Een preek uitgesproken op zondag 2 juni 1861, door C. H. Spurgeon, in de Metropolitan Tabernacle, Newington.
In Zijn dagen zal Juda verlost worden, en Israel zeker wonen; en dit zal Zijn naam zijn, waarmede men Hem zal noemen: De HEERE: ONZE GERECHTIGHEID. Jeremia 23:6
De mens heeft door de val een oneindig verlies geleden op het punt van de gerechtigheid. Hij verloor een rechtvaardige natuur, en daarna leed hij een dubbel verlies van wettelijke gerechtigheid voor Gods aangezicht. De mens zondigde, en daarom was hij niet langer onschuldig aan overtreding. De mens hield het gebod niet, en daarom was hij schuldig aan de zonde van het nalaten. In wat hij bedreef én in wat hij naliet werd zijn oorspronkelijke oprechtheid volkomen verwoest.Jezus Christus is gekomen om het onheil van de val voor Zijn volk ongedaan te maken. Voor zover hun zonde bestond in het breken van het gebod, heeft Hij die weggenomen door Zijn kostbaar bloed. Zijn zielsangst en bloedig zweet hebben de gevolgen van de zonde voor gelovigen voor altijd weggedaan, omdat Christus door Zijn ene offer de straf van die zonde in Zijn vlees gedragen heeft. Hij is het “Die Zelf onze zonden in Zijn lichaam gedragen heeft op het hout”.
Maar het is voor een mens niet genoeg dat hij vergeving ontvangt. Hij is dan wel in Gods oog zonder zonde; maar van de mens werd geëist dat hij het gebod werkelijk hiéld. Het is niet genoeg dat hij het niet gebroken heeft, of dat hij door het bloed aangezien wordt alsof hij het niet gebroken heeft. Hij móet het houden; hij moet blijven in alles wat “in het boek der wet geschreven” is, “om dat te doen”. Hoe wordt in die nood voorzien? De mens moet een gerechtigheid hebben, of God kan hem niet aannemen. De mens moet een volmaakte gehoorzaamheid hebben, of God kan hem niet belonen. Zou Hij de hemel geven aan een ziel die de wet niet volmaakt gehouden heeft, dan gaf Hij het loon waar de dienst niet gedaan is — en dat zou voor God een daad zijn waarop Zijn rechtvaardigheid aan te vechten viel.
Waar is dan de gerechtigheid waarmee de vergeven mens volkomen bedekt zal zijn, zodat God hem kan aanzien als iemand die de wet gehouden heeft, en hem daarvoor kan belonen? Broeders, zeker is niemand van u zo verdwaasd te menen dat u die gerechtigheid zelf kunt voortbrengen. U moet elke hoop opgeven dat u de wet ooit volmaakt zult houden. Elke dag zondigt u. Sinds u van de dood tot het leven overgegaan bent, worstelt de oude Adam nog altijd om de heerschappij in u. Het goede dat u zou willen doen, doet u niet, en het kwade dat u niet zou willen, doet u maar al te vaak.
Sommigen hebben gemeend dat het werk van de Heilige Geest in ons ons een gerechtigheid geeft om in te staan. Broeders, wij zouden geen woord willen zeggen dat afbreuk doet aan het werk van de Heilige Geest; het is goddelijk. Maar wij houden het voor een groot hoofdpunt in de godgeleerdheid dat het werk van de Geest nooit bedoeld was om de verdienste van de Zoon te vervangen. Wij zouden de Heere Jezus Christus niet willen verkleinen om het ambt van de Heilige Geest te verhogen. Wij weten dat elk afzonderlijk deel van de goddelijke zaligheid dat door de personen van de Drie-eenheid op zich genomen is, door ieder van hen tot volmaaktheid is uitgevoerd. Worden wij nu aangenomen in de Geliefde, dan moet dat zijn door iets dat de Geliefde gedáán heeft; worden wij gerechtvaardigd in Christus, dan moet dat zijn door iets dat niet de Geest maar Christus gedaan heeft.
Wij moeten dan geloven — er is geen andere mogelijkheid — dat de gerechtigheid waarin wij bekleed moeten worden, waardoor wij aangenomen worden en waardoor wij bekwaam gemaakt worden het eeuwige leven te beërven, niets anders kan zijn dan het werk van Jezus Christus. Wij zeggen daarom, en de Schrift geeft ons daartoe alle grond, dat het léven van Christus de gerechtigheid uitmaakt waarin Zijn volk bekleed moet worden. Zijn dood waste hun zonden af; Zijn leven bedekte hen van het hoofd tot de voeten. Zijn dood was de voldoening aan God; Zijn leven was de gave aan de mens, waardoor de mens aan de eis van de wet voldoet. Zo wordt de wet geëerd en de ziel aangenomen.
Ik merk dat veel jonge christenen die heel helder zijn over het behouden worden door de verdienste van Christus’ dóód, de verdienste van Zijn léven niet lijken te begrijpen. Bedenk, jonge gelovige, dat Christus van het eerste ogenblik dat Hij in de kribbe lag tot het uur dat Hij opvoer naar omhoog aan het werk was voor Zijn volk. Van het ogenblik dat Hij op de arm van Maria gezien werd tot het ogenblik dat Hij in de armen van de dood Zijn hoofd boog en de geest gaf, was Hij aan het werk voor uw zaligheid en de mijne. Hij voltooide het werk van de gehoorzaamheid in Zijn leven en zei tot Zijn Vader: “Ik heb voleindigd het werk, dat Gij Mij gegeven hebt om te doen.” Daarna voltooide Hij het werk van de verzoening in Zijn dood, en wetende dat alles volbracht was riep Hij: “Het is volbracht!”
In Zijn leven spon Hij als het ware het weefsel voor het koninklijke kleed, en in Zijn dood doopte Hij dat kleed in Zijn bloed. In Zijn leven vergaderde Hij het kostbare goud; in Zijn dood sloeg Hij het uit tot een gewaad van gedreven goud. U hebt Christus evenveel te danken voor Zijn léven als voor Zijn sterven, en u behoort voor Zijn vlekkeloze leven even eerbiedig en innig dankbaar te zijn als voor Zijn verschrikkelijke dood.
De tekst spreekt van Christus, de Zoon van David, de Spruit uit de wortel van Isaï, en noemt Hem “De HEERE: ONZE GERECHTIGHEID”. Ik deel mijn onderwerp in drieën. Ten eerste bevestig ik dat het zó is: Christus ís de HEERE onze gerechtigheid. Ten tweede roep ik u op Hem die eer te bewijzen: laten wij Hem zó noemen, want dit is de naam waarmee men Hem noemen zal. En ten derde doe ik een beroep op uw dankbaarheid: laten wij ons verwonderen over de heersende genade die ons zoetelijk gedwongen heeft Hem de HEERE onze gerechtigheid te noemen.
I. Het is zo: Jezus Christus is de HEERE onze gerechtigheid
Er staan drie woorden: “de HEERE” — in het oorspronkelijke “Jehova” — en “onze gerechtigheid”.
Hij is Jehova. Lees het vers, en u zult duidelijk zien dat de Messias van de Joden, Jezus van Nazareth, de Zaligmaker van de heidenen, zeker Jehova is. Hij draagt de onmededeelbare titel van de allerhoogste God: “Ziet, de dagen komen, spreekt de HEERE, dat Ik aan David een rechtvaardige Spruit zal verwekken; Die zal Koning zijnde regeren, en voorspoedig zijn, en recht en gerechtigheid doen op de aarde. In Zijn dagen zal Juda verlost worden, en Israel zeker wonen; en dit zal Zijn naam zijn, waarmede men Hem zal noemen: De HEERE: ONZE GERECHTIGHEID.”
Wij weten, en wij getuigen het vandaag in Zijn Naam, dat juist die Christus die als kind in de kribbe lag toen al oneindig was; dat Hij die schreide, en van louter pijn schreide als een kind, op datzelfde ogenblik door de zangen van de schepselen die Zijn handen gemaakt hadden als God begroet werd. Hij die met pijn over de steenachtige akkers van Palestina liep, was tegelijk de bezitter van hemel en aarde. Hij die geen plaats had om het hoofd neer te leggen en veracht en van de mensen verworpen was, was op datzelfde ogenblik God boven alles te prijzen in eeuwigheid. Hij die grote druppels bloed zweette, droeg de aarde op Zijn schouders. Hij die in de zaal van Pilatus gegeseld werd, werd aangebeden door “de geesten der volmaakte rechtvaardigen”. Hij die aan het hout hing, had heel de schepping aan Zich hangen. Hij die aan het kruis stierf, was de eeuwig Levende. Als mens stierf Hij, als God leeft Hij. Als de zoon van Maria bloedde Hij; als de Zoon van de eeuwige God had Hij de heerschappij over heel de wereld.
In de schepping bewijst Christus dat Hij God is: “Alle dingen zijn door Hetzelve gemaakt, en zonder Hetzelve is geen ding gemaakt, dat gemaakt is.” En “alle dingen bestaan te zamen door Hem”. Wie minder dan God kon hemel en aarde maken? Buig u voor Hem, buig u voor Hem, want Hij heeft u gemaakt; en zouden de schepselen hun Schepper niet erkennen?
Ook de voorzienigheid getuigt van Zijn Godheid. Hij “alle dingen draagt door het woord Zijner kracht”. De schepselen die adem hebben, hebben die uit Zijn neusgaten; de levenloze schepselen die sterk en machtig zijn, staan alleen door Zijn sterkte. Van de aarde kan Hij zeggen: Ik draag haar pilaren. In de diepe grondvesten van de zee wordt Zijn macht gevoeld, en in de torenhoge bogen van de sterrenhemel wordt Zijn kracht ten volle erkend.
En wat de genade betreft, wij houden staande dat Christus Jehova is in het grote koninkrijk van Zijn genade. Wie minder dan God kon uw zonden en de mijne dragen en ze alle wegwerpen? Wie minder dan God kon tussenbeide treden om ons uit de muil van de leeuwen van de hel te verlossen en ons uit de kuil op te halen, nadat Hij een rantsoen gevonden had? Op wie minder dan God konden wij ons verlaten om ons te bewaren voor de ontelbare verzoekingen die ons omringen? Hoe kan Hij minder dan God zijn, wanneer Hij zegt: “En ziet, Ik ben met ulieden al de dagen tot de voleinding der wereld”? Hoe kon Hij alomtegenwoordig zijn als Hij geen God was? Hoe kon Hij onze gebeden horen — de gebeden van miljoenen, verspreid over de wijdte van de aarde — en op ze alle letten en ze alle aannemen, als Hij niet oneindig was in verstand en oneindig in verdienste? Laat de spotters spotten; wij zullen roemen in dit ene feit: dat Hij die ons met Zijn bloed gekocht heeft Jehova is, waarachtig God van waarachtig God. Aan Zijn voetbank buigen wij en bewijzen Hem dezelfde eer die wij Zijn Vader en de Geest bewijzen.
Maar de tekst spreekt ook van gerechtigheid. En ook dat is Hij. Christus was in Zijn leven zo rechtvaardig dat wij van dat leven mogen zeggen dat het de gerechtigheid zelf is. Christus is de wet in het vlees. Versta mij goed: Hij heeft de wet van God tot op de bodem uitgeleefd. En terwijl u Gods geboden in vuur geschreven ziet op de kruin van de Sinaï, ziet u ze in vlees geschreven in de persoon van Christus.
Hij heeft nooit tegen de geboden van de Rechtvaardige misdaan. Uit Zijn oog heeft nooit het vuur van een onheilige toorn geflitst. Op Zijn lip heeft nooit een onrechtvaardig of ongebonden woord gehangen. Zijn hart werd nooit bewogen door de adem van de zonde. In het verborgene van Zijn binnenste lag geen fout verscholen. In Zijn verstand was geen gebrek, in Zijn oordeel geen dwaling, in Zijn wonderen geen vertoon. In Hem was werkelijk geen bedrog.
De wet bestaat allereerst hierin: “Gij zult liefhebben den Heere, uw God, met geheel uw hart.” Dat deed Hij. Het was Zijn spijs en Zijn drank de wil te doen van Hem die Hem gezonden had. Nooit heeft iemand zich zo uitgegeven als Hij. Honger en dorst en naaktheid waren Hem niets, en de dood zelf ook niet, als Hij maar gedoopt mocht worden met de doop waarmee Hij gedoopt moest worden en de beker mocht drinken die Zijn Vader Hem gezet had. En de wet bestaat ook hierin: “Gij zult uw naaste liefhebben als uzelven.” In alles wat Hij deed en in alles wat Hij leed heeft Hij dat gebod meer dan vervuld, want anderen heeft Hij verlost, Zichzelf kon Hij niet verlossen. Hij heeft de uiterste krachten van de liefde uitgeput in de diepe toewijding van het liefhebben. Hij had de mens liever dan Zijn eigen leven. Hij liet Zich liever bespuwen dan dat de mens in de vlammen van de hel zou worden geworpen, en gaf liever de geest in een doodsstrijd die niet te beschrijven is dan dat de zielen die Zijn Vader Hem gegeven had zouden worden weggeworpen.
Hij heeft de wet dus tot op de letter uitgevoerd; Hij heeft haar geheimzinnige lettergrepen uitgespeld, en waarlijk, Hij heeft haar groot gemaakt en heerlijk. Jezus Christus was de gerechtigheid in eigen persoon. “Wie van u overtuigt Mij van zonde?” mocht Hij met recht zeggen. Achttienhonderd jaar zijn sindsdien voorbijgegaan, en de godslastering zelf heeft Hem geen fout kunnen aanwrijven. Hoe vreemd het ook lijkt: de meest bevooroordeelde rechters hebben toch de ontzagwekkende waardigheid van Zijn karakter erkend. Zij hebben Zijn wonderen gehoond, zij hebben Zijn Godheid geloochend; maar Zijn rechtvaardige karakter hebben zij, voor zover ik weet, niet durven aanvechten.
De kern van de titel ligt echter in dat kleine woord “onze”: “de HEERE onze gerechtigheid”. Dit is de enterhaak waarmee wij Hem aangrijpen. Dit is het anker dat neerduikt tot op de bodem van deze grote diepte van Zijn onbevlekte gerechtigheid. Dit is de klinknagel waarmee onze ziel aan Hem verbonden is. Dit is de gezegende hand waarmee onze ziel Hem aanraakt, en waardoor Hij ons alles in allen wordt.
Er ligt in deze titel een zeer kostelijke leer. Wanneer wij in Christus geloven, ontvangen wij door het geloof onze rechtvaardigmaking. Zoals de verdienste van Zijn bloed onze zonde wegneemt, zo wordt de verdienste van Zijn gehoorzaamheid ons toegerekend tot gerechtigheid. Zodra wij geloven, worden wij aangezien alsof de werken van Christus ónze werken waren. God ziet ons aan alsof die volmaakte gehoorzaamheid waarover ik zojuist sprak door onszelf volbracht was; alsof onze eigen handen bezig geweest waren aan het weefgetouw, en alsof de stof die verwerkt is tot het fijne lijnwaad dat de gerechtigheid van de heiligen is op onze eigen akker gegroeid was. God ziet ons aan alsof wij Christus waren; Hij ziet ons aan alsof Zijn leven ons leven geweest was, en Hij neemt ons aan, zegent ons en beloont ons alsof alles wat Híj deed door ons, Zijn gelovig volk, gedaan was. En let erop dat dezelfde profeet Jeremia even verder schrijft: “In die dagen zal Juda verlost worden, en Jeruzalem zeker wonen; en deze is, die haar roepen zal: De HEERE, onze GERECHTIGHEID.”
Men heeft deze leer in vroeger dagen verfoeilijk en losbandig genoemd. Wij houden staande dat zij niet verfoeilijk is maar allerheerlijkst, niet gruwelijk maar Godgelijk, niet losbandig maar heilig. En laten anderen zeggen wat zij willen, wij zullen blijven zingen dat de volmaakte gerechtigheid van Jezus onze schoonheid en ons heerlijk kleed is; en wij zullen dat volhouden op de dag dat alle dingen door het vuur beproefd worden, omdat wij er vast van overtuigd zijn dat wij vrijmoedig zullen staan op die grote dag — want wie zal iets inbrengen tegen ons, wanneer wij bekleed zijn met de goddelijke gerechtigheid? Zo vraagt de apostel immers: “Wie zal beschuldiging inbrengen tegen de uitverkorenen Gods? God is het, Die rechtvaardig maakt.”
De toerekening is trouwens geen uitzonderingsgeval dat alleen bij de gerechtigheid van Christus voorkomt; zij ligt aan de bodem van heel het onderwijs van de Schrift. Hoe zijn wij gevallen, broeders? Wij zijn gevallen door de toerekening van Adams zonde aan ons. Adam was ons verbondshoofd; hij vertegenwoordigde ons; en toen hij zondigde, zondigden wij vertegenwoordigenderwijs in hem, en wat hij deed werd ons toegerekend. U zegt dat u met die toerekening nooit ingestemd hebt. Maar ik zou niet willen dat u dat zei, want zoals wij door vertegenwoordiging gevallen zijn, zo is het door datzelfde stelsel dat wij opstaan. De engelen vielen persoonlijk, ieder voor zich, en zij staan nooit meer op; maar wij vielen in een ander, en daarom is ons door goddelijke genade de macht gegeven in een ander op te staan.
Ontken deze leer, en ik vraag u: hoe worden mensen dan úberhaupt vergeven? Worden zij niet vergeven omdat Christus voldoening voor de zonde gegeven heeft? Goed — maar dan moet die voldoening hun ook toegerekend worden; anders, hoe is God rechtvaardig wanneer Hij hun de vrucht van de dood van een ander geeft? Zeggen wij dat de gerechtigheid van Christus aan alle gelovige zielen toegerekend wordt, dan houden wij geen uitzonderlijke stelling voor, maar leggen wij een grote waarheid uit die zo overeenkomt met de leer van de val en met het plan van de vergeving, dat zij staande gehouden móet worden om het evangelie helder te maken.
Ik meen dat Luther deze leer het artikel noemde waarmee de kerk staat of valt. Bij Luther was de toegerekende gerechtigheid zo verweven met de rechtvaardigmaking door het geloof, dat hij tussen die twee geen onderscheid kon zien. En ik moet bekennen dat ik, wanneer ik een verschil probeer op te merken, er ook niet veel zie. Ik zou de rechtvaardigmaking door het geloof moeten opgeven als ik de toegerekende gerechtigheid opgaf. De rechtvaardigmaking door het geloof is de bovengrond, maar de toegerekende gerechtigheid is de granieten rots die eronder ligt. Graaft u door de eenvoudige waarheid heen dat een zondaar door het geloof in Christus gerechtvaardigd wordt, dan komt u onvermijdelijk uit bij de leer van de toegerekende gerechtigheid van Christus als het fundament waarop die eenvoudige waarheid rust.
Laten wij nu even stilstaan en over heel deze titel nadenken. Broeders, de Wetgever heeft zélf de wet gehoorzaamd. Denkt u niet dat Zijn gehoorzaamheid genoeg zal zijn? Jehova is Zelf mens geworden om het werk van de mens te doen; denkt u dat Hij het onvolkomen gedaan heeft? Jehova, die de engelen omgordt die uitmunten in kracht, heeft de gestalte van een dienstknecht aangenomen om gehoorzaam te worden; denkt u dat Zijn dienst onvoltooid zal zijn?
Laat het feit dat de Zaligmaker Jehova is uw vertrouwen versterken. Wees vrijmoedig, wees zeer moedig. Zie terug op uw vroegere zonden, zie op uw tegenwoordige zwakheden en op al uw toekomstige dwalingen; en terwijl u de tranen van de boetvaardigheid weent, laat geen vrees voor verdoemenis uw wang doen verbleken. U staat vandaag voor God, gehuld in het kleed van uw Zaligmaker. Adam was, toen hij in de prielëlen van Eden wandelde, niet meer aangenomen dan u, en niet aangenamer in het oog van de alles oordelende, de zonde hatende God, als u met Jezus’ gerechtigheid bekleed en met Zijn bloed besprengd bent. U hebt een betere gerechtigheid dan Adam had. Hij had een menselijke gerechtigheid; uw kleed is goddelijk. Hij had een volledig kleed, dat is waar, maar de aarde had het geweven. U hebt een even volledig kleed, maar de hemel heeft het voor u gemaakt.
In de Schrift wordt de gerechtigheid van Christus vergeleken met fijn wit lijnwaad: draag ik het, dan ben ik zonder vlek. Zij wordt vergeleken met gedreven goud: draag ik het, dan ben ik waardig aan te zitten aan het bruiloftsmaal van de Koning der koningen. In de gelijkenis van de verloren zoon wordt zij vergeleken met het beste kleed: dan draag ik een beter kleed dan de engelen, want zij hebben niet het béste. Ik, arme verloren zoon, eens in lompen gekleed en makker van de dieren in de stal, ik ben toch in het beste kleed gehuld en zo aangenomen in de Geliefde.
En zij is bovendien een eeuwige gerechtigheid — Daniël sprak al van het aanbrengen van “een eeuwige gerechtigheid”. Dat is misschien wel het schoonste eraan: dat dit kleed nooit verslijten zal en dat geen draad ervan ooit begeven zal. Nooit zal het in flarden op de rug van de zondaar hangen. Al leefde hij zo lang als Methusalem, het kleed zal zijn alsof het gisteren geweven was. Hij zal door de stroom van de dood gaan, en die zwarte stroom zal het niet bevuilen. Hij zal de heuvels van de hemel beklimmen, en de engelen zullen zich verwonderen wat die witheid toch is die de zondaar draagt, en denken dat er een nieuwe ster van de aarde opkomt om in de hemel te schijnen.
II. Een oproep aan uw geloof: laten wij Hem zo noemen
“Dit zal Zijn naam zijn, waarmede men Hem zal noemen: De HEERE: ONZE GERECHTIGHEID.” Laten wij Hem noemen bij deze grote naam die de mond van de HEERE der heirscharen genoemd heeft.
Laten wíj Hem zo noemen, arme zondaars — ook wij die vandaag neergeslagen zijn om onze zonde. U bent schuldig. Uw eigen geweten erkent dat de wet u veroordeelt, en u ducht de straf. Ziel, wie Christus Jezus vertrouwt is behouden, en wie in Hem gelooft is niet veroordeeld. Voor elke ziel die zich toevertrouwt is Christus “de HEERE onze gerechtigheid”. Noem Hem zo, ik bid u.
“Ik heb niets goeds van mijzelf”, zegt u. Hier is elk goed ding in Hém. “Ik heb de wet gebroken”, zegt u. Daar is Zijn bloed voor u; geloof in Hem, Hij zal u wassen. “Maar ik heb de wet ook niet gehouden.” Daar is Zijn houden van de wet voor u. Neem het aan, zondaar, neem het aan. Geloof in Hem. “Maar ik durf niet.” Bewijs Hem de eer het tóch te wagen. “Maar het lijkt onmogelijk.” Eer Hem dan door het onmogelijke te geloven. “Maar hoe kan Hij zo’n ellendige als ik behouden?” Ziel, Christus wordt juist verheerlijkt in het behouden van ellendigen. Hij geneest ongeneeslijke zondaars, en Hij neemt onaannemelijke zondaars aan. Hij ontvangt zondaars die menen dat zij niet waard zijn ontvangen te worden. Vertrouw Hem alleen maar, en zeg: “Hij zal vandaag mijn gerechtigheid zijn.”
“Maar als ik het nu deed en het bleek aanmatiging?” Dat is onmogelijk. Hij nodigt u, Hij gebiedt het u; laat dat uw vrijbrief zijn. “En dit is Zijn gebod, dat wij geloven in den Naam van Zijn Zoon Jezus Christus.” Kunt u het niet met luide stem zeggen, laat de hemel het dan horen in het bevende zwijgen van uw ziel.
En u die van een staat van beven overgegaan bent tot een levend geloof: ik smeek u, noem Hem zo. Laat uw geloof, terwijl u Hem ziet lijden en bloeden en sterven, zeggen: “Zo zijn mijn zonden afgewassen.” Maar laat uw geloof daar niet blijven staan. Terwijl u Hem ziet zweten en arbeiden en een zelfverloochenend, moeizaam leven leiden, zeg dan: “Zo is de wet voor míj gehouden.”
Kom nu aan de voet van de Sinaï; en ziet u zijn bliksemen flitsen en hoort u zijn donder rollen, wees dan moedig en zeg met Mozes: ik zal boven die donderslagen opklimmen, ik zal midden in de stormwolk staan en met God spreken, want ik heb geen reden tot vrezen. Voor mij zijn er geen donderkeilen; voor mij kan geen bliksemschicht zijn pijl verschieten, want ik ben volkomen gerechtvaardigd in het oog van God door de gerechtigheid van Jezus Christus. Zeg dat, kind van God! Doet de zonde van gisteren u stamelen? Geloof dan, tegen al uw zonden in, dat Hij nog altijd uw gerechtigheid is. Uw goede werken maken Zijn gerechtigheid niet beter; uw slechte werken bevlekken haar niet. Dit is een kleed dat uw beste daden niet kunnen verstellen en uw slechtste daden niet kunnen bederven. U staat in Hém, niet in uzelf.
En sommigen van ons kunnen het nog beter zeggen: niet enkel uit geloof maar uit genieting. Wij herinneren ons goed de dag dat wij Hem voor het eerst “de HEERE onze gerechtigheid” noemden. Wat een vrede bracht dat, wat een blijdschap! Sindsdien hebben wij het waar bevonden, want wij hebben voorrechten gehad die wij niet hadden kunnen hebben als Hij onze gerechtigheid niet was. Wij zijn met God verzoend, en Hij kon niet verzoend zijn met iemand die geen volmaakte gerechtigheid had. Wij hebben vrijmoedige toegang tot God Zelf gehad, en Hij zou ons die toegang nooit toegelaten hebben als wij niet het kleed van onze Broeder droegen. Wij zijn tot kinderen aangenomen en hebben de Geest van de aanneming ontvangen, en God had niemand dan rechtvaardigen tot Zijn huisgezin kunnen aannemen. Onze gebeden zijn verhoord, en dat kon niet anders dan doordat Hij Christus door ons heen scheen te horen roepen en Christus’ verdiensten in ons zag.
Broeders, uw godgeleerdheid moet bevindelijk zijn, anders zal zij u niet baten. Ik zou geen strohalm geven voor uw leer als u die enkel uit een boek of uit een stelsel van mensen geleerd hebt. Wij moeten deze dingen in ons leven waar bevinden. Ik kan het zeggen en ik móet het zeggen — en dit getuigenis is geen zelfverheffing: ik weet dat er in het geloof in de toegerekende gerechtigheid van Christus een troost ligt die geen enkele andere leer geven kan. Er is iets waarop een mens slapen en waken kan, waarop hij leven en sterven kan, in de vaste overtuiging dat hij door God aangenomen wordt alsof de daden van Christus zijn daden waren en de gerechtigheid van Christus zijn gerechtigheid.
Denk aan Jozua de hogepriester, van wie de HEERE zei: “Doet deze vuile klederen van hem weg… Zie, Ik heb uw ongerechtigheid van u weggenomen, en Ik zal u wisselklederen aandoen”, en die daarna een reine hoed op het hoofd kreeg. Zo mag ook u, gehuld in de klederen van Jezus, onze grote Hogepriester, komen en een aangenaam offer brengen. Laten wij dan Zijn Naam aanroepen en Hem in onze eredienst verheffen als “de HEERE onze gerechtigheid”.
En laat nu heel de algemene kerk van Christus in één blij gezang Jezus Christus de HEERE hun gerechtigheid noemen. Ontwaakt, u eilanden van de zee; juich, woestijn waar Kedar woont; u volk van God, verstrooid en geplukt, verbannen onder de heidenen, gekweld door de vuile wandel van de afgodendienaars — zing vanuit uw hutten en uit de verlaten plaatsen die u bewoont: “De HEERE onze gerechtigheid!” Laat geen erfgenaam van de hemel op dit uur zwijgen. Al bent u door de storm geslingerd en half een wrak, zeg toch: “Gij zijt de HEERE mijn gerechtigheid.” Al bent u in de diepste kerker geworpen, zeg toch, wanhopige ziel: “De HEERE mijn gerechtigheid.” Laat niemand uit heel het gelovige huisgezin zijn lied inhouden, maar laten wij samen zingen: “De HEERE onze gerechtigheid.”
En u, geesten die in het wit wandelen, u heerlijken die dag en nacht juichend Zijn troon omringen; u heiligen die Hem vóór Zijn dag aanschouwd hebt en gestorven bent zonder de belofte verkregen te hebben maar haar van verre gezien; Abraham en Izak en Jakob en Mozes en Samuël en David en heel de machtige schare — zing, zing vandaag tot Hem, en laat dit de kruin van uw lied zijn: “De HEERE onze gerechtigheid.” Terwijl de cherubs alleen kunnen zeggen: “Heilig, heilig, heilig; Hij is rechtvaardig”, heffen wij een hogere toon aan en zeggen: ja, driemaal heilig — maar Hij is de HEERE ónze gerechtigheid.
III. Een oproep aan uw dankbaarheid
Ik besluit door een beroep te doen op uw dankbaarheid. Laten wij ons verwonderen over die wonderlijke, heersende genade die u en mij ertoe gebracht heeft Hem “de HEERE onze gerechtigheid” te noemen.
Wanneer ik tien of twaalf jaar terugzie op een dwaze jongen die weinig gaf om de dingen van God, die gebukt ging onder een verschrikkelijk besef van zonde en zo vaak tot de rand van de wanhoop gedreven werd dat hij meende dat er voor hem geen vergeving en op aarde geen geluk was — dan kan ik voor mijzelf alleen dit zeggen: o, de rijkdom van de genade van God in Christus, dat ik hier niet alleen sta in het besef dat Hij de HEERE mijn gerechtigheid is, maar Hem ook aan u mag prediken! O God, U hebt wonderlijke dingen gedaan. U hebt door de mond van Jeremia gezegd: “Dit zal Zijn naam zijn, waarmede men Hem zal noemen.” Ik noem Hem vandaag zo, uit het diepst van mijn ziel. Jezus van Nazareth, lijdende Mens, heerlijke God, U bent de HEERE mijn gerechtigheid!
Zou ik deze vraag rond laten gaan door deze galerijen en hierbeneden, wat een honderden antwoorden zouden er komen van wie de oproep van de dankbaarheid met vreugde gehoorzamen! En onder hen die op het punt staan aan de gemeente toegevoegd te worden, zijn er zeer velen die een bijzonder voorbeeld zijn van die genade die hen zoetelijk gedrongen heeft Christus hun gerechtigheid te noemen. Sommigen van hen hebben zelf voor ons in de gemeentevergadering beleden dat zij in de dronkenschap zwelgden — één van hen tot hij door dertig jaar gewoontedrank zijn verstand bijna weggedronken had. Anderen waren onrein en onkuis tot zij tot de uiterste lengten van het kwaad gegaan waren. Er zijn er hier vandaag veel die, al zouden zij over het verleden blozen, toch niet zouden weigeren tot eer van de verlossende genade te vertellen dat zij eens bijna elke misdaad op de lijst bedreven hebben; en hebben zij die ene niet bedreven, dan was het niets dan de vrijmachtige genade van God die hen weerhield.
Sommige leden van deze gemeente hebben in elk deel van de wereld gezondigd, in elke hoek van de aardbol, en elke vorm van lust en ondeugd bedreven. Had u hun tien jaar geleden gevraagd of zij ooit in een huis van gebed zouden zijn, zij zouden dat met een vloek van zich afgeworpen hebben als een belediging, en u vervloekt hebben omdat u veronderstelde dat zij zich zo zouden verlagen als het belijden van het geloof in Christus. Broeders en zusters, het zou mij niet verbazen als u nu opstond en zei: “Ja, en toch is Jehova Jezus de HEERE onze gerechtigheid.”
Wie zou gedacht hebben dat de lip van de godslasteraar juist die profetie zou vervullen; dat de tong die zich nauwelijks kon bewegen zonder een vloek toch Christus zou verheerlijken; dat het hart dat zwart was van opgehoopte lust, en de mond die een graf geworden was waaruit dodelijke damp opsteeg, nu een plaats voor gezang en een huis voor muziek geworden zijn, terwijl hart en tong zeggen: “Ja, Hij is de HEERE mijn gerechtigheid, op deze dag!”
Broeders, u en ik weten dat er in de leer van de vrije wil niets zit; in ons geval was zij in elk geval niet waar. Aan onszelf overgelaten, waar zouden wij geweest zijn? Het was onwederstandelijke genade die ons ertoe gebracht heeft Hem “de HEERE onze gerechtigheid” te noemen. Het was dat goddelijke “Ik zál” dat onze wil aan stukken brak. Het was die sterke arm die de ijzeren spier van onze trotse nek verbrak en ons deed buigen — ons, die niet wilden dat deze Man over ons Koning zou zijn. Het was Zijn vinger die het blinde oog opende, want eens zagen wij geen gedaante in Hem. Het was Zijn adem die ons ijzige hart ontdooide, want eens voelden wij geen liefde tot Hem. Maar nu, door soevereine genade overwonnen, verlangt onze geest naar Zijn omhelzing; dit is onze schoonheid en ons heerlijk kleed: Jezus, de HEERE onze gerechtigheid.
En dit zal onze roem zijn hier beneden, en ons lied voor eeuwig: de HEERE onze gerechtigheid.
Preek nr. 395 · Bron: The Spurgeon Library (spurgeon.org), Metropolitan Tabernacle Pulpit, deel 7


