Een preek uitgesproken op zondagmorgen 5 april 1863 door C. H. Spurgeon in de Metropolitan Tabernacle te Newington.

Indien wij nu met Christus gestorven zijn, zo geloven wij, dat wij ook met Hem zullen leven; Wetende, dat Christus, opgewekt zijnde uit de doden, niet meer sterft; de dood heerst niet meer over Hem. Want dat Hij gestorven is, dat is Hij der zonde eenmaal gestorven; en dat Hij leeft, dat leeft Hij Gode. Alzo ook gijlieden, houdt het daarvoor dat gij wel der zonde dood zijt, maar Gode levende zijt in Christus Jezus, onzen Heere. Romeinen 6:8-11
De apostelen dwaalden nooit ver af van de eenvoudige feiten van het leven, het sterven, de opstanding, de hemelvaart, de verhoging en de wederkomst van Christus. Deze dingen, waarvan zij getuigen waren, vormden de hoofdzaak van al hun preken. Newton heeft terecht opgemerkt dat ons geloof op twee pijlers rust: het werk van Christus vóór ons, en Zijn werk ín ons door de Heilige Geest. Wie de apostelen zoekt, zal hen ongetwijfeld tussen deze twee pijlers aantreffen. Ofwel spreken zij over de vrucht van Christus’ lijden tot onze rechtvaardiging, ofwel over dat even heerlijke gevolg daarvan: ons afsterven aan de wereld en ons opstaan tot een nieuw leven.Wat een scherpe terechtwijzing is dit voor hen die in onze tijd voortdurend naar nieuwigheden hunkeren! Er mag dan veel van de geest van Athene in de gemeenten rondwaren, dat is nog geen reden om dit ook onder predikers te dulden. Juist wij zouden de laatsten moeten zijn die onze tijd verspillen aan de jacht op iets nieuws.
Onze taak, mijn broeders en zusters, is het eeuwenoude werk van de apostolische tongen voort te zetten: Jezus verkondigen, Die gisteren en heden Dezelfde is en in der eeuwigheid. Wij zijn slechts spiegels die de gebeurtenissen van Golgotha weerkaatsen; wij zijn verrekijkers die de verre heerlijkheden van een verhoogde Verlosser tonen. Hoe dichter wij bij het kruis blijven, des te dichter wij, dunkt mij, bij onze ware roeping blijven.
Wanneer het de Heere behaagt om Zijn Kerk opnieuw een vurige liefde voor Christus terug te geven, en wij weer een bediening ontvangen die niet slechts naar Christus smaakt, maar waarin Jezus Zelf de hoofdzaak en de kern is – dan zullen de gemeenten herleven. Dan zal de bestemde tijd aanbreken om Sion genadig te zijn! De prachtige ceder, die vanouds aan de waterstromen was geplant en zijn takken wijd en zijd uitstrekte, is in deze moderne tijd verworden tot een boom die door Chinese kunst klein is gehouden. Hij staat nog steeds aan het water, maar hij bloeit niet.
Maar geve God de Heilige Geest ons opnieuw de vrijmoedige en heldere prediking van Christus de Gekruisigde, in alle eenvoud en ernst. Dan zal deze dwerg weer uitgroeien tot een woudreus! Elke ontluikende knop zal in weelderig loof uitbarsten en de ceder zal zich opnieuw machtig verheffen, totdat de vogelen des hemels in zijn takken nestelen.
Ik hoef mij dan ook niet te verontschuldigen dat ik preek over de dingen waaraan de apostelen al hun tijd wijdden. Het zijn immers deze zaken die ontelbare zegeningen op de komende generaties zullen doen neerdalen.
I. DE FEITEN DIE IN DEZE VIER VERZEN WORDEN GENOEMD, VORMEN HET HEERLIJKE EVANGELIE DAT WIJ PREKEN.
1. Het eerste feit dat hier zo duidelijk wordt aangewezen, is dat Jezus stierf. Hij, Die goddelijk was en dus onsterfelijk, boog Zijn hoofd voor de dood! Hij, Wiens menselijke natuur onlosmakelijk verbonden was met de almacht van Zijn Goddelijkheid, onderwierp Zich vrijwillig aan het zwaard van de dood. Hij, Die zuiver en volmaakt was, verdiende de dood niet – de dood is immers het loon van de zonde. Toch verlaagde Hij Zich om onzentwil en gaf Hij Zich over om te sterven.
Dit is de tweede toon in de toonladder van het Evangelie. De eerste toon is de menswording. Jezus Christus werd mens; de engelen achtten dit hun liederen waardig en lieten de hemelen weerklinken van middernachtelijke melodieën. De tweede toon is deze: in gedaante gevonden als een mens, heeft Hij Zichzelven vernederd, gehoorzaam geworden zijnde tot den dood, ja, den dood des kruises.
Hij stierf als een offer. Nadat er in de loop der eeuwen talloze lammeren uit aardse kudden hun bloed hadden gestort aan de voet van het altaar, was het, dunkt mij, een wonderlijk schouwspel om te zien hoe Gods Lam naar datzelfde altaar werd gebracht om te worden geofferd! Hij is zonder vlek of rimpel, of iets dergelijks. Hij is de Eerstgeborene van de kudde. Hij is de Enige van de grote Meester, een waarlijk koninklijk, hemels Lam! Zulk een Lam was nooit eerder gezien. Hij is het Lam Dat in de hemel wordt aanbeden en Dat tot in alle eeuwigheid zal worden vereerd.
Zal dat heilige hoofd Zich verwaardigen om de bijl te voelen? Zal dat heerlijke slachtoffer werkelijk worden geslacht? Is het mogelijk dat Gods Lam Zich daadwerkelijk aan de dood zal onderwerpen? Hij doet het, en wel zonder verzet. Hij is stom in het slachthuis, voor het aangezicht van Zijn slachters. Hij geeft het warme bloed van Zijn hart over in de handen van de beul, om zo de toorn van God te verzoenen.
Laat de hemel weerklinken van muziek en laat de hel vervuld worden met verwarring! Jezus, de eeuwige Zoon van God, het Lam van Jehova’s pascha, stierf! Zijn handen werden doorboord. Zijn hart werd gebroken. En om te bewijzen hoe trefzeker de speer het doel had geraakt, vloeide Zijn levensbloed in een dubbele stroom op de aarde. Jezus stierf!
Mocht hierover ook maar de geringste twijfel bestaan, dan is tegelijkertijd uw en mijn redding twijfelachtig. Als er reden was om dit feit in twijfel te trekken, dan zouden wij evengoed de mogelijkheid van ons behoud in twijfel kunnen trekken! Maar Jezus stierf, en de zonde is weggedaan. Het offer stijgt rokend op naar de hemel. Jehova ruikt een liefelijke reuk. Dankzij Christus, het ware Offer, behaagt het Hem nu om de gebeden, de gaven en de personen van Zijn volk ten volle te aanvaarden.
Hij stierf niet alleen als slachtoffer; Hij stierf als Plaatsvervanger! Wij waren opgeroepen als soldaten voor de grote oorlog, maar wij konden niet gaan. Wij waren immers zwak en zouden in de strijd onherroepelijk zijn gesneuveld, waarna onze beenderen zouden zijn achtergelaten om door de hellehonden te worden verslonden. Maar Hij, de machtige Zoon van God, werd onze Plaatsvervanger.
Hij betrad het slagveld en weerstond de eerste aanval van de tegenstander in de woestijn. Tot driemaal toe sloeg Hij de grimmige vijand en zijn hele legermacht terug. Hij trof Zijn aanvallers met het zwaard van de Geest, totdat de vijand op de vlucht sloeg en engelen de vermoeide Overwinnaar dienden.
Toch was de strijd nog niet voorbij. De vijand had zich slechts teruggetrokken om nieuwe wapens te smeden en zijn verstrooide troepen te verzamelen voor een nog verschrikkelijker slag. Drie jaar lang hield de grote Plaatsvervanger stand tegen de onophoudelijke aanvallen van de voorhoede van de vijand, en in elke schermutseling bleef Hij de overwinnaar. Geen tegenstander durfde zich openlijk te vertonen. En werd er van veraf toch een pijl op Hem afgevuurd, dan ving onze Plaatsvervanger die moeiteloos op met Zijn schild en lachte Hij Zijn vijanden uit! Duivelen werden uitgedreven uit talloze bezetenen. Hele legioenen moesten hun toevlucht zoeken in een kudde zwijnen, en Lucifer zelf viel als een bliksem uit de hemel, beroofd van zijn macht.
Eindelijk brak de tijd aan dat de hel al haar krachten had gebundeld. Nu was ook het uur gekomen waarin Christus, als onze Plaatsvervanger, Zijn gehoorzaamheid tot het uiterste moest voeren. Hij moest gehoorzaam zijn tot de dood! Tot op dit moment was Hij onze Plaatsvervanger geweest. Zou Hij deze plaatsvervangende rol nu plotseling neerleggen? Zou Hij nu onze lasten van Zich afwerpen en oordelen dat wij zelf maar moesten standhouden? Nee, Hij niet! Hij had dit werk op Zich genomen en zou het volbrengen.
Zelfs toen Hij grote druppels bloed zweette, deinsde Hij niet terug voor de gruwelijke aanval. Gewond in handen en voeten hield Hij stand. En hoewel Hij uit gehoorzaamheid Zijn hoofd boog om te sterven, doodde Hij juist door dat sterven de dood. Hij zette Zijn voet op de nek van de draak, vermorzelde de kop van de oude slang en sloeg onze tegenstanders zo fijn als het stof van de dorsvloer.
Ja, de gezegende Plaatsvervanger is gestorven. Als hierover ook maar de minste twijfel bestond, dan zouden wij wellicht zélf moeten sterven. Maar omdat Hij voor ons stierf, zal de gelovige niet sterven! De schuld is tot de laatste penning betaald. De rekening is vereffend, de balans is opgemaakt. De weegschalen van Gods gerechtigheid slaan in ons voordeel door. Gods zwaard is voorgoed in de schede gestoken, en het bloed van Christus heeft het daarin verzegeld. Wij zijn vrij, want Christus werd gebonden! Wij leven, want Jezus stierf!
Nu Hij aldus stierf als Offer en als Plaatsvervanger, is het ons tot grote troost te weten dat Hij óók stierf als Middelaar tussen God en mensen. Er was een grote kloof gevestigd, zodat wij niet tot God konden oversteken. En ook Hij kon niet tot ons komen, zelfs al zou Hij Zich daartoe verwaardigen. Er was geen enkele mogelijkheid om deze afgrond te dichten, tenzij er iemand werd gevonden die zich, net als de oude Romein Curtius, daarin zou werpen.
Daar komt Jezus, getooid in Zijn hogepriesterlijke gewaden, met het borstschild aan en de efod om Zich heen; een Priester in der eeuwigheid, naar de ordening van Melchizedék. Ook Zijn koninklijke waardigheid blijft niet verborgen, want Zijn hoofd is gesierd met een schitterende kroon, en over Zijn schouders draagt Hij de profetenmantel. Hoe zal ik de weergaloze heerlijkheid beschrijven van deze Profeet-Koning, de Koninklijke Priester? Zal Hij Zich in de afgrond werpen? Ja, dat zal Hij! Hij stort Zich in het graf, en de afgrond sluit zich! De kloof is overbrugd en God kan weer gemeenschap hebben met de mens.
Ik zie in gedachten het zware voorhangsel voor mij, dat de plaats waar Gods heerlijkheid schittert, aan sterfelijke ogen onttrekt. Niemand mag dat voorhangsel aanraken, op straffe van de dood. Is er iemand die het kan scheuren? Degene Die dat kan, mag naderen tot de genadetroon. Ach, kon het voorhangsel, dat onze zielen scheidt van Hem Die tussen de cherubs woont, maar van boven naar beneden scheuren! Sterke aartsengel, zou u het durven verscheuren? Zelfs als u dit werk zou wagen, zou u uw onsterfelijkheid verbeuren en moeten sterven.
Maar Jezus komt, de onsterfelijke, onzienlijke Koning. Met Zijn sterke handen scheurt Hij het voorhangsel in tweeën, van boven tot beneden. Nu mogen mensen met vrijmoedigheid naderen, want toen Jezus stierf, werd er een levende weg geopend! Zing, o hemelen, en verheug u, o aarde! Er is nu geen middelmuur des afscheidsels meer, want Christus heeft die afgebroken! Christus heeft de poorten van de dood weggedragen – de deuren, de posten, grendels en al. Als een tweede Simson heeft Hij ze op Zijn schouders geladen en ver weggebracht.
Dit is dus één van de machtige tonen van het Evangelie: het feit dat Jezus stierf! O, u die behouden wilt worden: geloof dat Jezus stierf! Geloof dat de Zoon van God de geest gaf! Vertrouw op Zijn dood tot uw redding, en u bent behouden! Het is geen ondoorgrondelijk mysterie. Het vraagt geen geleerde woorden of gepolijste zinnen. Jezus stierf: het Offer rookt, de Plaatsvervanger bloedt, de Middelaar overbrugt de kloof. Jezus sterft. Geloof en leef!
2. Maar Jezus staat op. Dit is geen gering deel van het Evangelie. Hij sterft. Men legt Hem in een nieuw graf en balsemt Zijn lichaam met specerijen. Zijn tegenstanders zorgen ervoor dat Zijn lichaam onmogelijk gestolen kan worden. De steen, de verzegeling en de wacht getuigen stuk voor stuk van hun waakzaamheid. Aha! Aha! Wat doet u, o mensen? Denkt u de Onsterfelijkheid in een graf te kunnen opsluiten? Ik twijfel er niet aan dat ook de duivelen uit de hel de wacht hielden bij het graf, zich afvragend wat dit alles te betekenen had.
Maar de derde dag breekt aan, en daarmee verschijnt de bode uit de hemel! Hij raakt de steen aan en deze rolt weg. Hij gaat erop zitten, alsof hij het hele heelal uitdaagt om die steen ooit nog terug te rollen. Jezus ontwaakt als een sterke man uit Zijn slaap. Hij neemt de zweetdoek van Zijn hoofd en legt die terzijde. Hij wikkelt de linnen doeken los waarin de liefde Hem had gehuld en legt ook deze keurig apart. Hij had immers ruim de tijd, Hij had geen enkele haast.
Hij vluchtte niet als een misdadiger die uit de gevangenis breekt, maar vertrok als Eén voor Wie de rechtmatige tijd van ontslag is aangebroken. Vol majesteit en zonder haast verlaat Hij Zijn cel. Hij stapt naar buiten, de open lucht in: stralend, schitterend, heerlijk en schoon. Hij leeft! Eénmaal stierf Hij, maar Hij is opgestaan uit de doden.
Wij hoeven hierover niet verder uit te weiden. Wij staan er enkel bij stil dat dit één van de meest jubelende tonen is in de hele toonladder van het Evangelie. Want u ziet, broeders en zusters, wat een rijke verborgenheden – als de talloze pitten in een granaatappel – er allemaal besloten liggen in deze gouden appel van de opstanding! De dood is overwonnen!
Hier is een Mens gevonden Die op eigen kracht met de dood kon worstelen en hem tegen de vlakte wierp! Het graf is geopend. Er is een Mens gevonden Die de grendels van het graf kon wegslaan en zijn schatten kon ontroven! En daarom, broeders en zusters, nu Hij Zichzelf heeft bevrijd, is Hij ook volkomen bij machte om anderen te bevrijden.
Ook de zonde was hiermee onomstotelijk vergeven. Christus was immers in de gevangenis opgesloten als gijzelaar; Hij werd daar vastgehouden als onze Borg. Nu Hij vrij mag uitgaan, is dat een verklaring van Godswege dat Hij niets meer tegen ons heeft! Onze Plaatsvervanger is uit Zijn hechtenis ontslagen, en daarmee zijn óók wij ontslagen! Hij, Die het op Zich nam om onze schuld te betalen, mag vrijuit gaan. In Hem gaan wij vrij! Hij is opgewekt om onze rechtvaardigmaking.
Meer nog: doordat Hij uit de doden opstaat, geeft Hij ons het onderpand dat de hel volkomen overwonnen is. Dit was immers het grote doel van de hel: Christus onder haar hiel houden. “Gij zult Hem de hiel vermorzelen.” Zij hadden de hiel van Christus – Zijn sterfelijk vlees – in hun macht gekregen, maar die vermorzelde hiel kwam volkomen ongedeerd tevoorschijn. Christus leed geen enkele schade door Zijn sterven. Hij was even heerlijk, zelfs in Zijn menselijke natuur, als voordat Hij de geest gaf. “Gij zult Mijn ziel in de hel niet verlaten; Gij zult niet toelaten, dat Uw Heilige de verderving zie.”
Geliefden, hierin zullen wij zegevieren: de hel is verslagen, de satan is beschaamd en al zijn legermachten zijn gevallen voor Immanuël!
Zondaar, geloof dit. Het is het Evangelie van uw redding. Geloof dat Jezus van Nazareth uit de doden is opgestaan en vertrouw op Hem. Vertrouw erop dat Hij uw ziel redt! Omdat Hij de poorten van het graf verbrak, mag u er volkomen op vertrouwen dat Hij uw zonden draagt, uw persoon rechtvaardigt, uw geest levend maakt en uw dode lichaam zal opwekken. En voorwaar, voorwaar, ik zeg u: u zult behouden worden!
3. Nu slaan wij een derde toon aan, een toon zonder welke het Evangelie onvolledig zou zijn. Omdat Jezus stierf, leeft Hij nu. Na veertig dagen keert Hij niet terug naar het graf. Hij verlaat de aarde, maar langs een geheel andere weg. Vanaf de top van de Olijfberg stijgt Hij op, totdat een wolk Hem aan hun ogen onttrekt. En nu, tot op de dag van vandaag, leeft Hij! Daar zit Hij aan de rechterhand van Zijn Vader, stralend als de zon en bekleed met majesteit. Hij is de vreugde van alle verheerlijkte geesten en de opperste verrukking van Zijn Vader.
Daar zit Hij, als de Heere van de voorzienigheid. Aan Zijn gordel hangen de sleutels van hemel, aarde en hel. Daar troont Hij, wachtend op het uur waarin Zijn vijanden tot een voetbank Zijner voeten gezet zullen worden.
In gedachten zie ik Hem ook, daar Hij altijd leeft om voor ons te bidden. Hij strekt Zijn doorboorde handen uit en wijst naar Zijn borstschild, waarin de namen van Zijn volk gegraveerd staan. Om Sions wil zwijgt Hij niet, en om Jeruzalems wil rust Hij niet, dag noch nacht. Voortdurend pleit Hij: “O God, zegen Uw erfdeel! Breng Uw verstrooiden tezamen. Vader, Ik wil, dat waar Ik ben, ook die bij Mij zijn, die Gij Mij gegeven hebt.”
Gelovige, dit is voor u een bundeltje mirre, een tros van cyprus. Wees buitengewoon getroost!
“Hij leeft! De grote Verlosser leeft! Wat een vreugde geeft die gezegende zekerheid!”
Bevende boeteling, laat een levende Zaligmaker u opbeuren. Beoefen het geloof in Hem alleen, Die de onsterfelijkheid bezit. Hij leeft om uw gebed te horen. Roep tot Hem! Hij leeft om dat gebed voor het aangezicht van Zijn Vader te brengen. Geef u volkomen over in Zijn handen. Hij leeft om hen te verzamelen die Hij met Zijn bloed heeft gekocht; om degenen die eens het volk van Zijn aankoop waren, te maken tot het volk van Zijn kudde.
Zondaar, gelooft u dit als een feit? Zo ja, laat uw ziel daar dan in rusten. Laat dit schitteren als een vast vertrouwen, en u bent behouden!
4. Nog één toon, en ons evangelielied hoeft niet hoger te stijgen. Jezus stierf. Hij stond op. Hij leeft. En Hij leeft eeuwig! Hij leeft eeuwig. Hij zal niet weer sterven. “De dood heerst niet meer over Hem.” Eeuwen zullen op eeuwen volgen, maar Zijn ravenzwarte lokken zullen nooit grijs worden van de jaren. “U hebt de dauw van Uw jeugd.” Ziekte mag de wereld bezoeken en graven vullen, maar geen ziekte of plaag kan de onsterfelijke Zaligmaker raken. De schok van de laatste ramp zal hemel en aarde doen beven, totdat de sterren vallen als verdorde vijgenbladeren van de boom, maar niets zal de onveranderlijke Zaligmaker doen wankelen. Hij leeft eeuwig! Het is onmogelijk dat Hij door een nieuwe dood overwonnen zou worden.
“Voorbij is het kruis en de bloedige speer,
Geen spijkers doorboren de levende Heer!
De hel beeft van angst en ontzag voor Zijn naam,
Terwijl al de hemelen aanbidden tezaâm.“
Zou het geen vreemde leer zijn als men zich zou inbeelden dat de Zoon van God Zijn leven opnieuw als offer zou moeten geven? Hij sterft niet meer. Ook dit onthult een ander facet van ons dierbare Evangelie. Want nu Hij eeuwig leeft, is het absoluut zeker dat geen enkele vijand Hem meer kan overwinnen! Hij heeft Zijn vijanden zó verslagen en Zijn tegenstanders zó van het slagveld verdreven, dat zij het nooit meer zullen wagen om Hem aan te vallen.
Dit bewijst tegelijkertijd dat het eeuwige leven van Zijn volk volkomen gewaarborgd is. Als Jezus zou sterven, dan sterft Zijn volk. Zou Christus de hemel verlaten, dan zouden alle verheerlijkten hun tronen moeten ontruimen. Hun kronen zouden achterblijven zonder hoofd om ze te dragen, en hun harpen onberoerd door vingers die hen tot welluidende harmonie zouden wekken.
Maar Hij leeft eeuwig! O, zaad van Abraham, u bent behouden met een eeuwige redding, door de gewisse weldadigheden Davids! Uw staat, zowel op aarde als in de hemel, is voor eeuwig bevestigd. God wordt geëerd, de heiligen worden getroost en zondaars worden bemoedigd. Want: “Hij kan ook volkomenlijk behouden degenen, die door Hem tot God gaan, alzo Hij altijd leeft om voor hen te bidden.”
Nu bid ik God dat uw geloof op één van deze vier ankers rust mag vinden. Jezus stierf, arme, bevende ziel. Als Hij stierf en uw smarten op Zich nam, zal Zijn verzoening u dan niet behouden? Rust dáárop. Miljoenen zielen hebben op niets anders gerust dan op de dood van Jezus. Het is een granieten fundament dat door geen enkele storm uit de hel aan het wankelen kan worden gebracht. Grijp Zijn kruis stevig vast. Houd het vast, en het zal ú vasthouden. U kunt niet op Zijn dood vertrouwen en bedrogen uitkomen. Probeer het maar. Proef en zie, en u zult ervaren dat de Heere goed is. Niemand kan op een stervende Zaligmaker vertrouwen, zonder met Hem in het paradijs te zijn.
Maar mocht dit u niet genoeg zijn: Hij is weer opgestaan! Houd u dááraan vast. Hij heeft bewezen de Overwinnaar te zijn over uw zonden en over uw tegenstander. Kunt u dan niet op Hem vertrouwen? Ongetwijfeld hebben duizenden heiligen de rijkste troost geput uit het feit dat Jezus uit de doden is opgestaan. Hij is opgewekt om onze rechtvaardigmaking. Zondaar, klamp u daaraan vast.
Nu Hij is opgestaan, leeft Hij. Hij is geen dode Zaligmaker, Hij is geen dood offer. Hij kan onze smekingen horen en Zijn eigen pleidooi bij de Vader indienen. Vertrouw op een levende Zaligmaker. Vertrouw NU op Hem. Hij leeft eeuwig, en daarom is het nooit te laat voor Hem om u te redden. Als u tot Hem roept, zal Hij uw gebed horen, zelfs al was het in de laatste ademtocht van uw leven, want Hij leeft tot in eeuwigheid. Zelfs al was het einde der tijden aangebroken en was u de allerlaatste mens op aarde, dan nóg leeft Hij altijd om te bidden voor het aangezicht van Zijn Vader.
O, dool toch niet rond op zoek naar een andere hoop! Hier liggen vier grote fundamentstenen voor u klaar. Bouw daar uw hoop op! Een zekerder fundament kunt u zich niet wensen: Hij sterft, Hij staat op, Hij leeft, Hij leeft eeuwig! Ik zeg u, o ziel, dit is mijn énige hoop. En hoewel ik er met mijn volle gewicht op leun, wijkt het niet. Dit is de hoop van heel Gods volk, en het geeft hun volkomen vrede. Kom nu toch, ik smeek u, en rust daarop. Moge de Geest van God velen van u tot Christus brengen!
Wij hebben geen ander Evangelie. Misschien dacht u dat het iets heel moeilijks was, iets voor geleerden. Iets wat een hogeschool of universiteit u zou moeten bijbrengen. Maar het heeft volstrekt niets te maken met geleerdheid of wetenschap. Uw kleine kind kan het kennen, en uw kind kan erdoor behouden worden. Zelfs als u ongeschoold bent en nauwelijks de Bijbel kunt lezen, kunt u dít begrijpen! Hij sterft: daar is het kruis. Hij staat op: daar is het open graf. Hij leeft: daar is de pleitende Zaligmaker. Hij leeft eeuwig: daar is de blijvende verdienste. Vertrouw op Hem! Leg uw ziel in Zijn handen en u bent behouden!
Als ik u onder dit eerste hoofdpunt van mijn overdenking hoog genoeg heb gebracht, kunt u nu een stap verder zetten en iets nóg hogers bestijgen. Ik bedoel niet hoger in werkelijke waarde, maar hoger in de zin van geestelijke kennis, omdat het als een persoonlijke ervaring volgt op het objectieve feit.
II. DE GROTE FEITEN DIE IN ONZE TEKST GENOEMD WORDEN, STAAN VOOR HET HEERLIJKE WERK DAT ELKE GELOVIGE IN ZICHZELF ERVAART.
In onze tekst zien wij dood, opstanding, leven en eeuwig leven. U merkt op dat de apostel deze dingen alleen noemt om ons ons aandeel daarin te tonen. Ik lees de tekst nog eens: Indien wij nu met Christus gestorven zijn, zo geloven wij, dat wij ook met Hem zullen leven; Wetende, dat Christus, opgewekt zijnde uit de doden, niet meer sterft; de dood heerst niet meer over Hem. Want dat Hij gestorven is, dat is Hij der zonde eenmaal gestorven; en dat Hij leeft, dat leeft Hij Gode. Alzo ook gijlieden, houdt het daarvoor dat gij wel der zonde dood zijt, maar Gode levende zijt in Christus Jezus, onzen Heere.
Welnu, hieruit blijkt dat wij, net als Christus, óók dood zijn. Wij zijn dood voor de zonde, omdat de zonde ons niet langer kan veroordelen. Alle zonden die Gods volk ooit heeft begaan, durven niet meer te beschuldigen. Nog veel minder kunnen zij hén veroordelen voor wie Jezus stierf. De zonde kan een ongelovige vervloeken, maar zij mist de macht om ook maar een half woord van vervloeking te mompelen tegen een mens in Christus.
Men kan immers geen schuld meer opeisen van een dode schuldenaar. Hoewel ik een schuldenaar ben tegenover de wet, kan die wet niets meer van mij eisen, simpelweg omdat ik ben gestorven. Evenmin kan de zonde mij nog een straf opleggen. Want die gestorven is, is gerechtvaardigd van de zonde, zoals het voorgaande vers stelt. Omdat wij dood zijn voor de zonde, zijn wij volkomen onttrokken aan haar rechtsmacht! Wij vrezen haar vloek niet en wij trotseren haar macht.
De ware gelovige is op de dag dat hij tot Christus kwam, gestorven voor de zonde wat haar macht betreft. Voorheen troonde de zonde hoog in zijn hart, maar het geloof heeft deze tiran van de troon gestoten en in het stof doen bijten. En hoewel zij nog voortleeft om ons te kwellen, is haar heerschappij definitief gebroken! Vanaf de dag van onze wedergeboorte zijn wij – áls wij tenminste ware christenen zijn – dood voor alle geneugten van de zonde.
Mevrouw Luchtbel kan ons niet langer betoveren. Het vernis en de vergulde pracht zijn van de paleizen der zonde afgebladerd. Wij weerstaan haar meest vernuftige verleidingen. Zij mag dan lieflijke muziek laten klinken, maar een dood oor laat zich door geen enkele melodie beroeren. Bewaar uw bittere zoetigheden, o aarde, voor hen die geen betere lekkernijen kennen! Onze mond proeft geen enkele smaak meer in uw delicatessen.
Wij zijn dood voor de lokmiddelen van de zonde. Wij verachten het goud dat ons had willen omkopen tot leugen, en verafschuwen het gemak dat als loon van de ongerechtigheid had kunnen dienen. Wij zijn eveneens dood voor haar dreigementen. Wanneer de zonde ons vervloekt, laten haar vervloekingen ons even onberoerd als haar beloften! Een gelovige is aan de wereld gekruisigd, en voor haar gestorven. Hij kan met de dichter Cowper instemmen:
“Mijn ziel verlangt niet, zoals ‘k eertijds deed,
Naar d’ ijdele vermaken van dit leven;
Uw wonden, Immanuël, vol van leed,
Verbieden mij om mij daaraan te geven.“
“Het was de aanblik van Uw dierbaar kruis,
Die mij verloste van de aardse waan;
Ik mijd der dwazen ijdele gedruis,
En zie de wereldpracht als afval aan.”
Toch moet ik zeggen dat deze afsterving niet volkomen is. Wij zijn niet zó dood voor de wereld als wij zouden moeten zijn. In plaats van hier te vertellen wat de christen is, kan ik wellicht beter zeggen wat hij zou moeten zijn. Want waar vind ik in onze tijd nog de mensen die werkelijk dood zijn voor de wereld?
Ik zie belijdende christenen die evenzeer gehecht zijn aan rijkdom. Ik zie hen bijna net zo vastkleven aan werelds vermaak en ijdelheid. Zie ik geen mensen die de Naam van Jezus dragen, wier kleding even vol ijdelheid is als die van de wereldling? En hun gesprekken smaken niets méér naar Christus dan die van de openlijke zondaar. Velen tref ik aan die aan deze wereld gelijkvormig zijn, en die maar weinig vernieuwing van hun gemoed vertonen. O, hoe gering is in onze dagen het onderscheid tussen de Kerk en de wereld!
Wij moeten in geestelijke zin altijd dissenters (andersdenkenden) zijn: mensen die het fundamenteel oneens zijn met de wereld, die zich tegen haar verzetten en openlijk protesteren! Tot aan de laatste dag van de wereld moeten wij non-conformisten zijn. Wij mogen ons niet schikken naar haar wegen en ijdelheden, maar wij moeten uitgaan buiten de legerplaats, Zijn smaadheid dragende.
Herinneren sommigen van u zich nog de dag waarop u stierf voor de wereld? Uw vrienden verklaarden u voor gek! Zij beweerden dat u niets van het leven begreep. Zo legden uw goddeloze vrienden u als het ware in het graf, en rolden anderen er een grote steen voor. Vanaf die dag hebben zij u buitengesloten. U wordt nu niet meer uitgenodigd op plaatsen waar u voorheen altijd welkom was. Het zegel is op u gedrukt. Men noemt u bij een of andere spottende bijnaam, en wat de wereld betreft, bent u als de dode Christus!
U bent in uw graf gelegd en buitengesloten van het wereldse leven. Men wil u niet meer op hun feesten hebben, want u zou de sfeer maar bederven. U bent nu, in hun ogen, zó’n ‘methodist’ geworden, zo’n stiekeme huichelaar, dat zij u liever ver uit het zicht hebben begraven. Zij hebben de steen gerold, deze verzegeld en de wacht bij de deur gezet om u maar daar te houden.
Welnu, wat een gezegende zaak is dat! Want áls u met Christus gestorven bent, zult u ook met Hem leven!
Als wij op deze wijze met Christus gestorven zijn, laten wij dan toezien dat wij ook met Hem leven. Het stelt immers weinig voor om louter dood te zijn voor de wereld, als wij niet tegelijkertijd levend zijn voor God. De dood is slechts een negatief beginsel, en een negatief beginsel is op zichzelf van weinig nut in de wereld. Een protestant is van weinig betekenis als hij zich uitsluitend beperkt tot het protesteren tegen het kwaad. Wij hebben een belijder nodig: iemand die Gods waarheid actief verkondigt en niet alleen protesteert tegen de dwaling. Daarom, als wij dood zijn voor de zonde, moeten wij ook het leven van Christus bezitten!
En ik vertrouw erop, geliefden, dat wij uit ervaring weten – en dat het voor ons niet slechts een theorie is – dat er een nieuw leven in ons klopt, een leven dat ons voorheen volkomen vreemd was. Aan ons lichaam en onze ziel is een nieuwe, geestelijke dimensie toegevoegd: een vonk van geestelijk leven. Precies zoals Jezus na Zijn sterven een nieuw leven ontving, zo hebben ook wij na onze dood een nieuw leven gekregen, waardoor wij, zo vertrouw ik, uit het graf opstaan.
Maar wij moeten dit wel bewijzen! Jezus bewees Zijn opstanding door vele onfeilbare tekenen. Welnu, u en ik moeten evengoed aan alle mensen bewijzen dat wij werkelijk uit het graf van de zonde zijn opgestaan. Misschien herkenden onze vrienden ons niet eens toen wij voor het eerst uit de dood opstonden. Net als Maria zagen zij ons aan voor iemand anders. Zij riepen verbaasd uit: “Wat? Is dit Willem, die luidruchtige, trotse, driftige en bazige kerel? Kan híj onze grappen en spot nu zo geduldig verdragen?” Zij dachten werkelijk dat wij een ander mens waren geworden – en daar zaten zij niet ver naast, want wij waren nieuwe schepselen in Christus Jezus!
Wij spraken met enkele van onze oude bekenden en zij merkten op dat ons gesprek zó anders was dan vroeger, dat hun hart in hen brandde – net als bij de discipelen toen zij met Jezus naar Emmaüs wandelden. Maar zij kenden ons geheim nog niet; zij waren vreemdelingen voor ons nieuwe leven.
Herinnert u zich, christen, hoe u zich voor het eerst aan uw broeders en zusters in de gemeente bekendmaakte? Bij het breken van het brood herkenden zij u het eerst. Op die avond, toen u de rechterhand der gemeenschap werd gereikt, werd dat nieuwe leven openlijk erkend en riepen zij uit: “Kom in, gij gezegende des HEEREN! Waarom zoudt gij buiten staan?”
Ik vertrouw erop dat u in dit opstandingsleven aan alle mensen zult bewijzen dat dit niet langer het gewone, oude leven is dat u voorheen leidde – een leven waarin u slechts het vlees en zijn begeerten diende. U leeft nu met hogere doelen en zuiverder motieven, u wandelt naar een hemelse regel en kijkt uit naar een goddelijke voleinding. Nu wij met Christus gestorven zijn, geliefde broeders en zusters, hoop ik vurig dat wij ook, ieder in onze eigen mate, hebben geleerd om met Hem te leven!
Maar onthoud nu dat Christus eeuwig leeft, en wij óók. Christus, uit de doden opgewekt zijnde, sterft niet meer; de dood heerst niet meer over Hem. Het veertiende vers is daaraan wonderlijk gelijk: Want de zonde zal over u niet heersen; want gij zijt niet onder de wet, maar onder de genade. De zonde deed ons eens sterven in Adam, maar wij zullen door haar niet opnieuw gedood worden! Als Christus nu zou kunnen sterven, dan zouden wij ook kunnen sterven. Maar omdat Christus nóóit meer kan sterven, kan de gelovige ook nooit meer terugvallen in zijn oude zonde. Hij sterft niet meer voor de zonde. Hij leeft, en de zonde heerst niet meer over hem!
O, dit is een heerlijk thema! Ik weet niet hoe ik de vreugde moet uitdrukken die mijn eigen hart vervult, bij dat diepe besef van veiligheid dat voortvloeit uit het feit dat Christus niet meer sterft. De dood heerst niet meer over Hem, en de zonde heerst niet meer over mij, als ik in Christus ben.
Stel u toch eens voor, mijn broeders en zusters, stel u slechts een ogenblik voor dat Christus opnieuw zou kunnen sterven. Haal dan uw begrafenismuziek maar tevoorschijn! Laat de gedempte trommen de dodenmars slaan! Laten de hemelen zich in rouwgewaden hullen en laat de groene aarde in het zwart gekleed gaan, want de verzoening – de grote hoop van de aarde – is onvolledig gebleken! Christus moet opnieuw sterven! De tegenstanders, van wie wij dachten dat zij op de vlucht waren geslagen, hebben hun krachten opnieuw verzameld. De dood is niet dood. Het graf is niet geopend. Er zal geen opstanding zijn!
De heiligen beven. Zelfs in de hemel heerst vrees en siddering. De kronen op verheerlijkte hoofden trillen. De harten, die zojuist nog overvloeiden van eeuwige zaligheid, zijn nu vol angst, want de troon van Christus is leeg! De engelen staken hun gezang. Het gehuil van de hel heeft het gejuich van de hemel tot zwijgen gebracht. De duivelen vieren groot feest en schreeuwen het uit van vreugde: “Jezus sterft opnieuw! Jezus sterft opnieuw! Maak uw pijlen gereed! Leeg uw kokers! Kom op, gij legioenen van de hel! De beroemde Overwinnaar moet vechten, bloeden en OPNIEUW STERVEN! Wij zullen Hem toch nog overwinnen!” God wordt onteerd, de fundamenten van de hemel worden weggenomen en de eeuwige troon beeft van de schok, doordat Christus aan een tweede dood wordt onderworpen!
Is het godslastering om dit zelfs maar te veronderstellen? Natuurlijk is het dat! Toch, mijn broeders en zusters, zou het evengoed godslastering zijn om te veronderstellen dat een ware gelovige weer terugkeert naar zijn oude begeerten en opnieuw sterft door de zonde. Dat zou immers betekenen dat de verzoening onvolledig was! Ik kan u bewijzen dat dit op precies hetzelfde neerkomt.
Het veronderstelt een onvoltooid offer. Want als het offer volbracht is, dan móéten zij voor wie het werd gebracht, ook behouden worden! Het veronderstelt een zegevierende hel: Christus had de ziel wel gekocht en de Geest had haar wel vernieuwd, maar de duivel veegt zogenaamd het bloed van Christus uit, verdrijft de Geest van de levende God en eist de overwinning voor zichzelf op!
Een heilige die verloren gaat? Dan is Gods belofte onwaar, en is het woord van Christus vals: “En Ik geef hun het eeuwige leven; en zij zullen niet verloren gaan in der eeuwigheid.” Als er ook maar één heilige verloren zou gaan, dan worden de fundamenten weggerukt. Dan is de eeuwige gerechtigheid slechts een lege huls, is Gods trouw verdacht, worden Zijn eeuwige voornemens verijdeld en rolt de kroon van Zijn soevereiniteit door het slijk! Weent, o engelen! Ontzet u, o hemelen! Beeft van aardbevingen, o bergen! En gij hel, kom naar boven en vier uw duivelse feesten, want God Zelf is opgehouden God te zijn, omdat Zijn volk verloren gaat!
Maar nee: “Want Ik leef, en gij zult leven”, is een Goddelijke noodzaak! Let wel: als de zonde ooit weer de heerschappij over een gelovige zou kunnen krijgen, dan zou óók de dood weer heerschappij kunnen krijgen over Christus! Maar dat is volstrekt onmogelijk. Verheug u daarom en wees verblijd, gij dienaren van God!
U zult opmerken dat gelovigen leven, en dat zij, net als Jezus Christus, leven voor God. Dit voltooit de vergelijking: dat Hij leeft, dat leeft Hij Gode. Zo ook wij!
Gedurende de veertig dagen die Christus na Zijn opstanding op aarde doorbracht, leefde Hij voor God: Hij troostte Zijn heiligen, toonde Zichzelf aan hen en gaf hun Zijn evangelische voorschriften. Evenzo moeten wij de weinige dagen die ons hier op aarde nog resteren, besteden om de heiligen te troosten, Christus te tonen en het Evangelie aan alle schepselen te prediken.
En nu Christus is opgevaren, leeft Hij evengoed voor God. Wat betekent dat? Hij leeft, mijn broeders en zusters, om het Goddelijke karakter te openbaren. Christus is de blijvende openbaring van een onzienlijke God. Wanneer wij naar Christus kijken, zien wij gerechtigheid, waarheid, macht en liefde. Wij zien in Hem werkelijk alle Goddelijke eigenschappen.
Christen, u moet eveneens leven voor God. God moet in u zichtbaar zijn! U moet dat Goddelijke hart vol medelijden, lankmoedigheid, tederheid, vriendelijkheid en geduld weerspiegelen. U moet God openbaren en zó voor Hem leven.
Christus leeft voor God, want Hij voltooit het Goddelijke voornemen door te pleiten voor Zijn volk en door Zijn werk voor hen daarboven voort te zetten. Ook u moet daarvoor leven. U doet dat door het Woord te spreken, opdat zondaars mogen horen en de uitverkorenen mogen leven; en door te onderwijzen, opdat de uitverkorenen behouden worden. U moet anderen onderwijzen door uw leven en uw daden, opdat Gods eer overal bekend wordt en Zijn eeuwige besluiten worden vervuld.
Jezus leeft voor God en verlustigt Zich in God. De onmetelijke vreugde van Christus in Zijn Vader kan door geen mensentong worden uitgesproken. Leef op precies dezelfde wijze, christen! Verlustig u in de Heere! Wees gezegend. Wees gelukkig! Verblijdt u in den Heere te allen tijd; wederom zeg ik: Verblijdt u.
Onze Verlosser leeft voor God, wat betekent dat Hij in voortdurende gemeenschap met God leeft. Kunt ook u dat niet doen, door de kracht van de Heilige Geest? U bent immers dood voor de zonde. Zorg er dan voor dat u eeuwig leeft in de gemeenschap met de Vader en met Zijn Zoon Jezus Christus.
Misschien heb ik nu voor sommigen van u in raadsels gesproken. Hoevelen van u begrijpen deze dingen werkelijk? Zijn er hier vanmorgen mensen die bezorgd zijn, omdat zij het eerste deel van de preek wél hebben begrepen en rusten op Christus’ dood, maar dit tweede deel niet bevatten? Ach, geliefden, u zult het op een dag zeker begrijpen! Als u werkelijk op Christus’ dood rust, zal de kracht van die dood ongetwijfeld nog in u openbaar worden.
Maar u die hier reeds iets van hebt leren kennen, ik smeek u: jaag naar méér. Vraag de Heere of Hij u volkomen wil doden voor de wereld. Vraag of Hij u wil vervullen met het Goddelijke leven, en u wil helpen om vol te houden tot het einde. Bid vurig dat u mag leven voor God, en voor God alleen!
III. Nu ik u zo ver heb gebracht, is er nog maar één stap te zetten, en dan zijn wij klaar. Laten wij opmerken dat de feiten waarover wij hebben gesproken ONDERPANDEN ZIJN VAN DE HEERLIJKHEID DIE IN ONS OPENBAAR ZAL WORDEN.
Christus stierf. Mogelijk zullen wij ook sterven. Maar misschien ook niet. Wij kunnen immers nog in leven zijn en overblijven tot de komst van de Zoon des mensen. Toch is het heel goed mogelijk dat wij sterven. Ik geloof echter niet dat wij zo stellig van de dood moeten uitgaan als sommige christenen doen, want de komst van de Heere is veel zekerder dan ons sterven!
Dat wij sterven is niet zeker, want Hij kan komen voordat wij ontslapen. Maar stel nú dat wij wél sterven. Christus is opgestaan, en dat zullen wij ook!
“Al eist de zonde van nature,
Dat dit ons vlees tot stof vergaat;
Wij weten dat in ’t laatste ure,
Dat heel Zijn volk met Hem opstaat!“
Mijn broeders en zusters, denk niet met tranen aan het kerkhof en peins niet zo somber over de doodskist en de lijkwade. U verblijft daar immers maar voor korte tijd, en voor u zal het niet meer dan een ogenblik lijken. Uw lichaam zal slapen. Als mensen een hele lange nacht slapen, lijkt het hun slechts een uur, een vluchtig moment. De geslapen tijd wordt vergeten. Zo zal het voor uw slapende lichaam helemaal geen tijd lijken, terwijl het voor uw verheerlijkte ziel niet lang zal duren, omdat u zó vol vreugde zult zijn, dat zelfs een hele eeuwigheid van die vreugde niet te lang zou zijn!
Maar u zult weer opstaan. Ik denk dat wij te weinig vreugde putten uit onze opstanding. Het zal hoogstwaarschijnlijk ons gelukkigste moment zijn; of beter gezegd: het begin van het gelukkigste leven dat wij ooit zullen kennen! De hemel nu is niet de allerhoogste gelukzaligheid. De hemel is op dit moment vol vreugde, maar het is nog niet de volmaaktheid van geluk, omdat daar alléén de ziel is – hoe vol van genot die ziel ook mag zijn. Maar de hemel die kómen zal, wanneer lichaam en ziel daar béíde zullen zijn, overtreft al onze gedachten!
De opstanding zal onze ware trouwdag zijn. Lichaam en ziel, die tijdelijk gescheiden waren, zullen elkaar weer ontmoeten om als het ware opnieuw getrouwd te worden met een gouden ring. Ze zullen nimmermeer gescheiden worden, maar als één onlosmakelijk geheel opgaan naar het grote altaar van de onsterfelijkheid, om dáár voor eeuwig aan Christus te worden verloofd!
Ik zal terugkeren tot dit vlees – maar dan geen vlees meer dat kan vergaan, en geen beenderen meer die pijn lijden. Ik zal terugkeren tot déze ogen en déze oren: allemaal kanalen van nieuw, hemels genot! Zeg nu niet dat dit een te materialistische kijk op de zaak is. Wij zijn tenminste voor de helft materieel, en zolang er iets materieels aan ons is, mogen wij altijd vreugde verwachten die ons niet louter geestelijk, maar óók materieel genot zal verschaffen.
Dit lichaam zal weer opstaan. “Kunnen deze dorre beenderen leven?” is de smalende vraag van de ongelovige. “Zij zúllen leven!” is het triomfantelijke antwoord van het geloof. O, laten wij ons einde met vreugde verwachten en onze opstanding met verrukking. Jezus kon door het graf niet gevangen gehouden worden, en daarom zal geen worm óns kunnen tegenhouden. Geen graf en geen tombe kan onze hoop tenietdoen. Opgestaan leeft Hij, en wij zullen opstaan om eeuwig te leven.
Verwacht die gelukkige dag, mijn broeders en zusters! Geen zonde, geen verdriet, geen zorg, geen verval en geen naderende ontbinding meer! Hij leeft eeuwig in God. En zó zult u en zó zal ik leven: heel dicht bij de Eeuwige, opgeslokt in Zijn glans, verheerlijkt in Zijn heerlijkheid en overstromend van Zijn liefde! Ik meen dat wij bij dit heerlijke vooruitzicht zeer wel kunnen zeggen:
“”O, lang verwachte dag, breek aan,
Verdrijf de nacht van traan en waan.”
Wij mogen Hem wel smeken dat Hij Zijn wagens beveelt zich te haasten, om dat blijde seizoen nabij te brengen! Hij komt! Hij komt, gelovige! Verheug u met een onuitsprekelijke vreugde! U hoeft nog maar een korte tijd te wachten. En nadat u in Hem ontslapen bent, zult u ontwaken:
“Uit stille klei en aardse nacht,
Tot eeuwig licht en hemelpracht.”
En daar bent u:
“Ver van een wereld vol zonde en smart,
Eeuwig geborgen aan Gods Vaderhart!”
Moge de Heere Zijn onmisbare zegen hieraan verbinden, om Jezus’ wil. Amen.
Preek nr. 503 · Gehouden te Newington, Londen, zondagmorgen 5 april 1863, Metropolitan Tabernacle Pulpit deel 9. Oorspronkelijke titel: “Death and Life in Christ”. Bron: Spurgeon’s Sermons, spurgeon.org.

