Grote en vaste dingen die u niet weet

Een preek uitgesproken in het begin van 1858, door C. H. Spurgeon. In druk verschenen in de Metropolitan Tabernacle Pulpit, deel 46 (1900). De overgeleverde datum van 7 maart 1858 is een benadering.

Copyright © Het Spurgeon Archief | Portret C.H. Spurgeon

Roep tot Mij, en Ik zal u antwoorden, en Ik zal u bekend maken grote en vaste dingen, die gij niet weet. Jeremia 33:3

Het volk van God zal nooit gedijen op iets dat minder wezenlijk is dan brood uit de hemel. Israël in Egypte kon leven van knoflook en uien, maar Israël in de woestijn moest gevoed worden met het manna dat uit de hemel neerdaalde en met het water dat uit de steenrots stroomde toen die door de staf van God geslagen werd. Het kind van God kan, zolang het nog in zijn zonden leeft, daarin zwelgen als andere mensen, en de genoegens en dwaasheden van deze wereld kunnen zijn vermaak zijn. Maar is hij eenmaal uit Egypte gebracht door de hoge hand van Gods voornemen en de almachtige hand van Gods sterkte, dan zal hij nooit meer leven van iets minder dan Gods belofte en Gods waarheid.

Het is tevergeefs dat mensen proberen zijn twijfels weg te nemen en zijn zelfvertrouwen te versterken; het is tevergeefs dat zij hem willen voeden met een door mensen gemaakte leer of met redelijke bedenksels. Hij moet iets hebben dat goddelijk is, dat het merk van de openbaring draagt. Ja, tenzij wij elke sabbat kunnen komen met een “Zo zegt de HEERE”, zijn wij geen bekwame dienaars van het nieuwe verbond en staat het niet in onze macht de kinderen van de Heere te troosten.

In dit hoofdstuk vinden wij de profeet Jeremia in de gevangenis. Hij was opgesloten in het voorhof van de gevangenis, en om hem te troosten kwam het Woord van de HEERE tot hem met de woorden: “Zo zegt de HEERE.” In tijden van voorspoed kan iets minders misschien volstaan om onze hoop opgewekt te houden, want ach, er is in de christen genoeg van de oude natuur over om hem zelfs in vleselijke dingen te doen juichen zolang hij nog verre van geheel geheiligd is. Maar wanneer wij in nood zijn, wanneer verdrukking en tegenspoed, ziekte en lijden ons beproeven, dan is er geen door mensen gemaakt vlot waarop onze ziel door vloeden van verdrukking en golven van diepe benauwdheid heen kan drijven. Dan moeten wij de goddelijke reddingsboei hebben van een “Zo zegt de HEERE”. Dat is wat de christen op elk tijdstip en op elke plaats nodig heeft, maar het is bij uitstek wat hij nodig heeft wanneer hij handel drijft in diepe wateren en zwaar door verdrukking geoefend wordt.

Mijn tekst is zó’n “Zo zegt de HEERE”: “Roep tot Mij, en Ik zal u antwoorden, en Ik zal u bekend maken grote en vaste dingen, die gij niet weet.”

Hier is, ten eerste, een ruime belofte; hier is, ten tweede, een verzwegen onvolkomenheid; en hier is, ten derde, een bijzondere toepassing van de belofte, die aan die onvolkomenheid tegemoetkomt.

I. Ten eerste: een ruime belofte

“Roep tot Mij, en Ik zal u antwoorden.”

Als een vriend ons een brief schreef met deze woorden erin — “Roep tot mij, en ik zal u antwoorden” — dan zouden wij daaruit vanzelf begrijpen dat hij ons stellig alles zou geven wat wij hem maar vroegen. En was hij iemand op wiens vermogen en vriendelijkheid wij vertrouwden, dan zouden wij niet traag zijn van die toestemming gebruik te maken. Waren wij in de schuld, dan zouden wij hem om geldelijke hulp vragen om onze verplichtingen te kunnen nakomen. Werden wij door ziekte beproefd, dan zouden wij hem vragen om middelen tegen onze pijn. Hadden onze vrienden ons ondankbaar behandeld, dan zouden wij hem hoogstwaarschijnlijk om medeleven vragen. En was onze geest neergedrukt door een oorzaak die wij niet kenden, dan zouden wij — als wij hem voor onmetelijk wijs hielden — hem vragen om een hartversterking die ons uit onze neerslachtigheid oprichtte.

Maar hoe anders staat het wanneer wij deze woorden lezen als komende van de lippen van God! Hoe vreemd is het dan, mijn broeders, dat wij ze niet gebruiken maar enkel lezen als iets dat vanzelf spreekt, en dat wij er zelden aan denken er gebruik van te maken. “Ja”, zeggen wij, “het is een zeer troostrijke leer dat God het gebed verhoort; het is werkelijk verkwikkend onze dienaar te horen zeggen dat wij ontvangen zullen wat wij gelovig in het gebed vragen.” Maar daar houdt het op. Op een paar uitgelezen geesten na blijft het bij ons een zaak van de leer en wordt het geen zaak van de praktijk.

“O onverstandigen en tragen van hart, om te geloven” — zo zou onze Meester met recht tot ons kunnen spreken. En kwam Hij in ons hart, dan zou Hij ons duizend bestraffingen geven over onze slapheid in het op de proef stellen van de waarheid van Zijn belofte. Want God meent wat Hij zegt. Nu Hij gezegd heeft “Roep tot Mij, en Ik zal u antwoorden”, bedoelt Hij dat Zijn woord zal standhouden; en Hij wil dat wij het voor waar houden en dus ons geloof bewijzen door ernaar te handelen. Helaas, de waarheid is te duidelijk om te betwisten: de meesten van ons nemen deze leer in zekere zin wel aan omdat zij in de Bijbel staat, maar wij nemen haar niet zó aan dat wij haar in praktijk brengen.

Nu ik deze grote algemene waarheid bij u inleid — “Roep tot Mij, en Ik zal u antwoorden” — zal ik waarschijnlijk een hele reeks tegenwerpingen en vragen moeten beantwoorden.

“Nu”, zegt iemand, “wilt u dat wij geloven, mijnheer, dat wij alles zullen ontvangen wat wij in het gebed vragen?” Ik moet u met onderscheiding antwoorden. In de eerste plaats: wie bent u die deze vraag stelt? Bent u een kind van God, of bent u van de wereld? Bent u wedergeboren, of bent u nog wat u van nature was, zonder enige vernieuwing door de Heilige Geest? Want van uw antwoord op die vraag moet het mijne afhangen. Bent u nog zonder de Geest van God en onvernieuwd, dan wijs ik u op het woord dat over de goddeloze zegt: “Die zijn oor afwendt van de wet te horen, diens gebed zelfs zal een gruwel zijn.” En is uw gebed een gruwel, dan kunt u natuurlijk niet verwachten dat God een gruwel aanneemt en verhoort. U moet dus weten dat u zelf deelgenoot bent van de genade van God, want anders behoort deze belofte u niet toe.

Dat geeft u mij toe, en dan stelt u mij deze vraag: “Mijnheer, ik hoop dat ik een kind van God ben; moet ik dus begrijpen dat ik van God alles zal ontvangen wat ik in het gebed vraag?” Ook u moet ik met onderscheiding antwoorden, opdat ik niet, terwijl ik een waarheid probeer uit te spreken, een onwaarheid zeg. Ik moet u eerst vragen in wat voor toestand van hart u als kind van God verkeert. Hebt u de laatste tijd gemeenschap met Christus geoefend? Bent u standvastig geweest in het onderzoek van Zijn Woord? Wat zijn uw wensen? Wat hebt u nodig? Waarnaar verlangt u? Want van uw antwoord op deze vragen moet mijn antwoord op uw vraag afhangen.

Het kan zijn dat u een christen bent en toch, al bent u een Israëliet, vraagt om vlees om uw eigen lust te verzadigen, net zoals Israël in de woestijn deed. Maar toen zij naar vlees begeerden en de HEERE hun kwakkels zond, kwam de vloek van de HEERE over hen terwijl het vlees nog in hun mond was.

Wij mogen er zeker van zijn dat onze gebeden verhoord worden als het goéd is dat zij verhoord worden. Soms vraagt zelfs het volk van de Heere om dingen die God niet tot Zijn eer kan geven en die zij niet tot hun nut kunnen ontvangen. Zou u tegen uw kind zeggen dat u hem alles zou geven wat hij vroeg, dan zou u geen ogenblik menen dat elk onzinnig verzoek daarin begrepen was. Stel dat hij u om een dosis rattenkruit vroeg; stel dat hij u vroeg hem te doden — zou u uw belofte nakomen? Zeker niet. U zou zeggen: “Mijn kind, ik heb je te lief om naar het razen van je waanzin te luisteren; ik begeer je welzijn te veel om je onzinnige verzoek toe te staan, en ik kan niet naar je horen.”

God zegt hetzelfde. “Roep tot Mij, en Ik zal u antwoorden” — maar Ik zal u niet altijd antwoorden zoals u geantwoord wilt worden. Vraagt u om iets dat u niet past te ontvangen, dan zal Ik u iets beters geven. Ik zal u dat ene ding niet geven; Ik zal uw gebeden horen, maar Ik zal u niet precies geven waarom u vraagt, en Ik zal u iets oneindig hogers schenken dan het gevraagde zelf.

Het zou een treurige zaak zijn als God onze gebeden altijd verhoorde en ons precies gaf waarom wij Hem vroegen. Gaf Hij ons altijd het gevraagde, wij zouden onszelf te gronde richten. Misschien hebt u het verhaal gehoord van een vrouw wier kind ernstig ziek was. Toen haar voorganger haar bezocht, vroeg zij hem om voor het leven van het kind te bidden, en in dat gebed zei hij heel gepast: “O Heere, spaar het leven van dit kind, indien het Uw wil is.” De moeder onderbrak hem en zei: “Nee, zo kan ik het niet hebben; dit kind móet leven. Ik wil dat u tot God bidt dat het kind leeft, of God het wil of niet.” De dienaar zei: “Vrouw, u zult reden hebben over deze bede te beven. Vraagt u zoiets van God, dan zal er een vloek op rusten.” Toch werd het gebed gebeden. En twintig jaar later zag die vrouw met een gebroken hart haar zoon op een kar naar Tyburn rijden, waar hij zou worden opgehangen. Het zou beter voor hem en ook voor haar geweest zijn als hij aan de moederborst gestorven was en naar een ontijdig graf gedragen, dan dat hij zijn moeder met verdriet in het graf deed neerdalen. God maakt daarom dit vriendelijke voorbehoud: vragen wij om onzinnige dingen, dingen die ons niet ten nutte zijn, dan zal Hij ze niet geven.

Maar de vraag wordt mij opnieuw gesteld: “Mijnheer, als ik vraag om iets dat kennelijk goed is en dat stellig tot mijn nut is, mag ik er dan zeker van zijn dat ik het ontvang nadat ik erom gebeden heb?” Nogmaals moet ik een wedervraag stellen. Hebt u de hemelse kunst van het geloven van God al geleerd? Want u kunt een christen zijn, u kunt genoeg in Christus geloven voor de zaligheid van uw ziel, en toch zo’n klein christen zijn dat u de berghoogte van het geloof in alles wat uw Heere gesproken heeft nog nooit bereikt hebt.

En let erop: de belofte van een antwoord op onze gebeden is alleen aan ons geloof gegeven. De Heere Jezus Christus stelde het Zijn discipelen zó voor: “Alle dingen, die gij biddende begeert, gelooft, dat gij ze ontvangen zult, en zij zullen u geworden.” Gaat u dus op de knieën in het gebed en vraagt u God om iets zonder te geloven dat Hij het u geven zal, dan kan het nog wel komen uit Gods buitengewone goedheid, maar het komt niet als antwoord op uw gebed. Uw gebeden zullen verhoord worden naar de mate van uw geloof. Gelooft u dus, en vraagt u om iets dat u ten goede is en God tot eer, dan zult u het ontvangen zo zeker als een belofte een belofte is en God God is.

Ik heb met veel christenen gesproken, en enkele van mijn oude vrienden met veel meer dan ik. Maar zij en ik kunnen beiden getuigen dat wij nog nooit een christen ontmoet hebben die God kon beschuldigen van het breken van Zijn belofte. Wij hebben er veel ontmoet die verre waren van het geloof dat zij behoorden te hebben, maar wij hebben er niet één gevonden die zo ontrouw aan God was dat hij Hem beschuldigde het gebed dat met geloven gestempeld was niet te hebben verhoord. Waar geloof is, daar zal het antwoord op “het gebed des geloofs” zijn; u zult nooit een christen horen die dat ontkent.

Het was mijn voorrecht om, een paar jaar geleden te Bristol, het weeshuis van de heer Müller te bezoeken, en ik heb nooit een treffender of verrassender bewijs van de kracht van het geloof gezien dan daar. De heer Müller onderhoudt driehonderd weeskinderen zonder andere middelen dan zijn eigen geloof en gebed. Heeft hij iets nodig, dan roept hij hen bijeen, brengt zijn smeking voor God en vraagt of het nodige gegeven wordt. En al zijn er driehonderd te voeden, te kleden en te huisvesten, en al zijn zij vaak zo laag gebracht dat er geen penning in hun kas en geen handvol meel in hun ton was, toch was er bij het aanbreken van de maaltijd altijd brood in overvloed in het huis, in antwoord op het gebed.

Ik zal mijn gesprek met deze heilige man van God nooit vergeten. Een heer had tegen mij gezegd: “Ik zou willen dat u de heer Müller, als u hem ziet, eens iets vraagt over de grondslag van dat nieuwe weeshuis dat hij wil bouwen voor zevenhonderd kinderen meer. Ik vind driehonderd meer dan genoeg voor één man om voor te zorgen; ik houd het voor volslagen onzinnig dat hij er zevenhonderd bij wil hebben. Duizend zal hij nooit kunnen onderhouden. Wat de bestaande stichting betreft: ik geloof wel dat milde mensen ervan horen en hem giften voor het onderhoud zenden, maar dat hij zevenhonderd wezen meer zou onderhouden is onmogelijk.” Ik antwoordde: “Er zit wel iets in wat u zegt. Ik zal het hem vragen wanneer ik hem zie.”

Maar toen ik hem zag, kon en durfde ik zulke vragen niet te stellen. En toen ik zag wat een groot werk hij door zijn geloof gedaan had en daarover een opmerking begon te maken, zei hij: “O, het is maar iets kleins wat ik gedaan heb; het geloof kan veel meer dan dat. Was het Gods wil dat ik de wereld op gebed en geloof voedde, ik zou het kunnen. Had ik meer geloof, het zou volbracht worden.” Ik stond op het punt te zeggen dat duizend wezen misschien meer waren dan hij kon onderhouden, toen hij zei: “Toen ik driehonderd kinderen had, begon ik God te bidden dat Hij mij geld zou zenden om een weeshuis voor zevenhonderd meer te bouwen; en er is al zeventienduizend pond voor binnengekomen, terwijl ik nooit iemand anders dan de Heere om een gift gevraagd heb. Ik geloof dat God mij hier gesteld heeft om de wereld tot een bewijs te zijn dat Hij het gebed hoort en verhoort.” Ik dacht dat ook, toen ik dat grote gebouw zag en al die lieve kinderen die opstonden om hun God te prijzen en zo zoet zongen ter ere van de goede Herder, die hen als lammeren in Zijn schoot verzameld had en hen daar zachtjes bewaarde.

Broeders, wij spreken niet zonder vaste feiten om onze bewering te bevestigen wanneer wij zeggen dat een heilige alles wat hij in het gebed vraagt, ook zeker ontvangen zal, als hij het in geloof vraagt en het hem ten nutte is en God tot eer. Ik durf te zeggen dat u de “Bank van het geloof” van Huntington gelezen hebt. Hij geeft ons van die voorbeelden zeker meer dan de meeste mensen kunnen geloven; maar ik vermoed dat er heel wat mensen in leven zijn die net zoveel gebedsverhoringen ontvangen hebben als William Huntington ooit, en die, als zij de kleine bijzonderheden van hun leven opschreven, het plechtigste getuigenis konden geven dat zij zich nooit hebben kunnen herinneren dat God ontrouw was aan Zijn beloften of hun gebeden onverhoord bleven.

Dit hangt echter altijd van de mens zelf af, want vragen wij wankelend of zonder geloof, dan moeten wij niet verwachten verhoord te worden. Wij moeten niet vergeten wat God bedoelt wanneer Hij ongelovige verzoeken niet toestaat: “Aangezien u geen geloof hebt, heb Ik u niets te geven.”

Wij moeten doen zoals de mensen in de oude tijd met de kerstdagen deden. Het was de gewoonte dat de arme inwoners van een dorp met kommen langs de rijken van de gemeente gingen om brood en andere levensmiddelen te vragen; en de regel was dat elke heer de kom vulde die aan zijn deur gebracht werd. De verstandigsten onder de armen brachten natuurlijk een heel grote kom voor de kerstinzameling. Wie weinig vertrouwen had in de mildheid van hun rijke buren namen een kleine kom, en die werd gevuld; maar wie een grote kom bracht, kreeg die óók gevuld.

Zo moet u, lieve vrienden, altijd proberen in uw gebeden een grote kom bij God te brengen. Breng groot geloof, en wees ervan verzekerd dat het u naar uw geloof geschieden zal. Hebt u klein geloof, dan zult u een klein antwoord hebben; hebt u redelijk geloof, dan zult u een redelijk antwoord hebben; en hebt u een machtig geloof, dan zult u zo’n machtig antwoord krijgen dat u zich erover verwondert — en toch zult u voelen dat het naar de belofte van onze tekst is: “Roep tot Mij, en Ik zal u antwoorden.”

II. Ten tweede: een verzwegen onvolkomenheid

“Roep tot Mij, en Ik zal u antwoorden, en Ik zal u bekend maken grote en vaste dingen, die gij niet weet.” Hier ligt in dat het volk van God niet alles weet.

Hebt u ooit iemand ontmoet die alles wist? Ik heb er een half dozijn van ontmoet. Ik ontmoette eens een dienaar die alle dingen wist — naar zijn eigen zeggen, bedoel ik, niet naar het mijne. Hij vertelde mij dat er in de gemeente waar hij woonde niet meer dan een dozijn mensen waren die de Heere Jezus Christus in waarheid kenden. Die man boeide mij, want ik wist iets van hem, en dus zei ik: “Nu, wie zijn dat dan?” Waarop hij begon: “Wel, ikzelf, en mijn vrouw, en mijn twee diakenen”, en zo verder. “O”, antwoordde ik, “de enige van dat aantal die ik zou betwisten bent u zelf; want ik geloof dat u veel te veel weet. U lijkt naar boven geklommen te zijn en in de verborgen rol van Gods raadsbesluiten te hebben gekeken. Geen kind van God zou dat doen. Kinderen kijken niet in de geheimen van hun vader; dat doen alleen dieven. Ik zou uw aanspraak om een kind van God te zijn in twijfel trekken.”

Ieder van ons ontmoet af en toe zo’n merkwaardig iemand die veel te veel weet en in wiens gezelschap men zich nooit op zijn gemak voelt. Wij brengen zelf geen onderwerp in; dat laten wij aan hem, want hij is de paus van onze kring. Natuurlijk haat hij het pausdom — twee pausen kunnen het niet met elkaar vinden, dus heeft hij van nature een sterk bezwaar tegen de paus van Rome. Maar zelf weet hij alle dingen. Zegt u een mening, dan zegt hij u meteen dat die niet zuiver is; hij weet het immers. Spreekt u over een zaak van de ervaring, dan zegt hij: “Dat is niet de ervaring van een levend kind van God.” Hij is de scheidsrechter, natuurlijk; hij weet er alles van; hij is de rechter die alle geschil beëindigt; hij beslecht alles. Wordt hij erbij gehaald, dan is zijn stem de beslissende, en die tegen te spreken zou bijna heiligschennis zijn. Hij is Koning, Hogerhuis en Lagerhuis in één; hij maakt de wetten en hij voert ze uit. In zijn eigen kring is hij de alleenheerser van alle christenen.

Nu, de kinderen van God behoren tot een heel andere orde van wezens dan deze zeer eerbiedwaardige en zeer achtenswaardige man. Zij weten niet alles, en zij doen niet alsof zij vol zijn van alle kennis. Een van de besten onder hen, die Paulus heette, zei: “Niet dat ik het alrede gekregen heb, of alrede volmaakt ben; maar ik jaag er naar, of ik het ook grijpen mocht, waartoe ik van Christus Jezus ook gegrepen ben. Broeders, ik acht niet, dat ik zelf het gegrepen heb. Maar een ding doe ik, vergetende, hetgeen achter is, en strekkende mij tot hetgeen voor is, jaag ik naar het wit, tot den prijs der roeping Gods, die van boven is in Christus Jezus.”

Een oude man ontmoette eens een jonge die ongeveer een half jaar op de hogeschool was, en zei tegen hem: “Weet u veel?” “Ja”, antwoordde de jongeman, “ik ga snel vooruit.” De oude man zei: “Over een jaar zult u dat niet meer zeggen, of ik heb geen hoop voor u.” Een jaar later vroeg hij hem of hij veel meer wist dan een half jaar eerder. Hij antwoordde: “Soms denk ik dat ik veel meer weet, maar op andere tijden denk ik dat ik veel minder weet. Ik heb dit laatste jaar mijn eigen onkunde meer dan ooit ontdekt.” Toen zei de oude man: “Wanneer u vier jaar op de hogeschool geweest bent, zult u zichzelf een grote dwaas noemen.” En toen hij hem in dat vierde jaar ontmoette, zei hij: “Wat weet u nu?” De student antwoordde: “Ik denk dat ik misschien meer weet dan toen ik begon; maar naar mijn eigen mening weet ik veel minder. Toen ik pas kwam, achtte ik mij in staat over elk onderwerp een beslissend oordeel te geven; nu moet ik alles wegen voordat ik iets met zekerheid kan zeggen. Mijn eigen onkunde is aan het licht gekomen.”

Reken erop, lieve vrienden, dat het met ieder van u hetzelfde zal gaan. Wanneer wij ons pas bij de gemeente voegen, denken wij misschien dat wij bijna alles weten. Sommigen menen dat heel de waarheid bij de baptisten te vinden is; anderen denken dat zij geheel bij de episcopalen ligt, of bij de onafhankelijken of de wesleyanen, of bij welke richting zij ook horen. Maar zijn wij een tijd lang lid van de baptisten geweest, dan ontdekken wij dat er onder ons verschillende gebreken zijn, en wij denken misschien dat wij verbeterd zouden worden als wij naar het presbyteriaanse model gevormd waren. Naderhand vinden wij een vriend die een episcopale kerk bezoekt, waar hij het evangelie heel duidelijk hoort prediken door een zeer ernstige geestelijke, en dan zeggen wij dat er toch iets goeds in de episcopalen is. En hoe langer wij leven, hoe meer wij vinden dat er in allen iets goeds is; dat wij ten slotte niet zoveel weten als wij dachten; en dat onze kerk, die het toonbeeld van volmaaktheid leek, evengoed vol zwakheden blijkt te zijn als elke andere — en dat zij niet precies dé Kerk is.

Ik herhaal dan de stelling die in de tekst besloten ligt: dat wij allen een zekere mate van onkunde en onvolkomenheid hebben. Wisten wij alle dingen, dan zouden wij deze belofte niet nodig hebben dat God ons grote en vaste dingen zal bekend maken die wij niet weten. Maar omdat wij nog onvolkomen zijn en in onze kennis groeien, is deze belofte uitermate kostelijk voor ons.

Ik kan mij nauwelijks voorstellen dat er hier iemand is van die bijzondere kring die zich inbeeldt alles te weten. Is dat er toch, dan wil ik een woord tot hem zeggen. Er is een zeker gezelschap van uitnemende mensen die zich “Gods dierbare volk” noemen. Zij horen hun dienaar een predikatie houden die uit niets dan gal en bitterheid is samengesteld, en dat bevalt hun juist. Zijn mensen verheugen zich in dat soort spreken en zeggen dat hij een getrouw dienaar is. Zou hij ophouden bitter te zijn, dan was hij niet getrouw meer — want getrouwheid bestaat naar hun bedoeling in het vitten op heel de rest van de wereld. Zij zeggen u dat u naar hun eigen kapelletje moet gaan, omdat de waarheid nergens anders te krijgen is. Alleen daar is zij te vinden, en alle andere gemeenten zijn scheurmakers die het hun plicht is met de uiterste strengheid van het evangelie aan te klagen en te vervolgen. En u weet dat de uiterste strengheid van het evangelie erger is dan de uiterste strengheid van de wet. Zulke mensen sluiten iedereen uit, klagen iedereen aan en verdoemen iedereen die niet tot op een haarbreedte met hun inzichten overeenkomt.

Tot ieder die zo is zeggen wij: “Lieve broeder, u bent heel wijs! Alle eer aan u! Wij zullen u op de stoel zetten als de wonderbare doctor in de godgeleerdheid. U bent de man; de wijsheid zal met u sterven. En terwijl wij ons nederig aan uw voeten buigen, zijn wij gehouden te zeggen dat u nog niet alles weet. Er zijn nog een paar dingen die ook aan u geopenbaard moeten worden. En terwijl wij op eerbiedige afstand blijven van iets dat op uw hogere kennis lijkt, zijn wij gedwongen te denken dat u de volmaaktheid nog niet bereikt hebt, en wij kunnen niet toegeven dat u de enige mens in heel de wereld bent die het evangelie begrijpt en kent.”

Nu, al zal onze broeder zich niet bij ons voegen in het zeggen “wij weten niet alle dingen”, ik denk dat allen die hier zijn hun hoofd zullen buigen en ieder voor zich zeggen: “Heere, leer mij wat ik niet weet; want het weinige dat ik weet is niets vergeleken met de boekdelen van Uw wijsheid die ik niet gelezen heb en nog niet begrijp.”

III. Ten derde: de bijzondere toepassing van de belofte

Nu komen wij aan het derde deel van ons onderwerp, en dat is het beste van alle. “Roep tot Mij, en Ik zal u antwoorden, en Ik zal u bekend maken grote en vaste dingen, die gij niet weet.”

Ten eerste vatten wij deze belofte op als betrekking hebbend op de leerstukken van het evangelie. Ik beken dat ik, toen ik voor het eerst als voorganger in een dorp preekte, heel de “Body of Divinity” van dr. Gill en de “Institutie” van Calvijn doorlas. En toen ik dat gedaan had, dacht ik: “Nu heb ik de waarheid te pakken, dat weet ik zeker; en ik kan alle tegenstanders aan. Voegen zij zich niet naar de inzichten van die hooggeleerde man dr. Gill en van die uitnemende belijder Johannes Calvijn, dan zal ik ze spoedig met wortel en tak uitroeien.”

Ik begon te preken wat ik van deze grote en goede mannen geleerd had, en ik heb mij daar nooit over geschaamd; want als opvolger van dr. Gill schaam ik mij er ook nu niet voor zijn inzichten te onderschrijven en in te stemmen met de leerstellige uitspraken van Johannes Calvijn. Maar ik begon spoedig te ontdekken dat er ten slotte nogal wat te zeggen viel over zaken die dr. Gill en Johannes Calvijn niet genoemd hadden. En ik merkte dat ik mijn liefde enigszins moest verruimen en broeders in mijn hart moest opnemen die niet alles zagen wat deze verlichte mannen zagen. Bovendien ontdekte ik dat ik niet alles wist en dat ik nog veel te leren had — en dat ontdek ik elke dag opnieuw. Ik hoop altijd alle waarheid die ik ontvangen heb stevig vast te houden. Ik ben van zins met de ene hand de waarheden die ik al geleerd heb vast te grijpen, en de andere hand wijd open te houden om de dingen aan te nemen die ik nog niet weet.

Misschien is hier een jongeman die meent dat de een of andere dienaar heel de waarheid bezit, of dat hij haar zelf omvat heeft. Nu, jongeman, er zijn heel veel dingen die u niet weet; er zijn leerstukken die u niet begrijpt. Wacht een tijdje en onderzoek uw Bijbel meer, en u zult op de knieën gaan en zeggen: “Heere, ik heb mijn eigen onkunde nooit zo gekend als nu; wilt U mij Uw waarheid leren?”

Willen wij de waarheid van God begrijpen? Laten wij dan niet moedeloos worden. In antwoord op ons gebed zal God ons “grote en vaste dingen” bekend maken die wij nu niet weten. U bent een christen en toch begrijpt u de leer van de verkiezing niet, of de leer van de krachtdadige roeping brengt u in verwarring.

Heel veel mensen weten niet wat zij geloven. Niemand heeft het recht te zeggen dat hij tot de staatskerk hoort voordat hij het gebedenboek gelezen heeft. U hebt geen recht te zeggen dat u wesleyaan bent voordat u de predikaties van Wesley gelezen hebt; en u hebt geen recht te zeggen dat u een calvinist bent voordat u gelezen hebt wat Calvijn geloofde; en u hebt geen recht te zeggen dat u een christen bent voordat u uw Bijbel gelezen hebt, want de Bijbel is de maatstaf van het christelijk geloof en leven. En wanneer u uw Bijbel gaat lezen, zult u dit ene ontdekken: dat uw eigen kleine inzichten ten slotte niet zo ruim waren als de Bijbel. Dan zult u moeten zeggen: “Heere, maak mij grote en vaste dingen bekend die ik niet weet.”

Ik ben ervan overtuigd dat noch de staatskerk, noch de wesleyanen, noch de onafhankelijken, noch de baptisten heel de waarheid bezitten. Ik geloof dat wij in heel veel van onze leerstukken gelijk hebben, maar dat wij allen nog iets te leren hebben. De leer van de verantwoordelijkheid van de mens is niet te ontkennen, en de leer van Gods soevereiniteit is niet te betwisten. Ik hoop dat wij op zekere dag allen onze inzichten aan de toets van de Heilige Schrift zullen onderwerpen. Dan zullen wij één kerk hebben: “Een Heere, een geloof, een doop.” Dan zullen wij grote en vaste dingen weten die wij nu niet weten. Ik zou mijn baptistische vrienden ervan willen overtuigen dat hun stelsel niet volmaakt is, en u die lid van de episcopale kerk bent, dat uw kerkorde niet geheel zonder gebrek is. En ik zou u willen smeken, mijn vriend, om uw gemeente niet voor onfeilbaar te houden, hoe uitnemend zij ook is. Ga op uw knieën en vraag God u te leren wat u niet weet en u beter te maken dan uw belijdenis; anders bent u in negen van de tien gevallen niet veel waard.

In de tweede plaats zal God u grote en vaste dingen bekend maken die u niet weet in Zijn voorzienigheid. Een arm mens is in nood; hij heeft niets om zijn dagelijks brood te kopen. Laat hij tot God roepen en erom vragen. En al heeft hij nooit gezien dat de Heere Zijn hand uit de hemel uitstak, of hem door de raven voedde, of zijn dorst met water uit de steenrots leste, laat hij op de knieën gaan en hij zal ondervinden dat er in de voorzienigheid meer wonderen zijn dan u en ik tot nu toe gezien hebben. In antwoord op het gebed zullen wij zien hoe Gods voorzienigheid, al gaat zij onze gedachten verre te boven, toch naar onze gebeden is. Er zijn veel christenen die in grote nood geweest zijn en een allerwonderlijkste verlossing in de voorzienigheid ondervonden hebben. Hebben wij grote moeite, laten wij die dan bij onze grote God brengen; laten wij tot Hem roepen, en in de voorzienigheid zullen wij grote en vaste dingen zien die wij nu nog niet weten.

In de derde plaats zal God u grote en vaste dingen bekend maken in de zaken van de christelijke ervaring. Laten wij Gods Woord onderzoeken en ons aan het gebed geven, en dan zullen wij in de ervaring grote en vaste dingen zien die wij nog niet weten. Een christen is onmetelijk verder dan iemand van de wereld; en het is mogelijk dat een christen even ver boven zichzelf uitkomt als hij nu boven een zondaar staat die dood is in de zonden. Er is niet te zeggen hoe groot hij zelfs op aarde nog kan worden. Ik denk niet dat wij op aarde ooit volmaakt kunnen worden, maar wij weten niet hoe dicht bij de volmaaktheid wij kunnen komen. Wij mogen, zolang wij op aarde zijn, niet in de hemel wonen; maar wie kan zeggen hoeveel van de hemel in óns kan wonen terwijl wij hier zijn?

Hebt u ooit het leven van Herbert gelezen, of van Whitefield, of van Haliburton? Nadat wij zulke boeken gelezen hebben, zeggen wij bij onszelf: “Wat arme wormen zijn wij!” Wij voelen ons als Robert Hall, die tegen een dienaar die hem bezocht zei: “Ik ben zo blij u te zien! Die-en-die is hier geweest; hij staat zo verre boven mij dat ik mij in zijn bijzijn niets voelde, maar nu begin ik mij weer een mens te voelen.” Hebt u nooit in het gezelschap van een groot en machtig mens gevoeld alsof u helemaal niets was? Toen ik voor het eerst het leven van Henry Martyn las, kon ik mij enkele uren daarna niet van tranen weerhouden bij de gedachte hoe ver onder zo’n leven als het zijne ik leefde.

En toch weet u niet of u niet kunt klimmen waar zulke mensen geklommen zijn. De treden van de berg van de godsvrucht mogen steil zijn om aan te zien, maar zij zijn toegankelijk voor de voeten van de naarstigheid. Ga voort, en u zult nog staan waar Mozes stond en Kanaän zien van de top van de Nebo. Bedenk dat u nog in de laaglanden bent; wees niet beschaamd te erkennen dat u naar boven wilt klimmen. Buig uw knieën, en God zal u in de ervaring grote en vaste dingen bekend maken die u nog niet weet.

Is iemand tevreden met zijn eigen ervaring, dan komt dat geheel uit onkunde. Ik tart wie dan ook om de brieven van Rutherford ter hand te nemen, ze te lezen en zich er daarna van te kunnen weerhouden te zeggen: “Rutherford lijkt als een engel van God geweest te zijn; ik ben maar een mens, ik zal nooit kunnen staan waar Rutherford stond.” Wanneer ik op de sabbatavond van de kapel thuiskom, neem ik vaak het liedboek van George Herbert erbij. En dan is het mij, als ik zie hoeveel hij de Heere liefhad, alsof hij op zijn harp juist de tonen aangeslagen heeft die hij in het paradijs gehoord had, en ze alle opnieuw gezongen. Laten wij niet moedeloos worden: wij kunnen nog Herberts en Rutherfords en Whitefields worden. Ja, er is geen reden waarom wij niet zo groot zouden worden als de heiligen van het Oude of het Nieuwe Testament. Er is geen reden waarom wij niet zo groot zouden worden als Abraham en Izak en Jakob; want waarom zou niet ieder kind van God in deze dagen zo’n machtig man van het geloof worden als Abraham van ouds was? Laten wij de belofte van de tekst lezen: “Roep tot Mij, en Ik zal u antwoorden, en Ik zal u bekend maken grote en vaste dingen, die gij niet weet.”

En ten slotte geldt dezelfde waarheid ten aanzien van de algemene kerk van God. Mijn hart is verheugd geweest over het openen van Exeter Hall voor de prediking van het evangelie. Nooit sprong mijn hart zo op van vreugde als toen ik hoorde dat onze broeders van de staatskerk in Exeter Hall begonnen te preken — en ik werd bedroefd toen die deuren voor hen gesloten werden. Nu zijn onze vreugden verwoest en is ons geluk betrokken. Het blijkt dat wij aanstaande zondag in deze grote stad het bedroevende schouwspel zullen zien van een gebouw dat niet enkel voor de prediking van het Woord geopend is, maar werkelijk voor een sabbatsconcert. Wij zullen lezen van menigten die samenkomen in een gebouw dat toebehoort aan iemand die met een schouwburg verbonden is; wij zullen horen dat mensen bijeengebracht worden en dat er iemand gevonden wordt die voorgeeft hun het evangelie te prediken, terwijl de “Messiah” wordt uitgevoerd als het grote lokmiddel om hen te trekken. Misschien is er niemand die meer verdriet voelt dan ik dat deze verschrikkelijke wolk over ons gekomen is.

De duivel mag op zekere dag het Kristallen Paleis, het museum en elke andere plaats op zondag openen; máár de HEERE regeert. En zou dit volk aan sabbatschennis overgegeven worden, laten wij dan niet vertwijfelen. God zit als de Regeerder in de hemel, en zo zeker als Hij God is zal Hij de overwinning verkrijgen. De duivel zal zichzelf te slim af zijn, zoals hij altijd gedaan heeft; de satan zal in zijn eigen kuil vallen.

Ik hoop echter dat de christenen van dit land zeer ernstig zullen zijn in het roepen tot God. Bid onophoudelijk tot de Allerhoogste dat Hij de prediking van het evangelie onder de menigte doet gedijen; maar ook dat Hij nooit toelaat dat ons ingaan in ongewijde plaatsen verdraaid en tot onheilige doeleinden gekeerd wordt; en dat God uit het grote kwaad groter goed zal voortbrengen en Zich zo verheerlijken, en ons zo grote en vaste dingen bekend maken die wij niet weten.

Ik kan nu alleen nog de Heere smeken Zijn zegen over ieder van u uit te gieten. Wees ernstig in het gebed en standvastig in het smeken. En hebt u Christus nog nooit gekend, dan moge Hij u spoedig door de Heilige Geest bekend gemaakt worden, en mogen uw gebeden tot de hemel opgeheven worden dat Hij u Zijn zaligheid doet zien — die een van de “grote en vaste dingen” is die u nu nog niet weet! Amen.

Preek nr. 2664 · Bron: The Spurgeon Library (spurgeon.org), Metropolitan Tabernacle Pulpit, deel 46

Steun ons met een donatie

Uw steun helpt ons om Het Spurgeon Archief in stand te houden. Dankzij uw bijdrage kunnen wij ons werk voortzetten en dit waardevolle archief gratis aanbieden en vrijhouden van reclame en commerciële invloeden.

Wij danken u hartelijk voor uw steun en betrokkenheid!

Archiefhulpmiddelen

Contact

Heeft u een tekstfout gevonden, of heeft u een vraag? Stuur dan een E-mail naar: [email protected]

Over de Auteur

C.H. Spurgeon

1834 – 1892 Was een Engelse baptistenpredikant in de puriteinse traditie. Belangrijke onderwerpen uit zijn prediking waren de vergeving van zonden en de noodzaak van wedergeboorte.

Onze Socials:

Copyright & Content