Een preek uitgesproken op zondagmorgen 8 oktober 1876, door C. H. Spurgeon, in de Metropolitan Tabernacle, Newington.
Wordt van het kwade niet overwonnen, maar overwint het kwade door het goede. Romeinen 12:21
Dit is een heel kernachtig vers, en de vorm ervan helpt het geheugen goed op weg. Het verdient de naam van een christelijk spreekwoord. Ik zou iedere christen aanraden het uit het hoofd te leren en gereed te houden voor gebruik; want er zijn heel wat spreekwoorden in omloop die een heel andere strekking hebben, en die vaak worden aangehaald om onchristelijke beginselen het gezag van een gezegde mee te geven. Hier is een geïnspireerd spreekwoord — neem het met u mee, en gebruik het als een wapen om de aanvallen van de wereldse wijsheid af te weren. “Wordt van het kwade niet overwonnen, maar overwint het kwade door het goede.”Let erop dat de tekst ons een keuze lijkt voor te leggen tussen twee dingen, en ons vraagt het beste ervan te kiezen. U moet óf door het kwade overwonnen worden, óf zelf het kwade overwinnen: er is geen derde weg. U kunt het kwade niet met rust laten, en het kwade zal u niet met rust laten. U moet strijden, en in die strijd moet u winnen of verliezen. Er is geen ontkomen aan het gevecht, geen wapenstilstand, geen kort schermutselen waarna de wapens rusten — de strijd moet uitgevochten worden tot het einde, en kan alleen eindigen met een beslissende overwinning voor de ene of de andere kant. Soldaten van Christus, twijfelt u lang welke van de twee u kiest: overwinning of nederlaag?
Volkomen door het kwade overwonnen worden zou een zeer verschrikkelijke zaak zijn. Ik zal er weinig over zeggen, omdat ik hoop dat wij, door goddelijke genade, zo bewaard zullen worden dat wij nooit uit ervaring zullen weten wat het is om door het kwade overwonnen te worden! Mogen wij “meer dan overwinnaars zijn, door Hem, Die ons liefgehad heeft”. Mogen wij gelukkig onwetend blijven van wat het is om door de machten van het kwade verslagen te worden, omdat de goddelijke genade ons voortdurend de overwinning geeft. Wanneer wij ook maar één ogenblik door het kwade overwonnen worden, komt daarin de treurige zwakheid van ons geestelijk leven aan het licht.
Wij zijn dan nog kinderen in de genade en droevig vleselijk, als de zonde ons de baas mag worden. Waren wij sterker in de Heere en in de sterkte van Zijn macht, dan zouden wij zelfs de wereld door het geloof overwinnen: schreef Johannes niet aan de jongelingen dat “gij zijt sterk, en het Woord Gods blijft in u, en gij hebt den boze overwonnen”? Als wij ook maar een ogenblik door het kwade overwonnen worden, zal dat ons, wanneer wij bij zinnen zijn, grote droefheid geven. Een gevoelig geweten zal zich hevig kwellen zodra de nederlaag geleden is, en wanneer wij terugblikken op onze val, als die er is, zal het ons dagelijks verdriet doen dat wij ons door het kwade lieten overwinnen. Door het kwade overwonnen worden onteert onze Heere, en opent de mond van tegenstanders.
Wie op onze struikeling loeren, zullen er zeker veel van maken. “Meld het, meld het”, zeggen zij, en zij melden het door heel het land dat een dienstknecht van Christus door het kwade overwonnen is. En als door het kwade overwonnen worden niet slechts nu en dan gebeurde maar doorlopend was, als het van ons hele leven gezegd kon worden dat wij door het kwade overwonnen werden, dan zou dat bewijzen dat wij niet van Christus zijn; want wie uit God geboren is, overwint de wereld.
Onze Heere Jezus zei: “Hebt goeden moed, Ik heb de wereld overwonnen”, en Hij maakt al Zijn ware discipelen deelgenoot aan deze overwinning. Alleen aan overwinnaars worden de grote beloften van het boek Openbaring gegeven — “Die overwint, Ik zal hem geven te eten van het manna, dat verborgen is.” “Die overwint, Ik zal hem maken tot een pilaar in den tempel Mijns Gods.” “Die overwint, Ik zal hem geven met Mij te zitten in Mijn troon, gelijk als Ik overwonnen heb, en ben gezeten met Mijn Vader in Zijn troon.” In de strijd van het leven verslagen worden, zou bewijzen dat wij niet horen bij dat overwinnend zaad, dat, al wordt zijn hiel gewond, toch de kop van de vijand zal vermorzelen. Prent het u dus in: het kwade moet overwonnen worden; het is noodzakelijk dat wij deze strijd voeren en erin slagen. Wij moeten de machten van de duisternis overwinnen.
Weinig woorden, maar zwaar van betekenis, zijn deze van onze tekst. In één kernachtige zin wordt ons de strijd voor ogen gesteld, en wordt het zwaard van de veldslag in onze hand gelegd. “Wordt van het kwade niet overwonnen, maar overwint het kwade door het goede.” Het goede is het enige wapen dat wij in deze vreselijke strijd mogen gebruiken, en wij mogen ervan verzekerd zijn dat het toereikend en doeltreffend zal blijken. Enig ander wapen gebruiken is niet alleen ongeoorloofd maar ook volstrekt onmogelijk, want wie het zwaard van het kwade hanteert, is geen soldaat van Christus meer.
De tekst heeft het oog op persoonlijk aangedaan onrecht, en daarom zullen wij ons tot dat ene punt beperken, ook al is het beginsel voor een veel bredere toepassing vatbaar. In de strijd met zonde en dwaling moeten onze wapens heiligheid en waarheid zijn, en alleen die: het is een wijd onderwerp, en ik zal er nu niet aan wagen. Dat het in mijn tekst gaat om persoonlijk aangedaan onrecht, blijkt duidelijk uit de voorafgaande verzen: “Wreekt uzelven niet, beminden, maar geeft den toorn plaats; want er is geschreven: Mij komt de wraak toe; Ik zal het vergelden, zegt de Heere. Indien dan uw vijand hongert, zo spijzigt hem; indien hem dorst, zo geeft hem te drinken; want dat doende, zult gij kolen vuurs op zijn hoofd hopen.”
Wat het onrecht dat ons persoonlijk wordt aangedaan betreft: de gewone methode is het kwade met kwaad te overwinnen; daarover eerst. Ten tweede is de goddelijke methode het kwade met goed te overwinnen; daarover zullen wij spreken, en dat zal ongetwijfeld onze tijd vullen. Omdat dit een zeer praktisch onderwerp is, laten wij de Heilige Geest smeken ons de wil van Christus te leren, en ons vervolgens in staat te stellen die in alle dingen te gehoorzamen. Ik zal zeer teleurgesteld zijn als dit onderwerp ons niet vernedert én onderwijst, en als het dat doet, doen wij er goed aan meteen te vluchten tot het bloed van de verzoening, opdat wij van vroegere fouten gereinigd worden en toegerust voor toekomstige heiligheid.
I. De gewone manier om onrecht te vergelden is het kwade met kwaad te overwinnen
Wie eigen gelijk wil halen, kent de spreekwoorden wel: gelijke munt terugbetalen, iemand net zo behandelen als hij u behandelt, hem geven wat hij verdient. Ik zou een rij spreekwoorden kunnen opnoemen die allemaal hetzelfde denkbeeld van wraak, of ten minste van kwaad met kwaad vergelden, inprenten.
Ik merk allereerst op dat het kwade met kwaad overwinnen een zeer natuurlijk verschijnsel is. Het valt zelfs de eerste de beste dwaas in: een krankzinnige of een onnozele zou het doen. U hoeft uw kinderen er niet toe op te voeden, het dringt zich al op in hun kinderjaren, en zij slaan op de vloer waarop zij vielen en op de post waar zij zich aan stootten, om die te straffen voor hun pijn. Het is natuurlijk, droevig natuurlijk. Een soort instinct dringt ertoe, het instinct van de worm die zich omdraait wanneer erop getrapt wordt. Dit instinct zegt: wij hoeven toch geen onrecht te dulden zonder het te vergelden, en wat kunnen wij beter doen dan anderen behandelen zoals zij ons behandelen? Toegegeven moet ook worden dat er een schijn van rechtvaardigheid in deze manier van vechten tegen het kwade zit. Waarom zou iemand die mij laat lijden, niet ook zelf lijden? En als hij mij onrecht aandoet, waarom zou ik mij dan niet verdedigen en hem laten voelen wat hij mij liet voelen? Ik geef graag toe dat dit buitengewoon natuurlijk is, en een schijn van rechtvaardigheid heeft. Maar tot welk deel van ons is het natuurlijk? Denk daar eens even over na.
Is het natuurlijk voor de nieuw geschapen geest die in gelovigen woont, of is het natuurlijk omdat er in ons ook iets dierlijks is? Is het de nieuwe mens in ons die wraak ingeeft? Of is het het vlees, het loutere dierlijke in ons, dat uithaalt om zichzelf te wreken? Een ogenblik nadenken laat u zien dat kwaad met kwaad vergelden natuurlijk is voor de dierlijke natuur, maar dat het nooit natuurlijk is en kan zijn voor de nieuw geschapen geest, wiens aard gelijk is aan de God waaruit hij voortkomt, namelijk liefde, zachtmoedigheid en vriendelijkheid. Goed voor kwaad is Godgelijk; goed voor goed is mensgelijk; kwaad voor goed is duivelgelijk; en kwaad voor kwaad — wat is dat? Ik haal het aan om mijn punt te bewijzen: het is beestachtig, het lijkt op het beest dat schopt omdat het geschopt wordt, stoot omdat het gestoten wordt, en bijt omdat het gebeten wordt. Wij kunnen het lagere deel van onze drieledige natuur toch niet laten voorschrijven aan onze hemels geboren geest.
Wij mogen de knecht niet tot meester maken. Wij zullen natuurlijk zijn, maar dan de natuur die wij bij onze wedergeboorte ontvangen hebben, toen wij deelgenoot gemaakt werden van de goddelijke natuur, en in staat gesteld het bederf van de wereld te ontvluchten. Dat kwaad met kwaad vergelden lijkt op ruwe, gemakkelijke rechtvaardigheid, dat heb ik toegegeven; maar is iemand dan ook bereid deze regel van gerechtigheid voor zichzelf toe te passen, in zijn eigen zaak? Is hij bereid om voor God te staan en kwaad te ontvangen voor zijn eigen kwaad? “Hij zal recht ontvangen zonder barmhartigheid, die geen barmhartigheid bewijst.” Is hij bereid voor God te staan op dezelfde voorwaarden als waarop hij de belediger voor zichzelf zou willen laten staan? Nee, onze enige, ware hoop moet liggen in de barmhartigheid van God, Die overtredingen vrijelijk vergeeft. Wij moeten opzien naar oneindige liefde, en de Heere smeken naar de veelheid van Zijn goedertierenheden zich over ons te ontfermen; en daarom moeten wij ook barmhartigheid bewijzen aan anderen. Kwaad met kwaad vergelden is natuurlijk, maar God bevrijde ons van de natuur die het natuurlijk maakt! Het is inderdaad rechtvaardig, in zekere zin, maar van dat soort rechtvaardigheid moge onze Verlosser ons redden!
Verder is toegegeven dat de kunst om kwaad met kwaad te vergelden zeer, zeer gemakkelijk is. Als u, mijn beste vriend, er een regel van maakt dat niemand u ooit beledigt zonder ervoor te betalen, of u met onwaardigheid behandelt zonder in u zijn meerdere te vinden, dan hoeft u God ‘s morgens niet te bidden om u te helpen dat voornemen uit te voeren. Er is geen worsteling in gebed voor nodig om genadig in staat gesteld te worden wraak te nemen op uw tegenstanders en voor uw rechten op te komen: dat kunt u beslist beter door op uzelf te vertrouwen dan door op God te zien; sterker nog, u durft er God niet eens over aan te spreken. De duivel zal u helpen, en tussen uw eigen hartstocht en de boze zal het wel lukken. Er is geen enkele reden voor waakzaamheid, u hoeft niet op uw hoede te zijn of uw geest in bedwang te houden; integendeel, u kunt het allerslechtste deel van uw natuur alle ruimte geven, en losbarsten naar de woede van uw driftige gemoed. Gebed en nederigheid van gemoed staan hier natuurlijk buiten spel. En ook geloof is niet nodig; u zult uw zaak niet aan God toevertrouwen en die aan Hem overlaten, u zult uw eigen strijd voeren, oude rekeningen vereffenen terwijl u verdergaat, en uw vertrouwen stellen op felle woorden, op uw sterke vuisten, of op de wet en de politieman. Christelijke deugden zullen u dan te veel in de weg staan om er nog aan te denken. Zachtmoedigheid, deemoed, verdraagzaamheid, vergevingsgezindheid — u zult ze vaarwel zeggen, en u de deugden aanmeten van een wilde of van een buldog. Dit alles is buitengewoon gemakkelijk, al zal het straks misschien blijken moeilijk te zijn.
Nu leg ik het christenen voor: kan hetgeen zo bijzonder gemakkelijk is voor de allerslechtste mensen, ooit de juiste weg zijn voor hen die de besten van de mensen behoren te zijn? Als het goddelijke plan van de liefde moeilijk is en veel genade vraagt om het te kunnen volgen — en dat geef ik graag toe — als het inderdaad zeer moeilijk is het vol te houden en veel gebed, veel waakzaamheid en veel zelfoverwinning zal vergen, is het dan niet juist daarom des te zekerder de juiste weg? Wat de allerslechtsten van de mensen zo gemakkelijk afgaat, laat dat de tollenaars en zondaars maar overlaten; maar wat u betreft, die meer barmhartigheid van God ontvangen hebt dan andere mensen, zou u dan niet meer teruggeven? U gelooft dat u opnieuw geboren bent, u hebt een nieuw en hemels leven ontvangen; wat doet u meer dan anderen? Behoort u niet te tonen dat er meer in u is dan in anderen, doordat er meer uit u komt dan uit anderen? Van ons wordt veel meer verwacht dan van de onwedergeborenen; van nature, en terecht, wordt hoog verwacht van mensen die zulke hoge belijdenis afleggen; en als de belijdende christen in zijn dagelijkse omgang niet beter is dan de goddeloze, dan is hij, reken er maar op, in het geheel geen christen. Wij bezitten een hoger leven, en wij zijn opgeheven tot een edeler platform dan de gewone mensenkinderen, en daarom moeten wij een edeler leven leiden en ons laten leiden door verhevener beginselen.
Laat de kinderen van de duisternis kwaad met kwaad vergelden, en hun oorlogen en gevechten, hun twisten en hun jaloezieën, hun boosaardigheid en hun wraak volhouden: maar wat u betreft, gelovigen, u bent de kinderen van de God van liefde, en liefde moet uw leven zijn. U bent vernieuwd in de geest van uw gemoed, en u mag niet gelijkvormig worden aan deze wereld, maar veranderd naar het beeld van Christus, uw Meester. Kwaad met kwaad vergelden zou een beginsel moeten zijn dat u verafschuwt, en uw liefdevolle geest zou zo moeten zijn dat het niet langer gemakkelijk is om kwaad met kwaad te vergelden, maar moeilijk, ja onmogelijk, om zoiets ooit te doen. Wraak en woede zouden de geest van een kind van God even vreemd moeten zijn als aan een engel voor de troon.
Door velen is kwaad met kwaad vergelden beschouwd als de meer mannelijke weg. Jaren geleden was het, als een heer zich beledigd achtte, volgens de toenmalige erecode noodzakelijk dat hij het bloed van de belediger vergoot, of ten minste zichzelf blootstelde aan hetzelfde levensgevaar. God zij dank, die moorddadige gewoonte is nu bijna geheel van de aardbodem verdwenen. De geest van het christendom heeft dit kwaad langzaam overwonnen, maar in de wereld leeft nog altijd de gedachte dat het iets bijzonder mannelijks heeft om voor uzelf op te komen, mensen te laten weten wat u bent, nooit voor iemand te buigen, maar uw eigen zaak te verdedigen en uw eer te handhaven, terwijl toegeven, u onderwerpen, geduldig, zachtmoedig, vriendelijk zijn beschouwd wordt als onwaardig voor een man van geest. Men noemt dat lafhartig, terwijl naar mijn overtuiging juist de moedigste man is wie het meeste kan verdragen. Wie is nu, christenen, uw voorbeeld van een man? U hoeft geen ogenblik te aarzelen, dat weet ik zeker. Er is maar één voorbeeld van een christen, en dat is de Mens Christus Jezus.
Wilt u dan bedenken dat alles wat Christusgelijk is, mannelijk is, en dat alles wat u mannelijk acht zonder Christusgelijk te zijn, in feite onmannelijk is, gemeten naar de hoogste maatstaf van man-zijn? De Heere Jezus nadert een Samaritaans dorp, maar men wil Hem niet ontvangen, hoewel Hij altijd vriendelijk voor de Samaritanen was geweest. De goede, zachtmoedige Johannes wordt hevig verontwaardigd en roept: “Heere, wilt Gij, dat wij zeggen, dat vuur van den hemel nederdale, en dezelve verslinde?” Jezus antwoordt zachtmoedig: “Gij weet niet van hoedanigen geest gij zijt. Want de Zoon des mensen is niet gekomen om der mensen zielen te verderven, maar om te behouden.” Zie Hem bij een andere gelegenheid: uw Meester is zojuist opgestaan van Zijn knieën, met het bloedig zweet nog op Zijn gelaat; Judas komt en verraadt Hem, en men grijpt Hem ruw aan, en daarom, hevig geprikkeld, trekt de dappere Petrus zijn zwaard; en om het meteen maar in te wijden, houwt hij het oor van Malchus af. Hoor hoe zachtmoedig Jezus zegt: “Keer uw zwaard weder in zijn plaats; want allen, die het zwaard nemen, zullen door het zwaard vergaan” — en Hij geneest datzelfde oor terstond. Was dat mannelijk, denkt u? Was het mannelijk om te weigeren vuur van de hemel te roepen, en het gewonde oor aan te raken en te genezen? Mij lijkt het bij uitstek mannelijk, en moge mijn mannelijkheid en de uwe zo zijn.
Zie onze Heere opnieuw voor de hogepriester, wanneer een dienaar van het hof, verbitterd door Zijn zachtmoedige antwoorden, Hem op de wang slaat; wat zegt Jezus dan? Let op het verschil tussen Christus en Paulus. Paulus zegt: “God zal u slaan, gij gewitte wand!” Braaf gezegd, Paulus, dat is nog eens voor uzelf opkomen! Wij kunnen u dat niet kwalijk nemen, want wie zijn wij om een apostel te veroordelen? Maar zie naar Paulus’ Meester, en hoor Zijn woorden: “Indien Ik kwalijk gesproken heb, betuig van het kwade; en indien wel, waarom slaat gij Mij?” Is het voorbeeld van Jezus niet edeler, niet Godgelijker? Niemand kan de twee ooit naast elkaar zetten zonder te voelen dat het gedrag van de Heere veel verhevener is. Het past ons niet de dienstknecht van Christus na te volgen wanneer Christus Zelf hem overtreft.
Hierin ligt de overwinning: wanneer iemand zichzelf zo overwint, dat hij op kwaadaardige woorden antwoordt met goede en wijze woorden, en niet met felle en beledigende woorden. Christenen, zie op Christus, uw Heere, Die heel Zijn leven zulke tegenspraak van zondaars tegen Zichzelf verdragen heeft; Die, toen Hij gescholden werd, niet terugschold, maar Zich overgaf aan Wie rechtvaardig oordeelt; en Die zelfs op het wrede kruis, terwijl Hij bespot werd door wie eromheen stonden, niets anders had te zeggen dan dit: “Vader, vergeef het hun; want zij weten niet, wat zij doen.” O, Mens van alle mensen, wees Gij voortaan de maatstaf van alle mannelijkheid waarnaar wij streven, en al noemen anderen het tegenovergestelde mannelijk, zoals zij willen — wij denken er niet zo over.
Wij durven, geliefde vrienden, nu vrijmoedig te verklaren dat de oude, gemakkelijke, natuurlijke methode van kwaad met kwaad vergelden, gewoonweg niet werkt. Niemand heeft ooit het kwade overwonnen door het met kwaad tegemoet te treden. Zo’n houding vermeerdert het kwaad alleen maar. Toen de grote brand bij London Bridge woedde, zou het een vreemde manier zijn geweest om die te blussen of onder controle te houden, als onze brandweermannen er vlakbij nog een brandje bij gesticht hadden, of er olie op gepompt hadden; en toch heb ik mensen gekend die probeerden het kwaad van iemands driftig karakter te overwinnen door zelf driftig te worden — door er nog een teervat bij te rollen, zodat het vuur nog feller ging branden dan tevoren. Dat is het kwaad niet overwinnen, en het kwaad zal nooit overwonnen worden totdat water de zee verdrinkt. Een zacht antwoord keert de grimmigheid af, maar toorn wekt meer toorn en meer zonde. Zie hoe een klein vuur een grote hoop kan aansteken, wanneer het brandstof krijgt en aangewakkerd wordt door hevige winden.
Erger nog: wanneer wij het kwade met kwaad bestrijden, zijn wij zelf al overwonnen: wij zijn zelf al gevallen in het kwaad waarover wij klagen. Zolang wij kalm en stil kunnen blijven, zijn wij overwinnaars; maar dat wij losbarsten in een driftbui, is onze eigen nederlaag, en overwonnen als wij zijn, hoe kunnen wij dan anderen overwinnen? Broeders, het verlangen om kwaad met kwaad te vergelden slaagt niet, omdat het onszelf veel meer schade toebrengt dan de persoon die wij ermee willen overwinnen. Er is gezegd dat de slechtste vrede beter is dan de beste oorlog, en ik geloof dat vrijwel alles beter is dan boos worden. Nauwelijks enig onrecht dat wij ooit lijden zal ons zo schaden als de schade die uit onze eigen boosheid en wraakzucht voortvloeit. Onze vijanden zijn het niet waard dat wij ons daarover opwinden; tien minuten van een bonzend hart en een verstoorde bloedsomloop veroorzaken ons meer werkelijke lichamelijke schade dan een vijand in zeven jaren zou kunnen aanrichten.
Tien minuten van een vurige vloed die de hele ziel overspoelt is een ernstige ramp, iets waar wij ons niet vaak aan mogen wagen. Tien minuten waarin u Jezus niet in het aangezicht zou kunnen zien, tien minuten waarin u zich zou schamen te denken dat de Meester nabij is, tien minuten van verbroken gemeenschap — dit is een zeer ernstige zelfkwelling. Laten wij het onze vijanden niet gunnen dat het hun genoegen doet. Helaas, ik heb belijders gekend die deze toorn dagen en weken lang koesterden. Hoe moet het een mens niet schaden om zijn hele ziel al die tijd te laten koken! Om zijn hart te laten braden in het vuur van de toorn. Ik vind dit te pijnlijk om te verdragen, zelfs voor korte tijd; het is in ieder opzicht schadelijk voor ons, het schaadt het gemoed blijvend. Kwaad met kwaad vergelden is een scherp gereedschap dat de gebruiker zelf verwondt: een soort kanon dat het gevaarlijkst is voor wie het afvuurt, zowel bij het schot als bij de terugslag. Wilde u uw vijand vernietigen, dan zou het verstandig zijn hem dit gevaarlijke wapen cadeau te doen en hem er het volle monopolie op te laten hebben. Ik mag oprecht zeggen dat wanneer wij het kwade met kwaad bestrijden, het kwaad dat van ons uitgaat ons veel meer schade doet dan enig kwaad dat wij van anderen ondervinden.
Bovendien houdt de methode van kwaad met kwaad vergelden geen nader onderzoek stand; zij verdraagt geen overdenking en overweging. Laat ieder wedergeboren mens zich een ogenblik neerzetten, nadat hij in deze praktijk vervallen is, en zich als christen afvragen hoe hij zich erover voelt. Hij heeft de plaats van God ingenomen, want de wraak behoort alleen de Rechter van de hele aarde toe: hoe voelt hij zich, terwijl hij als een indringer optreedt? Wie ben ik, dat ik naar Gods troon zou opklimmen en Zijn zwaard grijpen, en mijzelf tot rechter en beul onder de mensen zou maken! Zal dit een overdenking doorstaan? Kan een kind van God zichzelf zo schuldig zien staan aan hoogverraad tegen zijn Koning? Hoe voelt een mens zich wanneer hij op zijn knieën ligt en zich herinnert wat hij gedaan heeft? Hoe zegt hij dan: “vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onzen schuldenaren”? Vullen zijn ogen zich niet met tranen, en is zijn hart niet zwaar van berouw? Hoe zullen uw harde woorden en felle daden eruitzien wanneer u ze bekijkt vanaf uw sterfbed? Zullen scheldpartijen, gevechten en processen daar een aangename herinnering zijn? Kan zoiets als kwaad met kwaad vergelden ooit onderwerp zijn van onze lof aan God? Kunnen wij ooit de God van liefde danken omdat Hij ons in staat gesteld heeft onszelf te wreken? Als wij er niet over kunnen bidden of erover kunnen loven, laten wij het dan liever laten. Is er iets in dat wij Christus in het oor zouden kunnen fluisteren? Is er iets in dat ons helpt tot nadere gemeenschap met Hem te komen? Is er iets in toorn en wraak dat ons voorbereidt op het werk van de aarde of op de vreugde van de hemel?
Het is slecht, door en door slecht. Het beste wat ik erover kan zeggen, is dat er zeldzame gevallen kunnen zijn waarin de uitlokking zo groot is dat anderen ons niet zullen veroordelen, maar dan moet ik er nog aan toevoegen dat wij ons daarvoor zelfs dan beter niet kunnen verontschuldigen. De gezindheid van Christus is dat wanneer wij op de ene wang geslagen worden, wij ook de andere toekeren, en dat wij in geen geval iemand kwaad met kwaad vergelden. Geliefde broeders, ik smeek u bij de barmhartigheden Gods dat u voor altijd afstand doet van de methode om kwaad met kwaad te bestrijden, en dat u het voorbeeld volgt van uw Heere, Die Zijn juk op u neemt en van Hem leert, want Hij is zachtmoedig en nederig van hart.
II. De goddelijke manier om het kwade te overwinnen is met het goede
En hier geef ik van meet af aan graag toe: dit is een zeer verheven manier van handelen. “Overwin het kwade door het goede! Belachelijk!” zegt de een; “Utopisch”, roept een ander; “Het kan goed zijn voor de republiek van Plato”, zegt een derde, “maar het zal nooit deugen voor het gewone dagelijkse leven.” Welnu, ik zal er niet voor terugdeinzen te erkennen dat dit een zeer hoge levenswandel is, een wandel die van de gewone wereldling niet verwacht kan worden, maar van christenen verwachten wij hogere dingen. U hebt een hoge roeping van God in Christus Jezus, en daarom bent u geroepen tot een hoge levensstijl, door uw heerlijke Leidsman, de Heere Jezus Christus. Broeders, als het moeilijk is, beveel ik het u juist daarom aan; wat is er dat goed is en niet ook moeilijk? Soldaten van Christus houden het meest van die deugden die hun het meest kosten. Is het moeilijk te verkrijgen, dan is de parel des te kostbaarder. Aangezien er genade genoeg is om ons in staat te stellen op onze Heere te gaan lijken, zullen wij ook naar deze deugd streven, en de grote genade verkrijgen die het beoefenen ervan vereist.
Merk op dat deze tekst niet alleen een lijdzaam niet-verzetten inscherpt, hoewel dat al een heel eind gaat, maar dat hij ons oproept tot actieve weldadigheid jegens vijanden. “Overwin het kwade door het goede”, met rechtstreekse, openlijke daden van vriendelijkheid. Dat wil zeggen: als iemand u onrecht heeft aangedaan, vergeef het dan niet alleen, maar wreek het door hem een gunst te bewijzen. Dr. Cotton Mather was pas tevreden wanneer hij een weldaad had bewezen aan ieder die hem op enigerlei wijze onrecht had aangedaan. Heeft iemand u belasterd of onvriendelijk behandeld, ga dan uit uw weg om hem van dienst te zijn. “Indien dan uw vijand hongert, zo spijzigt hem.” U zou kunnen zeggen: “Wel, het spijt mij voor hem, maar hij is werkelijk zo’n schooier, ik zou er niet aan denken hem te helpen.”
Toch is hij volgens deze Schriftplaats juist degene die u verplicht bent te voeden. Dorst hij, zeg dan niet: “Ik hoop dat iemand hem te hulp komt; ik voel geen vijandigheid jegens de man, maar ik ga niet uit mijn weg om hem te drinken te geven.” Volgens het gebod van uw Heere is hij juist degene aan wie u te drinken moet geven. Ga meteen naar de bron en vul uw kruik, en haast u om hem terstond en overvloedig te drinken te geven. U hoeft niet alleen te vergeven en te vergeten, maar u wordt geboden om aan het boosaardige gemoed de gezegende, zonde-dodende slag van uw hartelijke en praktische welwillendheid toe te dienen. Geef een zegen voor een vloek, een kus voor een klap, een gunst voor een onrecht. “O”, zegt u, “dit is te hoog gegrepen, dat kan ik niet bereiken.” God is in staat u kracht te geven om ook dit te bereiken.
“Het is moeilijk”, zegt u. Ja, maar als u Christus als uw Meester erkent, moet u doen wat Hij u zegt, en in plaats van terug te schrikken omdat Zijn gebod het vlees en bloed moeilijk lijkt, moet u roepen: “Heere, vermeerder mijn geloof, en geef mij meer van Uw Geest.” Zeventig maal zevenmaal vergeven zou Christus niet zwaar gevallen zijn, want Hij deed het Zijn hele leven lang, en het zal u ook niet zwaar vallen als dezelfde gezindheid in u is die ook in Christus Jezus was. Daartoe bent u geroepen. Het is een verheven gemoedsgesteldheid, en zij is buitengewoon moeilijk en vraagt goddelijke genade, waakzaamheid en een leven dicht bij God, maar juist om die redenen is zij des te meer waardig van een volgeling van Jezus, en daarom moeten wij ernaar streven met heel ons hart.
Het voordeel van deze methode om goed met kwaad te vergelden, is dat zij de mens bewaart voor het kwaad. Wordt u door kwaad aangevallen, en u bestrijdt het slechts met het goede, dan kan het u niet deren, u bent onkwetsbaar. Als iemand u vervloekt, en u antwoordt hem met een zegen, dan is het duidelijk dat de vloek u geen kwaad heeft gedaan: hij heeft u niet vol vloeken gemaakt, want anders zou er wel een uit u zijn gekomen. Als iemand u belasterd heeft, maar u geeft hem nooit een verwijtend woord terug, dan heeft hij uw ware karakter niet kunnen beschadigen; de modder die hij gegooid heeft, heeft u gemist, want u hebt niets om terug te gooien. Als, ondanks veel uitlokking, uw gemoed kalm en rustig blijft, dan heeft de uitlokking u niet geraakt, de pijl is onschadelijk voorbijgeschoten.
Waar uw vijand juist op uit is, is dat hij u tot zijn niveau van boosheid en boosaardigheid neertrekt, maar zolang u, hoezeer ook uitgelokt, onaangetast blijft, overwint u hem. Geloof mij, u tergt uw tegenstander enorm als u zelf volkomen kalm blijft, u stelt hem teleur, hij kan zijn giftige pijlen niet meer bij u insteken, want u bent gehuld in beproefd harnas. Hij tracht u schade toe te brengen, maar hij kan het niet; hij faalt erin u tot zonde te brengen, en zo mist hij zijn doel. Ziet u niet wat een wonderbaar harnas dit is? Als God u bewaart, zodat u niets dan goede wensen en goedgezindheid koestert jegens de man die u haat en uw ondergang zoekt, dan bent u werkelijk een overwinnaar.
Terwijl deze houding u beschermt, is zij tegelijk het beste aanvalswapen tegen de tegenstander. William Ladd had een boerderij in een van de staten van Amerika, en zijn buurman Pulsifer bezorgde hem veel last, omdat hij een ras magere, langbenige schapen hield, zo lenig als spaniëls, die over vrijwel elke omheining sprongen. Deze schapen waren erg verzot op een fraai korenveld van Ladd, en waren er voortdurend te vinden. Klagen had geen zin, want Pulsifer trok zich kennelijk niets aan van het verlies van zijn buurman. Op een morgen zei Ladd tegen zijn knechten: “Zet de honden op die schapen af, en als dat ze niet buiten houdt, schiet ze dan neer.” Toen hij dit gezegd had, dacht hij bij zichzelf: “Dit deugt niet. Ik probeer liever het vredebeginsel.”
Dus stuurde hij zijn mannen weer weg met een ander bevel, en reed naar zijn buurman om over die lastige schapen te spreken. “Goedemorgen”, zei hij, maar hij kreeg geen antwoord: hij probeerde het opnieuw, en kreeg alleen een soort gegrom. “Buurman”, zei hij, “ik ben gekomen om over die schapen te spreken.” “Ja”, antwoordde Pulsifer, “dat weet ik. Een fraaie buurman bent u, om uw mannen te bevelen mijn schapen dood te schieten! U, een rijk man nog wel, en dan een arme man zijn schapen doodschieten!” Er volgden nog wat harde woorden, maar Ladd antwoordde: “Ik had het mis, buurman, en het spijt mij. Denk er niet meer aan. Maar buurman, laten wij het eens worden. Het lijkt erop dat ik uw schapen maar moet houden, en het is niet goed hen al dat koren te laten opeten, dus ik kwam zeggen dat ik ze in mijn eigen weide zal nemen en ze het hele seizoen houden; en mist u er een, dan mag u die uit de mijne kiezen.” Pulsifer keek verbouwereerd, en stamelde toen: “En, jonker, meent u dat werkelijk?” Toen hij merkte dat Ladd zijn aanbod echt gestand deed, bleef Pulsifer een ogenblik zwijgend staan en zei toen: “De schapen zullen u geen last meer bezorgen. Als u begint over schieten, kan ik ook schieten; maar als u zo vriendelijk en als een buurman spreekt, kan ik ook vriendelijk zijn.”
De schapen kwamen daarna nooit meer bij Ladd terecht. Zo verslaat u een kwade gezindheid: dit is het kwade met het goede overwinnen. Was de een begonnen te schieten en had de ander teruggeschoten, dan waren zij ongetwijfeld beiden verliezer geweest, beiden overwonnen; maar toen de beledigde alleen vriendelijkheid terugbetaalde, was de strijd voorbij. Ik herinner mij, hoewel ik het alleen aanhaal, niet om mijzelf te prijzen, maar als voorbeeld: een zekere persoon, ook een heel goed man, was heel boos over iets waarvan ik meende dat ik het moest doen, en riep mij ter verantwoording.
Ten slotte zei hij: “Als u dat doet, zal ik u aan de kaak stellen in een pamflet.” Ik was op dat moment in een genadige stemming, niet uit mijn evenwicht te brengen, noch van mijn koers af te brengen. Ik zei rustig tegen hem: “Wat denkt u dat het pamflet zal kosten?” “Och”, zei hij, “dat weet ik niet, maar wat het ook kost, ik zal het doen.” Ik antwoordde: “Welnu, als u meent dat u het moet doen, zou het mij spijten u in de schulden te zien komen, en daarom zal ik de drukkosten betalen. Ik vertrouw erop dat u een waarheidsgetrouw verslag geeft, en ik schaam mij allerminst mijn handelwijze zo openbaar mogelijk te laten worden, ik zou het zelfs liever hebben.” Hij zei dat hij geen geld van mij wilde aannemen. “Welnu”, antwoordde ik, “misschien denkt u dat er winst op de verkoop zal zitten; die winst is geheel voor u. Uw eigen vrienden kunnen het voor u laten drukken, ik zal het geld voorschieten, en u houdt de winst.” Ik heb daarna nooit meer iets van dat pamflet gehoord, en hij is op dit moment een uitstekende vriend van mij, en ik hoop dat hij dat altijd zal blijven.
Rustig blijven is doorgaans de manier om een tegenstander te ontwapenen; er is dan geen enkel wapen waarmee hij u kan verwonden. Weigert u terug te schelden op zijn schelden, wat blijft er dan met u te doen? Het gaat net als toen een zekere hertog de oorlog verklaarde aan een vreedzame buurstaat, die vastbesloten was niet te vechten. De troepen reden naar de stad en vonden de poorten open als op elke gewone dag. De kinderen speelden op straat, de smid stond aan zijn smidse, de winkeliers achter hun toonbank; en de soldaten hielden hun paarden in en vroegen: “Waar is de vijand?” “Wij weten het niet. Wij zijn vrienden.” Wat viel er onder deze omstandigheden nog te doen dan terug te rijden? Zo gaat het ook in het leven: ontmoet u het kwade alleen met het goede, dan is het werk van de kwaadaardige gedaan.
Het is wel eens voorgekomen dat kwaadaardige mensen tot goede mensen bekeerd zijn, en zo overwonnen zijn op de allerbeste manier, doordat zij zagen hoe een geduldig christen goed met kwaad vergold. Enkele jaren geleden was een goddeloze, verdorven zeeman bezig een schip te teren, toen er een oude man voorbijkwam die in de omgeving bekendstond als christen. Een van de maten van de zeeman zei tegen hem: “Jack, jij zou die man toch niet kunnen uitdagen; hij is zo’n zachtmoedig man, jij zou hem toch niet uit zijn evenwicht kunnen brengen.” Jack was er heilig van overtuigd dat hij dat wel kon, en er werd om gewed. De goddeloze kerel nam zijn emmer teer, waarmee hij de kiel aan het teren was, en waagde het die zomaar over de goede oude man heen te gooien. Het was een uiterst schandelijke aanval, en de kerel verdiende de zwaarste straf van de wet.
De oude man keerde zich om en zei kalm tegen hem: “De Heere Jezus Christus heeft gezegd dat wie een van deze kleinen ergert, het beter zou zijn dat hem een molensteen om de hals gehangen werd en dat hij in de zee geworpen werd: welnu, als ik een van de kleinen van Christus ben, zal dit slecht voor u aflopen.” Jack sloop weg, vreselijk beschaamd over zichzelf. Bovendien bleef het rustige gezicht van de oude man hem achtervolgen; nacht na nacht werd hij wakker, en in zijn dromen zag hij die oude man, en die geweldige woorden over de molensteen om zijn hals braken hem voor de genadetroon van God. Hij vroeg en vond vergeving; hij zocht de oude man op, beleed zijn fout en ontving vergeving.
Wie zou geen emmer teer over zich heen laten gooien als dat een ziel kon redden? Stel dat de oude man zich had omgedraaid en fel gescholden had, of naar hem uitgehaald had, wie zou hem dat kwalijk genomen hebben? Maar dan zou er geen triomf van de genade in de christen geweest zijn, en geen bekering in de zondaar. God heeft vaak gebruikgemaakt van een zachtmoedige, stille, verdraagzame geest om de leeuwachtige opstandeling te bedwingen, en de loop van slechtgezinde en goddeloze mensen te keren. Hij laat hen inzien hoe ontzagwekkend goedheid is, hoe sterk zachtmoedigheid, hoe almachtig liefde.
Kwaad met goed vergelden brengt bovendien Christus grote eer. Ik weet niets dat de blinde wereld zozeer de heerlijkheid van Christus laat zien als dit. Toen een van de martelaren op afschuwelijke wijze gemarteld en gepijnigd werd, zei de tiran die zijn lijden veroorzaakte tegen hem: “En wat heeft uw Christus dan voor u gedaan, dat u dit verdraagt?” Hij antwoordde: “Hij heeft dit voor mij gedaan, dat ik te midden van al mijn pijn niets anders doe dan voor u bidden.” Ach, Heere Jezus, U hebt ons geleerd hoe wij overwinnen, want U hebt overwonnen. Er zijn vele machtige namen op de erelijst van de aarde, maar Uw Naam staat daar niet tussen: er is een andere strijd, strenger en edeler, en U staat aan het hoofd van de helden die daarin strijden. Lees de naam, mijn broeders, hij staat geschreven in Zijn eigen bloed: “Jezus van Nazareth, de Gekruisigde, de eerste van hen die het kwaad met het goede overwinnen.” Wie van u zal zeggen: “Schrijf mijn naam op, mijnheer, onder mijn Heere het Lam, want in die strijd wil ik meedoen, en op die linies wil ik de vijand bevechten”? Bedenk dat u het moet doen, anders kunt u niet op Hem lijken, en als u niet op Hem lijkt, hebt u Zijn geest niet, en “zo iemand den Geest van Christus niet heeft, die komt Hem niet toe”.
Ik zal niet uitleggen hoe dit beginsel op andere zaken toegepast kan worden, want daar is geen tijd voor, maar ik besluit met op te merken dat alles wat bewonderenswaardig is, gezegd kan worden van deze methode om het kwade met het goede te overwinnen. Zij is zo edel, zij past zo bij iemand die God heeft opgeheven om Zijn kind te zijn, dat ik haar ieder mens met een geheiligd gevoel aanbeveel. Een christen is het edelste werk van God, en een van de edelste trekken van een christen is zijn bereidheid te vergeven en de opgewektheid waarmee hij goed tracht te vergelden voor kwaad. Keizer Adrianus was, voordat hij de troon besteeg, zwaar beledigd. Toen hij het keizerlijk purper bereikt had, ontmoette hij de man die hem onrecht had aangedaan. De schuldige was natuurlijk doodsbang voor zijn machtige tegenstander. Hij wist dat er nu slechts een wens van de keizer voor nodig was om zijn leven te nemen. Adrianus riep uit: “Kom dichterbij. U hoeft niets te vrezen; ik ben een keizer!”
Voelde deze heiden dat zijn waardigheid hem verhief boven de kleinheid van wraak? Laten dan, mijn broeders, zij die Christus tot koningen voor God gemaakt heeft, het beneden zich achten kwaad met kwaad te vergelden. Laat hen zeggen: “Ik ben christen, en mijn wraakgevoelens zijn voorbij. Wat kan ik doen om u van dienst te zijn? Ik had u vroeger tot de dood kunnen bestrijden, maar nu ben ik zelf gestorven en opnieuw geboren, en nu ik een nieuw leven begonnen ben, zie, Christus heeft alle dingen nieuw gemaakt. Mijn vijandschap is begraven in Zijn graf, mijn wraakgevoelens zijn verloren in de diepte waarin Hij mijn zonden geworpen heeft; en nu, als een nieuw mens in Christus Jezus, zal mijn leven liefde zijn, want Hij heeft gezegd: ‘Hebt uw vijanden lief; zegent ze, die u vervloeken; doet wel dengenen, die u haten; en bidt voor degenen, die u geweld doen, en die u vervolgen; opdat gij moogt kinderen zijn uws Vaders, Die in de hemelen is; want Hij doet Zijn zon opgaan over bozen en goeden, en regent over rechtvaardigen en onrechtvaardigen.’”
Goed voor kwaad past edel bij de geest van het evangelie. Zijn wij niet gered doordat de Heere ons goed vergolden heeft voor kwaad? De geest van de wet is: “Oog om oog, tand om tand”, maar de geest van het evangelie is: “Vrijelijk vergeef Ik u: uw vele ongerechtigheden en grote overtredingen zijn alle uitgewist om Mijn Naams wil, wees daarom barmhartig jegens anderen.” Vergeving is één vrucht van het evangelie, en goed doen voor kwaad is een andere. Zou de geest van iedere christen niet een geest van onoverwinnelijke liefde moeten zijn? Want door onoverwinnelijke liefde is hij gered.
En, geliefden, deze geest van vergeving is de Geest van God, en wie hem bezit, wordt aan God gelijk. Wilt u opklimmen tot de hoogste stand van zijn, klim dan op tot de toestand van een wezen dat gekwetst kan worden en toch vergeeft. Rechtvaardig zijn is iets, nauwelijks zou iemand voor een rechtvaardig man sterven; maar barmhartig en vriendelijk zijn is veel meer, want voor een goed mens zou menigeen zelfs durven sterven — zo’n geestdrift wekt een liefdevolle geest. Klim op boven de loutere rechtvaardigheid, in de goddelijke sfeer van de liefde. Maar of mensen u liefhebben of niet, is een kleine zaak; of u hen overwint of niet, is eveneens een kleine zaak; maar dat u het kwade overwint, dat u zegeviert over de zonde, dat u van uw Heere ten laatste het “Wel, gij goede en getrouwe dienstknecht” ontvangt, en dat u naar uw aard aan God gelijk wordt, dat is voor u van het hoogste belang, want dat is de hemel. De hemel is dat het ik onttroond wordt; gereinigd van alle toorn; verlost van alle hoogmoed. De hemel is in feite Godgelijk zijn. Mogen wij zo gemaakt worden, door Jezus Christus onze Zaligmaker, door het werk van Zijn Heilige Geest. Amen.
Preek nr. 1317 · spurgeon.org


