Uitgesproken door C. H. Spurgeon in de Metropolitan Tabernacle te Newington, Londen. Gehouden op zondagmorgen 6 februari 1876.
Tot den tijd toe, dat Zijn woord kwam, heeft hem de rede des HEEREN doorlouterd. Psalm 105:19
Jozef was in alle opzichten een buitengewoon mens. Hij was een jongeman met een opvallend knap uiterlijk en een innemend karakter, vol zachtmoedigheid, vriendelijkheid en oprechtheid. De genade van God had zijn ziel even schoon gemaakt als de natuur zijn gestalte mooi had gemaakt.Hij was ook buitengewoon bedachtzaam. Misschien was hij aanvankelijk zelfs meer iemand die nadacht dan iemand die handelde. Daarom noemden zijn broers hem niet alleen vanwege de twee opmerkelijke dromen die hij had gehad, maar waarschijnlijk ook vanwege zijn bedachtzame aard: “Ziet, daar komt die meester-dromer aan!”
Hij was als een zwaan tussen de eenden. Zijn voortreffelijke geest en karakter onderscheidden hem van de rest van het gezin, en niemand van hen kon hem werkelijk begrijpen. Daarom werd hij het voorwerp van hun afgunst en haat. Zij gingen zelfs zo ver dat zij voorstelden hem te doden en hem uiteindelijk als slaaf verkochten.
Toch was hij bestemd voor een veel edeler lot dan zij. Zij zouden hun kudden weiden, maar hij was bestemd om de wereld van voedsel te voorzien! Zij zouden hun eigen gezinnen besturen, maar hij zou regeren over het machtigste rijk van zijn tijd! Al vanaf het allereerste begin werd zijn verheven positie in Israël aangekondigd door een dubbele droom.
Zijn broers zagen hun schoven zich voor zijn schoof neerbuigen, terwijl ook de zon, de maan en elf sterren zich voor hem bogen. Dat was het licht dat over Jozefs vroege levensjaren scheen: de ster van de profetie, die later zelfs zijn donkerste momenten zou vergulden en hem zou bemoedigen terwijl hij zijn beproevingen doorstond.
U mag ervan verzekerd zijn, broeders en zusters, dat wanneer God iemand buitengewone gaven of genade schenkt en voor hem een buitengewone levensweg heeft bestemd, Hij ook buitengewone beproevingen beschikt. Er is een vers, ik meen van Cowper, dat zegt: “Het pad van smart, en dat pad alleen, leidt naar het land waar smart onbekend is.”
Tot welke voortreffelijkheid van welke aard ook bestaat er geen koninklijke weg. Wij moeten erdoorheen waden, door verdrukking heen. Om Jozef tot eerste minister van Egypte te maken, liep de weg door het gevangenishuis. Naar ware eer leidt altijd een moeilijke weg.
Verwacht daarom, lieve vriend, dat wanneer God u met bijzondere gaven begiftigt of u overvloedige genade schenkt, Hij ook van plan is u te beproeven. Die gedachte zal uw vreugde temperen en voorkomen dat zij in trots ontaardt. Bovendien zal zij u helpen de lendenen van uw gemoed te omgorden en in alle nuchterheid klaar te staan voor wat u te wachten staat.
Beschouw talenten, genadegaven en hoge verwachtingen van bijzondere bruikbaarheid als tekenen dat er onvermijdelijk verdrukking zal komen. Feliciteer uzelf daarom niet en zing niet: “Ziel, neem uw gemak! U bent gelukkig, in het bezit van zulke bijzondere gaven.” Bereid u veeleer voor op het levenswerk waartoe u geroepen bent.
U bent begunstigd door de Heere, maar zoek niet naar het geluk van gemak, vleselijk genot en menselijke goedkeuring, want “Zalig is de man, die verzoeking verdraagt; want als hij beproefd zal geweest zijn, zal hij de kroon des levens ontvangen, welke de Heere beloofd heeft dengenen, die Hem liefhebben.”
Jozefs zwaarste beproeving kwam toen hij ervan werd beschuldigd dat hij had geprobeerd zijn meesteres op schandelijke wijze aan te randen. Wie zou niet bezwijken onder zo’n vreselijke beschuldiging? Toen hij in de gevangenis werd geworpen en zijn voeten met boeien werden vastgemaakt, raakte hij diep verontrust, zodat het ijzer als het ware ook zijn ziel omsloot.
Hoe lang hij in deze “smadelijke gevangenschap” als een geketende gevangene heeft verbleven, weten wij niet, maar het moet een aanzienlijke tijd zijn geweest. Gedurende die troosteloze maanden moeten de gedachten aan zijn vader en diens tedere liefde, de herinneringen aan zijn wrede broers en de overpeinzingen over zijn droevige lot hem diep hebben verwond.
Het moet hem pijn hebben gedaan wanneer hij zich herinnerde hoezeer zijn karakter had geleden onder de kwaadaardige leugen van een vrouw. En nog meer moet het hem hebben aangegrepen wanneer hij bedacht hoeveel godslastering de heidenen hadden uitgestort over de Naam van God, Die hij in het huis van Potifar had vertegenwoordigd.
Verwondert u zich er dan over dat het ijzer in zijn ziel drong? Het woord van de HEERE beproefde hem zeer zwaar. Alleen, in de duisternis van een ongemakkelijke cel, met zijn ledematen gekweld door ketenen, had hij niemand om zich tegen te verdedigen. Iedereen beschouwde hem als schuldig aan het laagste verraad jegens de man die hem tot zijn vertrouwde en bevoorrechte dienstknecht had gemaakt. Hij werd beschouwd als het uitvaagsel van alle dingen en was het voorwerp van bespotting voor allen die hem omringden.
“De schutters hebben hem wel bitterheid aangedaan, en beschoten, en hem gehaat.” Maar, geprezen zij God, zijn boog bleef in sterkte en uiteindelijk overwon hij!
Deze morgen zullen wij samen de beproevingen van Jozef en onze eigen beproevingen overdenken.
Onze eerste overweging zal gaan over het belang van de beproeving. Ten tweede zullen wij de bijzondere aard van de beproeving van de gelovige overwegen, want “het woord van de HEERE beproefde hem.” En ten derde zullen wij letten op de duur en de beëindiging van de beproeving: “totdat de tijd dat zijn woord kwam.”
Moge de altijd gezegende Geest onze overdenkingen leiden.
I. HET BELANG VAN DE BEPROEVING.
Laten wij allereerst stilstaan bij het belang van de beproeving. De HEERE had ieder van ons gemakkelijk naar de hemel kunnen brengen op het moment dat wij bekeerd werden. Zijn almacht was zeker toereikend geweest om ons onmiddellijk en volmaakt te heiligen.
Als de stervende moordenaar geschikt werd gemaakt om nog diezelfde dag het paradijs binnen te gaan waarop hij geloofde, dan had ieder van ons even goed gereedgemaakt kunnen worden om de hemel binnen te gaan. Maar het heeft God niet zo behaagd. Wij twijfelen er niet aan dat er myriaden zijn voor de eeuwige troon die de woonplaats van de gelukzaligheid hebben bereikt zonder ooit de wijnpers van de beproeving te hebben betreden:
“Kleine kinderen, daar opgevangen uit de schoot en de borst, kunnen aanspraak maken op het recht om boven de rest te zingen; omdat zij de gelukkige kust vonden, die zij nooit eerder zagen of zochten.”
Voor hen is er een overwinning waarvoor zij nooit hebben gestreden. Zij dragen een kroon, hoewel zij nooit een kruis hebben gedragen.
Aan de soevereine genade zullen deze gezegenden nooit ophouden hun gelukzaligheid toe te schrijven. Maar wat ons betreft, die tot rijpere jaren leven, van ons allen zal geschreven worden, evenals van anderen die ons zijn voorgegaan: “Dezen zijn het, die uit de grote verdrukking komen; en zij hebben hun lange klederen gewassen, en hebben hun lange klederen wit gemaakt in het bloed des Lams.”
Maar waarom is dit zo verordend? Is deze tucht werkelijk van enig nut voor ons? Het woord dat hier gebruikt wordt, werpt zelf licht op deze vraag: “Het woord van de HEERE toetste hem” — dat zou de juiste vertaling zijn. Het woord van de HEERE toetste Jozef, zoals goud wordt getoetst. Het is een term die het best begrepen wordt in verband met het toetsen van munten en het werk van de goudsmid.
Beproeving in de christelijke gemeente is de louterpot van de HEERE, die nooit van het vuur af is. Zij heeft dit voortreffelijke effect: zij scheidt het kostbare van het verachtelijke. Zolang de gemeente bestaat, zullen er, naar ik veronderstel, verraders onder haar leden zijn. Want als Judas zich heeft kunnen binnendringen onder het waakzame oog van de Opperherder, mogen wij er tamelijk zeker van zijn dat menige Judas aan de veel minder waakzame ogen van de mindere herders zal ontsnappen.
Omdat beproeving en vervolging de belijdenis van mensen op de proef stellen, worden zij gebruikt als de wan in de hand van de HEERE, zoals er geschreven staat: “Hij zal Zijn dorsvloer doorzuiveren.” In tijden van vervolging vluchten louter belijders, meelopers en aanhangers snel weg, want zij hebben geen hart voor de ware godsdienst wanneer haar belijdenis een kruis met zich meebrengt.
Zij konden met Jezus wandelen op zilveren pantoffels, maar zij kunnen niet met Hem meegaan wanneer Zijn bloedende voeten blootsvoets over de ruwe wegen van de wereld gaan. Zo vertrekken zij, ieder naar zichzelf, en wij mogen van hen zeggen: “Zij zijn uit ons uitgegaan, maar zij waren uit ons niet; want indien zij uit ons geweest waren, zo zouden zij met ons gebleven zijn; maar dit is geschied, opdat zij zouden openbaar worden, dat zij niet allen uit ons zijn.”
Zo is de beproeving, als een blijvende instelling, van groot nut voor de gemeente, omdat zij haar zuiverheid bevordert. Daarom zijn wij verplicht de HEERE te prijzen, Wiens vuur in Sion is en Wiens oven in Jeruzalem.
Een soortgelijk proces vindt plaats in de afzonderlijke ziel.
Geen christenmens is helemaal wat hij denkt dat hij is. Zelfs ons zuiverste goud is nog met andere stoffen vermengd. Niemand van ons heeft zoveel geloof als wij onszelf toeschrijven, en evenmin zoveel geduld, nederigheid, zachtmoedigheid, liefde tot God of liefde tot de mensen. Vals geld doet onze schijnbare rijkdom toenemen.
Het is verbazingwekkend hoe rijk en toegenomen in goederen wij onszelf wanen, totdat de HEERE met ons handelt door een beproeving. Dan ontdekken wij vaak genoeg dat wij juist in die opzichten waarin wij ons hadden beroemd, naakt, arm en ellendig zijn!
O mens, als u een kind van God bent, bent u als een huis dat Hij bouwt met goud, zilver en kostbare stenen! Maar door uw oude natuur mengt u met het Goddelijke materiaal veel van uw eigen hout, hooi en stro. Daarom wordt het vuur rondom u ontstoken om dit schadelijke materiaal te verbranden, dat het hele bouwwerk ontsiert!
Als het de Heilige Geest behaagt uw beproevingen tot zegen voor u te maken, dan zult u dagelijks leren de werken van uw oude natuur met diepe afkeer en berouw af te leggen. Zo zal het ware werk dat Hij op het zekere fundament heeft gebouwd, in zijn ware schoonheid zichtbaar worden, en zult u worden toebereid voor de eeuwigheid.
Elke goede mens wordt niet alleen door de beproeving op de proef gesteld, maar wordt er ook door verbeterd. Voor de goddeloze brengt beproeving juist kwaad voort. Hij komt in opstand tegen de HEERE en, zoals Farao, wordt zijn hart verhard. Maar voor de christen is het goed beproefd te worden. Wanneer de beproeving door de Geest wordt geheiligd, is zij een middel tot onderricht dat voor hem in waarde door niets wordt overtroffen.
De roede van God leert ons meer dan alle stemmen van Zijn dienstknechten. Wanneer de christen door het vuur is gegaan, verwijdert de beproeving het schuim. Broeders en zusters, u bent nog niet wat u zult zijn, en u kunt ook niet worden wat u zult zijn zonder een zekere mate van beproeving.
Kind, het is voor u noodzakelijk het gewicht van de hand van uw Vader te voelen, anders zult u nooit leren u als een volwassen mens te gedragen. U moet Zijn aangezicht soms verduisterd zien door een frons en Zijn stem in gestrengheid horen wanneer Hij u bestraft om uw overtredingen. Anders zult u altijd de dwaasheden van de kindertijd blijven koesteren.
Onze kastijdingen zijn onze bevorderingen. Zij zijn voorrechten, kostbaarder dan de rechten van vorsten. “Het is mij goed, dat ik verdrukt ben geweest.” Jozef kon dit zeggen, en al de Jozefs van de HEERE erkennen het nu, of zullen het hierna moeten erkennen.
Laten wij wat nauwkeuriger kijken. Dan zullen wij zien hoeveel de beproeving voor Jozef heeft gedaan. Allereerst corrigeerde zij de jeugdige fouten van zijn vroegere jaren. Verre zij het van mij om enig gebrek te zoeken in zo’n bewonderenswaardig jong karakter. Maar het was nog jong en had verdere rijping nodig.
Als een eenvoudig en vertrouwend kind vertelde hij zijn dromen vrijuit, terwijl het misschien verstandiger was geweest om dat niet te doen. Misschien dacht hij dat zijn broers en zijn vader er net zo blij mee zouden zijn als hijzelf. Maar zelfs zijn vader bestrafte hem, en zijn broers waren tot het uiterste verontwaardigd!
Het was natuurlijk dat een jongen van zeventien jaar verheugd zou zijn bij de gedachte aan macht en aanzien. Maar zo’n gevoel had gemakkelijk tot iets verkeerds kunnen leiden. Daarom moest het worden getemperd en moest zijn gretigheid om erover te spreken binnen de perken worden gehouden.
Na verloop van tijd zien wij Jozef meer beheerst en terughoudend worden. In zijn latere leven lezen wij hoe hij zijn gevoelens wist te bedwingen. Zelfs toen de sterkste hartstochten in hem werkzaam waren en zijn eigen broer Benjamin voor hem stond, bracht hij zijn gevoelens onder het gezag van de voorzichtigheid.
Wij zien geen jongensachtige opgetogenheid meer en horen hem niet langer over zijn dromen spreken. In stilte en vertrouwen vond hij zijn kracht. Dit heeft hij ongetwijfeld geleerd te midden van de smarten van zijn gevangenishuis.
Misschien was hij in zijn vroege jaren te haastig geweest om de beloofde zegen in vervulling te zien gaan. Hij zou de schoven voor zijn schoof zien buigen, zo dacht hij, terwijl hij en zijn broers nog maar groen koren waren en de oogst nog niet was gekomen.
Ongetwijfeld dacht hij dat de droom al in vervulling begon te gaan toen zijn vader hem dat vorstelijke gewaad gaf. Daardoor begon hij in zekere mate de waardigheid uit te oefenen die de HEERE hem had beloofd, door zijn broers bij zijn vader aan te geven.
Ik veroordeel deze daad niet. Maar zij deed zijn broers ongetwijfeld voelen dat hij te veel op zich nam, aangezien velen van hen oud genoeg waren om zijn vader te kunnen zijn en zelf al gezinnen hadden.
Hoe dan ook, hij had toen nog niet geleerd, zoals hij later gedurende dertien vermoeiende jaren zou leren, dat visioenen soms lang op zich laten wachten en dat wij geduldig moeten wachten tot ze werkelijkheid worden. De belofte is niet alleen voor vandaag of morgen, maar blijft staan totdat zij haar vervulling bereikt.
God belooft ons grote dingen die wij nog niet zien. Daarom moeten wij er geduldig op wachten. Wij mogen de veelkleurige mantel nog niet aantrekken en evenmin overhaast zijn om onze oudere broers te berispen, want wij zijn nog niet verhoogd door de hand van de HEERE.
Jozef zou op Gods tijd zijn koninklijke mantel ontvangen. Hij zou zelfs volop de gelegenheid krijgen om zijn broers terecht te wijzen, toen zij in latere dagen naar Egypte afdaalden om koren te kopen en hun harten hen sloegen vanwege al het onrecht dat zij hem hadden aangedaan.
In de gevangenis leerde Jozef te wachten. Ik ken geen moeilijker, maar ook geen waardevollere les. Het is de moeite waard om laster te verdragen en de wrijving van boeien te voelen, als wij daardoor het geduld leren waarmee wij stil kunnen zitten en weten dat Jehova God is!
Een tijdlang wachten en onze vrucht niet plukken terwijl zij nog groen en zuur is — dat is zeldzame wijsheid.
Om te leren zowel de tijd als de vorm van de zegen aan God over te laten, is naar de beste school gaan en daar het beste onderwijs ontvangen! Jozef leerde in zijn beproeving ook veel wat hem in het dagelijks leven van nut was. Zo ontdekte hij bijvoorbeeld door zoete ervaring dat de Goddelijke tegenwoordigheid ons overal kan verkwikken.
Als hij altijd thuis bij zijn vader was gebleven en altijd diens lieveling was geweest, zou hij geweten hebben dat de liefde van God zoet is voor een begunstigde jongeling. Maar niemand zou zich daarover hebben verwonderd. Zelfs de satan zou hebben gezegd: “Wel mag hij zich in U verheugen, o Heere. Hebt U niet een heg om hem gezet, en om alles wat hij heeft?”
Maar Jozef leerde dat God met hem kon zijn toen hij voor de prijs van een slaaf werd verkocht! Dat Hij met hem kon zijn toen hij als gevangene door de woestijn werd geleid, vermoeid naast de kamelen van de Ismaëlieten lopend. Hij werd gezegend met Gods tegenwoordigheid, ook toen hij op de slavenmarkt stond, waar God hem een meester zou bezorgen die zijn waarde wist te waarderen.
God was met hem toen hij dienstknecht werd in het huis van Potifar. God zegende hem, maakte hem voorspoedig en deed hem gunst vinden in de ogen van zijn meester, totdat hij opzichter werd over alles wat Potifar bezat!
En toen, het beste van alles — hoewel sommigen zouden zeggen: het ergste van alles — leerde hij dat God ook met hem kon zijn in een kerker.
Dat had hij niet kunnen weten als hij thuis was gebleven. Hij moest in de diepste duisternis worden gebracht, opdat de helderheid van Gods tegenwoordigheid des te duidelijker zichtbaar zou worden! Er is niets in deze wereld zo verrukkelijk als het licht van Gods aangezicht wanneer alles om ons heen donker is.
U mag mij vertellen dat de tegenwoordigheid van Jezus heerlijk is op de heerlijke berg Tabor, en ik zal u niet tegenspreken, hoewel ik de woorden van de dichter heb ervaren: “Bij het al te verrukkelijke licht snelt de duisternis over mijn zicht heen.” Maar geef mij het zachte, getemperde licht van Gods liefde te midden van de tegenspoed.
Christus op de stormachtige wateren — dat is voor mij! Christus temidden van de oven, met Zijn vervolgde volk! Nooit smaakt de liefde van de HEERE zo zoet als wanneer heel de wereld alsem en gal is.
Zie hoe een moeder haar dierbare baby aan haar boezem drukt wanneer het ziek is of een gebroken been heeft. Het kleintje mag op andere tijden door het huis rennen, en de moeder verheugt zich daarover en houdt ervan. Maar als u al haar tederheid wilt zien en haar hele hart wilt leren kennen, moet u haar zien wanneer haar kind nauwelijks ademhaalt en zij vreest dat elk moment het laatste kan zijn.
Dan wordt de hele moeder geopenbaard. Hoe zij haar kind liefkoost en wat een overvloed aan zoete woorden zij voortbrengt. Zo is het ook met God. Als u Hem in al Zijn volheid wilt leren kennen, moet u weten wat diepe moeite betekent. Want dan komt het grote hart van Zijn heerlijke, oneindige liefde naar boven en wordt de ziel vervuld met heel de volheid van God!
Ik kan zeggen dat het de moeite waard was voor Jozef om vals beschuldigd en in de boeien geslagen te worden, om zo uit ervaring de ondersteunende kracht van de glimlach van zijn hemelse Vader te leren kennen.
Daar leerde Jozef ook dat wij niet op tijdelijke dingen kunnen vertrouwen. De verwennerij in het huis van zijn vader eindigde ermee dat hij als slaaf werd verkocht en dat zijn veelkleurige mantel in bloed werd gedoopt. Ook zijn voorspoed in het huis van Potifar kwam plotseling tot een einde: van opzichter werd hij een gevangene in boeien!
Nu wist hij dat men niet op aardse voorspoed kan vertrouwen en dat deze daarom het verlangen van een onsterfelijke ziel niet waard is. Hij zag dat alle dingen onder de maan veranderen, toenemen en afnemen, net als de maan zelf. Zo leerde hij zijn ogen op te heffen naar iets wat hoger en stabieler is dan omstandigheden en omgeving.
Hier werd hij ook onderwezen in een droevige waarheid die wij allen zo langzaam leren, namelijk: “Laat gijlieden dan af van den mens, wiens adem in zijn neus is, want waarin is hij te achten?”
Ik denk niet dat Jozef dit volledig had geleerd toen hij de droom van de schenker uitlegde. Het was heel natuurlijk en daarom niet te veroordelen dat hij zei: “Denk aan mij, wanneer het u wel zal gaan.” Maar toen er twee volle jaren voorbijgingen en hij al die tijd vergeten was, moet Jozef gevoeld hebben: “Vervloekt is de man, die op een mens vertrouwt, en vlees tot zijn arm stelt.”
Hij hield op met zijn vertrouwen op mensen en zag niet langer naar hen uit voor zijn bevrijding. Wat het ons ook kost, wij winnen er veel bij door elke beproeving die ons in staat stelt te zeggen: “gij, o mijn ziel! zwijg Gode; want van Hem is mijn verwachting.”
Het is een gezegend iets wanneer de voorzienigheid alle obstakels uit de weg ruimt en het schip te water wordt gelaten, in haar ware element. Zie hoe vrij zij drijft op de diepe zee van Gods eeuwigdurende liefde en onveranderlijke trouw! Zij is niet langer onderhevig aan verrotting door dor, vleselijk vertrouwen, maar op de brede zee van Gods kracht “wandelt zij op de wateren, als een levend ding,” in blijmoedig vertrouwen op de altijd gezegende God!
Vertrouwen op de mens lijkt wel in onze botten te zijn ingeplant, maar het moet uit ons worden weggenomen. Gelukkig zal de dag zijn waarop wij ontdaan zijn van alle hoop, behalve die welke alleen op de HEERE rust.
Maar, lieve broeders en zusters, het voornaamste nut van de beproeving, zowel voor Jozef als voor ons, wordt vaak pas in ons latere leven zichtbaar. Terwijl Jozef in de gevangenis werd beproefd, was Gods grote doel hem voor te bereiden op het bestuur dat hem te wachten stond.
Allereerst was het bedoeld om hem de kracht te geven om macht te dragen — een zeldzame verworvenheid. Salomo zegt: “De smeltkroes is voor het zilver, en de oven voor het goud; alzo is een man naar zijn lof te proeven.” Menig mens kan beproeving verdragen, maar weinig mensen kunnen voorspoed verdragen.
Ik heb het opgemerkt, en u moet het ook hebben opgemerkt, dat het gevaarlijkste wat er in de wereld bestaat, is om plotseling van onbekendheid naar macht te worden verheven. Hebben wij geen mensen gezien die ongeschoold en onbekend waren en plotseling op de christelijke kansel werden geplaatst en hoog werden geprezen?
En is niet vaak gebleken dat hun namen na verloop van tijd terecht vergeten werden, omdat zij ten val kwamen door de duizelingwekkende hoogten waartoe zij waren verheven? Het is veel beter dat een mens zich naar zijn positie omhoog werkt, dat hij door vijanden wordt aangevallen, door vrienden wordt gewantrouwd en een proeftijd doormaakt.
Zelfs dan kan hij alleen standhouden als de HEERE hem vasthoudt, maar zonder die steun is hij in groot gevaar. Daarom zegt de apostel: “Geen nieuweling, opdat hij niet opgeblazen worde, en in het oordeel des duivels valle.”
Als ik wist dat een of andere jongeman die hier aanwezig is in de toekomst zeer door God gebruikt en geëerd zou worden en later een vorst in ons Israël zou worden, en als ik hem door slechts deze vinger op te heffen zou kunnen behoeden voor felle kritiek, verkeerde voorstelling van zaken en misbruik, dan zou ik dat niet doen. Want hoe zwaar de beproeving voor hem ook zou kunnen zijn, ik ben ervan overtuigd dat het nodig is dat hij erdoorheen gaat om hem in staat te stellen de duizelingwekkende hoogten te dragen van de positie waarvoor God hem bestemt.
Jozef op de troon van Egypte! Ik weet niet wat hij geworden zou zijn als hij niet eerst in het blok was gelegd. Zijn voeten leerden vast te staan op een troon doordat zij eerst in een kerker waren vastgezet!
Zijn gouden keten droeg hij zonder trots, omdat hij eerder een keten van ijzer had gedragen. Hij was geschikt om een heerser van vorsten te zijn, omdat hij zelf een dienstknecht onder gevangenen was geweest. Door zijn beproeving gaf God hem de kracht om macht te dragen. En dat is een veel zeldzamere gave dan de kracht om onderdrukking en verachting te verdragen!
Jozef werd ook getraind om de andere gevaren van voorspoed te dragen. Die zijn noch gering, noch gering in aantal. Grote rijkdom en hoge posities zijn op zichzelf niet begeerlijk. Agurs gebed is daarom een wijs gebed: “armoede of rijkdom geef mij niet.”
Jozef verkeerde in groot gevaar toen hij heerser werd over het land Egypte. Maar tijdens zijn tijd in de gevangenis had hij geleerd een mysterie te ontcijferen en een raadsel op te lossen. In de praktijk was zijn uitleg van Farao’s droom precies wat hij in de gevangenis had geleerd: het is ijdel om te roemen op het vette vee, want het magere vee kan het spoedig verslinden.
Het is even onverstandig trots te zijn op de volle aren, want de verdorde aren kunnen ze spoedig verslinden. Farao zag in zijn droom hoe het magere vee het volvlezige vee verslond, maar alleen Jozef begreep de betekenis ervan. Hij had zelf zijn vette vee gezien toen hij in het huis van zijn vader was en had het zien verdwijnen toen hij als slaaf werd verkocht.
Hij had zijn volle aren gezien toen hij in het huis van Potifar was en had ze zien verdwijnen toen hij in de gevangenis werd geworpen. Zo wist hij nu dat er hier beneden niets is waarop het de moeite waard is te steunen, want op de wagen van al het aardse goed rijdt een wraakgodin, en iedere dag wordt gevolgd door een nacht.
Hij was opgeleid om heerser te zijn, omdat hij de zijde van de gevangene in het leven had leren kennen. Hij had ervaren hoe hard het is voor mensen om zonder proces en zonder rechtvaardigheid veroordeeld te worden. Daarom kon hij voorzien dat dit niet voor altijd verdragen kon worden en dat op een dag het lang lijdende magere vee tot razernij zou worden gebracht en het vette vee zou verslinden dat het had onderdrukt.
Daarom zou Jozefs bewind rechtvaardig en edelmoedig zijn geweest. Hij had geleerd welke elementen nodig waren om wet en orde te bewaren en om te voorkomen dat de armere klasse alles zou omverwerpen. Ook in de gevangenis had hij geleerd vrijmoedig te spreken. Heel zijn levensloop was als een voorbereiding geweest die hem geschikt maakte om moedig en waarheidsgetrouw tegenover de koning te spreken.
Welke verleiding zou er voor hem zijn geweest toen hij voor Farao stond om zijn geloof in God te verbergen? Voor hem, die zijn leven op het spel had gezet en zijn vrijheid had verloren ter wille van God? Voor een gewone jongeman zou het een grote verleiding zijn geweest om niets te zeggen over de ene ware God in de tegenwoordigheid van het hoofd van de Egyptische afgoderij. Maar zo’n gedachte kwam bij Jozef niet op.
Had hij zijn God niet beleden in het huis van Potifar? Zei hij niet tegen Potifars slechte vrouw: “hoe zoude ik dan dit een zo groot kwaad doen, en zondigen tegen God”? Hij had voor zijn God gestaan in de gevangenis en de schenker en de bakker verteld dat “de uitleggingen niet van God” zijn.
En nu staat hij voor Farao! Hij deinst geen moment terug, maar zegt: “God zal Farao’s welstand aanzeggen.”
Wel, broeders en zusters, hebt u ooit nagedacht over de morele moed van Jozef toen hij deze droom uitlegde?
Alle waarzeggers hadden geprobeerd de droom uit te leggen, maar waren er niet toe in staat. Was het dan waarschijnlijk dat de heidense koning een jongeman zou geloven die slaaf was geweest en pas uit een kerker was gehaald? Toen Jozef zeven jaren van overvloed en daarna zeven jaren van hongersnood voorspelde, was het een wonder dat Farao hem geloofde!
Als het verhaal was verdergegaan met de woorden: “Toen zei de koning tot zijn dienstknechten: Werp deze man in de gevangenis en voed hem met het brood der verdrukking en het water der verdrukking, totdat wij zien of zijn woord zal uitkomen,” zouden wij daar helemaal niet verbaasd over zijn geweest.
De magiërs zouden heel natuurlijk hebben kunnen beweren dat hij was aangezet om deze absurde uitleg te geven door mensen die er belang bij hadden koren te verkopen. Of anders zouden zij hebben aangedrongen dat een man die zulke onwaarschijnlijke gebeurtenissen durfde te voorspellen, maar beter naar zijn gevangenis kon worden teruggebracht.
Maar Jozef geloofde het Woord van de HEERE. Hij sprak met de overtuiging van iemand die wist dat God gesproken had, en Farao geloofde hem.
Vanwaar kwam die eenvoudige moed? Vanwaar kwam die stoutmoedigheid? Het was de ware koninklijke dapperheid die een deugdzame ziel omringt, of liever: de onverschrokkenheid die voortkomt uit de vreze van God!
Jozef stond op en bracht zijn boodschap, en de HEERE bevestigde zijn woord. Hierop was hij voorbereid door de dagen van zijn smart. Als een goed zwaardblad was hij door het vuur gegaan, en opnieuw door het vuur, opdat hij nu niet zou falen op de dag van de strijd!
O, lieve broeders en zusters, moge u evenveel winst uit uw verdrukkingen behalen als Jozef deed. En dat zult u, als de Heilige Geest uw beproevingen voor u heiligt.
II. DE EIGENAARDIGHEID VAN DE BEPROEVING
Wij moeten nu verdergaan en, ten tweede, letten op het bijzondere karakter van de beproeving. Volgens de tekst: “het woord van de HEERE beproefde hem.” Dat had gemakkelijk aan onze aandacht kunnen ontsnappen als de Geest van God het niet had laten optekenen.
“Het woord van de HEERE beproefde hem.” Hoe was dat? Potifar beproefde hem en de ketenen beproefden hem, maar beproefde het Woord van de HEERE hem? Ja. Maar er is een eerdere vraag: hoe ontving hij überhaupt een woord van de HEERE? Er was toen immers nog geen Bijbel!
Mozes had nog niet geleefd; er was zelfs nog geen boek Genesis. Welk woord van God had hij dan? Het antwoord is: zijn dromen waren voor hem het Woord van God, want zij waren mededelingen uit de hemel. Ook het onderwijs dat hij van zijn vader had ontvangen, was voor hem het Woord van God.
Zijn kennis van het verbond dat God met Abraham en Izak en met zijn vader Jakob had gesloten, was Gods Woord voor hem. Bovendien wekte het verborgen onderwijs van de Heilige Geest zijn geweten en gaf het hem licht op zijn weg. Toen er nog geen geschreven Woord was, sprak de Goddelijke Geest zonder woorden, door de waarheid rechtstreeks op het hart te drukken!
Dit alles was voor Jozef het Woord van God. Hoe beproefde het hem? Zo: het Woord zei in zijn geweten tegen hem: “Gij zult niet echtbreken.” Zonder dat Woord zou hij niet beproefd zijn, want zijn natuurlijke neiging kon hem ertoe brengen in te stemmen met de wensen van zijn meesteres.
Het genot van gemak, rijkdom en gunst kon hij verkrijgen door de glimlach van die vrouw. Maar het Woord van God kwam ertussen en zei: “U zult niet.” En Jozef werd beproefd. Die beproeving kon hij echter doorstaan; de Goddelijke genade stelde hem in staat de jeugdige lusten te ontvluchten en te roepen: “Hoe zoude ik dan dit een zo groot kwaad doen, en zondigen tegen God?”
De beproeving die voortkwam uit zijn onschuld, moet hem opnieuw door het Woord van God zijn getoetst. Daar is hij, in de gevangenis. Waarvoor? Wel, voor een daad die zo zuiver was dat hij, als hij daarvoor op een troon was gezet, die eer wel verdiend zou hebben!
Denkt u niet dat vele vragen hem verontrustten terwijl hij in de gevangenis lag? Zou de boze geest niet tegen hem hebben gezegd: “Was u dan toch geen dwaas? Denkt u niet dat uw kuisheid louter bijgeloof was?” Zo zou de reinheid van zijn hart beproefd worden, en het Woord van God zou hem doorzoeken en zijn haat tegen de zonde op de proef stellen.
Zou het Woord van God zijn standvastigheid niet beproeven, terwijl het vroeg: “Gelooft u nu?” Welke vragen werden hem voorgelegd! Is er werkelijk een zedelijke Bestuurder van het heelal? Zo ja, waarom laat Hij de onschuldigen lijden? Waarom ben ik in boeien, terwijl de wellustige vrouw in gunst verkeert? Kon een almachtige God mij niet verlossen? Waarom laat Hij mij dan hier?
Kon Jozef tegenover zulke vragen nog vasthouden aan het getrouwe Woord? Hij kon het, en hij deed het! Maar het Woord beproefde hem en bewees zijn standvastigheid, zijn geloof en zijn integriteit. Ook het Woord van de HEERE dat hij vele jaren tevoren had gehoord, zou tot hem komen en hem beproeven.
Zijn bevende hart zou vragen: “Heeft God ooit werkelijk tot u gesproken? Waren die dromen niet kinderachtig? Die stem die u meende in uw hart gehoord te hebben, was dat geen verbeelding? Deze voorzienigheid van God, die u voorspoedig heeft gemaakt waar u ook bent gegaan, was dat per slot van rekening geen geluk?
Heeft de levende God Zich ooit geopenbaard aan iemand die uiteindelijk een slaaf werd? Kijk naar uw boeien en vraag u af of u wel Zijn kind kunt zijn!” En dan vermoed ik dat gedurende de tijd waarin Jozef geboeid was, het Woord van God had opgehouden tot hem te spreken zoals voorheen. Hij droomde niet en legde ook geen dromen uit. Dat schijnt de bijzondere manier te zijn geweest waarop de HEERE Zich aan hem openbaarde.
Broeder, weet u wat het is om beproefd te worden doordat troostende mededelingen ophouden? Hebt u ooit een tijd doorgemaakt waarin u geen enkele tekst uit de Schrift op uw ziel toegepast voelde, zonder enige levendige flits van het Goddelijke licht te aanschouwen of enige instroming van de kracht van de Geest door het Woord van God?
Als u zo beproefd bent geweest, bent u misschien verzocht geweest te vragen: “Heeft de HEERE ooit werkelijk tot mij gesproken? Ben ik werkelijk bekeerd geweest, of is het per slot van rekening een mythe? En deze dingen die ik als mededelingen uit de hemel beschouwd heb, zijn die per slot van rekening niets anders geweest dan de dampen van een verhit brein?” Het Woord van God beproefde hem, en hij moest zichzelf wegen in de weegschalen van het heiligdom.
Ook de heldere belofte van toekomstig goed zou hem beproeven. Zijn vrees zou zeggen: “Hoe is het mogelijk dat uw broers u hulde zullen bewijzen? U bent ver van uw gezin en kunt niet hopen hen ooit weer te zien. En wat de schoven betreft die zich voor uw schoof bogen, waar zijn die? U bent opgesloten en kunt niet naar buiten komen! Binnen deze muren heeft de jaloerse Potifar u ten dode veroordeeld.”
Het Woord van God zou dan tot hem zeggen: “Kunt u Mij geloven? Kunt u de HEERE vertrouwen om Zijn beloften te vervullen?” O, mijn broeders en zusters, het is gemakkelijk voor ons om hierover te spreken, maar als wij door dezelfde beproeving moesten gaan — liggend in een kerker, onder een beschuldiging van schuld die wij verafschuwden, ver weg van alles wat wij liefhadden — zouden wij het Woord van God misschien een zeer beproevende zaak vinden!
En misschien zou de donkere gedachte zelfs door onze geest kunnen flitsen: “Wilde God maar dat ik dat Woord nooit gehoord had, maar dat ik had kunnen leven zoals de Egyptenaren doen! Dan had ik misschien in genoegen kunnen wonen, in het huis van Potifar. Maar dit Woord van God — in welke beproevingen heeft het mij gesleept, in welke moeilijkheden heeft het mij geworpen! Is het per slot van rekening de moeite waard om het te kennen?”
Ik herinner mij dat ik eens zeer, zeer ziek was, en een man die geen godsvrucht bezat, maar vol goddeloze humor was, mij aldus benaderde: “Ach, ziet u, dien de Heere liefheeft, kastijdt Hij.” “Ja,” zei ik, “ik lijd zeer.” “Wel,” zei hij met een spottende lach, “ik kan het heel goed stellen zonder zo’n liefde, zolang ik maar van zo’n kastijding afblijf.”
Ik barstte in tranen uit en mijn ziel zelf kookte over, terwijl ik uitriep: “Al zou de HEERE mij tot poeder malen, ik zou het uit Zijn handen aanvaarden, als ik toch maar Zijn liefde mocht hebben. U bent het die beklaagd moet worden. Want hoe gezond uw gezondheid ook mag zijn en hoe vrolijk u er ook uitziet, u bent een arm schepsel, aangezien u het enige gemist hebt dat het waard is om voor te leven.”
Ik gaf hem een salvo; ik kon het niet helpen. Ik voelde mij gedwongen op te komen voor mijn Meester. Jozef nam het juk van de HEERE gewillig op zich en vond rust voor zijn ziel. Hij rekende de smaad van Christus tot grotere rijkdom dan al de luxe van het huis van Potifar.
Zo beproefde het Woord hem, en hij werd oprecht bevonden. Ik twijfel er niet aan dat het Woord van de HEERE Jozef ook op deze manier beproefde. Dat Woord scheen te zeggen: “U dacht dat u de God van uw vader liefhad, Jozef. Hebt u Hem nu lief? U hebt het huis van uw vader verloren.
U hebt het gemak van het huishouden van Potifar verbeurd. U hebt uw vrijheid opgeofferd, en misschien zal het volgende zijn dat u wordt uitgeleid om te sterven! Kunt u nog vasthouden aan de HEERE?” Jozef was standvastig in zijn trouw en bereid de HEERE tegen elke prijs te volgen, zelfs tot in de dood.
Het Woord was tot hem gekomen en het beproefde zijn standvastigheid. Ik spreek misschien tot sommige jonge mannen die allerlei moeilijkheden krijgen doordat zij christenen zijn. Ik feliciteer u! Zo traint de HEERE Zijn dapperste soldaten.
Ik spreek misschien tot sommigen van u, oudere mannen, die door stormen van beproeving gaan, voornamelijk omdat u aan uw integriteit vasthoudt. Ik feliciteer u! Verheug u op deze dag en spring op van vreugde, want u verdraagt slechts beproevingen die het lot zijn geweest van betere mensen dan uzelf!
Mensen leggen geen onedel metaal in de oven; zij besteden hun toetsing aan kostbaar goud. Ik zie in het feit van uw beproeving enig bewijs van uw waarde, en ik feliciteer u, mijn broeders en zusters. Ik bid dat de HEERE u zal opdragen en u erdoorheen zal dragen, opdat u, zoals Jozef, van groot nut mag zijn voor Israël en heerlijkheid mag brengen aan God!
III. DE VOORTDURING EN DE AFSLUITING VAN DE BEPROEVING
De laatste gedachte is de voortduring en de afsluiting van de beproeving. Beproeving duurt niet eeuwig. Wees welgemoed: het getij ebt weg, maar de vloed zal terugkeren. Let op het woord: “totdat.” Hij Die de sterren telt, telt ook uw smarten, en als Hij het getal tien bepaalt, zullen uw beproevingen nooit elf zijn.
De tekst zegt: “totdat,” want de HEERE bepaalt de grenzen van de trotse wateren, en zij zullen niet meer over uw ziel gaan wanneer zij de grens van het Goddelijke “totdat” bereiken. “Totdat de tijd dat zijn woord kwam” — hetzelfde Woord dat Jozef beproefde, bevrijdde hem op de rechte tijd.
Als de HEERE de cipier toestemming geeft ons in de gevangenis te houden, moeten wij daar blijven totdat Hij een waarborg zendt voor onze bevrijding. En dan kunnen al de duivels in de hel ons geen ogenblik langer in gevangenschap houden. Mijn lieve broeders en zusters, ik wil dat u in uw moeiten geheel op God ziet, Wiens Woord een Woord van kracht is.
Hij spreekt, en het is gedaan! Hij heeft moeite tot u gesproken, maar Hij kan even gemakkelijk troost tot u spreken. Bekommer u niet om wat het woord van de schenker is. Smeek hem niet en zeg: “Wanneer het u wel gaat, spreek dan een woord voor mij.” Het woord van de schenker zal niet van nut zijn. Het is het Woord van Jehovah dat u nodig hebt, want “waar het woord van een koning is, daar is macht.”
Het is een gezegend ding te weten dat moeite rechtstreeks van God komt, wat het secundaire werktuig ook mag zijn. U moet niet zeggen: “Ik had het kunnen verdragen als het niet vanwege die goddeloze vrouw geweest was.” Bekommer u niet om de goddeloze vrouw. Zie op God als Degene Die haar boosaardigheid en alles wat er verder is, overheerst.
Hij zendt de beproeving, en daarom ziet u op Hem om u ervan te verlossen: “Hij is het, Die onze troost hoog doet stijgen, of ze doet zinken in het graf.” Hij sluit ons op in de gevangenis, en Hij brengt ons er weer uit. De tijd was in Gods handen, en zij was zeer wijs geordend.
Stel dat de schenker aan Jozef gedacht had en tot Farao gesproken had over de uitleg van zijn droom? De kans is groot dat, toen de hovelingen van Farao’s hof dit gehoord hadden, zij de zalen van het paleis hadden laten weergalmen van het gelach! En de magiërs zouden in het bijzonder minachting hebben uitgestort over het idee dat een gevangen gezette slavenjongen, die gevangen was gezet wegens schandelijk gedrag, meer wist over het uitleggen van dromen dan de wijze mannen van Egypte, die in deze kunst waren opgevoed en daarin hoge graden hadden behaald!
Het zou een onderwerp van spot zijn geweest in het hele land! Het was het verkeerde moment, en God zou de schenker niet laten herinneren, want die herinnering zou het plan hebben bedorven en de hele zaak hebben verpest. Maar Gods “totdat” kwam precies op het juiste ogenblik, toen Jozef gereed was voor het hof en toen Farao gereed was om Jozef te waarderen.
Het uur had zijn man nodig, en hier was het uur voor de man. De rechte weg van de kerker naar de troon was niet open totdat Farao zijn droom droomde. Pas toen moest Jozef tevoorschijn komen, en niet eerder. O, broeders en zusters, zit stil en wacht! De bevrijding waarnaar u smacht, is nog niet rijp. Wacht terwijl het Woord u beproeft, want datzelfde Woord zal u te gelegener tijd vrijmaken!
Het Woord bevrijdde hem op een manier die zijn karakter zuiverde, want er zou nooit een gefluister tegen hem worden ingebracht, en Potifar zou de waarheid weten, zelfs als hij die niet al vermoed had. Het bevrijdde hem op een manier die zijn verheven positie verzekerde en hem de middelen gaf om voor zijn vader en zijn huisgezin te zorgen.
Hij had eerder uit de gevangenis bevrijd kunnen worden en slechts een gewoon persoon gebleven kunnen zijn, of teruggestuurd kunnen worden om slaaf te worden bij een nieuwe meester. Maar nu verzekerde zijn bevrijding zijn emancipatie van de slavernij en plaatste hem in een positie die hem in staat stelde voor zijn vader en zijn gezin te zorgen in het land Gosen.
En zo bewezen de schoven hulde aan zijn schoof, en de zon, de maan en elf sterren vervulden het visioen dat hij zoveel jaren tevoren had gezien! U ziet, broeders, er is een tijd van bevrijding, en die tijd is door God vastgesteld. Het is de juiste tijd!
Daarom moeten wij er rustig op wachten. Wacht de boer niet op de kostbare vruchten van de aarde? En zult u dan niet wachten op de vruchten van de belofte? Wees niet onstuimig. Breng die murmurerende gedachten tot zwijgen! Laat nooit overhaaste woorden over uw lippen komen.
Volhard, jongeman, volhard! Ja, en u, grijze man, volhard, volhard! Het aambeeld breekt uiteindelijk de hamers! Volhard, volhard! De rots breekt de golven, maar wordt zelf niet gebroken. Draag de beproevingen die van God en van Zijn Woord tot u komen met vreugde en geduld, want het einde is er nog niet; maar wanneer het komt, zal het eeuwige vreugde zijn!
Ik meen sommigen overal in de zaal te horen zeggen: “Ach, ik zie dat deze gelovigen een zeer beproefd volk zijn! Wie zou een van hen willen zijn?” Luister, vriend, en ik zal u iets vertellen! Jozef was niet de enige persoon in de gevangenis, en de rechtvaardigen zijn niet de enige mensen die beproefd worden.
De opperschenker was in de gevangenis, en de opperbakker ook. Ik vraag mij af of de schenker en de bakker vandaag hier zijn, treurig kijkend. Zo ja, dan is er dit verschil tussen hen en Jozef: de HEERE is niet met hen, maar Hij is met Jozef. En dat maakt een geweldig verschil, want: “Stenen muren maken geen gevangenis, noch ijzeren tralies een kooi.”
Als God met Jozef in de gevangenis is, is Jozef gelukkig. Maar zo is het niet met u, beproefde wereldlingen. Ik vraag mij af, o schenker en bakker, of u enige dromen hebt gehad? Ik vraag mij af wat er deze morgen door uw gedachten is gegaan. Waarom kijkt u vandaag zo treurig?
Ik ben geen uitlegger van dromen, maar misschien kan ik de uwe ontraadselen. Was er een wijnstok voor u in uw droom? Die ware en levende Wijnstok? Bloeide zij en droeg zij vrucht voor uw ogen? En nam u van haar trossen en bood u haar zuivere bloed aan de koning aan?
Zo ja, dan zult u vrijgemaakt worden. Uw droom betekent zaligheid, want er is een Wijnstok van de eigen planting van de HEERE, wier wijn het hart van de mens verblijdt. En hij die van haar levende vrucht neemt, wordt aangenomen. Weet u hoe u die trossen moet nemen en ze uit te persen? Zo ja, dan zal de Koning Zich in u verheugen, want niets is Hem zo dierbaar als de vrucht van het verzoenend offer van Jezus!
Maar hebt u gedroomd van koeken die u door uw eigen bekwaamheid gemaakt hebt? Niet de vruchten van een wijnstok, levend en vol, maar louter koeken, gezoet met uw eigen eigengerechtigheid, gebakken in de oven van uw eigen ijver en vlijt? En hoopt u deze voor de Koning te zetten?
De vogels van de lucht pikken er al aan! U begint nu te voelen dat uw werken niet helemaal zijn wat u dacht dat zij waren! O, als dit uw droom is, beef ik voor u, want u zult tot een kwaad einde komen! Ik bid dat de HEERE die droom van u wegneemt en u iets beters leert.
De zaligheid is van de HEERE! Of het voor de schenker, de bakker of Jozef is, de verlossing is alleen door Jezus! Vertrouw voor eeuwig op de HEERE, want in de HEERE Jehova is eeuwigdurende sterkte, en zij die op Hem vertrouwen, zullen nooit beschaamd of te schande gemaakt worden, tot in eeuwigheid. Amen.
Preek nr. 1277 · Gehouden te Newington, Londen, Metropolitan Tabernacle Pulpit deel 21. Oorspronkelijke titel: “Trial By The Word”. Bron: Spurgeon’s Sermons, spurgeon.org.


