
GEBED 11
Jehova, onze God, wij danken U uit de grond van ons hart dat U de geschiedenis van Uw oude, weerspannige volk hebt laten optekenen. Zij is immers vol rijke onderwijzing voor ons eigen leven. Help ons haar ernstige waarschuwing diep ter harte te nemen, opdat wij al die pijnlijke fouten vermijden waarin zij zo vaak zijn gevallen! Gij zijt een God van het verbond; Gij houdt al Uw beloften onverbrekelijk vast, en Uw heilig Woord faalt nimmermeer. Tot hiertoe hebben wij dat in ons leven zo mogen bevonden:„Tot hiertoe vinden wij die belofte goed, die Jezus bekrachtigd heeft met bloed.”
Maar ach, wat onszelf betreft: wij zijn van nature zo zwak als het Israël van ouds, een wankelmoedig en onstandvastig volk, en wij belijden dit met diepe schaamte voor Uw aangezicht. Er zijn soms van die gezegende dagen dat wij de trommel ter hand nemen en met Mirjam vrolijk zingen: „Zingt den HEERE; want Hij is hogelijk verheven!” En toch — wij zeggen het met een droevig hart — enkele uren later hebben wij reeds geestelijke dorst, roepen wij ongeduldig om water en murmureren wij in onze tenten. Het bittere, brakke water van Mara keert ons hart van U af, en wij zijn al te gauw ontstemd over de handelwijze van onze God. Soms buigen wij ons ootmoedig voor U neer in diep eerbetoon en heilig ontzag, wanneer wij Uw Sinaï geheel in rokende vlammen zien staan. Maar helaas, er zijn in ons leven ook tijden geweest dat wij in onze blindheid het gouden kalf hebben opgericht en van de ijdele aardse dingen zeiden: „Dit zijn uw goden, o Israël!” Dan geloven wij met de volle, krachtige kracht van het geloof, en even later twijfelen wij weer met al de verschrikking en het donker van de ongelovige twijfel.
Heere, U bent onuitsprekelijk lankmoedig met ons geweest. Vele en zware zijn onze tergingen geweest, en menigmaal hebben wij Uw vaderlijke kastijdingen rechtvaardig ondergaan, maar:
„Uw slagen zijn minder dan onze misdaden, en lichter dan onze schuld.”
„Hij doet ons niet naar onze zonden, en vergeldt ons niet naar onze ongerechtigheden.” Duizendmaal gezegend zij Uw Naam daarvoor!
En vervul nu in dit genadeuur dat wonderlijke deel van het verbond waarin U plechtig hebt gezegd: „En Ik zal u een nieuw hart geven, en zal een nieuwen geest geven in het binnenste van u.” „En Ik zal Mijn vreze in hun hart geven, dat zij niet van Mij afwijken.” Houd Gij ons stevig vast, dan zullen wij ons in zwakheid aan U vasthouden. Bekeer Gij ons, zo zullen wij waarachtig bekeerd zijn. Bewaar Gij ons, dan zullen wij Uw inzettingen onbevlekt bewaren.
Wij roepen tot U dat wij U toch nimmermeer zo zouden mogen tergen. Wij smeken U nog liever om de vurige slangen onder ons te zenden dan de verwoestende zonde onder ons te laten komen. Och, dat ons zielsoog altijd vast en onverandert gericht mocht blijven op die enige koperen slang, die al de dodelijke beten van het kwaad volkomen geneest; maar mogen wij nimmermeer met wellust naar de zonde zien, en mogen wij haar in ons hart nimmer liefhebben. Laat de listige listen van Bileam en Balak toch nimmer de overhand over ons krijgen, om Uw verloste volk af te trekken van zijn heilige reinheid. Laat ons nimmermeer bevlekt worden door enige valse leer of door een onheilig, werelds leven, maar mogen wij altoos wandelen als het afgezonderde, eigendomvolk van God, en onszelf onbesmet bewaren van de besmetting der wereld.
Heere, wij willen Uw Heilige Geest nimmermeer bedroeven. Och, mochten wij U nooit zo grievend krenken dat U in Uw rechtvaardige toorn eens zou uitroepen: „Indien zij in Mijn rust zullen ingaan!” Heb nog lang geduld met ons, o Heere, en wel ter wille van Hem Die ons oneindig dierbaar is, Wiens rein bloed krachtig op ons is gesprengd. Heb nog geduld met ons, en zend de verderfengel voorbij, gelijk U hem eertijds naar het land van Egypte zond, maar vervul opnieuw die onfeilbare belofte van Uw genade: „Wanneer Ik het bloed zie, zal Ik ulieden voorbijgaan.”
Mogen wij juist op dit ogenblik bewust ervaren dat de geest van de veroordeling ons genadig voorbijgaat. Mogen wij diep in onze ziel weten en verstaan: „Zo is er dan nu geen verdoemenis voor degenen, die in Christus Jezus zijn.” Mogen wij de zoete, vredebrengende kracht van de goddelijke vrijspraak krachtig gevoelen. Mogen wij in Uw heilige tegenwoordigheid komen met onze voeten gewassen in het koperen wasvat, en onze grote Hogepriester tot ons horen spreken dat wij door Zijn bloed geheel rein zijn. Zo wonderbaar gereinigd, mogen wij nu vrijmoedig tot God naderen door Jezus Christus, onze Heere.
Verder, onze hemelse Vader, wij komen thans voor Uw aangezicht — volkomen gewassen in het dierbaar bloed en bekleed met het stralende, sneeuwwitte kleed van Christus’ gerechtigheid — en wij bidden U: gedenk Uw eigen volk in al hun noden. Sommigen van hen zijn zwaar beladen: maak de last voor hen lichter, of versterk Gij de schouder om hem te dragen. Sommigen zijn diep neergebogen door donkere vrees; misschien wantrouwen zij in hun zwakheid Uw liefde: vergeef dat zondige wantrouwen genadig, en schenk hun een rijke vermeerdering van levend geloof, opdat zij U rotsvast vertrouwen, zelfs daar waar zij Uw voetspoor volstrekt niet kunnen volgen.
De Heere gedenke ook ieder die de zware last van anderen op zich draagt. Sommigen roepen dag en nacht tot U over de openlijke zonden van deze tijd, en over de treurige afdwalingen van Uw eigen kerk. Heere, hoor deze onze gebeden! Wij willen dit zware juk om Uwentwil willig dragen, maar help ons om het te dragen zonder zo benauwd te vrezen dat wij daardoor aan Uw trouw gaan twijfelen. Mogen wij vast weten dat Gij Zelf zorg draagt voor Uw eigen eer en Uw eigen waarheid getrouw bewaart, en mogen wij daarom over al deze dingen volkomen in de rust van het geloof zijn.
Sommigen roepen smekend tot U om de bekering van hun geliefde familieleden en vrienden. Die moeilijke last hebben zij op zich genomen om de wandelende Christus te volgen in het dragen van het kruis. Geef alstublieft dat zij de innige begeerte van hun hart verhoord mogen zien. O God, red al onze kinderen en onze kindskinderen; en waar wij onbekeerde familieleden hebben, van welke aard of nabijheid ook, de Heere ontferme Zich in vrije genade over hen, alles om Christus’ wil. Geef ons hemelse blijdschap over hen — ja, een even overvloedige blijdschap over hen als levende christenen als wij daarvoor bange droefheid over hen hebben gehad als ongelovigen.
Verder, wil het U behagen om Uw geheime gemeente krachtig te bezoeken met de volle uitstorting van de Heilige Geest. Vernieuw de Pinksterdag in ons midden, en moge in al de samenkomsten van Uw volk het hemelse, heilige vuur neerdalen en de frisse wind van boven opsteken. Mogen de dingen die nu zo traag en geestelijk dood zijn, plotseling levendig en vol goddelijk leven worden, en moge de Heere Jezus Christus hoog verhoogd worden in het midden van Zijn gemeente, die immers Zijn eigen volheid is: „de vervulling Desgenen, Die alles in allen vervult.” Mogen menigten van zielen op dit gebed bekeerd worden. Mogen zij met een heilige, onweerstaanbare gretigheid tot Christus toestromen, om in Hem een veilige toevlucht te vinden, gelijk de bange duiven in een storm naar hun til vliegen.
Och, dat er een machtig werk van behoudenis mocht doorbreken over al deze eilanden, ver over de wede zee, en in elk denkbaar deel van deze wereld, en in het bijzonder in al die donkere, heidense landen! Breng velen aan de voeten van Christus, wij bidden U, overal waar getrouwe mensen bereid zijn hun eigen leven af te leggen om dat heerlijke, hemelse leven van Christus te mogen uitdelen. Werk, o Heere, werk almachtig en krachtig! Uw arme gemeente roept onophoudelijk tot U. Och, verlaat ons toch niet in onze zwakheid! Wij kunnen immers volstrekt niets beginnen zonder U! Onze enige kracht is geheel en al de Uwe! Kom tot ons met grote, overweldigende kracht, en laat Uw Woord overal vrij zijn heerlijke loop hebben en verheerlijkt worden.
Gedenk ieder mens die U in waarheid Vader noemt. Moge de tederste liefde van een Vader nederzien op al de kinderen. Moge in de bijzondere nood van ieder van hen voorzien worden, en elk persoonlijk verdriet liefelijk verzacht. Mogen wij groeiende christenen zijn, mogen wij onvermoeibaar werkende christenen zijn, mogen wij naar Uw genade volmaakte christenen zijn, ja, mogen wij opgroeien tot de volle maat en de volle grootte van volwassen mannen in Christus Jezus.
Heere Jezus, Gij zijt die grote, onwrikbare Pilaar in het heiligdom. In U woont al de goddelijke volheid. Gij hebt Uw aardse werk indertijd begonnen met het vullen van de stenen watervaten tot boven toe. Gij vulde het zinkende schip van Simon Petrus, totdat het van zegen begon te zinken. Gij vervulde eens het gehele huis waar Uw volk bijeen was, met de indrukwekkende tegenwoordigheid van de Heilige Geest. Gij vervult de ganse hemel met Uw majesteit, en Gij Zult gewis alle dingen in hemel en op aarde vervullen. Vervul ons, och, vervul ons in dit uur met al de volheid van God, en maak Uw volk zo onuitsprekelijk blij en sterk, zo genadig en hemels van wandel!
Maar wij kunnen ons gebed toch niet beëindigen wanneer wij alleen voor Uw eigen volk hebben gebeden, hoe groot en rijk de dingen ook zijn die wij van U gevraagd hebben. Wij begeren vurig dat U ook diep neerziet op de duizenden en miljoenen arme mensen om ons heen die U nog volstrekt niet kennen. Heere, zie in ontferming op al die menigten die nergens heengaan om U te aanbidden. Ontferm U toch over hen. „Vader, vergeef het hun; want zij weten niet in hun blindheid wat zij doen.” Geef hun een hongerend verlangen om Uw levende Woord te horen. Zend over het volk een krachtig verlangen naar hun verloren God.
O Heere, neem Gij Zelf de redding van de zondaars in Uw eigen almachtige handen. Och, kom en bereik die halsstarrige, verharde gemoederen. Laat de zorgelozen en de ijdele lichtzinnigen diep beginnen te denken aan de eeuwige dingen. Moge er een gezegende onrust in hun hart ontwaken, mogen de scherpe pijlen van God diep in hun lendenen blijven steken, en mogen zij de grote, hemelse Geneesheer haastig opzoeken en nog op deze dag een volkomen genezing vinden!
Ach Heere, Gij roept Zelf zo dringend: „Heden, indien gij Mijn stem hoort,” en wij nemen die echo in dit gebed vol verlangen over. Red mensen vandaag, ja, nog op deze dag! Breng hun Uw Heilige Geest in onweerstaanbare kracht, opdat zij gewillig worden om voor eeuwig in Christus te rusten. Heere, hoor ons, vergeef onze onvolkomenheden, aanvaard dit smeken en zegen ons rijkelijk, alles alleen om Jezus’ wil. Amen.
© Vertaling C. H. Spurgeon’s Prayers door Teun van der Plas

