Hoe om te Gaan met de Leer der Uitverkiezing

Gehouden op donderdag 31 juli 1884 te Metropolitan Tabernacle, Newington, Londen

Charles Haddon Spurgeon

Maar Hij, antwoordende, zeide: Ik ben niet gezonden, dan tot de verloren schapen van het huis Israels. En zij kwam en aanbad Hem, zeggende: Heere, help mij! Mattheüs 15:24,25

U die het liefdevolle hart van onze Heere Jezus kent, bent er volkomen van overtuigd dat Hij nooit zonder reden een ziel zou ontmoedigen die tot Hem komt. Toch lezen wij in het geval van deze vrouw: „Hij antwoordde haar niet één woord.” Is Jezus stil wanneer een ellendige ziel Hem om een enkel woord van genade smeekt? De Vriend der mensen is gewoonlijk vol aantrekkingskracht, bemoediging, liefdevolle toenadering en hartelijke welkomstgroeten. Toch roept deze vurige vrouw tevergeefs tot Hem omwille van haar gekwelde dochter!

Toch brengt dit ons niet in verwarring. Wij kennen onze Heere te goed om Hem van een gebrek aan liefde te verdenken. Hij speelt niet met een gewonde vogel. Hij handelt niet vanuit een plotselinge opwelling van bitterheid. Hij zou zelfs niet de schijn wekken een hart te ontmoedigen dat in een menselijke borst klopt, tenzij daarvoor een dringende noodzaak bestond en er een genadig doel mee werd gediend.

Niemand zal zo onbeschaamd zijn onze goddelijke Heere te beschuldigen van ongepaste hardheid jegens een ziel die Zijn hulp zoekt. De wereld mag sommigen van Zijn dienaren verdenken van hardheid en kilheid, zoals die marmeren kansels die in deze koude tijden boven de mensen verheven staan. Men kan denken dat sommigen van ons eerder prikkelbaar dan teder zijn. Zijn sommigen van ons immers niet als grote stenen gestalten, bijna zonder gevoel en moeilijk te benaderen?

Men mag vermoeden dat wij karig zijn met genegenheid of tekortschieten in ernst. Men mag zelfs de indruk wekken dat wij te veel vasthouden aan rechtzinnigheid, of dat wij onze medemensen zo wantrouwen dat wij er van nature genoegen in scheppen hen op de proef te stellen met harde en afwijzende woorden, om hen op zijn minst op een goede mijl afstand te houden! Ik weet dat men ons beschouwt als slechte vaders, die eerder naar de roede grijpen dan hun vrolijke medeleven tonen. Daarvoor bestaat helaas veel te veel rechtvaardiging. Ik wou dat het niet zo was.

U mag harde dingen veronderstellen van ons, die Zijn dienstknechten zijn. Die veronderstelling kan waar zijn, maar ze kan ook lasterlijk zijn. Toch kunt u niets van dien aard veronderstellen aangaande de Heere Jezus Christus. Hij is zo duidelijk liefdevol, genadig en hartelijk, dat u er niet toe zou kunnen komen Hem te verdenken! Als Jezus u ooit heeft ontvangen, hebt u daarin het onmiskenbare bewijs van Zijn tederheid ontvangen. Daarom bent u, en zult u voortaan, vol vertrouwen zijn in Zijn medeleven. U weet zeker dat Hij “Het gekrookte riet zal Hij niet verbreken, en het rokende lemmet zal Hij niet uitblussen,” want Hij heeft u niet verbroken en niet uitgeblust.

Toch ontmoedigde Hij deze vrouw. Niet alleen de discipelen deden dat, maar ook de Meester Zelf. Daarom zeg ik dat er een verborgen noodzaak moet zijn geweest om dit te doen. Er moet een beweegreden tot haar welzijn zijn geweest die de tedere Heere ertoe bracht haar te antwoorden met woorden die zo hard waren en op een wijze die zo ontmoedigend klonk.

Geliefde vrienden, ik geloof dat wij als nederige navolgers van de Heere Jezus Christus, verplicht zijn iedereen bij wie enige hoop bestaat, te bemoedigen. Wanneer wij een dwalende ziel zien die haar gezicht naar huis wendt, behoren wij bereid te zijn haar de hand te reiken en haar wankele voetstappen te leiden. Toch kunnen wij, wanneer wij onze Heere navolgen, ertoe gebracht worden pijnlijke dingen te zeggen die, evenals de trouwe wonden van een vriend, zowel scherp als heilzaam zijn. De lippen der liefde zijn niet altijd met honing gevuld!

Vleierij bekoort met haar zoete klanken, maar wijze genegenheid gebruikt maar al te vaak een toon die hard en snijdend klinkt. Onder sommige oprechte gelovigen bestaat de neiging om te veel te troosten en belangrijke waarheden van God achter te houden, uit vrees dat ze verkeerd begrepen zullen worden. Heerlijke leerstukken die onze vaderen sterk maakten, worden in de schaduw gehouden, uit vrees dat ze struikelblokken zouden worden voor onvaste gemoederen! Zo raken wij eraan gewend een Evangelie te ontvangen dat speciaal voor zuigelingen is bereid. Men zeeft het meel door zoveel zeven dat er geen ons beendervormend materiaal in overblijft!

Als het altijd wijs zou zijn om te troosten en aan te moedigen, zou de Meester die weg hebben gevolgd. Maar aangezien Hij dat niet deed, neem ik aan — en ik denk niet dat iemand het zal wagen mij tegen te spreken — dat mensen naast aanmoediging ook iets anders nodig hebben. Lezen wij niet dat “Al de Schrift is van God ingegeven, en is nuttig tot lering, tot wederlegging, tot verbetering, tot onderwijzing, die in de rechtvaardigheid is”? “Opdat de mens Gods volmaakt zij, tot alle goed werk volmaaktelijk toegerust”?

Er zijn waarheden die wij niet mogen achterhouden omdat ze misschien niet bemoedigend zijn, want ze zijn nuttig tot wederlegging en verbetering. Er zijn waarheden die op bepaalde momenten verkondigd moeten worden, ook al kan het tijdelijke effect zijn dat de ijver van een zondaar die tot Christus komt wordt getemperd of zijn hoop wordt verzwakt.

Evenals onze Meester moeten wij altijd verlangen naar de zaligheid van zondaren, en evenals Hij moeten wij daarin wijs te werk gaan. Wij moeten grote, vaderlijke tederheid tonen jegens zondaren en zeer zachtmoedig zijn, zoals een herder met zijn lammeren omgaat. Maar juist die liefde en tederheid zullen de welonderwezen leraar ertoe brengen veel dingen te zeggen die de leerling liever niet zou horen!

Ons herderschap heeft niet alleen te maken met de groene weiden, maar ook met de plaats waar de schapen worden gewassen en geschoren. Wij hebben niet alleen te troosten, maar ook te corrigeren. Ons werk bestaat er dikwijls in vervallen stukken muur af te breken om het hele gebouw te beschermen. Daarom lijken wij soms vernielers te zijn, terwijl wij in werkelijkheid samen met God bouwers zijn!

Onze Heere wist dat duidelijke woorden over een bepaalde waarheid ertoe zouden leiden dat sommige van Zijn discipelen zouden afhaken. Hield Hij daarom uit voorzichtigheid Zijn mond? Nee, dat deed Hij niet! Op het juiste moment sprak Hij vrijuit wat in Zijn hart leefde, en wij lezen: “Van toen af gingen velen Zijner discipelen terug, en wandelden niet meer met Hem.”

Wij komen nu bij de vraag waarom de Zaligmaker op deze wijze tot deze vrouw sprak. Waarom bracht Hij een waarheid ter sprake die haar geloof onmogelijk kon ondersteunen of versterken? Naarmate wij verdergaan, zullen wij het antwoord daarop ontdekken.

Onze Heere Jezus ontmoedigde de Syro-Fenicische vrouw in feite met de leer van de uitverkiezing. Ik geef toe dat er een verschil bestaat tussen de uitverkiezing van het volk Israël en de uitverkiezing van afzonderlijke personen, maar daarop zullen wij vanavond niet ingaan. Het gaat hierom: het was de leer van de uitverkiezing die de Zaligmaker deze arme vrouw voorhield. Hij zei tegen haar: “Ik ben niet gezonden, dan tot de verloren schapen van het huis Israels.” Dat was zeker genoeg om haar moed te laten zakken, en toch legde de Zaligmaker haar deze waarheid op dat moment voor.

Waarom? Ik denk dat Hij dit allereerst deed omdat Hij wilde dat de boodschap van Hemzelf zou komen en niet van de discipelen. Wanneer u het nodig vindt dat iemand tamelijk scherp wordt berispt, neemt u dat zelf ter hand. U zegt bij uzelf: „Als ik die boodschap door mijn beste vriend laat overbrengen, zal hij het verknoeien. Hij zal het scherper formuleren dan ik bedoeld heb, het eigenlijke punt missen en meer pijn veroorzaken dan ik voor ogen had. Daarom zal ik deze onaangename mededeling zelf overbrengen.”

Hebt u het niet vaak als een dringende noodzaak ervaren om iemand persoonlijk tegemoet te treden, voordat anderen dat doen? Ja, u die zorg draagt voor harten en gemoederen, weet dat er momenten zijn waarop u alles zelf moet zeggen en iedere andere telefoon ter wereld zou willen blokkeren! U kent de persoon en weet welk effect bepaalde uitspraken waarschijnlijk op hem zullen hebben. Daarom zou u zijn oren enige tijd liever alleen voor uzelf willen behouden.

De Zaligmaker wist dat deze vrouw uiteindelijk zou horen dat de zending van Christus uitsluitend op Israël gericht was. Misschien zou zij dat te horen krijgen op een manier die haar geest veel meer zou neerdrukken dan wanneer Hij het haar Zelf persoonlijk had verteld. Daarom zei Hij Zelf tegen haar: „Ik ben niet gezonden naar Tyrus en Sidon.” “Ik ben niet gezonden, dan tot de verloren schapen van het huis Israels.”

Dat wil zeggen: de zending van Christus als Profeet, zolang Hij hier in het vlees was, was gericht op Israël. Tot Israël beperkte Hij gewoonlijk Zijn arbeid gedurende heel Zijn leven. Ik denk dat Hij het haar Zelf vertelde, zodat zij het niet uit de tweede hand zou horen.

Het zal wijs zijn als wij, wanneer wij arme zielen hoopvol tot Christus zien komen, met bedachtzaamheid en voorzichtigheid handelen. Wij moeten hen geleidelijk inleiden in de diepere waarheden van onze godgeleerdheid, omdat zij daar toch op de een of andere manier van zullen horen. Het is beter dat zij deze waarheden eerst vernemen van liefdevolle en teerhartige christenen dan van harde, onverschillige en liefdeloze mensen, die hun genoegen vinden in louter termen en uitdrukkingen.

U kunt deze jonge mensen niet in een broeikas houden! Waarom zou u dat willen doen? Het is een verkeerde strategie om te proberen de waarheid van God te verbergen! Er zit iets jezuïtisch in. Waarom zou juist deze waarheid verborgen moeten blijven? Schamen wij ons ervoor? Als dat zo is, laten wij dan onze geloofsbelijdenis herzien. Maar laten we eerlijk zijn en niets verbergen van wat wij geloven! Hoe meer licht van God, hoe beter! Hoe vollediger de waarheid van God wordt verkondigd, des te zekerder zal daaruit iets goeds voortkomen!

Wat mij betreft, ik dank God dat ik de leerstukken van de genade al vanaf mijn jeugd heb gekend. Zij zijn de steun van mijn volwassen jaren geweest, en ik geloof dat zij de heerlijkheid van mijn ouderdom zullen zijn! Ik schaam mij allerminst voor de uitverkiezing van de genade. Integendeel, deze waarheid vervult mijn hele wezen met geestdrift!

Opnieuw denk ik dat Hij deze waarheid juist op dat moment voor haar geest bracht, omdat zij er anders van gehoord zou hebben op een tijdstip waarop zij minder geschikt was om haar te ontvangen. Deze vrouw was vastbesloten een zegen van Christus te verkrijgen. Heel haar hart was ontwaakt, haar geest stond in vuur en vlam en heel haar wezen verlangde vurig naar de zegen. Als er ooit een moment in haar leven was waarop zij beproeving kon verdragen, dan was het juist toen.

„Hoe weet u dat?” vraagt u. Ik weet het door een soort innerlijk aanvoelen. Het verhaal opent voor mij een venster op de ziel van deze vrouw. Ik ben ervan overtuigd dat de Meester geen waarheid van God zou hebben toegepast die ontmoedigend kon lijken, tenzij Hij had gezien dat zij die goed kon verdragen en deze waarheid misschien op dat moment beter kon dragen dan op een latere dag.

Ik geloof dat er grote wijsheid ligt in het bekendmaken van de waarheid aan mensen op het juiste moment. Zei de Heere Zelf niet: “Nog vele dingen heb Ik u te zeggen, doch gij kunt die nu niet dragen”? Op dat moment waren Zijn discipelen niet in staat om die vele waarheden te verdragen. Daarom zweeg het Orakel der liefde enige tijd.

Op een ander moment was de Zaligmaker overvloedig jegens hen, zoals Hij ook jegens ons is, in alle wijsheid en voorzichtigheid. Toen maakte Hij hun de verborgenheid van Zijn wil in ruimere mate bekend.

De Heere leert ons niet alle waarheid in één keer, maar leidt ons geleidelijk binnen in de kamers van Zijn verborgen schat. U weet hoe een chirurg, nadat hij een blind oog heeft geopereerd, tegen zijn patiënt zegt: „Uw gezichtsvermogen is volledig hersteld, maar de komende dagen moet ik u vragen in een verduisterde kamer te blijven. U moet het licht geleidelijk aan uw ogen laten wennen, zodat u uw gezichtsvermogen zeker zult behouden.”

Oneindig groot is de wijsheid van de Heilige Geest, Die zielen stap voor stap verlicht! De Heere laat de zondaar niet onmiddellijk de volle omvang van zijn zonde zien, en evenmin geeft Hij hem meteen een volledig inzicht in de straf die daarop volgt. Ook, zo denk ik, ontvangt hij in het begin niet alle kennis die hij uiteindelijk zal hebben van de volkomen vergeving van zijn zonden en van de ontelbare vreugden die door Jezus Christus, hun Zaligmaker, tot vergeven zondaren komen.

Het gebeurt beetje bij beetje, zoals wij pasgeboren kinderen niet met vast voedsel, maar met melk voeden. Zo gaat het ook geleidelijk, zoals u de jongere leerlingen op school onderwijst. Het is voorschrift op voorschrift, regel op regel, hier een weinig en daar een weinig. De waarheid dat Zijn zending gericht was op het huis van Israël, was één van de waarheden waarvan de Zaligmaker wist dat deze arme Kananese vrouw die moest leren. Daarom deelde Hij haar deze waarheid mee op een moment waarop zij genoeg geloof bezat om iedere ontmoediging te overwinnen en de zegen te ontvangen waarop haar hart gericht was.

Deze twee zaken behoren ons veel te leren.

Nu wil ik mij richten tot zielen die enigszins in dezelfde situatie verkeren als deze vrouw. Ik zal stilstaan bij het ontmoedigende woord dat onlangs tot hen is gekomen en dat enigszins overeenkomt met het woord dat tot haar werd gesproken. Vervolgens zal ik hen aansporen het prijzenswaardige voorbeeld van deze vrouw te volgen in de manier waarop zij met haar ontmoediging omging. Hoewel het leek alsof zij werd afgewezen, kwam zij toch tot Christus en aanbad Hem.

Voordat ik besluit, wil ik enkele bemoedigende overwegingen delen met allen die verontrust kunnen zijn door dat grote leerstuk dat ik zojuist heb genoemd. Kom, Heilige Trooster, en vervul onze harten vanaf dit vreugdevolle ogenblik met hemelse blijdschap!

I. Ten eerste dan, HET ONTMOEDIGENDE WOORD DAT TOT DEZE VROUW KWAM. Het was, zoals ik gezegd heb, een bepaalde vorm van de leer der uitverkiezing — de onbetwiste waarheid dat God bedoeld had het zaad van Israël te zegenen, door de persoonlijke arbeid en getuigenissen van Zijn Zoon Jezus — en dat deze zegeningen, op dat moment, niet gezonden werden naar het volk van Tyrus en Sidon.

De leer der uitverkiezing is door haar gewetenloze tegenstanders en haar onverstandige vrienden tot een groot schrikbeeld gemaakt. Ik heb sommige zeer wonderlijke preken tegen deze leer gelezen, waarin het eerste wat duidelijk was, was dat de spreker volslagen onwetend was van zijn onderwerp! Een beetje kennis zou onze auteur hebben doen aarzelen en overwegen, en daarom was het voor hem als Sauls wapenrusting — hij ging liever verder in zijn naakte dwaasheid! De gebruikelijke manier om een preek tegen een leer der genade samen te stellen, is deze — eerst de leer overdrijven en verkeerd voorstellen, en dan ertegen redeneren. Als u de verheven waarheid stelt, zoals zij in de Bijbel gevonden wordt, wel, dan kunt u er niet veel tegen zeggen! Maar als u een aantal dwaze uitdrukkingen verzamelt van heethoofdige partijgangers, en die aan de kaak stelt, zal uw taak gemakkelijker zijn. Kleed het leerstuk aan als een man, en verbrand het dan! Wat een wonderbaarlijke prestatie is er al geleverd door mannen die zulke figuren verbranden, die zij zelf opgevuld hebben!

Niemand heeft ooit de leer van de uitverkiezing geloofd zoals die door Arminiaanse polemisten wordt voorgesteld. Ik durf zelfs te zeggen dat niemand buiten Bedlam ooit heeft geloofd wat ons wordt toegeschreven. Is het dan verwonderlijk dat wij even gretig zijn om de leerstellingen die ons worden toegeschreven te veroordelen als onze tegenstanders? Waarom doen zij zoveel moeite om iets te weerleggen wat niemand verdedigt? Ze zouden zichzelf die moeite net zo goed kunnen besparen!

Onze vrienden verafschuwen de leer zoals zij die zelf voorstellen, en daarin zijn wij het grotendeels met hen eens. Maar de leer zelf, zoals wij die zouden uiteenzetten, is ons even dierbaar als het leven! Zij veronderstellen dat wij het Evangelie nooit vrijuit aan zondaren verkondigen. Toch doen wij dat zonder ooit tekort te schieten, en met een vrijmoedigheid die niemand kan overtreffen! Kunnen zij ons vertellen hoe wij het Evangelie nog beter zouden kunnen prediken? Wij zouden het graag van hen leren!

Zij zeggen dat wij, wanneer wij het Evangelie vrijuit prediken, inconsequent zijn. Tegen die beschuldiging voelen wij echter geen enkele behoefte ons te verdedigen. Zolang wij ervan overtuigd zijn dat wij in overeenstemming met de Schrift handelen, komt het niet bij ons op dat wij ook met onszelf in overeenstemming moeten zijn! Het is ons verlangen om alle geopenbaarde waarheden van God vast te houden. Maar dat wij ze allemaal zouden moeten samenvoegen tot een volkomen samenhangende en evenwichtige geloofsbelijdenis, gaat onze verwachtingen te boven!

Wij zijn zulke arme en feilbare schepselen dat, als wij ooit een volkomen logisch stelsel zouden samenstellen, wij er zeker van zouden zijn dat wij daarin allerlei theoretische veronderstellingen en grote hoeveelheden giswerk hadden verwerkt. In de godgeleerdheid leven wij door het geloof, niet door de logica. Wij geloven, en daarin zijn wij veilig!

Maar zodra wij beginnen te speculeren, zijn wij als Petrus, die in de golven wegzinkt. Als wij eenvoudig vasthouden aan wat het Woord van God zegt, zullen wij daarin waarheden vinden die ogenschijnlijk met elkaar in tegenspraak zijn, maar die altijd met elkaar overeenstemmen! Over ieder onderwerp staat een waarheid tegenover een andere waarheid, en beide zijn even waar! De ene waarheid doet niets af aan de andere en werpt geen twijfel op over haar. Beide behoren even duidelijk verkondigd te worden en naast elkaar te worden geplaatst.

Deze twee samenhangende waarheden vormen samen de grote weg van de praktische waarheid, waarlangs onze Heere reist om de mensenkinderen te zegenen.

Sommigen houden ervan om over één spoorstaaf te rijden. Ik geef toe dat ik de voorkeur geef aan beide, en ik zou morgen geen reis willen maken over een spoorlijn waarvan één van de rails was verwijderd. Met droefheid moet worden erkend dat de leer van de uitverkiezing velen heeft ontmoedigd die de Zaligmaker zochten. Toch is de waarheid dat zij dat niet behoort te doen. Wanneer zij juist wordt verstaan, is zij als een koninklijke heraut, gekleed in zijde en goud, die vrijmoedig aan de onwaardigen verkondigt dat de Koning zondaren ontvangt, naar het welbehagen van Zijn wil!

Hoezeer heeft deze leer sommigen van ons bemoedigd! Wat is zij voor ons een bron van geestelijke voeding, nu wij de Heere gevonden hebben! Wij voeden ons ermee als met een goddelijk voedsel dat de ziel ondersteunt en verzadigt!

Toen ik voor het eerst tot Christus kwam, was ik volkomen tevreden om als één van de honden onder de tafel te zijn. Maar nu zou ik daar geen genoegen meer mee nemen, omdat de Heere mij tot een hogere plaats heeft geroepen! Nu ik één van Zijn kinderen ben geworden, ben ik als Lazarus, van wie wij lezen: “Lazarus was een van degenen, die met Hem aanzaten.”

De gezegende leer van de uitverkiezing is voor mijn ziel als wijnen, gezuiverd op de droesem! Het is een heerlijker, dieper en rijker bewijs van goddelijke liefde dan ik ooit had durven hopen te ervaren! “Water eiste hij, melk gaf zij; in een herenschaal bracht zij boter.”

Wij vroegen om vergeving, maar Hij gaf ons rechtvaardigmaking! Wij vroegen om een beetje genade, maar de Heere gaf ons onbegrensde genade, ja, genade op genade, terwijl Hij zei: “Ik heb u liefgehad met een eeuwige liefde; daarom heb Ik u getrokken met goedertierenheid.”

Als een zondaar de leer van de uitverkiezing der genade werkelijk zou begrijpen, zou hij er niet voor weglopen, maar er juist naar verlangen haar in de armen te lopen!

Toch lijkt deze waarheid voor velen op de donkere kant van de wolk die de Heere naar de Egyptenaren keerde. Daarom wil ik stilstaan bij de ontmoediging die Christus aan deze vrouw voorhield. Hij zei tegen haar, allereerst: “Ik ben niet gezonden, dan tot de verloren schapen van het huis Israels.”

„Ik ben gezonden,” zo leek Hij te zeggen, „tot de Joden. Ik ben gezonden tot het huis van Israël, maar Ik ben niet tot u gezonden.” Deze grote waarheid van God zou zij vroeg of laat zeker hebben ontdekt. Als zij die pas later had vernomen, had zij misschien gevreesd dat de genezing van haar dochter haar weer zou worden ontnomen, omdat zij in strijd met de zending van de Messias was ontvangen. Jezus maakte haar daarom onmiddellijk met deze harde waarheid bekend, zodat die haar later niet zou verontrusten.

Toen zij de genezing van haar dochter ontving, wilde Hij dat zij zou weten dat deze openlijk en eerlijk was geschonken, en niet het gevolg was van een vergissing, een overmatige opwelling van medelijden of het over het hoofd zien van een beperking. Zij moest eens en voor altijd weten dat de Heere Jezus Zichzelf niet uit het oog was verloren. Hij wist alles van de beperking van Zijn opdracht gedurende Zijn sterfelijke leven. En toen Hij daarbuiten trad, wist Hij wat Hij deed; Hij werd niet door de heftigheid van Zijn gevoelens meegesleept.

Nu bestaat er inderdaad zoiets als Gods verkiezing. De Heere heeft een volk dat uit de mensenmassa is verlost. De Heere Jezus heeft een volk van wie Hij heeft gezegd: “Zij waren Uw, en Gij hebt Mij dezelve gegeven”; sommigen zijn verordineerd tot het eeuwige leven en geloven daarom in de Heere Jezus Christus.

Ontmoedigt dit feit u? Ik zie niet in waarom dat zo zou moeten zijn. Waarom zou u niet tot dat aantal behoren?

„Maar stel dat ik er niet bij hoor?” vraagt iemand.

Waarom veronderstelt u niet dat u er wél bij hoort? U weet het niet. Waarom zou u dan überhaupt het tegenovergestelde veronderstellen? Het loslaten van zulke veronderstellingen zou veel verstandiger zijn dan voor uzelf een dodelijke drank van wanhoop te bereiden uit het waardeloze kaf van louter gissingen!

Ik heb genoeg te doen met de feiten zonder mijzelf te belasten met speculaties. Wat God niet heeft geopenbaard, zijn wij niet verplicht te weten. Ja, het lijkt zelfs beter voor ons om onwetend te blijven waar de Heere geen kennis heeft gegeven.

De Heere heeft een volk uitverkoren om behouden te worden, en ik ben blij dat Hij dit heeft gedaan. Niemand kan immers bewijzen dat ik niet tot dat volk behoor!

Als er mensen zijn die God zal redden, dan weet ik ook wie zij zijn. Hij vertelt mij immers dat het mensen zijn die zich van hun zonden bekeren, die hun zonden belijden en verlaten, en die geloven in de Heere Jezus Christus tot het eeuwige leven! Mijn ziel verlangt ernaar precies dat te doen. En wanneer ik dat doe, weet ik dat ik tot het uitverkoren aantal behoor en behouden zal worden!

Wat is hierin te vinden dat een ziel zou moeten ontmoedigen? Toch ontmoedigt het sommigen. Wanneer mensen in het donker verkeren, worden zij overal bang voor — voor alles! Voor niets!! “Aldaar zijn zij met vervaardheid vervaard geworden, waar geen vervaardheid was”.

Wanneer iemand eenmaal in een neerslachtige en angstige toestand verkeert, kan het vallen van een enkel blad hem aan een lawine doen denken! De geringste schaduw van een wolk voorspelt voor hem dat de zon volledig zal verdwijnen, en een regendruppel wordt het begin van de laatste wereldbrand!

„Een vreemde uitdrukking,” zegt u. Toch is zij niet zo bijzonder of overdreven als veel van de gevolgtrekkingen waartoe vastberaden neerslachtigheid kan leiden. Ach, die verontruste zielen! Zij voelen zich alsof zij niet behouden kunnen worden, omdat er een Israël is dat God heeft uitverkoren om behouden te worden!

Onze Heere hield deze vrouw iets voor dat nog zwaarder was dan het positieve feit van Israëls verkiezing. Hij verklaarde de negatieve kant van Gods heilige verkiezing. Hij zei: “Ik ben niet gezonden, dan tot de verloren schapen van het huis Israels.”

Wij die dienaren van het Evangelie zijn, hebben maar weinig te maken met het verkondigen van wat Christus niet gezonden is om te doen. Hier vrees ik dat onvernieuwde gemoederen, gewapend met een meedogenloze logica, zwaar gezondigd hebben tegen de liefde van God. De waarheid van God is, wanneer zij naar de Schrift wordt behandeld, een heilig geneesmiddel. Maar wanneer zij wordt behandeld volgens de methoden van menselijke scholen, kan zij verzuren tot een dodelijk vergif!

Arme, boetvaardige harten, er is niets in het goddelijke besluit dat ook maar één van u van de hoop uitsluit! “Ik heb niet in het verborgene gesproken, in een donkere plaats der aarde; Ik heb tot het zaad van Jakob niet gezegd: Zoekt Mij te vergeefs”.

Toch keerde de Zaligmaker hier duidelijk de donkerste kant van deze leer naar de vrouw toe en zei: “Ik ben niet gezonden, dan tot de verloren schapen van het huis Israels.”

Wat haar situatie nog moeilijker maakte, was dat zij wist dat deze verkiezing, zoals Christus die aan haar had voorgehouden, haar leek uit te sluiten. Hij had haar immers verteld dat Hij niet gezonden was dan tot het huis van Israël, en zij wist heel goed dat zij niet tot dat volk behoorde. Zij was een Kananese vrouw, afkomstig uit de omgeving van Tyrus en Sidon, en daarmee duidelijk uitgesloten. En Jezus Zelf had haar dat verteld.

Dat moet in haar oren hebben geklonken als een doodsklok! Wanneer dienstknechten van God ons iets dergelijks vertellen, kunnen wij het naast ons neerleggen. Maar wanneer de Meester Zelf zegt: “Ik ben niet gezonden, dan tot de verloren schapen van het huis Israels”, lijkt er geen ruimte voor hoop meer te zijn. De arme Kananese vrouw had haar smeekbeden heel logisch kunnen beëindigen met de woorden: „Wat kan ik nog doen? Ik kan niet ingaan tegen het woord dat uit Christus’ eigen mond is gekomen.” Toch deed zij dat niet. Als een ware heldin zette zij haar verzoek voort, totdat zij het blijde einde bereikte.

U ziet dat haar reden tot ontmoediging veel zwaarder was dan de uwe ooit kan zijn. U weet immers niet dat u uitgesloten bent. Er is niets in uw afkomst of woonplaats dat u uitsluit. Bovendien heeft Christus u nooit verteld dat u uitgesloten bent. Ik denk niet dat een predikant u ooit zoiets heeft verteld. Maar als u uit een bepaalde prediking hebt afgeleid dat er voor u geen hoop is, dan hebt u geen recht om tot die conclusie te komen!

Het is nooit mijn oprechte verlangen geweest om ook maar één ziel onder u te ontmoedigen. Veel liever zou ik sterven, opdat u zou leven! Maar als u harde woorden verkeerd hebt opgevat en tot ellendige conclusies bent gekomen, dan dring ik er bij u op aan even verstandig en even dapper te zijn als deze vrouw. Zij had niet uit de woorden van predikanten afgeleid dat er geen hoop voor haar was. Zij had het van Christus Zelf gehoord: dat Hij niet gezonden was tot mensen zoals zij. Toch hield zij vol, drong zij verder en kwam zij tot Hem. Zij aanbad Hem en zei: “Heere, help mij!”

Sommigen zeggen misschien vanavond tegen mij: „Waarom hierover spreken?” Ik spreek hierover omdat het bestaat. Het verontrust en verwart veel mensen. Velen worden erdoor gekweld, en de dienstknechten van God moeten hen in hun verontrusting bijstaan. Ik zou deze moeilijkheden graag laten rusten als ze mijn gemeente met rust zouden laten! Het onverbiddelijke feit van de voorbeschikking komt de meeste mensen vroeg of laat onder ogen. Zelfs op de paden van de wijsbegeerte ontkomt men er niet aan!

Wanneer dit onderwerp als een donkere last op werkelijk genadige zielen drukt, ligt veel van zijn schadelijke kracht in de onwetendheid van degene die erdoor wordt aangevallen. Als wij beter onderwezen waren, zouden wij waarschijnlijk geen mysterie zien in zaken die ons nu volkomen raadselachtig lijken. Mensen vergeten dat Gods verordinering alles omvat, niet alleen het geestelijke, maar even zeker ook de natuurlijke wereld. Toch laten zij deze waarheid nooit hun dagelijks werk om in hun levensonderhoud te voorzien, hun streven naar rijkdom of hun jacht op roem verstoren!

Waarom zouden zij de kwestie van de zaligheid losmaken van de tienduizend andere zaken die binnen dezelfde orde vallen? Waarom handelen mensen op andere gebieden naar gezond verstand, maar maken zij van molshopen bergen zodra het over dit onderwerp gaat? Zij stellen zich voor dat de wil van God één of twee zaken vastlegt en al het overige aan zichzelf overlaat!

Zij menen dat Gods verordinering de vrije wil en de verantwoordelijkheid van de mens wegneemt en mensen tot machines maakt. Zij kunnen dat goddelijke plan niet begrijpen: een plan dat geen inbreuk maakt op de wil van de mens en toch de wil van God volbrengt. Evenmin kunnen zij zien hoe alles voortgaat door de vrije wil van schepselen, alsof er geen God was, en hoe God toch over alles regeert.

Ik zou willen dat dit onderwerp de mensen niet zo kwelde, maar het heeft weinig zin dat te wensen. Het heeft hen vanaf het begin gekweld en zal hen blijven kwellen tot het einde. Omdat wij de feiten niet kunnen veranderen, moeten wij ermee leren omgaan.

Beste, verontruste zielen, Jezus wil dat u zonder vrees tot Hem komt! Hij nodigt u uit om op Hem te vertrouwen. Meer nog: Hij gebiedt u in Zijn Naam te geloven! Niets wat Hij heeft gedacht, verordend, voorgenomen of voorbeschikt, is erop gericht u van Hem weg te drijven. Wat voorbeschikking ook mag inhouden, of wat zij ook niet mag inhouden, dit ene staat vast: “Christus Jezus in de wereld gekomen is, om de zondaren zalig te maken.” Alles wijst naar Zijn kruis en naar Hemzelf. Kom dan, en laat niets u ook maar één uur langer weerhouden!

II. Merk nu op DE PRIJZENSWAARDIGE DAAD VAN DEZE VROUW.

Wanneer wij overwegen wat zij deed, komen wij bij het praktische gedeelte van ons onderwerp. Allereerst merk ik op dat zij geen moment probeerde te ontkennen wat Jezus had gezegd. Hij zei: “Ik ben niet gezonden, dan tot de verloren schapen van het huis Israels”, en zij antwoordde niet: „Heere, dat is niet waar.” Zij betwistte niets van wat Jezus verklaarde — dat zou van haar kant een grove aanmatiging zijn geweest. Zij vitte niet, wierp geen bezwaren op en sprak Hem niet tegen. Zij aanvaardde Zijn woorden zonder enige tegenwerping.

Zij probeerde niet te beweren dat het onrechtvaardig was dat de Christus van God alleen tot het huis van Israël zou komen. Evenmin zei zij, zoals sommigen schaamteloos hebben gedaan, dat God met de één op dezelfde wijze moest handelen als met de ander, omdat Hij anders een aannemer des persoons zou zijn. Al die redeneringen, die wij zo vaak hebben gehoord, waren volkomen vreemd aan haar gedachten!

Zij bleef stil en onderwierp zich aan de uitspraak van de Zaligmaker. Zij voerde zelfs niet aan dat er in haar bijzondere geval toch een uitzondering op deze regel gemaakt zou mogen worden. Zij redeneerde helemaal niet. Zij liet de waarheid van God, die voor haar duister was, over aan de bewaring van Hem, Wiens Naam Licht is.

Zij zag een donkere wolk, maar ging erdoorheen, in het besef dat het niet meer dan een wolk kon zijn. Zo kwam zij aan de voeten van de Zaligmaker en riep: “Heere, help mij!”

„Ik begrijp het niet. Ik ben volledig in het duister en weet niet meer wat ik moet denken. Heere, help mij! Ik vraag U niet om het te begrijpen, maar ik roep om hulp. Stel mij in staat te geloven en de zegen te ontvangen, wat deze duistere waarheid ook mag betekenen.”

Veel mensen zijn zo zwak in hun onderscheidingsvermogen dat zij, wanneer zij vóór hun behoud met een moeilijkheid worden geconfronteerd, in hun poging om die te overwinnen ten onder zullen gaan. O, arm hart, worstel helemaal niet met die moeilijkheid! Laat haar voor wat zij is. Als het gaat om een grote waarheid die voor volwassenen bestemd is, terwijl u niet meer bent dan een zuigeling — en nauwelijks dat — verstik uzelf dan niet met voedsel dat voor volwassenen bedoeld is. Wanneer een groot mysterie u in verwarring brengt, vlucht dan tot Jezus Christus om verlichting, met dit gebed op uw lippen: “Heere, help mij. Ik verkeer in moeilijkheden. Help mijn verstand. Ik ben moedeloos — help mijn hart. Maar bovenal ben ik vol ongerechtigheid. Zie mijn arme en ellendige toestand aan, help mij en doe voor mij wat ik zelf niet kan doen. Red mijn ziel en verlos mij.”

Wij hebben nu gezien wat zij niet deed, en daarin is zij bewonderenswaardig. Laten wij vervolgens zien wat deze vrouw wél deed. Zij kwam tot Jezus. Lees de woorden: “En zij kwam en aanbad Hem, zeggende: Heere, help mij!”

In de eerste plaats kwam zij tot Jezus en ging zij niet om Hem heen. Zij kwam niet tot Petrus, Jakobus of Johannes — zij kwam tot Jezus. Zij bleef niet op een afstand staan roepen, zoals zij eerder had gedaan. Terwijl zij tot Hem riep, kwam zij naar Hem toe, naderde zij Hem en klampte zij zich aan Hem vast. Ik twijfel er niet aan dat zij zich aan Zijn voeten wierp, alsof zij Hem niet meer wilde loslaten.

Zij kwam tot Jezus. O, arme ziel, van alles wat er onder de hemel is, vlucht tot de levende, persoonlijke Christus! Er is nu Eén Die leeft: Jezus Christus, de Zaligmaker van zondaren. Het is Zijn vreugde om Zich bezig te houden met de ziekten, zwakheden en ellende van mensen. Blijf daarom, ik bid u, niet stilstaan bij leerstukken, voorschriften, predikanten of diensten, maar kom rechtstreeks tot Christus — de levende, persoonlijke Zaligmaker, gezalfd door de Heere. Uw hoop ligt in Hem!

„Welke weg moet ik gaan?” vraagt u. Als het ging om lichamelijk komen, weet ik dat u, hoe lang en somber de weg ook zou zijn, er vanavond zonder uitstel aan zou beginnen. Maar het gaat om geestelijk komen. U moet tot Jezus komen, niet met uw voeten en benen, maar met uw verstand en hart!

Bedenk dat Hij bestaat. Overdenk Hem. Denk aan Hem. Geloof Hem. Eerbiedig Hem, want Hij is de Zoon van de Allerhoogste. Vertrouw op Hem, want Hij is “machtig ben te verlossen”. Dit is tot Hem komen.

Omdat Hij een Zaligmaker is, laat Hem dan Zijn ambt aan u vervullen. U hebt dringend verlossing nodig — geef Hem de gelegenheid om te tonen wat Hij kan doen. Zeg in uw hart: „Ik ben de voornaamste van de zondaren — verloren, geruïneerd en verdorven. Zie, ik kom tot Hem! Al zou ik verloren gaan, dan zal ik verloren gaan terwijl ik op Hem vertrouw.”

Het is onmogelijk dat een ziel verloren gaat terwijl zij op Jezus vertrouwt. Eerder zullen hemel en aarde vergaan dan dat Jezus zou nalaten de ziel te redden die op Hem vertrouwt!

De vrouw kwam tot Jezus, onmiddellijk nadat Hij woorden had gesproken die haar leken te ontmoedigen. In de tekst lezen wij: “zij kwam”. “zij kwam en aanbad Hem”.

Wat? Juist toen Hij haar scheen weg te sturen? Ja, toen! Hij had haar zojuist verteld dat Hij niet tot haar gezonden was. “zij kwam”. Hij had zojuist een zeer geheimzinnige en ontmoedigende waarheid van God uitgesproken, maar toch: “zij kwam”.

Een geloof dat alleen op een zomerse dag tot Christus komt, te midden van de leliën des velds, heeft weinig waarde! Bloemen, vlinders en alles wat voortkomt uit rust en helderheid, verdwijnen spoedig. Wij hebben een hoop nodig die de vorst kan doorstaan!

Dat is het soort geloof dat tot Jezus komt midden in de winter, wanneer de kou alles doordringt en de felle wind om de sneeuwbanken heen giert. Dat is het geloof dat de ziel redt: het geloof dat, ondanks alle weersomstandigheden, tot de Zaligmaker durft te komen.

Het zaligmakend geloof leert ons tegenstrijdigheden te geloven, om over onmogelijkheden te lachen en te zeggen: „Het kan niet, en toch zal het gebeuren.”

Onze arme vriendin, die getroffen was door de woorden van onze Heere, werd in het geheim ondersteund door het zien op Zijn Persoon. Wat is een woord vergeleken met een persoon — en dan met zo’n Persoon als Jezus, de Vriend van zondaren? Zij vertrouwt op Hem, eerder dan op de manier waarop Hij spreekt!

Hij zegt dat Hij niet gezonden is, maar daar is Hij! Hij zegt dat Hij alleen gezonden is tot de verloren schapen van het huis Israëls — en toch is Hij hier! Hij is gekomen naar een gebied waar geen Israëlieten wonen!

Zij lijkt bij zichzelf te zeggen: „Of Hij nu gezonden is of niet, hier is Hij. Hij is naar het gebied van de Tyriërs en Sidoniërs gekomen — en ik ben tot Hem gekomen! Daarom kan Zijn opdracht mij niet van Hem weghouden. Ik begrijp Zijn woorden niet, maar ik begrijp wel de blik van Zijn gezicht. Ik begrijp Zijn houding. Ik begrijp de aantrekkelijkheid van Zijn gezegende Persoon. Ik kan zien dat er medelijden woont in de Zoon van David. Ik weet zeker dat Hem alle macht gegeven is om mijn dochter te genezen — en hier is Hij! Ik weet niets van Zijn opdracht, maar ik ken Hem wel. Daarom zal ik Hem blijven smeken.”

Zo kwam zij op dat moment tot Jezus. Waarom zou u dat niet doen?

Nu dan, mijn ziel, is dit de donkerste nacht die u ooit hebt meegemaakt? Kom dan tot Jezus! Bent u er volkomen zeker van dat uw situatie hopeloos is? Weet u absoluut zeker dat u lot bezegeld is? Hebt u uw eigen doodvonnis geschreven? Hebt u een verbond met de dood gesloten en een verdrag met de hel? Voelt u zich ervan overtuigd dat u verdoemd zult zijn voordat het morgenlicht aanbreekt? Kom dan nu tot Jezus Christus! “zij kwam”. Dat is het: tot Christus komen wanneer Hij, zoals Bunyan het uitdrukt, een getrokken zwaard in Zijn hand heeft; tot Christus komen wanneer Hij Zijn gelaat fronst; tot Christus komen wanneer alles zegt: „Blijf weg.” “zij kwam”. Dappere vrouw! Door Zijn genade zal ik hetzelfde doen.

Maar let nu op hoe zij kwam. “zij kwam en aanbad Hem”. Mijn hart verheugt zich! Ik zou willen dat ik dit tafereel kon schilderen. Zij bleef niet staan om de moeilijke vraag op te lossen waarmee Hij haar had geconfronteerd. Zij keek naar Hem, kwam tot Hem en deed, toen zij bij Hem was, het beste wat zij kon doen: zij aanbad Hem!

Zij wierp zich voor Hem op de grond, met haar gezicht ter aarde. En toen zij opkeek, was haar blik vol eerbiedig ontzag en kinderlijk vertrouwen. Geprezen zij Zijn Naam! Als wij Hem niet kunnen begrijpen, kunnen wij Hem wél aanbidden!

U hebt aan uzelf gedacht, en hoe meer u dat doet, hoe meer u zult versagen en wanhopen. Langs die weg kan geen enkele troost u bereiken. Als ik u was, zou ik die bezigheid opgeven en beginnen te denken aan Jezus, de Zoon van God, de Zaligmaker van mensen.

„O, maar ik ben zo’n zondaar!”

Ja, en Hij is zo’n Zaligmaker!

„Mijnheer, ik ben zo zwart van zonde!”

Maar Hij is machtig om ons witter te maken dan sneeuw!

„Ach, ik verdien Zijn vloek ten volle!”

Dat is waar, maar Hij is “een vloek geworden zijnde voor ons; want er is geschreven: Vervloekt is een iegelijk, die aan het hout hangt.” Door Zijn dood heeft de Heere die vloek weggenomen.

Zie Hem dan aan het kruis, terwijl Hij de zonde van mensen wegneemt. Kijk naar Hem en vraag uzelf af of u het voorbeeld van deze vrouw kunt volgen: “zij kwam en aanbad Hem”.

Probeer het nu, arme, bevreesde ziel — probeer het, en aanbid!

Dit is een hulde die een nederig hart op aanvaardbare wijze kan brengen. Een hoogmoedig hart zal eerder alles doen dan aanbidden. Trots, eigenwaan en opstandigheid kunnen niet aanbidden, maar nederige harten vinden vreugde in deze daad!

O, mocht u nu samen met mij buigen voor het Lam van God! Aanbid Hem nu!

„Gezegende Zoon van God! Gezegende Zoon van God! Dat U ooit Mens bent geworden voor mensen en in de plaats van zondaren bent gestorven! O, Uw liefde! Uw wonderbare liefde! U bent nu opgevaren naar de heerlijkheid. U zit aan de rechterhand van God, en daar aanbid ik U als mijn Heere en mijn God! Al mag ik U niet mijn Zaligmaker noemen, toch zult U mijn God zijn! Al mag ik mij niet in U verheugen, dan zal ik U op zijn minst aanbidden.”

Dit is heilige taal! Zij verspreidt een geur die de Heere liefheeft! Op deze wijze zal het geloof tot u komen. Op deze wijze zullen leven, vrede en rust tot u komen.

Deze bevende Kananese “kwam en aanbad Hem”. Volg haar en deel in haar zaligheid!

Let vervolgens op haar gebed. Iemand heeft terecht opgemerkt dat, wanneer u op een stuk losgeraakt ijs staat en niet aan land kunt komen — of vreest dat het u niet zal lukken — het verstandig kan zijn om op handen en knieën te gaan en zo voorzichtig mogelijk vooruit te kruipen. Op die manier probeert u van het ijs af te komen en uiteindelijk veilig aan land te komen.

Zo gaat deze vrouw te werk. Zij lijkt zich volledig neer te leggen bij die vreselijke waarheid van God die zij niet kan begrijpen! Zij aanbidt, vereert en eerbiedigt Hem Die deze woorden tot haar heeft gesproken. Zo legt zij haar zwakheid neer op iedere mogelijke plaats waar zij steun kan vinden, en bereikt zij veilig de vaste grond.

„Heere”, zegt zij, „help mij! O, stuur mij niet weg, maar help mij! Heere, verlaat mij niet, maar help mij! Wat U mij ook te zeggen hebt, zeg het. Ik zal U aanbidden terwijl U spreekt:

‘Al zou U mij doden, ik zal vertrouwen, U prijzen, zelfs uit het stof,’ maar, Heere, help mij!”

Mijn beste toehoorder, doe dat, en doe het nu! Geen enkel leerstuk zal u nog lang verontrusten — daarvan ben ik overtuigd. Integendeel, u zult zich afvragen waarom u zich er ooit door hebt laten verontrusten.

Laat u de voorzienigheid ooit belemmeren in uw dagelijkse bezigheden? Morgen hoopt u in uw beroep een paar shillings te verdienen, maar het kan zijn dat u niets zult verdienen en zelfs verlies zult lijden. Waarom zegt u dan niet tegen uzelf: „Misschien heeft Gods voorzienigheid bepaald dat ik morgen niets zal verdienen. Daarom blijf ik thuis en doe ik niets”?

Wel, u bent niet zo dwaas! U zult uw winkelluiken openen, uw waren uitstallen en uw uiterste best doen. Of u gaat naar uw werk en ziet uit naar uw gebruikelijke loon. Laat Gods voorzienigheid maar doen wat zij wil — het is uw taak om te doen wat u kunt!

Zo is het ook met een arme, zoekende ziel. Het is haar zaak de Heere te laten doen wat Hij wil, maar ondertussen te blijven roepen: „Heere, help mij!” Volkomen onderworpen, maar tegelijk vol eerbiedige aanbidding, moet u aan de voeten van Jezus liggen en geloven dat deze goddelijke Zaligmaker iedere ziel moet en zal redden die zich aan Hem vastklampt. Dit is de weg van de wijsheid. Volg die weg! Moge God u helpen dit te doen — en het onmiddellijk te doen.

Ik denk niet dat ik nog meer hoef te zeggen om u te troosten. Dit zou voldoende kunnen zijn, als de Heere uw hart ertoe wil bewegen om onmiddellijk Zijn aangezicht te zoeken.

Bedenk echter dit: er is nog nooit een ziel tot Christus gekomen die door Christus werd weggestuurd! En bedenk opnieuw: zo’n ziel kan er ook nooit zijn, want Hij heeft gezegd: “die tot Mij komt, zal Ik geenszins uitwerpen.”

Bedenk bovendien dat iedere ziel die ooit tot Christus kwam, tot Hem kwam omdat de Vader haar trok. En iedere ziel die kwam, ontdekte later dat zij door de verkiezing van de genade was omvat en daarin begrepen was!

Ook deze arme vrouw bleek iemand te zijn tot wie Christus gezonden was om haar te zegenen! Hoewel Hij tijdens Zijn aardse leven in algemene zin tot het zaad van Israël kwam, zoals de profeten tot Israël waren gezonden, waren er bij de profeten altijd uitzonderingen. Daarom was het geen wonder dat er ook uitzonderingen zouden zijn in het geval van hun Heere.

Er waren veel weduwen in Israël in de dagen van Elia, maar de profeet werd naar geen van hen gezonden, behalve naar een vrouw uit Sarepta — juist uit de stad waar deze vrouw vandaan kwam! Er waren ook veel melaatsen in Israël in de dagen van Elisa, maar niemand van hen werd genezen, behalve Naäman, de Syriër. Naäman behoorde helemaal niet tot het bevoorrechte volk. Hij was een vreemdeling van verre, en toch ontving hij de zegen van genezing van de Heere, de God van Israël!

Wat deze tijdelijke zaken betreft, leek Gods verkiezing iedereen buiten te sluiten, behalve het zaad van Israël. Maar dat was slechts schijn. Er waren altijd vreemdelingen binnen de uitverkoren lijn. Zo betekende ook de bijzondere vorm van verkiezing die zichtbaar werd in de aardse bediening van onze Heere — die uitsluitend op de Joden gericht was — niet dat deze arme, gelovige vrouw werd uitgesloten.

Voor haar was Jezus Christus duidelijk gekomen binnen die uitverkoren lijn, want daar was Hij! Hij was buiten de grenzen van Zijn opdracht gekomen. Hij was naar haar toe gekomen!

En nu, op dit moment, wat u ook mag denken over dit of dat leerstuk: Jezus Christus is tot u gekomen. Ik heb u Zijn waarheid verkondigd en u hebt haar gehoord! Ja, u hebt ook iets van haar kracht ervaren. Geef u eraan over, ik smeek het u. Als u zich eraan overgeeft, tot Hem komt en op Hem vertrouwt, verheug u dan dat de lijnen van de verkiezende liefde u hebben omvat!

U behoort Hem toe! U zou niet tot Hem hebben kunnen komen in gebed en eenvoudig geloof, en u zou het ook niet hebben gewild, als dat niet zo was geweest. Dat u tot Hem komt, bewijst dat Zijn eeuwige liefde u vanouds heeft gezocht!

Ga naar huis, o vrouw met een bedroefde geest, en wees niet langer bedroefd! Moge de Heere u allen zegenen, om Christus’ wil. Amen.

Preek nr. 1797 ·  Gehouden te Metropolitan Tabernacle, Newington, Londen, op donderdag 31 juli 1884, deel 41. Oorspronkelijke titel: “How To Meet The Doctrine Of Election”. Bron: Metropolitan Tabernacle Pulpit, Volume 41. Vertaald naar het Nederlands door: T. van der Plas

Steun ons met een donatie

Uw steun helpt ons om Het Spurgeon Archief in stand te houden. Dankzij uw bijdrage kunnen wij ons werk voortzetten en dit waardevolle archief gratis aanbieden en vrijhouden van reclame en commerciële invloeden.

Wij danken u hartelijk voor uw steun en betrokkenheid!

Archiefhulpmiddelen

Contact

Heeft u een tekstfout gevonden, of heeft u een vraag? Stuur dan een E-mail naar: [email protected]

Over de Auteur

C.H. Spurgeon

1834 – 1892 Was een Engelse baptistenpredikant in de puriteinse traditie. Belangrijke onderwerpen uit zijn prediking waren de vergeving van zonden en de noodzaak van wedergeboorte.

Onze Socials:

Copyright & Content