De gelovige bevrijd van de macht der zonde

Een preek uitgesproken op zondagochtend 21 april 1878, door C. H. Spurgeon in de Metropolitan Tabernacle, Newington.

Copyright © Het Spurgeon Archief | Portret C.H. Spurgeon

Want de zonde zal over u niet heersen. U bent namelijk niet onder de wet, maar onder de genade. Rom. 6:14

Onze trouwe luisteraars zullen zich herinneren dat wij twee weken geleden hebben gesproken over: “Onderwerp u dan aan God.” Jezelf volledig aan God onderwerpen is zowel de weg naar vrede als de weg van vrede. Voor een ware gelovige is dit geen zware opgave, maar veeleer het verlangen van zijn hart en de vreugde van zijn leven. Hij huivert bij de gedachte zijn ledematen als instrumenten van ongerechtigheid aan de zonde over te geven. Integendeel, zoals vermeld in het vers dat aan onze tekst voorafgaat, geeft hij zich over aan God als iemand die uit de dood tot leven is opgewekt, en stelt hij zijn ledematen ter beschikking van God als instrumenten van gerechtigheid. De volledige onderwerping van alle krachten en vermogens van lichaam en geest aan de Heere is het diepste verlangen van onze ziel. Wij kunnen met volle overtuiging dat prachtige loflied zingen —

“Neem mijn leven, laat het, Heer,
toegewijd zijn aan uw eer.
Maak mijn uren en mijn tijd
tot uw lof en dienst bereid.

Neem mijn handen, maak ze sterk,
trouw en vaardig tot uw werk.
Maak dat ik mijn voeten zet
op de wegen van uw wet.

Neem en zegen alle vreugd,
al ‘t geluk dat mij verheugt.
Maak dat ik mij nimmer schaam
mens te wezen in uw naam.

Neem ook mijne liefde, Heer,
‘k leg voor U haar schatten neer.
Neem mijzelf en voor altijd
ben ik aan U toegewijd.”

Maar, geliefden, wij merken dat er een andere wet in onze leden strijdt voert tegen de wet van ons verstand. De zonde die in ons woont, belemmert de volledige onderwerping van al onze leden aan God. Die zonde vindt haar schuilplaats in ons sterfelijke lichaam, in de begeerten, hartstochten en verlangens van onze menselijke natuur. Op zichzelf zijn deze binnen de juiste grenzen volkomen goed. Het is goed dat wij eten en drinken, enzovoort. Maar onze natuurlijke neigingen zijn geneigd meer toe te staan dan goed is en groeien zo uit tot zondige begeerten.

Door zijn natuurlijke begeerten biedt ons sterfelijke lichaam als het ware schuilplaatsen aan de vossen van de zonde. Ook de vleselijke geest is gemakkelijk geneigd toe te geven aan de begeerten van het lichaam, waardoor een krachtige tegenstand tegen het werk van de genade ontstaat. Elk waar kind van God moet zich bewust zijn van deze opstandige kracht en van het principe van de zonde dat in hem aanwezig is. Wij streven ernaar deze te beteugelen, te onderwerpen en te overwinnen, en wij hopen dat deze uiteindelijk volledig zal worden uitgeroeid. Onze situatie lijkt op die van Israël tegenover de Kanaänieten, en wij verlangen naar de dag waarop er geen Kanaänieten meer in het land zullen zijn.

De zonde is een heerszuchtige macht. Een mens kan niet tot een bepaald punt zondigen en daarna tegen de zonde zeggen: “Tot hier mag je komen, maar niet verder.” De zonde wil altijd heersen. Waar zij woont, verlangt zij naar volledige macht. Zoals onze Heere Jezus, wanneer Hij de ziel binnengaat, nooit genoegen neemt met een gedeelde heerschappij, zo is het ook met de zonde: zij probeert de hele mens aan zich te onderwerpen. Daarom zijn wij gedwongen dagelijks tegen dit heerszuchtige beginsel te strijden. Door de werking van Gods Geest in ons verzetten wij ons tegen de zonde, zodat zij geen heerschappij over ons krijgt.

Bij velen heerst de zonde zonder tegenstand in het hart. In sommigen heeft zij haar afschuwelijke troon hoog opgericht en behoudt zij haar macht met geweld, zodat haar rijk ongestoord blijft. Bij anderen wordt haar heerschappij wel bestreden, omdat het geweten in opstand komt, maar toch wordt de tiran niet van de troon gestoten. Over de hele wereld oefent de zonde een verschrikkelijke tirannie uit. Ook ons zou zij in dezelfde slavernij houden, als er niet Eén was die sterker is dan de zonde. Hij heeft Zich voorgenomen ons uit haar macht te bevrijden en zal dat verlossingswerk zeker volbrengen. Hierin ligt het handvest van onze vrijheid en de zekerheid van onze veiligheid: “De zonde zal over u niet heersen.”

De zonde heerst over hen die in ongeloof blijven, maar zij zal geen heerschappij over u hebben, “want Hij die in u is, is groter dan hij die in de wereld is.” De hele wereld ligt in het boze, maar “gij zijt niet van de wereld”, en daarom zal “de zonde zal over u niet heersen.”

Wanneer wij bevreesd zijn dat de zonde uiteindelijk toch de overhand op ons zal krijgen, laat onze tekst ons dan troosten. Heilige ijver kan ons doen vrezen dat wij, hoewel wij misschien jarenlang voor mensen een onberispelijk leven hebben geleid, toch in een onbewaakt ogenblik schipbreuk kunnen lijden in het geloof en onze levensreis kunnen eindigen als schipbreukelingen op de rotsen van de schande. Het vlees is zwak en onze eigen kracht is niets dan zwakheid. Daarom vrezen wij soms dat wij diep zouden kunnen vallen en oneer zouden brengen over de heilige Naam waarmee wij geroepen zijn. Maar juist onder zulke gevoelens mogen wij onze toevlucht nemen tot deze rijke verzekering: “De zonde zal geen macht over u hebben.”

Er zijn drie zaken die vanochtend onze aandacht verdienen en ons troost zullen bieden. Ten eerste is dat de bijzondere positie van gelovigen: “U bent namelijk niet onder de wet, maar onder de genade”; ten tweede de bijzondere verzekering die hun wordt gegeven: “Want de zonde zal over u niet heersen”; en ten derde de opmerkelijke reden die voor deze uitspraak wordt gegeven: “Want de zonde zal over u niet heersen. U bent namelijk niet onder de wet, maar onder de genade.”

I. Om te beginnen is er dus EEN BIJZONDERE POSITIE. “U bent namelijk niet onder de wet.” Alle mensen staan van nature onder de wet en worden daardoor veroordeeld, omdat zij haar geboden hebben overtreden. Zonder onze Heere Jezus zijn mensen niets anders dan misdadigers die hun vonnis afwachten: zij krijgen van dag tot dag uitstel, maar blijven toch onder het oordeel staan en wachten op het vastgestelde uur waarop het vonnis definitief over hen zal worden voltrokken.

Gelovigen echter worden beschouwd als gestorven in Christus, en door die dood zijn zij aan de wet ontkomen. Zij zijn volledig van de wet bevrijd, omdat hun Verlosser de straf van de wet in hun plaats heeft gedragen en tegelijkertijd de wet heeft geëerd door haar volmaakt te gehoorzamen. Zo heeft Hij op tweeërlei wijze aan alle eisen van de wet voldaan, zodat deze geen enkele aanspraak meer kan maken op Zijn volk. “Niet onder de wet” betekent, kort gezegd, dat wij niet proberen gered te worden door gehoorzaamheid aan de wet. Wij denken niet dat wij het eeuwige leven kunnen verdienen door onze eigen verdiensten, en wij hopen ook niets van de Heere te ontvangen alsof het ons toekomt vanwege onze goede werken.

Het beginsel dat ons leven beheerst, is niet eigenbelang. Wij proberen geen beloning te verdienen en worden ook niet door angst voor straf tot onze plicht gedreven. Wij leven onder de genade. Dat betekent dat God met ons handelt op grond van barmhartigheid en liefde, en niet op grond van gerechtigheid en verdienste. Uit vrije, onverdiende gunst heeft God ons om Christus’ wil vergeven. Hij heeft ons goedgunstig behandeld, niet omdat wij dat verdienden, maar eenvoudig omdat Hij dat wilde, overeenkomstig Zijn eigen woord: “Ik zal barmhartig zijn voor wie Ik barmhartig wil zijn, en Ik zal medelijden hebben met wie Ik medelijden wil hebben.”

De Heere heeft ons niet uitgekozen vanwege iets goeds in ons, maar Hij heeft ons gered en geroepen overeenkomstig het voornemen van Zijn eigen wil. Ook ons voortbestaan in de staat van verlossing hangt af van dezelfde genade die ons daar aanvankelijk heeft gebracht. Wij staan of vallen niet op grond van onze persoonlijke verdiensten. Omdat Jezus leeft, leven wij; omdat Jezus aangenomen is, zijn wij aangenomen; omdat Jezus geliefd is, zijn wij geliefd.

Kortom, onze positie voor God rust niet op verdienste, maar op barmhartigheid; niet op ons veranderlijke karakter, maar op de onveranderlijke genade van God. Genade is het fundament waarop wij voor de Heere mogen blijven staan. Daarom staat geschreven: “Want uit genade bent u zalig geworden, door het geloof, en dat niet uit u, het is de gave van God.” En ook: “En dat door de wet niemand gerechtvaardigd wordt voor God, is duidelijk, want de rechtvaardige zal uit het geloof leven. Maar voor de wet is het niet: uit geloof, maar: De mens die deze dingen doet, zal daardoor leven.”

Laten wij proberen de voorrechten van deze positie te beschrijven door te noemen van welke kwaden zij ons bevrijdt. Allereerst hoeven wij de vloek van de wet niet langer te vrezen. Mensen die onder de wet staan, hebben alle reden om bang te zijn voor de straf die hun toekomt vanwege hun vele tekortkomingen en overtredingen. Zij hebben de wet overtreden en leven daarom voortdurend onder de dreiging van oordeel en straf. Onbezorgde mensen proberen die gedachte zoveel mogelijk van zich af te zetten. Zij schuiven de dag van het oordeel voor zich uit, vergeten de dood en doen alsof zij niet geloven in het oordeel en de eeuwige toorn. Toch blijft die gedachte hen, meer of minder, verontrusten; er klinkt als het ware een angstwekkend geluid in hun oren.

Wanneer mensen eenmaal geestelijk ontwaken, achtervolgt de vrees voor de straf op de zonde hen dag en nacht en vervult hen met angst. En terecht, want zij staan onder de wet, en de wet zal hen uiteindelijk in haar gevangenis werpen, waaruit geen ontsnapping mogelijk is. Elke overtreding en ongehoorzaamheid moet immers een rechtvaardige vergelding ontvangen. Gelovigen daarentegen hoeven de straf op hun zonden niet te vrezen, want onze zonden zijn door de Heere Zelf op Jezus gelegd, en Hij heeft de straf gedragen. Daarom staat geschreven: “De straf die ons vrede brengt, rustte op Hem, en door Zijn striemen zijn wij genezen.” En ook: “Christus heeft ons vrijgekocht van de vloek van de wet, door voor ons een vloek te worden, zoals geschreven staat: ‘Vervloekt is een ieder die aan het hout hangt.’”

Door deze plaatsvervanging is de christen volledig bevrijd van schuld tegenover de goddelijke gerechtigheid. Daarom durft hij de wet zelf uit te dagen met de woorden: “Wie is het die verdoemt, nu Christus gestorven is? (zie: Rom. 8:34)” Ja, hij gaat nog verder en zegt: “Wie zal beschuldiging inbrengen tegen Gods uitverkorenen, nu God hen rechtvaardigt? (zie: Rom. 8:33)” Wij vrezen geen straf meer, want wij zijn vergeven, en God zal niet eerst vergeven om daarna alsnog te straffen. “Zo ver het oosten is van het westen, zo ver doet Hij onze overtredingen van ons” (Ps. 103:12). Zou God degenen straffen van wie Hij de overtredingen heeft weggenomen? Zou Hij hen in de hel werpen wier zonden Hij achter Zijn rug heeft geworpen? Dat is onmogelijk.

Daarom, wanneer wij de majesteit en ernst van de rechterstoel zien en de dreigingen van het oordeel horen, verheugen wij ons als gelovigen in de wetenschap dat deze verschrikkingen niets met ons te maken hebben. De grote Borg heeft Zijn volk veiliggesteld tegen alle gevaar van toorn. De worm die niet sterft is niet voor hen bestemd, het onuitblusbare vuur evenmin, en ook zal de afgrond haar mond niet over hen sluiten, want zij staan niet onder de wet.

De gelovige zwoegt niet langer in een slaafse gehoorzaamheid om een bepaald niveau van verdienste te bereiken. Een mens die onder de wet leeft en geestelijk ontwaakt is, probeert vaak de geboden te onderhouden om ten minste een zekere mate van goedheid te verkrijgen. Daarvoor spant hij zich zwaar in, zoals roeiers die met alle kracht tegen een storm in proberen te varen. Als hij maar een bepaalde hoogte van deugdzaamheid kon bereiken, zou hij zich veilig voelen. Als hij maar gelijk kon worden aan bepaalde goede mensen, dan zou hij rust hebben. Maar helaas ontbreekt hem de kracht om zelfs zijn eigen ideaal te bereiken. Hij merkt dat zijn goede voornemens als woorden in water geschreven zijn, en dat zijn goedheid verdwijnt als de morgendauw. Zijn slaafse inspanningen zijn onvolmaakt en geven hem geen innerlijke vrede.

De gelovige daarentegen kent die zware slavendienst niet meer. Christus heeft de wet voor hem vervuld, en daarin vindt hij rust. Hij probeert niet langer door bijzondere prestaties Gods gunst te verdienen; hij bezit die gunst al. Zij is hem vrijelijk en onverdiend geschonken, en daarin verheugt hij zich.

Wel wordt hij gedreven door een heilig verlangen, maar niet door de gedachte zichzelf door eigen werken te redden. Hij gehoorzaamt uit liefde. In zijn inwendige mens verheugt hij zich in de wet en belijdt hij met Paulus: “De wet is heilig, rechtvaardig en goed.” Hij verlangt ernaar zonder zonde te leven, maar hij denkt niet dat hij daarmee het verleden zou kunnen verzoenen, noch dat hij door eigen verdiensten toekomstige verlossing zou kunnen verkrijgen. Het werk waardoor hij behouden wordt, is immers al volbracht. Het is niet zijn eigen werk, maar het werk van Jezus. Daarom raakt hij, wanneer hij zijn eigen tekortkomingen en zonden ziet, niet in wanhoop over zijn redding, maar blijft hij rusten in Christus.

Hij is geen slaaf meer, gedreven door de zweepslagen van de angst, gedwongen om te zwoegen voor zijn leven zonder ooit rust te vinden in zijn inspanningen. Hij is bevrijd van het principe van de wet en leeft nu volgens een ander principe, dat van de liefde – niet om Gods gunst te verdienen, maar omdat die gunst hem al vrijelijk is geschonken.

De christen twijfelt niet langer aan de blijvende aard van Gods liefde. Onder de wet kan niemand zeker zijn van zijn positie, omdat die door één enkele zonde verloren kan gaan. Zelfs als iemand die op eigen werken vertrouwt zichzelf ervan zou overtuigen dat hij genoeg verdiensten heeft verzameld om veilig te zijn, dan nog kan hij er niet zeker van zijn dat hij die verheven positie zal behouden. Want zoals de bloem van het gras verwelkt, zo vergaat ook alle menselijke schoonheid en verdienste.

Hoe rechtvaardig een mens zichzelf ook acht, hij kan zelfs nu tekortschieten, en als dat niet gebeurt, dan kan hij later alsnog alles bederven. De geleerde Bellarmine, een van de grote tegenstanders van Maarten Luther, sprak ooit woorden van ongeveer deze strekking. Als rooms-katholiek geloofde hij in rechtvaardiging door werken, maar toch merkte hij op dat: “Aangezien zelfs de beste goede werken meestal door zonde worden bevlekt, en niemand zeker kan weten of hij genoeg goede werken heeft gedaan om gered te worden, is het uiteindelijk het veiligst om alleen op de verdiensten van Jezus Christus te vertrouwen.”

Daarin geven wij de kardinaal gelijk en kiezen wij eveneens voor die veiligste weg. Sterker nog: voor ons is het niet alleen de veiligste weg, maar de enige mogelijke weg. Want alle goede werken die wij ooit hebben gedaan, zijn op de een of andere manier bezoedeld — door verkeerde motieven vooraf, door een verkeerde gezindheid tijdens het doen ervan, of door trotse gedachten achteraf. Daarom durven wij niet te vertrouwen op onze gebeden, onze vroomheid, onze liefdegaven of zelfs ons berouw; wij moeten rusten op de verdienste van Christus alleen.

De verdienste van Christus is altijd volmaakt en onveranderlijk. Wie daarop vertrouwt, heeft daarom een fundament dat op elk moment even vast is. De verdiensten van Jezus blijven voor eeuwig kostbaar voor God ten behoeve van Zijn volk. Is Hij niet “gisteren en heden dezelfde en tot in eeuwigheid”? Daarom rust het vertrouwen van de gelovige op een fundament dat in de toekomst niet meer zal wankelen dan vandaag.

Geloofd zij God: Hij verstoot Zijn volk, dat Hij van tevoren gekend heeft, niet. Hij heeft hen niet vandaag lief om hen morgen te haten. Ook neemt Hij niet eerst een kind in genade aan om het daarna weer te verwerpen. “Want als wij, toen wij vijanden waren, met God verzoend zijn door de dood van Zijn Zoon, hoeveel te meer zullen wij, nu wij verzoend zijn, behouden worden door Zijn leven.”

Wij zijn bevrijd van de slavernij van de wet, omdat wij niet langer onder het verbond van de werken staan, maar gebracht zijn onder het verbond van de genade — een verbond dat gegrond is op beloften die nooit ongedaan gemaakt kunnen worden. Hierdoor is de gelovige niet langer bang voor de laatste grote dag. Zullen al onze zonden worden voorgelezen en bekendgemaakt voor het verzamelde universum? “Als dat zo is,” zegt de mens die onder de wet staat, “dan zal het mij slecht vergaan.” Oordeel is een vreselijk woord voor hen die hopen zichzelf te redden, want als hun daden op de weegschaal worden gelegd, zullen zij ongetwijfeld tekortschieten. Maar voor een gelovige is het oordeel niet beangstigend; hij kan zeggen: “Op die grote dag zal ik onbevreesd staan, want wie kan mij nog beschuldigen? Door Uw bloed ben ik vrijgesproken, gespaard van de vloek en de smet van zonde.”

Zullen de zonden van gelovigen op de laatste dag openbaar worden gemaakt? Als dat zal dienen tot eer van Gods vergevende liefde, laat het dan zo zijn. Wie van ons hoeft daarvoor bang te zijn, wanneer aan het einde van de hele lijst geschreven zal staan: “En al deze zonden zijn uitgewist omwille van Jezus Christus”?

En als onze zonden helemaal niet openbaar worden gemaakt, omdat zij achter Jehova’s rug zijn geworpen, en als de Rechter in plaats daarvan alleen de goede werken van Zijn volk zal noemen en zal zeggen: “Ik had honger en gij hebt Mij te eten gegeven; Ik had dorst en gij hebt Mij te drinken gegeven; voor zover gij dit aan een van deze Mijn minste broeders hebt gedaan, hebt gij het aan Mij gedaan,” dan mogen wij de laatste rechtszitting met vreugde tegemoetzien en uitroepen: “Welkom, welkom, Zoon van God.”

Zelfs als het boek van onze schuld geopend zou worden — het boek dat ons terecht zou kunnen veroordelen — staat er toch geschreven: “En er werd een ander boek geopend, namelijk het boek des levens.” Als onze namen daarin geschreven staan, hebben wij niets te vrezen. Hieraan kan nog worden toegevoegd dat de gelovige, omdat hij niet langer onder de wet staat, ook geen slaafse angst voor God meer heeft. Zolang ik in vijandschap met God leef, schuldig ben aan overtreding van Zijn wet en blootsta aan Zijn rechtvaardige toorn, vrees ik Zijn Naam en schrik ik terug voor Zijn aanwezigheid.

De ziel die onder de wet leeft, staat zoals Israël bij de berg Sinaï stond: ver van de berg verwijderd, met een grens tussen zichzelf en de heerlijkheid van God. Afstand en scheiding zijn de natuurlijke toestand van allen die onder de wet staan. Wanneer de mens ziet hoe God de bergen aanraakt zodat zij roken, en Zijn stem hoort als een zeer luide en langdurige bazuin, roept zijn hart: “Blijf ver weg,” en smeekt hij dat zulke woorden niet opnieuw tot hem gesproken worden.

Maar zo is het niet met de gelovige. Zijn hart en zijn vlees roepen uit naar de Heere, en hij verlangt ernaar om te komen en voor God te verschijnen. Wij hebben vrijmoedige toegang tot de troon van de hemelse genade, en wij maken daar met blijdschap gebruik van. Door de Middelaar hebben wij gemeenschap met de Vader en met Zijn Zoon, Jezus Christus. De Heilige Geest heeft in ons het verlangen gewerkt om steeds dichter bij onze hemelse Vader gebracht te worden.

Onze God is een verterend vuur, maar dat vuur boezemt ons geen angst in, want het zal alleen de onzuiverheden uit het goud wegsmelten en het slijk van het zilver verwijderen. De wet kon slechts zeggen: “Ga weg, gij vervloekte,” maar de genade zegt: “Komt, gij gezegenden.” De wet zei: “Kom niet dichterbij; trek uw schoenen van uw voeten,” maar de genade roept met een stem vol ontferming: “Wie dorst heeft, kome; en wie wil, neme het water des levens om niet.”

Wij hebben die genadige roepstem aangenomen; daarom kennen wij de Heere en hebben wij Hem lief. De volmaakte liefde heeft de vrees verdreven, want de vrees brengt kwelling met zich mee. Wij staan niet onder de wet, maar “wij hebben de liefde die God tot ons heeft, gekend en geloofd” (1 Joh. 4:16).

Nu richt ik mij tot u, christenen — ja, tot u die in Christus gelooft — en ik smeek u deze vrijheid van de wet goed te begrijpen en eraan vast te houden. Sommigen van u keren namelijk in zekere mate terug onder het juk van de wet, terwijl de apostel zegt: “Staat dan vast in de vrijheid waarmee Christus ons vrijgemaakt heeft, en laat u niet opnieuw een slavenjuk opleggen.”

Voelt u zich hulpeloos, koud en neergebogen, en concludeert u daarom dat u niet gered bent? Brengt u uzelf dan niet opnieuw onder de wet, doordat u de kracht van Gods genade afmeet aan uw eigen waardigheid of geestelijke toestand? Zodra u uw positie voor God beoordeelt op grond van iets anders dan het geloof in Zijn belofte, brengt u zichzelf weer in slavernij. U kunt wandelen door het geloof, maar zodra u een andere weg probeert te gaan, zult u struikelen. Voor mij is er maar één uitweg wanneer ik twijfel aan mijn eigen toestand: mijn toevlucht nemen tot een eenvoudig geloof in Jezus.

Wanneer satan zegt: “U bent geen heilige,” ga dan niet met hem in discussie, want hij is te sluw voor een arme ziel als u. Geef eenvoudig toe en zeg: “Misschien ben ik geen heilige — maar jij ook niet.” “Maar,” zegt hij dan, “u bent misleid; u bent een huichelaar.” Antwoord hem dan: “Als ik geen heilige ben, dan ben ik een zondaar. En juist voor zondaars staat geschreven dat Christus Jezus in de wereld gekomen is om hen te redden. Tot die groep behoor ik, o satan, en zelfs jij kunt dat niet ontkennen. Ik geloof in Jezus, en door dat geloof ben ik voor God gerechtvaardigd door de gerechtigheid van mijn Heere, en heb ik vrede met God door Jezus Christus.”

Geliefden, dat is een veilige positie. Als wij werkelijk gered worden door de gerechtigheid van een Ander, waarom zouden wij dan twijfelen aan de kracht van die gerechtigheid vanwege onze eigen zwakheid? Wij worden immers niet gered door onze eigen kracht of zwakte, maar door de kracht van de Heere Jezus.

Wanneer wij met één voet staan op de rots van Christus’ volbrachte werk en met de andere op het zand van onze eigen daden, zullen wij onstabiel zijn en gemakkelijk wankelen, afhankelijk van waarop wij vertrouwen. Maar wanneer wij beide voeten op die vaste rots zetten, kunnen wij standhouden, ook al bruisen de zeeën en spoelen de golven al het zand weg. Pas ervoor op dat u niet probeert te bouwen op een dubbel fundament, want dat kan nooit standhouden. Een deel Christus en een deel uzelf zal uiteindelijk tot mislukking leiden. Nee, onze grote Verlosser heeft uitgeroepen: “Het is volbracht.” En het ís volbracht. Daarom hebben allen die op Hem rusten een volkomen verlossing, want zij staan niet onder de wet, maar onder de genade.

II. Als tweede punt komen we nu bij DE BIJZONDERE VERZEKERING van de tekst: “De zonde zal over u niet heersen.“ Dit is een buitengewoon noodzakelijke bemoediging, vooral in bepaalde periodes. De zonde is een machtige kracht, en overal om ons heen zien wij haar verschrikkelijke gevolgen. Zij werkt onophoudelijk en haar uitwerking is dodelijk. Wanneer wij haar geweld zien, roepen wij soms verschrikt uit: “Op een dag zal zij mij zeker ten val brengen.” Maar juist die angst wordt weggenomen door de troostrijke stem van de Heilige Geest, die ons verzekert: “De zonde zal over u niet heersen.”

Helaas zien wij het kwaad niet alleen in anderen werken, maar ook in onszelf. Onze ogen worden verleid om naar ijdelheid te kijken, onze oren luisteren naar kwaadsprekerij, en ons hart wordt soms koud of dwaalt af. Dan raken wij gemakkelijk ontmoedigd en beginnen wij te twijfelen. Maar juist dan bemoedigt deze heerlijke belofte ons: hoewel u verzocht wordt, zult u niet ten onder gaan, want “de zonde zal geen macht over u hebben.”

“Wederstaat den duivel, en hij zal van u vlieden.” Sta vast in de kracht van het geloof en in de macht van het kostbare bloed van Christus. Ook al wordt u duizendmaal per dag belaagd door zondige gedachten en wordt elk zintuig aangevallen door de verleiding van het kwaad, toch geldt deze belofte: “De zonde zal over u niet heersen.” Door zulke woorden gesterkt blijven wij op onze wachttoren staan en worden wij niet door het kwaad overwonnen.

Soms dringt de zonde zich met grote kracht aan ons op en wakkert zij het kwaad in ons hart hevig aan. De verbeelding zet verkeerde verlangens in brand, en de rook van dat innerlijke vuur benevelt onze gevoelens en verstikt bijna het verstand. Ja, de zonde kan zich een tijdlang in uw ziel nestelen en u tot een voortdurende kwelling worden. Zij kan u neerdrukken, uw troost wegnemen, uw geestelijk leven verzwakken en een zware innerlijke strijd veroorzaken die uw vrede aantast — maar toch zal zij niet over u heersen.

Degenen onder u die bekend zijn met De Heilige Oorlog van John Bunyan zullen zich herinneren hoe treffend hij beschrijft hoe Diabolus de stad Mensenziel belegerde nadat Prins Immanuel haar had ingenomen. Na vele veldslagen en sluwe listen wist de vijand de stad binnen te dringen. Hij vulde de straten met het geschreeuw van zijn volgelingen en verontreinigde de hele stad met zijn legers. Toch kon hij het kasteel in het midden van de stad niet veroveren — het kasteel dat trouw bleef aan Immanuel. Dat kasteel stelde het hart voor, en daarin kon de vijand geen vaste voet krijgen.

Dag en nacht sloeg hij rond de muren op zijn helse trom, zodat degenen die in het kasteel schuilden zwaar werden gekweld. Met al zijn macht probeerde hij de muren neer te halen, maar hij kon niet binnendringen. Zo kan ook de zonde een tijdlang de overhand lijken te hebben in het leven van een gelovige, zodat hij geen rust meer vindt en niets anders lijkt te horen dan de trom van de duivel die roept: “Zonde, zonde, zonde!” Maar toch blijft de waarheid staan: de zonde zal niet over hem heersen.

De zonde kan u achtervolgen aan uw bed en aan uw tafel. Zij kan u volgen op straat en zelfs binnendringen in de kamer waar u zich terugtrekt om te bidden. Maar uw diepste wezen zal zich ertegen blijven verzetten, want “de zonde zal over u niet heersen.” De zonde kan u kwellen en zich aan u opdringen, maar zij kan niet uw heer worden. De duivel heeft grote toorn en woedt hevig, omdat hij weet dat zijn tijd kort is. Maar uiteindelijk zal hij overwonnen en verdreven worden, want de Heere, onze God, geeft ons de overwinning door Jezus Christus.

Helaas gebeurt het soms dat de zonde niet alleen in ons binnendringt, maar ons ook overweldigt, zodat wij in diepe droefheid moeten erkennen dat wij voor een tijd onder haar macht zijn bezweken. Het is verschrikkelijk dat dit gebeurt, al is het slechts voor een ogenblik, en toch heeft het geen zin dit droevige feit te ontkennen. Want wie van ons kan zeggen: “Ik ben rein, ik heb niet gezondigd”? Maar een tijdelijke nederlaag betekent nog geen volledige onderwerping. De zonde zal geen heerschappij hebben over de gelovige, want ook al valt hij, hij zal weer opstaan. Wanneer een kind van God in de modder terechtkomt, is hij als een schaap dat zo snel mogelijk weer opstaat en uit de greppel probeert te ontsnappen; het ligt niet in zijn aard om daar te blijven liggen.

De goddeloze daarentegen is als een varken dat zich in het vuil wentelt en er plezier in heeft. De modder heeft heerschappij over het varken, maar niet over het schaap. Met veel geblaat en geschreeuw zoekt het schaap de herder weer op, maar het varken niet. Zo huilt, treurt en betreurt ieder kind van God zijn zonde. Hij haat de zonde, zelfs wanneer hij er een tijdlang door overweldigd is geweest. Juist daarin ligt het bewijs dat de zonde geen heerschappij over hem heeft. Zij bezit wel een verschrikkelijke macht, maar geen blijvende heerschappij. Zij kan ons neerwerpen, maar zij kan ons niet leren het kwaad lief te hebben.

Er zijn momenten waarop de gelovige zijn gevaar diep voelt: zijn voeten waren bijna uitgegleden, zijn stappen bijna uitgeweken. Hoe kostbaar klinkt dan deze verzekering voor de ziel: “De zonde zal over u niet heersen.” De Heere is machtig om u voor vallen te bewaren, en Hij zal u tot het einde toe bewaren.

Deze zekerheid bewaart ons voor een groot gevaar: het gevaar om volledig onder de heerschappij van de zonde te komen. Maar wat betekent het eigenlijk dat de zonde heerst? Kijk om u heen. Er zijn mensen die in zonde leven en zich daar nauwelijks bewust van lijken te zijn. De zonde heeft zo’n macht over hen dat zij als het ware een sluier over hun hart legt en hun geweten afstompt. Zij zijn zo gewend geraakt aan hun slavernij dat zij er tevreden mee zijn.

Maar zo zal het met u niet zijn. U zult verlicht en onderwezen worden, zodat u zich, wanneer u zondigt, daar diep van bewust zult zijn. Zelfrechtvaardiging zal voor u onmogelijk worden. Veel mensen leven openlijk in zonde zonder enig gevoel van schaamte; ze voelen zich er prettig bij en zijn er tevreden mee. Maar dat geldt niet voor iemand in wie het leven van God aanwezig is. Wanneer u zondigt, zult u de gevolgen daarvan ondervinden; uw vrede zal verdwijnen en uw nest zal met doornen worden gevuld. Door Zijn genade heeft God uw natuur veranderd. Daarom zult u, wanneer u zondigt, zijn als een vis op het droge: u zult zich niet op uw plaats voelen en ernaar verlangen terug te keren naar de juiste toestand. U kunt niet werkelijk vrede vinden in de zonde, omdat u God liefhebt. De zondaar drinkt de zonde in zoals een os water drinkt, maar voor u zal zij smaken als het zoute water van de zee.

Misschien kunt u zo dwaas worden om de genoegens van de wereld te zoeken, maar zij zullen u geen echte vreugde geven. U zult uiteindelijk met Salomo uitroepen: “IJdelheid der ijdelheden, alles is ijdelheid.” Die wijze man probeerde het beste wat de wereld te bieden had en vond er geen voldoening in. U kunt er zeker van zijn dat, waar hij teleurgesteld werd, ook u geen voldoening zult vinden. Als de Heere u liefheeft, zal de zonde u nooit werkelijk gelukkig maken. In werelds gezelschap zult u zich voelen als iemand die op doornen zit of tussen giftige slangen loopt. En bij werelds vermaak zult u het gevoel hebben alsof het huis elk moment boven u kan instorten.

De goddeloze mens, die onder de heerschappij van de zonde leeft, houdt van de zonde. Maar dat zult u nooit kunnen. Hij verlangt ernaar nog verder te zondigen, omdat de zonde hem beheerst als een verslaving. Maar u zult nooit gelukkig worden in het kwaad. Wanneer u eraan toegeeft, zult u eronder zuchten. Alleen al de gedachte dat u aan haar verleidingen hebt toegegeven, zal u bedroeven. U zult ellendig en rusteloos zijn totdat u terugkeert tot uw Heere. Uw natuur is zo veranderd dat u niet meer aan de zonde kunt toegeven zonder innerlijke pijn te ervaren. Het zal zijn alsof u brandende kolen in uw boezem draagt of doornen in uw vlees steekt.

Nee, geliefden, als u werkelijk in Christus gelooft, zult u uw hele leven lang tegen de zonde strijden. En meer nog: u zult haar overwinnen in de Naam van de Heere. Misschien vreest u soms dat de zonde u uiteindelijk zal overweldigen, maar als u werkelijk uit God geboren bent, zal zij niet zegevieren. Net zoals Simson zijn ketenen verbrak, zo zult u de macht van de zonde verbreken. U zult boven de gewoonten uitstijgen die u nog steeds gevangen houden. Zelfs de sterke verlangens die u nu naar beneden halen, zullen hun macht verliezen. De genade in uw hart zal sterker worden, terwijl de Heilige Geest uw zwakheden te hulp komt. Zo zult u door de aanwezigheid van de Heere van heerlijkheid tot heerlijkheid worden veranderd.

Deze zekerheid wordt bevestigd door de context: “De zonde zal over u niet heersen”, omdat u door uw verbondenheid met Christus voor de zonde gestorven bent. U bent met Christus gestorven en met Hem begraven; hoe zou de zonde dan nog heerschappij over u kunnen hebben? mBovendien leeft u in Christus een nieuw leven, omdat Hij in u leeft. Hoe zou die nieuwe natuur dan in de zonde kunnen blijven leven? Hoe kan datgene wat uit God geboren is, leven zoals datgene wat uit de duivel geboren is? Nee, dat is onmogelijk. Christus heeft Zich verbonden om u van uw zonden te verlossen, en Hij zal dat ook doen. Hij zal u waakzaam, biddend en oplettend houden. Hij zal u onderwijzen door Zijn Woord, u ondersteunen door Zijn Geest en u volmaken in Zichzelf. U bent bestemd voor de overwinning, en u zult die ook behalen. Dank zij God, die ons de overwinning schenkt door Jezus Christus, onze Heere. Daarom blijft deze belofte vaststaan: “De zonde zal over u niet heersen.”

III. Nu kom ik bij mijn laatste punt, namelijk DE OPMERKELIJKE REDEN die wordt gegeven waarom de zonde nooit de overhand zal krijgen: “U bent namelijk niet onder de wet, maar onder de genade.“
“Wel, wel,“ zal menig onbekeerde mens zeggen, “heeft u ooit zo’n leer gehoord als hij ons vanmorgen heeft gepredikt? Niet onder de wet! “Welnu, dan mogen we zoveel zondigen als we willen.” Dat is de redenering van een verdorven hart, dat de zoete melk van het Woord zuur maakt.

Maar het is niet de gedachtegang van een kind van God. Let erop hoe Paulus het zegt: “Wat dan? Zullen wij zondigen omdat wij niet onder de wet maar onder de genade zijn? Volstrekt niet!” Hij verwerpt die conclusie met afschuw en roept uit: “Volstrekt niet!” Ik zal uitleggen waarom het leven onder de wet de heiligheid niet bevordert, terwijl het leven onder de genade juist het belangrijkste middel tot heiliging is.

Mensen die onder de wet staan, blijven noodzakelijkerwijs onder de heerschappij van de zonde. Allereerst omdat de wet een mens veroordeelt zodra hij haar overtreden heeft. Wat zegt de wet immers tegen hem? “Want wie de hele wet in acht neemt, maar op één punt struikelt, die is schuldig geworden aan alle geboden.” Zo sluit de wet de mens op als zondaar en laat zij geen ruimte voor hoop of herstel. Zij beschuldigt, veroordeelt en spreekt het vonnis uit, maar biedt geen bemoediging en geen kracht om te veranderen.

Voor hen die onder de genade zijn, is het anders. Tot hen zegt de genade: „U bent zondaars, maar u bent vrijelijk vergeven; uw ongerechtigheid is vergeven en uw overtreding is weggenomen. Ga heen en zondig niet meer.“ Hierdoor staat de berouwvolle zondaar weer op en roept uit: “Maak mij in staat U te loven, en schenk mij dat ik door Uw genade op het pad der gerechtigheid mag blijven.“ Wanneer de wonderlijke liefde van God in het hart wordt uitgestort, wekt zij een verlangen naar een heilig leven. Wat de wet niet kon doen, brengt de genade tot stand.

Een mens die onder de wet leeft, wordt uiteindelijk tot wanhoop gedreven. Hij zegt: “Moet ik deze wet volkomen houden om gered te worden? Helaas, ik heb haar al overtreden. En zelfs als dat niet zo was, is zij te heilig en te verheven voor mij om eraan te voldoen.” Daarom geeft hij de strijd op en verzinkt hij in onverschilligheid. Soms denkt hij zelfs: “Als ik toch verloren ga, dan kan ik net zo goed van de zonde genieten zolang het duurt.” Zo stort hij zich juist dieper in de ongerechtigheid.

Omdat er geen hoop lijkt te zijn, verhardt zijn hart zich. Hij trotseert de Heere en blijft steeds verder tegen Hem ingaan. Zo wordt de heerschappij van de zonde juist versterkt. Niet omdat de wet slecht zou zijn — God verhoede het — maar omdat het menselijke hart slecht is en zich verzet tegen Gods heilige wet. Met het kind van God is het anders. Hij zegt: “God heeft om Christus’ wil mijn zonden achter Zijn rug geworpen, en ik ben gered. Daarom wil ik Hem uit liefde dienen met alles wat in mij is, vanwege alles wat Hij voor mij heeft gedaan.” Zo verbreekt de genade van onze Heere Jezus Christus, door haar vrijheid en rijkdom, de heerschappij van de zonde — een heerschappij die de wet alleen maar zichtbaar kon maken en versterken.

Een mens die onder de wet leeft, ontsnapt niet aan de macht van de zonde, omdat de wet juist verzet oproept in het menselijke hart. Er zijn veel dingen die mensen nooit zouden willen doen — of zelfs maar zouden overwegen — totdat ze verboden worden. Sluit bijvoorbeeld een kast in uw huis af en zeg tegen uw vrouw en kinderen: “U mag die kast nooit openen, en zelfs niet door het sleutelgat kijken.” Misschien hadden zij nooit enige belangstelling voor die stoffige oude kast, maar vanaf dat moment zullen zij verlangen om erin te kijken.

Onlangs zijn er allerlei verordeningen opgehangen over het gebruik van Clapham Common, en ik durf ze nauwelijks te lezen uit angst dat ik de neiging zou krijgen ze te overtreden. Waarschijnlijk zijn er talloze dingen die ik nooit van plan was te doen, maar die nu streng verboden zijn; en onmiddellijk voel ik verzet opkomen tegen degenen die mijn vrijheid beperken. Het zou mij niet verbazen als mensen die nooit eerder op de Common kwamen, nu juist overtreders van die nieuwe regels worden.

Noot van de vertaler: Clapham Common is een groot driehoekig stadspark in Clapham, Zuid-Londen, Engeland. Oorspronkelijk was het gemeenschappelijk land van de parochies Battersea en Clapham, maar het werd omgevormd tot een park op grond van de Metropolitan Commons Act van 1878.

Vanwege onze opstandige natuur roept de wet weerstand op en wordt de zonde erdoor aangewakkerd. Wat een mens niet mag doen, wil hij juist gaan doen. Daarom zal iemand die onder de wet leeft nooit aan de heerschappij van de zonde ontkomen, want door de verdorvenheid van ons hart wekt de wet juist de zonde op. Maar wanneer wij niet onder de wet staan, maar onder de genade, leren wij God liefhebben vanwege Zijn liefde voor ons, en verlangen wij ernaar Hem in alles te behagen.

Bovendien geeft de wet de mens geen kracht om te doen wat zij eist. Zij zegt alleen: “Gij zult” en “Gij zult niet.” Verder gaat zij niet. Maar de genade schenkt juist datgene wat de wet verlangt. De wet zegt: “Maak uzelf een nieuw hart.” De genade antwoordt: “Ik zal u een nieuw hart geven, en zal een nieuwen geest geven in het binnenste van u.” De wet zegt: “Onderhoud Mijn geboden.” De genade antwoordt: “U zult Mijn geboden in acht nemen en daarnaar wandelen.”

Genade wordt door de Heilige Geest aan de ziel geschonken om heilige verlangens te wekken en een afkeer van de zonde te doen ontstaan. Wat de wet niet kon – omdat zij door het vlees machteloos was – volbrengt de genade door haar eigen goddelijke kracht. Bovendien wekt de wet geen liefde op, terwijl liefde juist de vervulling van de wet is. Wanneer iemand u alleen maar vertelt wat u wel en niet mag doen, wekt dit geen liefde op voor degene die de wet geeft. De wet is streng en koud, zoals de stenen tafelen van Mozes. Zij verandert het hart niet en neemt de vijandschap niet weg; vaak versterkt zij deze juist.

De wet alleen wekt geen heilige begeerte of geestdrift voor het goede. Zij is te hard en te kil om het hart werkelijk te raken. Ook geeft zij de mens geen hoog en diep besef van ware heiligheid. Kijk maar naar de wettische mens, die denkt door zijn eigen gehoorzaamheid behouden te worden. Voor hem is godsdienst slechts een zware plicht waarin hij geen vreugde vindt. Hij is een slaaf en niets meer. Hij doet zo veel als nodig lijkt, maar zijn hart is er niet bij betrokken. Mensen die denken dat zij Gods wet gehouden hebben, tonen daarmee juist hoe weinig zij de ware betekenis ervan begrijpen. Zij hebben een veel te laag beeld van Gods heiligheid; anders zouden zij nooit menen dat hun armzalige en gebrekkige gerechtigheid voldoende was.

De Farizeeër dacht dat hij de wet had onderhouden, omdat hij tweemaal per week vastte en tienden gaf van alles wat hij bezat. Maar diezelfde man kon ondertussen weduwen uitbuiten en allerlei verborgen zonden bedrijven. Daarmee liet hij zien hoe oppervlakkig zijn begrip van ware heiligheid was. Hij had Gods wet teruggebracht tot uiterlijke regels die alleen de buitenkant van beker en schotel reinigden, terwijl het hart vol onreinheid bleef.

Maar zie wat de genade doet. Zij vervult een mens met heilige ijver en geeft hem een verheven beeld van ware heiligheid. Zij leert hem de Heere lief te hebben en geeft hem een diep verlangen naar reinheid en heiligheid. Zelfs wanneer de gelovige ver boven de Farizeeër uitstijgt, blijft hij toch zeggen: “Ik ben nog niet wat ik zou moeten zijn.” En zelfs als hij een van de meest toegewijde mensen zou worden die ooit geleefd hebben, blijft Gods wet hem nog hoger wijzen, zodat hij blijft verlangen naar meer heiligheid en grotere gelijkvormigheid aan God. Dat is het werk van de genade — iets wat de wet nooit kan voortbrengen.

De meest geliefde dienst ter wereld is de dienst die uit liefde wordt verricht en niet alleen voor loon. Een knecht die uitsluitend werkt voor zijn salaris wordt nooit zo gewaardeerd als die oude, trouwe huisbediende die voor u zorgde toen u nog een kind was en die uw vader al diende vóórdat u geboren werd. Geen geld kan zo’n dienst kopen, want die komt voort uit oprechte toewijding en bereidwilligheid. Zelfs als u zijn loon niet meer zou kunnen betalen, zou hij blijven; en wanneer er moeilijkheden ontstaan, draagt hij die geduldig, omdat hij van u houdt. Zo iemand is kostbaarder dan robijnen.

Zo is het ook met het kind van God. De mens die alleen wettisch leeft, doet wat hij denkt dat hij behoort te doen — of probeert dat tenminste — maar van echte toewijding en vurige liefde weet hij weinig. Het kind van God daarentegen, ondanks al zijn zwakheden en fouten, wordt veel meer door God aanvaard, omdat hij doet wat hij kan uit liefde. Daarna zegt hij nederig: “Ik ben een onnutte dienaar; ik heb slechts gedaan wat mijn plicht was. Heere, help mij om meer te doen.”

God aanvaardt dienst die uit het hart voortkomt. Maar zulke hartelijke dienstbaarheid is nooit door de wet voortgebracht en zal dat ook nooit doen. Ware, liefdevolle gehoorzaamheid komt alleen voort uit hen die niet onder de wet staan, maar onder de genade. Daarom zal de zonde geen heerschappij hebben over hen die niet onder de wet zijn. De geest van deze wereld is wettisch. Haar wijzen zeggen ons dat wij mensen moeten voorhouden dat zij deugdzaam moeten leven, anders gaan zij verloren, en dat wij de hemel moeten voorstellen als een beloning voor goed gedrag. Zij geloven in het systeem van zweep en ketting.

Maar wat is het resultaat van zo’n prediking? Hoe meer men dat verkondigt, des te minder ware heiligheid en gehoorzaamheid er in de wereld gevonden wordt. Maar wanneer de liefde van God wordt gepredikt, is het resultaat heel anders. Dan zegt God: “Kom. Ik vergeef u vrijelijk. Vertrouw op Mijn Zoon, en Ik zal u onvoorwaardelijk redden, ook al is er in u niets dat Mijn gunst verdient. Aanvaard Mijn vrije genade, en Ik zal u genadig ontvangen en u vrijwillig liefhebben.” Op het eerste gezicht lijkt zo’n boodschap misschien een vrijbrief om te zondigen, maar wat gebeurt er werkelijk? Deze wonderlijke genade, wanneer zij bezit neemt van het hart, wekt wederliefde op. En die liefde wordt vervolgens de bron van reinheid en heiligheid. Wie deze genade ontvangen, verlangen ernaar de heiligheid te volbrengen in de vreze Gods.

Geliefden, laat u daarom niet opnieuw onder het juk van de wet brengen. Geef niet toe aan wettische dreigingen of wettische verwachtingen, maar leef onder het evangelie van de vrije genade. Laat in uw oren niet langer het dreigende donderen van de Sinaï weerklinken — “Doe dit en leef” — maar luister naar het zoete lied van vrije genade en stervende liefde.

Ach, laat die heerlijke klokken klinken van de vroege morgen tot de late avond. Laat hun muziek telkens opnieuw gehoord worden: leef en doe — niet: doe en leef. Werk niet om gered te worden, maar werk omdat u gered bent. Ga nu, als iemand die reeds verlost is, en toon door dankbare liefde en ijverige daden wat de genade van God voor u heeft gedaan. “Wie in de Zoon gelooft, heeft eeuwig leven.” En: “Wie geloofd zal hebben en gedoopt zal zijn, zal zalig worden, maar wie niet geloofd zal hebben, zalverdoemd worden.” Amen.

Steun ons met een donatie

Uw steun helpt ons om Het Spurgeon Archief in stand te houden. Dankzij uw bijdrage kunnen wij ons werk voortzetten en dit waardevolle archief gratis aanbieden en vrijhouden van reclame en commerciële invloeden.

Wij danken u hartelijk voor uw steun en betrokkenheid!

Archiefhulpmiddelen

Contact

Heeft u een tekstfout gevonden, of heeft u een vraag? Stuur dan een E-mail naar: [email protected]

Over de Auteur

C.H. Spurgeon

1834 – 1892 Was een Engelse baptistenpredikant in de puriteinse traditie. Belangrijke onderwerpen uit zijn prediking waren de vergeving van zonden en de noodzaak van wedergeboorte.

Onze Socials:

Copyright & Content