De schatkamer van David

28 mei | Bijbels Dagboek De Schatkamer Van David

1 Een psalm, een lied, voor den opperzangmeester, op de Neginoth. 2 God zij ons genadig en zegene ons; Hij doe Zijn aanschijn aan ons lichten. Sela. 3 Opdat men op de aarde Uw weg kenne, onder alle heidenen Uw heil. 4 De volken zullen U, o God! loven; de volken, altemaal, zullen U loven. 5 De natiën zullen zich verblijden en juichen, omdat Gij de volken zult richten in rechtmatigheid; en de natiën op de aarde die zult Gij leiden. Sela.

Dit is een passend refrein bij de zegen van de hogepriester in de naam van de Heere, zoals deze is weergegeven in Numeri 6:22-27. Het begint eerst met een roep om genade. Vergeving van zonde is altijd de eerste schakel in de keten van goedertierenheden die wij ervaren. Genade is een fundamentele factor als het om ons heil gaat. De beste heiligen en de ergste zondaren kunnen elkaar een hand geven bij deze bede. Ze wordt gericht aan de God van genade, door diegenen die hun behoefte aan genade beseffen, en ze impliceert de dood van alle wettische hoop of aanspraak op genade. Daarna smeekt de Kerk om een zegen: ‘…zegene ons’; een zeer bondig en verreikend gebed. Wanneer wij God ‘zegenen’ of loven hebben wij weinig meer dan woorden te bieden, maar als God zegent, verrijkt Hij ons daadwerkelijk, want Zijn zegeningen zijn gaven en daden. Maar Zijn zegen als zodanig is niet het enige wat Zijn kinderen begeren, zij verlangen naar een persoonlijke ervaring van Zijn gunst, en bidden om een glimlach van Zijn gelaat. Deze drie gebeden omvatten alles wat wij hier of hierna nodig hebben.

Dit vers kan worden gezien als het gebed van Israël, en geestelijk gezien als dat van de christelijke Kerk. Uit deze psalm spreekt de grootste menslievendheid, maar ze begint wel in eigen kring. De hele kerk, iedere kerk, en elke kleine gemeenschap kan met recht bidden: ‘Zegen ons’. Het zou echter ergverkeerd zijn als wij onze menslievendheid lieten ophouden waar ze begint, wat sommigen wel doen; onze liefde moet een verre reis maken, en onze gebeden moeten een ruim bereik hebben. Wij moeten de hele wereld in onze voorbeden omarmen.

Zoals buien die eerst op de heuvels vallen, later in stromen de dalen in lopen, zo komt de zegen van de Allerhoogste via de kerk tot de wereld. Wij worden zowel omwille van anderen als om onszelf gezegend. God gaat op genadige wijze met Zijn heiligen om, en maakt die omgang dan wijd en zijd bekend. Zo wordt de naam van de Heere op aarde geloofd. Onkunde over God is de grote vijand van de mensheid, en de getuigenissen van de heiligen, vol ervaring en dankbaarheid, overwinnen deze aartsvijand. God heeft een vaste manier om genade uit te delen aan mensen, en het is de plicht en het voorrecht van een vernieuwde Kerk om die manier overal bekend te maken. Dit hebben alle volken nodig, maar vele van hen weten het niet, willen het niet, of geven er niet om; onze bede en ons streven moeten zijn dat de kennis van het heil even algemeen wordt als het licht van de zon. Ondanks de donkere gedachten van sommigen, houden wij ons aan het geloof vast dat het koninkrijk van Christus de hele bewoonde wereld zal omvatten, en dat alle vlees het heil van God zal zien; voor deze luisterrijke voleindiging worstelen wij in het gebed.

Overweging:

God vergeeft, daarna geeft Hij; Hij kan ons, zondaars, niet zegenen of vriendelijk bejegenen totdat Hij zo genadig is om onze zonden door Christus te vergeven.

Welkom Terug!

Log hieronder in op uw account

Maak een nieuw account!

Vul de onderstaande formulieren in om te registreren op Het Spurgeon Archief

Haal uw wachtwoord op

Voer uw gebruikersnaam of e-mailadres in om uw wachtwoord opnieuw in te stellen.