Rechtvaardige haat

Door C. H. Spurgeon uitgesproken; de exacte preekdatum en -plaats zijn niet bekend.

Copyright © Het Spurgeon Archief | Portret C.H. Spurgeon

Gij liefhebbers des HEEREN! haat het kwade. Psalmen 97:10

De christelijke godsdienst is een gouden keten waarmee de handen van mensen gebonden worden, zodat zij zich afkeren van alle haat. De geest van Christus is liefde. Waar Hij regeert, heerst liefde als een noodzakelijk gevolg. De christen mag niemand haten. “Gij hebt gehoord, dat er gezegd is: Gij zult uw naaste liefhebben, en uw vijand zult gij haten. Maar Ik zeg u: Hebt uw vijanden lief; zegent ze, die u vervloeken; doet wel dengenen, die u haten; en bidt voor degenen, die u geweld doen, en die u vervolgen”, zei Jezus.

Het woord “haat” moet uit het woordenboek van een christen worden geschrapt, behalve wanneer het in één bepaalde betekenis en met één bepaalde bedoeling wordt gebruikt: de betekenis die ik in deze tekst bedoel. U hebt geen recht, o christen, om in uw binnenste toorn, boosaardigheid, wrevel, hardheid of liefdeloosheid te koesteren jegens enig schepsel dat door Gods handen gemaakt is. Wanneer u de zonden van een mens haat, hoeft u daarom de mens niet te haten. U moet de zondaar liefhebben, zoals Christus zondaars liefhad en kwam om te zoeken en zalig te maken wat verloren was. Wanneer u de valse leer van een mens haat, moet u toch de mens blijven liefhebben. U moet zijn leer haten, zelfs uit liefde tot zijn ziel, met een oprecht verlangen dat hij van zijn dwaling wordt teruggebracht en op de weg van Gods waarheid wordt geleid. U hebt geen recht om uw haat uit te storten over enig schepsel, hoe gevallen of verlaagd ook, hoezeer het uw gemoed ook mag prikkelen of u schade mag toebrengen in uw bezit of goede naam.

Toch is haat een kracht van het menselijk wezen, en wij geloven dat alle krachten van het menselijk wezen uitgeoefend moeten worden en dat elk daarvan mag worden uitgeoefend in de vreze Gods. Het is mogelijk boos te zijn en toch niet te zondigen. Het is ook mogelijk te haten en toch niet schuldig te zijn aan zonde, maar juist een plicht te vervullen. Christenmens, u mag haat in uw hart hebben, als u haar toestaat slechts in één richting te stromen. Dan zal zij geen kwaad doen, maar zelfs goed doen: “Gij liefhebbers des HEEREN! haat het kwade.” Zoveel als de wraakzuchtige man zijn vijand haat, zoveel moet u het kwaad haten. Zoveel als strijdende vorsten in de oorlog elkaar haten en slechts een gelegenheid zoeken om elkaar van aangezicht tot aangezicht te ontmoeten, zo moet u het kwaad haten. Zoveel als de hel de hemel haat en de hemel de hel haat, zo moet u het kwaad haten.

Heel die hartstocht, die, wanneer zij op een verkeerd spoor wordt losgelaten, als een felle leeuw op zijn prooi kan toespringen, moet u aan de lijn houden tegenover ieder mens die zij zou kunnen verwonden. Houd haar als het ware als een edele leeuw in bedwang, maar ontdaan van alle wreedheid jegens uw medemens. Toch mag u haar loslaten tegen de vijanden van de Heere, uw God, en daardoor grote daden verrichten. Noem mij een man die nooit boos is; die man heeft geen ware ijver voor God. Wij moeten soms boos zijn tegen de zonde. Wanneer wij het kwaad zien, moeten wij, hoewel wij niet wraakzuchtig mogen zijn tegen de personen die het bedrijven, toch verontwaardigd zijn over het kwaad. Wij moeten de goddeloosheid altijd haten.

Zegt David niet: “Ik haat hen met volkomen haat, tot vijanden zijn zij mij”? Wij moeten onze vijanden liefhebben, maar wij moeten Gods vijanden haten. Wij moeten zondaars liefhebben, maar wij moeten de zonde haten. Zoveel als het in het vermogen van de mens ligt om te haten, zoveel moeten wij het kwaad haten, in iedere vorm en gedaante.

De hier opgelegde plicht is een algemene plicht voor al Gods volk. Wij moeten al het kwaad haten, niet slechts sommige kwaden. Er werd lang geleden van sommige belijders gezegd dat zij hun eigen zonden goedpraatten door de zonden van anderen te veroordelen, omdat zij zelf niet tot die zonden geneigd waren. En er zijn er, durf ik zeggen, ook vandaag die anderen uitermate schuldig achten aan ongerechtigheden die zij zelf niet begeren te bedrijven, terwijl zij zelf andere zonden doen waarmee zij zeer zachtzinnig omgaan. O christen, raak de zonde nooit aan behalve met een gepantserdehandschoen aan uw hand! Ga er nooit naartoe met de fluwelen handschoen der vriendschap en spreek er nooit teder over. Haat haar altijd, in elke gedaante.

Als zij tot u komt als een kleine vos, wees dan op uw hoede, want zij zal de druiven bederven. Als zij tot u komt als een brullende leeuw, zoekend wie zij zal verslinden, of als zij komt met de omhelzing van een beer, zoekend door een voorgewende genegenheid u tot zonde te verleiden, sla haar dan neer, want haar omhelzing is de dood en haar greep is verderf. Zonde van iedere soort moet u bestrijden: van de lip, van de hand en van het hart. Zonde, hoezeer ook verguld met winst, hoezeer ook gevernist met de schijn van zedelijkheid, hoezeer zij ook geprezen mag worden door de groten, of hoe populair zij ook mag zijn bij de menigte — u moet haar overal haten, in al haar vermommingen, iedere dag van de week en op iedere plaats.

Oorlog tot het mes met de zonde! Wij moeten het zwaard trekken en de schede wegwerpen. Met al uw heerscharen, o hel, met ieder kind van uw nageslacht, o satan, moeten wij in vijandschap zijn. Niet één zonde mogen wij sparen, maar tegen het geheel moeten wij een volstrekte en algehele uitroeiingsoorlog verkondigen.

Bij mijn poging om u over dit onderwerp toe te spreken, zal ik bij het begin beginnen. Christenmens, haat alle kwaad in uzelf. En dan, ten tweede, zullen wij het naar buiten laten gaan: christenmens, haat alle kwaad in andere mensen, waar u het ook ziet.

I. Ten eerste dan, CHRISTEN, HAAT ALLE KWAAD IN UZELF.

Ik zal nu trachten uw haat ertegen op te wekken, en dan zal ik trachten u aan te sporen en te helpen het te vernietigen.

U hebt goede reden om alle kwaad te haten — grotere reden dan ooit de zwaarst benadeelde man kon aanvoeren voor zijn haat tegen zijn vijanden. Bedenk wat het kwaad u al heeft aangedaan. O, wat een wereld van onheil heeft de zonde in uw hart gebracht! De zonde sloot uw ogen, zodat u de schoonheid van de Zaligmaker niet kon zien. Zij stak haar vingers in uw oren, zodat u de zoete uitnodigingen van Jezus niet kon horen. De zonde zette uw voeten op de weg van het kwaad en vulde uw handen met onreinheid. Nee, erger nog: de zonde goot vergif in de allereerste bron van uw wezen. Zij besmette uw hart en maakte het “arglistig, meer dan enig ding, ja, dodelijk.”

O, wat een schepsel was u toen de zonde haar uiterste met u had gedaan, voordat de goddelijke genade u begon te herstellen! U was een kind des toorns, evenals de anderen. U liep mee “met de menigte, om het kwade te doen.” Uw mond was “een geopend graf.” U vleide met uw tong, en er is niets wat gezegd kan worden van uw medeschepsel dat in zonde leeft, wat niet ook van u gezegd kon worden. U moet schuldig pleiten aan de aanklacht: “dit waart u sommigen, maar u bent afgewassen, maar u bent geheiligd, maar u bent gerechtvaardigd in de naam van den Heere Jezus en door den Geest onzes Gods.”

O, u hebt goede reden om de zonde te haten wanneer u terugkijkt naar de rots waaruit u gehouwen bent en naar de holte van de put waaruit u gegraven bent. Zulk onheil heeft het kwaad u aangedaan, dat uw ziel voor eeuwig verloren zou zijn geweest, als de almachtige liefde niet tussenbeide was gekomen om u te verlossen. Christen, haat het kwaad. Het is uw moordenaar geweest. Het heeft zijn dolk in uw hart gestoken. Het heeft vergif in uw mond gestoten. Het heeft u al het onheil aangedaan dat de hel zelf kon doen — onheil dat uw eeuwig verderf bewerkt zou hebben, als de genade van den Heere Jezus Christus het niet had verhinderd. U hebt dus goede reden om de zonde te haten.

Wederom, christen, haat het kwaad, want het zou onwaardig zijn als u dat niet deed wanneer u uw positie in het leven bedenkt. Een christen behoort tot het koninklijk bloed van het heelal. Kinderen van bedelaars mogen rondlopen op straat met ongekamd haar en blote voeten. Maar zouden prinsen van den bloede zich moeten wentelen in onreinheid? Wij verwachten niet dat kinderen van koningen in lompen gekleed gaan. Wij verwachten niet hen te zien rollen in de modder der straten. En u, christen, u bent een van Gods adel, een prins van het bloed des hemels, een vriend der engelen! Ja, en een vriend van God.

Goede reden hebt u om alle kwaad te haten. Welnu, mens, u bent een nazireeër, aan God gewijd. De nazireeër werd geboden niet alleen geen wijn te drinken, maar zelfs geen druif te eten, noch de schors van de wijnstok te proeven, of iets wat daaraan groeide. Hij mocht het noch aanraken, noch aanroeren, anders zou hij verontreinigd zijn. Zo is het ook met u. U bent des Heeren nazireeër, voor Hemzelf afgezonderd. Vermijd dan elke valse weg.

Laat zelfs de schijn van het kwaad van u verwijderd blijven — het is beneden uw waardigheid u over te geven aan de zonden die andere mensen te schande maken. U bent niet zo laag als zij. U bent van een edeler geslacht; u bent voortgesproten uit de lendenen van den Zoon van God. Is Hij niet uw eeuwige Vader, Hij die de Vredevorst is? Ik smeek u: ontluister nooit uw koninklijke afkomst en laat uw heilige afstamming niet bezoedeld worden. U bent een uitverkoren geslacht, een koninklijk geslacht. Waarom zou u dan uw klederen bezoedelen in het stof — “Gij liefhebbers des HEEREN! haat het kwade”.

Wederom — u hebt goede reden om de zonde te haten, omdat zij u verzwakt. Ga, wanneer u een dwaasheid hebt begaan, naar uw kamer, trek u daar terug en val op uw knieën in gebed. Voordat de zonde werd begaan, bereikte uw gebed het oor van God en kwamen de zegeningen neer, snel als de bliksem. Maar nu zijn uw knieën zwak, uw hart weigert te verlangen en uw tong weigert zelfs de flauwe verlangens te uiten die u tracht te bereiken. U probeert, maar u faalt. U kreunt, maar de hemel is gesloten voor uw kreet. U weent, maar uw traan dringt niet zo diep door dat zij een antwoord verkrijgt uit de boezem Gods. Daar staat u. U brengt uw noden voor de troon en draagt ze weer terug.

Het gebed wordt een pijnlijke plicht, in plaats van een uitermate genadig en voortreffelijk voorrecht. Dit is het gevolg van de zonde. “De zonde zal u het bidden doen opgeven, of anders zal het bidden u de zonde doen opgeven.” O, u kunt nooit sterk zijn in de zonde en sterk in het gebed. Zolang u zich overgeeft aan lust, zonde of moedwil van welke aard ook, wordt uw kracht in het gebed weggenomen en zijn uw lippen gesloten wanneer u tot uw God tracht te naderen.

Of, als u wilt, beproef dan een andere oefening. Ga na het begaan van een zonde de wereld in en tracht goed te doen. Wel, mens, u kunt het niet. U hebt de kracht verloren om anderen te reinigen wanneer u zelf onrein bent. Wat? Kan ik met vuile vingers het gezicht van anderen wassen? Zal ik trachten het veld van een andere man te ploegen, terwijl mijn eigen veld braak ligt en hoge, rankende distels en onkruid het overwoekeren?

Ik ben machteloos om goed te doen totdat ik eerst mijn eigen vat gereinigd en rein gemaakt heb. Een onheilige predikant moet een onsuccesvolle predikant zijn en een onheilige christen moet een onvruchtbare christen zijn. Tenzij u wenst dat uw zenuwen losgemaakt worden, dat het merg van uw beenderen uit u wordt weggeschroeid — tenzij u wilt dat het sap van uw wezen uitdroogt — smeek ik u: haat de zonde. Want de zonde kan u zozeer verzwakken en ontkrachten dat u een ellendig bestaan zult voortslepen, het ware geraamte van een ziel, in plaats van te bloeien op de wegen van uw God. “Gij liefhebbers des HEEREN! haat het kwade”.

Vervolgens zult u het uitermate nuttig vinden om, wanneer u van de zonde wilt afkomen, niet tevreden te zijn met haar slechts in te tomen, maar altijd te zoeken dat zij geheel wordt weggenomen door de Heiligen Geest. Louter zedelijke mensen tomen hun zonden in als een rivier met sluizen en dijken. Het water wordt tegengehouden om te stromen, maar vervolgens zwelt het geleidelijk hoger en hoger op, totdat het na verloop van tijd met verschrikkelijke woede overstroomt.

Wees dan niet tevreden met louter beteugelende genade — dat zal u nooit reinigen. De zonde kan daar nog zijn, ook al breekt zij niet uit. Bid tot God dat uw zonde weggenomen mag worden en dat, hoewel het overblijfsel en de wortel ervan blijven, hoewel de bedding er nog is, toch de stroom mag uitdrogen, zoals de stroom van de Eufraat, voor het aangezicht van den Heere uw God.

Wederom — u hebt goede reden om het kwaad te haten, want als u zich eraan overgeeft, zult u ervoor moeten boeten. God zal Zijn kinderen nooit doden; Hij heeft Zijn zwaard weggelegd. Hij heeft dat eens en voor altijd in de borst van Christus gestoken. Maar Hij heeft een roede, en die roede legt Hij soms met een zeer zware hand op, zodat het gehele lichaam ervan tintelt. De Heere zal niet zo toornig zijn op Zijn volk dat Hij hen wegwerpt, maar Hij zal zo toornig op hen zijn dat zij zullen moeten roepen: “genees de beenderen die Gij verbrijzeld hebt, en geef mijn ziel weder, o Heere mijn God.”

Ach, u die ooit afgedwaald bent, u weet wat het is om goed gegeseld te worden. Want wanneer Christus’ schapen van de Herder wegvluchten, zal Hij hen niet laten omkomen, maar zal Hij dikwijls de zwarte hond toelaten om hen in zijn bek terug te brengen. Hij zal toestaan dat zware moeite en scherpe verdrukking hen aangrijpt, zodat zij bijna tot de poorten der hel worden neergeworpen. Een christen zal nooit verwoest worden, maar hij zal bijna verwoest worden. Zijn leven zal hem niet geheel begeven, maar hij zal zo geslagen en gekneusd worden dat hij nauwelijks zal weten of er nog leven in hem is.

Haat de zonde, o christen, tenzij u moeite verlangt. Als u uw pad met doornen wilt bestrooien en distels in uw doodskussen wilt leggen, leef dan in zonde. Maar als u wilt wonen in de hemelse plaatsen, luisterend naar de eeuwige klokkenspelen van het paradijs die in uw eigen hart klinken, wandel dan tot het einde in alle wegen der heiligheid. Christenmens, haat het kwaad.

Tot zover heb ik u alleen zelfzuchtig toegesproken. Ik heb u getoond hoe het kwaad uzelf kan schaden. Nu zal ik u toespreken met een ander argument. Christen, haat het kwaad — haat het in uzelf, omdat het kwaad in u anderen zal schaden. Welk een schade doet de zonde van een christen aan de kinderen Gods! De scherpste beproevingen die Gods gemeente ooit heeft gekend, zijn gekomen van haar eigen zonen en dochters. Ik zie haar, ik zie haar met haar klederen gescheurd en bezoedeld. Ik zie haar handen geheel bebloed en haar rug vol littekens. O gemeente van den levenden God, u, schoonste onder de vrouwen, hoe bent u gewond! Waar hebt u deze wonden ontvangen?

Heeft de ongelovige u in het gezicht gespuwd en u gehoond? Heeft de Ariaan uw klederen gescheurd? Heeft de Socinaan vuil geworpen op de witheid van uw gewaad? Wie heeft uw handen gewond en wie heeft uw rug getekend? Is dit gedaan door de goddelozen en de spotters? “Nee,” zegt zij, “dit zijn de wonden die ik ontvangen heb in het huis van mijn vrienden. Tegen mijn vijanden draag ik een verborgen wapenrusting, maar mijn vrienden dringen erdoorheen en snijden mij tot op het diepste.” De bisschoppen van Gods gemeente, de beweerde leiders van des Heeren heerscharen, de zogenaamde volgelingen van den Verlosser hebben meer schade toegebracht aan de gemeente dan al de vijanden der gemeente samen.

Als de gemeente geen goddelijk werk was, beschermd door God, zou zij opgehouden hebben te bestaan, louter door het falen en de ongerechtigheid van haar eigen beweerde vrienden! Ik verwonder mij niet dat de gemeente Gods het martelaarschap en de dood heeft overleefd. Maar ik verwonder mij wel dat zij de ontrouw van haar eigen kinderen en het wrede afdwalen van haar eigen leden heeft overleefd. O christenen, u weet niet hoe u Gods naam doet lasteren, hoe u Zijn gemeente bezoedelt en oneer brengt op haar wapenschild wanneer u zich overgeeft aan de zonde. “Gij liefhebbers des HEEREN! haat het kwade.”

Wederom — haat haar niet alleen om der gemeente wil, maar om de arme zondaar. Hoeveel zondaars worden jaarlijks weggedreven van iedere gedachte aan godsdienst door de inconsequentie van belijders? En hebt u ooit opgemerkt hoe de wereld er altijd behagen in schept de inconsequentie van een belijder te vermelden? Ik zag nog gisteren een bericht in de krant over een ellendeling die zich aan wellust had overgegeven, en er werd gezegd dat “hij een zeer geheiligd voorkomen had.” Ja, dacht ik, zo houdt de pers ervan te spreken. Maar ik betwijfel ten zeerste of er veel redacteuren zijn die weten wat een geheiligd voorkomen is — althans, zij zullen lang moeten zoeken in hun eigen kring voordat zij velen vinden die veel heiligmaking bezitten. Hoe dan ook, de verslaggever schreef dat de man “een geheiligd voorkomen” had. En natuurlijk was het bedoeld als een steek naar allen die belijdenis doen van godsdienst, door anderen te doen geloven dat ook deze man een belijder was.

En werkelijk heeft de wereld hiervoor enige ernstige reden gehad, want wij hebben in deze dagen belijdende christenen gezien die een volstrekte schande zijn voor het christendom. Er worden dingen gedaan in de naam van Jezus Christus die het een schande zou zijn te doen in de naam van Beëlzebul. Er worden ook door hen die gerekend worden tot de leden van de gemeente van onzen Heere Jezus dingen gedaan die, dunkt mij, zo schandelijk zijn dat de gehele hel zichzelf er nauwelijks mee zou willen bemoeien. De wereld heeft veel reden gehad zich over de gemeente te beklagen.

O kinderen Gods, wees voorzichtig. De wereld heeft het oog van een lynx — zij zal uw fouten zien. Het zal onmogelijk zijn ze te verbergen. En zij zal uw fouten vergroten. Zij zal u belasteren, ook al hebt u geen fouten. Geef haar dan tenminste geen grond om op te bouwen. “Laat uw klederen te allen tijd wit zijn.” Wandel in de vreze des Heeren en laat dit uw dagelijks gebed zijn: “Ondersteun mij, zo zal ik behouden zijn.”

Nog eens — ik heb één argument dat, dunkt mij, uw hart moet raken en u ertoe moet brengen het kwaad te haten. U hebt een Vriend, de beste Vriend die u ooit had. Ik ken Hem en heb Hem liefgehad, en Hij heeft mij liefgehad. Er was een dag waarop ik tijdens mijn wandelingen buiten langs een plaats kwam die voor altijd in mijn geheugen gegrift staat. Daar zag ik deze Vriend — mijn beste, mijn enige Vriend — vermoord. Ik bukte mij in droeve schrik en keek naar Hem. Hij was op lage wijze vermoord. Ik zag dat Zijn handen doorboord waren met ruwe ijzeren spijkers en Zijn voeten eveneens met dezelfde spijkers doorboord waren.

Er was zo’n verschrikkelijke ellende op Zijn dode aangezicht dat ik er nauwelijks naar durfde te kijken. Zijn lichaam was uitgemergeld door honger, Zijn rug was rood van de bloedige geselslagen en Zijn voorhoofd had een kring van wonden rondom zich. Duidelijk kon men zien dat deze door doornen waren veroorzaakt. Ik huiverde, want ik had deze Vriend zeer goed gekend. Hij had nooit een fout begaan. Hij was de reinste der reinen, de heiligste der heiligen. Wie zou Hem hebben kunnen benadelen? Want Hij had nooit iemand benadeeld — heel Zijn leven lang “ging Hij goeddoende rond.” Hij had de zieken genezen, Hij had de hongerigen gevoed, Hij had de doden opgewekt — voor welke van deze werken doodden zij Hem?

Hij had nooit iets anders uitgeademd dan liefde. En terwijl ik keek naar het arme, treurige gezicht, zo vol van smart en toch zo vol van liefde, vroeg ik mij af wie zo’n verachtelijke ellendeling zou kunnen zijn om handen als de Zijne te doorboren. Ik zei bij mijzelf: “waar wonen deze verraders? Waar kunnen zij wonen? Wie zijn dezen die zo’n Een als deze konden slaan?” Hadden zij een verdrukker vermoord, wij hadden hen misschien vergeven. Hadden zij iemand gedood die zich aan ondeugd of schurkerij had overgegeven, het had wellicht zijn verdiende loon geweest. Was het een moordenaar en een oproerling geweest, of iemand die opruiing had bedreven, wij zouden gezegd hebben: “begraaf zijn lijk — de gerechtigheid heeft hem eindelijk zijn recht gegeven.” Maar toen Gij gedood werd, mijn beste, mijn enige Beminde, waar huisden de verraders? Laat mij hen grijpen, en zij zullen ter dood gebracht worden. Als er folteringen zijn die ik kan bedenken, zullen zij die zeker allen ondergaan.

O, welk een jaloezie! Welk een wraak voelde ik! Als ik deze moordenaars maar kon vinden, wat zou ik met hen doen! En terwijl ik naar dat lijk keek, hoorde ik een voetstap en vroeg mij af waar hij was. Ik luisterde en bemerkte duidelijk dat de moordenaar dichtbij was. Het was donker en ik tastte rond om hem te vinden. Ik ontdekte dat ik hem, waar ik ook mijn hand heenbracht, niet kon vinden, want hij was dichter bij mij dan mijn hand kon reiken. Ten slotte legde ik mijn hand op mijn borst. “Ik heb u nu,” zei ik. Want zie, hij was in mijn eigen hart! De moordenaar verborg zich in mijn eigen boezem, wonend in de schuilhoeken van mijn diepste ziel. Ach, toen weende ik inderdaad, dat ik in de zeer tegenwoordigheid van mijn vermoorde Meester de moordenaar herbergde.

En ik voelde mij hoogst schuldig terwijl ik gebogen stond over Zijn lijk en die klaaglijke lofzang zong: “het waren mijn zonden, mijn wrede zonden, die Zijn voornaamste kwelgeesten waren. Elk van mijn misdaden werd een spijker, en het ongeloof de speer.”

Wraak! Wraak! U die de Heere vreest en Zijn Naam liefhebt, neem wraak op uw zonden en haat alle kwaad.

Nu, geliefden, moet mijn volgende streven zijn u aan te sporen uw zonden te doden. Wat moet er gedaan worden opdat u en ik van onze zonden verlost mogen worden? Daar is de bijl der wet. Zullen wij die tevoorschijn halen en onze zonden ermee slaan? Helaas, zij zullen nooit sterven onder de slag van Mozes — “wet en verschrikkingen verharden alleen maar, al de tijd dat zij alleen werken.”

Ik heb dikwijls getracht de zonde te overwinnen door te denken aan de straf die eraan verbonden is, maar ik heb maar zelden bevonden dat mijn hart bereid was die reden te aanvaarden. Ik geloof dat voor de meesten van ons de verschrikkingen der wet, hoewel zij uitermate verschrikkelijk zouden moeten zijn, maar weinig kracht hebben om ons van de zonde te weerhouden. Ik hoorde onlangs een verhaal dat mij, zo het al niets anders deed, in elk geval de volstrekte machteloosheid van verschrikking liet zien om het hart van de zonde af te keren.

Sommigen beweren dat het noodzakelijk is dat mensen die moord bedrijven ter dood worden gebracht om anderen van misdaad af te schrikken. Er is echter, geloof ik, niet de geringste hoop dat de terechtstelling van een moordenaar ooit een dergelijk effect zal voortbrengen. Drie verraders werden eens in dit land terechtgesteld — Thistlewood was een van hen. Toen de beul het hoofd van de eerste man afsloeg en het omhooghield, terwijl hij zei: “dit is het hoofd van een verrader”, ging er een huivering door de menigte, een koude, kille gewaarwording die zelfs voor de beul merkbaar was.

Toen hij de volgende man doodde en het hoofd op dezelfde wijze omhooghield, werd het klaarblijkelijk met grote nieuwsgierigheid en ontzag bekeken, maar met minder huiveringwekkende ernst dan de eerste keer. En vreemd genoeg: toen het derde hoofd was afgeslagen en de man op het punt stond het omhoog te houden, liet hij het vallen. De menigte riep als uit één mond: “aha, boterhanden!” en barstte in lachen uit. Zou u vermoed hebben dat een Engelse menigte, bij het zien van een arme man die binnen zo korte tijd stierf, zo verhard kon raken dat zij werkelijk een grap maakte van zo’n voorval?

Toch is het zo. Wet en verschrikkingen brengen nooit, en zullen nooit, enig ander effect voort dan mensen tot de zonde te drijven en hen er licht over te laten denken. Ik zou een christen daarom niet aanraden, wanneer hij van zijn zonden verlost wil worden, zich voortdurend te verdiepen in de gedachte aan de straf. Laat hem liever een beter middel gebruiken — laat hem gaan zitten aan de voet van het kruis van Christus en trachten evangelisch berouw te putten uit de verzoening die Christus voor onze schuld heeft aangebracht.

Ik ken geen betere genezing voor de zonde bij een christen dan een overvloedige overpeinzing van de Heere Jezus. Verblijf veel bij Hem, en het zal voor u onmogelijk zijn veel bij de zonde te verblijven. Wat? Mijn Heere Jezus, kan ik aan de voet van die vervloekte boom zitten en Uw bloed zien vloeien voor mijn schuld, en mij daarna weer aan de overtreding overgeven? Ja, ik mag het doen, want ik ben laag genoeg voor alles. Maar toch zal dit de grote rem op het wiel van mijn zonde zijn, en dit zal mijn lust het meest bedwingen — de gedachte dat Jezus Christus voor mij geleefd heeft en gestorven is.

Wederom — als u de zonde wilt beteugelen, tracht er dan zoveel licht op te werpen als u kunt. De huisvrouw die druk bezig is in haar huis, met de gordijnen dichtgetrokken, kan alle tafels hebben afgestoft en denken dat alles schoon is. Maar dan opent zij een klein gedeelte van het venster en stroomt er een lichtstraal naar binnen, waarin tienduizend stofkorrels op en neer dansen. “Ach”, denkt zij, “mijn kamer is niet zo schoon als ik dacht! Hier is stof waar ik dacht dat er geen was.”

Tracht nu niet het armzalige biezenlicht van uw eigen oordeel te verkrijgen, maar het zonlicht van den Heiligen Geest, dat over uw hart stroomt. Dat zal u helpen uw zonde te ontdekken — en de ontdekking van de zonde is halverwege haar genezing. Kijk goed naar uw overtredingen en tracht ze op te sporen.

Nog iets — wanneer u in een zonde bent gevallen, doe daarvan belijdenis en laat dit u ertoe brengen ook naar al het overige te zoeken. David, weet u, schreef nooit zo’n vernederde belijdenis als nadat hij één zondige daad had begaan. Toen werd hij ertoe gebracht zijn hart te doorzoeken en al het overige van zijn ongerechtigheden te ontdekken, en hij deed een volledige belijdenis van alles.

Wanneer u één zonde ziet, wees er dan zeker van dat er een menigte is, want zij jagen altijd in troepen. En wees voorzichtig dat, wanneer u uw belijdenis tegen de ene aflegt, er genoeg kruit en lood in uw belijdenis is om al uw zonden te verwonden en ze strompelend weg te sturen. Wees niet tevreden met het overwinnen van één zonde of één overtreding, maar arbeid om van alle zonden af te komen.

Wederom — er zijn vele zonden waardoor u verleid zult worden, tenzij u er altijd voor zorgt de zonde van haar vermommingen te ontdoen. De zonde zal soms tot u komen, gewikkeld in een Babylonisch gewaad, als de wig van Achan. Trek de bedekking af en u zult haar ongerechtigheid ontdekken. Zij zal soms tot u komen, zoals de ongerechtigheid van koning Saul, in de gedaante van een offer. Ontdoe haar van die bedekking en ontdek dat wederspannigheid is als de zonde der toverij.

Helaas, de zonde is als Izebel! Zij versiert haar hoofd en blanket haar aangezicht. Trek de opsmuk af waarmee zij zichzelf probeert te sieren, en laat haar staan in al haar naakte mismaaktheid. Dan zult u minder geneigd zijn erin te lopen.

Nog eens — probeer altijd, wanneer uw gemoed in een geheiligde staat is, het gewicht van het kwaad der zonde te schatten. Wanneer u in een zondige toestand bent, zult u het gewicht van het kwaad niet voelen. Een man die in het water duikt, mag duizend ton water boven zijn hoofd hebben en het gewicht ervan niet voelen, omdat het water hem omringt. Maar haal hem uit het water en zet een halve tobbe op zijn hoofd, en die drukt hem neer.

Zo is het ook nu. Terwijl u zich aan de zonde overgeeft, zult u haar gewicht niet voelen. Maar wanneer u uit de zonde bent, nadat zij voorbij is en de Geest het reinigende bloed heeft toegepast tot uw vergeving, en het heiligende werk des Geestes begonnen is u te herstellen, arbeid er dan naar de gruwelijkheid van uw schuld te beseffen. Zo zult u geholpen worden haar te haten en te overwinnen.

Met betrekking tot sommige zonden geldt, als u ze wilt vermijden, één eenvoudig advies: vlucht ervoor weg. Zonden van wellust moeten vooral nooit anders bestreden worden dan op de wijze van Jozef. En u weet wat Jozef deed — hij vluchtte weg. Een Frans wijsgeer zei: “vlucht, vlucht, Telemachus — er blijft geen weg tot overwinning dan door vlucht.”

De ware soldaten van Christus’ kruis zullen voet aan voet staan tegen iedere zonde ter wereld, behalve deze. Maar hier keren zij zich om en vluchten, en juist dan worden zij overwinnaars. “Vliedt de hoererij”, zei iemand van ouds, en er lag wijsheid in die raad — er is geen andere weg om haar te overwinnen dan door te vluchten.

Als de verzoeking u aanvalt, sluit dan uw ogen, stop uw oren en weg, weg ervan! Want u bent alleen veilig wanneer u buiten haar gezicht en gehoor bent. “Gij liefhebbers des HEEREN! haat het kwade.” En tracht met al uw macht het in uzelf te weerstaan en te overwinnen.

Nog eens — u die den Heere liefhebt, als u van de zonde vrijgehouden wilt worden, zoek dan altijd een verse zalving van den Heiligen Geest. Vertrouw uzelf nooit ook maar één dag toe zonder een verse vernieuwing van uw godsvrucht, voordat u uitgaat tot de plichten van de dag. Wij zijn nooit veilig, tenzij wij in des Heeren handen zijn.

Geen christen, wie hij ook is of wat hij ook is, hoe vermaard hij ook mag zijn om zijn godsvrucht en gebedsleven, kan één dag bestaan zonder in grote zonde te vallen, tenzij de Heilige Geest zijn Beschermer is. De oude leermeester Dyer zegt: “sluit uw hart iedere morgen door het gebed en geef God de sleutel, zodat er niets binnen kan komen. En wanneer u dan ‘s avonds uw hart ontsluit, zal er een zoete geur en welriekendheid zijn van liefde, vreugde en heiligheid.”

Neem dat ter harte. Het is alleen door den Geest dat u voor de zonde bewaard kunt worden.

Bovenal, laten wij hieraan toevoegen: vermijd alle predikanten die op enigerlei wijze trachten de zonde te vergoelijken. Vermijd alle ervaringen en boeken over ervaringen die u een manier aanreiken om heen te komen over het feit dat de zonde van Gods volk een verfoeilijk ding is.

Ik ken sommigen die over hun zonden spreken alsof zij er trots op waren. Zij spreken over hun vallen, afdwalingen en overtredingen alsof het gezegende ervaringen waren — zoals de hond die een belletje om zijn nek had omdat hij gevaarlijk was. Zij zijn trots op juist datgene wat hun schande is.

Bedenk: een netel is overal slecht, maar zij is nooit zo slecht als in een bloementuin. Zo is de zonde overal slecht, maar nooit zo verfoeilijk als in een christen.

Als u vandaag naar huis gaat en u ziet een jongen die ruiten stukmaakt, zult u hem waarschijnlijk toespreken. Maar als het uw eigen jongen is, zult u hem streng kastijden, juist omdat hij uw eigen zoon is. Zo handelt God ook met Zijn volk. Wanneer zondaars kwaad doen, bestraft Hij hen. Wanneer Zijn volk hetzelfde doet, slaat Hij hen. Hij zal de zonde in Zijn eigen kinderen nooit ongestraft laten voorbijgaan. Zij zal nooit ongekastijd blijven.

U die de Heere vreest, vergoelijk de zonde nooit, want God zal dat niet doen. Hij haat haar met volkomen haat.

II. Mijn tweede punt is: HAAT DE ZONDE IN ANDEREN.

Merk dit goed op: haat niet de ander, maar haat de zonde die in hem is. Aangezien wij nog maar een paar minuten over hebben, zal ik die besteden aan slechts één of twee praktische opmerkingen.

Als u de zonde in anderen haat, zal het noodzakelijk zijn dat u haar nooit op enige wijze begunstigt. Er is menig christen die meer kwaad doet dan hij beseft door slechts een glimlach. U hebt een jongeman gehoord die een verhaal vertelde over sommige van zijn grillen. Misschien was het in een treincoupé. Hij was zeer geestig en u hebt naar hem geglimlacht. Hij kent u en schijnt te denken dat hij iets dappers heeft gedaan — heeft hij niet een christen ertoe gebracht om om zijn zonden te glimlachen?

U hebt soms losbandige, wulpse gesprekken gehoord die uit de mond van goddeloze mensen kwamen, en u vond het niet prettig. Het schuurde in uw oren. Maar u bleef heel stil zitten, terwijl anderen zeiden: “ach wel, hij was nog steeds stil. Hij zoog het in zich op, en het was duidelijk dat hij ervan hield.” Zo werd het onmiddellijk gestempeld met het zegel van uw goedkeuring.

Laat de zonde nooit uw begunstiging hebben. Waar u ook bent, laat het bekend zijn dat u haar niet alleen niet kunt verdragen, maar dat u haar oprecht haat. Laat mensen niet zeggen: “wel, ik denk niet dat hij ervan houdt.” Laat hen weten dat u haar haat, dat u werkelijk boos op haar bent, dat u er niet om kunt glimlachen, maar dat uw toorn opkomt bij de enkele vermelding van zulke schandelijke dingen.

In de vorige eeuw was het gebruikelijk en zelfs eervol om zonden te bedrijven die nu met minachting worden beschouwd. En over honderd jaar zullen sommige dingen die nu gedaan worden, ontdekt worden als hopeloos verdorven, en zullen wij er eveneens met afkeer op neerkijken. Christen, ik zeg u: bestempel nooit de zonden van een ander met uw goedkeuring.

Wederom — telkens wanneer u ertoe geroepen wordt, en dat zal zeer vaak zijn, zorg ervoor dat uw gevoelens ten aanzien van de zonde naar buiten komen. Zondige stilte kan u tot deelgenoot maken van de boze wegen van een zondaar. Als ik, wanneer ik laat op de avond voorbijging, een man een huis zag binnendringen en ik heel stilletjes doorliep, terwijl ik wist dat hij verkeerd deed en geen alarm sloeg, dan denk ik dat ik medeplichtig zou zijn aan de misdaad.

En zo is het ook wanneer u in gezelschap zit waar boos gesproken wordt of waar Christus gelasterd wordt, en u geen woord spreekt voor uw Meester. Dan begaat u zonde door uw stilzwijgen — u bent een medeplichtige aan de ongerechtigheid.

Spreek op voor uw Heere en Meester. Wat dan, als u daarom wordt uitgescholden en een puritein genoemd wordt? Het is een prachtige naam. Wat dan, als sommigen zeggen dat u te precies bent? Er is goede reden dat sommigen te precies zijn, waar zeer velen veel te los zijn. Of als zij u nooit meer welkom heten in hun gezelschap, zal het een grote winst zijn om er niet meer in te verkeren.

Wat dan, als zij kwaad van u spreken? Weet u niet dat u zich op die dag zult verheugen, wanneer zij valselijk allerlei kwaad tegen u zullen spreken om Christus’ Naam? Laat de zonde altijd door uw vrijmoedige spreken beschaamd worden.

Dan wederom — wanneer u kwaad in iemand ziet, zoek dan altijd, als u ook maar de geringste hoop ziet iets goeds te kunnen doen, naar een gelegenheid om het hem te vertellen zonder dat er iemand anders bij is. Ik heb gehoord van een heer die aan het vloeken was en van een godvruchtig man die daarbij stond. In plaats van hem er publiekelijk om te bestraffen, zei hij: “meneer, ik zou u graag een ogenblik willen spreken.”

“Wel,” zei de heer, “u kunt beter in de koffiekamer komen.”

Zij gingen dienovereenkomstig daarheen. En de godvruchtige man zei tot de ander: “mijn dierbare vriend, ik merkte dat u de Naam Gods ijdel gebruikte. Ik weet dat u het mij zult vergeven dat ik het noem. Ik zei er niets van terwijl anderen het konden horen. Maar het is werkelijk een grote zonde, en er kan geen voordeel uit voortkomen. Zou u het in de toekomst kunnen vermijden?”

De terechtwijzing werd dankbaar ontvangen. De heer boog ter erkenning, beleed dat het de fout van zijn vroege opvoeding was geweest en vertrouwde erop dat deze bestraffing hem goed zou doen.

Denkt u niet dat wij zeer dikwijls een gelegenheid missen om onze haat tegen het kwaad te tonen, omdat wij niet trachten om, zonder dat er iemand anders bij is, te spreken met hen van wie wij ontdekken dat zij zich aan de zonde overgeven? Laat nooit een gelegenheid voorbijgaan om een schot op de duivel te lossen, waar u hem ook aantreft. Val hem altijd aan wanneer u hem ziet. Als u het niet publiekelijk kunt doen en toch een man kwaad ziet doen, bestraf hem dan, zonder dat er iemand anders bij is, om zijn zonde.

En nog iets. Als u het kwaad haat, verval er dan niet zelf in, want het heeft geen nut om tegen anderen over het kwaad te spreken als uw eigen leven niet onberispelijk is. Zij die in glazen huizen wonen, mogen geen stenen werpen. Kom eerst uit uw eigen glazen huis, en werp er dan zoveel als u wilt. Spreek tot andere mensen wanneer u eerst hebt getracht uw eigen leven in te richten naar het kompas van het evangelie.

En nu, geliefde broeders en zusters, allen van u die den Zaligmaker liefhebben, worden deze morgen aangespoord om het kwaad te haten. En ik zal deze vermaning nog eenmaal uitbreiden. Verenig hart en hand in de haat van het kwaad, met allen die het proberen neer te halen.

Waar u ook een genootschap ziet dat tracht goed te doen, moedig het aan. Laat dit uw leer zijn — predik niets anders dan Christus, en niets anders dan het kwaad neer te halen. Help allen die zich inzetten voor de verbreiding van het koninkrijk van den Verlosser. Er is niets anders dat het kwaad zo snel kan wegdoen als de verkondiging van het recht.

Help de dienaar van het evangelie — bid voor hem. Ondersteun zijn handen. Tracht hem te versterken. Wat uzelf betreft, word een traktaatverspreider, een zondagsschoolonderwijzer of een dorpsprediker.

Toon uw haat tegen het kwaad door actieve inspanningen om het neer te halen. Verspreid Bijbels, strooi het Woord Gods breed uit over het land. Zend uw zendelingen naar vreemde landen en laat hen doordringen in de holen en stegen van Londen. Ga onder de lompen en het vuil van onze eigen bevolking en tracht een of twee van des Heeren kostbare juwelen, verborgen in de mesthopen van de hoofdstad, ertoe te brengen het Woord Gods gepredikt te horen.

Laat de Heere Jezus Christus zo door uw middel de overwinning behalen en laat het kwaad dezer wereld uitgeworpen worden. Hoe zal dat anders gedaan worden dan door de verenigde inspanningen van heel Christus’ gemeente?

In deze dagen hebben wij zeer veel mannen om Christus’ veldslagen te strijden, als zij het maar zouden willen. Onze gemeenten nemen in groot tempo toe. Er zijn nu een geweldig aantal christenen in leven. Maar ik denk dat ik liever de honderdtwintig mannen zou hebben die in de bovenzaal waren op de dag van Pinksteren, dan dat ik het hele stel van u zou hebben.

Ik denk werkelijk dat die honderdtwintig mannen meer bloed in zich hadden — meer goddelijk christelijk bloed en ijver — dan zovele miljoenen van zulke arme schepsels als wij zijn.

Wel, in die dagen was elk lid van de gemeente een zendeling. De vrouwen predikten niet, dat is waar. Maar zij deden wat beter is dan preken — zij leefden het evangelie uit. En alle mannen hadden iets te zeggen. Zij lieten het niet, zoals u, aan hun predikant over om God bij volmacht te dienen. Zij stelden geen diakenen aan om al Gods werk te doen, terwijl zij hun armen kruisten. O nee. Al Christus’ soldaten gingen ten strijde.

Er was geen loting om er één of twee uit te lichten en de anderen thuis te laten blijven om de buit te delen. Nee! Iedereen streed, en groot was de overwinning.

Nu, geliefde christenen, allen van u, ga eraan, en altijd eraan!

O Geest van den levenden God, daal neer op elk hart en gebied elk van Uw soldaten zijn zwaard in de hand te nemen en rechtstreeks op te gaan naar de overwinning. Want wanneer Sions kinderen hun individuele verantwoordelijkheid zullen voelen, dan zal de dag van haar triomf komen. Dan zullen de muren van Jericho plat ter aarde vallen, en elke soldaat van den levenden God zal gekroond worden als overwinnaar.

“Gij liefhebbers des HEEREN! haat het kwade” door Gods genade, van nu af en voor eeuwig. Amen.

Preek nr. 208 · Gehouden op onbekende datum en plaats. Bron: Spurgeon’s Sermons, spurgeon.org.

Steun ons met een donatie

Uw steun helpt ons om Het Spurgeon Archief in stand te houden. Dankzij uw bijdrage kunnen wij ons werk voortzetten en dit waardevolle archief gratis aanbieden en vrijhouden van reclame en commerciële invloeden.

Wij danken u hartelijk voor uw steun en betrokkenheid!

Archiefhulpmiddelen

Contact

Heeft u een tekstfout gevonden, of heeft u een vraag? Stuur dan een E-mail naar: [email protected]

Over de Auteur

C.H. Spurgeon

1834 – 1892 Was een Engelse baptistenpredikant in de puriteinse traditie. Belangrijke onderwerpen uit zijn prediking waren de vergeving van zonden en de noodzaak van wedergeboorte.

Onze Socials:

Copyright & Content