De Geneesheer vergeeft Zijn verlamde patiënt

Deze preek was bedoeld om te worden voorgelezen op zondag 3 december 1893. Voorgedragen door C. H. Spurgeon, in de Metropolitan Tabernacle te Newington, op donderdagavond 3 oktober 1889.

Copyright © Het Spurgeon Archief | Portret C.H. Spurgeon

 En Jezus, Die hun geloof zag, zei tegen de verlamde: Zoon, heb goede moed, uw zonden zijn u vergeven. En zie, sommigen van de schriftgeleerden zeiden bij zichzelf: Deze lastert God. En Jezus, Die hun gedachten zag, zei: Waarom overweegt u verkeerde dingen in uw hart? Want wat is gemakkelijker, te zeggen: De zonden zijn u vergeven? of te zeggen: Sta op en ga lopen? Maar opdat u zult weten dat de Zoon des mensen macht heeft op de aarde zonden te vergeven (toen zei Hij tegen de verlamde): Sta op, neem uw bed op en ga naar uw huis. En hij stond op en ging naar zijn huis. Mattheüs 9:2-7.

Het Evangelie van Mattheüs is in het bijzonder het Evangelie van het Koninkrijk en van de Koning. Door heel dit Evangelie heen wordt Christus als de Koning voorgesteld, en vanaf het eerste hoofdstuk tot aan het einde zien we Zijn koninklijke heerlijkheid. Hier zien we de Koning Zijn koninklijke macht uitoefenen. In deze geschiedenis zien we verschillende dingen die Christus alleen kon doen omdat Hij koninklijke én goddelijke macht bezit.

I. Ik ga direct naar mijn tekst en merk allereerst op dat JEZUS DE VERLAMDE MAN OP EEN WERKELIJK KONINKLIJKE EN GODDELIJKE WIJZE BEHANDELDE.

De dragers van de verlamde man hadden de dakbedekking weggebroken, wat die ook geweest mag zijn, om hem dicht bij de Verlosser te brengen. Zij hadden hem boven de hoofden van de gretige menigte neergelaten en daar lag hij, op zijn bed, voor Christus, niet in staat hand of voet te bewegen, maar omhoogkijkend met die verlangende verwachting die Christus zo goed verstond.

U zult merken dat onze Heere niet wachtte totdat er iets werd gezegd. Hij keek eenvoudig en Hij zag hun geloof. Mattheüs schrijft: “Jezus, Die hun geloof zag.” Wie kan geloof zien? Het geloof zelf is niet zichtbaar, maar de uitwerking ervan wel. De tekenen en bewijzen ervan kunnen worden waargenomen, en in dit geval waren ze overduidelijk. Het openbreken van het dak en het op zo’n ongebruikelijke wijze voor Christus neerlaten van de man waren bewijzen van hun overtuiging dat Jezus hem zou genezen. Toch zagen de ogen van Christus niet alleen de bewijzen van hun geloof, maar ook het geloof zelf.

Daar stonden de vier mannen, als het ware met hun ogen sprekend: “Meester, zie wat wij hebben gedaan! Wij zijn ervan overtuigd dat wij het juiste hebben gedaan en dat U hem zult genezen.” Daar lag de man op zijn bed, omhoogkijkend en zich afvragend wat de Heere zou doen, maar zichtbaar bemoedigd door het geloof dat hij zich nu in een hoopvolle toestand bevond, waarin hij waarschijnlijk meer bevoorrecht zou worden dan wie ook. Christus zag niet alleen de blikken van deze man en zijn dragers, maar Hij zag ook hun geloof.

Ach, vrienden, wij kunnen elkaars geloof niet zien. We kunnen misschien de vruchten ervan zien. Soms denken we zelfs dat we het ontbreken ervan kunnen onderscheiden. Maar om het geloof zelf te zien, daarvoor is goddelijk inzicht nodig; daarvoor is de blik van het oog van de Mensenzoon nodig. Jezus zag hun geloof, en vanavond rust datzelfde oog op ieder die hier aanwezig is. Hij ziet uw geloof. Hebt u enig geloof dat Hij kan zien?

“O ja!” zullen sommigen van u antwoorden. “Wij hebben een nederig en zwak geloof — niet zoals het zou moeten zijn, maar toch iets waarvoor wij zeer dankbaar zijn.” Sommigen van u zijn zich vanavond misschien diep bewust van hun zonde, en al het geloof dat u bezit is slechts een vage hoop, een zwak vertrouwen dat u vergeven zult worden als Hij maar tot u spreekt. U gelooft dat Hij volkomen kan redden wie door Hem tot God komen, maar ergens in uw hart leeft de vrees dat u niet tot Hem kunt komen, of misschien niet op de juiste wijze tot Hem komt.

Toch ziet mijn Meester het, hoe klein uw geloof in Hem ook is. Zoals wij vroeger op koude ochtenden naar één enkel vonkje in de tondel zochten om daarmee een vuur aan te steken, zo zoekt de Heere ook naar het kleinste sprankje geloof in het hart van een mens, opdat daaruit een vlam van geestelijk leven mag ontstaan. “Jezus, Die hun geloof zag.”

Welnu, mijn geliefde hoorder, de blik van Christus is vanavond op u gericht. Hoeveel geloof u ook hebt, gebruik het nu. Geloof in Jezus. Hij is de Zoon van God — geloof in Hem als Degene Die u kan redden, want Hij is daartoe machtig en Hij is niet alleen machtig, maar ook gewillig. Vertrouw nu uw ziel aan Hem toe, wat er ook gebeurt. Neem u voor dat, als u moet sterven, u aan de voet van het kruis van Christus zult sterven, maar dat u voor uw verlossing nergens anders heen zult gaan. “Jezus, Die hun geloof zag.” Zijn koninklijke en goddelijke blik kon zien wat voor alle gewone stervelingen verborgen was.

Maar toen Jezus hun geloof zag, richtte Hij Zich eerst op het grootste probleem van deze man: zijn zonde. Hij begon niet met zijn lichamelijke verlamming te genezen. Die was ernstig, maar de zonde is veel erger dan lichamelijke verlamming. De zonde in het hart is erger dan de verlamming van iedere spier. Want de zonde brengt de dood voort — ja, zij is erger dan de lichamelijke dood. Daarom zei Christus, aan het begin van dit wonder, om Zijn koninklijke en goddelijke macht te openbaren, tot deze man: “Zoon, wees welgemoed; uw zonden zijn u vergeven.”

Daarmee legde Hij de bijl aan de wortel van het kwaad dat deze man in zijn diepste wezen beheerste. Het was alsof Hij de leeuw aanviel, het grootste en gevaarlijkste van al die verschrikkelijke machten die in het diepst van zijn bestaan op de loer lagen. Het woord van Christus dreef dat onreine beest uit zijn schuilplaats en door Zijn almachtige kracht verpletterde Hij het alsof het niets was.

Misschien hebt u op dit moment veel zorgen en verlangt u ernaar die voor de Heere neer te leggen. Dat zieke kind, uw geliefde man die thuis ziek ligt, die onderneming die steeds verder achteruitgaat en misschien op een faillissement afstevent, die ziekte die u verzwakt en waardoor u nauwelijks in staat bent vanavond in het huis van de Heere te zijn. Laat al die dingen nu even rusten. Hoe zwaar ze ook zijn, ze zijn niets in vergelijking met de zonde.

Er is geen gif zo dodelijk als het gif van de zonde. Dit is de alsem en de gal; dit is de dodelijke giftand van de slang, waarvan de beet ons hele wezen vergiftigt en in vuur en vlam zet. Wanneer dit kwaad wordt weggenomen, is ieder ander kwaad uiteindelijk overwonnen. Daarom begint Christus hiermee: “Uw zonden zijn u vergeven.”

Richt daarom nu een gebed tot Hem om vergeving van uw zonden: “Jezus, Meester, vergeef mij! Met één woord kunt U al mijn zonden vergeven. Spreek slechts het woord van vrijspraak, en al mijn ongerechtigheden zullen in één ogenblik en voor altijd worden weggenomen. O mijn Heere, wilt U ze vanavond niet wegnemen?”

Let er ook op dat Jezus deze man volkomen vergaf: “Zoon, wees welgemoed; uw zonden zijn u vergeven.” Hij zei niet: “Uw zonden zullen u vergeven worden”, maar: “Uw zonden zijn u vergeven.” Hij sprak hem vrij van al zijn zonden.

Wat ze ook geweest mogen zijn — de zonden van zijn jeugd, de zonden van zijn volwassen leven, de zonden die hij had bedreven voordat de verlamming hem in haar greep kreeg, ja, zelfs het gemopper sinds hij op dat bed lag — werp ze allemaal op één grote hoop. En al zijn ze zo talrijk als de sterren aan de hemel of als het zand aan de oever van de zee, toch spreekt Christus: “Zoon, uw zonden zijn u vergeven.”

En de man voelde dat het zo was. Hij geloofde dat het zo was. Een last werd van zijn hart weggenomen en zijn hele geest werd opgebeurd door dat genadige woord: “Wees welgemoed; uw zonden zijn u vergeven.”

Ik bid mijn Meester dat Hij zo mag handelen met sommigen die hier in de kerkbanken zitten en een bezwaard hart hebben. Moge Hij rechtstreeks tot het diepste van uw ziel spreken: “Zoon, dochter, uw zonden zijn u vergeven! Ze zijn uitgewist; ze zijn allemaal weg.”

O, wat een vreselijke tijd is het voor een mens wanneer hij voor het eerst zijn zonde ziet! Het is het donkerste ogenblik van zijn leven. Maar wat een gezegend ogenblik is het wanneer hij ziet dat Christus zijn zonde heeft weggenomen en tot hem zegt: “U zult niet in uw ongerechtigheden sterven, want ze zijn allemaal vergeven.”

Alles om hem heen wordt licht en stralend. Hij is als iemand die uit een put omhoogklimt, uit een afschuwelijke kuil, uit een modderpoel — ja, als iemand die uit de schoot van de hel zelf is gered. Het lijkt alsof hij in één ogenblik tot de troon van de hemel wordt opgeheven, terwijl hij zingt: “Al mijn zonden zijn vergeven. Ik ben een wonder van genade.”

Verwonder u er dan niet over dat de man zich nauwelijks kon bedwingen. Verwonder u er niet over dat hij rent, springt en danst van louter vreugde.

Zo handelt Christus met arme, verlamde mannen en vrouwen die door de zonde gebonden zijn. Hij ziet hun geloof en verbergt vervolgens hun zonde, zodat die voor altijd uit het gezicht zal zijn. Want Hij is Koning, Hij is God en Hij is machtig om alle ongerechtigheid te vergeven en uit te wissen.

Ik heb gehoord van iemand die, nadat hij lange tijd onder een zwaar schuldgevoel had gebukt en daarvan was verlost, geruime tijd niets anders kon uitroepen dan: “Hij is een groot Vergever.” Wanneer andere zaken zijn aandacht vroegen, kon hij zich daar nauwelijks mee bezighouden; hij kon nergens anders over spreken dan hierover: „Hij is een groot Vergever.”

Ik heb vanavond eigenlijk geen verlangen om u iets anders te zeggen dan dit: Hij is een groot Vergever. Ik heb Hem zo ervaren. Velen hier hebben Hem zo ervaren. En ieder die vertrouwt op Zijn grote verzoenende offer, zal eveneens weten dat Hij een groot Vergever is.

II. Het tweede deel van mijn onderwerp wijkt enigszins af van het eerste, maar het volgt rechtstreeks uit de tekst en is daarom eigenlijk geen afwijking. DOOR ZIJN KONINKLIJKE EN GODDELIJKE MACHT KENDE EN DOORGRONDDE CHRISTUS DE GEDACHTEN VAN DE MENSEN.

Kijk eens naar die schriftgeleerden, die kenners van de letter van het Woord, die wisten hoeveel letters er in elk boek van het Oude Testament stonden en ze zo nauwkeurig hadden geteld dat zij zelfs konden aangeven welke de middelste letter was. Wat een buitengewoon wijze mannen waren dat! Ziet u hen daar zitten? Ze zijn diep geërgerd en verontwaardigd en koesteren boze gedachten tegen Christus. Zij durfden niet hardop te zeggen wat er in hen omging. Het volk zou niet naar hen hebben geluisterd als zij hun gedachten hadden uitgesproken. Daarom hielden zij hun mond, maar hun hart konden zij niet in bedwang houden. En daar was Iemand Die hun gedachten kon lezen — niet Iemand Die slechts beweerde dat Hij dit kon, maar Iemand Die het werkelijk kon. Hij hoorde wat zelfs het scherpste menselijke oor nooit had kunnen opvangen.

Jezus hoorde de schriftgeleerden in hun gedachten zeggen: “Deze…” Als u in uw Bijbel kijkt, zult u zien dat het woord “man” cursief is gedrukt. Zij zeiden bij zichzelf slechts: “Deze…” Daarmee bedoelden zij zoveel als: “Die man daar” — of welke minachtende benaming u er ook maar voor in de plaats wilt zetten: “Deze godslasteraar.” Zij wilden niet hardop zeggen wat zij van Hem dachten. Zij wilden Hem slechts met minachting aanduiden als: “Deze…”

Zo doorgrondde Christus hun minachting voor Hem. Zij hadden het niet uitgesproken, maar Hij had het gehoord. Het is verschrikkelijk wanneer iemand in stilte minachting voor Christus koestert. U kunt er misschien trots op zijn wanneer u zegt: “Ik heb nooit iets tegen de godsdienst gezegd. Ik heb nooit een godslasterlijk woord gesproken.” Dat kan waar zijn. Maar als u Jezus niet als uw Heere erkent en Hem niet als uw Verlosser aanneemt, weet Hij wat die zwijgende minachting betekent.

Wat u niet zegt — ook al is het slechts een “Deze…” waarna u de rest onuitgesproken laat — Hij leest het allemaal. Als hier mensen zijn die zulke gedachten over mijn Heere en Meester koesteren, dan wil ik die gedachten niet kennen en ik hoop dat zij die nooit aan enig ander schepsel zullen laten merken. Maar laat hen bedenken dat Jezus alles van hen weet. Hij is de Koning Die de geheimen van alle harten doorgrondt en ze te Zijner tijd aan het licht zal brengen.

Vervolgens wees Jezus hun beschuldiging van godslastering aan. Zij zeiden in hun hart dat Hij godslastering pleegde, omdat Hij Zich het voorrecht van God toe-eigende. Volgens de verslagen van Markus en Lukas vroegen zij: “Waarom spreekt Deze op die manier godslasteringen? Wie kan de zonden vergeven dan God alleen?”

Let hier goed op: wij die Christus als God aanbidden, kunnen nooit gemeenschap hebben met hen die Zijn Godheid ontkennen, en zij kunnen evenmin gemeenschap met ons hebben. Als Hij werkelijk de Zoon van God is, dan lasteren zij Hem wanneer zij dat ontkennen. Maar als Hij slechts een mens is, dan zijn wij zonder twijfel afgodendienaars en mensenaanbidders en heeft Hij inderdaad godslastering gesproken. Dat moeten wij erkennen, en dat doen wij ook. Als Hij niet de Zoon van God was, als Hij niet de macht had om zonden te vergeven, dan hadden zij terecht geoordeeld dat Hij een godslasteraar was.

Ach, mijn hoorder, als u bang bent dat Jezus uw zonden niet kan vergeven, dan begeeft u zich op gevaarlijk terrein. Er bestaat zoiets als verraad door wat iemand doet of nalaat, en er bestaat ook zoiets als godslastering door wat iemand in zijn hart veronderstelt of ontkent. Als u de reddende macht van Christus ontkent, maakt u Hem tot niet meer dan een mens. En wanneer u Hem slechts als een mens beschouwt, doet u Hem daarmee oneer aan. Misschien is het niet uw bedoeling om godslasterlijk over Hem te spreken, maar toch ligt er in dat ongeloof een donkere schaduw van godslastering.

Let er ook op hoe Jezus hun gedachten beoordeelde. Hij zei tegen hen: “Waarom overlegt u deze dingen in uw hart?” Het waren hun harten, en niet alleen hun gedachten, die verdorven waren. Intellectuele dwalingen komen gewoonlijk voort uit een onvernieuwd hart.

En welk kwade overleggingen hadden deze mannen in hun hart? Zij hadden Hem voor een godslasteraar gehouden. Zij hadden ook minachtend over Hem gedacht. Maar het grootste kwaad van alles was dat zij Zijn macht beperkten: zij geloofden niet dat Hij kon vergeven. Zij beschouwden het als godslastering dat Hij beweerde de macht te hebben om de zonden van mensen te vergeven.

Nu, mijn beste hoorder, ik weet dat u zou terugdeinzen voor het openlijk lasteren van Christus — tenminste, als u de mens bent voor wie ik u houd. Hoe groot uw zonde op dit moment ook is, maak haar dan niet nog groter door te veronderstellen dat Hij u niet kan vergeven. Van alle zonden moet dit wel een van de meest verschrikkelijke zijn: te denken dat Hij niet kan vergeven. Het is een aanval op Zijn heerlijkheid als Verlosser, want juist daarin ligt Zijn wezenlijke taak.

Als u zegt: “Ik ben zeer schuldig”, zeg het dan nog eens, want u spreekt de waarheid. Maar als u zegt: “Ik ben zo schuldig dat Hij mij niet kan vergeven”, dan smeek ik u dat boze woord terug te nemen, opdat u de Heilige Israëls niet beperkt en Hij niet tot u zou hoeven zeggen: “Waarom overlegt u deze dingen in uw hart?”

Het is kwaad denken over Christus wanneer u zich voorstelt dat Hij niet kan vergeven. Ik bedoel dit woord zelfs voor de allerergste mens ter wereld. Als u op dit moment de zwartste ziel bent die nog niet in de hel is, als u de meest schuldige en meest veroordeelde bent van alle ontelbare zondaars van ons verdorven menselijk geslacht, toch dring ik er bij u op aan om aan uw vroegere zonden niet nog dit extra kwaad toe te voegen: te twijfelen aan het vermogen van Christus om zelfs ú te redden.

Kom zoals u bent en werp uzelf aan Zijn voeten neer en zeg: “Laat al Uw verlossende kracht in mij openbaar worden. Ik ben de grootste der zondaren, en hier hebt U de gelegenheid om de grootheid van Uw vergevende genade te tonen.”

Let er ten slotte nogmaals op dat onze Heere, toen Hij met deze schriftgeleerden sprak, op een zeer koninklijke en goddelijke wijze tot hen sprak, want Hij legde de onredelijkheid van hun gedachten bloot. Hij zei tegen hen: “Waarom overlegt u deze dingen in uw hart?”

Ik vraag u die hier vanavond aanwezig bent: kent u een reden waarom Christus zonden niet zou kunnen vergeven? Is hier iemand die twijfelt aan Zijn vermogen om te vergeven en daarvoor een reden kan aanvoeren?

Als u gelooft — en ik neem aan dat u dat doet — dat Hij de Zoon van God is, kan Hij dan geen zonden vergeven? Als u gelooft dat Hij melaatsen en verlamden genas en zelfs de doden opwekte, kan Hij dan geen zonden vergeven?

Bovendien, als u gelooft dat Hij voor de zonde gestorven is — dat Hij aan het kruis niemand minder dan Zichzelf als offer heeft gegeven — waarom denkt u dan dat Hij niet kan vergeven? Als u gelooft dat Hij uit de doden is opgestaan — en ik weet dat u dit gelooft — als Hij werkelijk is opgestaan tot rechtvaardiging van de goddelozen, hoe zou Hij dan niet kunnen vergeven?

En als Hij in heerlijkheid is opgenomen en u weet dat Hij aan de rechterhand van Zijn Vader zit en daar voor de overtreders pleit, hoe kunt u dan zeggen dat Hij u niet kan vergeven?

“Waarom overlegt u deze dingen in uw hart?” Waarom beperkt u de macht van mijn Meester? Hij kan ieder van u vergeven. Hij kan iedere zondaar vergeven in wie Hij geloof in Hem ziet, wie hij ook is en hoe groot zijn schuld ook mag zijn.

III. Laten we nu terugkeren naar de verlamde man en onze Heere. Let er ten derde op dat JEZUS OP KONINKLIJKE WIJZE OPENLIJK ZIJN OPDRACHT VERKONDIGDE.

Het is alsof Hij hier de oorkonde voorleest die Zijn Vader Hem had gegeven toen Hij Hem uitzond op Zijn zending van liefde en genade: “De Zoon des mensen heeft op aarde macht de zonden te vergeven.”

Ten eerste: Jezus is de Zoon des mensen. Hij verbergt dat niet. U zou misschien verwachten dat Hij zou zeggen: “Ik ben de Zoon van God.” Maar hier kiest Hij ervoor Zijn Godheid nog enigszins op de achtergrond te houden en zegt Hij: “De Zoon des mensen heeft op aarde macht de zonden te vergeven.” Als wilde Hij zeggen: “Ik, de Zoon van Maria. Ik, de Zoon van de timmerman. Ik, Die dertig jaar in Nazareth heb gewoond. Ik, Die onder u heb gewandeld, omringd door lijden en gekweld door uw vijandschap; vermoeid door Mijn arbeid voor u — Ik, de Zoon des mensen, heb macht om zonden te vergeven.”

Denk daar eens over na. Hij plaatst Zichzelf op het allerlaagste niveau en verklaart toch dat Hem als Zoon des mensen — vanwege Zijn Godheid — de macht is gegeven om zonden te vergeven.

En nadat Hij zo Zijn titel heeft verkondigd, zegt Hij verder dat Hij als de Zoon des mensen op aarde zonden vergeeft.Hij was op aarde en Hij had daar macht — dat wil zeggen: tijdens Zijn aardse leven, in Zijn vernedering, toen Hij Zich voor een tijd beneden de Vader stelde, zodat Hij kon zeggen: “Mijn Vader is meerder dan Ik.” Hij had Zich vernederd en de gestalte van een Dienstknecht aangenomen. Juist toen, op het diepste punt van Zijn vernedering, kon Hij zeggen: “De Zoon des mensen heeft macht op aarde om zonden te vergeven.”

O, wat heb ik dit woord lief! Want als Hij op aarde macht had, welke macht heeft Hij dan in de hemel! En als Hij als de Zoon des mensen macht had, welke macht heeft Hij dan nu als de God-Mens, in Wie de goddelijke en menselijke natuur volmaakt verenigd zijn!

O, hoe volkomen mogen wij dan op Hem vertrouwen! Zelfs de Christus Die zij konden zien — de Zoon des mensen — want u weet dat er ook een Christus was Die zij niet konden zien: de Zoon van God, Die lichamelijke ogen niet konden aanschouwen en Die Zich geestelijk moet openbaren, anders blijft Hij voor onze sterfelijke zintuigen verborgen.

Zelfs Hij Die zij konden zien, de Christus Die u, arme bedroefden, kunt zien — hoewel u nog niet de helft van Christus ziet, ja, nog niet het honderdste deel van Hem — de Christus Die u, arme twijfelaars, kunt zien, Die u, die allen zo goed als blind bent, slechts vanuit uw ooghoek kunt waarnemen, alsof u mensen als bomen ziet lopen — zelfs die Christus, de Zoon des mensen, was in Zijn zwakheid op aarde in staat zonden te vergeven.

Het lijkt misschien alsof ik hierover niet zou hoeven te preken. Toch voel ik dat ik het moet zeggen en als een plechtig feit voor u moet neerleggen. U kunt het verwerpen, als u dat durft, maar u kunt het ook met de grootste vreugde aannemen. Want geloof mij: hier ligt uw enige hoop.

O, schuldige zonen en dochters van Adam, hier is de weg tot redding! Uw vader Adam heeft u in het verderf gestort, maar de Zoon des mensen is gekomen om u te zoeken en te redden. Hij verklaart dat Hij op aarde macht heeft om zonden te vergeven.

Let nu in deze gezegende bekendmaking van Zijn opdracht als de Zoon des mensen eens op hoe Jezus de bedroefden bemoedigt. Hij zei tot de arme verlamde man: “Zoon, wees welgemoed; uw zonden zijn u vergeven.”

Hoe zou dit u moeten troosten, u die bedroefd bent vanwege uw zonde! Het is de Zoon des mensen Die uw zonden kan vergeven. U beeft voor de grootheid van God en schrikt terug voor Zijn majesteit. Maar deze Zoon des mensen, uw Broeder, Wiens handen doorboord zijn met spijkers en Wiens voeten nog steeds de tekenen van de spijkers dragen, Wiens zijde de wond vertoont die de speer van de soldaat heeft veroorzaakt — Hij is het Die zonden kan vergeven.

Hoe teder komt Hij tot u! Hoe zachtmoedig gaat Hij met u om! Hier is een hand die geschikt is voor een chirurg — van wie wordt gezegd dat hij het oog van een arend, het hart van een leeuw, maar de hand van een vrouw moet hebben. Hier is een menselijke hand, een sierlijke en tedere hand van liefde, die u vergeving brengt.

U hoeft niet rechtstreeks voor God te verschijnen, maar de enige Middelaar treedt tussen God en mensen. Hij Die been van uw been en vlees van uw vlees is, zegt tot u: “De Zoon des mensen heeft op aarde macht de zonden te vergeven.” En dit doet onze harten weer opleven wanneer wij bedroefd zijn vanwege de zonde.

Daarnaast verzekert Jezus degenen die Hij vergeeft ervan dat zij werkelijk vergeving hebben ontvangen. Wat is het toch een gezegend feit dat Christus ons niet alleen vergeeft, maar ons ook van Zijn vergeving verzekert! Hij houdt Zijn vergeving niet voor ons verborgen, maar zegt tot de zondaar: “Zoon, uw zonden zijn u vergeven.” Daarmee geeft Hij hem niet alleen vergeving, maar ook de zekerheid daarvan.

Het bewustzijn dat onze zonden vergeven zijn, is een onuitsprekelijk heerlijke ervaring. Niet dat de zonde daarom begeerlijk zou zijn of dat er iets goeds uit de zonde zelf zou voortkomen. Ik kan, zoals Augustinus, niet zeggen: “Beata culpa! Gezegende zonde!” Maar als er buiten de hemel een vreugde bestaat die alle andere vreugde overtreft, dan is het wel de vreugde van een zondaar die de goddelijke vergeving ontvangt. Dan wordt hij witter dan de verse sneeuw en frisser dan de morgendauw.

Ik ben een vergeven mens — wonder boven wonder! Ik, die al Gods wetten heb overtreden en de toorn van JEHOVA over mij heb gebracht, ben vergeven van al mijn overtredingen. Gods Zoon heeft het gesproken, en Zijn Woord is zeker en onwankelbaar: “Zoon, uw zonden zijn u vergeven.”

Ik denk dat mensen maar al te graag alle genoegens van deze wereld zouden prijsgeven en ze voor niets zouden achten, als zij slechts eenmaal de gelukzaligheid van vergeven zonden hadden leren kennen. O, als iemand die zegt dat hij van vrolijkheid en lachen houdt, slechts eenmaal zou weten wat het betekent om met God verzoend te zijn, dan zou hij beseffen dat hij nooit eerder werkelijk vreugde heeft gekend of begrepen wat ware blijdschap is.

Onze Heere Jezus Christus laat ons, zoals ik al zei, de zoetheid van vergeving proeven. Hij verbrandt niet alleen de boeken waarin onze schulden staan opgetekend, maar Hij vertelt ons ook dat Hij de zonden zelf heeft verbrand. Hij zegt: “Uw zonden zijn u vergeven.”

Zo maakte Christus openlijk bekend waartoe Hij gekomen was en verklaarde Hij dat Hij op aarde de macht heeft om zonden te vergeven. Hij kwam om schuldige zondaren vergeving te schenken, niet om hen te veroordelen. Zelfs tot de vrouw die op heterdaad op overspel was betrapt, zei Hij: “Ook Ik veroordeel u niet; ga heen en zondig niet meer.”

Ook de misdadiger aan het kruis, die erkende dat hij zijn straf verdiend had, werd door Jezus niet veroordeeld. Integendeel, Hij sprak tot hem: “Heden zult u met Mij in het paradijs zijn.”

Christus is gekomen om te vergeven. Het is Zijn vreugde om te vergeven en Zijn heerlijkheid wordt zichtbaar in het vergeven van schuldige zondaren. Daartoe is Hij in deze wereld gekomen.

O, dat alle zondaren tot Hem zouden komen om vergeving van hun zonden te ontvangen!

IV. Nu Hij zo Zijn opdracht heeft verkondigd, laten wij ten vierde opmerken dat JEZUS ZIJN VOLMACHT TOONDE.

Omdat de schriftgeleerden Zijn macht om te vergeven betwistten, gaf Hij hun een praktisch bewijs dat Hij werkelijk kon vergeven. Ik vraag u hier bijzondere aandacht aan te schenken. Hij zei in feite tegen hen: „Het vergeven van zonden is een goddelijke daad. Wat is nu gemakkelijker: te zeggen: ‘Uw zonden zijn u vergeven’, of te zeggen: ‘Sta op en loop’?”

Ik leg het u voor, geliefde vrienden: wat is van deze twee het gemakkelijkst? Let erop dat Jezus niet vraagt: “Wat is gemakkelijker: zonden vergeven of een verlamde genezen?” Nee. Hij zegt: “Wat is gemakkelijker te zeggen: ‘Uw zonden zijn u vergeven’, of: ‘Sta op en loop’?”

Welnu, het eerste is veel gemakkelijker, want er zijn veel mensen die kunnen zeggen: “Uw zonden zijn u vergeven”, terwijl u niet kunt zien of die zonden werkelijk vergeven zijn. Kijk maar eens naar hoeveel mensen zichzelf priester noemen en, nadat zij de biecht van een boeteling hebben aangehoord, zeggen: “Ik verleen u absolutie.” Dat is gemakkelijk genoeg om te zeggen. Maar wie kan weten of de berouwvolle zondaar werkelijk vergeving heeft ontvangen? Voor de toeschouwer is er geen zichtbare verandering. De arme zondaar aan wie wordt verteld dat hij vergeven is, kan misschien goedgelovig enige valse troost putten uit de woorden van zijn medemens, maar wie toekijkt, ziet geen verschil tussen de man of vrouw die de biechtstoel verlaat en degene die erin ging.

Het is heel gemakkelijk om te zeggen: “Uw zonden zijn u vergeven.” Iedere dwaas kan het zeggen, iedere bedrieger kan het zeggen. Maar stel dat u vervolgens zegt: “Sta op en loop”, en de man staat niet op en loopt niet — wat dan?

Iedereen kan daar gaan staan en tegen de verlamde zeggen: “Sta op en loop.” Hij kan zelfs proberen op te staan, maar vervolgens net zo hulpeloos neervallen als daarvoor. Beide wonderen zijn voor de mens volkomen onmogelijk en vereisen dezelfde goddelijke kracht. Toch is het ene gemakkelijker om te zeggen dan het andere.

Menig bedrieger zou ervoor terugdeinzen om te zeggen: “Sta op en loop”, omdat hij heel goed weet dat het één ding is om die woorden uit te spreken, maar iets heel anders wanneer de verlamde werkelijk opstaat en gaat lopen.

Daarom zei Christus als het ware tegen de schriftgeleerden: “Ik zal u bewijzen dat Ik goddelijk ben en daarom de macht heb om zonden te vergeven. Ik zal nu een wonder verrichten dat u met eigen ogen kunt zien en onmogelijk kunt tegenspreken. Voor uw ogen zal gebeuren wat zichtbaar het moeilijkere is: Ik zal zeggen: ‘Sta op en loop.’ Als Ik dat kan, zult u weten dat Ik ook het recht heb om het gemakkelijkere te zeggen: ‘Uw zonden zijn u vergeven.’”

Toen zei Hij tot de verlamde, terwijl deze nog op zijn bed lag: “Sta op, neem uw bed op en ga naar uw huis.”

Zo liet Jezus zien dat Hij werkelijk macht had om te genezen. Eerst zei Hij: “Sta op.” Voor deze man was dat menselijkerwijs onmogelijk, want hij was verlamd. Maar op het bevel van Christus stond hij onmiddellijk op.

Daarna zei Hij: “Neem uw bed op.” Hij boog zich voorover en rolde zijn bed op. Hij nam het onder zijn arm of legde het over zijn schouder. Vervolgens klonk het volgende bevel van Christus: “Ga naar uw huis.” En onmiddellijk ging hij naar huis.

Natuurlijk zouden wij in onze tijd van zo’n bekeerling een groot vertoon maken. Wij zouden deze man door de straten hebben meegenomen om hem als een trofee aan iedereen te laten zien. Maar de Verlosser doet het veel beter. Dat hij naar huis ging, was een duidelijker bewijs van zijn genezing dan wanneer hij bij Christus was gebleven. Men had dan kunnen veronderstellen dat hij, zolang hij bij de Verlosser was, door een bijzondere invloed van de grote Geneesheer in een toestand van opwinding werd gehouden en daardoor overeind bleef.

Daarom zegt Christus: „Ga naar huis, naar uw gewone leven, zoals ieder ander. Neem uw bed maar mee.” En hij gaat naar huis. Elk detail van dit wonder laat zien dat hij werkelijk, volledig en blijvend genezen is. En de Christus Die macht heeft om zo’n wonder te verrichten, heeft ook macht om zonden te vergeven.

Vervolgens merk ik op dat een veranderd leven het beste bewijs is dat een zondaar vergeving heeft ontvangen. U kunt vanavond naar mij toe komen en zeggen: “Mijnheer, mijn zonden zijn vergeven.” Ik ben blij dat te horen. Maar hoe zult u zich vanavond thuis gedragen?

“Mijn zonden zijn vergeven!” roept iemand plotseling tijdens de preek, alsof hij door de bliksem is getroffen. Maar wat dan? Wilt u hier blijven en nooit meer naar huis gaan? Dat kan natuurlijk niet. Een genezing die alleen hier, in de nabijheid van Christus, zichtbaar zou zijn, zou geen volledige en werkelijke genezing zijn.

Ga naar huis, naar uw eigen huis. Uw goede gedrag, uw matigheid, uw eerlijkheid, uw kuisheid, uw gehoorzaamheid aan uw ouders, uw goede gedrag als dienstknecht en uw vrijgevigheid als heer — dat alles zal u niet redden. Maar als we daar niets van zien, hoe kunnen we dan weten dat Christus een wonder in u heeft verricht?

En als Hij geen wonder heeft verricht door u op te richten uit de verlamming van de zonde, hoe weten we dan dat Hij u vergeven heeft? In feite weten we dat niet, en wij hebben ook geen reden om te geloven dat Hij dat heeft gedaan. Want deze twee zaken horen bij elkaar: het ene is het bewijs van de kracht waardoor het andere tot stand is gebracht. Als u vergeving hebt ontvangen, bent u vernieuwd. Terwijl u hier vanavond zit, kunnen al uw zonden u vergeven worden. Maar als dat werkelijk zo is, zult u morgen niet meer zijn wie u vandaag was.

De beker van de dronkaard zal niet langer naar zijn lippen gaan. Het gezelschap van de wellustigen zal u niet meer behagen. Geen vloek, geen godslasterlijke taal en geen dwaas gepraat zal voortaan uit uw mond komen.

Christus vergeeft u volledig. Hij doet dat niet omdat u al van uw slechte gewoonten bent genezen, maar Hij vergeeft u terwijl u nog verlamd bent. En het bewijs dat u vergeven bent — het bewijs dat de wereld misschien wel het moeilijkst zal kunnen ontkennen — is dat u uw bed opneemt en naar huis gaat.

U laat uw vroegere luiheid achter u, want vanaf nu zou het luiheid zijn om daarin te blijven volharden. Het bed waarop u vroeger noodgedwongen moest liggen, zou, als u erop blijft liggen, voortaan een rustplaats voor uw luiheid worden. Maar u neemt het op, keert naar huis terug en wordt voortaan een man of vrouw die met ernst en vastberadenheid uw dagelijkse taak vervult.

Let hier goed op, geliefde toehoorders. Wij prediken geen verlossing door werken. Maar als u vergeving hebt ontvangen, zullen de goede werken daarop volgen. Dezelfde Christus Die uw zonden vergeeft, maakt u ook tot een nieuw schepsel. U kunt geen halve Christus ontvangen. U moet Christus aannemen als zowel uw Geneesheer als uw Vergever.

Als Christus in delen kon worden verdeeld, zou men Hem onmiddellijk opsplitsen. Maar Christus laat Zich niet verdelen. Hij moet in Zijn geheel worden aangenomen: als Degene Die de zonde vergeeft én de zonde in ons leven verbreekt. Juist daarom zijn er altijd mensen die Hem liever niet volledig willen aannemen. Ik bid dat niemand van u zo zal zijn. Ik denk ook dat de nauwgezette gehoorzaamheid die de Verlosser van deze man verlangde, een duidelijk bewijs was dat Hij zijn zonden had vergeven. Christus zei: “Sta op, neem uw bed op en ga naar uw huis.”

Vanaf nu moet u alles doen wat Christus u gebiedt: in de volgorde waarin Hij het gebiedt, omdat Hij het gebiedt; onmiddellijk, met vreugde, voortdurend, biddend en dankbaar. Dat zal het bewijs zijn dat Hij u werkelijk als een vergevende God heeft behandeld. O, mijn geliefde toehoorders, ik vrees dat er sommigen zijn die beweren dat hun zonden vergeven zijn, maar die niet zo gehoorzaam aan Christus zijn als zij zouden moeten zijn. Ik heb gezien dat zij bepaalde plichten verwaarlozen. Ik heb zelfs ooit een man gekend die bepaalde gedeelten van het Woord van God niet wilde lezen, omdat die hem een ongemakkelijk gevoel gaven. Maar wees hiervan verzekerd: als u en het Woord van God met elkaar in conflict komen, staat het Woord van God aan de kant van het recht.
Er is iets mis met u als u een hoofdstuk niet kunt lezen zonder te wensen dat het er niet stond. Als er een vers is dat u liever uit de Bijbel zou zien verdwijnen, dan is dat juist het vers dat aan u moet blijven kleven als een splinter in uw vlees, totdat u werkelijk acht geeft op de boodschap ervan. Er is iets mis met u wanneer u met het Woord van God in discussie gaat. Ik zeg het nogmaals: die nauwgezette gehoorzaamheid is een van de duidelijkste bewijzen dat de Heere uw zonden heeft vergeven.

Denk bijvoorbeeld aan het woord: “Wie geloofd zal hebben en gedoopt zal zijn, zal zalig worden.” Laat geen enkel deel van dit gebod achterwege. Wanneer Christus u gebiedt aan Zijn tafel te komen en Hem daar te gedenken, veracht dat gebod dan niet. Vergeet evenmin om nuchter, rechtvaardig, eerlijk en godvruchtig te leven in deze tegenwoordige boze wereld. Als u dat niet doet en er in uw leven geen sprake is van gehoorzaamheid, zelfs niet in de kleine dingen, dan is er reden om te vrezen dat de Heere nooit werkelijk tot u heeft gezegd: “Uw zonden zijn u vergeven.” En ten slotte: het beste bewijs daarvan wordt altijd thuis zichtbaar. “Neem uw bed op en ga naar uw huis.”

Als er één plaats is waar godsvrucht het duidelijkst zichtbaar en beoordeeld kan worden, dan is het wel in het gezin. Wat een man thuis is, dat is hij werkelijk. Wat een vrouw in haar eigen huis is, dat is zij werkelijk. Het is heel gemakkelijk om zich in de maatschappij anders voor te doen — om op het toneel van deze wereld iets heel bijzonders te lijken — en vervolgens in werkelijkheid helemaal niet de koning te zijn die men leek te zijn, maar slechts een armzalig exemplaar van de mens. “Sta op, neem uw bed op en ga naar uw huis.”

Iemand zei vandaag nog tegen mij over een bepaalde man: “Denkt u, mijnheer, dat hij een goed mens was?” Ik antwoordde: “Nu, broeder, ik denk dat hij een goed mens was, maar dan wel van een heel slecht soort.” Ik wist niet hoe ik de waarheid barmhartiger kon verwoorden.

Ik herinner mij een oude vrouw die eens naar een predikant van een bepaalde geloofsrichting ging luisteren, hoewel zij niet veel van hem moest hebben, terwijl hij toch buitengewoon goed preekte. Toen zij naar buiten kwam, vroegen ze haar hoe zij over de predikant dacht. Zij antwoordde: “Nu, hij is een van de besten van een heel slecht soort.”

Ik vind het niet prettig om zoiets te moeten zeggen over iemand die beweert een christen te zijn, en zo hoort het ook niet te zijn. Nee, en ik wil evenmin dat u de slechtste van een goed soort bent, hoewel dat misschien nog altijd beter is dan de beste of de slechtste van een slecht soort. Wij moeten zo leven dat ons leven zelfs de strengste toets kan doorstaan.

“Ach!” zegt iemand, “ik kwam hier vanavond om vergeving van zonden te zoeken, en nu bent u afgedwaald naar een preek over goed gedrag.” Precies! En dat is de richting waarin ik wil dat ook u afdwaalt.

Zoek vanavond vergeving van zonden — die is, zoals ik u heb verteld, door het geloof te verkrijgen. “Toen Jezus hun geloof zag, zei Hij tot de verlamde: ‘Zoon, wees welgemoed; uw zonden zijn u vergeven.’”

Maar als u ervan overtuigd wilt zijn dat Christus werkelijk macht heeft om zonden te vergeven, dan is voor u het beste bewijs — en voor de schriftgeleerden het enige bewijs dat zij van buitenaf konden zien — dat u uw bed opneemt en gaat lopen.

“O!” zegt u misschien, “ik heb nog steeds veel zonden, maar ik ben niet meer wie ik vroeger was. In mijn hart ben ik een veranderd mens. Ik kan niet meer verdragen wat ik vroeger liefhad. Ik kan niet meer doen wat ik vroeger gewoonlijk deed. En de dingen die ik vroeger verafschuwde en verachtte, zijn nu juist heerlijk voor mij.” Ik ben blij dat het zo met u is, en ik bid dat het zo mag zijn met al mijn toehoorders.

Moge God die grote en genadige verandering in velen van u bewerken die vanavond in deze Tabernacle aanwezig zijn, omwille van onze Heere Jezus Christus! Amen.

Steun ons met een donatie

Uw steun helpt ons om Het Spurgeon Archief in stand te houden. Dankzij uw bijdrage kunnen wij ons werk voortzetten en dit waardevolle archief gratis aanbieden en vrijhouden van reclame en commerciële invloeden.

Wij danken u hartelijk voor uw steun en betrokkenheid!

Archiefhulpmiddelen

Contact

Heeft u een tekstfout gevonden, of heeft u een vraag? Stuur dan een E-mail naar: [email protected]

Over de Auteur

C.H. Spurgeon

1834 – 1892 Was een Engelse baptistenpredikant in de puriteinse traditie. Belangrijke onderwerpen uit zijn prediking waren de vergeving van zonden en de noodzaak van wedergeboorte.

Onze Socials:

Copyright & Content