
GEBED 5
Onze God en Vader, trek ons onweerstaanbaar tot U door Uw Heilige Geest, en mogen de weinige minuten die wij nu in het gebed doorbrengen, ten volle vervuld zijn van de waarachtige, hemelse geest van smeking. Geef dat niemand van ons met gesloten ogen toch nog rondziet over de ijdele velden van de wereld, maar mogen onze ogen nu waarlijk gesloten zijn voor al het andere, behalve voor wat geestelijk en goddelijk is. Mogen wij in het diepe verborgene van ons hart innige gemeenschap hebben met God, en mogen wij Hem in dit uur voor ons vinden als een klein, heilig heiligdom.O Heere, het valt ons zo zwakke mensen niet licht om al die indringende gedachten die ons afleiden kwijt te raken. Maar wij bidden U, help ons om het scherp geslepen zwaard tegen die ronddwalende gedachten te trekken en ze resoluut te verdrijven. En gelijk eertijds de patriarch Abraham al die roofzuchtige vogels krachtig wegjoeg toen zij op zijn offer neerkwamen, zo mogen ook wij thans al onze dagelijkse zorgen verjagen, alle ijdele gedachten aan vermaak, al het andere — of het nu aangenaam is of pijnlijk — dat ons zou willen afhouden van die ware, ongestoorde gemeenschap met de Vader en met Zijn Zoon Jezus Christus.
Wij willen beginnen met diepe aanbidding. Van ganser harte aanbidden wij de Drie-enige, de oneindig heerlijke Jehova, de enige levende en waarachtige God. Wij aanbidden de Vader, de Zoon en de Heilige Geest, de aanbiddelijke God van Abraham, van Isaak en van Jakob. Wij zijn weliswaar nog niet opgerezen naar die heerlijke plaats waar reine geesten het aangezicht van God openlijk zien, maar wij zullen er spoedig zijn — ja, misschien wel veel eerder dan wij in onze zwakheid denken. En nu reeds willen wij er in onze geest reeds zijn: onze gouden kronen werpend op de glazen zee voor de troon van de oneindige Majesteit, en eeuwige heerlijkheid en eer, alle kracht en lof, absolute heerschappij en sterkte toeschrijvend aan Hem Die op de troon zit, en aan het Lam, tot in alle eeuwigheid.
De hele wereldwijde Gemeente aanbidt U, o God. Elk menselijk hart dat door Uw vrije genade vernieuwd is, vindt zijn hoogste vreugde in het aanbidden van U. En ook wij, al zijn wij de minsten en geringsten van alle stervelingen, willen ons even hartelijk en ootmoedig voor U buigen als wie ook in de hemel of op de aarde: diep aanbiddend, vurig liefhebbend, lovend in onze ziel, stil tot God, omdat onze vreugde in Hem geheel onuitsprekelijk en vol van heerlijkheid is.
Heere, help ons om U te aanbidden met ons gehele leven, en niet slechts met de vrucht van onze lippen. Laat heel ons wezen diep door U in beslag genomen worden. Zoals eertijds dat hemelse vuur neerviel op het offer van Elia en zelfs al dat overvloedige water oplekte dat in de groeve was, zo moge ook thans het verterende vuur van Uw goddelijke Geest heel onze natuur en al onze drift tot zich nemen. En zelfs dát wat ons in de weg zou staan of ons zou schijnen te hinderen, moge God ook daaruit Zijn heerlijke eer verkrijgen, doordat Hij het in Zijn wijsheid geheel wegneemt. Zo willen wij U aanbidden.
Maar o, dierbare Zaligmaker, wij komen tot U en bedenken tegelijk in wat voor een ellendige staat wij uit onszelf verkeren. Juist onze diepe nood en onze verloren toestand geven ons de moed om nu tot U te komen als arme bedelaars — als mensen die uitsluitend leven van Uw hemelse mildheid. Gij zijt een volkomen Zaligmaker, en als zodanig ziet U altoos uit naar hen die gered moeten worden. Hier zijn wij, o Heere, hier komen wij tot U. Wij zijn precies die mannen en vrouwen naar wie U in Uw ontferming uitziet: mensen die een Zaligmaker broodnodig hebben.
Grote hemelse Geneesheer, wij brengen U al onze diepe wonden, onze pijnlijke striemen en onze etterende builen. En hoe zieker en ellendiger wij in ons eigen oog zijn, en hoe meer wij ons vandaag bewust worden van de bittere verdorvenheid van onze natuur en het diepgeworteld bederf van ons hart, des te sterker voelen wij dat wij juist de mensen zijn die Gij in genade zoekt! Want „die gezond zijn hebben den medicijnmeester niet van node, maar die ziek zijn.”
Heerlijke Weldoener, wij kunnen U op een rechte, onbezwaarde voet ontmoeten, want wij zijn volkomen arm; wij zijn zo leeg als maar mogelijk is. Wij zouden niet volstrekter en dieper afhankelijk van U kunnen zijn dan wij in werkelijkheid zijn. Omdat U Uw vrije barmhartigheid wilt tonen aan zondaren: zie, hier is al onze schuldige zonde. Omdat U Uw almachtige kracht wilt laten schitteren: zie, hier is al onze radeloze zwakheid. Omdat U Uw oneindige goedertierenheid wilt openbaren: zie, hier zijn al onze drukkende noden. Omdat U Uw soevereine genade wilt verheerlijken: zie, hier zijn wij, mensen die nimmermeer ook maar één enkele schaduw van hoop kunnen hebben dan uitsluitend door Uw onverdiende genade. Want wij zijn door en door onwaardig, wij verdienen het eeuwige kwade, wij verdienen de brandende hel; en als U Uw genade niet oneindig groot maakt in ons, moeten wij wel voor eeuwig verloren gaan.
En op de een of andere wonderlijke wijze is het onze ziel zo zoet om op deze volkomen lege manier tot U te komen. Moesten wij U immers zeggen dat er ergens iets goeds in ons eigen vlees was dat U van ons eiste, dan zouden wij ons terstond afvragen of wij onszelf niet jammerlijk bedrogen en vermetel dachten dat wij beter waren dan wij in wezen zijn. Heere Jezus, wij komen daarom precies zoals wij zijn. Zo kwamen wij in het prille begin tot U, en zo komen wij nog altijd: met al onze hardnekkige tekortkomingen, met al onze dagelijkse overtredingen, met alles, ja alles wat niet is zoals het voor Uw heilig oog behoort te zijn, zo komen wij tot U. Wij zegenen U met heel ons hart dat U ons ontvangt met al onze wonden — en door Uw bittere striemen is ons de volkomende genezing geworden. Gij ontvangt ons met al onze zonden — en doordat Gij de schuld daarvan gedragen hebt, zijn wij onherroepelijk vrijgesproken en vrij van de macht der zonde. Gij ontvangt ons zelfs in onze geestelijke dood, ja, in onze dood, want Gij zijt Hij Die leeft en dood geweest is, en zie, Gij zijt levend in alle eeuwigheid!
Wij komen heel eenvoudig en leggen ons in het stof neer aan Uw voeten, gehoorzaam aan die onweerstaanbare roepstem van U: „Komt herwaarts tot Mij, allen die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven.” Laat ons nu die zoete, diepe rust in ons binnenste gevoelen, nu wij op Uw eigen roepstem tot U mogen naderen. Mogen er in dit uur sommigen zijn die tot op deze dag toe nog nooit werkelijk tot U zijn gekomen. En mogen anderen, die al zovele jaren tot U komen, zich bewust opnieuw aan U toewijden, komend tot U als tot die levende Steen, bij God uitverkoren en dierbaar, om uitsluitend daarop onze eeuwige hoop te bouwen.
Maar Heere, nu wij zo dicht tot U zijn genaderd en op zo een rechte voet met U staan, wagen wij het om U dit ene te vragen: dat wij die U reeds zo liefhebben, U voortaan nog veel en veel meer mogen liefhebben. Och, sinds U ons door Uw genade zo onuitsprekelijk dierbaar bent geworden, klinkt Uw heilige Naam alleen al als hemelse muziek in onze oren. En er zijn van die genadetijden dat Uw liefde zo overweldigend sterk op onze ziel valt, dat wij er als het ware door worden meegevoerd. Wij hebben gevoeld dat wij met alle liefde zouden willen sterven om Uw eer maar te vermeerderen. Wij zijn volkomen bereid geweest om onze aardse naam en onze goede faam geheel te verliezen, als Gij, Heere, maar verheerlijkt mocht worden. En waarlijk, wij voelen dikwijls diep in ons hart dat, als ons volkomen verbrijzeld worden U ook maar één enkele duim hoger zou verheffen in de ogen van de wereld, wij dat gewillig en met blijdschap zouden willen lijden.
Want o, gezegende Koning, wij verlangen er zo naar om de stralende kroon op Uw hoofd te zetten, al zou het scherpe zwaard onze arm ook vlak bij het schouderblad afslaan. U móét Koning zijn, wat er ook van ons armoede worde. U móét volkomen verheerlijkt worden, wat er van ons lot ook worde!
Toch moeten wij tegelijk bitter treuren dat wij deze hemelse verrukking en deze vurige gloed van liefde niet altijd in ons hart kunnen gevoelen zoals wij dat voor U behoren. Och, soms openbaart U Zich zo hemels lieflijk aan onze ziel dat de hemel zelf ons nauwelijks gelukkiger zou kunnen maken dan de wereld soms wordt wanneer U daarbuit in Uw nabijheid bij ons bent. Maar wanneer U Zich voor een ogenblik verbergt en wij in het donker verkeren, och, schenk ons dan alstublieft die genadige liefde die ook in het donker kan liefhebben — die standvastig liefheeft wanneer er in het gevoelen geen enkele zoete troost is van Uw nabijheid. Laat ons nimmermeer afhangen van onze veranderlijke gevoelens, maar laat ons U altoos liefhebben, zodat wij — al zou U ons bij wijze van spreken jaren achtereen de rug toekeren — daarom in ons geloof geen greintje minder van U zouden denken; want Gij zijt oneindig en onuitsprekelijk beminnelijk, wat U in Uw wijsheid ook met ons doet.
En al zou U soms harde, tuchtigende woorden tot ons spreken, toch zouden wij U des te vaster aankleven. En al wordt Uw vaderlijke roede gebruikt totdat het ons in de ziel gloeit, toch zullen wij U blijven liefhebben, want Gij zijt oneindig waardig om bemind te worden door alle mensen en engelen, gelijk Uw eeuwige Vader U altoos heeft liefgehad. Laat ons hart U voor altijd met diezelfde goddelijke liefde liefhebben. Met al het vermogen tot liefde dat in ons is, en met al de liefde die U ons daarbovenop nog rijkelijk kunt schenken, mogen wij onze Heere liefhebben in geest en in waarheid.
Help ons, Heere, om de zonde krachtig te overwinnen uit diepe liefde tot U. Help in dit uur enkele dierbare strijders die soms zo zwaar door de zonde overmeesterd worden en er nu in hun zwakheid tegen worstelen. Schenk hun de klinkende overwinning, o Heere. En wanneer de geestelijke strijd zeer fel wordt en zij in hun zwakte in verzoeking komen om ook maar een heel klein weinig toe te geven, help hen dan om zeer standvastig en zeer sterk te zijn, om nimmer de hoop op de Heere Jezus op te geven, en om vast te besluiten dat zij — al zouden zij onverhoopt omkomen — in elk geval aan Zijn voeten zullen omkomen en nergens anders dan uitsluitend daar.
Heere, verwek in al onze gemeenten vele getrouwe mannen en vrouwen die geheel in een heilig vuur en vlam staan van liefde tot Christus en Zijn onvervalst Evangelie. Och, geef ons weer mannen gelijk Antipas, Uw getrouwe getuige; mannen zoals Paulus, Uw ijverige dienstknecht, die Uw heilige waarheid zo onverschrokken en vrijmoedig verkondigde. Geef ons Johannes-figuren, mannen tot wie de Heilige Geest diep kan spreken, en die ons altoos zullen oproepen om te horen wat de Geest tot de gemeenten van deze tijd te zeggen heeft. Heere, maak ons weer levend! Heere, maak ons krachtig weer levend! Behoud Uw werk en het geestelijk leven in het midden van de jaren, ja, in al Uw gemeenten. Keer weder tot de Gemeente van God in dit land, keer genadig weder tot haar. Uw tegenstanders menen in hun hoogmoed wel alles naar hun eigen hand te kunnen zetten, maar dat zullen zij nimmermeer bereiken, want de levende Heere regeert, en geloofd zij onze onwrikbare Rots!
Omwille van Uw eeuwige waarheid en Uw gerechtigheid smeken wij U: ontbloot Uw machtige arm in deze laatste, bonde dagen. O Herder van Israël, sla de dwalende wolven een zware slag, en bewaar Uw schapen veilig in hun eigen, ware weiden, ver van al die giftige weiden van de menselijke dwaling. O God, wij willen U als het ware opwekken in Uw rust. Wij weten wel dat Gij nimmermeer slaapt, en toch lijkt het in onze benauwdheid soms alsof U een tijdlang zweeg en de goddeloze dingen hun eigen gang liet gaan.
Wij smeken U: ontwaak in Uw almacht! Twist Uw eigen heilige twistzaak. Wij kennen Uw eigen goddelijk antwoord wel uit het Woord: „Waak op, waak op, trek uw sterkte aan, o Sion!” Dat willen wij van harte doen, Heere, maar wij beseffen dat wij het volstrekt niet kunnen, tenzij Gij Zelf Uw almachtige kracht aanwendt om onze zwakheid om te zetten in hemelse sterkte.
Grote God, behoud en red dit volk! O God van hemel en aarde, stuit die brede, verwoestende stromen van goddeloos ongeloof en uiterste vuiligheid die nu over ons land rollen. Och, dat wij nog eens betere, rijkere dagen mochten zien! De mensen schijnen in deze tijd immers geheel onverschillig te zijn geworden. Zij willen niet meer komen om Uw levende Woord te horen met diezelfde honger als zij eertijds deden. God van onze vaderen, laat Uw Heilige Geest opnieuw machtig werken onder de grote menigte! Wend de harde harten van het volk weer toe tot het horen van het Evangelie, en bekeer hen onweerstaanbaar wanneer zij het horen. Moge het gepredikt worden in de volle, overtuigende kracht van de Heilige Geest, Die van de hemel is gezonden.
Onze harten kwijnen in ons verlangen weg naar U, o Koning: Gij, Koning, zo vaak miskend en vergeten in Uw eigen land; Gij, Koning, veracht en bespot onder Uw eigen verbondsvolk. Wanneer zult Gij in heerlijkheid verschijnen voor de ogen van alle mensen? Kom, wij smeken U, kom haastig! Of zo het Uw soevereine wil is dat U nog niet persoonlijk komt, zend dan in elk geval Uw Heilige Geest uit met een veel grotere kracht dan ooit tevoren, opdat ons hart in ons zal opspringen van vreugde wanneer wij die wonderen van vrije barmhartigheid in ons midden herhaald mogen zien!
Vader, verheerlijk Uw Zoon. Op de een of andere wijze komt ons gebed daar in al onze behoeften altijd weer op uit voordat wij eindigen: Vader, „verheerlijk Uw Zoon, opdat ook Uw Zoon U verheerlijke.” En laat die gezegende dagen ras aanbreken dat Hij de rijke vrucht van de moeitevolle arbeid van Zijn ziel zal zien en daarmee geheel verzadigd zal worden. Zegen al het heilige werk dat voor U verricht wordt — of het nu gedaan wordt in de eenvoudige schuur of in de kathedraal, stil en in alle verborgenheid aan de straatdeur, of in de zondagsschool en de jeugdklassen. O Heere, zegen Uw eigen werk overal overvloedig. Verhoor in genade ook al die brandende gebeden die zijn opgezonden door vrome vrouwen voor hun ongelovige mannen, door dierbare kinderen voor hun ouders, en door biddende ouders voor hun eigen kroost. Laat de heilige dienst van het gelovig gebed nimmermeer ophouden, en laat al deze voorbede door God genadig aangenomen worden, alles alleen om Jezus Christus’ wil. Amen.
© Vertaling C. H. Spurgeon’s Prayers door Teun van der Plas

