
GEBED 23
Onze Vader, wij hebben geluisterd naar Uw genadige woorden. Waarlijk, Uw wegen druipen van vettigheid. Overal waar U verschijnt, stroomt barmhartigheid overvloedig; aan Uw voeten ontspringen stromen van genade. Wanneer U tot een mens nadert, doet U dat in de volheid van vergevende liefde. U hebt ons bevolen tot U te komen en U te zoeken terwijl U Zich laat vinden; dat begeren wij nu te doen. Moge Uw Heilige Geest ons te hulp komen! Moge Jezus ons voorgaan en heden onze Middelaar zijn!Gezegend zij Uw Naam. Velen onder ons zochten reeds voor lang vervlogen jaren Uw aangezicht. Sedertdien hebben wij gesmaakt dat U goedertieren bent, en uit rijke ondervinding weten wij dat U melk en honing schenkt aan wie op U vertrouwen. Och, hadden wij U maar veel eerder gekend!
Heere, U bent op elke schrede van onze levensreis vol waarheid en trouw voor ons geweest. U hebt ons de roede van het verbond niet onthouden, doch daarvoor danken wij U hedenmorgen evenzeer als voor de kussen van Uw mond. U hebt goed gehandeld aan Uw knechten, naar Uw Woord. Gezegend zij Uw Naam tot in alle eeuwigheid.
Maar er zijn er ook die nimmer tot U kwamen. Zij zijn hoorders, doch hoorders alleen. Duizenden malen hebben zij de roepstemmen der genade vernomen, maar nooit hebben zij die ter harte genomen. Spreek tot hen: „Tot hiertoe bent u gekomen, doch verder zult u niet gaan in uw onverschilligheid en beuzelarij; hier zult u stilhouden en u bekeren tot uw God!” O Zaligmaker, U hebt alle macht in hemel en op aarde; daarom vermoogt U door de prediking van Uw Woord de harten van mensen te vermurwen. Bekeer hen, Heere, zo zullen zij bekeerd zijn; och, doe het heden!
Wij willen heden in ons bidden naderen zoals wij in den beginne kwamen. Wij willen opnieuw tot U komen; wij willen onze geloften vernieuwen, onze boetvaardigheid en ons geloof opnieuw belijden, het oog wederom vestigen op de koperen slang en slechts de zoom van Uw kleed aanraken. Wij willen van voren af aan beginnen. O Heere, verleen ons genade om dit in oprechtheid en waarheid te doen.
In de eerste plaats belijden wij dat wij van nature verloren zijn en door eigen toedoen te gronde gericht. Wij zijn allen als een onreine, en al onze gerechtigheden zijn als een bezoedeld kleed. Wij willen ons neerwerpen aan die dierbare, doorboorde voeten, met een hart dat bloedt over de zonde — gewond, geschonden en verbroken door de val en door onze eigen ongerechtigheden. Wij erkennen dat U ons naar de diepste groeve van het verderf zou kunnen zenden, indien U onze misdaden zou toerekenen en naar onze zonden met ons zou handelen.
Wij bezitten geen enkele verdienste, geen enkel recht, geen greintje eigen gerechtigheid. Maar nu, dierbare Zaligmaker, zien wij enkel op naar U. Och, dat dezen voor het eerst de blik opwaarts mochten richten, en dat wij, die reeds zolang opzien, onze verheugde blik opnieuw mogen slaan op dat gezegende, plaatsvervangende offer waarin al onze verwachting rust! Dierbare Zaligmaker, wij omhelzen U als ons Alles in allen: onze Zondedrager en onze Zondeverdelger. Wij hebben buiten U Zelf geen schijn of schaduw van hoop: slechts in Uw heilig leven, Uw verzoenend sterven, Uw opstanding, Uw hemelvaart, Uw hemelse heerlijkheid, Uw koninklijke heerschappij en Uw wederkomst. Dit zijn de enige gesternte aan onze hemel.
Wanneer wij op U zien, worden wij met licht overstraald. Maar o, dierbare Zaligmaker, wij wagen het niet te steunen op uiterlijke vormendiensten; wij durven niet te bouwen op onze eigen verzuchtingen, tranen of weldaden; wij durven in het geheel niet te zien op eigen werken. Wij zien op U alleen. Uit Uw wonden, Immanuël, vloeit de balsem die onze wonden heelt. Wij staren op Uw gekroonde hoofd, dat eens met doornen werd omvlochten; op Uw lichaam, dat eens in het stille graf werd gelegd; op Uw Godheid, eertijds voor het oog der mensen verborgen, maar thans schitterend te midden van juichende engelenheiren. Indien wij zouden kunnen omkomen terwijl wij op U hopen, dan moesten wij maar omkomen; doch wij weten gewis dat dit onmogelijk is, want U hebt ons behoud onlosmakelijk verknocht aan Uw eigen eer. En wijl U een Zaligmaker bent tot in eeuwigheid, zal niemand die op U betrouwt ooit beschaamd worden.
Ja, wij verlaten ons thans op U. Al ware onze ganse eerdere bevinding op zinsbegoocheling uitgelopen, dan vangen wij heden aan de voet van het kruis opnieuw aan. En zo wij nimmer tevoren iets van Uw genade hebben gesmaakt, laat het dan heden beginnen! Och, hoor, verhoor dit smeken: „Dierbare Zaligmaker, neig weerspannige harten; doe zondaars snellen tot U!”
Bij Uw zielsangst en Uw bloedig zweet, bij Uw kruis en bitter lijden, bij Uw dierbare dood en begrafenis smeken wij U: verhoor ons nu! Wij pleiten bij U voor zielen die niet voor zichzelf bidden. O Geest van God, laat dit niet langer zo blijven. Wend thans op zachte wijze Uw sleutel aan om de grendels van het gesloten hart te openen; neem er Uw intrek en blijf daarin wonen, opdat zij mogen leven!
Wij hebben duizenderlei noden aan te brengen. Wij zouden willen pleiten voor ons vaderland en voor alle volken op aarde; wij zouden U willen aanlopen voor de kranken en de stervenden, voor de nooddruftigen en de wezen. Wij hebben ontelbare weldaden van node, doch zij zinken heden alle weg voor die ene bede. Dit is onze luide roep: Red toch, Heere, geef thans heil! Kom, Heilige Geest, open de blinde ogen, ontstop de dove oren en wek de dode harten op tot eeuwig leven.
Vader, verheerlijk Uw Zoon, opdat ook Uw Zoon U verheerlijke. Heilige Geest, volvoer Uw heilig ambt: neem het uit het Zijne en verkondig het ons. Wij doen al onze beden opgaan en rusten in dat volkomen heil door het bloed van het Lam.
Amen.
© Vertaling C. H. Spurgeon’s Prayers door Teun van der Plas

