Een preek uitgesproken door C. H. Spurgeon, in de Metropolitan Tabernacle, Newington.
Ik zal rein water op u sprenkelen en u zult rein worden. Van al uw onreinheden en van al uw stinkgoden zal Ik u reinigen. Ezech. 36:25
Dit is een van de openingswoorden van het heerlijke genadeverbond. Ezechiëls beschrijving van dit verbond is volkomen en helder, en verdient het om in gouden letters geschreven en opgehangen te worden in de mooiste kamer van het huis van iedere gelovige. Dit is de Magna Charta van de heiligen: de eigendomsakte van het land van onze erfenis. Heerlijk genadeverbond, ons hart verheugt zich in iedere regel van belofte waarmee U het hebt verrijkt!
U ziet dat deze belofte betrekking heeft op de zonde; en zij heeft betrekking op de zonde omdat de zonde het eerste verbond heeft verbroken en ons allen ten val heeft gebracht. De zonde moet worden weggenomen voordat de verbondsrelatie kan worden hersteld. De zonde moet uit het geweten worden gezuiverd voordat de gemeenschap van het verbond genoten kan worden. De zonde moet worden verafschuwd voordat de verbondsvereniging voltooid kan worden. Gezegend zij God: de zonde zal worden weggewassen, want zo staat het geschreven in het eeuwige verbond.
De zonde is de grote plaag en pest van ons leven. Nu wij ontwaakt zijn om onderscheid te maken tussen goed en kwaad, en nu het nieuwe hart en de juiste geest in ons zijn gelegd, is het dan niet goed dat deze oorzaak van ellende vernietigd wordt? Het is de zonde, mijn broeders, die ons van God verwijderd houdt. Moet deze scheidsmuur niet volledig worden afgebroken en uit de weg geruimd? Het was vanwege de zonde dat wij met God verzoend moesten worden door de dood van Zijn Zoon. Moet die verzoenende dood de zonde dan niet daadwerkelijk doden?
De zonde heeft al het kwaad voortgebracht. In het begin verdorde zij het paradijs en bezaaide zij de aarde met doornen en distels, en sindsdien heeft zij steeds opnieuw dezelfde smartelijke oogst voortgebracht. Nog altijd ondermijnt zij onze kracht; zij vernietigt onze troost; zij berooft ons van onze bruikbaarheid; zij is de vijand van al het goede; zij is alle kwaad in één. O vloek der vloeken, bron van de hel en vader van de duivel, gij onuitsprekelijk afschuwelijk monster: zonde! Zullen wij niet dubbel gezegend zijn wanneer wij van u verlost zijn? Wij zouden de dood zeker nooit vrezen als wij geen zonde hadden; ja, wij zouden zelfs de duivel zelf niet hoeven vrezen. Want als er geen verrader binnen de stad was, zou Mensenziel alle aanvallen van vijanden van buitenaf met verachting kunnen afwijzen.
Voor de ontwaakte zondaar is de zonde zijn last, zijn ellende en zijn afschuw. Zij is een nachtmerrie die hem achtervolgt; hij kan er nooit aan ontsnappen. Zoals David roept hij uit: “Mijn zonde staat mij voortdurend voor ogen.” Zelfs wanneer de zonde vergeven is, maakt de herinnering eraan een mens vaak zijn hele leven waakzaam. Wij zouden ziekte kunnen verdragen als wij maar van de zonde genezen waren; wij zouden de moeiten van deze wereld kunnen dragen als er geen geestelijke smarten waren. Wij zouden tevreden kunnen zijn om de rest van ons aardse leven in een gevangenis door te brengen op brood en water, als wij maar vrij waren van de zonde. Ja, ik verzeker u: de donkerste kerker zou voor een gelovige een stralend paradijs zijn, als hij daar vrij mocht zijn van de verleiding, de herinnering en de aanwezigheid van de zonde.
Daarom is het een buitengewoon gezegende gedachte van onze God dat het verbond zo nadrukkelijk betrekking heeft op onze zonde en verdorvenheid, en vooral dat het geopend wordt met deze onvoorwaardelijke belofte van oneindige liefde: “Ik zal rein water op u sprenkelen en u zult rein worden. Van al uw onreinheden en van al uw stinkgoden zal Ik u reinigen.” Zoals het wasbekken bij de ingang van de tabernakel stond, zo staat deze belofte aan de ingang van het verbond. Laten wij ons wassen en rein worden.
I. De eerste opmerking die wij hier willen maken, is dat GOD MET ZIJN VOLK BEGINT TE WERKEN TERWIJL HET NOG IN ZONDE VERKEERT.
De tekst maakt dit duidelijk. God wacht niet totdat mensen rein zijn voordat Hij hun Zijn liefde en ontferming schenkt. Hij wacht niet totdat zij zichzelf hebben gered om vervolgens met een schijnbare verlossing tot hen te komen. Hij doet geen beloften van reiniging onder de voorwaarde dat zij zichzelf eerst reinigen; nee, Hij komt tot hen naar de rijkdom van Zijn genade, zelfs wanneer zij dood zijn in overtredingen en zonden. Hij vindt hen in al hun verontreiniging, opstandigheid en ongerechtigheid, en Hij handelt met hen precies zoals zij zijn. Jezus redt zondaars. Gods liefde komt tot hen die haar in geen enkel opzicht verdienen. Zijn genade buigt zich neer tot de diepte van de zondeval en richt ons daaruit op.
“Dit zijn heel eenvoudige woorden,” zegt u misschien; maar er zijn mensen voor wie deze eenvoudige zinnen zullen klinken als het geluid van zilveren jubeltrompetten. Ik ken hen, want ik was ooit een van hen: mensen die zuchten onder hun verontreiniging, daarover treuren, maar haar niet kunnen wegnemen. Geliefden, u hoeft geen goed in uzelf te zoeken wanneer u tot God komt; u moet komen zoals u bent. Hoe diep u ook verontreinigd bent geweest, hoezeer u ook door afgoden geknecht bent geweest, hoe sterk uw eigen hart u ook veroordeelt — u moet tot Jezus komen op grond van genade en niet op grond van verdienste. U moet Hem naderen als zondaren, zonder enige andere voorwaarde.
Christus is een Verlosser, gekomen om Zijn volk van hun zonden te verlossen; daarom begint Zijn verlossing bij hen terwijl zij nog in hun zonden zijn. Hij wacht niet totdat Hij een gezond plekje bij de patiënt ontdekt; maar juist wanneer iemand van top tot teen met melaatsheid bedekt is en er geen gezond plekje te vinden is, zelfs niet zo groot als een speldenknop, dan komt de grote Geneesheer en reinigt de melaatse. Dit blijkt duidelijk uit de tekst. Want allereerst is het duidelijk dat degenen aan wie God deze verbondsbelofte doet, onrein zijn en ongeschikt voor gemeenschap met Hem. Hij spreekt over hun onreinheid, ja, over “al hun onreinheid”; en dat betekent dat die overvloedig aanwezig was, want Gods “al” duidt bepaald niet op iets kleins. Bovendien waren er afgoden, en niet weinig ook, want Hij spreekt over “al uw stinkgoden”. Dat zijn gruwelen voor de Heere, maar zij zijn aanwezig en moeten worden weggenomen. Daarom zegt Hij: “Ik zal rein water op u sprenkelen en u zult rein worden” — niet: “Gij zijt rein en daarom moogt gij tot Mij komen”; maar: “Ik zal tot u komen en u reinigen.”
Enige tijd geleden hebben wij het beeld van de as van de rode koe uitgelegd: hoe deze in water werd bewaard, gereed om gebruikt en toegepast te worden op allen die ceremonieel onrein waren geworden. Nadat dit water over hen was gesprenkeld, mochten zij terugkeren naar het kamp en tot de tabernakel van de Heere naderen; maar zolang deze reiniging niet was toegepast, waren zij uitgesloten van de gemeenschap met God en Zijn volk. Het volk van God mocht geen omgang met hen hebben; de priester van God kon geen gemeenschap met hen onderhouden; God Zelf wilde niets met hen te maken hebben. Zij waren onrein en werden daarom als het ware in quarantaine geplaatst: zij mochten het kamp niet naderen, opdat zij het volk niet zouden verontreinigen.
Welnu, zo treft God Zijn volk aan wanneer Hij Zijn werk in hen begint. Zij zijn niet geschikt voor gemeenschap; niet geschikt om omgang te hebben met de heiligen van God, noch om te staan in de heilige plaats van de Allerhoogste. Zij zijn ongeschikt voor enige dienst, want de Heere wil niet dat onreinen Zijn heilige vaten dragen. Hun gebeden zijn verontreinigd; hun lofprijzingen zijn verontreinigd; er is niets aan hen dat niet onrein is. In zo’n toestand kon de mens niets doen dat God behaagde: zijn onreinheid sloot hem uit en maakte hem volkomen onbekwaam om de reine en heilige God te behagen.
Wie onrein was, maakte alles onrein wat hij aanraakte; de verontreiniging was uiterst besmettelijk. Wanneer hij op een stoel ging zitten, mocht niemand anders daarop plaatsnemen, want de stoel was onrein geworden. Wanneer hij een voorwerp in de tent aanraakte, werd dat voorwerp onrein, en zelfs de tent werd onrein. Hij was een bron van verontreiniging, en waar hij ook ging, verspreidde hij onreinheid. Zo is iedere zondaar in Gods ogen: een bron van vuil water, een bron van bitterheid. Hij is verontreinigd en verontreinigt anderen. En juist in die vreselijke toestand bezoekt de God van alle genade Zijn volk voor het eerst.
Misschien spreek ik tot iemand die op het punt staat uit te roepen: “Ik ben niet geschikt om vanavond in het huis van God te zijn. Ik ben niet waardig mijn ogen op te slaan naar de plaats waar Zijn heerlijkheid woont.” Juist daar vindt de Heere u; en juist tot u in deze ellendige toestand richt zich het genadeverbond. Onze Verlosser komt tot ons in onze diepste nood.
Toen ik eens sprak met een bejaarde broeder in Christus, die waarschijnlijk dicht bij het einde van zijn aardse reis was, zei hij: “Ik ervaar het nog steeds als een grote zegen om tot Christus te komen met de bede: ‘O God, wees mij, zondaar, genadig.’ Ik steun niet op vroegere ervaringen of op iets anders, maar begin telkens weer bij het begin. Ik kom tot Jezus zoals ik dat vanaf het eerste moment deed, alleen nog nederiger en met een diepere oprechtheid dan ooit tevoren.” Ik ben ervan overtuigd dat hierin ware wijsheid ligt, en nergens anders.
Als het genadeverbond zondaars niet als zondaars zou behandelen, dan zou ik vrezen tot Christus te komen. Maar omdat het zijn armen naar mij uitstrekt terwijl ik nog onrein en door de zonde bevlekt ben, voel ik dat het precies aansluit bij mijn nood. De vrije genade van het verbond komt niet halverwege tegemoet en zegt tegen mij, terwijl ik halfdood neerlig: “Sta op en neem aan wat ik u geef, dan zal Ik u redden.” Nee, zij komt tot mij zoals de barmhartige Samaritaan kwam tot de gewonde man langs de weg. Zij vindt mij waar ik ben. Wanneer zij ziet dat ik bewusteloos ben, wekt zij mij op. Wanneer zij merkt dat ik mij bewust word van mijn wonden, giet zij olie en wijn daarin. Wanneer zij ziet dat mijn zwakheid zo groot is dat ik geen stap kan zetten, tilt zij mij op haar eigen dier en brengt zij mij naar de herberg. Wanneer zij mijn volkomen armoede ziet, zodat ik niet eens twee penningen bezit, vraagt zij mij niet om zelf iets bij te dragen, maar betaalt alles voor mij en laat de belofte achter dat ook alles wat verder nodig mocht zijn, vrijelijk gegeven zal worden.
O gezegende liefde van het verbond! Zij laat zich niet afschrikken door onze afschuwelijke onreinheid en verlaat ons niet vanwege onze afgoden. Glorierijke genade, die bij ons begint waar zonde en dood ons hebben achtergelaten! U zult in de tekst opmerken — of er ten minste duidelijk uit kunnen afleiden — dat de mensen met wie God handelt niet alleen onrein waren, maar zichzelf ook niet konden reinigen. Het is een vaste regel bij wonderen, zowel geestelijke als lichamelijke, dat God niet doet wat mensen zelf kunnen doen. Zolang er nog enige kracht in de natuurlijke middelen overblijft, gaat God daar niet buiten; maar onze uiterste nood is Gods gelegenheid.
Nu de tekst zegt: “Ik zal rein water op u sprenkelen en u zult rein worden,” blijkt daaruit duidelijk dat deze onreinheid niet zonder goddelijke tussenkomst kon worden weggenomen. Er was geen andere weg tot reiniging dan de rechtstreekse ingreep van de Heere Zelf.
Maar tegenwoordig hebben veel godgeleerden nieuwe inzichten. Volgens de moderne opvattingen worden kinderen blijkbaar niet langer in zonde geboren zoals vroeger. Men beweert dat sommige bijzonder bevoorrechte kinderen hun leven beginnen met een aangeboren genade; dat zij geen wedergeboorte of bekering nodig hebben, omdat de stam zo voortreffelijk zou zijn dat de takken vanzelf goede vruchten dragen. Ik heb in de Schrift nooit over zulke mensen gelezen, maar men verzekert mij dat zij tegenwoordig bestaan — althans, dat zeggen hun ouders en hun predikanten.
Vroeger gold nog: “Wat uit het vlees geboren is, is vlees,” en alleen “wat uit de Geest geboren is, is geest.” Dat wordt nu wellicht als ouderwetse leer beschouwd. Maar als wij een moderne God zouden hebben, dan zouden wij misschien ook een moderne waarheid mogen verwachten. Toch lijkt de waarheid mij even onveranderlijk als God Zelf. Wat vandaag waar is, was gisteren waar en zal waar blijven tot het einde der tijden, want God verandert niet.
Wat mijzelf betreft: ik weet dat ik in zonde geboren ben, en ik weet dat in mij, namelijk in mijn vlees, geen goed woont. Ik weet ook dat ik ooit geprobeerd heb mijn eigen hart te reinigen. Naar mijn overtuiging heb ik dat even ernstig geprobeerd als wie dan ook ooit gedaan heeft. Ik zocht mijn eigen gerechtigheid en probeerde van de zonde af te komen, maar mijn poging eindigde in een totale mislukking. Ik raad niemand aan zichzelf te proberen genezen. Het bracht mij tot wanhoop; het dreef mij bijna tot krankzinnigheid. Hoe meer ik schrobde en reinigde, des te zwarter ik werd. Ik waste mijn donkere huid, en hij leek na het wassen nog zwarter dan tevoren. Ik zag pas werkelijk hoe zwart hij was toen ik geprobeerd had hem wit te maken met mijn zeep.
Job zei: “Als ik mij was met sneeuwwater, en mijn handen zuiver met loog, dan dompelt U mij in de put, en mijn kleren hebben een afschuw van mij”; en zo heb ik het ook ervaren. Daarom spreek ik uit ervaring. Geleerd door mijn eigen falen, spoor ik niemand aan om reiniging te zoeken in eigen werken of inspanningen. Ik spoor ieder aan die reiniging te ontvangen die God beloofd heeft in het genadeverbond. Werkelijke reiniging kan nergens anders vandaan komen. Zoek haar daarom bij de Heere, Die zegt: “Ik zal rein water op u sprenkelen en u zult rein worden.”
Al zou u hemel, aarde en hel doorzoeken, u zult geen ander middel vinden dat de zonde wegneemt dan het kostbare bloed van Jezus Christus, de Zoon van God. U zou eerder elke golf van de Atlantische Oceaan rood kleuren door uw handen erin te dompelen, dan dat u ook maar één vlek van schuld van uw ziel zou kunnen verwijderen. Daar ligt uw zonde, en daar zal zij eeuwig blijven, tenzij Jehovah Zelf haar uitwist.
Wie onrein is, zal onrein blijven tot in eeuwigheid, tenzij de Godheid tussenbeide komt. Onze enige hoop ligt in dit trouwe woord: “Ik zal rein water op u sprenkelen en u zult rein worden.” De Heere begint Zijn volk te verlossen wanneer zij krachteloos zijn en zichzelf niet kunnen reinigen.
Sterker nog, wanneer God Zijn werk in mensen begint, worden velen van hen gekenmerkt door een bijzondere onreinheid. “Van al uw onreinheden en van al uw stinkgoden zal Ik u reinigen.” Wanneer Hij met hen begint, zijn zij vaak geheel overgegeven aan hun afgoden. Andere heren heersen over hen, en die heren voeren hen tot onreinheid. Sommigen op wie God met eeuwige liefde heeft neergezien, zijn vóór hun bekering openlijk, zichtbaar en afschuwelijk onrein geworden; en toch begint Hij juist met hen Zijn werk van genade. De hoer — zij dwaalt het huis van God binnen en voelt dat zij geen recht heeft daar te zijn; en toch komt de dag waarop zij achter de Meester staat, Zijn voeten natmaakt met haar tranen en ze afdroogt met het haar van haar hoofd, omdat haar veel vergeven is.
De man die zich heeft overgegeven aan grove zonden — zonden waarover wij nauwelijks durven spreken, en die hem bij de herinnering eraan tot tranen van bloed zouden brengen — hoort juist dít wanneer de Heere der liefde in genade tot hem komt: “Ik delg uw overtredingen uit als een nevel, en uw zonden als een wolk.” Ik vrees dat ik niet altijd duidelijk genoeg spreek, hoewel ik dat graag wil doen. Laat mij daarom nogmaals het grote net uitwerpen. De Heere Jezus Christus vergeeft dieven, rovers, leugenaars, dronkaards en allerlei soorten misdadigers. De Heere Jezus ontfermt Zich over hen die godslasteraars zijn geweest. “Alle zonde en lastering zal de mensen vergeven worden.”
Met grote vreugde heb ik mensen zien veranderen die vroeger ongelovigen waren, de Schrift bespotten, de godheid van Christus ontkenden en Gods volk vervolgden. Zij kwamen binnen, hoorden het evangelie, werden erdoor geraakt, bevrijd van hun hardheid en gereinigd van hun ongerechtigheid. Ja, ook vanavond bevinden zich hier zulke mensen. “Sommigen van u zijn dat geweest, maar u bent schoongewassen.”
O, het is niet aan mij om alles te vertellen wat ik weet over hoe de Heere sommige leiders uit satans dienst heeft weggenomen — mensen die eerst allerlei kwaad bedreven — en hoe Hij de duivel uit hen heeft verdreven en hen aan Zijn voeten heeft doen zitten, gekleed en bij hun volle verstand. Wij geloven in een evangelie voor zondaars. Aan schuldigen prediken wij vergeving. De heidenen van vroeger beweerden eens dat het christendom de godsdienst van de verworpenen was. Zij bespotten het christelijk geloof en vergeleken het met de stichting van Rome, toen Romulus iedereen opnam die schulden had, ontevreden was of een misdadiger was, zodat allerlei mensen uit de omliggende steden samenkwamen om Rome te bevolken. Hoewel die vergelijking als spot bedoeld was, bevatte zij toch veel waarheid.
De Heere ontvangt inderdaad de voortvluchtigen van de duivel. Als hier iemand is die nog in dienst staat van die duistere meester, dan raad ik hem aan vanavond naar Christus te vluchten — zonder zijn oude meester ook maar vijf minuten vooraf te waarschuwen. Verlaat de dienst van de tiran en vlucht onmiddellijk.
Maar let hierop: de Heere ontvangt zondaars om hen te reinigen. Hij ontvangt hen niet opdat zij zouden blijven zoals zij zijn. De Heere Jezus ontvangt zondaars zoals leraren arme, verwaarloosde kinderen opnemen in een school. Juist daarin ligt de eer van zo’n school: hoe armer en vuiler het kind, des te meer welkom het is. Maar waarom nemen zij zo’n kind op? Om het te wassen, te onderwijzen, te kleden en op te voeden.
Wij nemen geen haveloze kinderen op uit liefde voor hun lompen, noch om hen in hun ellende te laten voortleven; maar opdat zij gereinigd, gevormd en verheven worden. Zo is ook het huis van barmhartigheid van mijn Meester. Het is een ziekenhuis: zieke mensen zijn er altijd welkom. Het is geen plaats om ziekte te verspreiden of te verontschuldigen; het is de plaats waar ziekte wordt blootgelegd, afgezonderd en in al haar afschuw zichtbaar gemaakt, opdat zij overwonnen en vernietigd zal worden. Niemand spreekt zo ernstig tegen de zonde als Jezus en degenen die Zijn evangelie geloven; en toch blijft het eeuwig waar: “Deze Man ontvangt zondaars.”
Beste vriend, wie u ook bent, u mag tot Jezus komen. In welke zonde of ongerechtigheid u ook gevallen bent, u mag nu komen zonder aarzeling of twijfel. De poort staat wijd open, en de gezegende Heere — met de littekens van de spijkers nog in Zijn handen — staat gereed om u te ontvangen en te zeggen: “Komt tot Mij, allen die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven.” Al waren uw zonden als scharlaken, zij zullen wit worden als sneeuw.
Nog altijd blijft die heerlijke verklaring waar: “Alle zonde en lastering zal de mensen vergeven worden.” Nog steeds ontmoet God mensen terwijl zij zich bevinden in de duisternis, de vuilheid en de vernedering van hun zonde; en juist daar, precies zoals zij zijn, zegt Hij tot hen: “Ik zal rein water op u sprenkelen en u zult rein worden. Van al uw onreinheden en van al uw stinkgoden zal Ik u reinigen.” O arme, ellendige kinderen van Adam, hoe vurig verlang ik ernaar u tot Christus uit te nodigen! Ik predik een Verlosser voor de slechtsten en meest verachtelijken onder u. O, dat u tot Hem zou komen!
Ik ken uw huis. Het staat vol afgoden van allerlei soort. Misschien is sterke drank uw Moloch; of misschien heeft een zonde van het vlees u in haar greep gekregen en wordt uw huis beheerst door Venus en Bacchus en andere goden van de mesthoop. Ach, hoeveel kamers vol afgodsbeelden zijn er in deze stad! Maar ondanks dat alles zal de Heere der liefde met Zijn verlossing tot uw huis komen, die afgoden eruit verdrijven en Zelf daar regeren.
Uw leven is misschien vol vuilheid, en terwijl u hier zit, herinnert u zich dat tot diepe droefheid van uw hart. Maar vat moed, gebrokenen van geest, want de Heere Jezus zal tot u komen zoals u bent en uw onreinheid wegnemen.
Denk niet dat ik alleen spreek tot hen die openlijk immoreel hebben geleefd, al richt ik mij zeker ook tot hen. Ik spreek nu eveneens tot hen die nooit in zulke grove zonden zijn gevallen. God zij dank zijn er mensen die door hun opvoeding bewaard zijn gebleven voor de uiterlijke uitbarstingen van zonde. Zo was het ook in mijn eigen leven. Wat uiterlijke overtredingen betreft, had ik misschien kunnen zeggen dat ik onberispelijk was; maar o, als er ooit een mens op aarde was die zijn innerlijke verdorvenheid diep voelde, dan was ik het wel.
Ik verafschuwde mijzelf volkomen. Hoe vaak heb ik gewenst nooit geboren te zijn! Het leek mij verschrikkelijk dat zo’n wezen ooit had mogen bestaan. Dat ik zo lang in zonde en ongeloof had geleefd, vervulde mij met ontzetting; en hoewel ik nog geen vijftien jaar oud was, vond ik het afschuwelijk dat ik al die jaren zonder liefde tot Christus had geleefd. Wat voelde ik mij een ellendige, terwijl ik omringd was door zoveel genade en toch niet aan mijn God had gedacht! Het scheen mij verschrikkelijk dat ik al die jaren had geleefd zonder liefde, zonder vertrouwen en zonder vreugde in God. Ik voelde mij een walgelijk en onrein schepsel, geschikt om in het riool van het universum geworpen en weggevaagd te worden.
Maar o, dat gezegende woord: “Van al uw onreinheden en van al uw stinkgoden zal Ik u reinigen.” Dit is taal die alleen God spreken kan. Ziet u dan niet hoe God met ons begint precies waar wij zijn, tot lof van de heerlijkheid van Zijn genade? Tot zover ons eerste punt.
II. Het tweede punt is dit: GOD ZELF ZORGT VOOR DE REINIGING VAN DEGENEN TOT WIE HIJ ZICH IN ZIJN SOEVEREINE GENADE WENDT. “Ik zal rein water op u sprenkelen.” Hij vraagt hen niet om zelf de reiniging te vinden, maar Hij brengt die Zelf tot stand.
Waar zou de sterfelijke mens dit “reine water” kunnen vinden? Al zou hij de toppen van de Alpen beklimmen om de maagdelijke sneeuw te smelten, of afdalen naar de diepe bronnen waaruit het heldere water opwelt, toch zou hij geen water vinden dat de smet van de zonde kan wegnemen. God Zelf voorziet daarin; zo handelt Hij altijd. Op de berg zal blijken dat Hij Jehovah-Jireh is.
Het beeld uit het Oude Testament wordt op deze wijze vervuld in zijn werkelijkheid: God heeft een middel voorzien om mensen te reinigen — een middel dat volmaakt, rechtvaardig, zuiver en doeltreffend is. Zuiver water is het beste reinigingsmiddel, en de Heere heeft voorzien in de zekerste reiniging van de zonde. Onder de wet van Mozes nam men water, scharlaken wol en hysop, en besprenkelde daarmee de onreine, zodat hij ceremonieel gereinigd werd. Zo heeft God nu onder het evangelie een wonderlijke weg bereid waardoor Hij, Die Zelf volmaakt rein is, de onreinheid van onze natuur en de schuld van ons leven kan wegnemen.
Het is een rechtvaardige weg. U hebt misschien geen uitleg nodig over de manier waarop God onze onreinheid wegneemt; maar vele anderen hebben die uitleg wel nodig, en daarom moet het evangelie telkens opnieuw worden verkondigd. Zoals brood en zout op iedere tafel behoren te staan, zo behoort het evangelie in iedere preek aanwezig te zijn.
God moet rechtvaardig blijven; zelfs wanneer Hij zonden vergeeft, mag Zijn rechtvaardigheid niet worden aangetast. Zonde kan niet ongestraft blijven; dat zou rampzalig zijn. Daarom nam de Heere de zonde op Zich en legde haar op Zijn Zoon, opdat deze zou dragen wat onze overtredingen verdienden. Dat deed de Heere Jezus als onze Plaatsvervanger en Verlosser. “Die Zelf onze zonden in Zijn lichaam gedragen heeft op het hout.”
Hij heeft een volkomen verzoening tot stand gebracht en volledig betaald voor de schuld van de mens, zodat “ieder die in Hem gelooft niet verloren gaat, maar eeuwig leven heeft.” Daarnaast heeft God de Heilige Geest gegeven als gave van Christus bij Zijn hemelvaart. Die Heilige Geest werkt in het hart van mensen: Hij vernieuwt hen, neemt de liefde tot de zonde weg, schenkt nieuw leven, schept een nieuw hart en een vaste geest, en verandert zo hun innerlijke verlangens en begeerten, zodat ook hun uiterlijke leven geheel anders wordt dan tevoren. Hier zien wij twee vormen van reiniging: het bloed van Christus en het werk van de Heilige Geest — beide als rein water. God kan u rechtvaardig vergeven, mijn medezondaar; en God kan u zo volkomen vernieuwen dat het is alsof u vanavond opnieuw geboren wordt en een geheel nieuw begin maakt. U ziet dus dat de weg die God heeft bereid volkomen zuiver is: er is niets in dat het kwaad begunstigt of onrechtvaardigheid duldt.
En wat is deze weg eenvoudig, en tegelijk rein! “Ik zal rein water over u sprenkelen.” De toepassing van het bloed van Jezus Christus op het geweten en de komst van de Heilige Geest in het hart zijn even eenvoudig als het sprenkelen van water. De wijsheid van God maakte de ceremonie waardoor de melaatse onder de wet gereinigd werd al zeer eenvoudig; maar nog eenvoudiger is de wijze waarop God de verdiensten van Zijn geliefde Zoon toepast op ons hart. O, mochten wij door het geloof het bloed van Jezus onmiddellijk op ons hart laten sprenkelen! O, het bloed van de besprenging te mogen ervaren, waartoe iedere gelovige in Christus gekomen is — het bloed dat “betere dingen spreekt dan het bloed van Abel”!
Het is een zeer eenvoudige weg, maar ook een weg die voor allen openstaat. Waar ook maar een ziel is op wie God in liefde heeft neergezien, daar kan Hij het bloed van de besprenging toepassen. Wie u ook bent: u kunt uzelf niet reinigen, maar God kan u reinigen met dit reine water. Hij kan u redden door de verdiensten van Zijn Zoon en door de vernieuwing van de Heilige Geest.
Niemand valt buiten deze mogelijkheid, want “het bloed van Jezus Christus, Zijn Zoon, reinigt ons van alle zonde.” Wanneer u zich vanavond schuldig voelt en om genade roept, dan kan die genade tot u komen en kunt u haar ontvangen; want zo spreekt de Heere: “Ik zal rein water op u sprenkelen en u zult rein worden.”
Het is bovendien een weg van onfeilbare kracht, want Hij zegt: “Ik zal u reinigen van al uw onreinheid en van al uw stinkgoden.” Hij streeft er niet alleen naar om te reinigen – Hij doet het ook daadwerkelijk. U mag dan wel duizend zonden hebben, maar dit zuivere water kan die duizend zonden wegwassen. Uw hart mag dan een chaos van afgoden zijn, maar de kracht van de Heilige Geest kan ze allemaal breken, ja, ze onmiddellijk breken.
Het “Ik zal” in de tekst verwijst naar de tijd waarin Israël vol zonde was. Het wijst op een toestand zoals die waarin sommigen van u zich nu bevinden, onbekeerde mannen en vrouwen. Ja, zelfs nu, midden in uw onreinheid en afgoderij, kan God komen met sterke hand en uitgestrekte arm om het werk te beginnen waardoor u volkomen bevrijd zult worden. Wat geeft het dat uw hart lijkt op de stallen van Augias? De wonderen van Jezus overtreffen de werken van Hercules. Hij zal uw zonden werpen in de diepten van de zee. Uw hardheid van hart, uw trots, uw wellust, uw ongeloof, uw vijandschap en uw wispelturigheid zullen allen in één ogenblik neervallen, zoals Dagon viel voor de ark van God.
O Heere, doe het! Doe het vanavond met velen die deze Tabernakel zijn binnengekomen, opdat Uw Naam alle eer zal ontvangen! Zo zijn wij gekomen tot dit punt: God begint met Zijn volk terwijl zij nog onrein zijn, en Hij voorziet Zelf in de middelen tot hun reiniging.
III. Ten derde is het GOD ZELF DIE DEZE REINIGING VOLTREKT.
Zie hoe Hij het verwoordt: “Ik zal” — “Ik zal rein water op u sprenkelen en u zult rein worden. Van al uw onreinheden en van al uw stinkgoden zal Ik u reinigen.”
Ach, geliefde vrienden, als God alleen maar het geneesmiddel had bereid maar het ons nooit had gebracht, zouden wij het niet hebben kunnen vinden, bereiken of toepassen. Als Hij het verband had gemaakt en het naast de gewonde man had neergelegd, zou de arme man zijn gestorven, want hij zou het nooit zelf op zijn wond hebben kunnen aanbrengen. Dezelfde genade die aanvankelijk de weg bedacht om de opstandige mensheid te redden, voert ook het gehele plan van begin tot eind uit.
Wie kan het reine water over de verontreinigde zondaar sprenkelen? “Ik zal het doen“, zegt de Heere. Ik ben ervan overtuigd dat ik hier tot vele broeders en zusters spreek wier ervaring bevestigt wat ik nu zeg: het was de Heere Zelf die ons voor het eerst het besef gaf dat wij onrein waren en afgoden aanbadden. Ooit beschouwden wij onszelf als fatsoenlijke mensen – nietwaar? Onze eigen gerechtigheid leek ons minstens even goed als die van anderen, en misschien zelfs beter. Als we gezondigd hadden, hadden we altijd genoeg excuses voor onze tekortkomingen; bovendien waren we van plan het later beter te doen.
Daarom vonden wij dat wij niet veroordeeld moesten worden, maar juist geprezen. Maar de Heere haalde ons uit die boom van eigengerechtigheid en legde ons aan de voet ervan neer, smekend om genade. En zelfs toen zouden wij geweigerd hebben gebruik te maken van Zijn genade; wij zouden in onze zonden zijn omgekomen als de goddelijke genade ons niet van onze dwaasheid had overtuigd.
Sommigen van u herinneren zich wellicht nog hoe de Heere u voor het eerst liet zien hoezeer u reiniging nodig had. Juist dat besef was al een belangrijk onderdeel van de reiniging zelf. Leek het u toen niet onmogelijk dat iemand met zoveel onreinheid gereinigd kon worden? Voor mij, en waarschijnlijk ook voor u, leek het het wonderbaarlijkste ter wereld om werkelijk in Jezus te geloven. Ik begreep er niets van. Hoe kon ik tot Christus komen? Ik zag dat Hij een Verlosser was. Ik zag dat Hij anderen redde, en daar verheugde ik mij over; maar de vraag bleef: hoe kon ik persoonlijk deel hebben aan Zijn verlossende kracht? Ik hoorde over die vrouw die de zoom van Zijn kleed aanraakte, en ik voelde dat als Christus fysiek voor mij had gestaan, ik de zoom van Zijn kleed zou hebben aangeraakt; maar ik begreep niet hoe ik Hem geestelijk kon aanraken.
Tot op de dag van vandaag maken onze verdorven harten van het eenvoudigste iets ingewikkelds en geheimzinnigs. Geloof is zo helder als de zon, maar velen maken het donker als de nacht. Mensen zijn buitengewoon vaardig in het verkeerd begrijpen van wat wij bedoelen wanneer wij over geloof spreken. Op een avond probeerde ik het geloof zo eenvoudig mogelijk uit te leggen, en ik citeerde die regels van Dr. Watts: “Als een schuldig, zwak en hulpeloos klein wormpje val ik in de liefdevolle armen van Christus.”
Na de dienst kwam er een jonge man naar me toe die zei dat hij niet kon vallen. Dat verbaasde me enorm, want ik dacht dat zoiets onmogelijk was. Staan kan moeilijk zijn, maar vallen is eenvoudig. Vallen vereist geen kracht, maar juist het ontbreken daarvan. Ik probeerde uit te drukken dat alle persoonlijke inspanning moet ophouden en dat men zich volledig moet overgeven in de handen van Christus. Maar mijn jonge vriend kon het niet begrijpen, en ik kon het hem niet duidelijk maken. Een elektrisch licht helpt een oog dat volledig blind is niet. O God, het is net zozeer een wonder van Uw genade om ons geloof te schenken als het is om ons een Verlosser te geven in Wie wij mogen geloven. En wie werkelijk geloof heeft ontvangen, weet dat dit zo is. Ondanks alle eenvoud van het geloof zou niemand ooit op een verlossende manier in Jezus Christus hebben geloofd als de Heere Zelf hem niet had geleid en tot dat geloof had gebracht.
Zeker, het reine water wordt weliswaar voorzien, maar het moet door een andere hand dan de onze worden gesprenkeld, willen wij werkelijk gereinigd worden. Zijn wij daarvan niet zelf de getuigen? Erkennen wij niet dat, toen wij uiteindelijk gereinigd werden door het kostbare bloed van Christus, ook die laatste daad van geloof in ons werd gewerkt door de Heilige Geest? Dat was geen kleinigheid: die overgang van de dood naar het leven, dat gewassen worden in de fontein die met bloed gevuld is. Evenmin was het geloof waardoor wij die reiniging ontvingen iets kleins. Alles, ja alles, was uit genade.
Ik heb veel gehoord over de vrije wil van de mens, maar ik heb nooit enige neiging gevoeld om de grote zegen van het vertrouwen op Christus en de daaruit voortvloeiende volle rechtvaardiging toe te schrijven aan een aangeboren bereidheid in mijzelf. Ik werd “gewillig gemaakt op de dag van Zijn heirkracht”, en daarom moet ik alle eer aan God alleen geven. O, die stralende, die gezegende dag waarop ik kon zeggen: “Het is volbracht! Het grote werk is volbracht! Ik ben van mijn Heere, en Hij is van mij.“ Op die dag kon ik niet anders dan ook belijden: ‘Hij trok mij, en ik volgde Hem, aangetrokken door Zijn goddelijke roepstem. Ja, het is God Zelf die de reinigende kracht toepast.
En zo blijft het gedurende de rest van ons leven: “Alle dingen zijn uit God.“ Als Hij, die mij al zo ver op de weg naar de hemel heeft gebracht, mij niet verder helpt op de rest van de reis, zal ik omkomen, zelfs als het beloofde land voor mijn ogen ligt. Als de Heere niet met u is, zou u niet kunnen binnengaan, zelfs al stond uw voet al op de diamanten drempel van de hemel en uw hand op de gouden grendel van de poort. Zonder de steeds vernieuwde genade, die ons tot het einde van de weg draagt, zou onze hele reis tot nu toe tevergeefs zijn geweest.
Zodra wij in de hemel aankomen, zal het zijn: “Onze God en Vader nu zij de heerlijkheid in alle eeuwigheid.” Wij zullen geen enkel woord uitspreken ter ere van onszelf, alsof enig deel van het werk aan ons zou kunnen worden toegeschreven; maar wij zullen onze volledige verlossing toeschrijven aan oneindige liefde, onverdiende genade, en aan de voortdurende trouw en macht van onze genadige God van het verbond. Laten we nu terugkeren naar deze gezegende tekst en deze nogmaals lezen, en vervolgens onze overdenking afsluiten met het laatste punt: “Ik zal rein water op u sprenkelen en u zult rein worden. Van al uw onreinheden en van al uw stinkgoden zal Ik u reinigen.”
IV. Ik sluit af met deze laatste opmerking: DE HEERE REINIGT ZIJN VOLK VOLKOMEN.
Ten eerste reinigt Hij hen van al hun onreinheid. Daarbij wil ik een ogenblik stilstaan. “Van al uw onreinheden zal Ik u reinigen.” Van alles. O, wat een allesomvattend “alles” is dat! “Al uw onreinheden.” Al de onreinheid van uw erfzonde; al de onreinheid van uw natuurlijke aard, karakter en gezindheid. “Van al uw onreinheden zal Ik u reinigen.” Al de onreinheid die reeds in uw kinderjaren zichtbaar werd, die zich in uw jeugd verder ontwikkelde, die uw volwassen leven heeft geteisterd en misschien zelfs nu uw ouderdom ontsiert.
Van al uw daadwerkelijke zonden, zowel als van uw aangeboren verdorvenheid, zal Ik u reinigen. Van al uw verborgen onreinheid en van al uw openlijke onreinheid; van alles wat verkeerd was in het gezin; van alles wat verkeerd was in uw werk; van alles wat verkeerd was in uw eigen hart — “Van al uw onreinheden zal Ik u reinigen.” Van al uw hoogmoed — wat is dat een walgelijke zonde! Van al uw ongeloof — wat is dat afschuwelijk! Van al uw verdorven gedachten; van al uw verkeerde begeerten; van al uw zondige woorden; van al uw hebzucht; van al uw gemor; van al uw toorn; van al uw boosheid; van al uw afgunst; van al uw wantrouwen — “Van al uw onreinheden zal Ik u reinigen.”
Lees de Tien Geboden aandachtig door en sta bij elk gebod even stil terwijl u zegt: “Heere, U hebt gezegd: ‚Ik zal u van al uw onreinheden reinigen.‘ Heere, reinig mij op beide manieren: neem zowel de schuld van de zonde als mijn neiging tot zonde weg.“ „Laat het water en het bloed,
dat uit Uw doorboorde zijde vloeide, een dubbele genezing van de zonde zijn: reinig mij van de schuld en de macht ervan.“
O geliefden, wat is dat een rijke belofte: “Ik zal u reinigen van al uw onreinheden.” Denk toch niet dat er ook maar één zonde op u moet blijven rusten. Wat de heiliging betreft, zeg niet bij uzelf: “Deze zonde kan ik nooit overwinnen.” Jawel, u moet alle zonde overwinnen door Jezus Christus. “Ik zal u reinigen van al uw onreinheden.” Zeg niet: “Ik ben altijd driftig geweest, en zo zal ik wel blijven; het zit nu eenmaal in mijn karakter.” Nee — “Ik zal u reinigen van al uw onreinheden.” Ik weet dat sommige zonden bijzonder hardnekkig zijn en slechts met grote moeite overwonnen worden. Daarop moet voortdurend acht worden geslagen, opdat zij ons niet blijven kwellen.
Zij trekken zich terug in de verborgen kamers van het hart en verbergen zich daar stilletjes, wachtend op hun kans. Zij fluisteren nauwelijks nog, en wij denken bijna dat zij gestorven zijn; maar als wij niet waakzaam blijven, zullen wij spoedig ontdekken dat zij nog springlevend zijn. Wij zijn geneigd tevreden te zijn wanneer wij slechts een steen voor de ingang van hun schuilplaats rollen en de vijanden daarbinnen laten voortleven. Maar dat is gevaarlijk. Wanneer onze Jozua komt, maakt Hij een einde aan dat gevaarlijke compromis. Hij zegt: “Breng hen naar buiten! Hang hen op in het licht van de zon, want deze vijanden mogen niet blijven leven.”
God helpe ons nooit enige bekende zonde te verdragen. Wij raken maar al te gemakkelijk gewend aan verkeerde gewoonten; maar o, mochten wij de genade ontvangen om ermee te breken. Vergoelijk de zonde niet door haar een “zwakheid” te noemen; noem haar liever een schandelijke zonde en verdrijf haar uit uw leven. Wij geven vaak achteloos toe aan het kwaad; maar, broeders, wij mogen onszelf niet sparen. Wij moeten met alle kracht streven naar volmaakte heiligheid. O, mochten wij de volle rijkdom van deze belofte leren kennen: “Ik zal u reinigen van al uw onreinheden.”
En dan volgt er nog iets: wij zullen ook gereinigd worden “van al onze stinkgoden.” Van nature én in de praktijk zijn wij allen afgodendienaars. De onwedergeboren mens heeft altijd een afgod. Hij aanbidt alles behalve zijn God; ja, hij aanbidt liever zichzelf dan zijn Verlosser. Zelfs een christen kan tot zijn schrik ontdekken dat zijn geliefde Rachel erin geslaagd is de afgoden te verbergen onder de bagage van de kameel, en dat zij er zelf bovenop zit om ze verborgen te houden. Ik ken nauwelijks een afgod die zo moeilijk te ontdekken en uit te roeien is als de afgod die beschermd wordt door een geliefde Rachel.
Maar zo mag het niet blijven, want Hij zal de afgoden volkomen uitroeien. Gods belofte luidt: “Ik zal u reinigen van al uw stinkgoden.” Geliefden, alles wat wij meer liefhebben dan God is een afgod, en daarvan moeten wij gereinigd worden. Dit is geen dreigement, maar een belofte. Het is een grote zegen wanneer onze jaloersmakende afgoden van ons worden weggenomen.
Als u van een kind een afgod maakt, zal dat kind sterven, of er zal iets gebeuren waardoor die afgod een bron van verdriet voor u wordt. Als u uw man te gronde wilt richten, maak hem dan tot een afgod. Als u iemand echt kwaad wilt doen, geef hem dan de plaats die alleen aan Christus toekomt. Maar helaas kunnen wij zelfs nog lagere dingen verafgoden: geld, kleding, eer, aanzien, positie, of zelfs verboden dingen.
Wij zijn zo traag van begrip en zo aardsgezind dat onze liefde gemakkelijk gevangen wordt door tijdelijke zaken. Wat onze afgod ook is, God zegt: “Ik zal u daarvan reinigen.” En daarop mogen wij antwoorden: “De dierbaarste afgod die ik ooit bezat, wat die ook geweest moge zijn — help mij hem van zijn troon te stoten en U alleen te aanbidden.”
Wij willen niet dat ook maar één van onze vroegere meesters weer macht over ons krijgt. Welnu, arme zondaar, ziet u wat de Heere voor u kan doen? Hij kan u bevrijden van uw verleidingen. Hij kan u verlossen van elke zonde die u gevangen houdt. Jezus schenkt vergeving en reiniging in overvloed. Vertrouw erop dat Hij u zal reinigen, en het werk zal zeker volbracht worden.
Vertrouw op Hem die aan het kruis hing om Zijn volk te verlossen, en u zult bevrijd worden. Vertrouw erop dat Hij u volkomen zal heiligen door Zijn Geest, en Hij zal u reinigen totdat elke vlek en elke smet verdwenen is. Het is Zijn werk om Zijn volk van hun zonden te redden. Geloof in Hem, en u zult delen in de overwinning van Zijn verlossing. Moge de Heere Zijn zegen hieraan verbinden, omwille van Jezus!


