Een preek uitgesproken op de zondagochtend 28 december 1873, door C. H. Spurgeon, in de Metropolitan Tabernacle, Newington.
Hij verkwikt mijn ziel. Psalm 23:3
Deze psalm, de lieflijkste van alle psalmen, bezingt de overvloedige genadebewijzen die de gelukkige ziel van de gelovige ontvangt, en voert al deze zegeningen terug tot één bron: de Goede Herder Zelf. “Mij ontbreekt niets.” Waarom? Omdat de HEERE mijn Herder is. Ik lig in heerlijke rust neer op groene weiden. Waarom? Omdat “Hij mij doet neerliggen.” Ik ga voort en maak heilige vorderingen langs de stille wateren. Waarom? Omdat “Hij mij leidt.” Zelfs in het vooruitzicht van de dood ben ik kalm en zonder vrees. Waarom? Omdat Hij bij mij is; Zijn staf en Zijn stok vertroosten mij.De kroon is samengesteld uit vele kostbare schatten: goud, oosterse parels en zeldzame edelstenen uit het land aan de overzijde van de rivier. Al deze kostbaarheden zijn samengevoegd tot één diadeem, dat zonder twijfel met vreugde op het hoofd van de grote Herder van Israël wordt geplaatst. De hofdichter van de Schrift bezingt in deze psalm op voortreffelijke wijze zijn Koning. Elke regel is gewijd aan de Geliefde van zijn ziel, in Wie al zijn bronnen ontspringen.
Mijn doel bij de behandeling van dit gedeelte van de psalm is hetzelfde als dat van de dichter zelf: ook ik wil spreken over de Koning, met het verlangen Zijn Naam te verheerlijken. Daarbij wil ik Hem bezien vanuit één bijzonder gezichtspunt, namelijk als de Verkwikker, Die Zelf onze dwalende zielen terugbrengt wanneer wij Zijn wegen verlaten. Ik zou het eerste woord van onze tekst het liefst in hoofdletters schrijven — hoofdletters zo groot als u maar kunt vinden: “Hij verkwikt mijn ziel.” Hij, Hij alleen; Hij en niemand anders. Aan Hem zij alle lof!
I. Onze tekst bevat rijke lessen en ernstige herinneringen. Allereerst bepaalt zij ons bij onze WARE POSITIE als gelovigen. Laten wij daar eerst bij stilstaan.
Wat is de ware positie van een gelovige? Het is de plaats van een schaap dat dicht bij zijn Herder blijft. De tekst laat dit zien, omdat zij spreekt over een schaap dat is afgedwaald en door de Herder wordt teruggebracht naar de plaats die het nooit had mogen verlaten. De natuurlijke en gezegende toestand van een gelovige is de gemeenschap met Christus. Die gemeenschap mag niet slechts een voorrecht zijn dat wij af en toe ervaren, maar behoort het dagelijkse leven van onze ziel te zijn. Wij moeten in Jezus blijven, met Hem wandelen en uit Hem leven.
Paulus zei niet: “Voor mij is Christus mijn bijzondere vreugde,” of: “Christus is voor mij slechts een feestmaal op bijzondere dagen,” maar: “Want het leven is voor mij Christus.” Christus is zowel het dagelijkse brood dat ons voedt als de rijke maaltijd die ons verheugt. Hij is zowel het water uit de rots dat onze dorst lest als de goed gezuiverde wijn op de droesem die vreugde schenkt. Zijn Naam is voor ons het wachtwoord tijdens onze pelgrimsreis op aarde, zoals wij verwachten dat Hij eenmaal ook ons toegang zal geven tot de hemel.
Wij hebben gemeenschap met Jezus nodig, niet als een luxe die alleen voor zon- en feestdagen is bestemd, maar als de onmisbare levensbehoefte van iedere dag. “Blijf in Mij” is Zijn blijvende oproep aan ons. Daarom moeten wij ernaar verlangen en ernaar streven om voortdurend in Hem te blijven: overdag en ‘s nachts, op de rustdag én op de gewone werkdagen, in tijden van vreugde en in tijden van verdriet. Christus is niet alleen een toevlucht in tijden van nood, maar een veilige haven onder alle omstandigheden.
Denk alstublieft niet, geliefden, dat ik de maatstaf te hoog leg. Ik ben er juist van overtuigd dat dit de normale toestand van een kind van God behoort te zijn. Daarom herhaal ik wat ik zojuist heb gezegd: de juiste plaats van een gelovige is voortdurend aan de voeten van de Heere Jezus, zoals Maria daar zat, of, zoals Johannes, met het hoofd rustend aan de borst van de geliefde Zaligmaker.
Ik denk dat dit allereerst duidelijk zal worden als wij onze verplichtingen jegens Jezus opnieuw beschouwen. Toen wij pas tot bekering waren gekomen en voor het eerst beseften dat onze zonden waren uitgewist, hoe dachten wij toen over ons toekomstige leven met Hem? Als iemand ons destijds had gevraagd hoe wij ons tegenover onze Heiland zouden gedragen, zouden wij zonder aarzelen een hoog ideaal hebben geschetst.
“Is Hij voor mij gestorven? Heeft Hij al mijn zonden op Zich genomen? Dan zal ik Zijn dood altijd beschouwen als het grootste wonder van liefde. Mijn dankbare hart zal altijd in verbondenheid met Hem leven, in liefde en lofprijzing. Heeft Jezus mij werkelijk vergeven? Ben ik rein geworden door Zijn kostbare bloed, volkomen schoon gewassen, tot een kind van God aangenomen en aangenomen in de Geliefde? O, dan zal ik Hem loven, Hem verheerlijken, Hem prijzen en mijn hele leven in dienst van Hem stellen. Dat ik ooit moe van Hem zou worden? Onmogelijk! Dat mijn liefde ooit zou verkoelen of mijn hart onverschillig tegenover Hem zou worden? Eerder zou mijn hart ophouden met kloppen dan dat zoiets zou gebeuren.”
Beschrijf ik daarmee niet nauwkeurig wat u destijds zelf dacht? Heb ik de vurigheid van uw eerste liefde niet getrouw weergegeven? U hebt dat ideaal nog niet verwezenlijkt. Toch was het het juiste ideaal, en, geliefde, het is ook de levenshouding die u had behoren te bereiken. Het is geen uitzonderlijk hoog geestelijk niveau, maar eenvoudig de toestand die onze heilige verplichtingen tegenover Christus van ons vragen.
Stel dat een engel, die nog nooit van de mens had gehoord, plotseling op aarde neerdaalde en met een van ons in gesprek raakte. Wij zouden hem vertellen dat wij door de zonde gevallen waren en het oordeel van de dood hadden verdiend, maar dat de grote Schepper van hemel en aarde Zich had vernederd door onze menselijke natuur aan te nemen en in onze plaats te sterven. Kunt u zich de verbazing van die engel voorstellen over zo’n onbegrijpelijke nederigheid van de Zoon van God?
Wanneer zijn eerste verwondering wat geweken was, zou hij misschien zeggen: “Hebt u Hem dan niet lief boven alles? Is uw hart niet geheel vervuld van liefde voor Hem, voor zo’n onuitsprekelijke genade? Hoe leeft u nu? Voelt u niet voortdurend dat u nooit genoeg voor Hem kunt doen? U zult Hem toch nooit ongehoorzaam zijn? U zult toch nooit tekortschieten in uw vertrouwen op Hem of in uw ijver voor Zijn dienst? Dat lijkt mij volstrekt onmogelijk.”
Hoe diep zouden wij ons moeten schamen als wij aan zo’n hemelse vraagsteller moesten bekennen dat wij op zulk een onbegrijpelijke liefde slechts zo geringe wederliefde hebben betoond.
Toch ben ik ervan overtuigd dat wij het van harte met die engel eens zouden zijn. Zowel ons geweten als ons hart getuigt ervan dat onze Heere recht heeft op onze hoogste liefde en onze meest toegewijde dienst. Wat Christus voor ons heeft gedaan, kan nooit worden vergolden. Daarom past het ons niet Zijn onuitsprekelijke liefde te beantwoorden met lauwheid of oppervlakkige toewijding. Zijn liefde vraagt om ons hele hart, onze hele ziel en ons hele leven.
Bij Hem, Die ons heeft genezen, willen wij voor altijd blijven. Aan de voeten van onze Verlosser verlangen wij ons leven lang als Zijn discipelen te wandelen, Hem trouw te dienen en nooit meer van Zijn wegen af te dwalen.
Bovendien vraagt onze relatie met de Heere Jezus om een voortdurende, levende gemeenschap met Hem. Weet u niet dat u een vriend van Christus bent? En als u Zijn vriend bent, zult u zich dan niet als een vriend gedragen? Maar hoe kunt u van vriendschap spreken als u een hele week voorbij laat gaan zonder met Hem te spreken – niet thuis, niet op uw werk, niet onderweg? Is dat de trouw die een vriend zijn Vriend verschuldigd is?
Maar onze band met Christus gaat nog veel dieper dan vriendschap. Wij zijn Zijn broeders en zusters. Hij zei immers: “die is Mijn broeder en Mijn zuster en Mijn moeder.” Hoe zou u dan uw Broeder zo kunnen behandelen dat u Hem tegemoet treedt als een vreemde, als een onbekende, en wekenlang nauwelijks een blijk van liefde of verbondenheid toont? Is dat werkelijk broederlijke liefde? Ging David zo om met Jonathan?
Nog wonderlijker is het dat de Heere Jezus Zichzelf onze Bruidegom heeft genoemd en ons tot Zijn bruid heeft aangenomen. Wat zou het een droevig huwelijk zijn als man en vrouw week na week samenleven zonder een liefdevolle gemeenschap met elkaar te onderhouden. Dan zouden de huwelijksbanden geen zegen zijn, maar ketenen, en zou hun eenheid eerder een bron van ellende dan van vreugde zijn. Ik kan mij nauwelijks een grotere kwelling voorstellen dan een huwelijk waarin de liefdevolle omgang ontbreekt.
En zou ik dan de bruid van Christus zijn, zonder dat mijn liefde ooit zichtbaar wordt in mijn omgang met Hem? Wat moet ik mij diep schamen – ja, duizendmaal schamen – als ik ook maar één dag voorbij laat gaan zonder Hem mijn liefde te tonen in mijn gedachten, woorden en daden. Daar komt nog iets bij. De Heere heeft het goedgevonden ons leden van Zijn lichaam te noemen. Elk lichaamsdeel staat in voortdurende verbinding met het hoofd. Die gemeenschap is onmisbaar, ook wanneer wij ons daar niet steeds bewust van zijn. Maar in ons geestelijke leven behoort die gemeenschap niet alleen een blijvende werkelijkheid te zijn, maar ook bewust beleefd te worden.
Kan een hand onverschillig zijn tegenover het hoofd? Kan een voet de verbinding met de hersenen verbreken? Zolang het lichaam gezond is, zal zo’n scheiding nooit plaatsvinden. Alle leden blijven dan in liefdevolle, ononderbroken gemeenschap met het hoofd. Wanneer het leven niet langer door het hele lichaam stroomt en de gemeenschap wordt onderbroken, is dat een teken van verlamming. Voor ieder die door God is onderwezen, is het dan ook duidelijk dat onze innige verhouding tot de Heere Jezus van ons vraagt dat wij voortdurend in Hem blijven.
Bovendien, geliefden, behoeft deze waarheid nauwelijks verdediging. Als wij werkelijk gelukkig willen zijn, waar zouden wij dat geluk dan kunnen vinden, anders dan in een leven dicht bij de Heere Jezus? Ik spreek uit eigen ervaring, en ik weet mij daarin gesteund door het getuigenis van alle heiligen door de eeuwen heen, wanneer ik zeg dat er buiten de hemel geen grotere vreugde bestaat dan de nabijheid van Christus. De gemeenschap met Hem is een paradijs zonder slang; zij is als Kanaän, zonder de Kanaänitische vijand.
De gemeenschap met Jezus is het voorportaal van de heerlijkheid. Zij is de zaterdagavond van de eeuwige sabbat, de eerste glans van de hemelse morgen. Ook al is zij nog niet de hemel zelf, zij is zonder twijfel de meest heerlijke voorstad van het nieuwe Jeruzalem. Daarom riep onze dichter (Isaac Watts) terecht uit:
“Waar is een zoetheid te vinden,
zoals ik die in Uw liefde heb geproefd?
Waar heb ik haar ooit gevonden
dan alleen in U?”
Gewoonlijk hoeven mensen niet aangespoord te worden tot datgene waarin zij hun vreugde vinden. Hun hart snelt er vanzelf naartoe, zoals een adelaar zich op zijn prooi stort. Waar hun vreugde ligt, daarheen gaan ook hun gedachten, hun verlangens en al hun krachten. En als het waar is – en wie zou dat durven ontkennen? – dat de gemeenschap met Christus de rijkste van alle vreugden is en het hoogste genot dat een mens kan smaken, waarom laten wij ons dan zo moeilijk bewegen?
Ach, hoe traag zijn onze harten en hoe afgestompt onze geest, dat wij niet met brandend verlangen naar Jezus uitgaan en er niet voortdurend naar streven om in Hem te blijven. Maar niet alleen de vreugde van de gemeenschap met Christus zou ons moeten aantrekken; ook onze dagelijkse behoeften zouden ons ertoe moeten drijven om dicht bij Hem te leven. Als wij dwaas en onwetend zijn, waar kunnen wij dan beter verblijven dan bij onze Meester? Als wij voortdurend zwak zijn, tot wie zullen wij dan vluchten om kracht te ontvangen, behalve tot Hem Die sterk is?
Laat een kind dicht bij zijn vader blijven, een leerling bij zijn leraar, een patiënt bij zijn arts en een arme bij zijn weldoener. Zo behoren ook wij voortdurend bij Christus te zijn. Tot wie zouden wij anders gaan met al onze dagelijkse noden dan tot Hem, Die voor ons altijd alles is geweest?
Israël kon geen dag zonder het manna leven; evenmin kunnen wij ook maar één uur werkelijk tevreden zijn zonder het Brood des levens. Onze Heere zegt: “Zonder Mij kunt gij niets doen.” De waarheid van die woorden hebben wij telkens opnieuw ervaren. Hebben wij werkelijk nóg meer bewijs nodig? Zijn wij bereid terug te vallen in een leven waarin wij niets anders kunnen voortbrengen dan zonde? Dat hoop ik niet.
Wij behoren pas tevreden te zijn wanneer wij in Christus blijven, bekleed zijn met Zijn kracht en veel vrucht dragen tot eer van Zijn Naam.
Bedenk bovendien hoe groot het gevaar is wanneer wij buiten de gemeenschap met Christus leven. Zodra wij Zijn liefde uit het oog verliezen, worden wij gemakkelijk meegesleept door elke verleiding. Wanneer Zijn liefde ons hart niet vervult, maken andere liefdes zich van ons meester. Zij verleiden ons tot afgoderij, voeren ons mee in schadelijke begeerten en vergiftigen de bronnen van onze vreugde.
Wij zullen óf beheerst worden door de allesovertreffende liefde van Jezus, óf verstrikt raken in de misleidende aantrekkingskracht van de wereld. Eén van beide meesters zal over ons regeren: óf de vorst van de macht der lucht, óf de Koning der koningen.
Wanneer Christus dichtbij is, zijn wij veilig. Welke wolf kan immers een schaap verscheuren dat dicht bij de hand van de Herder blijft? Maar wanneer wij ons van Jezus verwijderen, verkeren wij niet alleen in gevaar; dan hebben wij ons grootste bezit al verloren. Het missen van de gemeenschap met Christus is op zichzelf al een onmetelijk verlies, zelfs als er verder geen ramp volgt.
Zonder Jezus zijn wij als een schip zonder stuurman, een stad zonder wachters of een zuigeling zonder voedster. Wij kunnen eenvoudig niet zonder Hem, en hoe minder wij proberen dat wel te doen, des te beter.
Simson zonder zijn lokken is een aangrijpend beeld van een gelovige die buiten de gemeenschap met Christus leeft. Hoe durven wij onze dagelijkse bezigheden aan te vatten zonder de tegenwoordigheid van de Heere? Dat is alsof een soldaat zonder schild en zonder wapenrusting het slagveld betreedt.
Zouden wij daarom niet iedere dag moeten bidden: “Indien Uw aanwezigheid niet met mij meegaat, breng mij dan niet vanhier op”? En hoe zouden wij kunnen gaan slapen voordat Hij ons heeft gekust met de kussen van Zijn mond? Zelfs de dromen en gezichten van de nacht zouden ons tot schade kunnen zijn, wanneer onze ziel niet aan Zijn zorg is toevertrouwd. Wat mij betreft, fluister ik graag, terwijl ik mijn hoofd op het kussen neerleg, deze troostvolle woorden:
“Opnieuw besprenkeld met het verzoenend bloed,
leg ik mij neer om te rusten,
geborgen in de omhelzing van mijn God,
aan de borst van mijn Verlosser.”
De rijke zegeningen van de gemeenschap met Christus zouden ons er voortdurend toe moeten aansporen om in Hem te blijven. Wie wil groeien in genade, vervuld wil worden met de Heilige Geest, de liefde van Christus wil leren kennen – die alle kennis te boven gaat – en bovenal steeds meer gelijkvormig wil worden aan Hem, Die het Hoofd is, kan dat alleen bereiken door in Christus te blijven.
Alles waarnaar een christen, in heilige zin, mag verlangen, wordt alleen werkelijkheid in de gemeenschap met Jezus en nergens anders. Alles wat ik volgens Gods bedoeling behoort te zijn, en alles wat ik in een gezonde geestelijke toestand verlang te worden, vind ik in mijn Heere wanneer ik dicht bij Hem leef. Geen enkele gelovige wint er ooit iets bij om zich van zijn Meester te verwijderen. Christus van een afstand volgen brengt alleen schade. Maar in Hem blijven betekent vrede, vreugde, heiligheid en een voorproef van de hemel.
Daarom zeg ik opnieuw, geliefden: laten wij ernaar streven datgene te beleven wat de normale toestand van iedere christen behoort te zijn: blijven in Christus. Dat geldt zowel voor hen die nog kinderen zijn in het geloof als voor hen die geestelijk volwassen zijn; zowel voor hen die nauwelijks bekend zijn als voor hen die door velen worden geëerd.
II. Onze tekst herinnert ons vervolgens aan onze VEELVULDIGE ZONDE. Er staat immers: “Hij verkwikt mijn ziel.” Hij doet dat steeds opnieuw; Hij doet het ook nu. De Heere doet niets wat overbodig is. Als Hij mij telkens weer moet verkwikken, laat dat zien dat ik telkens weer van Hem afdwaal. Anders zou Hij mij immers niet hoeven verkwikken.
Geliefden, het doet mij verdriet te moeten zeggen dat het ontbreken van gemeenschap met Christus bij veel belijdende christenen eerder de regel dan de uitzondering lijkt te zijn. Ik moet eerlijk bekennen dat ik het geestelijke leven van velen die zich christen noemen, niet goed kan begrijpen.
Het is niet aan ons om over hun werkelijke toestand voor God te oordelen, en dat zullen wij ook niet doen. Toch kunnen wij de tegenstrijdigheid tussen hun belijdenis en hun leven moeilijk over het hoofd zien. Laten wij aannemen dat zij werkelijk op Christus hebben vertrouwd. Laten wij ook hopen dat hun geloof voldoende vruchten voortbrengt om te tonen dat het een levend geloof is. Maar ondanks dat is hun geloofsleven vaak koud, vreugdeloos en zonder hartelijke liefde.
Er zijn duizenden christenen voor wie het geloof nauwelijks verder lijkt te gaan dan het bezoeken van de kerkdiensten op zondag en misschien af en toe een samenkomst door de week. Hun persoonlijke gebeden worden op een routinematige manier uitgesproken. Er ligt ergens een Bijbel in huis, maar daar lijkt het vaak bij te blijven.
Gebed is voor hen een plicht geworden in plaats van een ontmoeting met God. Lofprijzing is vrijwel verdwenen. Het lezen van de Bijbel is een gewoonte zonder verwachting. Meditatie is nauwelijks meer dan een vage herinnering. Hun hele christelijke leven doet eerder denken aan een mummie dan aan iets dat leeft.
Bij zulke mensen wordt de klacht dat zij geen gemeenschap met Jezus hebben, bijna verdrongen door een andere vraag: hebben zij die gemeenschap ooit werkelijk gekend?
Ik vrees dat er, zowel in onze gemeente als in vele andere kerken, tientallen, misschien wel honderden leden zijn wier hoogste geestelijke ervaring met betrekking tot de liefde voor de Persoon van de Heere Jezus nauwelijks verder reikt dan de aarzelende vraag:
“Heb ik de Heere werkelijk lief of niet?
Ben ik van Hem, of ben ik dat niet?”
Van het bewust genieten van de liefde van Jezus en van een vertrouwelijke omgang met Hem weten zij nauwelijks iets. Sterker nog, zij beschouwen zulke ervaringen als iets dat slechts is weggelegd voor een kleine groep uitzonderlijk heilige gelovigen. Zij lezen er graag over in levensbeschrijvingen van Gods kinderen en bewonderen hen oprecht, maar het komt niet bij hen op dat ook zijzelf geroepen zijn om zo dicht bij Christus te leven.
Geliefden, wat is dat een verdrietige toestand. Ik vrees voor u, want u lijdt honger terwijl er overvloed is. U kiest vrijwillig voor geestelijke armoede, terwijl onuitputtelijke rijkdom binnen uw bereik ligt. U leeft als knechten in plaats van als zonen. U vervult de plichten van het christelijke leven, maar geniet niet van de vreugde ervan. U draagt het juk, maar eet niet van de rijke weide die God heeft bereid. Het lijkt alsof u afstand doet van het beste dat het geloof te bieden heeft en genoegen neemt met slechts de schraalste melk.
U verlaat de zonnige velden van de gemeenschap met Christus en kiest voor de koude streken van een onzorgvuldig geestelijk leven. Daarom leeft u vaak in angst, terwijl anderen zich verblijden. U blijft staan in de buitenste voorhoven van de tempel en gaat nooit het Heilige der Heiligen binnen. U gaat niet achter het voorhangsel om de heerlijkheid van de Heere te aanschouwen.
U bent wel op weg naar de hemel, maar u reist alsof u zich verborgen houdt in het donkere ruim van een schip. Uw geloofsleven doet mij denken aan bedelaars die langs achterdeuren gaan om genoegen te nemen met oude broodkorsten en afgekloven botten. Daarom verbaast het mij niet wanneer sommigen van u zeggen dat u zich verveelt, verlangt naar amusement en levendig gezelschap nodig hebt om het leven aangenaam te maken.
Als mijn eigen kind voortdurend naar de banketbakker of een eetgelegenheid zou gaan, zou ik eerst denken: Is het voedsel aan mijn eigen tafel dan niet voldoende? Maar als ik vervolgens ontdekte dat het slechts af en toe aan mijn tafel kwam zitten en dan ook nog de droogste korsten en de kaalste botten uitkoos, zou ik heel goed begrijpen waarom het elders naar voedsel zocht.
Zo is het ook met ons. Wanneer u niet leeft uit Christus en geen vreugde vindt in de onuitsprekelijke gelukzaligheid die Hij schenkt, verbaast het mij niet dat u uw voldoening in de wereld zoekt en opnieuw verlangt naar de prei, de knoflook en de uien van Egypte.
O geliefde broeders en zusters, als u werkelijk tot Zijn volk behoort, moge de Heilige Geest u verlossen van deze dorre, vreugdeloze godsdienst en u brengen tot een leven waarin u uw Heere ziet, in Hem blijft en uw vreugde in Hem vindt.
Een mijnwerker, die het grootste deel van zijn leven onder de grond doorbrengt, doet zijn land geen recht wanneer hij zegt dat het donker, benauwd en verstikkend is. Zo is het misschien onder de grond, maar zo is het boven de aarde niet. Zo lijkt ook het christelijk geloof alleen somber voor hen die niets kennen van zijn verborgen vreugden, zijn heilige feestmaaltijden, zijn heilige verrukking en zijn stille vrede.
Elke heuvel heeft een schaduwzijde en een zonnige zijde. Wie nalatig is in zijn gemeenschap met Christus, leert vooral de donkere kant van het christelijke leven kennen. De zonnige bewoner van het zuiden is een heel ander mens dan de Eskimo, die met zijn honden over de ijsvlakten trekt en zich maandenlang moet verschuilen terwijl de zon nauwelijks boven de horizon verschijnt.
Wie zou er nu willen behoren tot de Eskimo’s van het christendom, of tot de Lappen en Finnen van de Kerk? Toch zijn zij er helaas in groten getale.
Wij moeten echter ook erkennen dat er onder ons velen zijn bij wie deze verwijdering van Christus geen blijvende toestand is, maar zich wel telkens opnieuw voordoet. Ook wij kennen perioden van geestelijke achteruitgang, waarin het hard nodig is dat de Heere onze ziel verkwikt. Hoe snel raken wij van het rechte pad af! Hoe weinig is er nodig om onze vreugdevolle gemeenschap met Christus te verstoren.
Bent u ‘s avonds opgegaan in werelds gezelschap? Verwondert u zich er dan over dat u tijdens het avondgebed geen gemeenschap met Christus ervaart? Bent u gehecht geraakt aan uw bezit of bent u vooral bezig geweest uw rijkdom te vergroten? Dan hebben uw afgoden uw Heere bedroefd.
Hebt u zich verzet tegen uw verliezen en gemopperd over Gods donkere voorzienigheid? Dan geldt ook voor u Zijn woord: “Als u dan hierom nog niet naar Mij luistert en u tegen Mij blijft ingaan, dan zal Ik met grimmigheid tegen u ingaan.” Wanneer ons trotse hart zich verzet tegen onze hemelse Vader, kunnen wij onmogelijk Zijn glimlach en tedere nabijheid verwachten.
Ook trots en eigendunk beroven ons gemakkelijk van de gemeenschap met Christus. Wanneer Hij ons bijzondere momenten van heilige vreugde schenkt, zijn wij geneigd te denken dat wij iets geworden zijn. Wij richten ons hoofd op, en juist dan is de kans groot dat wij ten val komen. Wij blijven liggen totdat wij een afkeer krijgen van onze eigen bevuilde kleren en opnieuw, als arme zondaren, om Zijn ontferming roepen.
Christus ontmoet ons graag op de grond van de genade. Hij is de Volheid en wij zijn de leegte. Hij is de machtige Helper en wij zijn zwakke mensen. Hij is de Verlosser en wij zijn verlorenen.
Zolang wij menen dat wij rijk zijn en aan niets gebrek hebben, laat Hij ons de werkelijkheid van ons hart zien en trekt Hij Zich terug. Maar wanneer wij erkennen dat Hij alleen het goud bezit, dat Hij alleen het witte kleed heeft en dat wij arm, naakt en behoeftig zijn, dan staan wij weer op de plaats waar Hij ons wil ontmoeten.
Roemen in onszelf is zinloos, want wij bezitten geen eigen schoonheid. Van Hem zijn de ogen die als een vuurvlam zijn; van Hem is het aangezicht, schoon als de Libanon en indrukwekkend als de ceders; van Hem zijn de kroon van heerlijkheid en het koninklijke gewaad. Daarom komt alle eer Hem alleen toe. Wie Hem eert, zal Hij eren. Nederigheid zit aan de voeten van Jezus, en juist daar wordt de zoete gemeenschap met Hem genoten.
Wij kunnen de tegenwoordigheid van Christus verliezen doordat wij onze plicht verwaarlozen of Zijn waarheid uit het oog verliezen. Maar evenzeer raken wij Zijn gemeenschap kwijt wanneer wij ons inlaten met het kwaad of ons volledig laten opslokken door de vluchtige zorgen van het dagelijks leven.
Wij kunnen de tegenwoordigheid van Christus verliezen door een inconsequente levenswandel of door ijdele en nutteloze gesprekken.
Sommigen van u zullen misschien vragen: „Is dat werkelijk zo? Trekt Jezus Zich dan zo snel van ons terug?” Ja, dat is inderdaad zo.
Wie Hem het beste kent, heeft ontdekt dat Hij hierin Zijn Vader gelijk is. Van de Vader staat geschreven: “De HEERE, uw God, is een na-ijverig God.” Zo is ook Jezus een Bruidegom Die met heilige ijver liefheeft. Hij zal Zijn volk nooit verlaten; zelfs de zwaksten onder hen blijven voor altijd het voorwerp van Zijn trouwe liefde. Maar wanneer wij niet in heiligheid met Hem wandelen, zal Hij de vreugde van Zijn nabijheid van ons wegnemen.
Kunnen twee samen wandelen als zij het niet met elkaar eens zijn? Wanneer wij Hem bedroeven, zal Hij ons Zijn verdriet laten voelen. Een koele, liefdeloze en oneerbiedige levenshouding doet al spoedig de warme stralen van de Zon der gerechtigheid voor ons verdwijnen.
Toch zij de Naam van onze Geliefde geprezen: Hij keert ook weer terug. Hij zegt immers: “Voor een klein ogenblik heb Ik u verlaten, maar in grote barmhartigheid zal Ik u bijeenbrengen.” Zelfs die korte ogenblikken van Zijn verborgenheid duren voor een liefhebbend hart echter veel te lang. Voor een ziel die werkelijk van Christus houdt, is zelfs een korte afwezigheid moeilijk te verdragen. Maar laten wij dit verdrietige onderwerp nu achter ons laten en ons richten op iets dat ons meer vertroost.
III. Onze tekst herinnert ons ook aan de TROUWE LIEFDE van onze Heere. “Hij verkwikt mijn ziel.” Dat is niet iets wat Hij ooit eens deed of misschien zou doen. Nee, het is Zijn voortdurende werk. Als Hij even veranderlijk zou zijn als wij, zou dat heel anders zijn.
Er zijn mensen die leren dat Jezus Zijn afgedwaalde schapen uiteindelijk aan hun lot overlaat. Volgens hen laat Hij hen, als straf voor hun afdwalen, over aan de wolf. Ik hoop dat nog maar weinigen die leer aanhangen. Zij doet zo’n afbreuk aan de eer van de Goede Herder, dat ik bid dat Gods kinderen haar voorgoed zullen verwerpen. Toch is dit lange tijd door velen geloofd.
Ik moet eerlijk zeggen dat ik zelf ook dikwijls door die angst ben aangevochten. Ik vreesde soms dat het in mijn eigen leven waar zou blijken te zijn. Maar vandaag mag ik van mijn Heere getuigen: “Hij verkwikt mijn ziel.”
Hij heeft mij niet verstoten. Hij heeft mij niet aan mijzelf overgelaten en mij niet aan mijn eigen lot prijsgegeven. Uit liefde voor mijn ziel heeft Hij mijn voeten uit het net bevrijd, mij opgehaald uit de afschuwelijke kuil en mij weer geplaatst op de rots van Zijn onveranderlijke liefde.
Het past eenvoudig niet bij onze Verlosser om Zijn schapen aan hun ondergang over te laten. Ons hart verzet zich tegen die gedachte, omdat zij zo strijdig is met Wie Hij werkelijk is. Daarom luidt mijn getuigenis: “Hij verkwikt mijn ziel.” Hij heeft mijn ziel al zo menigmaal verkwikt, dat ik vol overtuiging kan getuigen: Hij verkwikt haar nog altijd. Niet voor niets gebruikt de psalmist de tegenwoordige tijd. Het is alsof hij wil zeggen: dit is de gewone wijze waarop de Heere handelt; ook nu is Hij bezig mijn ziel te verkwikken.
Ja, ik moet erkennen dat ik telkens weer afdwaal, maar Hij brengt mij telkens weer terug.
Kind van God, hoe vaak u ook bent afgedwaald, even vaak heeft uw Heere u weer opgezocht. Na honderd keer afdwalen had Hij kunnen zeggen: “Hij heeft zich aan zijn afgoden overgegeven; laat hem maar gaan. Mijn Geest zal niet langer met hem strijden.” Maar dat doet Hij niet.
Steeds opnieuw strekt Hij Zijn hand naar u uit. Opnieuw brengt Hij u terug op de paden van de gerechtigheid, omwille van Zijn Naam.
Zoals een moeder haar zuigeling niet vergeet, hoe onrustig of lastig dat kind soms ook is, zo vergeet Jezus de Zijnen niet. Wij staan te diep gegrift in de handpalmen van Zijn handen om uiteindelijk aan ons lot te worden overgelaten. Wij hebben Hem te veel gekost om door Hem losgelaten te worden. Nadat Hij onze ziel al honderdmaal heeft hersteld, doet Hij het opnieuw. Dat is Zijn manier van liefhebben. Dat is de vaste gewoonte van Zijn genade.
De tekst laat ons ook zien dat Hij bereid is ons nu te herstellen. Hij is opnieuw bezig met Zijn vertrouwde werk. Ook op dit moment geldt: “Hij verkwikt mijn ziel.”
Waar bent u, broeder of zuster? Bent u de laatste tijd geestelijk koud en lusteloos geworden? Jezus staat gereed om uw hart opnieuw brandend te maken. Voelt u zich geestelijk halfdood? Uw Heere en Meester wil u ook nu door Zijn Woord nieuw leven schenken en u de vreugde van Zijn heil teruggeven.
Misschien vraagt u waarom de Heere Zijn volk steeds weer zo bereidwillig herstelt. Het antwoord ligt niet in onszelf en ook niet in iets wat wij verdienen. Even verderop in deze psalm geeft David zelf de reden: “Hij leidt mij in het spoor van de gerechtigheid, omwille van Zijn Naam.”
Hij herstelt ons niet om wie wij zijn. In onszelf is niets te vinden dat een recht op herstel geeft. Integendeel, als God ons naar recht zou behandelen, zou er genoeg zijn om ons te veroordelen. Juist daarin ligt onze zekerheid. De Heere Jezus heeft Zich voorgenomen Zijn volk te redden, en Hij komt nooit terug op Zijn besluit. Hij heeft Zijn eigen trouw en onveranderlijkheid verbonden aan Zijn verbond. Zijn eigen eer staat op het spel. Als ook maar één van Zijn kinderen verloren zou gaan, zou Zijn Naam worden gelasterd.
Daarom herstelt Hij de afgedwaalde, omwille van Zijn eigen Naam. Hij doet dat opdat Zijn vijanden niet zouden zeggen: “God heeft Zijn volk verlaten.” En opdat de machten van de hel zich nooit zouden kunnen beroemen met de woorden: “Hij begon het werk van de verlossing, maar kon het niet voltooien.” “Omwille van Zijn Naam.” Wat een diepe en gezegende grond van troost! Wat een onwankelbaar fundament! Wanneer wij van Zijn weg afdwalen, brengt Hij ons terug omwille van Zijn eigen Naam.
De middelen die Hij daarvoor gebruikt, zijn vaak heel verschillend. Soms is het een zware tuchtroede. Op andere momenten is het een liefdevolle roepstem, zo zacht en onweerstaanbaar dat het hart erdoor wordt gewonnen.
Wonderlijk zijn de wegen waarop Hij Zijn kinderen terugbrengt. Soms verbreekt Hij hun hoogmoed en vernedert Hij hen diep, zodat het lijkt alsof Hij in toorn tegen hen optreedt. Toch doet Hij dit alleen om hen de zonde te leren haten en hun verlangen naar Hem te verdiepen.
Hij kan hen verscheuren als een leeuw zijn prooi verscheurt, niet om hen te vernietigen, maar juist om hen te redden. Staat er immers niet geschreven: “Ik dood en Ik maak levend; Ik verwond en Ik genees.”
Vaak leidt Hij ons door zware beproevingen op de weg van Zijn genade. En niet zelden blijkt juist datgene wat onze ondergang leek te worden, achteraf het middel te zijn waardoor Hij ons volledig heeft hersteld. Laat daarom deze woorden als een blijvend getuigenis van Zijn onveranderlijke liefde in uw hart gegrift staan: “Hij verkwikt mijn ziel.”
IV. Gedurende de korte tijd die mij nog rest om tot u te spreken, wil ik al mijn kracht richten op deze laatste gedachte. Onze tekst, zoals ik die heb benadrukt, herinnert ons aan ZIJN ALMACHTIGE KRACHT. “Hij verkwikt mijn ziel.” Hij – ja, Hij alleen – verkwikt mijn ziel. Van het begin tot het einde komen al mijn opwekkingen en geestelijke verkwikkingen van Hem.
Hijzelf heeft mijn ziel als eerste levend gemaakt. Ja, Hij was voor mij het Leven Zelf. Geliefden, u bezat geen geestelijk leven totdat Jezus tot u kwam, u zag liggen, dood in uw overtredingen en zonden, en tot u sprak: “Leef!”
U was als Lazarus in het graf. De dood en de zonde hadden u geheel in hun macht. Maar toen Zijn stem klonk: “Lazarus, kom naar buiten”, werd die stem voor u het leven.
U hebt de Verlosser niet geholpen bij uw opwekking. Hoe zou dat ook hebben gekund? U hebt daaraan niets bijgedragen. Hij zette de eerste stap. Toen u dood was in de zonde, maakte Hij u levend. Hij begon Zijn Vverlossingswerk omdat Hij Zich ontfermt over wie Hij Zich wil ontfermen en barmhartig is voor wie Hij barmhartig wil zijn.
Uw wedergeboorte hebt u volledig aan Hem te danken. Daarom hoeft het ons niet te verbazen dat ook het herstel van uw ziel uit dezelfde bron voortkomt. Hij Die u heeft wedergeboren, kan u ook herstellen. Hij Die u heeft geschapen, kan u ook verkwikken.
Het herstellen van een afgedwaalde gelovige is voor Hem geen moeilijker werk. Integendeel, vergeleken met de nieuwe schepping van een ziel is het slechts een voortzetting van hetzelfde machtige werk. De Heere Jezus Christus, Die u in het begin het leven schonk, kan u opnieuw doen herleven. Hij doet dat uit eigen kracht, want Hij is voor uw ziel zowel de Geneesheer als het Geneesmiddel.
Al het kwaad waaronder een christen lijdt, vindt uiteindelijk zijn oorsprong in het gemis van de bewuste tegenwoordigheid van Christus, of ontleent juist daaraan zijn kracht. De verdorvenheid woont wel voortdurend in ons, maar zij durft zich niet vrij te bewegen wanneer Jezus zichtbaar regeert in het hart.
De verraders blijven verborgen zolang de koning in de stad is. Zij wagen zich pas naar buiten wanneer zij menen dat hij beledigd is en vertrokken. Zolang de vlag op het kasteel wappert als teken dat de koning thuis is, houden zijn vijanden zich rustig, omdat zij zijn zwaard vrezen.
Zo is het ook in het geestelijke leven. Wanneer onze gemeenschap met Jezus levend en krachtig is, blijft de zonde als het ware sluimeren. Zij is zo onderworpen dat zij nauwelijks meer doet dan zwak naar adem happen.
Maar wanneer ik merk dat ik trots ben geworden, prikkelbaar of geestelijk lui; wanneer ik niet meer kan bidden, mij niet wil onderwerpen aan Gods wil of in geestelijke dorheid ben terechtgekomen, dan weet ik waar de oorzaak ligt. Al dit kwaad is het gevolg van het verlies van de bewuste gemeenschap met mijn Heere. En daarom weet ik ook dat Zijn terugkeer mijn ziel zal herstellen. Als Zijn afwezigheid al dit kwaad heeft veroorzaakt, dan zal Zijn tegenwoordigheid het zeker ook weer wegnemen.
Wanneer de verzoeking van buitenaf komt, verliest zij al haar kracht zodra Christus nabij is. Hoe verleidelijk de wereld ook lijkt, al haar aantrekkingskracht verbleekt bij de schoonheid van Jezus. Zodra wij Zijn aangezicht aanschouwen, verliezen alle aardse verlokkingen hun betovering.
Stel dat wij worden aangevochten door twijfel of scepticisme. Dan is Christus Zelf het tegengif tegen dat vergif. Niemand blijft twijfelen wanneer Christus Zich aan hem openbaart. Bij het zien van Hem riep zelfs Thomas uit: “Mijn Heere en mijn God.”
Kunnen wij wanhopen terwijl Hij ons vertroost? Kunnen de kinderen van de bruiloft treuren zolang de Bruidegom bij hen is? Evenmin kan hoogmoed blijven bestaan waar Jezus wordt gezien. De geliefde apostel getuigde immers: “Toen ik Hem zag, viel ik als dood aan Zijn voeten.” Zijn aanwezigheid doet elke zonde sterven en wekt iedere genade tot leven. Daarom zegt de tekst: “Hij verkwikt mijn ziel.”
Zoals honger, hongersnood en de ellende van oorlog uiteindelijk slechts één geneesmiddel kennen – vrede – zo kent ook de nood van de ziel maar één geneesmiddel. Dat ligt besloten in de woorden: “Blijf in Mij.” De tegenwoordigheid van Christus bevat alles wat de ziel ooit nodig kan hebben.
Ik zie de groene bladeren van een plant die in het voorjaar bijzonder geliefd is bij iedere liefhebber van het bos. Beschut onder een haag, op een glooiende helling, boven een kabbelend beekje, wacht zij geduldig op haar tijd. Ik vraag haar waarom zij haar bloemen nog niet heeft geopend. Zacht fluistert zij mij toe: “Mijn tijd is nog niet gekomen.”
“Maar lieve sleutelbloem,” vraag ik, “waarom toont u uw prachtige bloemen niet nu al, zodat wij ons in uw schoonheid kunnen verheugen?”
“Ik wacht op hem,” antwoordt zij.
„Op wie wacht u, voorbode van de lente? Velen verlangen ernaar u weer te zien, omdat uw verschijning de kostbaarste herinneringen aan vroegere lentes doet herleven.”
Zacht antwoordt zij: “Ik wacht op mijn heer, de zon.”
“Hebt u dan niets anders nodig?”
“Nee,” zegt zij. “De komst van mijn heer is mij genoeg. Zodra hij zijn warme stralen over mij laat schijnen, zal ook mijn schoonheid zichtbaar worden.”
“Maar hebt u dan geen fonkelende dauwdruppels nodig om op uw bladeren te schitteren? Zijn uw bloemen niet op hun mooist wanneer viooltjes en boshyacinten u omringen, wanneer de knoppen openspringen en de vogels hun lentelied zingen?”
“Hij zal dat alles meebrengen,” antwoordt zij. “Hij zal in alles voorzien.”
“En bent u niet bang voor de strenge vorst of de donkere sneeuwstormen?”
“Nee,” zegt het kleine plantje. “Ook die zal hij verdrijven. Ik ben volkomen veilig wanneer hij de lente doet aanbreken.”
Gelovige, u bent dat plantje, en Jezus is uw Zon. Hij zal u genezing brengen onder Zijn vleugels en vreugde schenken in het licht van Zijn aangezicht.
Hij herstelt heel ons geestelijke leven. Elke wedergeboren gave wordt krachtig wanneer Hij nabij is. Iedere genade ontvangt nieuw leven uit de gemeenschap met Christus. Het geloof overwint, de liefde ontvlamt, de hoop ziet uit naar de toekomst, het geduld ontvangt kracht om te volharden en de moed staat onbevreesd in de strijd.
Christus is zulk volmaakt voedsel voor de ziel, dat al deze genaden zich met Hem voeden en door dit hemelse voedsel worden versterkt. Het mooiste van alles is dat Zijn herstel nu beschikbaar is – onmiddellijk beschikbaar.
Nog niet zo lang geleden was mijn hart bezwaard, ontbrak het mij aan kracht en voelde ik mij geestelijk als dood. Ik zag mijzelf als een afgehouwen tak. Toen dacht ik bij mijzelf: “Als ik werkelijk een rank van de Wijnstok ben, maar van de stam ben losgeraakt, dan is mijn enige hoop terug te keren naar de plaats waar ik vandaan kwam, opnieuw ingeënt te worden, het levenssap weer op te nemen en opnieuw het leven door mij heen te voelen stromen.”
Toen werd het mij tot grote troost dat er geen toestand is waarin een gelovige kan verkeren – hoe hopeloos die ook lijkt – of Christus is machtig hem onmiddellijk en volkomen te herstellen.
Om zelf weer vertroost en vernieuwd te worden, richtte ik mij opnieuw tot mijn Heere. Ik zag Hem aan het kruis. Ik stond voor Hem als een zondaar en verwonderde mij erover dat Hij voor zondaren wilde sterven. Ik vertrouwde mij opnieuw aan Hem toe en zei: “Heere, U weet dat ik op U vertrouw. Ik heb geen andere hoop dan U alleen. Ik klem mij aan U vast zoals een zeepok zich aan de rots hecht. Met heel mijn hart en heel mijn ziel houd ik mij aan U vast.”
Onmiddellijk voelde ik het levenssap weer vanuit de stam door de rank stromen. Zodra ik door een eenvoudig geloof opnieuw in levende gemeenschap met mijn Heere kwam, voelde ik Zijn kracht mijn ziel genezen.
Toen die levensstroom eenmaal begon te vloeien, nam hij steeds meer in kracht toe. Terwijl ik nadacht over mijn verlossing door Christus – ik schuldig, Hij mijn gerechtigheid – begon mijn hart opnieuw van liefde tot Hem te branden. Mijn ziel werd vervuld met een vurige liefde voor mijn Verlosser, en een diep verlangen ontwaakte in mij om anderen te vertellen hoe dierbaar en goed Hij is.
Nog maar enkele ogenblikken daarvoor had ik mijzelf beklaagd als iemand die geestelijk dood was en als een verstoten zondaar. Maar nu voelde ik een warmte van liefde tot Christus die niet onderdeed voor de sterkste liefde die ik ooit voor Hem had gekend. Toen kon ik met de bruid uit het Hooglied zeggen: “Eer Ik het wist, zette Ik Mij op de wagens van Mijn gewillig volk.” Ik geloof dat dit de weg is waarlangs de Heere ook uw ziel wil herstellen.
Misschien denkt iemand onder u: “Ik begrijp niet hoe het komt, maar ik ben niet meer wat ik zou moeten zijn. Ik ben de gemeenschap met Christus kwijtgeraakt. Ik verlang ernaar Hem meer te behagen en dichter bij Hem te leven.”
Als dit uw toestand is, let dan goed op wat u doet. Volg de weg die ik u zojuist heb gewezen. Want als u niet waakzaam bent, zal de heer Wereldwijze u al spoedig een andere weg wijzen om uw ziel te herstellen. Hij zal u allereerst voorhouden dat u diep berouw moet hebben over uw afdwalen. Op zichzelf is dat waar. Maar wie zal u dat berouw schenken?
Vervolgens zal hij u aanraden trouw gebruik te maken van de uiterlijke genademiddelen, meer tijd aan het gebed te besteden en de Schrift met grotere ijver te onderzoeken. Ook dat is op zichzelf goed. Doe wat hij daarin zegt, zoals Christus over de Farizeeën zei: “Doe dan alles wat zij u zeggen.” Maar verwacht dáár niet het herstel van uw ziel van.
De weg naar de hemel loopt nooit via de Sinaï. Wees daarom op uw hoede voor iedereen die u die richting op wil sturen. Al onze genezing ligt in Christus. Christus is de Geneesheer, maar Hij is ook het Geneesmiddel.
Uw ziel wordt niet hersteld doordat u probeert uzelf te genezen of allerlei geestelijke oefeningen doorloopt in de hoop dat u uzelf kunt verbeteren. Nee, ga onmiddellijk naar Christus. Grijp Hem aan zoals u bent, in welke toestand u zich ook bevindt.
Zodra u opnieuw met Hem in levende gemeenschap komt, zult u al spoedig de woorden van de tekst meezingen: “Hij verkwikt mijn ziel.” Laat anderen maar spreken over hun sacramenten; mijn getuigenis blijft: “Hij verkwikt mijn ziel.” Laat mensen zich beroemen op bijzondere methoden om hun ziel tot de hemel op te heffen; ik houd mij aan dit ene vast: “Hij verkwikt mijn ziel.”
Laat anderen zeggen dat hun ziel nooit herstel nodig heeft en altijd sterk is. Dat kan ik niet zeggen. Maar dit kan ik wél zeggen: “Hij verkwikt mijn ziel.” Ik hoop dat velen van u deze morgen deze plaats zullen verlaten met hetzelfde getuigenis. Niet alleen met de overtuiging: “Ik wist dat Hij mijn ziel kon herstellen”, maar met de levende ervaring:
“Hij verkwikt mijn ziel. Toen ik hier binnenkwam, was mijn hart koud – bijna zo koud als het weer buiten – maar Jezus heeft het ijs uit mijn hart doen smelten.”
Misschien moet u erkennen dat u vanmorgen in een slechte geestelijke toestand verkeerde. Misschien was u prikkelbaar, moedeloos of zo bezorgd dat alle vrede en rust verdwenen waren. Dan is dit juist het moment om de grote Hersteller te beproeven.
Voordat u deze plaats verlaat, zoek opnieuw de gemeenschap met Christus door de kracht van Zijn Heilige Geest. Keer terug naar Hem zoals in het begin.
O rank, keer terug naar de Wijnstok. Laat het levenssap opnieuw door u heen stromen.
“Maar ik ben er niet aan toe,” zegt u. Wat? Bent u opnieuw teruggevallen in die oude Sinaï-gedachte dat u eerst geschikt moet worden? Bent u weer terechtgekomen in dat wettische denken? Kom zoals u bent. Ja, kom zoals u bent tot Jezus.
Ik spreek nu tot u, kinderen van God. Wilt u zich gedragen zoals zondaren dat doen? Zij zeggen dat zij zich eerst op Christus moeten voorbereiden, en juist daarin tonen zij hun dwaasheid. Wilt u nu hetzelfde zeggen? Dan zou uw dwaasheid nog groter zijn. Kom onmiddellijk!
Wat uw toestand ook is geweest, zoek opnieuw de levende verbinding met Christus. Laat die gemeenschap door een eenvoudig geloof weer bewust worden beleefd. Neem onmiddellijk de toevlucht tot Hem.
Dan zult ook u, met meer kracht dan ooit tevoren, kunnen getuigen: “Hij verkwikt mijn ziel.”


