De grote verandering

Een preek uitgesproken op zondagavond 18 juli 1886 door C. H. Spurgeon in de Metropolitan Tabernacle te Newington.

Charles Haddon Spurgeon

Efraim! wat heb Ik meer met de afgoden te doen? Ik heb hem verhoord, en zal op hem zien; Ik zal hem zijn als een groenende denneboom; uw vrucht is uit Mij gevonden. Hosea 14:9

Deze passage staat in een zeer levendig contrast met wat Efraïm eerder had gezegd, zoals opgetekend aan het begin van de profetie van Hosea. Als u naar het tweede hoofdstuk gaat, bij het vijfde vers, zult u diezelfde Efraïm horen zeggen: “ik zal mijn minnaars nalopen, die mij mijn brood en mijn water geven, mijn wol en mijn vlas, mijn olie en mijn drank.” Deze minnaars waren de afgoden, en Efraïm was vastbesloten hen na te lopen, omdat zij haar verschillende genoegens aan hen toeschreef: haar brood en haar water, haar wol en haar vlas, haar olie en haar drank.

Efraïm was zo wanhopig vastbesloten haar afgoden na te lopen, dat God veel moeite moest doen om haar daarvan weg te trekken. Het tweede hoofdstuk gaat namelijk verder: “Daarom, ziet, Ik zal uw weg met doornen betuinen, en Ik zal een heiningmuur maken, dat zij haar paden niet zal vinden. En zij zal haar boelen nalopen, maar dezelve niet aantreffen; en zij zal hen zoeken, maar niet vinden.” Zo ziet u dat dit volk wanhopig vastbesloten was geweest om de afgoden na te lopen. Toch lezen wij dat diezelfde Efraïm, voordat de profetie ten einde is, zegt: “wat heb Ik meer met de afgoden te doen?”

Wat een verandering werkt de genade van God in het hart! Zij keert de werking van het hele raderwerk van ons wezen om. Zij zet “nee” voor “ja” en “ja” voor “nee.” Het is een radicale verandering: wat wij haatten, gaan wij liefhebben, en wat wij liefhadden, gaan wij haten. Waar wij aangaande dit en dat zeiden: “ik wil” en “ik zal”, daar doet de genade van God ons van toon veranderen, zodat wij zeggen: “ik zal niet, door Gods genade. Ik zal niet handelen zoals ik zei dat ik zou doen, want wat heb ik meer met de afgoden te doen?”

Aan het begin van deze rede zou ik ieder tot wie ik spreek de volgende vraag willen voorleggen: “hebt u, mijn vriend, ooit deze grote en algehele verandering ervaren?”

Bedenk dat, als u tot het volk des Heeren gerekend wilt worden en u deze verandering nog niet hebt ervaren, het volstrekt noodzakelijk is dat u deze verandering ondergaat. “Gijlieden moet wederom geboren worden,” en deze wedergeboorte is niet het ontwikkelen van iets goeds dat al in u aanwezig is, maar verborgen ligt. Het is het in u planten van iets dat er nog niet is! Het is de levendmaking van u uit uw dood in de zonde. Het is een verandering in u, even groot als die welke gewerkt werd aan de Persoon van onze Heere Jezus, toen Hij, nadat Hij dood in het graf gelegen had, weer tot leven werd gebracht.

Niets minder dan deze nieuwe geboorte, deze opstanding, deze grondige, algehele en radicale verandering, zal u geschikt maken om de hemel binnen te gaan! U hebt geen recht te verwachten dat u ooit door die paarlen poorten zult gaan, tenzij u opnieuw geschapen bent in Christus Jezus! Hij Die op de troon van God zit, zegt: “Ziet, Ik maak alle dingen nieuw.” En Hij moet u nieuw maken, want anders kunt u nooit binnengaan in het nieuwe Koninkrijk, waar een nieuwe hemel en een nieuwe aarde zijn! Nee, u kunt dat Koninkrijk zelfs niet zien, want de woorden van onze Heere zijn vandaag nog even waar als toen Hij tot Nicodemus zei: “Tenzij dat iemand wederom geboren worde, hij kan het Koninkrijk Gods niet zien.”

Laat die doordringende gedachte bij u blijven en beproef uzelf ermee. Maar nu zal ik u meteen naar de woorden van de tekst brengen, opdat wij mogen nadenken over de verandering die aan Israël, of Efraïm, gewerkt werd. Wij zullen eerst het karakter van deze verandering overwegen: “Efraïm zal zeggen, wat heb ik meer met de afgoden te doen?” Vervolgens zullen wij, ten tweede, de oorzaak van deze verandering opmerken. En ten derde het gevolg van deze verandering.

I. Ten eerste zullen wij het karakter van deze verandering overwegen. Efraïm was dronken geweest van haar afgoderij. De Israëlieten waren nooit tevreden met afgoden van één soort. Zij gingen naar Moab, Egypte, Filistea, Assyrië, de Hethieten en elk ander volk om afgoden te lenen. Zij voerden nieuwe afgoden uit verre landen in. Nooit waren zij tevreden met het aantal van hun beelden. En toch zeggen zij nu, nadat God doeltreffend aan hun harten gewerkt heeft, met één stem, namens allen: “wat heb ik meer met de afgoden te doen?”

Merk op dat deze verandering zeer hartelijk en spontaan was. Efraïm zei niet: “ik zou graag afgoden willen aanbidden, maar ik durf niet.” Zij zei ook niet: “ik zou graag gesneden beelden willen oprichten, maar ik mag niet.” Integendeel, zij zei zelf: “wat heb ik meer met de afgoden te doen?” Ik zou willen dat sommige mensen die ik zou kunnen noemen, werkelijk begrepen wat bekering betekent. Zij zeggen tegen ons: “U gaat dus niet naar het theater? Wat moet het voor u een grote ontzegging zijn om daar niet heen te gaan!” Maar niets is minder waar, want wij hebben nooit de wens of het verlangen gehad om daarheen te gaan. Wat hebben wij, die tweemaal geboren zijn, immers te maken met de ijdele dingen van deze wereld?

“O, maar de beker van de dronkaard! Het moet een zeer grote zelfverloochening voor u zijn om u daarvan te onthouden!” Integendeel, die beker is ons walgelijk! Wij zijn zover gekomen dat wij voelen dat zelfs het walgelijkste geneesmiddel dat ooit gemengd zou kunnen worden, ons zoeter zou zijn dan die beker! Wat hebben wij meer met de afgoden te doen? Zo wordt alles wat kwaad is, voor de ware bekeerling walgelijk en onsmakelijk. Hij zegt niet: “O, wat zou ik het graag willen! Wat verlang ik ernaar! Wat een honger heb ik ernaar!” Als hij in zichzelf ook maar het geringste verlangen naar enig kwaad ontdekt, roept hij uit: “Ik ellendig mens, wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods?”

Maar naarmate het werk van Gods Geest in hem voortgaat, ontstaat er een grondige en hartelijke scheiding van de dingen die hij eens liefhad. Hij heeft er evenveel afschuw van als hij er vroeger naar verlangde. Nu zingt hij:

Laat werelds gezinden de wereld najagen, zij heeft geen bekoring meer voor mij. Eens bewonderde ook ik haar beuzelarijen, maar de genade heeft mij vrijgemaakt. Haar genoegens behagen mij niet meer, geen bevrediging bieden zij mij nog. Ver van mijn hart zijn zulke vreugden, nu ik de Heere gezien heb! Zoals bij het licht van de aanbrekende dag, de sterren allemaal verborgen worden, zo vervagen de aardse genoegens, wanneer Jezus geopenbaard wordt.

Ik zeg opnieuw dat deze verandering zeer spontaan en hartelijk is. Efraïm zal zelf vrijuit zeggen: “wat heb ik meer met de afgoden te doen? Ik ben klaar met die dingen, en ik ben blij dat ik ermee klaar ben. O, was ik er maar eens en voor altijd van verlost geweest!” Deze week stelde ik een bekeerling een vraag die ik misschien al wel aan een dozijn anderen heb gesteld: “Mijn dierbare broeder, bent u volmaakt?” Iedereen antwoordde: “Nee, meneer, dat ben ik niet.” Toen ik vervolgens vroeg: “Zou u niet graag volmaakt willen zijn?”, luidde het antwoord telkens: “Ja, inderdaad, dat zou ik willen. Het zou een hemel op aarde zijn als ik volmaakt heilig kon zijn. O, was ik maar geheel van de zonde verlost!”

Zo zingen wij met Cowper: De dierbaarste afgod die ik heb gekend, wat die afgod ook is, help mij hem van Uw troon te rukken, en U alleen te aanbidden.

Doe de afgoden weg! Verbrijzel ze allemaal en breek ze in stukken, zoals een pottenbakker zijn potten verbrijzelt! Als er een begeerte, hartstocht, genoegen of verlangen in ons is dat niet overeenkomt met de wil van God, weg ermee! Wij kunnen dat kwaad niet verdragen en verlangen er van harte naar ervan verlost te worden. Efraïm zal zeggen, en zij zal het met vreugde, uit vrije wil en van harte zeggen: “wat heb ik meer met de afgoden te doen?”

Merk ook op dat deze verandering het werk is van Gods doeltreffende genade. Let op de bewoordingen van de tekst: “Efraïm zal zeggen.” Het is God Die verklaart: “Efraïm zal zeggen.” Misschien vraagt u mij: “U zei toch dat Efraïm dit vrijwillig zei, spontaan, met heel haar hart en uit haar eigen vrije wil?” Ja, dat is zo. Maar de Heilige Geest is, zonder de vrijheid van de menselijke wil te schenden, de Meester over die wil!

Er zijn in het verleden grote oorlogen en twisten geweest onder christenen over de vrije wil en de vrije genade. Wanneer ik de verslagen van die twisten lees, word ik getroffen door de grote hoeveelheid waarheid van God die aan beide kanten naar voren werd gebracht. Wanneer ik iemand stellig hoor beweren dat, als er enig goed is in een mens, dit geheel aan de genade van God te danken is, weet ik dat het waar is. Maar wanneer een ander verklaart dat de mens een vrij handelend wezen is, dat zijn vrije wil moet instemmen wanneer hij deugdzaam handelt, en dat deze instemming wezenlijk is voor het bestaan van die deugd, is dat dan niet eveneens waar? Zeker is het waar! Waarom zouden wij niet beide waarheden geloven?

Efraïm zegt vrolijk: “wat heb ik meer met de afgoden te doen?” En toch ligt daarachter het grote geheim. Wanneer God Zijn wil volbrengt door middel van louter materie, zoals dode blokken hout of steen, rivieren of stormen, is dat slechts gewone almacht! Maar wanneer God mensen volkomen vrij en verantwoordelijk laat, zonder de vrijheid van hun handelen teniet te doen, en toch Zijn eeuwige voornemens met hen tot in elke jota en tittel volbrengt, dan is dat, als ik het zo mag zeggen, almachtige almacht! Dat is almacht die tot haar hoogtepunt is gebracht! Zo is het ook met de genade van God: wij verlaten spontaan onze zonde, maar dat komt doordat de almachtige genade in ons werkt, zodat wij willen en werken naar Gods welbehagen!

“Efraïm zal zeggen: wat heb ik meer met de afgoden te doen?” Dat zal zij zeggen, omdat God haar door Zijn doeltreffende genade van haar afgoden heeft losgemaakt! Merk vervolgens op, dierbare vrienden, dat deze verandering altijd een persoonlijke verandering is. Efraïm zegt: “wat heb ik meer met de afgoden te doen?” Zij vraagt niet: “wat hebben de volken met de afgoden te doen?” Dat zou op zichzelf een verstandige vraag zijn, maar nationale of algemene godsdienst heeft doorgaans weinig betekenis. Daarom zeggen wij met de heer Bunyan: “Man, dat zijn algemeenheden, kom tot bijzonderheden.”

Geloof de gehele waarheid van God, samen met de grote menigte die haar belijdt, maar zorg ervoor dat u tot de bijzonderheden komt en zegt: “wat heb ik meer met de afgoden te doen?” Vraag niet: “Wat heeft mijn moeder met de afgoden te doen? Wat heeft mijn broeder met de afgoden te doen? Wat heeft mijn buurman met de afgoden te doen?” Vraag uzelf: “Wat heb ik met de afgoden te doen?” Als alle andere mensen in de zonde gaan, mag ik dat niet doen. Ik roep iedere gelovige tot wie ik spreek op om dit ter harte te nemen en bij zichzelf te zeggen: “God heeft zoveel voor mij gedaan, dat ik mij van de zonde moet afkeren. Voor mij zou moedwillige goddeloosheid een verschrikkelijke zaak zijn. Ik moet alle ongerechtigheid verlaten. Wat de rest van de wereld ook mag doen, ik mag niet met de menigte meegaan om kwaad te doen. Ik moet de zonde verafschuwen en verlaten. ‘Aangaande mij, en mijn huis, wij zullen den HEERE dienen.’ ‘Efraïm zal zeggen, wat heb ik meer met de afgoden te doen?'”

Verafschuw zelfzucht en egoïsme, maar wees tegelijkertijd zeer persoonlijk en individueel in uw godsdienst! U bent alleen geboren en u zult alleen sterven. Daarom is het noodzakelijk dat u persoonlijk en individueel wedergeboren wordt. Het moet komen tot een persoonlijke ontmoeting tussen uzelf en God, zodat u voor uzelf kunt zeggen, zoals wij dat in ons gezang deden: “het is gedaan! de grote overgave is gedaan, ik ben van mijn Heere, en Hij is van mij! Hij trok mij, en ik volgde, verrukt de goddelijke stem te belijden! De hemel, die mijn plechtige gelofte heeft gehoord, zal mij die vernieuwde gelofte dagelijks horen herhalen, totdat ik in mijn laatste levensuur buig en, terwijl ik sterf, dat zo dierbare verbond opnieuw bevestig.

“Wat heb ik meer met de afgoden te doen?” De verandering die hier wordt bedoeld, moet spontaan en hartelijk zijn. Zij moet voortkomen uit Gods genade en persoonlijk van aard zijn. Maar, dierbare vrienden, zij moet ook een waarlijk berouwvolle verandering zijn: “wat heb ik meer met de afgoden te doen?” In deze vraag ligt de erkenning besloten dat de spreker zich eerder met afgoden heeft ingelaten!

Laat de voorbije tijd ons genoeg zijn geweest om de wil van het vlees te volbrengen. Broeder, als u door Gods genade besloten hebt Hem te dienen, denk dan, voordat u aan die dienst begint, aan de manier waarop u in het verleden de duivel hebt gediend! Verlaat uw oude wegen niet zonder vele tranen van berouw en diepe vernedering, want wat u in de toekomst ook mag doen, u kunt het verleden niet ongedaan maken. Uw verspilde tijd, uw verkwiste vermogens, uw vertoornde God en de vrienden die u door uw voorbeeld tot het kwaad hebt verleid: u kunt dit alles niet uitwissen. Sta daarom ten minste enige tijd stil bij uw verleden en stort boetvaardige tranen over de graven van uw dode zonden. Vraag God u te helpen beseffen dat u genoeg hebt van uw boze wegen, uw zonden en uw nalatigheid.

Zeg: “wat heb ik meer met de afgoden te doen? Ik heb al veel te lang met hen te maken gehad. O satan, o eigen ik, o wereld, ik heb u allen al te lang gediend! Maar nu, mijn God, keer ik mij met diepe spijt over mijn hele verleden tot U!”

Deze verandering moet ook, dierbare vrienden, een levenslange verandering zijn. Let op de twee woorden in onze tekst: “wat heb ik meer met de afgoden te doen?”

Wanneer de genade van God een mens werkelijk bekeert, wordt hij niet slechts voor het volgende kwartaal bekeerd, met de mogelijkheid om daarna weer van de genade af te vallen. Dat is een menselijke bekering, die altijd tot een einde kan komen! Maar wanneer God u bekeert, kunt u nooit meer onbekeerd worden! Aangezien de bekering het werk is van de Geest van God, is het duidelijk dat er dezelfde kracht nodig zou zijn om dit werk ongedaan te maken als om het tot stand te brengen. Hij Die u tot een christen heeft gemaakt, zal u ook als christen bewaren! En tenzij er Iemand komt Die sterker is dan Hij en Zijn werk ongedaan maakt, zult u nooit terugkeren naar uw oude afgoden!

Waar God Zijn genadige werk begint, zal Hij het ook voleindigen, want in de zorg voor de voorwerpen van Zijn liefde komen al Zijn macht en barmhartigheid samen. Een mens kan berouw krijgen van zijn eigen werk en falen in zijn voornemens, maar God staat boven de macht van verandering en kan nooit berouw hebben. Ieder voorwerp van Zijn liefde is er zeker van het hemelse doel te bereiken, want noch de zonde, noch satan kan de ziel die door het bloed van Christus is gereinigd, verderven.

O, wat houd ik ervan om deze heerlijke leer van de eeuwige zaligheid te prediken! De zaligheid die u slechts een klein gedeelte van de weg naar de hemel draagt, heb ik nooit waardig geacht om door mij aangenomen te worden. Ik zou haar niet als een geschenk aannemen en heb nooit gedacht dat zij het waard was om aan u te prediken. Ik herinner mij dat ik een van de predikers tijdens een opwekking hoorde zeggen dat er mensen zijn die op weg naar de hemel reizen en slechts een kaartje tot het volgende station nemen. Daar stappen zij uit, kopen een nieuw kaartje en haasten zich weer terug naar de trein! En zo gaan zij steeds door.

“Maar,” zei de man, “toen ik begon, nam ik een kaartje voor de hele reis.” Dat is de manier om naar de hemel te reizen! Wanneer u begint, neem dan een kaartje voor de hele reis! Luister naar deze woorden van Christus: “Mijn schapen horen Mijn stem, en Ik ken dezelve, en zij volgen Mij.” “En Ik geef hun het eeuwige leven; en zij zullen niet verloren gaan in der eeuwigheid, en niemand zal dezelve uit Mijn hand rukken.” “Mijn Vader, die ze Mij gegeven heeft, is meerder dan allen; en niemand kan ze rukken uit de hand Mijns Vaders.” Luister ook naar deze woorden van onze Heere, tot de vrouw van Samaria: “Een ieder, die van dit water drinkt, zal wederom dorsten:” “Maar zo wie gedronken zal hebben van het water, dat Ik hem geven zal, dien zal in eeuwigheid niet dorsten; maar het water, dat Ik hem zal geven, zal in hem worden een fontein van water, springende tot in het eeuwige leven.”

O, mijn broeders en zusters, God redt mensen niet om hen vervolgens weer verloren te laten gaan! Als Hij u redt, bent u werkelijk gered! “Die geloofd zal hebben, en gedoopt zal zijn, zal zalig worden.” Dat is het Evangelie dat wij verkondigen, opdat u, eenmaal waarlijk bekeerd, zult zeggen: “wat heb ik meer met de afgoden te doen?”

Misschien vraagt iemand: “Maar keren sommige belijders dan niet terug naar hun oude wegen? En toch zegt u dat mensen die na hun geloofsbelijdenis in de zonde blijven leven, gered zullen worden?”

Dat is niet wat wij zeggen! Integendeel, wij geloven dat iemand die waarlijk bekeerd is, niet in de zonde zal blijven leven. Wanneer Gods genade in een mens werkzaam is, zal die genade hem ook voor de zonde bewaren. En als hij door een plotselinge verzoeking toch ten val komt, zal hij spoedig worden hersteld. Met tranen en zuchten zal hij teruggebracht worden op de goede weg. Wij hebben nooit beweerd dat iemand in de zonde kan blijven leven en toch naar de hemel kan gaan! Dat zou een verdoemelijke uitspraak zijn, die geen christen ooit zou mogen doen!

Maar wie waarlijk gered is, is eens en voor altijd gered. Hij kan zeggen: “wat heb ik meer met de afgoden te doen?” Hij heeft voor de rest van zijn leven met hen gebroken en laat ze achter zich. Hij verbrandt de bruggen achter zich, zodat hij nooit meer terugkeert naar het land dat hij eens en voor altijd verlaten heeft. Dat is een zaligheid die het waard is om te bezitten! Daarom bid ik u: geloof in de Heere Jezus Christus en word deelgenoot van deze zaligheid!

Merk ten slotte op dat dit een zeer grondige verandering is: “wat heb ik meer met de afgoden te doen?” O, u die met de afgoden hebt afgerekend, bedenk dat u ook hebt afgerekend met de afgodentempels, de valse priesters, de zogenaamde “heilige draad” en alle andere afgodische tekenen! U hebt gebroken met alles wat met afgoderij te maken heeft! U die eens dronkaards waart, hebt voor altijd afgerekend met het café en de beker van de dronkaard!

U die eens wellustig waart, wat hebt u, nu de genade van God u veranderd heeft, nog te maken met hoererij of enige vorm van onreinheid? U die vroeger oneerlijk was, wat hebt u, nu de genade van God u veranderd heeft, nog te maken met de slinkse praktijken van de handel? Wat hebt u te maken met frauduleuze faillissementen, bedrog of leugens? Laat iedere ware gelovige uitroepen: “wat heb ik meer met de afgoden te doen?” Weg ermee, zonde en satan, met huid en haar! Wat heeft iemand die met het bloed van Christus is gekocht, nog met afgoden te maken? Door Gods genade verlaat hij ze, eens en voor altijd!

Ik zie dat het te veel tijd zou kosten om de rest van mijn tekst volledig uit te leggen. Daarom zal ik mij moeten beperken tot het tweede onderdeel van het onderwerp.

II. Dit zou, zo moet u bedenken, de oorzaak zijn van deze grote verandering. De eerste oorzaak is de genade die wij ontvangen hebben. Eerder in dit hoofdstuk horen wij de Heere zeggen: “Ik zal hunlieder afkering genezen, Ik zal hen vrijwilliglijk liefhebben; want Mijn toorn is van hem gekeerd.” Daarna volgt onze tekst als een vanzelfsprekend antwoord: “Efraïm zal zeggen, wat heb ik meer met de afgoden te doen?”

Wij kunnen u er niet toe brengen de zonde op te geven, hoe ernstig wij u ook aansporen haar te verlaten. Maar wanneer u door Gods genade Christus als uw Zaligmaker ontvangt, zult u de zonde als een vanzelfsprekend gevolg verlaten! Wat is de beste manier om kaf uit een schepelmaat te houden? Vul haar volledig met tarwe! En wanneer het hart van een mens vol is van Christus, zal er geen ruimte zijn voor de wereld, het vlees of de duivel. Deze boze dingen kunnen geen toegang krijgen tot een hart waarvan Christus volledig bezit heeft genomen.

Wanneer God als de dauw op onze ziel neerdaalt en wij Zijn genade vrijelijk ontvangen, hoeven wij niet voortdurend aangespoord, aangesproken of gedreven te worden. Dan zeggen wij onmiddellijk: “wat heb ik meer met de afgoden te doen?”

Een andere oorzaak van deze grote verandering ligt in het ontdekken van de schoonheid van de Heere. Ik weet niet helemaal zeker of wat ik nu ga zeggen de precieze betekenis van deze tekst weergeeft, maar ik denk van wel. In deze profetieën is het soms erg moeilijk om vast te stellen wie er aan het woord is. Er komen regelmatig dialogen in voor, maar die zijn niet altijd zo duidelijk aangegeven dat wij met zekerheid kunnen zeggen wie de spreker is.

Wanneer ik dit hoofdstuk lees, heb ik altijd gedacht dat de Heere Degene was Die zei: “Ik heb hem verhoord, en zal op hem zien.” Maar wanneer ik de passage nader overweeg, ben ik er niet helemaal zeker van dat dit inderdaad de juiste uitleg is. Laat mij u daarom een andere weergave geven. Ik ben deze gedachte tegengekomen in twee verzen van een onbekende dichter. Laten wij vervolgens onderzoeken of dit niet de betekenis van de passage kan zijn: Ik heb Hem gehoord en waargenomen, Zijn rijke en zeldzame schoonheid gezien, Zijn majesteit en heerlijkheid aanschouwd, En Zijn genade, die alles overtreft. Wat heb ik nog met afgoden te doen, Wanneer zulke visioenen mijn ogen vullen? Hoe zou ik mij nog met schaduwen bezighouden, Wanneer de Werkelijkheid voorbijgaat?

Betekent de tekst dan het volgende: “Ik zal niets meer met de afgoden te doen hebben, want ik heb mijn God gehoord en Hem waargenomen. Ik heb Christus horen spreken en de voortreffelijkheid van Zijn karakter ontdekt”?

Dit weet ik in ieder geval: of dit nu wel of niet de precieze betekenis van deze passage is, niets maakt het hart zo los van de afgoden als een blik op Christus! O, u die belijdt christen te zijn, maar zo gehecht raakt aan deze wereld, ik weet zeker dat u uw Meester onlangs niet hebt gezien! Als u Hem wel had gezien, zou de wereld in uw achting haar aantrekkingskracht verliezen.

O, u die steeds meer gesteld raakt op menselijke wijsheid, u kunt Hem onlangs niet hebben horen spreken. Anders zou Hij voor u tot wijsheid zijn geworden en zou al het andere dwaasheid zijn! O, u die voor uzelf en voor aardse winst probeert te leven, u hebt uw hoofd niet onlangs aan de boezem van de Zaligmaker gelegd! U hebt niet recentelijk in die dierbare ogen gekeken, die stralender zijn dan de heerlijkheden van de morgen! U kunt de geur van die klederen, die naar mirre, aloë en kassie ruiken, niet werkelijk hebben gekend. Anders zou u nooit betoverd raken door deze arme, vuile en onwelriekende wereld!

“Ik heb Hem gehoord, en waargenomen, wat heb ik meer met de afgoden te doen?” “Ik heb Hem horen zeggen: ‘Ik heb u liefgehad met een eeuwige liefde.’ Ik heb Hem naar het kruis zien gaan en Zijn leven voor mij zien afleggen. Wat heb ik meer met de afgoden te doen?”

Wanneer u, als de bruid van Christus, uw eerste Man liefhebt zoals u Hem behoort lief te hebben, zullen uw omzwervingen tot een einde komen. Wanneer heel uw hart uitgaat naar de Zeer Geliefde en Hij u verrukt door openbaringen van Zijn liefde en genade, zult u zeggen: “Wat heb ik met afgoden te doen? Ik ben zo bevoorrecht en zo rijk gezegend met goddelijke zegeningen. Ik ben op weg naar de hemel en zal daar spoedig het aangezicht zien van Hem Die ik liefheb. Wat heb ik dan nog met afgoden te doen?”

Dit lijkt mij een grootse betekenis, die volkomen in overeenstemming is met de ernstige ervaring van ware christenen. Daarom laat ik deze gedachte aan u over. Deze grote verandering wordt dus in ons gewerkt door Gods genade en door een blik op de ware schoonheid van onze Heere.

Maar wanneer wij de tekst nemen in de betekenis die er gewoonlijk aan wordt gegeven, ontdekken wij nog een andere betekenis. Een oorzaak van deze grote verandering is namelijk het besef dat onze gebeden verhoord worden. Efraïm zal zeggen: “wat heb ik meer met de afgoden te doen?” En God zegt van Efraïm: “Ik heb hem verhoord.”

Ik herinner mij dat God mijn gebed al verhoorde toen ik nog een kind was. Ik kan u niet vertellen waarover dat gebed ging. Misschien betrof het slechts een kleinigheid, maar voor mij als kind was het even belangrijk als het grootste gebed dat Salomo ooit voor zichzelf heeft uitgesproken! God hoorde mijn gebed. Daardoor werd al vroeg in mijn hart vastgelegd dat de Heere waarlijk God is.

Later, toen ik Hem werkelijk leerde kennen — want evenals de jonge Samuël kende ik de Heere toen nog niet — tastte ik in het gebed slechts naar Hem. Maar toen ik Hem met meer inzicht begon aan te roepen, verhoorde Hij dat gebed en schonk Hij mij wat ik Hem had afgesmeekt. Dat heeft Hij sindsdien menigmaal gedaan.

Ik zeg slechts wat ieder van u die de Heere kent, ook zou kunnen zeggen: sindsdien heeft Hij mijn gebeden vele malen verhoord. Ik kan u niet alles vertellen wat ik hierover zou kunnen zeggen. Er zijn veel geheimen tussen mij en mijn dierbare Heere. Juist deze week heb ik een blijk van Zijn liefde ontvangen die, als ik het u kon vertellen, uw ogen van verwondering zou doen oplichten en zich met tranen zou doen vullen! Ik vroeg en ontving, zo duidelijk alsof ik tot mijn eigen broer had gesproken en hij tegen mij had gezegd: “Ja, hier, neem alles wat u nodig hebt.”

Welnu, ik merk steeds dat mijn hart zegt: “wat heb ik meer met de afgoden te doen?”, naarmate ik mij er meer van bewust ben dat God mijn gebeden verhoort. Als ik bij mijn God kan ontvangen wat ik Hem vraag, waarom zou ik dan voor mensen moeten kruipen en voor hen mijn knieën buigen? Als ik slechts tot God hoef te gaan en op Hem hoef te wachten, in het vertrouwen dat Hij mij het verlangen van mijn hart zal geven, wat heb ik dan nog te maken met zorgen, tobben en angst? Wat heb ik met afgoden te doen?

Als alles in Christus te vinden is en wij dat alles door het gebed mogen ontvangen, wat heb ik dan nog met afgoden te doen? Het is wonderbaar hoe u losgemaakt wordt van de dorre borsten van deze wereld wanneer u alles kunt ontvangen wat uw ziel verlangt uit de volheid van de levende God!

Als de God van Israël, de Jehova der heerscharen, voor u niet meer betekent dan de goden van de heidenen of de afgoden van wereldse mensen, dan zult u inderdaad met afgoden te maken hebben! Maar als uw God de God is Die het gebed verhoort, en als u in Zijn tegenwoordigheid leeft, tot Hem spreekt en Hem tot u hoort spreken, als u voortdurend gemeenschap met Hem hebt, zodat God tot u kan zeggen: “Ik heb hem verhoord, en zal op hem zien,” dan ben ik ervan verzekerd dat ook u zult zeggen: “wat heb ik meer met de afgoden te doen?”

Als ik nu een arme ziel aanspreek die verlangt naar Gods barmhartigheid en al maandenlang tot God roept om door Jezus Christus vergeving te ontvangen, dan zeg ik: dierbaar hart, als u slechts in de Heere Jezus Christus wilt geloven, zult u ontvangen waar u om vraagt. U zult vrede, vergeving, vreugde en rust ontvangen! En dan zult u zeggen: “wat heb ik meer met de afgoden te doen?”

“O,” zegt iemand, “mijn beste heer, ik heb geprobeerd de zonde te overwinnen, maar ik kan het niet!” Ik weet dat u dat niet kunt. Maar als u begint met Christus te ontvangen, tot God te bidden en Zijn antwoord te ontvangen, zult u kunnen zeggen: “wat heb ik meer met de afgoden te doen?”

U wilt zich eerst wassen en daarna naar de fontein komen. Maar dat zal niet gaan! U moet komen zoals u bent, zo zwart als u bent, om gewassen en gereinigd te worden. U wilt eerst geestelijk rijk worden en daarna tot God komen om u verder te laten verrijken. Nee! U moet arm tot Hem komen, zonder iets van uzelf mee te brengen. Kom precies zoals u bent en vertrouw op de onbegrensde barmhartigheid van God in Christus Jezus! Hij zal u alles geven wat u nodig hebt. Dan zult u zeggen: “wat heb ik meer met de afgoden te doen, want God heeft mij verhoord, en Hij ziet mijn ziel aan?”

U hebt nu enkele manieren gezien waarop deze grote en wonderbare verandering tot stand wordt gebracht. Ik heb veel andere punten moeten overslaan waarover ik van plan was te spreken, maar ik bid dat deze verandering in ieder van u gewerkt mag worden.

Wacht niet totdat deze verandering in u heeft plaatsgevonden om daarna tot God te komen. Kom juist tot God om deze verandering te ontvangen! Hebt u een gebroken hart? Kom dan met dat hart tot Christus! Maar als u geen gebroken hart hebt, kom dan tot Christus om uw hart te laten breken. Voelt u uw zonde? Kom dan tot Christus om vergeving te ontvangen. Maar als u uw zonde niet voelt, kom dan tot Christus, opdat Hij u ertoe brengt uw zonde te voelen!

Als er iets goeds in u is, dank God daar dan voor en kom tot Hem om meer genade te ontvangen. Maar als er helemaal niets goeds in u is, kom dan zonder ook maar iets van uzelf mee te brengen. Laat Christus met u beginnen bij het allereerste begin, in al uw leegheid, nood, geestelijke armoede en ellende!

Kom tot Hem, precies zoals u bent, want Hij zegt nog altijd: “die tot Mij komt, zal Ik geenszins uitwerpen.” Moge Zijn liefelijke Geest ieder van u genadig tot Hem trekken, zodat u van uw afgoden wordt weggetrokken en tot Hem wordt gebracht! Hem zij de heerlijkheid, tot in eeuwigheid. Amen.

Preek nr. 2474 · Gehouden te Newington, Londen, Metropolitan Tabernacle Pulpit deel 42. Oorspronkelijke titel: “The Great Change”. Bron: Spurgeon’s Sermons, spurgeon.org.

Steun ons met een donatie

Uw steun helpt ons om Het Spurgeon Archief in stand te houden. Dankzij uw bijdrage kunnen wij ons werk voortzetten en dit waardevolle archief gratis aanbieden en vrijhouden van reclame en commerciële invloeden.

Wij danken u hartelijk voor uw steun en betrokkenheid!

Archiefhulpmiddelen

Contact

Heeft u een tekstfout gevonden, of heeft u een vraag? Stuur dan een E-mail naar: [email protected]

Over de Auteur

C.H. Spurgeon

1834 – 1892 Was een Engelse baptistenpredikant in de puriteinse traditie. Belangrijke onderwerpen uit zijn prediking waren de vergeving van zonden en de noodzaak van wedergeboorte.

Onze Socials:

Copyright & Content