Een preek uitgesproken op donderdagavond 12 augustus 1880, door C. H. Spurgeon, in de Metropolitan Tabernacle, Newington.
Al ging ik ook door een dal vol schaduw van de dood, ik zou geen kwaad vrezen, want U bent met mij; Uw stok en Uw staf, die vertroosten mij. Psalm 23:4
Weet u dat ik deze tekst altijd apart heb gehouden? Het was mijn bedoeling deze kostbare, uitverkoren belofte te bewaren tot het moment waarop ik de rivier de Jordaan zou naderen. Ik hoopte dat ik in mijn laatste levensuren het voorrecht zou hebben om de zoetheid van deze woorden te proeven en met vreugdevolle lippen te zingen:
“Al ging ik ook door een dal vol schaduw van de dood,
ik zou geen kwaad vrezen, want U bent met mij;
Uw stok en Uw staf,
die vertroosten mij.”
Onlangs ontdekte ik dat ik van dit hemelse brood onmiddellijk moest eten, en dat heb ik dan ook gedaan. Vaders zeggen weleens tegen hun kinderen: “Je kunt je taart niet opeten én hem tegelijk bewaren.” Maar voor Gods vertroosting geldt die regel niet. U kunt zich voeden met een belofte en haar toch volledig blijven bezitten. Sterker nog, u bezit haar des te meer wanneer uw geloof zich voedt met haar rijke inhoud.
Enkele dagen geleden heb ik, terwijl er een storm om mij heen woedde, de honing van dit vers mogen proeven. Toch is de zoetheid ervan nog altijd niet verdwenen. Ongetwijfeld zal ik er opnieuw van genieten wanneer ik de poorten van de dood nader. Maar nu al heeft de gezegende Geest van onze God deze belofte, in al haar rijkdom en overvloedige troost, diep in mijn hart verzegeld. Och, mocht God geven dat iedere gelovige die gebukt gaat onder verdriet of ontmoediging, dit vers even kostbaar voor zijn eigen hart leert kennen als het voor het mijne is geworden.
Dit vers is zonder twijfel bijzonder toepasselijk op de ervaring van een gelovige die zijn levenseinde nadert. Toch is dat zeker niet de enige bedoeling ervan. Het spreekt met onuitsprekelijke kracht tot stervenden, maar het is evenzeer bedoeld voor hen die leven. Als uw ziel op dit moment door zware beproevingen terneergeslagen is en u zich bevindt in het dal van de schaduw des doods, dan bid ik u de woorden van deze tekst te herhalen. Moge de Heere u laten ervaren dat zij waar zijn: “Al ging ik ook door een dal vol schaduw van de dood, ik zou geen kwaad vrezen, want U bent met mij; Uw stok en Uw staf, die vertroosten mij.”
Let erop dat deze woorden niet in de toekomende tijd staan. Ze zijn niet gereserveerd voor een ver moment in de toekomst. Stel niet uit tot morgen wat u vandaag zo dringend nodig hebt. Ook nu, terwijl ik door een donker dal ga, bent U, o Heere, bij mij; Uw stok en Uw staf vertroosten mij.
David schreef deze woorden niet op zijn sterfbed. De hele psalm ademt het leven van iemand die in vrede met God wandelt. Hij rust neer in groene weiden, wordt geleid langs stille wateren en ervaart de zorg van zijn Herder. En zelfs wanneer er een donkere wolk over zijn leven trekt en hij zich voelt alsof de dood hem bedreigt, blijft hij vol vertrouwen verwachten dat goedheid en trouw hem alle dagen van zijn leven zullen volgen.
Dit lied is niet bedoeld om tot onze laatste levensdag ongebruikt op de plank te blijven liggen. Het is gegeven om alle dagen van ons leven gezongen te worden, begeleid door de snaren van een dankbaar hart. Laten wij het daarom ook op dit geheiligde uur aanheffen, in de voorhoven van het huis van de Heere, te midden van allen die Hem liefhebben.
I. Ik wil uw aandacht allereerst richten op DE PAS EN HAAR VERSCHRIKKINGEN: “een dal vol schaduw van de dood.”
Stelt u zich een smalle bergpas voor’ zoals de Gondo-kloof of een andere onherbergzame doorgang hoog in de Alpen’ waar de rotswanden zich lijken op te stapelen tot aan de hemel, terwijl het zonlicht slechts door een smalle opening naar binnen valt. Zo kunnen ook beproevingen zich opstapelen, laag op laag, totdat de weg van de pelgrim naar de hemel verandert in een donkere kloof waar hij zich moeizaam een weg doorheen moet banen.
Stelt u zich een vallei voor, ingesloten door ontzagwekkende rotsen die zich hoog boven uw hoofd lijken te sluiten, een steeds nauwer wordende kloof, donker als de diepste nacht. Door die vallei, door die rotsachtige doorgang, moet de hemelse pelgrim de weg volgen die in het eeuwige raadsbesluit van de oneindige Geest voor hem is bepaald. Op dit moment banen vele kinderen van God zich een weg door zo’n sombere kloof, en juist tot hen richt ik mij.
Het eerste dat ons aan deze vallei opvalt, is haar diepe duisternis. Dat is haar meest kenmerkende eigenschap. Het is de vallei van de schaduw, de schaduw van de dood. De dood is ontzagwekkend, en zijn schaduw is koud en ijzig. Zij dringt door tot in het diepst van ons bestaan.
Ik heb weleens onder hoge rotswanden gestaan die niet alleen verkoeling brachten, maar ook een beklemmende, vochtige kilte verspreidden, alsof de omhelzing van de dood mij omsloot en haar kou mijn hele lichaam binnendrong. Dan verlangt een mens ernaar zo snel mogelijk aan die dodelijke schaduw te ontsnappen, omdat zij hem ziek en uitgeput dreigt te maken.
Zo is het ook wanneer de schaduw van de dood over de ziel valt. Dan kan een mens terechtkomen in een zielsbenauwdheid die zo diep is, dat hij het gevoel heeft niet meer te kunnen leven, en zelfs niet meer te willen leven, als dat mogelijk was. De vreugde van het leven is dan als de zon tijdens een zonsverduistering. In de koude, donkere en vochtige schaduw van een allesoverheersend verdriet kruipt de mens ineen. Onder de ijzige aanraking van twijfel beeft hij, voelt zich koortsig en angstig, en is als iemand die zijn verstand dreigt te verliezen.
Ik spreek nu tot enkele jonge mensen die, naar ik hoop, nog niets van deze diepe somberheid kennen. Moge dat ook zo blijven. Blijf opgewekt zolang u kunt. Blijf zingen zolang u kunt. Wees als leeuweriken die hoog opstijgen en al zingend steeds hoger vliegen.
Maar onder Gods volk zijn er ook anderen. Zij lijken minder op leeuweriken en meer op uilen. Zij zitten zwijgend alleen, en wanneer zij hun mond openen, is het vaak slechts om een droevige klacht te uiten. Zij zijn metgezellen van de draken, en helaas past dat beeld maar al te goed bij hun toestand. Zulke bedroefde zielen hebben al het tedere medeleven nodig dat wij hun kunnen schenken.
Zelfs mensen die van nature opgewekt en vrolijk zijn, moeten soms door deze donkere vallei trekken, waar alles somber is en hun moed wegzinkt tot ver onder het vriespunt. Ik weet dat wijze broeders zeggen: “U moet niet toegeven aan gevoelens van neerslachtigheid.” Dat is waar. Dat zouden wij inderdaad niet moeten doen. Maar toch overkomt het ons. En misschien zult u, wanneer uw eigen geest eens zo uitgeput is als de onze, ontdekken dat ook u niet moediger bent dan wij.
Sommigen zeggen: “Moedeloze mensen verdienen een stevige terechtwijzing.” Dat is misschien waar. Maar zij verdienen ook veel medelijden. En ik vermoed dat degenen die zulke harde woorden spreken, het wreed zouden vinden om te verwijten waar juist troost nodig is, als zij zelf ooit zouden ervaren wat geestelijke neerslachtigheid werkelijk is.
Er zijn tijden in het leven van Gods kinderen waarin diepe geestelijke duisternis hen omringt. Ik ben er zelfs bijna van overtuigd dat juist degenen die de rijkste voorrechten van Gods nabijheid hebben ontvangen, ook vaker dan anderen door zulke donkere tijden zijn gegaan. Nooit wordt het verbond aan Abraham zo duidelijk geopenbaard als wanneer een grote en verschrikkelijke duisternis hem overvalt en hij vervolgens de vurige fakkel tussen de stukken van het offer ziet doorgaan.
En Iemand Die groter is dan Abraham werd door de Geest de woestijn ingeleid. Later, vlak vóór het einde van Zijn aardse leven, werd Hij opnieuw diep bedroefd en zeer benauwd van ziel in de hof van Gethsémané. Juist in deze zware beproevingen, die een plaats hebben in Gods wijze leiding, ervaren gelovigen een donkere achtergrond waartegen de glans van Gods eeuwige liefde en onveranderlijke trouw des te helderder afsteekt.
Geprezen zij God voor de bergen van vreugde, de valleien van vrede en de tuinen van verrukking. Maar laten wij niet vergeten dat er ook een vallei van de schaduw van de dood is. De meesten van ons hebben die ontzagwekkende duisternis op enig moment moeten doorkruisen.
En dat is niet alles. De tekst wijst ook op de eenzaamheid van dit pad. De pelgrim zingt: “Al ging ik ook…” — alsof hij alleen voortgaat, zonder dat iemand zijn schaduwrijke weg met hem deelt. Voor sommige zielen is juist die eenzaamheid een bijzonder zware beproeving. Sommigen van ons weten maar al te goed wat dat betekent, omdat wij in geestelijk opzicht alleen staan.
Misschien zegt u: “Begeeft u zich dan niet onder de mensen?” Zeker, maar juist te midden van de mensen kan een diepe eenzaamheid schuilgaan. Wanneer uw roeping of uw positie u als het ware alleen op een berg plaatst, zult u begrijpen wat ik bedoel. Voor de schapen zijn er veel metgezellen, maar voor de herder zijn er slechts weinigen. Degenen die over zielen waken, komen dikwijls in omstandigheden terecht waarin alle menselijke steun wegvalt. Niemand kent hun zorgen, niemand kan de last van hun ziel werkelijk peilen, en zelfs degenen die oprecht met hen proberen mee te leven, schieten in die edele poging tekort.
Misschien bevindt u zich in een situatie waarin u klaagt: “Niemand is ooit zo beproefd als ik. Ik heb het gevoel alsof God mij als schietschijf voor Zijn pijlen heeft aangewezen.” Of misschien zegt u: “Er zijn wellicht velen die zwaarder worden beproefd dan ik, maar niemand op dezelfde manier als ik. Mijn beproeving is uniek.” Juist daarin ligt een belangrijk deel van de bitterheid van uw beker: het gevoel dat u er alleen voor staat.
Maar wilt u dan niet, samen met uw goddelijke Meester, zeggen: “U zult Mij alleen laten; en toch ben Ik niet alleen, omdat de Vader bij Mij is“? Juist dan is het tijd om te geloven. Wanneer u op God én op een vriend vertrouwt, kan de vraag opkomen of uw vertrouwen uiteindelijk wel geheel op God rust, of toch ook op die vriend. Maar wanneer die vriend u heeft verlaten en alleen God overblijft, verdwijnt iedere twijfel.
Als u en ik samen wandelen en een hond ons volgt, wie kan dan zeggen van wie die hond is? Maar wanneer u naar links gaat en ik naar rechts, zal meteen blijken aan wie hij werkelijk toebehoort, omdat hij die persoon volgt. Zo is het ook met het geloof. Wanneer u alleen nog op God kunt vertrouwen, blijkt dat u Hem werkelijk vertrouwt. En wanneer de bronnen van het schepsel opdrogen, maar u zich neerbuigt bij de overvloedige bron van de Schepper en daar blijft drinken, dan toont u zich een waar gelovige; daaraan hoeft niemand te twijfelen.
Het is heilzaam wanneer wij tot eenzaamheid worden gebracht, omdat dan blijkt of wij werkelijk alleen op God vertrouwen. Het is geen veilige houding om met één voet op zee en de andere op het land te staan. Een engel stond zo, en voor een engel past dat, maar voor zwakke mensen is het geen veilige plaats. Wij moeten beide voeten zetten op de Rots der eeuwen; anders zal de voet die rust op de onrustige zee van het veranderlijke ons ten val brengen.
Mijn ziel, wacht alleen op God! Wanneer de kracht en trouw van de Heere het enige fundament van ons geloof zijn, leert de ziel zich juist te verheugen wanneer alle zichtbare hulp wegvalt. Dan zingt zij met een blij hart: “Ja, al ga ik door het donkere dal van de dood, zonder menselijke metgezel, ik zal geen kwaad vrezen, want mijn God is nabij.”
Laat mij er bovendien op wijzen dat dit dal, hoe somber, gevaarlijk, mysterieus en eenzaam het ook is, toch door velen wordt doorkruist. Veel meer mensen gaan deze weg dan sommigen vermoeden. Onder degenen die in het openbaar een opgewekt gezicht tonen, zijn er velen die deze donkere vallei maar al te goed kennen. Zij zijn er vaak doorheen gegaan en bevinden zich er misschien zelfs nu.
Wanneer ik het rouwgewaad draag, probeer ik het onder mijn bovenkleed om mijn lendenen te binden, zodat niet iedereen het ziet. Heeft de Meester immers niet gezegd: “Als u vast, zalf dan uw hoofd en was uw gezicht, zodat het door de mensen niet gezien wordt als u vast”? Waarom zouden wij anderen moedeloos maken? Er is al genoeg verdriet in de wereld, zonder dat wij het nog vergroten door onze eigen zorgen voortdurend aan iedereen te tonen.
Soms worden mij verhalen toegestuurd om te recenseren. Wanneer ik merk dat zij gevuld zijn met schrijnende beschrijvingen van armoede en ellende, leg ik ze meteen terzijde. Ik ontmoet in het werkelijke leven al genoeg verdriet; ik heb geen verzonnen leed nodig om mijn hart nog verder te bezwaren. Als mensen dan toch fictie schrijven, laten zij liever verhalen schrijven die vreugde brengen, dan harten breken met louter verzinsels. Als ik moet huilen, laat het dan zijn om werkelijk verdriet en niet om een denkbeeldig leed.
Toch vertellen sommigen graag uitvoerig over hun eigen verdriet, zonder veel acht te slaan op de invloed die dat op anderen heeft. Zij zouden meer rekening mogen houden met hun medemensen. Als mijn eigen hart bloedt, waarom zou ik dan ook anderen verwonden? Soms is zwijgen de moedigste houding, zoals de dichter het zegt:
“Draag en verdraag, en zwijg daarbij;
Vertel aan niemand uw verdriet.”
Het is zonder twijfel waar dat veel van Gods trouwste dienaren door de diepten van het dal van de schaduw des doods zijn gegaan. Dat behoort voor sommigen van u een bron van troost te zijn. De voetstappen van de heiligen liggen in het dal van het geween. Heiligen zijn over de Via Dolorosa gegaan; ziet u hun voetsporen niet? Maar let vooral op één voetafdruk. Ziet u die niet? Buig u eroverheen en kijk aandachtig. Ga op uw knieën en bestudeer haar. Als u goed kijkt, zult u de afdruk van een spijkerwond zien. Zo zeker als Gods Woord waar is, is ook uw Heere door de schaduw van de dood gegaan en heeft Hij de kilte ervan gevoeld.
Er is geen geestelijke duisternis — afgezien van de zonde zelf, waaraan Jezus nooit deel heeft gehad — geen zielenleed en geen onrust van het hart, voor zover die niet uit de zonde voortkomen, die de Heere niet heeft gekend. Hij zegt: “Smaad heeft mijn hart gebroken en ik ben zeer zwak.” De voetafdruk van de Heere des levens staat voor altijd in de rots gegrift, zelfs in het dal van de schaduw des doods. Zullen wij dan niet met moed de weg volgen die voert naar het kruis en naar de dood in Jeruzalem, nu Jezus ons voorgaat?
Ik wil mijn opmerkingen over deze Via Mala van de verschrikkingen afsluiten met de opmerking dat deze weg, hoe donker en somber hij ook is, geen onheilige weg is. Hartzeer is niet noodzakelijk zondig. Onze Heere Jezus Christus heeft immers gezegd: “Mijn ziel is zeer bedroefd, tot de dood toe.“ In Hem was geen zonde, en daarom was ook Zijn diepe droefheid niet zondig.
Wij hebben nooit een vreugde of een verdriet gekend dat volkomen vrij was van het kwaad, maar in verdriet op zichzelf ligt geen noodzakelijke oorzaak van zonde. Een mens kan zo gelukkig zijn als de vogels in de lucht, zonder dat zijn blijdschap zondig is. Evenzo kan iemand diep terneergeslagen zijn, zonder dat die zwaarmoedigheid op zichzelf zondig is. Ik zeg niet dat onze gevoelens ooit geheel vrij zijn van zonde, maar de gevoelens zelf zijn daarom nog niet noodzakelijk zondig.
Daarom wil ik iedere bedroefde broeder bemoedigen, want zijn droefheid is op zichzelf geen reden tot veroordeling. Als zijn neerslachtigheid voortkomt uit ongeloof, laat hij zichzelf dan onderzoeken, bestraffen en God aanroepen om daarvan verlost te worden. Maar wanneer de ziel zegt: “Al zou Hij mij doden, zou ik niet hopen?,” dan is het geen zonde dat zij wordt neergedrukt. Wanneer iemand roept: “Mijn God, mijn ziel is terneergeslagen, daarom zal ik aan U denken,” dan is het niet zondig dat zijn ziel terneergeslagen is.
“Als het nodig is,” zegt de apostel, “wordt u bedroefd door allerlei verzoekingen.” Hij zegt niet alleen dat u allerlei beproevingen ondergaat, maar ook dat u daardoor bedroefd bent. Een gebroken hart heeft zijn noodzakelijke plaats, want juist de droefheid van de geest vormt de kern van de beproeving. Zegt Salomo niet: “Striemen en wonden zuiveren het kwaad uit”? Als een slag geen blauwe plek achterlaat, is er ook geen tuchtiging geweest die ons werkelijk ten goede komt.
Daarom is zwaarmoedigheid van de geest niet in alle gevallen iets waarvoor wij onszelf moeten veroordelen, al is het altijd goed onszelf nauwkeurig te onderzoeken. Hoe streng wij ook voor ons eigen hart mogen zijn, wij moeten ervoor waken anderen te veroordelen. De weg van het verdriet is niet de weg van de zonde, maar een geheiligde weg, gewijd door de gebeden van ontelbare pelgrims die nu bij God zijn — pelgrims die, terwijl zij door het dal van Baca trokken, er een bron van maakten, en de regen vulde ook de poelen. Van hen staat geschreven: “Zij gaan voort van kracht tot kracht, zij zullen verschijnen voor God in Sion.”
Tot zover over de donkere en gevaarlijke vallei van de schaduw des doods.
II. Het tweede onderwerp dat we nu kort willen behandelen, is DE PELGRIM EN ZIJN REIS. “Al ging ik ook door een dal vol schaduw van de dood.”
U zult opmerken dat de pelgrim zich allereerst rustig toont bij de gedachte aan zijn sombere tocht. Vaak kost de angst vóór een beproeving ons meer dan de beproeving zelf. Daarom heeft de dichter terecht gezegd dat velen van ons:
“Uit angst sterven wij duizend doden voordat één beproeving ons werkelijk treft.”
De voorboden van tegenslag lijken vaak angstaanjagender dan de tegenslag zelf. Wij lijden dikwijls meer onder de vrees voor de beproeving dan onder de beproeving zelf. Hier zien wij een man van geloof. Hij blijft kalm terwijl hij het kwaad ziet naderen. “Al ging ik,” zegt hij, “door een dal vol schaduw van de dood.” Hij verwacht die weg te moeten gaan, maar voegt eraan toe: “ik zou geen kwaad vrezen.”
Mijn vriend, ziet u een ramp op u afkomen? Zijn er aan alle kanten tekenen van een naderende storm? Zie de toekomst dan moedig tegemoet. Laat uw hart niet bezwijken terwijl u wacht op de donder en de orkaan. David zei: “Al belegerde mij een leger, mijn hart zou niet vrezen; al brak er een oorlog tegen mij uit, toch vertrouw ik hierop.”
Vijanden die hun kamp hebben opgeslagen, bezorgen ons vaak meer onrust dan vijanden die daadwerkelijk ten strijde trekken. Zodra de vijand de oorlogskreet aanheft en oprukt, worden wij tot moed aangespoord en treden wij hem man tegen man tegemoet. Maar zolang hij afwacht en ons in onzekerheid laat, is ons hart geneigd door die onzekerheid verteerd te worden. Wij zien onze dodelijke vijand in zijn legerkamp, maar wij weten niet of hij ons in de middelste nachtwake zal aanvallen, bij het aanbreken van de dag of op een ander moment. Juist die onzekerheid kwelt de ziel. Daarom is het zo heerlijk wanneer het geloof kan zeggen: “Hoewel ik weet dat ik spoedig zal lijden, ben ik toch rustig bij het vooruitzicht daarvan. Ik vrees geen kwaad.”
Geliefden, bid om kalmte wanneer de beproeving zich aankondigt; dat is al de helft van de overwinning. Staat er niet geschreven over de gelovige: “Hij zal voor geen kwaad gerucht vrezen, zijn hart is standvastig, hij vertrouwt op de HEERE”?
Bovendien blijft de pelgrim standvastig zijn weg vervolgen. “Al ging ik ook door een dal,” zegt hij. Hij rent niet gehaast vooruit, maar wandelt rustig verder. Meestal willen wij onze beproevingen zo snel mogelijk achter de rug hebben, net zoals iemand zegt: “Als ik medicijnen moet innemen, laat het dan maar meteen gebeuren.” Maar voor alles is een bestemde tijd. Laten wij daarom geduldig wachten totdat de beproeving uit de hand van de Heere komt, want Hij bepaalt het juiste moment, tot op de seconde nauwkeurig.
“Laat mij nu maar weten wat mij te wachten staat,” roept iemand. “Ik leef in zo’n ondraaglijke onzekerheid dat ik er, op de een of andere manier, een einde aan moet maken.” Maar, mijn beste vriend, zo handelt het geloof niet. “Wie gelooft, zal zich niet weghaasten.” Het geloof is voortvarend wanneer het God mag dienen, maar geduldig wanneer het op Hem moet wachten.
Bij de psalmist is geen spoor van gejaagdheid te vinden. “Al ging ik ook,” zegt hij — rustig, kalm en standvastig. Wandelen is het tempo van de geoefende man van God. Jonge mensen vliegen: “zij zullen hun vleugels uitslaan als arenden.“ Volwassen mannen “rennen en worden niet moe.“ Maar wanneer een man van God een vader in de gemeente is geworden en met overvloedige kracht is toegerust, dan “wandelt“ hij en bezwijkt niet. Wandelen is het gewone tempo van de beproefde soldaat van Christus; al het andere past meer bij de onervaren rekruut.
David zegt daarmee eigenlijk: Ik zal door het dal van de schaduw des doods wandelen, net zo rustig als wanneer ik ‘s avonds door mijn tuin wandel of door de straat ga om mijn dagelijkse bezigheden te verrichten. Mijn beproeving maakt mij niet onbekwaam voor mijn plicht. Zij brengt mij niet van mijn stuk en beheerst mijn gedachten niet.
Moge God u, mijn geliefde broeders en zusters, dit kalme geloof schenken. Ik bid dat Hij het ook mij schenkt, want ik heb het hard nodig. Dikwijls heb ik met schaamte mijn gebrek eraan beleden. Ik dien immers zo’n gezegende Meester; daarom zou ik nooit hoeven vrezen of toestaan dat lichamelijke pijn mijn hart doet beven. O heilige Trooster, stort de vrede van God uit in mijn hart.
Nog iets valt op in de voortgang van de pelgrim: hij is zeker van de uitkomst. “Al ga ik door een dal.“ Dat woordje “door“ is vol hoop. Hij verwacht niet in die donkere pas te blijven, maar erdoorheen te gaan naar het licht. Op het moment dat de trein van zijn leven de donkere tunnel van de beproeving binnenrijdt, zegt hij bij zichzelf: “Ik zal aan de andere kant weer tevoorschijn komen. Het kan hier heel donker zijn en ik kan door de diepste diepten gaan, maar ik zal zeker aan de andere kant weer naar buiten komen.”
Zo is het met ieder kind van God. Zelfs als zijn weg naar de hemel over de bodem van de zee zou lopen, langs de grondvesten van de bergen waar de aarde hem met haar grendels omsluit, dan nog zal hij die weg veilig afleggen. Zo was het ook met Jona. Zijn weg liep via die diepte, en daarvoor had God een bijzonder vervoermiddel gereedgemaakt. “De HEERE beschikte een grote vis om Jona op te slokken.” Ik vermoed niet dat er ooit nog zo’n vis heeft bestaan. Natuuronderzoekers zeggen dat zij zo’n walvis niet kunnen vinden. Dat hoeft ook niet, want de Schrift zegt: “De HEERE beschikte een grote vis.” Hij wist precies welke vis nodig was om Jona te dragen. Die vis nam zijn bijzondere passagier op, bood hem onderdak en bracht hem veilig aan land.
Zo treft de voorzienigheid voor iedere beproefde heilige een passende voorziening. Wanneer u een dienaar van God bent en geroepen wordt tot een heel bijzondere beproeving, zal God ook in uw situatie een bijzondere voorziening schenken, zoals u die nergens eerder hebt gelezen, om Zijn goedheid en trouw te verheerlijken.
O, hadden wij maar meer geloof! Dan zou het leven vreugdevoller zijn en zouden beproevingen hun zwaarte verliezen.
Broeders, is het eigenlijk moeilijk om door een schaduw te wandelen? Wanneer u ‘s morgens over een veld loopt en de spinnen hun webben over het pad hebben gespannen, veegt u die moeiteloos weg. Toch heeft een spinnenweb nog meer kracht dan een schaduw. De psalmist spreekt zonder vrees, omdat hij zijn komende beproevingen slechts ziet als een wandeling door een schaduw. Als wij geloof hebben, zijn beproevingen en moeilijkheden niets meer dan schaduwen die ons niet kunnen verhinderen de hemel te bereiken. Ja, God bestuurt de beproevingen soms zelfs zo dat zij ons juist helpen op de weg naar de heerlijkheid. Laten wij daarom moedig voortgaan en nooit vrezen. Laten wij ervan verzekerd zijn dat wij, wanneer wij aan de ene kant het diepe dal van de beproeving binnengaan, aan de andere kant er ook weer uit zullen komen. Wie zal ons kunnen tegenhouden als God met ons is?
Het mooiste aan deze pelgrim is dat hij op zijn reis geheel vrij is van angst. Hij zegt: “Ik zou geen kwaad vrezen.“
Het is een prachtig gezicht wanneer een kind volkomen rustig blijft te midden van gevaren die alle volwassenen om hem heen met angst vervullen. Ik heb gelezen over een kleine jongen die aan boord was van een schip dat door een zware storm werd geteisterd. Iedereen verkeerde in grote angst, omdat het schip in ernstig gevaar was. Er was geen matroos en geen passagier die niet bevreesd was. Maar deze jongen was volkomen gelukkig en vond het schommelen van het schip eerder vermakelijk dan beangstigend. Men vroeg hem waarom hij onder zulke omstandigheden zo opgewekt was.
“Nou,” zei hij, “mijn vader is de kapitein. Hij weet wel hoe hij hiermee moet omgaan.” Er school wel iets van kinderlijke onwetendheid in dat vertrouwen, maar wanneer u met hetzelfde onvoorwaardelijke geloof vertrouwt op uw hemelse Vader, is dat geen dwaasheid. Hij kan en zal ieder schip dat aan Zijn zorg is toevertrouwd veilig de haven binnenbrengen. Rust daarom in God en wees niet bevreesd voor enig kwaad.
Deze pelgrim is weliswaar geheel vrij van angst, maar hij is allerminst roekeloos of onwetend. Hij geeft immers een goede reden voor zijn onbevreesdheid. “Ik zou geen kwaad vrezen“, zegt hij, “want U bent met mij.“ Is er onder de hemel ooit een betere reden gegeven om zonder vrees te zijn dan deze: dat God met ons is? Hij staat aan onze zijde. Hij heeft beloofd ons te helpen. Hij heeft ons nooit verlaten, en Hij zou moeten ophouden te zijn Wie Hij is voordat Hij ook maar één ziel die op Hem vertrouwt, zou verstoten. Welke reden tot angst blijft er dan nog over?
Een kind voelt zich veilig omdat zijn moeder bij hem is. Hoeveel te meer behoren wij rustig van hart te zijn, nu de alwetende, almachtige en onveranderlijke God aan onze zijde staat. “Wie zal ik vrezen?“ Wie zouden wij nog met onze vrees eren? Is er werkelijk iemand die wij moeten vrezen? “Wie zal beschuldigingen inbrengen tegen de uitverkorenen van God? God is het Die rechtvaardigt. Wie is het die verdoemt?” Christus is gestorven, opgewekt en zit aan de rechterhand van God als onze Vertegenwoordiger. Wie kan ons dan nog werkelijk kwaad doen?
Al zouden de hemelen uiteenvallen en de aarde vergaan door vurige hitte, laat het hart van de christen niet wankelen. Laat hij standvastig zijn als de machtige bergen, waarvan de fundamenten voor eeuwig zijn gelegd, want de Heere God zal Zijn volk nooit verlaten en Zijn verbond nooit verbreken.
“Ik zou geen kwaad vrezen, want U bent met mij.“ In deze woorden ligt meer besloten dan alleen de afwezigheid van angst. Zij onthullen ook de verheven gemeenschap waarin de ware gelovige zich verheugt. “U bent met mij.“ U — U — U, de Koning der koningen, voor Wie iedere seraf zijn gezicht bedekt, overweldigd door de ontzagwekkende majesteit van zijn Schepper. “U bent met mij.“ U, voor Wie zelfs de grootsten van de aarde tot volslagen onbeduidendheid worden. U bent met mij.
Hoe moedig behoort de mens te zijn die wandelt met de Leeuw uit de stam van Juda als zijn Beschermer. Hoe vast behoren de voetstappen te zijn van degene die weet dat hij op de Rots staat. “U bent met mij.“
Bevende broeder, u zou zich volkomen veilig voelen als uw ogen geopend werden om de legerscharen van engelen te zien die u omringen. U zou zich verheugen in uw veiligheid als u paarden van vuur en strijdwagens van vuur rondom u zag. Maar zelfs zulke hemelse legers betekenen weinig in vergelijking met de bescherming die u werkelijk omringt. God is meer waard dan ontelbare strijdwagens. “De strijdwagens van God zijn tweemaal tienduizend, ja, ontelbare duizenden.” Maar hun ware heerlijkheid ligt hierin: “De HEERE is bij hen, een Sinaï in heiligheid.”
God is bij ieder van Zijn kinderen. Wij wonen in Hem en Hij woont in ons. “Ik in hen en zij in Mij“, zegt Christus. Tussen iedere gelovige ziel en God bestaat een levende, eeuwige gemeenschap. Welke reden tot vrees kan er dan nog overblijven?
“U bent met mij.“ O, mocht God ons de genade schenken om moedige pelgrims te zijn, die standvastig voortgaan, terwijl de hemelse gemeenschap met God onze heerlijkheid en onze bescherming is.
III. Tot slot kom ik nu bij mijn derde punt, welke in de tekst het duidelijkst naar voren komt: DE ZIEL EN HAAR HERDER; want David zegt: “Uw stok en Uw staf, die vertroosten mij.” U ziet dat de psalm geheel draait om een herder en een ziel die zichzelf als een schaap ervaart.
De stok en de staf, de symbolen van het herderschap, zijn de troost voor de heiligen. Waarvoor dienen de stok en de staf?
Bedenk allereerst dat de staf werd gebruikt om de schapen te tellen. “In de steden van Juda zullen de kudden weer onder de handen van de teller doorgaan” De herder houdt zijn staf vast, en de schapen worden geteld terwijl zij eronderdoor gaan. Wat is het een grote troost wanneer de ziel kan zeggen: “De Heere rekent mij tot de Zijnen. Ik bevind mij in het dal van de schaduw des doods, maar ik behoor tot de kudde die de Heere Zelf heeft verworven. Ik verkeer in diepe droefheid, maar ik word gerekend tot Zijn verlosten.”
De Goede Herder bewaart al Zijn schapen en zal hen ook beschermen in het donkere dal. “De Heere kent wie van Hem zijn,” en Hij zal Zich machtig betonen ten behoeve van de Zijnen. Hij zegt: “Ik geef hun eeuwig leven; en zij zullen beslist niet verloren gaan in eeuwigheid en niemand zal ze uit Mijn hand rukken.” Als Hij mij tot de Zijnen rekent, al ben ik de geringste van hen, de zwakste in het geloof en de minste in genade, dan zal Hij mij toch bewaren. Omdat ik mag zeggen: “Mijn Liefste is van mij en ik ben van Hem“, ben ik verzekerd van al het goede.
Wij hebben geen grotere troost nodig. Toen de discipelen zich verheugden omdat de duivelen zich aan hen onderwierpen, zei hun Meester: “Verblijd u echter niet daarover dat de geesten aan u onderworpen zijn, maar verblijd u erover dat uw namen opgeschreven zijn in de hemel.” Als de Herder van Israël u met Zijn staf heeft aangewezen als iemand die Hem toebehoort, mag u zich vrijmoedig verheugen. De Heere zal immers geen enkel deel van Zijn erfdeel verliezen en niet toelaten dat de vijand ook maar één schaap uit Zijn kudde verslindt.
Daarnaast is de staf ook een teken van heerschappij. De herdersstaf, die tegenwoordig aan een bisschop wordt overhandigd als teken dat hij een herder behoort te zijn, is het symbool van gezag en bestuur. De herder is niet alleen de bewaker van de schapen, maar ook hun heer. Bedenk daarom dat uw Verlosser ook uw Soeverein is. U noemt Hem Meester en Heere, en terecht.
Leeft de geest van gehoorzaamheid in uw hart? Ik vertrouw erop dat dit ook bij mij zo is, want ik verlang ernaar Hem te dienen. Ik ben niet wat ik zou moeten zijn en ook niet wat ik verlang te zijn, maar mijn hart verlangt ernaar Zijn wil te gehoorzamen. Ik aanvaard Zijn wet als mijn wet en wens altijd een van Zijn trouwste onderdanen te zijn.
Het verheugt mij te weten dat de Heere regeert. Het vormt een deel van mijn lofzang: “De Heer is Koning.” Mijn hart jubelt daarover. Ik zou het willen uitroepen op het marktplein van iedere stad. Moge Jezus Christus regeren, nu en tot in eeuwigheid. De grootste vreugde is dat Hij inderdaad regeert. Zijn staf en Zijn herdersstok zijn de tekenen van de Herder-Koning. Wanneer wij ons onderwerpen aan Zijn hoogste heerschappij, vinden wij troost in Zijn koninklijke macht en majesteit.
Een derde betekenis — want deze woorden zijn rijk aan geestelijke lessen — is dat de staf en de herdersstok dienen om leiding te geven. Met zijn staf leidt de herder zijn kudde. Wat is het een rijke troost te weten dat de Heere Zelf ons leidt. “U zult mij leiden door Uw raad,. daarna zult U mij in heerlijkheid opnemen.“
Wij zijn nog maar weinig geoefend als schapen van Christus. Maar wanneer wij onze blik op onze Heere richten, zien wij hoe Hij ons zachtmoedig over de juiste weg leidt. Als wij niet eigenwijs zijn, maar op Hem vertrouwen, brengt Hij ons langs een weg die wij zelf nooit zouden hebben gekozen, maar die toch de veilige en goede weg is. Wanneer wij niet weten welke richting wij moeten inslaan, laat Hij ons niet aan onszelf over om een verkeerde keuze te maken, maar horen wij een stem achter ons zeggen: “Dit is de weg, bewandel die.”
Wat is het een zegen wanneer wij ons in moeilijke omstandigheden bevinden en met zekerheid mogen weten dat de Heere Zelf ons daarheen heeft geleid. Dan weten wij immers dat de weg goed moet zijn, want onze Herder brengt Zijn kudde nooit op een dwaalweg. Wanneer wij Jezus volgen waar Hij ons voorgaat, is de Gids verantwoordelijk voor de weg.
Nog een betekenis van de staf en de herdersstok is dat zij dienen om de schapen aan te sporen verder te gaan. Schapen zijn soms traag en willen niet vooruit. Dan geeft de herder hun met zijn staf of stok een duwtje. Hebt u die goddelijke aansporingen ooit ervaren? Misschien hebt u tijdens een preek weleens een scherpe steek in uw geweten gevoeld.
Ik weet dat ik in de naam van de Meester soms de staf heb moeten gebruiken bij bepaalde vette schapen die minder voortvarend waren dan zij behoorden te zijn. Maar hun wol is zo dik, dat zij er nauwelijks iets van lijken te voelen. De Grote Herder weet echter precies hoe Hij hen moet aanraken. Hij kan een achterblijvend schaap zo’n duwtje geven, dat het ineens naar voren springt en u zich afvraagt waar die nieuwe ijver vandaan komt.
Wanneer ik in moeilijkheden verkeer en merk dat juist die beproeving mij voortdrijft op de rechte weg, wanneer zij mij tot gebed brengt en ertoe leidt God meer te verheerlijken, dan troosten mij de staf en de herdersstok. Het is een gezegende zaak om ter wille van de hemel beproefd te worden. Het is een slechte zaak om zich behaaglijk te voelen in geestelijke traagheid; een verschrikkelijke zaak om weg te zinken in onverschilligheid en het onbelangrijk te vinden of men daar ooit uitkomt. Maar het is goed om beproefd te worden, wanneer die beproeving ons doet verlangen naar meer genade. Een wijs mens vindt troost in de wetenschap dat de roede werkt tot zijn welzijn.
De staf en de herdersstok zijn ook een beeld van de tuchtiging. Wanneer een schaap afdwaalt, trekt de herder het met zijn herdersstok terug en laat hij het merken dat het niet ongestraft kan rondzwerven. Zo tuchtigt ook de Heere ons. Gezegend zij Zijn Naam voor Zijn tuchtiging. Hoewel zij op het moment zelf geen reden tot blijdschap, maar tot droefheid lijkt te zijn, “geeft zij later hun die erdoor geoefend zijn een vreedzame vrucht van gerechtigheid. (Hebr. 12:11)”
O, hoe kostbaar zijn die woorden: “geeft zij later“. Het is een bewijs van genade dat God u belangrijk genoeg acht om u te tuchtigen. Niemand straft de kinderen van een ander, en wanneer God een gelovige beproeft en zijn ziel wordt gebroken, laat hij dan zeggen: “Gezegend zij God voor deze beproeving. Want de Heere bestraft wie Hij liefheeft, en Hij geselt iedere zoon die Hij aanneemt.”
Zoet is de pijn die de liefde van de Vader bevestigt. Gezegend is het verdriet dat door de hand van onze Herder wordt toegebracht. O, wat zou het een verschrikkelijk voorrecht lijken als God mij eenvoudig met rust liet — moge ik dat nooit ervaren. Gezegend verdriet, gezegend hartzeer, dat mij verzekert dat God mij niet is vergeten. O Heere, Uw roede troost mij, zelfs wanneer zij mij tuchtigt.
Ten slotte gebruikt de herder zijn staf en herdersstok om de kudde te beschermen. Daarmee bestrijdt hij de wilde dieren, zodat de lammeren niet worden verscheurd. Wat is Christus heerlijk wanneer Hij optreedt met de wapens van Zijn eeuwige macht om de leeuw te bestrijden die onze ziel wil verslinden.
Denk aan Hem in de hemel, waar Hij voor Zijn volk pleit op grond van de verdiensten van Zijn bloed. Zijn voorbede is als een staf waarmee Hij de wolf slaat en de leeuw en de beer verjaagt, zodat niemand van ons verloren gaat. Hij moet en Hij zal Zijn uitverkorenen beschermen.
Misschien denkt u dat Christus Zijn volk met Zijn bloed heeft gekocht en het toch nog zou kunnen verliezen, maar dat geloof ik niet. Wanneer iets u veel heeft gekost, bewaart u het zorgvuldig. En als het u zelfs uw leven heeft gekost, zult u het zeker niet prijsgeven. Is dat niet wat de Schrift zegt: “Huid voor huid! Alles wat iemand heeft, zal hij geven voor zijn leven”? Als iemand bereid is alles te geven om zijn leven te behouden, hoeveel te meer zal Christus dan niet vasthouden aan wat Hij heeft verworven door Zijn eigen leven te geven.
Christus zou eerder opnieuw Zijn leven geven dan Zijn volk verliezen. Hij is eenmaal gestorven om hen te redden. Eerder zou Hij opnieuw sterven dan toestaan dat zij verloren gaan — maar dat zal nooit gebeuren. Heeft Hij niet Zelf gezegd: “Omdat Ik leef, zult ook u leven”? Zijn leven is in hen gekomen en zal hen nooit verlaten. En Hij zegt: “Ik geef Mijn schapen het eeuwige leven.” Wat kan “eeuwig leven” anders betekenen dan een leven dat nooit eindigt?
O, mocht God aan ieder die hier aanwezig is het geloof schenken waarover ik heb gesproken. Misschien zijn er onder u die hun ziel nog nooit aan Christus hebben toevertrouwd. U weet dat het geloof de weg tot de zaligheid is; waarom gaat u die weg dan niet? Vertrouw op Hem. Vertrouw eenvoudig op Hem. Vertrouw Hem nu.
Het is wonderlijk hoe de kracht van het geloof het hart verandert. Wie iemand vertrouwt, krijgt hem lief. U kunt geen vijand blijven van iemand aan wie u zich in vertrouwen toevertrouwt. De uitwerking van het geloof op het hart is wonderbaar. Het verandert de hele gezindheid en richting van het leven.
Moge God u Christus doen kennen, want zij die Zijn Naam kennen, zullen op Hem vertrouwen. En wanneer u Hem kent en op Hem vertrouwt, zult ook u met ons belijden: “Gezegend is de man die op de HEERE vertrouwt.”
God zegene u, beste vrienden, omwille van Christus. Amen.


