Een wonderlijke verandering

Een preek uitgesproken op donderdagavond 7 september 1882 door C. H. Spurgeon in de Metropolitan Tabernacle in Newington.

Of weet gij niet dat de onrechtvaardigen het Koninkrijk Gods niet zullen beërven? Dwaalt niet: noch hoereerders, noch afgodendienaars, noch overspelers, noch ontuchtigen, noch die bij mannen liggen, noch dieven, noch gierigaards, noch dronkaards, geen lasteraars, geen rovers zullen het Koninkrijk Gods beërven. En dit waart gij sommigen; maar gij zijt afgewassen, maar gij zijt geheiligd, maar gij zijt gerechtvaardigd in den Naam van den Heere Jezus en door den Geest onzes Gods. 1 Kor. 6:9-11

Copyright © Het Spurgeon Archief | Portret C.H. Spurgeon

Het evangelie is even heilig als de wet. Het is vol barmhartigheid jegens zondaars, maar het toont geen genade aan de zonde. Het spreekt goddelozen op de tederste wijze aan, maar veroordeelt goddeloosheid met de grootste ernst. Het Nieuwe Testament maakt scherp onderscheid tussen zondaar en zonde. De zondaar wordt met oneindige barmhartigheid gespaard, tot hoop bemoedigd en door Gods liefde getrokken. Maar de zonde zelf veroordeelt het als een gruwel die God haat en straffen moet.

O, beste vrienden! Als wij de zonde liefhebben, is het niet alleen de Sinaï waarvoor wij terugdeinzen. Want als wij vastbesloten zijn om door te gaan met zondigen, veroordeelt ook Golgotha ons. Uiteindelijk zullen hardnekkige zondaars die volharden in hun zonde het verschrikkelijke oordeel horen uit de mond van Jezus Christus Zelf: “Ga weg van Mij, u die de wetteloosheid werkt!” Laat niemand denken dat wij de zonde lichtvaardig behandelen als wij Gods barmhartigheid aan de grootste zondaars verkondigen. Nee, juist door het kostbare bloed van onze Meester en Heere – wiens pijnlijke dood álle zonden wegwast – mogen wij vrijuit genade preken aan wie oprecht berouw tonen.

Maar tegelijkertijd aarzelen wij geen ogenblik om in de duidelijkst mogelijke bewoordingen te verkondigen dat God de schuldigen die weigeren zich te bekeren niet zal sparen. Alleen door het bloed van Zijn geliefde Zoon zal Hij barmhartigheid betonen aan de goddeloze zonen en dochters der mensen die zich met een oprecht hart tot Hem wenden en vertrouwen op het grote verzoenende offer van Jezus.

De hoogste norm van heiligheid wordt in het Evangelie uitgesproken. Het Evangelie is niet bedoeld om de eisen van de wet af te zwakken door te zeggen: “U kunt de volmaakte wet van de Heer niet naleven; maar doe uw uiterste best, en dat zal volstaan.“ Niets van dien aard is waar dan ook in het Nieuwe Testament te vinden.

Het komt niet tot de mensen met een meewarige toon om te zeggen: “U bent arme, onwetende schepselen die onbewust in zonde zijn gevallen, en daarom rust er geen schuld op uw overtreding van de wet.“ Niets van dien aard; want zelfs toen onze Verlosser aan het kruis over Zijn spotters en moordenaars zei: “Zij weten niet wat zij doen”, bad Hij: “Vader, vergeef het hen”, waarmee Hij duidelijk verklaarde dat zij zondaars waren die vergeving nodig hadden, ook al was hun overtreding tevens een zonde uit onwetendheid.

Dat is de korte inleiding op de preek die ik zo dadelijk zal houden; deze zal uit drie delen bestaan, waarvan het eerste ons zal laten zien dat we hier te maken hebben met een plechtige uitspraak – een oordeel dat de schuldigen en degenen die geen berouw tonen uitsluit van het Koninkrijk van God. Vervolgens volgt hier ten tweede een herinnering voor sommigen onder ons: “en zo waren sommigen van u.” En ten derde wordt hier een wonderlijke verandering beschreven: “Maar u bent schoongewassen, maar u bent geheiligd, maar u bent gerechtvaardigd, in de Naam van de Heere Jezus en door de Geest van onze God.”

I. Welnu, geliefden, laat mij beginnen met deze PLECHTIGE UITSPRAAK: “Weet u dan niet dat de onrechtvaardigen het Koninkrijk Gods niet zullen beërven?“ O, terwijl ik hierover spreek, bid ik tot God, in Zijn oneindige barmhartigheid, dat Hij de woorden die ik spreek mag doen doordringen tot het hart van iedereen die zich schuldig heeft gemaakt aan een of meer van de zonden op deze duistere en schandelijke lijst! “Dwaalt niet! Ontuchtplegers zullen het Koninkrijk van God niet beërven.“ Dat is de eerste groep zondaars die in deze schokkende lijst wordt genoemd: “Ontuchtplegers“ – mannen en vrouwen die seksuele immoraliteit hebben gepleegd met ongehuwde personen.

We hoeven niet noodzakelijkerwijs gebonden te zijn door het huwelijk, maar we moeten wel te allen tijde gebonden zijn aan reinheid; en zij die in hun omgang met elkaar zondigen tegen wat rein is, zullen het Koninkrijk Gods niet beërven. Deze geïnspireerde uitspraak van de apostel kan niet duidelijker zijn. Als er mensen zijn die in wellust en onreinheid leven, zal God niet toestaan dat zij Zijn ware Kerk op aarde bezoedelen of Zijn Tempel in de Hemel ontheiligen.

Het is heel goed mogelijk dat ik nu tot sommige mensen spreek voor wie deze boodschap zeer onaangenaam klinkt, want er komen allerlei soorten toehoorders naar deze plek, en zij zullen de eersten zijn om te zeggen: “Een predikant hoort zo’n onderwerp niet ter sprake te brengen.“ Mijn antwoord op die opmerking is: dan moet u zulk onrecht niet begaan en mij geen aanleiding geven om erover te spreken. Zolang er zondaars van dit kaliber in de wereld zijn, moeten er dienaren van de Heere Jezus Christus zijn die trouw genoeg zijn om het fluweel uit hun mond te rukken en met de grootst mogelijke duidelijkheid over hen en tot hen te spreken.

Laat er geen misverstand over bestaan: u kunt geen christenen zijn als u zich op deze manier verontreinigt; u kunt geen kinderen van God zijn en in smerige zonde leven; dat is ongeoorloofd – het is onmogelijk, en God wijst, via de woorden van de apostel Paulus, allen af die beweren lid te zijn van Zijn Kerk, maar zich schuldig maken aan de zonde van seksuele immoraliteit. Merkwaardig genoeg volgt hier onmiddellijk afgoderij op – dat wil zeggen, de verering van een andere god dan de ware en levende Jehova, de God van de ganse aarde. Door het gehele Oude Testament heen noemt de Heere deze zonde van afgoderij “hoereren”, omdat het een afkeren is van de liefde die gericht zou moeten zijn op de ene ware God, en het schenken van die liefde aan hen die geen goden zijn, waardoor het hart wordt verontreinigd en er tegen God wordt gezondigd.

“O!“ zegt iemand, “hier zijn geen afgodendienaars.“ Ik vrees ten zeerste dat er wél afgodendienaars zijn, want afgoderij is niet louter de verering van beelden van steen of hout, of van goden van goud, of van kruisbeelden, of van beelden van de Maagd Maria – hoewel dat allemaal afgoderij is – maar het is ook de verering van dat lieve kind dat u thuis hebt en dat u tot een afgod maakt, of van de afbeelding van de koningin op gouden en zilveren munten door degenen die alleen leven om wereldse rijkdom te vergaren, het kan zelfs de verering van uzelf zijn.

De apostel spreekt over een uiterst verachtelijke vorm van afgoderij, hij schrijft over hen: “hun god is de buik en hun eer is in hun schande; zij bedenken aardse dingen“. Er zijn nog steeds veel te veel van zulke afgodendienaars om ons heen, en onze tekst zegt dat zij het Koninkrijk Gods niet zullen beërven.

Wat betreft de ontuchtplegers, waarover de apostel vervolgens spreekt, hoef ik weinig te zeggen. Helaas zijn er nog steeds veel van zulke zondaars, en zij zijn niet alleen te vinden onder de armen, maar misschien zelfs nog wel meer onder degenen die zich scheidingen, dispensaties en aflatingen jegens hun ondeugd kunnen veroorloven. O, hoe weerzinwekkend en verschrikkelijk is de wijdverbreidheid van deze verachtelijke zonde, zowel in dit land als in andere landen! Als er hier iemand is die het geloof heeft beleden, maar niettemin in deze schuld en misdaad van ontucht is vervallen, laat mij u dan deze plechtige zin uit mijn tekst voorlezen, zonder ook maar enigszins om de hete brei heen te draaien of de strengheid van de geïnspireerde taal te verzachten: u “zult het Koninkrijk Gods niet beërven.“

Tenzij u deze schandelijke zonde haat en verafschuwt, en ervoor vlucht alsof het een giftige slang is, zult u nooit het Koninkrijk binnengaan waar Christus is. Evenmin zult u ooit enig erfdeel hebben in het Koninkrijk van Zijn genade, noch in het Koninkrijk van Zijn heerlijkheid, want, zoals Dr. Watts zingt: “Rein is de vreugde in de hemelen, Vrede heerst in het ganse rijk; Geen lasterlijke lippen noch jaloerse ogen Zullen deze gelukzaligheid smaken of aanschouwen. Die heilige poorten sluiten voor altijd Onreinheid, zonde en schande buiten; Niemand zal daar toegang krijgen Behalve de volgelingen van het Lam alleen.”

Ik durf u niet uit te leggen wat de apostel bedoelt met de volgende uitdrukking: “schandknapen“; helaas! helaas! er zijn nog steeds veel te veel mensen die zich volledig overgeven aan zondige praktijken en die van de ene vorm van ondeugd naar de andere gaan, waardoor zij zichzelf, zowel lichamelijk als geestelijk, in het verborgene te gronde richten, zowel voor dit leven als voor de eeuwigheid. Ook zij behoren tot degenen die “het Koninkrijk Gods niet zullen beërven”.

Hetzelfde geldt voor degenen die de apostel vervolgens beschrijft: “mannen die met mannen liggen“. Zou God niet willen dat deze vervloekte ondeugd van de aardbodem wordt weggevaagd? Hij heeft haar immers uitgeroeid toen Hij zwavel en vuur uit de hemel liet neerdalen op Sodom en Gomorra en de schuldige inwoners van de steden in de vlakte vernietigde!

Naast deze grote zondaars, die de apostel noemt, zijn er ook “dieven“. Er zijn er nog steeds veel te veel van in de wereld. Ik bedoel niet alleen degenen die voor de rechter worden gebracht omdat ze hebben ingebroken in een huis of iemand op straat hebben beroofd. Ik bedoel ook degenen die kleine dingen stelen, verduisteraars, huishoudelijk personeel dat neemt wat niet van hen is, en mannen die zich in de handel schuldig maken aan oneerlijke praktijken door een artikel in hun winkel een naam te geven die geen juiste beschrijving is, en zo hun klanten misleiden en hun brood verdienen met bedrog. Ook zij behoren tot degenen die het Koninkrijk Gods niet zullen beërven. U hoort mij niet graag over zulke zaken spreken; houd dan op om op deze manier te zondigen. Ik zal ophouden met het bestraffen van zonde wanneer men zich daarvan heeft afgekeerd; maar zolang dergelijke kwaden nog in overvloed aanwezig zijn, is het mijn plicht, als dienaar van de levende God, duidelijk te verkondigen dat het voortzetten van onrechtvaardige daden onverenigbaar is met het Koninkrijk van Gods genade, en dat het inderdaad de poort van Zijn heerlijk Koninkrijk zal sluiten. De heer Watts had gelijk toen hij schreef: “Noch de goddelozen, noch de ongodvruchtigen, noch de losbandigen, noch de hoogmoedigen, noch dieven, noch lasteraars zullen binnengaan in het Koninkrijk van onze God.”

De apostel noemt vervolgens de “hebzuchtigen“. Het is opmerkelijk dat bijna niemand ooit toegeeft hebzuchtig te zijn; zo iemand noemt zichzelf voorzichtig en zuinig. Meneer Hebzucht probeert ons te doen geloven dat hij slechts zuinig en verstandig is. Beide zijn uitstekende eigenschappen die niet veroordeeld mogen worden, maar in werkelijkheid is hij hebzuchtig en gierig, wat iets heel anders is. Hij weigert de armen te helpen en Gods werk te steunen; het enige waar hij om geeft is zichzelf, zodat hij rijk kan worden. Het is veelzeggend dat de hebzuchtigen in dezelfde categorie worden geplaatst als hoereerders en overspeligen. Tsjonge! Hoe snel zou meneer Hebzucht zijn stoel verlaten als hij vermoedde dat zulke mensen in zijn nabijheid waren! Maar, beste meneer, u hoeft niet zo kieskeurig te zijn, of zo’n hoge dunk van uzelf te hebben, want in Gods ogen verkeert u in dezelfde toestand als zij, en ook u behoort tot degenen die het Koninkrijk Gods niet zullen beërven, tenzij u zich bekeert van uw zonde.

De apostel schrijft: “noch dronkaards.“ Wij weten dat er in de gemeente van Korinthe sommigen waren die zo ver waren afgedwaald dat zij daadwerkelijk dronken waren aan de tafel des Heeren. Wij mogen hopen dat er vandaag de dag geen belijdende christenen meer zijn met een dergelijk laag karakter; hoewel wij weten dat er nog steeds sommigen zijn die de Naam van Christus op de lippen nemen, maar terecht met die afschuwelijke benaming “dronkaards” worden aangeduid. Wij weten ook dat er buiten de kerkelijke gemeenschap grote groepen mensen zijn op wie die benaming van toepassing is. Dronkenschap is een van de meest vernederende zonden; zij verlaagt het gehele niveau van degene die erdoor in slavernij wordt gehouden. We spreken soms over een man die ‘zo dronken is als een aap’, maar wie heeft er ooit gehoord van een aap die dronken is?

Het is zelfs erger dan wat een beest zou doen. Ik geloof niet dat zelfs de duivel zich ooit aan zoiets schuldig heeft gemaakt. Ik heb nog nooit gehoord dat hij van dronkenschap werd beschuldigd. Het is een zonde waarvoor geen enkel excuus bestaat; wie eraan ten prooi valt, bezwijkt doorgaans ook voor andere dodelijke ondeugden. Het is de achterdeur van de duivel naar de hel en alles wat daarbij hoort; want wie zijn verstand eens aan de drank heeft overgegeven, is vatbaar voor alles waarmee satan hem kan verleiden. Maar ook al zal de dronkaard geen eeuwig leven hebben als hij in die toestand blijft, is het toch een vreugde om te beseffen dat zoveel dronkaards gereinigd en gered zijn? Er zijn hier vanavond mensen die een einde hebben gemaakt aan hun drankgebruik, die sterke drank achter zich hebben gelaten en die afstand hebben gedaan van het losbandige leven dat zij vroeger leidden. Zij zijn gewassen en gereinigd, en terwijl zij nadenken over het contrast tussen de plek waar zij vroeger hun avonden doorbrachten en de plek waar zij nu zijn, herhalen zij de vraag: “Is deze niet een stuk brandhout dat aan het vuur ontrukt is?”

Nadat hij de dronkaards heeft genoemd, zegt de apostel: “noch lasteraars.“ Dit zijn mensen die roddelen en lasteren, en het karakter van anderen aan flarden scheuren; of zij die de heiligen en de zaken van God beschimpen, godslasteraars die voortdurend vloeken bij alles wat ze zeggen, en zij die het karakter van de godvruchtige niet met rust kunnen laten. Al deze mensen zullen het Koninkrijk Gods niet beërven. En helaas! Er zijn er duizenden, ja tienduizenden van, zelfs in dit zogenaamde christelijke land. En om de zwarte lijst af te sluiten, schrijft de apostel: “noch rovers” mensen die woekerrente eisen, degenen die de armen uitbuiten terwijl ze doen alsof ze hen behulpzaam zijn.

Zij beschikken over een bepaald bedrag aan geld dat zij kunnen uitlenen, wat zij uit pure welwillendheid ook bereid zijn te doen; maar zodra iemand in hun greep raakt, plukken zij hem kaal en nog voordat zij klaar zijn met hem, hebben zij hem volledig uitgemolken. Wee degenen die de armen uitbuiten en anderen beroven van alles wat hun rechtmatig toekomt! Over al deze mensen zegt de apostel terecht dat zij het Koninkrijk Gods niet zullen beërven.

En niet alleen de apostel zegt dit, maar de Heilige Geest verklaart het ook door de mond van Zijn dienaar Paulus, van Wie het woord getrouw en waarachtig is en Die weet wat de waarheid is: dat al zulke personen, zoals de apostel heeft beschreven, geen deel hebben aan de goddelijke genade, geen onderdanen zijn van Koning Jezus en nooit Zijn heerlijke Koninkrijk kunnen binnengaan, tenzij zij zich bekeren van hun zonden en zich met goddelijke berouw en oprecht geloof tot de Heere Jezus Christus wenden. Tot zover dit deel van onze uiteenzetting. Moge God ervoor zorgen dat deze plechtige en oprechte woorden als pijlen uit de boog van een machtige man mogen zijn!

II. Ten tweede bevat onze tekst echter ook EEN HERRINERING VOOR SOMMIGEN VAN ONS: “en zo waren sommigen van u.“

De apostel zegt niet: “En zo waren jullie allemaal”; ik dank God dat ik dat niet tegen u, mijn toehoorders, hoef te zeggen. O, wat een zegen is het voor ieder van ons dat wij van die vreselijke zonden gespaard zijn gebleven! Toch kan ik met de apostel zeggen: ‘Sommigen van u zijn dat wel geweest.’ Die ondeugden en kwaden waren zo wijdverbreid in Korinthe dat het God grote eer bracht dat Hij sommigen van deze mensen, die zich daar eerder schuldig aan hadden gemaakt, had aangenomen en tot christenen had gemaakt: ‘Sommigen van u zijn dat wel geweest.’ Beste vrienden, wilt u alstublieft eens kijken naar het eerste deel van onze tekst? Laat uw ogen de zwarte lijst afgaan, leg uw vinger op de punten waar u schuldig was, en zeg dan tegen uzelf: “Ja, het is waar, zo was ik voordat de Heere mij door Zijn genade heeft verlost; dit, of dat, of iets anders was mijn ernstige overtreding tegen Hem.“ “Sommigen van u zijn dat wel geweest.“ Laat mij u dan vragen, broeders en zusters, na te denken over de reden waarom het God behaagt enkele van de grootste zondaars te redden, zodat in de Kerk van Christus altijd gezegd kan worden: “Sommigen van u zijn dat wel geweest.”

Ten eerste laat dit de grote kracht van het evangelie zien. Als alleen de betere mensen behouden zouden worden, mensen die nooit openlijk zondigen, dan zouden kritische geesten kunnen zeggen: “Dat is een uiterst armoedige godsdienst; die is wel geschikt voor de morele, nuchtere en kuise mens, maar wat heeft een zondige wereld eraan, waarin zoveel ware zondaars van de allerslechtste soort leven?” Maar de Heere lijkt juist te hebben gezegd: “Ik zal mijn hand uitstrekken en enkele van de allerergste zondaars redden, zodat door alle eeuwen heen duidelijk zal zijn dat mijn evangelie in staat is zondaars van allerlei soort te behouden, zelfs de meest verdorvenen. Hoe verdorven en diep gevallen zij ook mogen zijn, zij kunnen nooit zó ver gevallen zijn dat zij buiten het bereik van het evangelie van mijn Zoon liggen.”

Is dat geen prachtige waarheid? O! Als ik denk aan sommigen van u, grove zondaars, die de Heere door mijn bediening heeft gered, dan sta ik hier op dit podium en roep ik met het volste vertrouwen de grootste zondaars die hier aanwezig zijn toe: “Kom, wie u ook bent; ik heb een evangelie dat precies bij u past.” Ik zou kunnen zeggen: “Kom, u die deugdzaam en welgemanierd bent, die nooit in grove zonde is vervallen; hier is een evangelie dat perfect bij u past;” maar ik voeg er ook graag aan toe: “Kom, u die door uw ongerechtigheden door de diepste diepten van de hel bent gesleurd, hier is datgene wat u kan reinigen en u wit kan maken als vers gevallen sneeuw.”

Naar mijn mening is dat een van de redenen waarom de Heere zulke grote zondaars redt: om Zijn evangelie te verheerlijken.Ten tweede doet Hij dit om Zijn barmhartigheid te tonen. Want wanneer Hij zonde ziet als een ziekte waarvoor grote ontferming nodig is, geldt: hoe ernstiger de ziekte, hoe groter Zijn mededogen. Ik herinner mij een verhaal over iemand die een man hielp die niet kon spreken, waarop zijn metgezel tegen hem zei: “Maar hij heeft u toch nergens om gevraagd!“ “Nee,“ antwoordde hij, „maar zijn zwijgende mond vroeg mij om hulp op een manier die veelzeggender was dan een mens ooit had kunnen zijn.“

Kijk ook naar de blinde man: hij kan u niet aankijken, omdat hij niet ziet. Juist dat gemis aan zicht doet u stilstaan en zeggen: “Arme blinde man, ik heb medelijden met u; hier is een klein geschenk om u te helpen.” Straatbedelaars proberen soms met nagemaakte zweren of schijnwonden uw medelijden op te wekken. Maar onze grote God ziet ons werkelijk zoals wij zijn: vol zonde, melaats, onrein en verdorven. Dan zegt Hij: “Arme ziel, Ik zal Mij over u ontfermen.” Zo ziet Hij neer op deze zwaar zieken, en zo zegent Hij sommigen van hen doelbewust, opdat de majesteit van Zijn barmhartigheid en de kracht van Zijn genade duidelijk zichtbaar worden voor de mensenkinderen.

Ik ben ervan overtuigd dat Hij dit ook doet om de eigengerechtigheid te ontmaskeren. Ik heb dit soort opmerkingen vaak gehoord: “Als God iemand zou moeten redden, dan zouden wij dat toch zeker moeten zijn — wij die altijd naar de kerk gaan en zo aandachtig naar de predikant luisteren.” Ach, trotse zondaar! Ik weet wel wat u denkt, maar ik moet u eraan herinneren dat er geen zonde erger is dan hoogmoed, en u lijkt er vol van te zijn. “Maar,” zegt iemand, “ik heb altijd mijn best gedaan om zo goed mogelijk te leven, en toch ben ik niet behouden; terwijl daar een arm, gevallen meisje is, dat net van de straat is gered, in Christus heeft geloofd en zich nu in Hem verheugt.” Ik kan heel goed uitleggen waarom u niet behouden bent: het komt omdat u zegt dat u kunt zien, en daarmee bewijst u juist dat u blind bent. U houdt uzelf voor rechtvaardig, maar juist die gedachte is in feite de kern van onrechtvaardigheid.Ik dring er bij u op aan om goed te letten op de wijze waarop de Heere u terechtwijst, en uit Zijn terechtwijzing te leren waar uw zonde ligt.

Hij geeft uw trots als het ware een klap op de wang en zegt: “Omdat u zegt dat u geen Verlosser nodig hebt, zult u geen Verlosser ontvangen. Ik ben niet gekomen om te roepen rechtvaardigen, maar zondaars tot bekering.” Kom neer van uw hoge toren, meneer de Farizeeër – u die God dankt dat u niet bent zoals andere mensen. Ga naast de arme tollenaar staan die u hebt veracht, en roep, net als hij: “God, wees mij, zondaar, genadig”; en zie dan of God ook u niet barmhartig zal zijn.

Ik ben er ook van overtuigd dat God bewust een aantal van deze diep verdwaalde zondaars redt, juist om de predikers van zijn evangelie te bemoedigen. Ik zal u een geheim verklappen: wij predikers zijn vaak een schuchtere bende. Als er weinig bekeringen zijn, gaan we huilend naar onze Meester: “Wie heeft onze prediking geloofd?“ Dan komt er plots iemand binnen – een voormalige dronkaard, een immoreel mens, een dief – en we horen wat God door onze zwakke prediking voor hem heeft gedaan. We schudden hem de hand, hij barst in tranen uit en wij ook. We vragen ons af: wie van ons is de grootste zondaar? Hij met zijn openlijke goddeloosheid, of wij met ons ongeloof? Zodra ik zulke bekeerlingen ontmoet, roep ik uit: “Gode zij dank voor zulke mensen! Wanneer ik weer op de preekstoel sta, zal ik nog meer van hetzelfde evangelie brengen. Ik heb gezien wat het voor hen deed, en het kan hetzelfde doen voor anderen”.

O ja! Zij mogen de gevangenissen gerust leegmaken en alle gevangenen hierheen brengen om het evangelie te horen. Wij verkondigen een Christus die zelfs de ergsten onder hen ruimschoots aankan. Zelfs als iemand komt met een hart dat drie keer zo hard is als staal, kan dit evangelie het doen smelten. Want dit evangelie steunt op Christus zelf, die het harde hart kan wegnemen en in de plaats daarvan een hart van vlees kan geven – vol tederheid en liefde voor Hem, alsook voor heiligen en zondaars.

Het komt vaak voor dat God Zijn dienaren op deze manier bemoedigt: Hij kiest enkele van die grote, verstokte zondaars uit de goddeloze menigte uit. Hij reinigt hen in het kostbare bloed van Jezus totdat zij witter zijn dan sneeuw, en voegt hen hier op aarde toe aan Zijn Koninkrijk. Daar wachten zij totdat zij worden opgenomen in Zijn hemelse Koninkrijk. Bovendien moedigt Hij op deze wijze ook andere grote zondaars aan om tot Hem te komen. Ik kende een man die zei: “Ik vrees dat ik niet gered kan worden, want ik ben zo’n vreselijke zondaar geweest.” Op een dag ontmoette hij echter een van zijn oude metgezellen, die vroeger vloekte, dronk en loog. Toen hij zag dat deze man gered was, zei hij bij zichzelf: “O, dan kan ik misschien ook gered worden.”

Ik kende eens een arme man die zeer wanhopig was, omdat hij dacht dat er voor hem nooit vergeving zou zijn. Op een ochtend ging hij een kapel binnen waar vóór de dienst een kleine gebedsbijeenkomst werd gehouden. Daar was een oude zeekapitein die met zo’n krachtige stem bad, dat de man dacht: „Ik moet die man ergens eerder hebben gezien en gehoord.” Toen het gebed voorbij was en hij het gezicht van de man zag, zei hij bij zichzelf: “Wel, dat is kapitein Die-en-die. Zes maanden geleden liepen de koude rillingen nog over mijn rug toen ik hem God hoorde lasteren; ik heb nog nooit iemand zo horen vloeken als hij, maar evenmin heb ik ooit iemand zo horen bidden als hij nu doet.” Vervolgens voegde hij eraan toe: “Nu God hem heeft gered, kan Hij ook mij redden, want ik ben er zeker van dat ik, hoe groot mijn zonden ook zijn geweest, nooit zo ver ben gegaan als hij in het lasteren van mijn Schepper.”

Er was alle reden voor de conclusie van die man, en velen hebben op een vergelijkbare manier geredeneerd. Het is vaak zo geweest dat een groot zondaar als het ware een lokmiddel wordt: hij is de eerste die gevangen wordt in het gezegende net van het evangelie en trekt vervolgens anderen met zich mee. Degenen die voorheen de moed niet hadden om tot Jezus te gaan, zeggen vaak, wanneer zij zien hoe Hij een door en door losbandige zondaar ontvangt: “Welnu, als Hij hem heeft aangenomen, waarom zou Hij mij dan niet ook aannemen?” U weet hoe Bunyan vertelt dat, toen hij tot bekering kwam en begon te prediken, de mensen zeiden: “Wat! Is die ketellapper gered?” En zij verzamelden zich om te horen wat hij te zeggen had. Toen predikte hij hun Jezus, de Zaligmaker, en die dag werden er nog meer mensen gewonnen voor Christus; nee, niet slechts gewonnen, maar nieuwe schepselen in Christus Jezus.

Het is voor Christus gemakkelijker om ons te vernieuwen dan om ons slechts te herstellen, en juist dat hebben wij nodig. Als iemand van u vanavond denkt dat hij kan worden hersteld door eenvoudig een belofte te ondertekenen—wel, ik ben dankbaar wanneer oude vaten worden opgelapt; toch zie ik liever dat u geheel nieuwe vaten wordt. Daarmee bedoel ik: ik bid tot God dat Hij u onder Zijn hoede neemt en u op dit moment tot nieuwe schepselen in Christus Jezus maakt. Dat is immers het doel van al deze Gospel Temperance-diensten, en wij zullen niet tevreden zijn totdat dat grote werk is volbracht.

Ik wil u nog één ding vertellen over de bekering van deze grote zondaars. Ik geloof dat de Heere hen redt om van hen grote liefde, intense ijver en veel ernst te verkrijgen. Als iemand met een gesneden vinger een arts opzoekt, zegt de chirurg: “O ja, ik zie wat er aan de hand is! Plak dit stukje pleister erop, en binnen een dag of twee is het weer in orde,” en zo is het dan ook. Er was niet veel aan de hand met hem, dus viel er niet veel te zeggen toen zijn vinger genezen was. Maar hier is een man die nauwelijks kan ademen; hij staat op het punt van sterven, hij zal binnen een week dood zijn tenzij er iets buitengewoons met hem gebeurt. Hij is bij talloze artsen geweest, en zij zeggen allemaal: “Het heeft geen zin u medicijnen te geven, want er is niets dat u kan genezen; u zult spoedig sterven.” Maar hij hoort over een arts die andere zieken in precies dezelfde situatie als hij heeft genezen. Hij roept hem binnen, en de arts zegt tegen hem: ‘Als u dit middel inneemt, zult u herstellen.’ En dat doet hij ook. Binnen een maand loopt die man rond, ademt hij de frisse lucht in, en gaat hij spoedig weer aan het werk.

Zal hij dan zwijgen over die geweldige arts die hem heeft genezen? Zal hij het onderwerp liever vermijden? Geen sprake van! Zodra hij erover begint, is hij niet meer te stoppen. Tegen elke vriend die hij ontmoet, zegt hij: “Zie je wat een grote verandering er in mij heeft plaatsgevonden? Je weet toch hoe mijn ribben bijna door mijn huid heen staken. Ik had alle moeite om gewoon te blijven ademen; maar kijk nu eens naar mij — ik heb alle hoop nog vele jaren te leven, misschien wel twintig of dertig jaar langer.” Misschien komt er ook een man op bezoek die aan zenuwpijn lijdt, en zegt hij: “Ik weet niet of mijn arts zo’n onbeduidende kwaal wel behandelt; ik zou bijna willen dat u tuberculose had, net als ik, want dan zou hij u net zo genezen hebben als hij mij heeft genezen.”

Geldt dat niet ook voor lichamelijke ziekten en voor de dankbaarheid tegenover degene die ze geneest? Op precies dezelfde manier geldt: wanneer de Heer een grote zondaar redt, hoe zal die zondaar Hem dan liefhebben, en hoe zal hij over Hem spreken tegen andere zondaars! Er bestaat onder jachtopzieners een bekend gezegde: een oude stroper is de beste jachtopziener, omdat hij alle andere stropers kan vangen zodra zij komen; hij kent immers al hun manieren uit eigen ervaring. Ook het spreekwoord “Zet een dief in om een dief te vangen” leert dezelfde les.

Een vrouw die uit grote zonde is opgericht tot een leven van deugd en eer, zal juist met vreugde anderen willen redden uit een leven van zonde en schande. En als u een man vindt die de diepten van de zonde heeft leren kennen, dan is híj degene die vreugde zal vinden in het opsporen van hen die wegzinken in die verschrikkelijke vloed. Door Gods voorzienigheid ben ik nooit in openlijke, schandalige zonden vervallen, maar toch gaf de Heere mij het gevoel alsof ik de ergste zondaar was die ooit heeft geleefd. Ik werd mij zo intens bewust van mijn eigen schuld, dat ik dacht dat niemand anders Gods wet ooit zo had overtreden als ik. En toen Hij mij vergaf, voelde ik dat niemand Hem meer verschuldigd was dan ik.

Mensen zeggen dat ik vanaf het allereerste begin de calvinistische leer heb gepredikt. Ik weet dat ik de vrije genade heb gepredikt, en dat ik die moet blijven verkondigen tot ik sterf. Want ik zou al jaren geleden tot de hel zijn veroordeeld, ware het niet dankzij de vrije, overvloedige en almachtige genade die ooit uit het hart van God vloeide. En o, wat verlang ik ernaar u, grote zwarte zondaars, te vertellen dat Hij uw grootste zonde kan vergeven en u kan reinigen van uw diepste goddeloosheid. Hij staat gereed om dat te doen voor allen die tot Hem komen en hun vertrouwen stellen in Zijn geliefde Zoon, en Hij schenkt hen dat vertrouwen zelf door de werkzame kracht van Zijn Geest. De verlossing is van begin tot eind volledig uit genade. En omdat zij geheel uit genade is, geldt: hoe groter de zondaar die daardoor wordt gered, des te meer eer komt toe aan de genade die hem redt.

III. Mijn tijd is op, maar ik wil nog even kort ingaan op het derde punt, namelijk DE WONDERLIJKE VERANDERING.

O, had ik maar de gave om over dit onderwerp te prediken! Ik voel mijn eigen zwakheid nooit zo sterk als wanneer ik hier sta en de onbekeerden aanspoor zich aan de Verlosser over te geven. Als iemand denkt dat hij kan preken, laat hij dan komen en het proberen — als hij met preken bedoelt dat hij de harten van mensen raakt en hen tot God brengt. Dit moet het werk van de Heilige Geest zijn; en wat wij ook mogen doen, er komt niets van terecht totdat Hij dat grote wonder verricht. Wij keren naar huis terug en zeggen: “Wie heeft onze prediking geloofd?” totdat de arm van de Heere wordt geopenbaard; en dan worden mensen gered.

Laten wij ons nu richten op het laatste deel van onze tekst: “En dit waart gij sommigen; maar gij zijt afgewassen, maar gij zijt geheiligd, maar gij zijt gerechtvaardigd in den Naam van den Heere Jezus en door den Geest onzes Gods.” Ik zal proberen u deze dingen zo beknopt mogelijk voor te leggen; de Heere weet hoe veel beter ik het zou doen als dat in mijn vermogen lag. Maar uiteindelijk is het niet mijn taal die ertoe doet; het is de kracht van de waarheid die ik verkondig waarop ik vertrouw. En zelfs dat niet alleen, maar vooral de wonderbare Geest van God, die die waarheid krachtig op het hart kan toepassen en het kan vernieuwen door Zijn almachtige genade.

Kom dan, Heilige Geest – want door U schreven en spraken de profeten! Onthul de waarheid, want U bent de sleutel zelf; open het Heilige Boek. Laat ons God door U leren kennen terwijl U in ons schijnt, en laat ons samen met Uw heiligen de diepten van de goddelijke liefde peilen. (naar Charles Wesley, “Come, Holy Ghost”)

“En dit waart gij sommigen.” Waar bevinden u zich, geliefde leden van deze gemeente — of van andere gemeenten — voor wie dit geldt: “En dit waart gij sommigen”? “Maar gij zijt afgewassen.” Zegt de hooggeplaatste geestelijke niet dat dít is wat de doop betekent? Is dat werkelijk zo? Ik heb mensen door de doop gewassen zien worden — ik bedoel niet besprenkeld, want ik heb nooit kunnen begrijpen hoe iemand op die manier gewassen zou kunnen worden — maar wanneer wij hen hebben ondergedompeld, weet ik dit: een onwedergeboren mens blijft, ook na onderdompeling, onwedergeboren. En een man die geen gelovige in de Heere Jezus Christus is vóór hij gedoopt wordt, moet opnieuw gedoopt worden, want dan is het geen waarachtige, Bijbelse doop, en kan het voor hem geen middel tot zegen zijn. Het kan aan zijn kant hoogstens een daad van huichelarij zijn, en voor hen die het bedienen van geen enkele waarde. Nee, nee; dát is niet de wassing waar Paulus over schrijft. En de doop, tienduizend keer herhaald, kan u volstrekt geen goed doen, tenzij u eerst gewassen bent in een andere bron, waarover wij vaak zingen. Laten wij daar nu over zingen, wij allen die het vers kennen —

Er is een bron, gevuld met Bloed, door Jezus’ kruis en pijn; en wie zich werpt in dezen vloed, wordt in Hem vrij en rein. (There Is a Fountain Filled with Blood” van William Cowper (1772)

Dat is de wassing waarover de apostel spreekt wanneer hij zegt: “maar gij zijt afgewassen.” Daarna volgt de heiliging, dat wil zeggen: de verandering van het hart en de heiliging van het hele wezen. Dat is het werk van de Geest van God, die het Woord van Christus op ons toepast. Daarna volgt de rechtvaardiging. Vergeving wast onze zonde weg; rechtvaardiging verklaart ons rechtvaardig in de ogen van God; en heiliging maakt ons werkelijk heilig. Rechtvaardiging schenkt ons toegerekende gerechtigheid, zodat wij voor God staan, eerst in de gerechtigheid die Christus voor ons heeft verworven, en vervolgens in de gerechtigheid die de Geest van God in ons werkt. O, wat een wonderlijke verandering wordt er tot stand gebracht door die ene daad van gezegende reiniging!

Tot slot wil ik zeggen: als u gered wilt worden, dan hoeft u slechts één ding te doen: geloof in de Heere Jezus Christus. Vertrouw niet op iets anders, maar steun alleen op Hem. Vertrouw erop dat Christus ervoor zal zorgen dat u de zonde gaat haten. Vertrouw erop dat Christus u in staat zal stellen elke slechte gewoonte te overwinnen. Vertrouw erop dat Christus u zal helpen alles te doen wat goed is. Vertrouw erop dat Christus u standvastig zal houden, zelfs tot u de hemel binnengaat.

“Wie in de Zoon gelooft, heeft eeuwig leven.” Niet: “hij zal morgen of over tien jaar gered worden,” maar: hij is nu gered, op ditzelfde moment. Als u pas sinds het laatste tikken van de klok op Christus vertrouwt, dan bent u vergeven, bent u een kind van God, bent u aanvaard in de Geliefde, bent u gered. Het is een onmiddellijk, rechtstreeks en toch volmaakt werk: het wegwassen van de zonde en het schenken van de gerechtigheid van Jezus Christus.

Moge de Heere dit aan ieder van u schenken, omwille van Jezus Christus. Amen.

Steun ons met een donatie

Uw steun helpt ons om Het Spurgeon Archief in stand te houden. Dankzij uw bijdrage kunnen wij ons werk voortzetten en dit waardevolle archief gratis aanbieden en vrijhouden van reclame en commerciële invloeden.

Wij danken u hartelijk voor uw steun en betrokkenheid!

Archiefhulpmiddelen

Contact

Heeft u een tekstfout gevonden, of heeft u een vraag? Stuur dan een E-mail naar: [email protected]

Over de Auteur

C.H. Spurgeon

1834 – 1892 Was een Engelse baptistenpredikant in de puriteinse traditie. Belangrijke onderwerpen uit zijn prediking waren de vergeving van zonden en de noodzaak van wedergeboorte.

Onze Socials:

Copyright & Content