Voor degenen die zich ongeschikt voelen voor het Heilig Avondmaal

Een preek uitgesproken door C. H. Spurgeon, in de Metropolitan Tabernacle, Newington.

Copyright © Het Spurgeon Archief | Portret C.H. Spurgeon

Want er waren er velen onder de gemeente die zich niet geheiligd hadden. Daarom waren de Levieten belast met het slachten van de paaslammeren voor ieder die niet rein was, om hen voor de HEERE te heiligen. Want een groot deel van het volk, velen uit Efraïm, Manasse, Issaschar en Zebulon, hadden zich niet gereinigd. Toch aten zij het Pascha, maar niet zoals het voorgeschreven was. Hizkia bad echter voor hen en zei: Laat de HEERE, Die goed is, verzoening doen voor hem die heel zijn hart erop gericht heeft om God de HEERE, de God van zijn vaderen, te zoeken, al was dat niet volgens de reinheid die past bij het heiligdom. En de HEERE verhoorde Hizkia en genas het volk. 2 Kron. 30:17-20

Broeders, het zou ons grote vreugde moeten geven dat wij niet leven onder de ceremoniële wet, noch onder de bedeling van de wet. De wet toonde het volk een veelheid aan typen en schaduwen en stelde daarom talrijke voorschriften en rituelen vast. Deze werden bovendien met zulke plechtige en ernstige straffen bekrachtigd, dat het volk voortdurend vreesde te zondigen en gehoorzaamheid als een last ervoer, vanwege de zwakheid van het vlees en de geestelijke armoede van het hart.

Wat onze Heere Jezus betreft: Zijn juk is zacht en Zijn last is licht. Over de wet daarentegen zegt zelfs Petrus dat zij “een juk was dat noch onze vaderen, noch wij hebben kunnen dragen”. Wij zijn nu gebracht in de heerlijke vrijheid van de kinderen Gods, een vrijheid die vooral gewaardeerd wordt door hen die ooit in slavernij verkeerden. Degenen die nog steeds onder wettelijke beperkingen leven, voelen des te meer de druk daarvan wanneer zij de vrijheid van anderen zien.

Op een keer, toen ik aan tafel zat met een Samaritaan die zich gebonden achtte aan de wet van de Pentateuch, zag ik hoe deze waardige man het ene gerecht na het andere afsloeg. Uiteindelijk riep hij uit: “Mozes is erg streng!” Hij had duidelijk het gevoel dat de beperkingen van zijn dieet een aanzienlijke mate van zelfverloochening vereisten. Sommigen van ons zouden dergelijke kleine zaken, zoals het onthouden van bepaalde spijzen en dranken, gemakkelijk kunnen verdragen. Maar als wij omringd zouden zijn door regel na regel, tot in de kleinste details gereguleerd, zou ons leven vol zorgen zijn en zouden wij ons voortdurend onderdrukt voelen.

Wij hebben de vrijheid van het evangelie ontvangen. Van ons wordt niet gevraagd dagen, maanden en jaren in acht te nemen; evenmin hoeven wij onze kleding op een bepaalde wijze af te werken of ons haar volgens voorschriften te knippen. Ook worden wij niet verplicht allerlei wassingen en reinigingen te verrichten of een eindeloze reeks ceremoniële bepalingen na te leven. De “Geest van vrijheid” woont in ons. Voor ons is iedere plaats geheiligd. Onze godsdienst is niet uiterlijk, en wat voedsel betreft, noemen wij niets onrein. Wij hebben wel verordeningen, maar die zijn gering in aantal en eenvoudig van aard. Het zijn er slechts twee, en beide zijn leerzaam en gemakkelijk.

De Doop en het Avondmaal, die uitsluitend voor het volk van de Heere bestemd zijn, zijn eenvoudig te onderhouden en dienen ons tot hulp en troost, zonder ooit een last te worden. Zij worden ons niet opgelegd als een juk, maar geschonken als voorrechten. Evenmin worden zij afgedwongen door een dreigend oordeel, zoals: “die nalaat om het Pascha te houden, die persoon moet van zijn volksgenoten worden afgesneden.”

De sacramenten van het evangelie zijn uitgelezen voorrechten, ons gegeven onder de liefdevolle heerschappij van Hem die wij Meester en Heer noemen. Wij aanvaarden ze met vreugde en verrukking. Het onderhouden van deze geboden brengt een rijke zegen met zich mee, maar zij worden ons niet voorgesteld als een vorm van slavendienst.

In de doop wordt ons de begrafenis van onze Heere voor ogen gesteld, en worden wij geholpen om in geestelijke gemeenschap met Hem te treden. Dat is geen zware verordening, maar een bron van vreugde. Het Avondmaal des Heeren is een feestmaal van blijdschap, een maaltijd van vette spijzen, van spijzen vol merg, van rijpe en gezuiverde wijn. Alles ademt rust en vreugde in deze beide sacramenten. Door eraan deel te nemen, ervaren wij dat wij niet onder de wet zijn, maar onder de genade.

Ik wil niet dat u aan deze tafel komt met dezelfde bevreesdheid waarmee een Israëliet het paasmaal at, noch dat u hier staat zoals hij destijds stond, met omgorde lendenen en een staf in de hand, haastig en bevend etend. Nee, u mag rustig zitten, of zelfs aanliggen, als uitdrukking van de rust die u geniet aan de tafel van de Heere en van de innige gemeenschap waartoe uw Verlosser u uitnodigt. Hij heeft u Zijn vrienden genoemd en u geëerd door u tot Zijn tafelgenoten te maken, zodat u zonder terughoudendheid bij Hem mag zitten en feestvieren.

Opdat vrijheid niet zou ontaarden in losbandigheid, moet ik u eraan herinneren dat wij niet zonder gebod en leiding zijn achtergelaten. De wet van de liefde is voor ons even bindend als de wet van de werken ooit kon zijn. Wij worden nog steeds geroepen tot gehoorzaamheid — de gehoorzaamheid van het geloof. Uit het zoonschap vloeit een zeer strikte, maar tegelijk zeer gelukkige dienst voort, en geen enkele ware zoon verlangt ernaar zich daaraan te onttrekken. Moet een zoon zijn vader niet eren? Zegt de Heere Zelf niet: “Als Ik een Vader ben, waar is dan Mijn eer?”

Er bestaat een dienst waarvan geschreven staat dat God zo iemand spaart “zoals een man zijn eigen zoon spaart die hem dient”. Wij staan niet onder de wet, maar dat betekent niet dat wij ten opzichte van Christus zonder wet zijn. Wat de voorschriften betreft, die heb ik beschreven als de voorrechten van het vrije volk des Heeren: er heerst orde in het huis van God en tucht in Zijn gezin, en geen enkel liefhebbend kind zal deze achteloos terzijde schuiven. Wij zijn geen slaven die de zweep vrezen, maar zonen die uit kinderlijke eerbied bang zijn hun hemelse Vader te bedroeven.

De voorschriften betreffende het Pascha en de juiste viering van dat grote feest waren duidelijk en nauwkeurig omschreven. Het overtreden ervan zou een ernstige zonde tegen de God van Israël zijn geweest. Deze voorschriften vereisten een zekere mate van ceremoniële reinheid van iedereen die het paaslam at, en degenen die onrein waren, werden uitgesloten, zodat zij het offer niet op het vastgestelde tijdstip aan de Heere konden brengen. De heilige plechtigheid mocht niet worden gevierd in gedachteloos formalisme, maar moest gepaard gaan met een zorgvuldige verwijdering van het oude zuurdeeg, zodat het feest op waardige wijze kon worden gehouden.

Wat betreft de viering van het Heilig Avondmaal gelden er echter geen specifieke voorschriften met betrekking tot het soort brood of wijn, en zijn er evenmin vaste regels inzake het gedrag of de houding. Toch zijn er bepaalde richtlijnen, en het is goed om deze met liefdevolle zorg in acht te nemen.

Wanneer wij bijvoorbeeld aan de tafel van de Heere komen, mag dat niet gebeuren zonder voorbereiding van het hart. “Laat ieder mens zichzelf beproeven en laat hij zó eten van het brood en drinken uit de drinkbeker.” Wie op een oneerbiedige wijze komt, of met verkeerde bedoelingen, haalt een oordeel over zichzelf. Wie achteloos en onverschillig verschijnt, loopt de zegen mis.

Wij behoren de tafel te naderen met een hart vol nederigheid, dankbaarheid, geloof en verwachting. Wij moeten het brood en de wijn ontvangen met een oprecht verlangen naar gemeenschap met Christus, met tedere liefde voor Zijn gezegende Persoon en met diepe vreugde in Zijn volbrachte werk. Doen wij dat niet, dan missen wij het hoge doel van deze heilige instelling.

Toch vrees ik dat er onder het volk van de Heere hier vanavond sommigen zijn die zich in dezelfde toestand bevinden als die menigte uit de dagen van Hizkia, uit Manasse en Zebulon, die zich niet voldoende hadden gereinigd volgens de voorschriften van het heiligdom. Daarom wil ik hen laten zien hoe zij, zelfs nu nog, aan deze Goddelijke verordening kunnen deelnemen en daaruit zegeningen mogen ontvangen door de overvloed van Gods genade.

Met Gods hulp kunnen zij vanaf dit moment beginnen aan de noodzakelijke voorbereiding van het hart en daarin spoedig voortgang maken. Zolang zij oprecht verlangen God te ontmoeten en gemeenschap met Hem te genieten in Zijn instelling, is er geen reden waarom zij zich zouden terugtrekken uit de vergadering van de heiligen. Zelfs nu kunnen zij zich al op dit feest gaan voorbereiden. Door Gods genade kunnen zij op zo’n manier aan dit Heilig Avondmaal deelnemen dat zij daarin alles vinden waarnaar hun hart verlangt.

Onze Heere is bij machte om door Zijn Geest hun huidige verontreiniging weg te wassen en hen naar geest en ziel te verlevendigen, zodat zij met een oprecht hart tot God mogen naderen en tegelijk het lichaam van de Heere helder onderscheiden.

De kracht van Gods genade is zo groot dat de Heere in een oogwenk al onze zonden kan wegnemen en ons genadig zal aannemen. Onze grote Hogepriester kan, krachtens het heilige gezag van Zijn Goddelijk ambt, volkomen reiniging schenken en ons het volle recht geven om aan te zitten bij het gezin, deel te hebben aan het Lam en te rusten onder het dak waarvan de deurposten tot bescherming zijn gemerkt met het besprenkelde bloed.

I. Laat ik dus beginnen met te zeggen dat, net als in het geval dat in de tekst aan de orde is, er voor ons tijden kunnen zijn waarin wij ons NIET GESCHIKT VOELEN VOOR DE HEILIGE SACRAMENTEN IN HET HUIS DES HEEREN.

Het kan zijn dat er op dit moment velen in de gemeente zijn die niet geheiligd zijn voor het feest en niet gereinigd zijn volgens de juiste orde. Ik spreek niet over u allen; er zijn uitverkoren zielen op deze plaats die in het licht wandelen, zoals God in het licht is, en voortdurend gemeenschap met Hem hebben, zodat het bloed van Jezus hen reinigt van alle zonde. Waarom zouden wij niet allen deze welgevallige bereidheid nastreven, opdat wij nooit ongeschikt mogen zijn voor de meest heilige van alle verbintenissen? Zouden wij ooit ongeschikt mogen zijn voor de tafel van onze Heere?

De twee discipelen die van Jeruzalem naar Emmaüs wandelden, spraken onderweg met elkaar. Wat een genade was het dat toen hun Heere hen vroeg waar zij over spraken, zij dit als kort antwoord konden geven: “Over Jezus van Nazareth”! Zou u op zo’n prijzenswaardige wijze kunnen antwoorden wanneer u met elkaar spreekt? Overweeg dit, mijn broeders, en geef antwoord aan uw geweten.

Het is goed om zo te leven dat we, zelfs in onze dagelijkse gesprekken, dicht bij Jezus van Nazareth blijven. De overgang van onze persoonlijke woorden naar de werkelijke aanwezigheid van de Heer — en zelfs naar het moment waarop Hij Zich aan ons openbaart bij het breken van het brood — zou natuurlijk en vloeiend moeten zijn, als een beek die moeiteloos van het ene deel van haar bedding naar het andere stroomt, op weg naar de open zee.

Ik vrees dat velen van ons zichzelf soms moeten verwijten dat we ons ongeschikt voelen voor welke heilige taak dan ook, en in het bijzonder voor de plechtige viering van deze gewijde instelling. Laten we daarom nadenken over de redenen waarom de Israëlieten als ongeschikt werden beschouwd voor het Pascha, en onderzoeken in hoeverre die overeenkomen met onze eigen ongeschiktheid voor het Avondmaal. Sommigen werden uitgesloten vanwege onreinheid.

Lees in Numeri, hoofdstuk negen, vers zes: “Nu waren er mensen die vanwege het aanraken van het dode lichaam van een mens onrein waren, en op die dag het Pascha niet konden houden. Daarom kwamen zij die dag naar voren, vóór Mozes en vóór Aäron.” Er was bepaald dat deze mannen het Pascha een maand later moesten vieren, maar zij waren verplicht dit zonder uitzondering te doen. Lees het negende en tiende vers: “Toen sprak de HEERE tot Mozes: Spreek tot de Israëlieten en zeg: Iedereen onder u of onder de generaties na u, wanneer hij onrein is vanwege het aanraken van een dood lichaam of ver onderweg is, moet toch voor de HEERE het Pascha houden.”

Ik vrees dat u en ik met zeer veel dode lichamen in aanraking komen en daardoor vaak verontreinigd raken. U kunt morgenochtend niet naar uw werk gaan zonder die geestelijke dood tegen te komen die de lucht van ‘deze tegenwoordige boze wereld’ met verderf belast. De doden in zonde zijn overal om ons heen; omgang met hun wegen en motieven werkt op allerlei manieren verontreinigend, tenzij wij voortdurend door Gods genade worden gereinigd. Erger nog, we kunnen zelfs niet thuis blijven zonder zonde in onze eigen woningen aan te treffen. Ja, die enorme zondige massa in u – “het lichaam des doods”, zoals Paulus het noemt – is een voortdurende bron van verontreiniging.

Er kunnen momenten zijn van ongeduld, prikkelbaarheid, lichtzinnige taal, overmatige bezorgdheid, een gevoel van trots of een verlangen naar hebzucht. Ach, konden we maar van deze last bevrijd worden! Deze dode en verdorven dingen liggen niet alleen in een hoek, maar op de tafel, in ons bed, ze zijn overal, en wanneer wij ze aanraken, worden wij verontreinigd. Wat voor soort zonde het ook moge zijn, of het nu een daad, een woord, een gedachte, een verbeelding of een begeerte is, het verontreinigt meer dan de meeste mensen zich kunnen voorstellen.

Ach, dat degenen die hoog van de toren blazen over volmaaktheid, hun eigen onreinheid zouden kennen! Het zou hen tot nederigheid brengen, als zij de treurige, alomtegenwoordige invloed van het kwaad zouden kennen. Hoe zullen wij door dit enorme knekelhuis van een wereld gaan, zo vol van alles wat verdorven is, zonder dagelijks verontreinigd te raken? Er zijn zelfs zonden in onze heilige dingen. Wie zal ons verlossen? Dit gevoel van verontreiniging heeft helaas de neiging onze gemeenschap met God te belemmeren.

Ik weet dat als u vanavond worstelt met een gevoel van zonde, u niet de vreugdevolle vrijheid voelt die u zou wensen bij het naderen van de geheiligde tafel van uw Goddelijke Heere. U verlangt ernaar dat dat gevoel van verontreiniging op een zoete wijze wordt weggenomen door de toepassing van het kostbare bloed dat van alle zonde reinigt.

Gode zij dank is die heilige reiniging altijd beschikbaar. U kunt uzelf onmiddellijk wassen en rein worden, en weten dat u “aangenomen bent in de Geliefde”. Op deze manier kunt u het paasmaal nuttigen zoals het voorgeschreven staat; maar hoe dan ook, zelfs als u gebukt gaat onder de last van de zonde, verbiedt de Heere u niet om de dood van Zijn geliefde Zoon te gedenken.

Net als de mannen van Efraïm zult u vergeving vinden, ieder van u. Misschien bent u zich er echter niet van bewust dat u in enige bekende zonde bent gevallen; maar toch voelt u zich als iemand die niet thuis is bij God, maar op enige afstand van Hem. U bent uit uw gebruikelijke wandel en rust geraakt. Die kalme en heilige gemoedstoestand, die volmaakte vrede waarvan u eens van uur tot uur genoot, is van u weggegaan.

Hier hebt u, in geestelijk zin, de tweede rede waarom niet in aanmerking te komen voor het paasmaal. Wanneer iemand op een verre reis was, kon hij het Pascha niet vieren. Het Pascha was een huishoudelijke instelling. Het vereiste een huis waarin het lam geslacht en klaargemaakt kon worden om te eten, en een deur waarvan de bovendorpel en de twee zijstijlen met bloed besprenkeld konden worden; zodat, wanneer iemand snel van plaats naar plaats trok en geen huis had om te verblijven, hij het heilige feest niet kon vieren.

Zo is het ook wanneer u en ik ons niet dicht bij Christus Jezus bevinden, maar rondzwerven in angst, zorgen en twijfel: dan merken we dat we niet in staat zijn om met onze Heere te spreken zoals ons hart dat verlangt. Broeders, fladderen wij niet soms heen en weer, als de duif van Noach, zonder rust te vinden? Hoe moeilijk is het dan om de volle leer van dit heilige Avondmaal te begrijpen! Het is goed om te zingen: “Keer terug naar uw rust, o mijn ziel, want de Heere heeft u rijkelijk bedeeld”; maar zolang het gebed niet is verhoord, wordt er geen vreugde aan de instelling beleefd.

De kern van de dankzegging is de nabijheid van God; en wanneer wij ver verwijderd zijn, is het een armzalige, dode ceremonie. Haar kroon en vreugde is rust; en als wij heen en weer worden geslingerd als de sprinkhaan, en zijn als een rollend voorwerp voor de wervelwind, wat voor nut hebben wij dan aan de loutere vorm van het feest? Dan zijn wij helaas volstrekt ongeschikt voor de zoetheid van het Avondmaal, en voelen wij ons geneigd naar huis te gaan en het heilige feest aan anderen over te laten.

Toch zou zo’n naar-huis-gaan pijnlijk zijn, en zelfs schadelijk kunnen zijn. O Heere, wat moeten Uw dienaren doen? Wij voelen ons als mannen op een slagveld, en dit sacrament is als groene weiden, waarin de schapen grazen en neerliggen, terwijl de Herder onder hen komt en Zichzelf aan hen openbaart. Genadige Heere, stil de innerlijke strijd en laat ons neerliggen, zoals de psalmist zegt: “Hij laat mij neerliggen”; want als U ons niet aldus rust geeft, zullen wij zelfs deze heilige weiden vertrappen en Uw Geest bedroeven.

Beste vrienden, sommigen van u zijn hier vanavond aangekomen, vermoeid door de ontberingen van de weg. U bent de hele week op reis geweest en u bent zaterdagavond tot stilstand gekomen, ver verwijderd van die geest van toewijding die u zou moeten koesteren. Het leven is de laatste tijd vol moeilijkheden en verwarring geweest. Ik bid de Heere dat Hij u op dit moment zoete rust schenkt en u dicht bij Zich brengt. “Werp uw zorgen op Hem, want Hij zorgt voor u.” Leg uw lasten neer aan de voet van het kruis van de grote Lastdrager.

Wees stil, als een gespeend kind. Roep tegelijkertijd tot de Geliefde: “Trek mij, dan zal ik U nalopen”; en voordat u het beseft, zal uw ziel u worden “als de strijdwagens van Ammi-nadib”. Als u niet naar de Geliefde kunt komen, kan Hij naar u komen, ‘springend over de bergen, huppelend over de heuvels’, en al uw afstand en onrust zullen onmiddellijk ophouden. Zo zult u toch het feest kunnen vieren.

Het kan zo zijn dat u tot op dit moment om onbekende reden in een slechte toestand verkeerd. U kunt niet zeggen hoe of waarom, maar het is zeker niet meer met u zoals in vroegere dagen. Verstorende invloeden die in het boek Numeri niet worden genoemd — en misschien zelfs niet te benoemen zijn, maar daarom niet minder werkelijk — hebben u er mogelijk van weerhouden het geestelijke Pascha met vreugde te vieren, en houden u er nu van af om de tafel van de Heere in geest en waarheid werkelijk met blijdschap te naderen. Wat de oorzaak ook moge zijn, ik wil dat u het openhartig belijdt, net zoals die mannen in Numeri aan Mozes beleden dat zij een dood lichaam hadden aangeraakt.

Voor zover u de oorzaak van de verontreiniging en scheiding kent, erken deze dan. Onderzoek het kwaad zo nauwkeurig mogelijk en rouw erover, voor zover het zondig is. Verwijder het vervolgens zorgvuldig uit uzelf, voor zover het een kwestie van bezorgdheid of wantrouwen betreft; en werk op dit moment ernstig aan het voorbereiden van uw hart om de Heere, uw God, te zoeken, zelfs als u niet volledig kunt voelen dat u gereinigd bent overeenkomstig de reiniging van het heiligdom: dat wil zeggen, zelfs als u niet het gevoel heeft dat u zich in de best mogelijke gemoedstoestand bevindt voor het Heilig Avondmaal.

Sommige vermeende tekortkomingen kunnen worden overwonnen door een daad van geloof, of door een beter begrip. Bent u bang om te komen omdat u zo weinig geloof hebt? Moeten de kleine kinderen niet net zo goed hun avondmaal ontvangen als de volwassen zonen? Zijn dit niet juist de leden van de familie die het meest gevoed en getroost moeten worden? De volkomen afwezigheid van geloof zou u buiten sluiten, maar niet de zwakheid ervan. Kom, gij kleintje: tot u zeg ik: “Kom binnen, gij gezegende des Heeren, waarom staat gij buiten?”

Aarzelt u omdat uw vreugde nu niet overvloeit? Is dit een voldoende reden om te weigeren het gebod te gehoorzamen: “Doe dit tot mijn gedachtenis”? Waren de twaalf vol vreugde bij de instelling van dit feest? Hadden zij geen twijfel en zeiden zij niet: ‘Heere, ben ik het?’ Kan het feest zelf niet de vreugde verschaffen? Is de Heere van het feest niet uw buitengewone vreugde? Als u geen vreugde met u mee kunt brengen, kom dan, opdat u die hier mag vinden.

Zegt u: ik ben in alle opzichten geestelijk zwak? Ik vraag u nogmaals: is dat een reden waarom u zich niet zou moeten voeden met het beste voedsel? Het lijkt mij dat dit juist een belangrijke reden is waarom u vaak en van harte zou moeten eten. “Eet het goede” is een veilig recept voor u, en een genereuze uitnodiging van uw Heere. U hebt het hard nodig, neem het vrijelijk aan. De voorraad hemels brood is bedoeld voor hen die zwak zijn. “Want Hij heeft de dorstige ziel verzadigd en de hongerige ziel met het goede vervuld.” Hij zal u verzadigen.

Klaagt u dat u zich zo nutteloos voelt? Dit is een betreurenswaardig feit, maar wat heeft het te maken met de kwestie die hier aan de orde is? Moet u aan de tafel van uw Heere komen omdat u nuttig voor Hem bent? Nee, maar opdat de Heere Jezus nuttig voor u kan zijn. Dit is zeker geen loon, maar een voorziening van vrije genade. U brengt het feestmaal niet; uw aandeel is het te ontvangen. Alleen zo kunt u nuttig worden voor Christus, zoals Christus overvloedig nuttig is voor u. U kunt de menigte niet helpen voeden totdat uw Heere eerst het brood in uw handen legt. Kom nu en neem wat Hij heeft gezegend.

Ik weet dat de uitverkoren heiligen zich om veel verschillende redenen soms ongeschikt voelen voor dit heilige feestmaal. Ik heb wel eens gedacht dat dit gevoel niet helemaal verkeerd is; het toont in ieder geval dat er veel gezonde dingen in hen leven.

Als ik mij op een of andere manier waardig zou voelen — behalve in de Bijbelse zin dat wij allemaal door genade zijn gered — dan zou ik uit mijn eigen zelfgenoegzaamheid moeten concluderen dat ik juist onwaardig ben. Deze tafel is geen plaats voor Farizeeën. Alleen zondaars die door Zijn genade zijn gered, mogen voor de Verlosser verschijnen. Als u eigen verdiensten heeft waarover u kunt opscheppen, en geen zonde te belijden heeft, dan bent u niet de mens voor wiens redding de Plaatsvervanger Zijn kostbare bloed heeft vergoten.

Hoe zou Hij verzoening kunnen brengen voor hen die geen schuld hebben? Maar als u een zondaar bent, bent u het soort persoon dat Jezus kwam redden. Jezus is de Vriend de zondaar. Hij zal de uwe zijn als u in die hoedanigheid tot Hem komt. Hoe kunnen wij Zijn vergoten bloed gedenken, tenzij wij dagelijks voelen dat wij een plechtige behoefte hebben om daarin gewassen te worden? Hoe kunnen wij Hem gedenken, behalve als wij zien hoe wij alles van Hem ontvangen?

Alleen zij die zonder Hem hun eigen leegte voelen, zien Jezus als de volmaakte Christus. Hij wordt nooit echt gewaardeerd door hen die hoog van zichzelf denken. Een gebroken hart kent Zijn troostende kracht het beste. Een bloedend hart ziet Zijn genezende kracht het beste. Als u zich bewust bent van uw onwaardigheid, bent u in Bijbels opzicht niet onwaardig, maar kunt u vrijelijk tot Hem komen. Wat mijzelf betreft: ik beleef mijn meest heilige momenten wanneer mijn hart nederig is voor de Heere.

Er is geen gemeenschap die intenser of zoeter is dan die waarin men Zijn voeten met tranen wast en ze bedekt met kussen van berouwvolle liefde. Wanneer ik mij het meest voor mezelf heb geschaamd, is mijn Heere in mijn ogen het meest heerlijk geweest. Wanneer ik mijn gezicht in schaamte heb verborgen, heeft Hij Zijn eigen gelaat in liefde geopenbaard. Komt dan, gij wenende heiligen, want ik weet dat u Jezus zoekt; en u bent degenen die Hij aan Zijn tafel verwelkomt!

Brengt uw ongeschiktheden mee, en verandert ze in belijdenissen van zonde; en deze zullen, door uw honger te vergroten, u in staat stellen des te meer te genieten van de voorzieningen van die heilige tafel waar Jezus zowel de gastheer als het voedsel is: het brood en de wijn, en toch de Meester van het feest. Tot zover deze hindernissen en ongeschiktheden. Het is geen opbeurend thema.

II. Maar nu, ten tweede, hoewel wij ons gebrek aan voorbereiding voelen en betreuren, KUNNEN WIJ TOCH NAAR HET FEEST KOMEN.

Laten wij, tot op zekere hoogte, in de voetsporen treden van de mannen uit de tijd van Hizkia. Zij vergaten hun meningsverschillen. Het volk was in tweeën gescheurd, en zelfs in de tijd van Hizkia heerste er vijandigheid tussen Efraïm en Juda; maar de koning van Juda zag over zijn grenzen heen, en wij lezen dat de boodschappers van stad tot stad trokken door het land van Efraïm en Manasse, tot aan Zebulon toe; en velen uit Aser, Manasse en Zebulon vernederden zich en kwamen naar Jeruzalem.

Politieke en persoonlijke vetes werden vergeten. Zij waren één familie, en zij erkenden die verwantschap, en verzamelden zich aan één tafel. Ik vertrouw erop dat niemand van ons in onenigheid is met anderen; maar als dat wel zo is, laten wij dan onmiddellijk vrede sluiten. Dit kunnen wij ter plekke doen: laten wij elke boze en onvriendelijke gedachte afleggen. Laten al onze harten onmiddellijk van dit vuile gedachtegoed worden gezuiverd.

De gedenktekens van onze stervende Heere hebben al onze vijandschap gedood en onze liefde nieuw leven ingeblazen. Dit zal een grote hulp zijn om op gepaste wijze aan de tafel te komen.

We lezen dat toen de stammen zich verzamelden, zij de afgoden verwijderden. Zij namen alle altaren die in Jeruzalem stonden en wierpen die in de beek Kedron. Dit was een mooi begin voor mensen die zich niet helemaal op hun best voelden. Komt, broeders, laten wij onze altaren van schepselaanbidding neerhalen, de bosjes van vleselijk vertrouwen omhakken en de gesneden beelden van onheilige liefde verbrijzelen. Als er iets in ons hart is dat de plaats van onze Heere heeft ingenomen, laten wij dan in stilte deze woorden uitspreken: “Het dierbaarste afgodsbeeld dat ik ken — wat dat afgodsbeeld ook moge zijn — help mij het van zijn troon te rukken, en alleen U te aanbidden.”

Open nu uw hart voor Jezus en schenk Hem al uw liefde. Hij is zoveel meer waard. Jongeman, hebt u ambities die niet in overeenstemming zijn met de heerlijkheid van Christus? Breek er dan meteen emee, alsof u er met een voorhamer op inslaat. Christelijke man, hebt u enige eer die losstaat van het kruis van Jezus? Kruisig die dan nu meteen. Spijker uw eer aan Zijn kruis vast en maak er een einde aan. Lieve zuster, zijn er liefdes van u die vreemd zijn aan de liefde van Christus? Hebt u enig geheim genot dat u niet aan Zijn blik zou kunnen blootstellen? Enig albasten doosje dat u niet graag voor Hem zou breken? Kom, werp alle afgoden weg. U kunt het feest niet op de juiste wijze vieren totdat dit ten minste is gebeurd; maar als dit is volbracht, kunt u het met vreugde vieren.

Hoe verlang ik ernaar de hamer van de afbreker te horen klinken. Kan het niet in één keer gebeuren? Tenzij die afgoden al zo lang in uw hart zijn opgericht dat het de vraag is of u de Heere liefhebt, zullen zij gemakkelijk van hun voetstukken vallen. Als u Jezus liefhebt, zal uw geest uw hand snel maken bij deze heilige beeldenstorm, totdat u elk beeld hebt afgebroken dat nu de tempel van uw ziel verontreinigt.

Toen dat eenmaal was gebeurd, waren er mensen die nog niet helemaal waren waar ze wilden zijn, maar die niettemin hun best deden om hun hart voor te bereiden. “Hizkia bad echter voor hen en zei: Laat de HEERE, Die goed is, verzoening doen voor hem die heel zijn hart erop gericht heeft om God de HEERE, de God van zijn vaderen, te zoeken.’ Verlangt u ernaar om God vanavond te zoeken? Dan staat de deur voor u open. Ik kan in alle oprechtheid zeggen dat ik boven alles verlang om mijn God en Verlosser aan de tafel te ontmoeten.

Hoewel ik in mijzelf onwaardig ben, kan ik toch niet leven zonder mijn Heere. Ik moet Hem hebben; en niets anders zal mij bevredigen dan de gemeenschap met Hem. Geen uiterlijk teken, geen brood, geen wijn, geen gemeenschap met Gods volk zal mij tevredenstellen: mijn hart hunkert naar mijn Verlosser. Mijn Heere, mijn God, mijn hart roept naar U! Zoals het dorstige hert in een dor land snakt naar de waterbeekjes, zo roept mijn hart uit naar God, de levende God. Is het zo met u? Zeker, de beste voorbereiding is al aan de gang in uw ziel. Laat uw hart vervuld zijn van dit verlangen en dit smachten; zo zult u het Heilig Avondmaal kunnen naderen zonder u een indringer te voelen en zonder de zegen te missen.

Merk vervolgens op dat Hizkia openlijk en uitdrukkelijk aan God beleed dat deze mensen niet waren zoals zij hadden moeten zijn. Hij verontschuldigde hen niet; maar hij trad voor God en riep: “Laat de HEERE, Die goed is, verzoening doen voor hem die heel zijn hart erop gericht heeft om God de HEERE, de God van zijn vaderen, te zoeken.” Hierin ligt wijsheid. Als ons hart naar God verlangt, laten wij dan bekennen dat wij de middelen hebben verwaarloosd , dat wij tekort zijn geschoten in het persoonlijk gebed, dat wij het zelfonderzoek hebben veronachtzaamd en dat wij tekort zijn geschoten in al die andere voorbereidingen die zo passend zijn voor deze gezegende herdenking van onze Heere.

Door Hem op deze manier te benaderen – met berouw en een gebroken hart, en met het nederige voornemen dat uw hart er in de toekomst naar zal streven dichter bij de Heer te blijven en zich verder te distantiëren van de verderfelijke invloeden van een dode wereld – zult u in geest en waarheid gemeenschap hebben met Hem die nog nooit een berouwvolle zondaar uit Zijn aanwezigheid heeft weggestuurd zonder te zeggen: “Vrede zij met u.”

Nu de belijdenis is gedaan, laat het gebed opstijgen naar de hemel: “Moge de goede Heere ons alles vergeven waarin wij nalatig zijn geweest, tekortgeschoten of fouten hebben gemaakt. O God, U die de harten doorgrondt, vergeef Uw dienaren en aanvaard ons in Christus Jezus.”

Nu wij door onmiddellijke vergeving gereinigd en onberispelijk zijn gemaakt, hoeven wij niet te aarzelen om het feest te vieren. Wij hebben ernaar verlangd ons te voeden met onze Heere, die het ware Pascha is, en Hij zal ons niet wegsturen. Zelfs tegen Laodicea zei Hij: “Zie, Ik sta aan de deur en klop”: zelfs aan hen die in die lauwe kerk wonen, belooft Hij met hen te eten, als zij Hem maar binnenlaten, en daarom zijn wij er zeker van dat Hij met ons zal eten, ja, met ons, ook al komen wij blozend en met schaamte op ons gezicht.

III. Ten slotte komen we tot de vaststelling dat we, door zo te komen, EEN ZEGEN MOGEN VERWACHTEN.

Als wij maar komen met een voorbereid hart en een diep verlangen van de ziel, dan zal de Heere ons — ook wanneer wij belijden dat wij onwaardig zijn en Hem moeten smeken onze ongeschiktheid te vergeven — zeker tegemoetkomen en ons rijk zegenen met wat wij zoeken. Gods handelingen zijn in alle tijden dezelfde; en als Hizkia en zijn volk de zegen verkregen en “de Heer dagelijks loofden, zingend met luide instrumenten voor de Heere”, dan mogen ook wij op soortgelijke vreugde en heilige jubel rekenen.

Wij lezen dat zij het Feest van de Ongezuurde Broden zeven dagen lang met grote vreugde vierden. Geliefden, ik wil dat u vanavond deelneemt aan die grote vreugde. Als er één plaats is waar wij ons verheugd moeten voelen, dan is het wel bij het Heilig Avondmaal. Bedenk: dit is geen begrafenismaal; het is geen herdenking van iemand die wegrot in het graf. Hier gedenken wij dat Jezus stierf, maar wij horen ook die profetische woorden: “Totdat Ik kom.”

Hij leeft, en Hij zal spoedig komen met alle heerlijkheid en majesteit van de hemel om Zijn koninkrijken op te eisen en de volken in gerechtigheid te oordelen. Daarom hebben wij vreugde wanneer wij aan de tafel komen. Het is een herdenking van een dood waardoor het leven van ontelbaren is verworven. Het is de herdenking van een grote strijd die eindigde in de meest glorieuze van alle overwinningen.

“Het is volbracht”, is de banier die boven ons wappert. Zo’n overwinning brengt eeuwige vreugde, laat deze dan met blijdschap worden herdacht. Hier vieren wij het feest van de vergevende liefde, die zich verheugt in het feit dat zij de schuldigen op rechtvaardige wijze kan sparen. Hier is het feest van de vrijgekochte slaven, het jubileum van de bevrijding uit eeuwige slavernij. Wij komen hierheen als hen die uit de dood tot leven zijn gekomen om feest te vieren met Hem, die in waarheid weliswaar gedood is, maar die weer is opgestaan en ons leven en onze vreugde is geworden.

O, wat verlang ik naar een goed gestemde harp! Breng een instrument met tien snaren en de psalter, en laat elke snaar tot ontroerende klanken worden gewekt ter ere van Jezus, om in waardige tonen Zijn lijden en Zijn triomf te bezingen.

Er was grote vreugde in Israël, zelfs onder de mannen van Efraïm, die volgens de ceremoniële voorschriften niet geschikt waren om het Pascha te vieren; en in het verlengde daarvan werd God rijkelijk geprezen. Zij bleven de hele dag voor de Heere zingen. De Levieten, de priesters en het volk sloten zich bij hen aan, en zij gebruikten luide instrumenten om hun muziek krachtiger te maken. Let op de woorden: “zingend met luide instrumenten voor de Heere.”

Zij gebruikten alles waarmee zij hun overvloedige dankbaarheid en hun stralende vreugde konden uitdrukken. Ik bid dat de dienaren van mijn Heere vanavond hun luide instrumenten tevoorschijn mogen halen om te zingen voor Hem die ons heeft liefgehad en Zichzelf voor ons heeft gegeven. Laten wij het lied aanheffen: “Waardig is het Lam, want U bent geslacht en hebt ons door Uw bloed vrijgekocht en tot God gebracht. U zult regeren in alle eeuwigheid, Koning der koningen en Heere der heren. Uw Naam zij geprezen in alle eeuwigheid.”

Ooh, laat de cimbalen klinken, laat de cimbalen horen, opdat wij met hun krachtige klank iets mogen uitdrukken van de overweldigende vreugde van onze geest voor de levende God!

Broeders en zusters, dit waren juist de mensen die het Pascha vierden op een manier die niet in overeenstemming was met hetgeen voorgeschreven was. Zij kwamen slecht voorbereid, ongezuiverd en volkomen ongeschikt; maar God zegende hen en hielp hen om zich ter plekke gereed te maken voor het heilige feest. En ik vertrouw erop dat Hij dat nu ook zal doen voor hen die dat verlangen.

Wat verlang ik ernaar dat u allen – christenen die half slapen, lauwe christenen van twijfelachtig karakter, christenen wier recht om deel te nemen aan het Heilig Avondmaal door zichzelf ernstig in twijfel wordt getrokken – plotseling tot leven wordt gewekt door de Heilige Geest, die nog steeds in het midden van de Kerk aanwezig is. Opdat u zich onmiddellijk in de Heere mag verheugen, een heilige nabijheid tot Christus mag gevoelen en hemelse vreugde mag ervaren bij het noemen van Zijn Naam.

Op deze manier zult u de Geliefde van uw ziel vol overgave prijzen, en zal alles in u Zijn heilige Naam loven!

Bovendien heerste er tijdens het Paasfeest in de dagen van Hizkia een diepe verbondenheid met God – of in ieder geval het uiterlijke teken daarvan – want zij vierden het feest zeven dagen lang, brachten dankoffers en beleden hun zonden voor de Heere, de God van hun vaderen. Met uitzondering van de zondoffers werd een deel van deze offers op het altaar voor God gelegd, en een deel werd aan de priester en de gelovige gegeven om op te eten, zodat zij symbolisch gemeenschap met God konden hebben.

Oh, wat zou ik op dit moment graag een stukje van die geheiligde gemeenschap met God ervaren! Velen van u weten wat dit betekent. Als u dat niet weet, kan ik het u niet uitleggen. U moet het zelf proeven en zien. Moge het vanavond met ons zijn zoals het was met de oudsten aan de voet van de Sinaï, over wie geschreven staat: “Nadat zij God gezien hadden, aten en dronken zij.” Wat een prachtige combinatie! En toch, wat een leerzame samenstelling! “Nadat zij God gezien hadden, aten en dronken zij.”

O, dat wij op dit moment met onze Heere zouden mogen eten en drinken, net zoals mensen met hun vrienden eten! Mogen wij nu dat gelaat aanschouwen dat geen aards oog kan aanschouwen! Mogen wij die stem horen die niet in de oren van stervelingen klinkt, maar de ziel doordringt! O, dat wij Hem zouden mogen zien die onzichtbaar is! Dat kunnen wij zelfs nu al. Ik bedoel, zelfs u, die zich het minst voorbereid voelt, kunt nog steeds van dit allerhoogste genot genieten. O, dat u dat zult doen totdat u mij verzekert dat ik u nog niet de helft heb verteld van wat u nu proeft en voelt.

Ik bid dat de Heere de zachte zuiderwind met zijn warmte over deze gemeente laat waaien, totdat alle winter uit uw geest is verdwenen en u voelt hoe de ijsbergen in uw ziel smelten en wegvloeien in een overvloed van dankbare lof aan Hem die u van oudsher heeft liefgehad en Zich nu aan u openbaart. Er is een geheime betovering, een stille energie van de Heilige Geest, die Hij in stilte kan uitoefenen in de zielen van Zijn volk; en ik bid dat u dit nu mag ervaren, zelfs u die het minst voorbereid bent op de gemeenschappelijke verbintenis die op dit moment voor ons ligt.

Toen werden de mensen door zo’n groot verlangen gegrepen dat zij besloten nog eens zeven dagen lang een heilige bijeenkomst te houden, net zoals Salomo had gedaan toen zij de tempel inwijdden. Er wordt ons verteld dat zij met elkaar overlegden om nog eens zeven dagen te vieren; en zij vierden nog eens zeven dagen lang met vreugde. Ik vind het geweldig om mensen te zien die zo vervuld zijn van de Geest van God dat zij zeggen: “Die dienst was veel te kort. Ik wou dat het nog een uur had geduurd.”

Ik vind het heerlijk om te zien hoe zij blijven hangen, alsof zij de plaats waar zij zo rijkelijk gezegend zijn niet kunnen verlaten. Hoe aangenaam is het om weg te gaan, niet met afkeer, maar met verlangen; uitkijkend tot de volgende sabbat komt, opdat wij opnieuw over hetzelfde heilige onderwerp mogen horen en opnieuw dezelfde dauw van de Heere mogen voelen!

Hoe beven wij uit vrees dat de hemelse zegeningen ons zouden worden ontnomen! Want wij voelen dat wij er evenmin de macht over hebben als wij de zoete invloeden van de Plejaden zouden kunnen binden, of de banden van Orion zouden kunnen losmaken. Sinds wij in de heilige kamers van de Koning zijn geweest, vrezen wij dat onze gouden sleutels zoek zouden zijn, zodat wij zijn schatkamer niet meer zouden kunnen binnengaan, of zijn troon niet meer zouden kunnen naderen. U weet hoe u zich voelt wanneer uw hart zingt over de plaats “Waar de gemeenten nooit uiteengaan, en de sabbatten geen einde kennen.”

Wanneer u verlangt naar die langdurige aanbidding, toont dat aan dat God zeer aanwezig is bij u; en zo was het ook met het volk in de dagen van Hizkia, dat aanvankelijk toch niet voorbereid was op het Pascha. Mogen jullie, die nog lusteloos zijn, zo vreugdevol worden dat jullie ernaar verlangen om hier een feest van te maken dat zeven tot veertien dagen duurt; moge jullie enthousiasme geen grenzen kennen; mogen jullie op arendsvleugels zweven en vele dagen op grote hoogte blijven!

Bovendien bracht dit een grote vrijgevigheid teweeg. Iedereen wilde offers brengen; iedereen stond te popelen om zijn armere broeders te voeden; de koning gaf duizend stieren en zevenduizend schapen; en de vorsten wilden niet door hem worden overtroffen; zij moesten hem juist een tikje overtreffen, want zij gaven duizend stieren en tienduizend schapen. Ondertussen kwam een schare priesters, die zich nog vollediger overgaven aan de dienst van Jehova, hun God. Wat zou ik graag zien dat een soortgelijk resultaat uit de huidige dienst voortvloeit! O, dat velen van u rijkelijk van uw bezit zouden geven aan de zaak van God, en dat anderen zich nog vollediger zouden wijden aan de dienst van de grote Meester!

Mogen er vanaf nu toegewijde mannen en gewijde vrouwen te vinden zijn in al onze gezinnen, en mogen de kraals van Afrika en de zenana’s van India er beter van worden. Heeft u in de lezing opgemerkt hoe het volk het feest afsloot? Zij hielden opnieuw een grote afbraak van afgoden. De hamers lieten opnieuw hun muziek horen, en de beelden vielen in stukken. Alles wat God mishaagde, mishaagde ook het volk, en zij veegden het weg. Dat was de finale; want wanneer God opstijgt, daalt de duivel neer. Net zo zeker als u God liefhebt, moet u afgoden haten. U kunt zich niet in Hem verheugen en tegelijkertijd verheugen in de wereld, het vlees en de duivel.

Welke heilige jaloezie, welke heilige wraak, welke vernietiging van al het kwade in de ziel zal er zeker volgen wanneer de Geliefde Zijn betoverende gelaat onthult en onze hele ziel smelt in de stralen van Zijn liefde! Niets bespoedigt de heiliging zozeer als de gemeenschap met God. Moge deze tafel voor u allen de plaats zijn van uw hernieuwde ontmoeting met Jezus! Moge u Hem opnieuw bij de hand nemen en u aan Hem overgeven; terwijl Hij u bij de hand zal nemen en in u al het welbehagen van Zijn wil zal bewerken! Mogen de huwelijksgeloften met Jezus hier worden herhaald. Moge onze levende verbintenis met Hem steeds bewuster een feit worden! Moge dit een heiligende tijd zijn!

Moge dit ook voor u gelden die zojuist nog zei: “Ik denk niet dat ik het aandurf om naar de tafel te komen! Ik voel me niet goed, en ik voel geen behoefte. Ik ben geestelijk dood, traag en onwetend, en ik vrees dat ik de heilige tafel alleen maar zou ontheiligen.” Roep tot de Heere, zoals Hizkia deed! Breng uw belijdenissen en uw gebeden voor het verzoendeksel; en moge de goede Heere ieder van u vergeven, ook al bent u na de reiniging van het heiligdom niet zo gezuiverd als u zou wensen.

De Heere zegene Zijn (ver)wachtende volk, omwille van Jezus! Amen.

Steun ons met een donatie

Uw steun helpt ons om Het Spurgeon Archief in stand te houden. Dankzij uw bijdrage kunnen wij ons werk voortzetten en dit waardevolle archief gratis aanbieden en vrijhouden van reclame en commerciële invloeden.

Wij danken u hartelijk voor uw steun en betrokkenheid!

Archiefhulpmiddelen

Contact

Heeft u een tekstfout gevonden, of heeft u een vraag? Stuur dan een E-mail naar: [email protected]

Over de Auteur

C.H. Spurgeon

1834 – 1892 Was een Engelse baptistenpredikant in de puriteinse traditie. Belangrijke onderwerpen uit zijn prediking waren de vergeving van zonden en de noodzaak van wedergeboorte.

Onze Socials:

Copyright & Content