heere toebehoort, Die niet toelaat dat hij vernietigd wordt. Maar de Blinkende, Die komt om hem uit het net te verlossen, zal zeker een gesel van kleine koorden met Zich meebrengen en hem telkens opnieuw kastijden, totdat hij bereid is nederig met zijn God te wandelen. Helaas, hoe snel krijgen wij een hoge blik en een trotse houding! Wij dromen dat wij niet, zoals andere zondaren, gebukt aan de voet van het kruis hoeven te komen. Ik hoorde iemand zeggen dat hij twaalf maanden lang niet om vergeving van zonden had gebeden; zijn zonden waren hem jaren geleden vergeven. Maar wanneer de Heere ons een flinke dosis bitters geeft en ons van de wateren van Mara laat drinken, vragen wij om gewassen te worden zoals Petrus toen hij van gedachten veranderde en zei: ‘Heere, niet alleen mijn voeten, maar ook de handen en het hoofd.’ Dan voelen wij de behoefte aan de dagelijkse toepassing van het dierbare bloed, en zijn wij bereid met de arme tollenaar te staan en te zeggen: ‘O God, wees mij zondaar genadig!’ Wij moeten gekastijd worden om ons klein te houden. Een goede oude landman, die nu in de hemel is, zei jaren geleden tegen mij, toen ik met hem liep in het veld waar hij aan het ploegen was: ‘Ach, meester Spurgeon! als ik één duim boven de grond uitkom, kom ik die duim te hoog en moet ik weer naar beneden.’ Zo zal het ook ons gaan. Wij moeten ons vastklemmen aan het geloof dat belijdt dat Christus ons Alles en in allen is. Als de vleier ons op een dwaalspoor brengt, wee ons. Zo zal het, geloof ik, ook gaan met christelijke mannen en vrouwen die, nadat zij in een of andere gemeente een zegen hebben ontvangen, ertoe gebracht worden zich daarvan af te keren. ‘Gelijk een vogel is, die uit zijn nest omdoolt, alzo is een man, die omdoolt uit zijn plaats.’ Velen van hen zijn goed gekastijd en hebben naar hun oude gemeente moeten terugkeren, en zij hebben zich weer verheugd te kunnen zitten bij het volk des Heeren met wie zij in vroeger dagen een gelukkige gemeenschap hadden.

Hoofdstuk 16
De Betoverde Grond

Als geestelijk leidsman van de kudde Gods langs de ingewikkelde wegen van de ervaring is het de plicht van de dienaar van het evangelie elke bocht van de weg naar de hemel aan te wijzen, te spreken over de gevaren en de voorrechten ervan, en te waarschuwen wie hij verdenkt zich in een bijzonder gevaarlijke positie te bevinden. Welnu, er is een gedeelte van de weg die van de stad Verderf naar de Hemelse Stad leidt, dat misschien meer gevaren bevat dan enig ander deel van de weg. Het wemelt er niet van leeuwen; er zijn geen draken in; er zijn geen donkere bossen en geen diepe valkuilen; toch zijn er op dat gedeelte van de weg meer schijnpelgrims omgekomen dan waar ook; en zelfs het Kasteel Twijfeling, met al zijn menigte beenderen, kan niet zoveel slachtoffers tonen als daar vielen. Het is het deel van de weg dat de Betoverde Grond heet. John Bunyan schilderde het als volgt:

‘Ik zag in mijn droom dat zij voortgingen tot zij in een zeker land kwamen, waarvan de lucht van nature slaperig maakte voor wie er als vreemdeling binnenkwam. En hier begon Hopende zeer loom en slaperig te worden; daarom zei hij tot Christen: “Ik begin nu zo slaperig te worden dat ik mijn ogen nauwelijks kan openhouden; laten wij hier gaan liggen en een dutje doen.”

Christen: “Geenszins,” zei de ander, “opdat wij niet, slapend, nooit meer ontwaken.”

Hopende: “Waarom, mijn broeder? De slaap is zoet voor de arbeider; wij kunnen verkwikt worden als wij een dutje doen.”

Christen: “Herinnert u zich niet dat een van de herders ons zei ons te wachten voor de Betoverde Grond? Hij bedoelde daarmee dat wij ons moesten wachten voor het slapen; laat ons daarom niet slapen zoals de anderen, maar laat ons waken en nuchteren zijn” (1 Thess. 5:6).’

Er zijn ongetwijfeld velen onder ons die over deze vlakte trekken; en ik vrees dat dit de toestand is van de meerderheid van de gemeenten in onze tijd. Zij liggen neer op de banken van de Lauwheid in de priëlen van de Betoverde Grond. Er is niet die bedrijvigheid en ijver die wij onder hen zouden wensen te zien; zij zijn misschien niet opvallend onrechtzinnig; de leeuw van de vervolging valt hen misschien niet aan; maar zij liggen neer om te sluimeren, zoals Zorgeloos en Overmoedig in het priëel van de Luiheid. God geve dat Zijn dienaren middelen mogen zijn om de gemeente uit haar loomheid te wekken en op te schudden uit haar sluimer, opdat de belijders niet misschien de slaap des doods slapen!

Laat mij u de toestand van een slapende christen schetsen. Wanneer een mens slaapt, is hij gevoelloos. De wereld draait door, en hij weet er niets van. De nachtwaker roept onder zijn venster, maar hij hoort hem niet. In een naburige straat woedt een brand, of het huis van zijn buurman wordt tot as verbrand; maar hij slaapt en is zich van de ramp niet bewust. In het huis waar hij woont, zijn mensen ziek, maar hij wordt er niet wakker van; zij mogen sterven, toch beweent hij hen niet. Er kan een omwenteling aan de gang zijn in de straten van zijn stad; een koning kan zijn kroon verliezen; maar wie slaapt, heeft geen deel aan het gewoel van de politiek. Ergens in zijn buurt kan een vulkaan uitbarsten en hij kan in dreigend gevaar zijn; maar hij kent geen vrees; hij slaapt vast, hij is zich van niets bewust. De winden huilen, de donderslagen rollen over de hemel en de bliksemstralen flitsen langs zijn venster; maar wie kan blijven slapen, geeft om niets van dit alles; hij is voor alles ongevoelig. De lieflijkste muziek klinkt door de straat; maar hij slaapt en hoort de zoetheid slechts in dromen. De afschuwelijkste jammerklachten kunnen zijn oren treffen; maar de slaap heeft ze verzegeld met de was van het sluimeren, en hij hoort niets. Laat de wereld uiteenbreken en de elementen in puin vallen: houd hem slapend, en hij merkt het niet.

Slapende christen, zie hier een beeld van uw toestand. Hebt u uw ongevoeligheid niet soms betreurd? U wenste dat u kon voelen; maar het enige wat u voelde, was pijn omdat u niet kon voelen. U wenste dat u kon bidden. Het was niet dat u zich gebedloos voelde, maar dat u helemaal niets voelde. Eens placht u te zuchten; u zou een wereld geven als u nu kon zuchten. Eens placht u te kermen; een kreun zou nu een gouden ster waard zijn als u hem kon kopen. Wat de wereldse liederen betreft: die kunt u zingen, maar uw hart gaat er niet in mee. U gaat naar het huis van God; maar wanneer de menigte die feest houdt, op de volle stroom van het lied haar muziek naar de hemel zendt, hoort u het wel, maar uw hart springt niet op bij die klank. Het gebed gaat plechtig op naar Gods troon, als de rook van het avondoffer; eens kon u ook bidden; maar nu, terwijl uw lichaam in het huis van God is, is uw hart elders. U bent als een formalist geworden; u voelt dat er in de prediking niet die smaak, die zalving is die er vroeger was. Er is geen verschil in uw predikant, dat weet u; de verandering zit in uzelf. De liederen en de gebeden zijn precies dezelfde, maar u bent in een toestand van sluimer vervallen. Eens, als u eraan dacht dat een mens verdoemd werd, had u het gevoel dat u uw ziel uit uw lijf kon wenen; nu zou u op de rand van de hel kunnen zitten en haar gejammer ongeroerd kunnen aanhoren. Eens zou de gedachte een zondaar terug te brengen van de dwaling van zijn weg u midden in de nacht uit uw bed hebben doen opspringen, en u zou door de koude lucht zijn gerend om een zondaar te helpen redden. Nu kan men met u spreken over verloren menigten en hoort u het als een oud, oud verhaal. Vertel u van duizenden die door de machtige vloed van de zonde worden meegesleurd naar de rand van de afgrond, dan spreekt u uw leedwezen uit en geeft u uw bijdrage, maar uw hart wordt niet in u bewogen. U moet belijden dat u ongevoelig bent, misschien niet geheel, maar veel te veel. U wilt wakker zijn, maar u zucht omdat u merkt dat u in deze toestand van sluimer verkeert.

Verder is slaap een toestand van werkeloosheid. Wie slaapt, verdient geen dagelijks brood. De man die op zijn bed uitgestrekt ligt, schrijft geen boeken, bewerkt de akker niet, ploegt de zee niet en doet niets anders. Zijn pols slaat, dus leeft hij; maar wat bedrijvigheid betreft is hij feitelijk dood. Helaas, geliefden, dit is de toestand van velen onder u. Hoeveel christenen zijn werkeloos! Eens was het hun vreugde de jeugd te onderwijzen op de zondagsschool; dat is opgegeven. Eens woonden zij de vroege gebedssamenkomst bij; maar zij gaan er nu niet meer heen. Eens wilden zij houthouwers en waterputters zijn; maar helaas, zij slapen nu. Spreek ik over iets wat misschien zou kunnen gebeuren? Is het niet bijna algemeen maar al te waar? Slapen de gemeenten niet? Waar zijn de predikers die werkelijk prediken? Wij hebben mannen die verhandelingen voorlezen, maar is dat prediken? Wij hebben mannen die een gehoor twintig minuten kunnen vermaken, maar is dat prediken? Waar zijn de mannen die hun hart uit hun lijf prediken en hun ziel in elke zin leggen? Waar zijn de mannen die het niet een beroep, maar een roeping maken, de adem van hun lichaam, het merg van hun beenderen, de vreugde van hun geest? Waar zijn nu de Whitefields en Wesleys? Waar zijn nu de Rowland Hills, die elke dag predikten, en drie keer per dag, en niet bevreesd waren overal de onnaspeurlijke rijkdom van Christus te prediken? Broeders, de gemeente sluimert. Het is niet alleen dat de kansel een schildwachthuisje is waarin de schildwacht vast slaapt; maar ook de banken zijn aangetast. Waarom worden de gebedssamenkomsten bijna overal verwaarloosd? Waar is de geest van gebed, waar het leven van gebedsgemeenschap? Is hij niet bijna uitgestorven? Zijn onze gemeenten niet ‘gevallen, gevallen, gevallen van haar hoge staat’? God wekke haar op en zende haar meer ernstige en biddende mannen!

Wie slaapt, verkeert ook in een toestand van onveiligheid. De moordenaar slaat wie slaapt neer; de nachtelijke dief plundert het huis van wie willoos op zijn kussen rust. Jaël slaat een slapende Sisera. Abisaï neemt de spies weg van het hoofdeinde van een sluimerende Saul. Een slapende Eutychus valt van de derde zolder en wordt dood opgenomen. Een slapende Simson wordt van zijn haarlokken beroofd, en de Filistijnen zijn over hem. Slapende mensen verkeren altijd in gevaar; zij kunnen de slag van de vijand niet afweren en evenmin slaan zij terug om zichzelf te verdedigen. Christen, als u slaapt, verkeert u in gevaar. Uw leven, ik weet het, kan u nooit worden ontnomen, want het is met Christus verborgen in God. Maar, o, u kunt uw spies van het hoofdeinde verliezen; u kunt veel van uw geloof verliezen; en uw kruik water, waarmee u uw lippen bevochtigt, kan door de rondsluipende dief worden gestolen. U weet nauwelijks wat voor gevaar u loopt. Word wakker, slaper! Spring op van de plaats waar u nu in uw onveiligheid ligt. Dit is niet de slaap van Jakob, waarin een ladder hemel en aarde verbindt en engelen de treden op- en neerklimmen; maar dit is de slaap waarin ladders uit de hel worden opgericht en duivels uit de put omhoogklimmen om uw slapende geest te grijpen.

Slaperige christen, laat mij u in de oren roepen: u slaapt terwijl zielen verloren gaan, u slaapt terwijl mensen verdoemd worden, u slaapt terwijl de hel bevolkt wordt, u slaapt terwijl Christus onteerd wordt, terwijl de duivel grijnst in uw slaperige gezicht, u slaapt terwijl demonen dansen rond uw sluimerende lijf en het in de hel vertellen dat een christen slaapt. Nooit zult u de duivel slapend betrappen; laat de duivel u niet slapend betrappen. Waak en wees nuchter, opdat u altijd gereed bent uw plicht te doen. Een christen is het meest geneigd te slapen wanneer zijn tijdelijke omstandigheden in orde zijn. Wanneer uw nest goed gevoerd is, bent u het meest geneigd te slapen; er is weinig gevaar dat u slaapt als er een braamstruik in het bed ligt. Wanneer uw leger donzig is, is het meest waarschijnlijke dat u zult zeggen: ‘Ziel! gij hebt vele goederen, die opgelegd zijn voor vele jaren, neem rust, eet, drink, wees vrolijk.’ Laat mij enkelen van u vragen: toen uw omstandigheden benauwder waren, toen u elk uur op de voorzienigheid moest vertrouwen en zorgen had om voor de troon der genade te brengen, was u toen niet waakzamer dan nu? De molenaar wiens wiel door een gestage stroom wordt gedraaid, valt in slaap; maar wie afhankelijk is van de wind, die soms hard en soms zacht blaast, slaapt niet, opdat niet misschien een volle windvlaag de wieken zou scheuren of er te weinig wind zou zijn om ze rond te laten draaien. Gemakkelijke wegen maken ons slaperig. Weinigen slapen in een storm; velen slapen in een windstille nacht. Waarom slaapt de gemeente nu? Zij zou niet slapen als Smithfield vol brandstapels stond, als de noodklok van de Bartholomeüsnacht haar in de oren klonk; zij zou niet slapen als morgenavond de Siciliaanse vespers geluid konden worden; zij zou niet slapen als bloedbaden nu gewoon waren. Maar wat is haar toestand? Ieder zit onder zijn eigen wijnstok en vijgenboom, en niemand durft hem bang te maken. Treed zachtjes, zij slaapt vast!

Een ander gevaarlijk tijdstip is wanneer het in geestelijke zaken goed gaat. U leest niet dat Christen in slaap viel toen er leeuwen op de weg waren, noch toen hij door de rivier van de dood ging, noch toen hij in het kasteel van reus Wanhoop zat, noch tijdens zijn gevecht met Apollyon. Arme man, hij wenste toen bijna dat hij kon slapen. Maar toen hij halverwege de heuvel Moeilijkheid was gekomen en bij een aardig priëeltje kwam, ging hij erin, ging zitten en begon in zijn rol te lezen. O, hoe rustte hij uit! Hoe maakte hij zijn sandalen los en wreef zijn vermoeide voeten! Heel spoedig stond zijn mond open, hingen zijn armen omlaag en sliep hij vast. Ook de Betoverde Grond was weer een zeer gemakkelijke, gladde plaats, die de pelgrim gemakkelijk in slaap kon brengen. U herinnert zich Bunyans beschrijving van een van de priëlen:

‘Toen kwamen zij aan een priëel, warm, en veel verfrissing aan de pelgrims belovend; want het was van boven kunstig gewerkt, met groen verfraaid en met banken en zetels voorzien. Ook stond er een zacht rustbed in, waarop de vermoeiden konden leunen… Dit priëel heette Des Tragen Vriend, met het doel om, zo het wezen mocht, enige van de pelgrims daar te verlokken om uit te rusten wanneer zij vermoeid waren.’

Reken erop: het is op gemakkelijke plaatsen dat mensen hun ogen sluiten en afdwalen naar het droomland van de vergetelheid. De oude Erskine zei iets goeds toen hij opmerkte: ‘Een brullende duivel is mij liever dan een slapende duivel.’ Er is geen verzoeking half zo erg als niet verzocht te worden. De benauwde ziel slaapt niet; het is nadat wij tot vertrouwen en volle verzekerdheid zijn gekomen, dat wij in gevaar zijn te gaan sluimeren. Pas op, u die vol blijdschap bent. Er is geen tijd waarin wij zo geneigd zijn in te slapen als die van hoog genot. Let op, blijde christen: goede gemoedsstemmingen zijn zeer gevaarlijk; zij sussen vaak in een vaste slaap.

Een van de meest waarschijnlijke plaatsen waar wij in slaap vallen, is wanneer wij dicht bij het einde van onze reis zijn. De gids van de pelgrims zei tot Christin:

‘Deze Betoverde Grond is een van de laatste toevluchtsoorden van de vijand van de pelgrims. Daarom is hij, zoals u ziet, bijna aan het einde van de weg geplaatst, en zo staat hij tegen ons met des te meer voordeel. Want wanneer, denkt de vijand, zullen deze dwazen zo begerig zijn neer te zitten als wanneer zij vermoeid zijn? En wanneer zullen zij zo vermoeid zijn als wanneer zij bijna aan het einde van hun reis zijn? Daarom, zeg ik, is de Betoverde Grond zo dicht bij het land Beulah geplaatst en zo dicht bij het einde van hun loop. Laten daarom de pelgrims op zichzelf letten, opdat het hun niet gaat zoals het dezen is vergaan, die, zoals u ziet, in slaap zijn gevallen, en niemand kan hen wekken.’

Het is zeer waar dat zij die al jaren in de genade zijn, het meest in gevaar zijn te gaan sluimeren. Op de een of andere manier vervallen wij in de sleur van godsdienstige gewoonten; het is bij ons gebruikelijk naar het huis van God te gaan, het is gewoon dat wij tot de gemeente behoren, en dat maakt de mensen op zichzelf al slaperig. Als wij steeds dezelfde weg gaan, zijn wij gevaarlijk dicht bij het inslapen. Als Moab het gemakkelijk heeft en niet van vat tot vat wordt omgegoten, slaapt hij door, want hij kent geen verandering; en wanneer de jaren onze weg met een godvruchtig spoor hebben uitgesleten, zijn wij geneigd de teugels op de hals van ons paard te leggen en vast te slapen.

Wat moet er gedaan worden om wakker te blijven bij het oversteken van de Betoverde Grond? Een van de beste middelen is christelijk gezelschap te houden en over de wegen des Heeren te spreken.

Christen zei tot Hopende: ‘Om hier de slaperigheid te voorkomen, laat ons een goed gesprek beginnen.’ ‘Van ganser harte,’ zei Hopende. ‘Waar zullen wij mee beginnen?’ vroeg Christen. ‘Waar God met ons begon,’ antwoordde zijn gezel.

Er is geen onderwerp dat een godvrezend mens zo goed wakker houdt als spreken over de plaats waar God met hem begon. Wanneer christenen samen spreken, vallen zij niet samen in slaap. Houd christelijk gezelschap, en u zult minder geneigd zijn te sluimeren. Christenen die zich afzonderen en alleen staan, zijn zeer geneigd op de bank of het zachte rustbed te gaan liggen en in slaap te vallen; maar als u veel met elkaar spreekt, zoals zij in de oude tijd deden, zult u merken dat het buitengewoon heilzaam is. Twee christenen die samen over de wegen des Heeren spreken, komen veel sneller in de hemel dan één alleen; en wanneer een hele gemeente zich verenigt om te spreken over de goedertierenheid des Heeren, dan, geliefden, is er waarlijk geen middel dat beter helpt om elkaar wakker te houden.

Hoofdstuk 17
Hoe het meneer Vrezende verging

Sommigen van u kennen meneer Vrezende zeer goed, want hij heeft in uw huis gewoond, en misschien is hij zelfs een zeer naaste bloedverwant van u. Toen meneer Groothart, die de goed onderwezen predikant van Christus voorstelt, sterk in de genade, samen met de oude heer Eerlijk wandelde, die een bejaarde, ervaren, bezadigde christen voorstelt, vertelt John Bunyan ons:

‘De gids vroeg de oude heer of hij een zekere meneer Vrezende niet kende, die uit zijn streken op pelgrimsreis gekomen was.

Eerlijk: “Ja, zeer goed,” zei hij. “Hij was een man die de wortel der zaak in zich had; maar hij was een van de meest lastige pelgrims die ik in al mijn dagen ontmoet heb.”’

Dit is een nauwkeurige beschrijving van velen die op de weg naar de hemel zijn. Zij zijn volkomen oprecht, daaraan kan niemand twijfelen; maar zij zijn ‘zo zenuwachtig’. Ik meen dat zij zichzelf zo omschrijven. ‘Zo twijfelachtig, zo wantrouwig, zo achterdochtig, zo overladen met twijfels en vrezen’ zou misschien een juister oordeel zijn. Wat wonder dan dat zij behoren tot ‘de meest lastige pelgrims’ die u kunt ontmoeten? Bunyan geeft ons nog een gesprek over meneer Vrezende:

‘Groothart: “Ik merk dat u hem kende, want u hebt een zeer juiste beschrijving van hem gegeven.”

Eerlijk: “Hem kennen! Ik was een goede reisgenoot van hem; ik was meestal bij hem; toen hij voor het eerst begon na te denken over wat ons hierna te wachten stond, was ik bij hem.”

Groothart: “Ik was zijn gids van het huis van mijn Meester tot aan de poort van de Hemelse Stad.”

Eerlijk: “Dan weet u dus dat hij een lastige was.”

Groothart: “Ja, maar ik kon het heel goed verdragen; want mannen van mijn beroep worden vaak belast met de geleiding van mensen als hij.”’

De predikant van Christus moet de meest bevreesden niet voor de lastigsten houden; maar omdat het zijn taak is de schuchteren te helpen en hen als middel uit hun nood te verlossen, moet hij blij zijn deze zwakke gemoederen op te sporen en te proberen hun om des Meesters wil een dienst te bewijzen.

‘Eerlijk: “Welnu, laat ons dan, als het u belieft, een weinig van hem horen en hoe hij zich onder uw leiding gedroeg.”

Groothart: “Wel, hij was altijd bevreesd dat hij tekort zou komen bij datgene waarheen hij verlangde te gaan.”’

Dit is een grote vrees die velen achtervolgt: de vrees dat zij ten slotte toch verworpenen zullen blijken, dat zij huichelaars zullen blijken, dat zij uit de genade zullen vallen, dat zij verzocht zullen worden boven wat zij kunnen dragen; dat zij in een kwade stond door God de Heilige Geest zullen worden prijsgegeven of door de Heere Jezus zullen worden verlaten, en zo in grote zonde zullen vallen en ten slotte omkomen. Deze vrees achtervolgt tienduizenden.

‘Alles joeg hem schrik aan wat hij iemand hoorde zeggen, wat maar de minste schijn van tegenstand in zich had.’

Wij ontmoeten er nog steeds zulke mensen. U kunt met hen niet over de smarten van het christenleven spreken of zij zeggen: ‘Die zullen wij nooit kunnen dragen.’ Als u het over de strijd hebt, antwoorden zij: ‘Wij zijn er zeker van dat wij ons nooit al vechtend een weg naar de hemel zullen banen.’ Als zij horen van iemand die is teruggevallen, roepen zij uit: ‘Dat is precies wat wij zullen doen; wij zijn er zeker van dat het ons zo zal gaan.’ Als u ooit met zulke mensen hebt gesproken, weet u hoe moeilijk het is hen te beschrijven, want zij zijn zo somber dat zij de zon zelfs op de middag lijken te verduisteren.

‘Ik hoor dat hij wel een maand lang bij de poel Mistrouwen heeft liggen brullen; en hij durfde het niet te wagen, hoewel hij er verscheidenen voor zich zag overgaan en velen van hen hem de hand wilden reiken.’

Arme ziel! Daar lag hij te ‘brullen’, zoals Bunyan zegt; dat wil zeggen te zuchten, te klagen, zichzelf te bejammeren. Hij kon de moed niet opbrengen er overheen te gaan, maar lag daar maandenlang. Anderen kwamen aan, gingen veilig over en boden hem de hand, maar het baatte niet. U kunt deze moedelozen proberen te helpen, maar u hebt een wijsheid nodig die uw eigen wijsheid te boven gaat om hen doeltreffend te behandelen; want men moet erkennen dat zij verbazend eigenwijs zijn, hoewel zij zeer zwak zijn. Terwijl zij even hulpeloos zijn als kleine kinderen, zijn zij vaak ook even koppig als sterke mannen, en zij houden vast aan hun vrezen, wat u ook doet om hen daarvan af te brengen. Ik ben soms op jacht gegaan naar deze mensen; en wanneer ik hen uit het ene hol had gegraven, waren zij in een ander gekropen. Ik heb gedacht: ‘Nu heb ik u; ik zal nu een einde maken aan uw twijfels’; maar zij sprongen op in een geheel andere hoek. Zij schijnen buitengewoon vindingrijk te zijn in het bedenken van redenen om zichzelf te wantrouwen. Wanneer ieder ander iets goeds in hen kan zien, zeggen zij: ‘Ik bid u, vlei ons niet; probeer ons niet te misleiden!’

‘Ook wilde hij niet teruggaan.’

Ach, dat is nog het beste! Meneer Vrezende wil niet teruggaan. Er zijn grootsprekers die dapper genoeg op weg gaan, maar op de dag van de strijd de rug toekeren. Meneer Vrezende gaat zeer langzaam, maar zeer zeker. Hij wil niet teruggaan; hij weet dat daar geen hoop voor hem is, dus gaat hij zelfs nog een eindje verder, hoewel hij half bang is het te wagen.

‘Hij zou sterven, zei hij, als hij niet in de Hemelse Stad kwam; en toch was hij bij elke moeilijkheid ontmoedigd en struikelde hij over elk strootje dat iemand hem in de weg wierp. Nu, nadat hij lang aan de poel Mistrouwen had gelegen, zoals ik u verteld heb, waagde hij het op een zonnige morgen, ik weet niet hoe, en kwam eroverheen; maar toen hij erover was, kon hij het nauwelijks geloven.’

Net zoals hij! Het kan een zeer heldere ‘zonnige morgen’ zijn wanneer een of andere zoete belofte zijn ziel verlicht, wanneer de Geest van God als een duif tot hem komt en vertroosting op Zijn vleugels draagt. Dan begint de goede man zich ongewoon en buitengewoon sterk te voelen, althans voor zijn doen; dus waagt hij de sprong en komt door zijn benauwdheid heen; maar hij kan nauwelijks geloven dat hij er werkelijk overheen is. Hij is er nu zeker van dat hij zal zinken. Toen meneer Vrezende uit de poel was gekomen, begreep hij niet hoe hij het gedaan had. Het moest wel wonderbare genade zijn die zo’n arme zondaar als hij eruit had gehaald, maar hij voelde zich zo onwaardig dat hij ervan overtuigd was dat hij ook dan nog verworpen zou worden. Hij kon in zijn hart nauwelijks geloven dat het waar was. Van Petrus wordt gezegd, toen de ijzeren poort van de gevangenis uit zichzelf openging en hij zich op straat bevond: ‘Hij wist niet, dat het waarachtig was, hetgeen door den engel geschiedde, maar hij meende, dat hij een gezicht zag.’ Zo gaat het ook wanneer meneer Vrezende een straaltje vertroosting krijgt: hij denkt dat het te mooi is om waar te zijn.

‘Hij had, denk ik, een poel Mistrouwen in zijn eigen hart; een poel die hij overal met zich meedroeg, anders had hij nooit kunnen zijn zoals hij was. Zo kwam hij bij de poort, u weet welke ik bedoel, die aan het begin van deze weg staat; en ook daar stond hij een geruime tijd voordat hij het waagde aan te kloppen.’

Hij durfde niet te bidden. Hij werd overmand door vrees al in de eerste fase van het geestelijk leven. Hij had het in zijn hart om aan de poort van de barmhartigheid te kloppen, de genademiddelen te gebruiken, naar Christus te vragen; maar de angst weerhield zijn hand en verzegelde zijn lippen.

‘Toen de poort geopend werd, week hij terug, maakte plaats voor anderen en zei dat hij niet waardig was.’

Anderen mochten naar binnen gaan, anderen mochten slagen, maar hij was volkomen onwaardig. De arme ziel had volkomen gelijk. Hij was beslist niet waardig; maar dat is niemand. Wij kloppen niet op de poort omdat wij waardig zijn. Wanneer wij aalmoezen geven, schenken wij ze graag aan waardige personen; maar onze Heere Jezus Christus heeft nog nooit iemand gevonden die Zijn barmhartigheid waardig was, en daarom zorgt Hij ervoor haar te geven aan die onwaardigen die bereid zijn hun nood te belijden.

‘Want hoewel hij sommigen vóór was bij de poort, gingen toch velen vóór hem naar binnen. Daar stond de arme man te beven en te huiveren. Het zou, durf ik wel zeggen, iemands hart met medelijden hebben vervuld hem te zien; toch wilde hij niet terugkeren.’

Hij was nog steeds bang te bidden en kon niet denken dat God hem zou horen; maar hij kreunde en riep, als hij niet kon bidden. Bovendien wilde hij niet terugkeren. Hij kon er niet van afzien de genademiddelen te gebruiken, hoewel hij niet kon denken dat er voor hem vertroosting in lag. Toch wilde hij ze niet verwaarlozen. Al verkwikte de gebedssamenkomst hem niet, hij was erbij; en al kon de preek volgens hem niet voor iemand als hij bedoeld zijn, toch hoorde hij haar. O, dit zijn vreemde trekkingen die de Heere legt in de harten van arme, zwaarmoedige, kleinhartige mensen, zodat Hij hen trekt, zelfs tegen hun eigen wil, en hen trekt met een soort wanhopige hoop, of hoopvolle wanhoop, recht weg van henzelf naar Christus!

‘Ten slotte nam hij de klopper die aan de poort hing in de hand en gaf een paar kleine tikken.’

Hij durfde niet meer. Het waren slechts ‘een paar kleine tikken’, iets als: ‘O God, wees mij zondaar genadig!’ of: ‘Heere, red mij!’

‘Toen deed iemand hem open.’

U ziet dat de Heere ons niet allen op dezelfde manier laat kloppen. De sterken moeten misschien lang kloppen voordat de deur geopend wordt; maar voor de zwakken springt de deur open bij de eerste tik. Meester Bunyan vertelt ons in zijn ‘Salomo’s Tempel Vergeestelijkt’ dat de posten waaraan de deuren van de tempel hingen ‘van olijfhout waren, die vette en olierijke boom’, zodat de scharnieren steeds goed gesmeerd bleven; en wanneer een arme ziel de deuren wilde binnengaan, zwaaiden zij onmiddellijk open.

‘Toen deed iemand hem open, maar hij week terug als tevoren. Hij die opende, trad naar buiten achter hem aan en zei: “Sidderende, wat is er u?” Daarop viel hij op de grond neer. Hij die tot hem sprak, verwonderde zich hem zo bezwijmd te zien. Daarom zei hij tot hem: “Vrede zij u; sta op, want ik heb de deur voor u opengezet. Kom in, want u bent gezegend.” Daarop stond hij op en ging sidderend naar binnen; en toen hij binnen was, schaamde hij zich zijn aangezicht te laten zien.’

Zo zijn deze bevenden nu eenmaal. Wanneer zij enige vertroosting en blijdschap ontvangen, schamen zij zich hun gezicht te laten zien. Zij zijn blij in het donker te kunnen komen en in een stil hoekje te zitten waar niemand hen kan opmerken.

Hoofdstuk 18
Hoe het meneer Vrezende verging (slot)

‘Welnu, nadat hij daar een tijd onthaald was, zoals u weet dat daar de gewoonte is, werd hem gezegd zijns weegs te gaan en werd hem ook de weg gewezen die hij moest nemen. Zo kwam hij tot hij bij ons huis kwam. Maar zoals hij zich bij de poort gedroeg, zo deed hij ook bij de deur van mijn Meester, de Uitlegger. Hij lag daar in de buurt een geruime tijd in de kou voordat hij het waagde te roepen; toch wilde hij niet teruggaan; en de nachten waren toen lang en koud.’

Dit is nog een stap verder. Hij zocht nog steeds Christus, maar nu had hij iets van het onderwijs van de Heilige Geest ontvangen en begon hij iets van het evangelie te begrijpen. Merk op hoe dat goede woord steeds terugkomt: ‘Hij wilde niet teruggaan.’ Hij was bang zelfs de waarheden van Gods Woord als de zijne aan te nemen en er één straaltje vertroosting uit te putten; toch wilde hij niet teruggaan. Hij bleef bij de deur dralen, ook al werd hij niet toegelaten. O, de vasthoudendheid van de arme zoekende zondaar wanneer hij eenmaal enig houvast krijgt aan de kostbare beloften van Christus!

‘Ja, hij had een briefje in zijn boezem voor mijn Meester, dat Hij hem zou ontvangen en hem de vertroosting van Zijn huis zou schenken, en hem ook een sterke en dappere geleider zou toestaan, omdat hij zelf zo’n kleinhartig man was; en toch was hij, ondanks dat alles, bang aan de deur te roepen.’

Bunyan bedoelt hier dat deze arme man een bijzonder en persoonlijk aanspraakrecht had op de Geest van God voor een volwassen christen die hem op de weg naar de hemel zou helpen. Maar toch durfde hij de predikant niet aan te spreken. Hij was bang voor hem. Hij vond zichzelf geheel onwaardig de goede man aan te kijken.

‘Zo lag hij daar heen en weer, totdat hij, de arme man, bijna van gebrek omkwam. Ja, zo groot was zijn neerslachtigheid dat hij, hoewel hij verscheidene anderen door te kloppen zag binnengaan, toch bang was het te wagen. Ten slotte, geloof ik, keek ik uit het raam en bemerkte een man die heen en weer liep bij de deur; ik ging naar buiten naar hem toe en vroeg wie hij was; maar, arme man! het water stond hem in de ogen; zo bemerkte ik wat hij nodig had.’

Zo moet ook u, die Christus liefhebt en enig vermogen hebt om bekeerlingen te onderwijzen, uitzien naar hen die te schuchter zijn om naar u uit te zien. U zult deze mensen vaak heen en weer zien lopen. U zult hen hier zien, op zondag, bij de catechisaties en de diensten. Soms willen zij aangesproken worden; en als de Heilige Geest u verlicht heeft, moet u naar hen uitzien.

‘Ik ging daarom naar binnen en vertelde het in huis, en wij legden de zaak aan onze Heere voor.’

Zo moet het. Als u hen zelf niet kunt helpen, ga dan en vertel het de Heere over hen. Ga en bid tot Hem voor deze moedelozen, die geen gebruik willen maken van de vertroostingen die Hij voor hen heeft bereid.

‘Toen zond Hij mij weer naar buiten om hem te smeken binnen te komen; maar ik had, durf ik wel zeggen, een moeilijke taak om dat te bereiken. Ten slotte kwam hij binnen; en dit wil ik tot eer van mijn Heere zeggen: Hij ging wonderlijk liefderijk met hem om. Er waren maar weinig lekkere hapjes op tafel, maar iets ervan werd op zijn houten bord gelegd. Toen overhandigde hij het briefje, en mijn Heere zag het in en zei dat zijn verlangen zou worden ingewilligd.’

Ach, wanneer de arme ziel eenmaal ziet hoeveel werkelijke vertroosting er voor haar is, dan lijkt het alsof de beste dingen in het Woord van God voor de zwakste heiligen bedoeld zijn, en alsof de Heere Zichzelf heeft ingespannen om, in een weg van barmhartigheid, de kostbaarste denkbare woorden te schrijven voor hen die een teer gemoed hebben en met gebroken beenderen gaan.

‘Toen hij daar een geruime tijd geweest was, scheen hij wat hart te krijgen en iets meer op zijn gemak te komen; want mijn Meester, moet u weten, heeft een zeer teder hart, vooral voor hen die bevreesd zijn; daarom ging Hij zo met hem om als het meest tot zijn aanmoediging kon strekken. Toen hij nu de dingen van die plaats in ogenschouw genomen had en gereed was zijn reis naar de stad voort te zetten, gaf mijn Heere hem, zoals Hij tevoren aan Christen deed, een fles met wijn en enkele verkwikkelijke dingen om te eten. Zo gingen wij voorwaarts en ik ging voor hem uit; maar de man sprak zeer weinig, alleen zuchtte hij hardop.’

Dit was een delicate taak voor meneer Groothart, maar het is de taak van menig gevorderd christen. Hij mag ervoor niet terugschrikken; en als hij van de arme man zelf geen onderricht ontvangt, moet hij bedenken dat wij niet altijd moeten ontvangen, maar dat wij soms ook moeten geven.

‘Toen wij kwamen waar de drie schurken opgehangen waren, zei hij dat hij betwijfelde of dat ook niet zijn einde zou zijn.’

Natuurlijk kon hij zo’n aanblik niet zien zonder te vrezen dat hij eens in een soortgelijke positie zou zijn. Er is nooit een geval van gemeentelijk onderzoek of gemeentelijke tucht of de arme meneer Vrezende zegt: ‘Ach! zo zal het mij ook eens gaan’; en wanneer hij leest over Judas en Demas, zegt hij: ‘Ach! dat zal zeker mijn lot zijn.’

‘Alleen scheen hij blij toen hij het kruis en het graf zag. Daar, moet ik bekennen, wilde hij een poosje blijven staan om te kijken, en hij scheen daarna een tijd lang wat opgewekter.’

Welnu, als hij daar niet gelukkig was, waar dan wel? Als de goede man aan de voet van het kruis zijn moed niet kon vatten, waar zou hij dan goede moed hebben? Het is verrukkelijk op te merken hoe Bunyan de vertroostende invloed van het kruis van Christus op de meest moedeloze geest naar voren brengt.

‘Zoet zijn de ogenblikken, rijk aan zegen,
die ik aan de voet van het kruis doorbreng.’

‘Toen wij aan de heuvel Moeilijkheid kwamen, maakte hij daarvan geen bezwaar, en evenmin vreesde hij veel voor de leeuwen; want u moet weten dat zijn moeite niet lag in zulke dingen als die; zijn vrees betrof zijn aanneming op het einde.’

Het is wonderlijk dat deze schuchteren vaak niet bang zijn voor wat anderen schrik aanjaagt. Moeilijkheden deren hen niet. Zij zouden het bijna kunnen verdragen in de vlammen verbrand te worden. Zij zijn niet bang voor het martelaarschap, maar zij zijn bang voor de zonde en voor zichzelf: een zeer gezonde vrees; maar zij moet gepaard gaan met een gezond geloof in Christus, anders wordt zij iets zeer ellendigs.

‘Ik bracht hem in het paleis Sierlijk, geloof ik, voordat hij het wilde.’

Dat wil zeggen: in de christelijke gemeente. Meneer Groothart bemoedigde hem, bracht hem ertoe de ambtsdragers van de gemeente te spreken en zich met de gemeente te verenigen, bijna voordat hij wist wat hij deed.

‘Ook, toen hij binnen was, bracht ik hem in kennis met de maagden die daar woonden; maar hij schaamde zich veel in gezelschap te verkeren. Hij verlangde zeer alleen te zijn, maar hield altijd van een goed gesprek, en dikwijls ging hij achter het scherm staan om het aan te horen.’

Dit is juist de gemoedsgesteldheid waarin vele gelovigen verkeren nadat zij zich bij de gemeente hebben aangesloten. Zij zijn verlegen; zij willen zich niet op de voorgrond dringen. Zij zouden liever veel dingen missen dan voor ook maar enigszins brutaal of opdringerig te worden aangezien.

‘Hij hield er ook veel van oude dingen te zien en die in zijn hart te overdenken.’

Ik weet dat hij de kostbare leer van de eeuwige liefde liefhad.

‘Hij vertelde mij later dat hij graag was in die twee huizen waaruit hij het laatst gekomen was, te weten bij de poort en bij het huis van de Uitlegger, maar dat hij niet zo vrijmoedig durfde te zijn dat te vragen.

Toen wij ook van het paleis Sierlijk de heuvel afgingen naar de vallei Verootmoediging, ging hij naar beneden zo goed als ik ooit iemand in mijn leven zag; want hij gaf er niet om hoe gering hij was, als hij maar ten slotte gelukkig mocht zijn. Ja, ik denk dat er een soort verwantschap bestond tussen die vallei en hem, want ik zag hem op zijn hele pelgrimsreis nooit in een betere gemoedsstemming dan toen hij in die vallei was. Hier ging hij liggen, omhelsde de grond en kuste zelfs de bloemen die in deze vallei groeiden (Klaagl. 3:27-29). Nu stond hij elke morgen op bij het aanbreken van de dag en liep hij heen en weer door deze vallei.’

Nederigheid paste hem precies. Hij was een plant die in de schaduw kon groeien. U kon hem niet te veel vernederen, want dat was juist zijn element. Hij hield ervan zijn nietigheid te voelen en laag gebracht te worden, want dan voelde hij zich veilig. U ziet dat meneer Vrezende zijn stille, vredige, gelukkige tijden heeft. Hij kan zingen: ‘De HEERE is mijn Herder, mij zal niets ontbreken. Hij doet mij nederliggen in grazige weiden; Hij voert mij zachtjes aan zeer stille wateren.’ Het is een zeer gelukkige toestand om van nature vreesachtig te zijn en toch zo laag gebracht te zijn dat u helemaal niet vreest; zo doordrongen van uw eigen zwakheid dat u zich geheel op hogere sterkte verlaat en daarom geen reden tot vrees hebt.

‘Maar toen hij aan de ingang van de vallei van de schaduw des doods gekomen was, dacht ik dat ik mijn man zou verliezen; niet omdat hij enige neiging had terug te gaan, dat verafschuwde hij altijd; maar hij stond op het punt van angst te sterven. “O, de boeman zal mij pakken! de boeman zal mij pakken!” riep hij; en ik kon het hem niet uit het hoofd praten. Hij maakte hier zo’n lawaai en zo’n geschreeuw dat, als zij hem maar gehoord hadden, het voldoende was geweest om hen aan te moedigen ons te komen overvallen.

Maar dit viel mij bijzonder op: dat deze vallei zo stil was terwijl hij erdoor ging als ik haar ooit tevoren of daarna heb gekend. Ik veronderstel dat deze vijanden hier nu een bijzondere teugel van onze Heere hadden gekregen en het bevel zich niet te roeren totdat meneer Vrezende erdoor was.’

Bunyan schildert hier met veel geest en puntigheid de zinloze vrezen van meneer Vrezende, terwijl er geen grond voor vrees was. Hij maakt ‘de boeman’ in zijn eigen verbeelding en roept dan: ‘Hij zal mij pakken!’ Hij denkt dat hij hierin zal vallen, of om dit verworpen zal worden, of dat God hem zal verlaten. O, het is dwaas zulke vrezen te koesteren; toch zijn velen zo zwak dat zij er hun hele leven niet aan kunnen ontkomen.

‘Het zou te langdradig zijn u van alles te vertellen. Daarom zullen wij nog slechts een voorval of twee vermelden. Toen hij op de IJdelheidskermis kwam, dacht ik dat hij met alle mannen op de kermis zou vechten. Ik vreesde dat wij daar beiden een klap op ons hoofd zouden krijgen, zo heet was hij tegen hun dwaasheden.’

Meneer Vrezende was slechts bang dat hij op het einde niet veilig zou zijn, maar hij was een dappere kerel wanneer hij te maken kreeg met de vijanden van het kruis van Christus. Het is bijzonder, deze combinatie van moed en beven. Hij beeft voor de mogelijkheid dat hij ten slotte niet behouden wordt, maar hij slaat zijn vijanden links en rechts. U weet wat ‘de dwaasheden’ waren. Er was de dwaasheid van het oude Rome, en meneer Vrezende kon die niet verdragen en zou het liefst alles aan gruzelementen slaan.

‘Op de Betoverde Grond was hij ook zeer waakzaam.’

Sterk geloof gaat daar soms bijna in slaap. Wij worden gemakkelijk aanmatigend. Wij, die vele vertroostingen hebben, gaan denken dat het met ons wel goed zit. Mogen wij echter wakker gehouden worden! Mij is het liever dat u naar de hemel gaat terwijl u twijfelt aan uw aandeel in Christus, dan dat u naar de hel gaat terwijl u zich veilig waant en het in werkelijkheid niet bent. Het is een droevige en zondige zaak altijd te twijfelen; maar toch is het oneindig beter dan de naam te hebben dat u leeft terwijl u dood bent.

‘Maar toen hij aan de rivier kwam waarover geen brug lag, daar was hij weer in een benarde toestand. Nu, nu, zei hij, zou hij voor eeuwig verdrinken en dus nooit dat aangezicht met vertroosting aanschouwen waarvoor hij zoveel mijlen ver gekomen was.

En hier merkte ik ook iets zeer opmerkelijks op: het water van die rivier was op dat ogenblik lager dan ik het ooit in mijn hele leven gezien heb. Zo ging hij ten slotte over, niet veel meer dan natte voeten krijgend. Toen hij naar de poort opging, begon ik afscheid van hem te nemen en hem een goede ontvangst daarboven toe te wensen. Toen zei hij: “Ik zal, ik zal.” Daarop gingen wij uiteen, en ik zag hem niet meer.’

Hij was bang te sterven, de arme man, niet omdat hij bang was voor de dood, maar omdat hij vreesde het aangezicht niet te zullen zien van Hem Die hij zo liefhad, maar Die hem, zo vreesde hij bijna, zou verwerpen. Ook hier zien wij weer de overvloedige barmhartigheid van God, want meneer Vrezende zonk niet in de diepe wateren, maar stierf gemakkelijk en ging de rivier over ‘niet veel meer dan met natte voeten’; en zijn laatste woorden waren: ‘Ik zal, ik zal.’ Ja, en zo zal het ook u gaan, arme meneer Vrezende. U zegt soms dat het niet zo zal zijn, maar dat is uw ongeloof. Het zal zo zijn; het zal zo zijn; want de Meester heeft gezegd: ‘Die tot Mij komt, zal Ik geenszins uitwerpen.’

Hoofdstuk 19
Meneer Kleinmoedig en meneer Gereed-tot-hinken

Toen meneer Groothart met de pelgrims in het huis van Gajus was, trok hij er met zijn metgezellen op uit naar het hol van reus Verderver.

‘Toen zij op de plaats kwamen waar hij was, vonden zij hem met een zekere Kleinmoedig in zijn handen, die zijn dienaren hem gebracht hadden, nadat zij hem op de weg gegrepen hadden. Nu was de reus hem aan het plunderen, met het voornemen daarna zijn beenderen af te knagen; want hij was van de aard der vleeseters.’

Uit de handen van de reus werd meneer Kleinmoedig bevrijd, en de reus zelf werd gedood. Arme meneer Kleinmoedig! Laten wij lezen wat hij van zichzelf zegt:

‘”Ik ben een ziekelijk man, zoals u ziet; en omdat de dood gewoonlijk eenmaal per dag aan mijn deur klopte, dacht ik dat ik thuis nooit gezond zou zijn; daarom begaf ik mij tot een pelgrimsleven en ben hierheen gereisd vanuit de stad Onzeker, waar ik en mijn vader geboren zijn. Ik ben een man zonder enige kracht van lichaam, en evenmin van geest; maar ik wilde graag, als ik kon, ook al kan ik slechts kruipen, mijn leven op de pelgrimsweg doorbrengen. Toen ik aan de poort kwam die aan het begin van de weg staat, nam de Heere van die plaats mij gewillig aan; Hij maakte geen bezwaar tegen mijn zwakke voorkomen, noch tegen mijn zwakke geest, maar Hij gaf mij wat nodig was voor mijn reis en zei mij te hopen tot het einde. Toen ik aan het huis van de Uitlegger kwam, ondervond ik daar veel vriendelijkheid; en omdat de heuvel Moeilijkheid te zwaar voor mij werd geacht, werd ik daar door een van Zijn dienaren opgedragen. Ik heb waarlijk veel verlichting van pelgrims ondervonden, hoewel niemand zo zachtjes wilde gaan als ik genoodzaakt ben te doen; maar toch zeiden zij mij, als zij voorbijkwamen, dat ik goedsmoeds moest zijn en dat het de wil van hun Heere was dat de kleinmoedigen vertroost zouden worden, en zij gingen hun eigen tempo (1 Thess. 5:14). Toen ik aan de Aanvalslaan gekomen was, ontmoette deze reus mij en gebood mij mij op een gevecht voor te bereiden; maar helaas, zwakke die ik was, ik had veel meer een hartsterking nodig. Toen kwam hij op mij af en greep mij. Ik meende dat hij mij niet zou doden. Ook toen hij mij in zijn hol had gebracht, geloofde ik, omdat ik niet gewillig met hem meeging, dat ik er levend weer uit zou komen; want ik heb gehoord dat geen pelgrim die door gewelddadige handen gevangen wordt genomen, als hij met zijn hele hart zijn Meester aanhangt, volgens de wetten der Voorzienigheid door de hand van de vijand sterven zal. Beroofd verwachtte ik te worden, en beroofd ben ik zeker; maar ik ben, zoals u ziet, met het leven ontkomen; daarvoor dank ik mijn Koning als de oorzaak en u als het middel. Andere aanvallen verwacht ik ook; maar dit heb ik mij voorgenomen: te lopen als ik kan, te gaan als ik niet kan lopen en te kruipen als ik niet kan gaan. Wat de hoofdzaak betreft, dank ik Hem Die mij liefheeft: ik ben vast. Mijn weg ligt voor mij, mijn gedachten zijn aan gene zijde van de rivier die geen brug heeft, hoewel ik, zoals u ziet, kleinmoedig ben van geest.”’

Arme ziel! Wij kennen er enkelen die precies zo zijn. Het is niet nodig zijn toestand uit te leggen of bij zijn avontuur stil te staan. Wij gaan door naar zijn latere ervaringen. De pelgrims bleven een tijdje in het huis van Gajus, en Kleinmoedig werd er een beetje aangesterkt; zij hielden een heerlijke bijzondere samenkomst, en toen zei meneer Groothart dat het tijd was dat de pelgrims hun reis weer vervolgden.

‘Toen zij de deur uitgingen, deed meneer Kleinmoedig alsof hij van plan was te blijven; toen meneer Groothart dat merkte, zei hij: “Kom, meneer Kleinmoedig, ga toch met ons mee; ik zal uw geleider zijn, en het zal u gaan zoals de overigen.”’

Meneer Groothart, die natuurlijk de predikant is, stond erop dat meneer Kleinmoedig het gezelschap van de pelgrims niet zou verlaten. Hij wilde naar de hemel gaan zonder zich bij de gemeente aan te sluiten, en dat kon de leraar niet goedkeuren. Maar zwak als hij was, was hij een man met een zeer fijn gemoed. Strengere mensen kunnen wel een beetje gelach verdragen, en zij letten niet zo op de manier waarop dwaze mensen zich kleden, en zij kunnen zelfs een twistgesprek over de zaak verdragen; maar de arme Kleinmoedig zei:

‘”Helaas, ik mis een passend reisgenoot; u bent allen krachtig en sterk; maar ik ben, zoals u ziet, zwak; ik kies er daarom liever voor achteraan te komen, opdat ik, vanwege mijn vele zwakheden, niet zowel voor mijzelf als voor u een last zou zijn. Ik ben, zoals ik zei, een man van zwakke en kleinmoedige geest, en ik zal mij beledigd voelen en zwak worden bij wat anderen kunnen verdragen. Ik houd niet van lachen; ik houd niet van opzichtige kleren; ik houd niet van nutteloze vragen. Ja, ik ben zo’n zwak man dat ik mij stoor aan wat anderen met vrijheid mogen doen. Ik ken nog niet de hele waarheid; ik ben een zeer onwetend christen; als ik soms iemand hoor die zich in de Heere verblijdt, doet het mij verdriet, omdat ik dat ook niet kan. Het gaat mij zoals een zwak man onder de sterken, of een zieke onder de gezonden, of zoals een verachte fakkel. “Hij is een verachte fakkel, naar de mening desgenen, die gerust is; hij is gereed met den voet te struikelen” (Job 12:5); zodat ik niet weet wat ik doen moet.”

“Maar broeder,” zei meneer Groothart, “ik heb de opdracht ‘de kleinmoedigen te vertroosten’ en ‘de zwakken te ondersteunen’ (1 Thess. 5:14). U moet beslist met ons meegaan; wij zullen op u wachten; wij zullen u onze hulp verlenen (Rom. 14:1); wij zullen onszelf enige dingen ontzeggen, zowel in denkwijze als in praktijk, om uwentwil (1 Kor. 8); wij zullen in uw bijzijn geen twijfelachtige twistgesprekken aangaan; wij zullen liever alles voor u worden dan u achter te laten (1 Kor. 9:22).”’

Ik wil dat u opmerkt dat hier de plicht van de zwakken om zich bij de gemeente aan te sluiten wordt voorgehouden, en ook dat zij met wie zij zich verenigen zacht met hen moeten omgaan.

Hier volgt een fraai stukje van de hand van meneer Bunyan:

‘Al die tijd nu stonden zij aan de deur van Gajus; en zie, terwijl zij zo in het vuur van hun gesprek waren, kwam meneer Gereed-tot-hinken daar aan, met zijn krukken in de hand (Ps. 38:18); en ook hij was op pelgrimsreis.

Toen zei meneer Kleinmoedig tot hem: “Man, hoe komt u hier? Ik beklaagde mij zojuist dat ik geen passend reisgenoot had; maar u bent naar mijn wens. Welkom, welkom, goede meneer Gereed-tot-hinken, ik hoop dat u en ik elkaar enigszins van dienst kunnen zijn.”

“Ik zal blij zijn met uw gezelschap,” zei de ander; “en, goede meneer Kleinmoedig, liever dan dat wij scheiden, nu wij zo gelukkig bij elkaar gekomen zijn, wil ik u een van mijn krukken lenen.”

“Nee,” zei hij, “hoewel ik u dank voor uw goede wil, ben ik niet geneigd te hinken voordat ik lam ben.”’

Ziet u hoe hij opleeft bij het idee alleen?

‘”Toch denk ik dat het mij, als de gelegenheid zich voordoet, tegen een hond van dienst kan zijn.”’

U ziet dus dat hij in de gemeente een gezelschap naar zijn hart vond. Het eerste wat wij hierbij moeten opmerken, is dat er enkele arme kleinmoedige heiligen zijn die eigenlijk geen prettig gezelschap zijn, maar die niet veracht mogen worden. Zij zijn niet erg opgewekt; zij zijn misschien niet eens beminnelijk; zij hebben een zwakke geest; u zult niet veel van hen leren; zij zijn, zoals Bunyan zegt, ‘zeer onwetende christenen’; maar wij mogen als gemeente niet aarzelen hen bij ons te voegen; wij moeten blij zijn dat zij onder ons komen. Ik hoorde iemand zeggen: ‘Zie eens hoeveel arme mensen er in de gemeente komen.’ Ik ben er blij om; het zijn juist de mensen die de gemeenschap van de gemeente en de geestelijke voorrechten nodig hebben. Bovendien zijn velen van de armen van de aarde de voortreffelijken van de aarde. Kleinmoedig was een man met een zeer genadige en tedere geest. Als hij anderen hoorde grappen maken en schertsen, deed het zijn oren pijn; als hij anderen opgetuigd zag, misschien niet buitensporig, oordeelde hij dat het niet in overeenstemming was met de christelijke eenvoud die de apostel Petrus voorschrijft; en dat griefde hem. Dit en dat, wat een sterkere heilige zonder enige schade kon doen en verdragen, kwetste zijn gevoelige gemoed. Hij wilde niet altijd gaten prikken in andermans jas; daarom meende hij dat hij maar zo goed mogelijk alleen naar de hemel moest wandelen.

Ik houd ervan dat meneer Groothart hem aandringt in de gemeente te komen. Meneer Groothart was een sterk man, met een zwaard en een schild; en als iemand zo’n beschermer nodig had, dan was het zeker meneer Kleinmoedig, die zichzelf niet kon verdedigen. Wij hebben de kleinmoedigen nodig in deze gemeente. Ik weet dat zij, van een bepaald gezichtspunt bezien, niet bijzonder wenselijk zijn; maar wij zelf zijn dat evenmin, en toch is Christus gekomen om ons te zoeken en zalig te maken. Het is wenselijk dat wij deze arme Kleinmoedigen kunnen verdragen. Denkt u niet dat wij vaak het meeste halen uit wie ons het meest op de proef stellen? Wanneer iemand ons humeur op de proef stelt en ons laat weten hoe slecht het is, is dat heilzaam voor ons. Als u een invalide kind hebt of een zieke vriend, maakt u niet veel lawaai; u leert stil te zijn en rekening te houden met anderen. Zachtmoedigheid en tederheid leert men op deze school. Het is goed een zwakke heilige om zich heen te hebben, want het helpt anderen teder te maken. Het is goed voor de gemeente dat er Kleinmoedigen in zijn, en het lijdt geen twijfel dat het ook goed is voor de Kleinmoedigen dat zij in de gemeente zijn. Maar ziet u wat meneer Groothart tegen deze zwakke metgezel zegt? Hij zegt in feite: ‘Wij zullen op u wachten; als u niet kunt rennen zoals wij, zullen wij in uw pas lopen. Wij zullen u niet te hard opjagen.’ Ik weet hoe het met sommige christenen gaat; zij zijn zo buitengewoon gegroeid in de genade dat zij willen dat iedereen hun lengte heeft en niet twee centimeter minder. Zij horen een of ander dierbaar kind van God kreunen over zijn verdorvenheden en zijn beproevingen in het christelijk leven, en zij kijken naar hem alsof hij een van de allerergste zondaren was, terwijl het duizend tegen één is dat de beproefde gelovige een betere heilige is dan wie zich laat horen en opschept. De opschepper is als een ruwe jongen met een lief, teer, klein zusje dat tien van hem waard is; zij kan niet rennen zoals hij, maar hij zegt tegen haar: ‘Je moest het doen; je moest niet in bed liggen; waarom ben je altijd ziek?’ Hij vergeet dat zij er niets aan kan doen. De vette runderen mogen de magere niet met hoorn en schouder wegduwen, opdat zij de zwakken niet onder hun voeten vertrappen. Nee, de Heere wil dat meneer Groothart tegen meneer Kleinmoedig zegt: ‘Wij zullen op u wachten, als u niet zo snel kunt lopen als wij; en’ (merk dat op) ‘wij zullen onszelf zelfs ontzeggen wat ons geoorloofd is, om uwentwil; er zijn dingen die u tot zonde zouden brengen; wij zullen ze niet doen, opdat u niet geschaad wordt; ons mogen ze geen kwaad doen, maar wij zullen ze niet doen, opdat u op geen enkele wijze zou lijden.’ Alle dingen zijn mij geoorloofd, alle gewone handelingen van het leven zijn mij geoorloofd, maar er zijn tijden dat zij niet oorbaar zijn.

‘Wij zullen in uw bijzijn geen twijfelachtige twistgesprekken aangaan’, zei de grote maar genadige leidsman. Wij zullen u niet belasten met preken over zeer hoge leerstukken die u alleen maar zouden verontrusten. Vragen die niet tot uw groei in de genade zouden bijdragen, zullen wij een tijdje laten rusten; moeilijke onderwerpen zullen wij in uw afwezigheid bespreken. Wij zullen tot elkaar zeggen: ‘Wij hebben een lastig punt te regelen, maar wij laten het rusten tot hij naar de gebedssamenkomst is gegaan, of thuisblijft omdat hij hoofdpijn heeft; wij zullen over zulke zaken niet spreken zolang alle zwakke heiligen niet buiten gehoorsafstand zijn.’ Als vader en moeder elkaar iets onaangenaams te zeggen hebben, mogen zij het niemand anders laten horen. ‘Laat de kinderen er alstublieft niets van weten’, zeggen zij tot elkaar. Wanneer u en ik, die de sterke leden van de gemeente zijn, bepaalde netelige zaken te overwegen hebben, moeten wij dat niet doen in het bijzijn van pasbekeerden. Laten wij zeggen: ‘Wij moeten alle kinderen wegsturen voordat wij over deze dingen spreken’; en aangezien wij, hoop ik, zeker steeds pasgeboren zielen onder ons zullen hebben, doen wij er goed aan te trachten deze twijfelachtige twistgesprekken helemaal te mijden. Het zeer lieflijke punt in het verhaal is waar meneer Gereed-tot-hinken op zijn krukken aankomt. Nu, meneer Gereed-tot-hinken en meneer Kleinmoedig, u zult zich thuis voelen; u bent met zijn tweeën. U arme zwakke heiligen, die alle hulp nodig hebt die u kunt krijgen, het is volkomen terecht dat u binnenkomt, want er zijn er meer zoals u in de gemeente, en u kunt elkaar helpen. Hoe heerlijk was het toen meneer Gereed-tot-hinken zei dat hij meneer Kleinmoedig een van zijn krukken zou lenen. Maar ik houd van de manier waarop Kleinmoedig de lening standvastig afsloeg. Als hij al kleinmoedig was, hij was niet lam; en daarom zei hij: ‘Ik ben niet geneigd te hinken voordat ik lam ben.’ Ik veronderstel dat deze goede man, Gereed-tot-hinken, gewend was een vast gebedsformulier te gebruiken. Kleinmoedig daarentegen kon zeggen: ‘Mijn gebeden zijn zeer armzalig, broeder; toch zijn het mijn eigen woorden en de uitdrukking van mijn innigste gevoelens.’ Hij verweet Gereed-tot-hinken niet dat deze krukken had, maar hij wilde ze zelf niet gebruiken. Sommigen zeggen tegen mij: ‘Wij wilden dat u ons een gebedenboek schreef, zoals u ons twee delen Lezingen en “De Uitlegger” hebt gegeven’; maar ik antwoord: ‘Ik kan geen gebeden voor u maken; ik kan met een goed geweten geen krukkenmaker worden. Toch kunt u beter op krukken gaan en in het gezin een gebed voorlezen dan helemaal niet bidden.’ Ik hoor graag hoe meneer Kleinmoedig zich opricht en als het ware zegt: ‘Nee, nee, nee, ik ben er nog niet aan toe krukken nodig te hebben, hoewel ze nuttig kunnen zijn tegen een hond. Zij zijn misschien enigszins van nut, en u redt het er op de een of andere manier mee.’ Toch laat het zien hoe goed het hart van Gereed-tot-hinken was dat hij bereid was meneer Kleinmoedig een van zijn krukken te lenen. Vele heiligen hebben krukken van de een of andere soort; zij kunnen hun voeten niet vertrouwen, en zij hebben ervaren dat de krukken hun enigszins helpen, en zij zijn gewoonlijk bereid hun krukken aan anderen te lenen. Het is volkomen terecht dat het zo is. Kom nu binnen, vriend Gereed-tot-hinken, met uw krukken; kom binnen, meneer Kleinmoedig, met al uw zwakheid en vrezen; dan zult u samen raad houden over de dingen Gods. Wij zullen op u wachten en niet erop letten wat wij doen, als wij maar samen tot hetzelfde einde kunnen komen. Een eindje verder lezen wij dat Gereed-tot-hinken, nadat reus Wanhoop gedood was, op een zeer wonderlijke manier danste met een van zijn krukken in de hand; en, vlak voordat zij de rivier overgingen, liet de arme Kleinmoedig zijn kleinmoedige geest begraven door meneer Dapper-voor-de-Waarheid in een mesthoop, en meneer Gereed-tot-hinken liet zijn krukken na aan zijn zoon, want hij had zulke dingen in de hemel niet nodig.

Op een dag zat ik onder de olijfbomen bij Menton en zag een schaap dat kennelijk van de rest van de kudde was afgedwaald en zichzelf kwijt was. Het blaatte omdat het zo alleen was en de weg terug niet wist. Plotseling werd er een fluitsignaal gegeven, en het schaap rende onmiddellijk weg in de richting vanwaar het geluid kwam. De Heere zegt: ‘Mijn schapen horen Mijn stem, en Ik ken dezelve, en zij volgen Mij.’ Zij kennen Zijn roep, ook wanneer Hij hun fluit; en ik geloof werkelijk, geliefde broeders, dat u liever het evangelie hoort fluiten dan dat u de nieuwe leerstellingen op de best mogelijke manier hoort prediken; want er zit op de een of andere manier een klank in het ware evangelie die u niet kunt verwarren. Als het echt evangelie is, zult u de stem ervan herkennen; u zult zeggen: ‘Dat is mijn weg’, en u gaat erop af als antwoord op de genadige roep.

U moet bij de Herder komen, en u moet onder de schapen komen en niet lang een eenzaam schaap blijven. Er zijn enkele broeders die blij zullen zijn u te zien. De ouderlingen zullen blij zijn u te zien. Ik ben niet lam, toch zou ik een paar krukken kopen om met u mee te gaan als u op geen andere manier kunt gaan; maar ik zal u ze beide lenen, want ik heb ze zelf niet nodig. Men is blij als men zich in de Heere kan verblijden en voortgaan, lopend op de weg van Zijn zaligheid; maar onze vreugde wordt verdubbeld als wij meneer Kleinmoedig en meneer Gereed-tot-hinken kunnen bemoedigen.

Hoofdstuk 20
Christin aan de poort en aan de rivier

Toen Christin, de vrouw van Christen, op pelgrimsreis ging, ging zij natuurlijk door dezelfde poort als haar man. Zo luidt het verhaal:

‘Daarom meende ik te zien dat Christin en Barmhartig, met de jongens, allen samen naar het poortje gingen; en toen zij daar gekomen waren, hielden zij een kort overleg over hoe zij aan de poort hun roeping moesten aanpakken en wat er gezegd moest worden tot Hem die hun zou opendoen. Er werd dus besloten dat Christin, omdat zij de oudste was, zou aankloppen om binnen te komen en dat zij voor de anderen zou spreken tot Hem die opendeed. Zo begon Christin te kloppen; en zoals haar arme man gedaan had, zo klopte zij en klopte nog eens. Maar in plaats van dat iemand antwoordde, meenden zij allen dat zij een hond hoorden die blaffend op hen afkwam; een hond, en een grote ook; en dit maakte de vrouwen en kinderen bang; zij durfden een tijd lang ook niet meer te kloppen, uit vrees dat de bulhond op hen zou aanvliegen. Zij waren daarom zeer heen en weer geslingerd in hun gemoed en wisten niet wat te doen: kloppen durfden zij niet, uit vrees voor de hond; teruggaan durfden zij niet, uit vrees dat de Poortwachter hen zou bespieden terwijl zij zo weggingen en toornig op hen zou worden. Ten slotte dachten zij eraan nog eens te kloppen, en klopten heviger dan zij de eerste maal gedaan hadden. Toen zei de Poortwachter: “Wie is daar?” Toen hield de hond op met blaffen, en Hij opende voor hen.’

Wanneer Bunyan spreekt over de ervaringen van een sterke man, laat hij pijlen op hem afgeschoten worden. Wanneer hij spreekt over vrouwen en kinderen, laat hij hen door een hond aangeblaft worden. Sommige schuchtere zielen schrikken van het geblaf van een hond zoals sterkere harten schrikken van het vliegen van vurige pijlen.

God staat niet toe dat de zwakken in dezelfde mate verzocht worden als de sterken. Op hen worden geen vurige pijlen afgeschoten; een woeste hond blaft hen in plaats daarvan aan. Wanneer ik de zware verzoekingen van sommige christenen beschrijf, zeggen sommigen van u bij zichzelf: ‘Maar wij hebben nooit iets dergelijks gevoeld.’ Wees nu niet boos op uzelf omdat u geen zo zware ervaring hebt gehad, maar wees er dankbaar voor. Verheug u dat u, zoals Christin en Barmhartig, binnenkwam met alleen een hond die u aanblafte. De pijlen zijn niet te begeren. Als u, toen u tot de Heere Jezus Christus kwam, alleen het blote geblaf van een hond hebt ontmoet die u niet eens kon bijten, wees dan dankbaar dat u zo gemakkelijk kwam en dat Satan in toom gehouden werd, zodat hij u niet kon lastigvallen.

Alles wat er in heel de wereld is dat een zondaar ervan zou kunnen weerhouden tot Christus te komen, is niet meer dan het geblaf van een hond. Er is niet veel reden tot schrik in het geblaf van een hond op een afstand. Als ik, terwijl ik naar dit Tabernakel kwam, een hond hoorde blaffen, zou ik er waarschijnlijk niet veel aandacht aan schenken. Als ik ’s nachts thuis was en een hond hoorde blaffen, zou het mijn slaap kunnen verstoren, maar het zou mij niet erg verontrusten. Als een man op weg was met een belangrijke opdracht en een of ander kwajongensachtig keffertje om zijn hielen kwam janken, zou hij zich niet de moeite getroosten het op te merken. Alles wat duivels of mensen ooit kunnen zeggen tegen een ziel die tot Christus komt en op Hem vertrouwt, is geen haar meer te vrezen dan het geblaf van een hond. Daarom bid ik u: laat uw hart er niet door verontrust worden. Zeg in uw ziel: ‘Christus gebiedt mij te komen, en ik laat mij niet tegenhouden door het geblaf van een hond. Christus roept mij; ik hoor Gods stem; ik neem de uitnodiging van de hemel aan; laat de honden blaffen tot zij moe zijn, als zij willen; zo’n zoete muziek klinkt in mijn oor dat zij hun gehuil overstemt.’

‘Ik ga naar Jezus, al is mijn zonde
als een berg opgerezen;
ik ken Zijn voorhoven, ik ga erin,
wat zich ook verzet.’

Ik vraag u nu te luisteren naar wat er gebeurde toen de pelgrims binnen waren. Allen gingen binnen behalve Barmhartig; zij werd buiten achtergelaten, bevend en schreiend, zoals sommigen doen nadat hun metgezellen vrede gevonden hebben. Maar Barmhartig klopte opnieuw; en na enige tijd deed de Poortwachter open, en zij werd binnengelaten; en allen waren welkom en vergeven door de Heere van de weg.

‘Toen liet Hij hen een tijdje alleen in een zomerkamer beneden, waar zij met elkaar in gesprek kwamen; en Christin begon aldus: “O Heere, hoe blij ben ik dat wij hier binnengekomen zijn!”

Barmhartig: “Dat mag u ook wel zijn; maar ik heb boven allen reden om van vreugde op te springen.”

Christin: “Ik dacht een tijd, toen ik aan de poort stond (omdat ik geklopt had en niemand antwoordde), dat al onze moeite verloren was, vooral toen die lelijke hond zo vreselijk tegen ons blafte.”

Barmhartig: “Maar mijn grootste vrees was nadat ik zag dat u in Zijn gunst werd aangenomen en ik achtergelaten werd. Nu, dacht ik, is vervuld wat geschreven is: ‘Er zullen twee vrouwen malen in den molen; de ene zal aangenomen en de andere zal verlaten worden’ (Matth. 24:41). Ik had veel moeite mij te bedwingen om niet uit te roepen: ‘Verloren! Verloren!’ En ik was bang nog eens te kloppen; maar toen ik opkeek naar wat boven de poort geschreven stond, vatte ik moed. Ik dacht ook dat ik of nog eens moest kloppen, of sterven; dus klopte ik, maar ik kan niet zeggen hoe, want mijn geest worstelde tussen leven en dood.”

Christin: “Kunt u niet zeggen hoe u klopte? Ik ben er zeker van dat uw kloppen zo ernstig was dat zelfs het geluid ervan mij deed schrikken; ik dacht dat ik nooit in mijn leven zulk kloppen gehoord had; ik dacht dat u met geweld naar binnen wilde komen of het koninkrijk stormenderhand wilde innemen (Matth. 11:12).”

Barmhartig: “Helaas, wie in mijn toestand was, had die niet hetzelfde gedaan? U zag dat de deur voor mij gesloten werd en dat er een zeer wrede hond in de buurt was. Wie, zeg ik, die zo kleinmoedig was als ik, zou niet met alle kracht geklopt hebben? Maar zeg mij, wat zei mijn Heere van mijn onstuimigheid? Was Hij niet toornig op mij?”

Christin: “Toen Hij uw onstuimige lawaai hoorde, glimlachte Hij wonderlijk onschuldig; ik geloof dat wat u deed Hem wel beviel, want Hij liet niets van het tegendeel merken. Maar ik verwonder mij in mijn hart waarom Hij zo’n hond houdt; als ik dat tevoren geweten had, vrees ik dat ik niet genoeg moed zou hebben gehad om mij op deze wijze te wagen. Maar nu wij binnen zijn, zijn wij binnen; en ik ben er van ganser harte blij om.”

Barmhartig: “Ik wil, als u het goed vindt, de eerstvolgende keer dat Hij beneden komt vragen waarom Hij zo’n vuile hond in Zijn hof houdt. Ik hoop dat Hij het mij niet kwalijk zal nemen.”

“Ja, doe dat,” zeiden de kinderen, “en overreed Hem hem op te hangen; want wij zijn bang dat hij ons zal bijten als wij hier weggaan.”’

U ziet dat de kinderen de hond opgehangen wilden zien, zoals de zwarte man die zei: ‘Als God zoveel sterker is dan de duvel, waarom maakt Hij de duvel dan niet dood?’ Ik heb vaak hetzelfde gewenst, maar het behaagt de Meester niet zo.

‘Zo kwam Hij ten slotte weer naar beneden tot hen; en Barmhartig viel voor Hem neer op haar aangezicht en aanbad en zei: “Laat mijn Heere het offer des lofs welgevallig zijn dat ik Hem nu aanbied met de varren mijner lippen.”

Toen zei Hij tot haar: “Vrede zij u; sta op.” Maar zij bleef op haar aangezicht liggen en zei: “Gij zoudt rechtvaardig zijn, o Heere, wanneer ik tegen U zou twisten; ik zal nochtans van Uw oordelen met U spreken (Jer. 12:1). Waarom houdt U zo’n wrede hond in Uw hof, bij het zien waarvan zulke vrouwen en kinderen als wij bijna van Uw poort wegvluchten uit angst?”

Hij antwoordde en zei: “Die hond heeft een andere eigenaar; hij wordt ook vast gehouden op andermans grond; alleen Mijn pelgrims horen zijn geblaf; hij behoort bij het kasteel dat u daar op een afstand ziet, maar kan tot aan de muren van deze plaats komen. Hij heeft menig eerlijk pelgrim van slechter naar beter doen gaan door de grote stem van zijn gebrul. Inderdaad, hij die hem bezit, houdt hem niet uit enige welwillendheid jegens Mij of de Mijnen, maar met het doel de pelgrims ervan te weerhouden tot Mij te komen en hen bang te maken aan deze poort te kloppen om binnen te komen. Soms is hij ook losgebroken en heeft hij sommigen die Ik liefhad, aangevallen; maar Ik verdraag alles voorlopig met geduld. Ook geef Ik Mijn pelgrims tijdige hulp, zodat zij niet aan zijn macht worden overgeleverd om hun aan te doen wat zijn hondse aard hem ingeeft. Maar kom! Mijn gekochte, ik vertrouw dat u, al had u tevoren nog zoveel geweten, niet bang zou zijn geweest voor een hond. De bedelaars die van deur tot deur gaan, lopen, liever dan een vermeende aalmoes te missen, het gevaar van het gebulder, het geblaf en ook het bijten van een hond; en zou een hond (een hond in andermans hof, een hond wiens geblaf Ik ten voordele van pelgrims laat uitvallen) iemand ervan kunnen weerhouden tot Mij te komen? Ik verlos hen van de leeuwen, Mijn lieveling van de macht van de hond.”’

De verzoekingen van arme zoekende zielen komen dus niet van de Heilige Geest. Zij komen van de duivel. Merk op dat de Heere zei: ‘Ik verdraag alles voorlopig met geduld.’ God toont, denk ik, Zijn grote lankmoedigheid door zelfs de duivel te verdragen. Bovendien voegde Hij eraan toe dat Hij het geblaf van de hond ten voordele van de pelgrims laat uitvallen. Sommigen van hen zouden half slapend aan de poort komen; maar wanneer de hond blafte, maakte dat hen ernstig. Er is terecht gezegd dat een brullende duivel te verkiezen is boven een slapende duivel. Het is beter vol vrees en beven te zijn dan te slapen. Zo stuurt de Heere de verzoekingen van Satan ten goede voor arme zondaren die komen. Welnu, hang de hond dan niet op, maar laat hem ten goede gebruikt worden. Alleen, arme zondaar: vrees hem niet. Kom tot Jezus, bevende. Moge de Heilige Geest u in staat stellen te komen en Hem voor eeuwig en altijd de uwe te noemen, en laat dan de honden zo hard blaffen als zij willen.

Laten wij nu overgaan naar het einde van de wonderlijke droom en Christin en haar vrienden aan de oever van de rivier zien.

Hoe, denkt u, beschouwden de pelgrims die in het land Beulah woonden de dood? Het was beslist geen onderwerp van droefheid. Hier volgt de bekoorlijke beschrijving van de vreugden van het grensland van de hemel:

‘Hierna zag ik hoe zij in het land Beulah kwamen, waar de zon dag en nacht schijnt. Hier begaven zij zich, omdat zij vermoeid waren, een poosje ter rust; en omdat dit land voor de pelgrims gemeenschappelijk was, en omdat de boomgaarden en wijngaarden die hier waren, aan de Koning van het Hemelse Land toebehoorden, werd hun toegestaan ruim gebruik te maken van al Zijn dingen. Maar een korte tijd verkwikte hen hier spoedig; want de klokken luidden zo en de trompetten klonken onophoudelijk zo lieflijk dat zij niet konden slapen; en toch ontvingen zij zoveel verkwikking alsof zij hun slaap ten volle hadden uitgeslapen. Ook was hier het geluid van hen die in de straten wandelden: “Er zijn weer pelgrims naar de stad gekomen.” En een ander antwoordde: “En zovelen gingen over het water en werden heden binnengelaten door de gouden poorten.” Zij riepen weer: “Er is nu juist een legioen Blinkenden naar de stad gekomen, waaruit wij weten dat er nog meer pelgrims op de weg zijn; want hier komen zij om hen op te wachten en hen te troosten na al hun verdriet.” Toen stonden de pelgrims op en wandelden heen en weer; maar hoe werden hun oren nu gevuld met hemelse geluiden en hun ogen verrukt door hemelse gezichten! In dit land hoorden zij niets, zagen zij niets, voelden zij niets, roken zij niets, proefden zij niets wat hun maag of hun geest onaangenaam was; alleen toen zij proefden van het water van de rivier waarover zij moesten gaan, vonden zij dat het aan het verhemelte een weinig bitter smaakte, maar het bleek zoet toen het gedronken was.’

Hun grote vreugde was dat er andere pelgrims aankwamen waar zij waren en dat sommigen elke dag de rivier overstaken. De heiligen die het land Beulah hebben bereikt, behoren zich te verheugen wanneer zij horen dat pelgrims de rivier oversteken. Als wij volle geloof hebben, zullen wij met grote blijdschap denken aan de dierbaren die zijn ingegaan om de Koning te zien in Zijn schoonheid; en in plaats van treurig te zeggen: ‘Zij zijn dood’, zullen wij triomferend uitroepen: ‘Zij zijn nu buiten het bereik van de dood!’ In plaats van te veronderstellen dat wij hen verloren hebben, zullen wij beseffen dat zij ons slechts een korte tijd zijn voorgegaan; wij zijn op weg en zullen weldra thuis zijn, en gezegend zal de dag zijn waarop wij hen in heerlijkheid terugzien.

‘Terwijl zij hier lagen en wachtten op het goede uur, ontstond er een gerucht in de stad dat er een bode van de Hemelse Stad gekomen was met een boodschap van groot belang voor een zekere Christin, de vrouw van Christen, de pelgrim. Er werd dus naar haar geïnformeerd, en het huis waar zij was, werd gevonden; en de bode overhandigde haar een brief, waarvan de inhoud luidde: “Wees gegroet, goede vrouw! Ik breng u de tijding dat de Meester u roept en verwacht dat u binnen tien dagen in Zijn tegenwoordigheid zult staan, in klederen der onsterfelijkheid.”

Toen hij haar deze brief had voorgelezen, gaf hij haar daarbij een zeker teken dat hij een ware boodschapper was en gekomen om haar te zeggen dat zij zich moest haasten te gaan. Het teken was een pijl met een punt, door liefde gescherpt, die gemakkelijk in haar hart werd gelaten en die allengs zo krachtig bij haar werkte dat zij op de vastgestelde tijd moest gaan.’

Zo is het nog steeds met pelgrims: zij hebben hun pijlen, gescherpt met liefde, een maand, of een jaar, of langer vóór de tijd die voor hun heengaan is bepaald. Zij ontvangen bericht dat de Meester hen weldra verwacht; en zij rijpen en worden mild van geest.

‘Toen Christin zag dat haar tijd gekomen was en dat zij de eerste van dit gezelschap was die moest overgaan, liet zij meneer Groothart, haar gids, roepen en vertelde hem hoe de zaken stonden. Hij zei haar dat hij hartelijk blij was met het nieuws, en dat hij blij zou zijn geweest als de bode voor hem gekomen was. Toen verzocht zij hem raad te geven hoe alle dingen voor haar reis klaargemaakt moesten worden. Hij vertelde haar: “Zus en zo moet het zijn; en wij die achterblijven, zullen u tot aan de oever van de rivier vergezellen.”

Toen riep zij haar kinderen en gaf hun haar zegen; en zij vertelde hun dat zij nog met troost het merkteken las dat op hun voorhoofden was gezet, en blij was hen daar bij zich te zien en dat zij hun klederen zo wit gehouden hadden. Ten slotte vermaakte zij aan de armen het weinige dat zij had en gebood haar zonen en dochters gereed te zijn tegen de tijd dat de boodschapper voor hen zou komen.’

Zodra Christin haar teken ontving, deed zij wat de meeste christenen doen: zij liet haar predikant roepen, die meneer Groothart heette, want hij had haar en haar gezin op de pelgrimsreis geholpen tot zij aan de rivier waren gekomen; en wat, denkt u, zei meneer Groothart toen zij hem vertelde dat er een pijl in haar hart was gedrongen? Ging hij zitten en met haar huilen? Nee, ‘hij zei haar dat hij hartelijk blij was met het nieuws, en dat hij blij zou zijn geweest als de bode voor hem gekomen was.’ En hoewel ik geen meneer Groothart ben, kan ik naar waarheid hetzelfde zeggen. U en ik moeten deze boodschap niet vrezen, maar kunnen er zelfs naar verlangen en hen benijden die ons voorgaan in de tegenwoordigheid van de Welbeminde en als eersten het hoofd mogen leggen op die borst waarvan zij het nooit meer zullen willen opheffen, want daarin vinden zij vreugde en zaligheid voor eeuwig.

Christin zag haar heengaan niet met enige spijt tegemoet; zij nam liefdevol afscheid van haar kinderen en al haar vrienden en medepelgrims. En evenmin zien onze dierbare vrienden, die van onze zijde worden weggeroepen, de dood met enige vrees tegemoet. Wanneer wij met hen zitten te praten over de toekomende wereld, is ons gesprek dat van mensen die zich zouden verblijden wanneer een van ons in de rust inging en er zeker van zijn elkaar aan de andere kant van de rivier terug te zullen zien.

‘Nu naderde de dag waarop Christin heen moest gaan. De weg was vol mensen om haar haar reis te zien beginnen. Maar zie, de hele oever aan de andere kant van de rivier was vol paarden en wagens, die van boven waren neergekomen om haar naar de poort van de stad te vergezellen. Zo kwam zij naar voren en ging de rivier in, met een wenk van afscheid aan hen die haar tot aan de oever van de rivier gevolgd waren. De laatste woorden die men haar hier hoorde zeggen, waren: “Ik kom, Heere, om bij U te zijn en U te loven!”

Zo keerden haar kinderen en vrienden terug naar hun plaats, want zij die op Christin gewacht hadden, hadden haar aan hun gezicht onttrokken. Zo ging zij en riep en ging binnen door de poort met al de plechtigheden van vreugde die haar man Christen vóór haar had gehad. Bij haar vertrek weenden haar kinderen. Maar meneer Groothart en meneer Dapper-voor-de-Waarheid speelden van vreugde op de welluidende cimbaal en harp.’

Wat denkt u dat zij in de hemel zeggen over onze dierbaren die in Jezus ontslapen? Wel, de engelen zullen hen tegemoetkomen! Lazarus stierf en werd door de engelen gedragen in de schoot van Abraham, en dat gebeurt met alle heiligen. Ja, de engelen komen de heiligen tegemoet en vergezellen hen naar hun eeuwige zetels. Zij rouwen niet wanneer de zonen van God in de heerlijkheid komen. Zij steken hun glinsterende handen uit en zeggen: ‘Welkom, broeder; welkom, zuster! U bent lang pelgrims geweest; nu zult u voor eeuwig rusten. Welkom in uw eeuwige huis!’ En hoe, denkt u, zien de heiligen in het licht de aankomst van wie iets later komen? Ongetwijfeld verwelkomen zij hen met vrolijk gejuich; en door al de gouden straten rennen zij en roepen: ‘Er zijn weer pelgrims naar de stad gekomen! Er zijn weer pelgrims naar de stad gekomen! Er zijn weer verlosten thuisgekomen!’ En de Heere Jezus Christus glimlacht en zegt: ‘Vader, Ik dank U omdat die, die Gij Mij gegeven hebt, bij Mij zijn waar Ik ben.’ Hij verwelkomt hen. En ook God de Vader is blij hen in de heerlijkheid te begroeten. Bent u niet allen blij wanneer uw kinderen thuiskomen? Is er een man onder u die zich niet verheugt zijn jongens en meisjes terug te zien komen, al is het maar voor de korte vakantie? Wij horen graag hun lieve stemmen, ook al vallen zij ons soms lastig; maar zij zijn onze eigen kinderen, ons eigen kroost, en op de een of andere manier is er in onze oren geen stem zo lieflijk als de hunne; en voor God is er geen muziek als de stemmen van Zijn kinderen. Hij is blij hen thuis te krijgen bij Zichzelf, om nooit meer uit te gaan. En de gezegende Geest ook, laten wij Hem niet vergeten: Hij verheugt Zich de heilige zielen te zien die Hij opnieuw gevormd heeft, die Hij zoveel jaren bestreden, aan wie Hij zoveel jaren gewerkt heeft. Zoals een werkman zich verheugt over zijn voltooide werk, zo verheugt de Geest van God Zich over hen die Hij deelgenoot heeft gemaakt van de erfenis der heiligen in het licht.

Bunyan zegt het prachtig:

‘Maar heerlijk was het te zien hoe het bovenste gewest vervuld was met paarden en wagens, met trompetters en pijpers, met zangers en spelers van snaarinstrumenten, om de pelgrims te verwelkomen terwijl zij opgingen en achter elkaar ingingen door de schone poort van de stad.’

Broeders en zusters, als u in Christus bent, wees niet bang om te sterven; want sterfgenade zal u gegeven worden voor uw stervensogenblikken.

Denk eraan hoe deze pelgrims de rivier overstaken. Meneer Standvastig zei: ‘De wateren zijn inderdaad bitter voor het gehemelte en koud voor de maag; maar toch ligt de gedachte aan de plaats waarheen ik ga en aan het geleide dat mij aan de overkant wacht, als een gloeiende kool op mijn hart.’ Hij zei ook: ‘Deze rivier is voor velen een schrik geweest, ja, de gedachten eraan hebben mij ook dikwijls verschrikt. Nu, dunkt mij, sta ik gemakkelijk; mijn voet staat vast op datgene waarop de voeten der priesters rustten die de ark des verbonds droegen, toen Israël door deze Jordaan ging.’

Denk eraan hoe de arme meneer Gereed-tot-hinken zijn krukken achterliet. Bent u daar niet blij om, beste vriend, u die al jaren gereed bent om te hinken? Er was de dierbare oude meneer Kleinmoedig, die tot Dapper-voor-de-Waarheid zei: ‘Wat mijn zwakke geest betreft, die zal ik achterlaten, want ik heb er geen behoefte aan in de plaats waarheen ik ga. Hij is het ook niet waard aan de armste pelgrim te worden gegeven; daarom verzoek ik u, meneer Dapper, dat u hem, wanneer ik weg ben, wilt begraven in een mesthoop.’ En dan was er de arme meneer Wankelmoedig, met zijn dochter Zeer-Bevreesd, die samen de stroom overstaken. ‘De laatste woorden van meneer Wankelmoedig waren: “Vaarwel, o nacht; o, welkom dag!”’ Wat juffrouw Zeer-Bevreesd betreft: zij ging zingend door de rivier, maar niemand kon precies verstaan wat de woorden waren; zij scheen buiten staat haar verrukking uit te drukken.

O, het is wonderlijk hoe deze pelgrims zich houden wanneer zij gaan sterven! Zij mogen beven zolang zij leven; maar zij beven niet wanneer zij sterven. De zwakste onder hen worden dan de sterkste. Ik heb vele pelgrims op de weg geholpen, en onder hen enkele meneer Kleinmoedigen en meneer Vrezendes, en een zeer grote zorg zijn zij mij geweest tijdens de reis; maar op het laatst was de rivier of leeg, en zij gingen er droogvoets doorheen, of, wanneer zij in het diepste ervan kwamen, hielden zij zich zo manhaftig dat ik verbaasd stond. Ik had nooit gedacht dat zij zo dapper konden zijn. Zij zijn eerder over een strootje gestruikeld; maar in de dood hebben zij bergen beklommen. Zij waren de zwakste, schuchterste mensen, als mussen, die u maar kon ontmoeten; en nu nemen zij arendsvleugels aan om weg te vliegen.

Daarom raad ik u aan: ga naar de graven van uw geliefden met gezangen van blijdschap. Sta daar, en als u een traan laat vallen, laat dan de glimlach van uw dankbaarheid aan God hem verlichten en tot een edelsteen veranderen; en ga dan naar huis, ieder van u, en wacht vol vertrouwen tot uw eigen verandering komt. Wat mijzelf betreft: zoals ik u vaak heb herinnerd aan het slot van onze blijde sabbatsdiensten in de grote gemeente in het Tabernakel, zo zeg ik het nogmaals:

‘Al wat mij nog rest
is liefhebben en zingen,
en wachten tot de engelen komen
om mij naar hun Koning te dragen.’

© 2026 Teun van der Plas Alle rechten voorbehouden.

De Nederlandse vertaling van ‘Pictures from Pilgrim’s Progress’ van Charles H. Spurgeon (1903) is een uitgave van Teun van der Plas. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd of openbaar gemaakt zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de vertaler.

Steun ons met een donatie

Uw steun helpt ons om Het Spurgeon Archief in stand te houden. Dankzij uw bijdrage kunnen wij ons werk voortzetten en dit waardevolle archief gratis aanbieden en vrijhouden van reclame en commerciële invloeden.

Wij danken u hartelijk voor uw steun en betrokkenheid!

Archiefhulpmiddelen

Contact

Heeft u een tekstfout gevonden, of heeft u een vraag? Stuur dan een E-mail naar: [email protected]

Over de Auteur

C.H. Spurgeon

1834 – 1892 Was een Engelse baptistenpredikant in de puriteinse traditie. Belangrijke onderwerpen uit zijn prediking waren de vergeving van zonden en de noodzaak van wedergeboorte.

Onze Socials:

Copyright & Content