Spurgeon behandelt het karakter, de oorzaak en het gevolg van de grote verandering die de genade van God in het hart werkt: van gehecht zijn aan de afgoden, naar de spontane, hartelijke, blijvende uitroep "wat heb ik meer met de afgoden te doen?" Hij wijst op het verhoorde gebed en het zicht op Christus' schoonheid als twee wegen waarlangs deze verandering gewerkt wordt.











