Een preek uitgesproken op zondagmorgen 25 maart 1866, door C. H. Spurgeon, in de Metropolitan Tabernacle, Newington
Vreselijk is het te vallen in de handen van de levende God. Hebr. 10:31
Naast deze overwegingen ben ik ertoe gebracht dit onderwerp onder uw aandacht te brengen, omdat de aanvallen die thans op het evangelie worden gedaan, zich vaak richten op de leer van de toekomstige straf. Ooit was het de taak van ongelovigen om de ontzagwekkende straffen van de goddelijke wet te bespotten; maar zij kunnen hun inspanningen nu staken, want bepaalde geestelijken binnen de Kerk van Engeland verrichten dit werk met grote ijver. Ja, er zijn zelfs dissidente predikanten, opvolgers van goede en eerbiedwaardige mannen, die zich nergens meer op hun gemak voelen dan wanneer zij de verschrikkingen van God belachelijk maken.
Tegenwoordig lijkt het binnen bepaalde filosofische stromingen in de mode te zijn om onze God als Rechter te kleineren en in plaats daarvan een vermeend goddelijk vaderschap te verheerlijken — een voorstelling die veeleer voortkomt uit een verzwakte verbeelding en vleselijke fantasieën dan uit de waarheid. Daarom betaamt het de dienaren van de Allerhoogste en Rechtvaardige God om het geloof dat hun is toevertrouwd vrijmoedig te belijden en zich daarvoor niet te schamen, welke laster of tegenstand hun ook ten deel moge vallen.
I. De tekst stelt dat het een vreselijke zaak is om in de handen van de levende God te vallen, en onze eerste opmerking is dat dit ZEKER zo is; zoals we ongetwijfeld uit verschillende overwegingen kunnen opmaken.
1. Voor onboetvaardige zondaars moet het een angstwekkend vooruitzicht zijn om in Gods handen te vallen, wanneer wij ons het karakter van God voor ogen stellen zoals dat in Zijn oordelen uit het verleden is geopenbaard. Nemen wij de Heilige Schrift tot onze leidraad, dan ontmoeten wij daarin een Godsopenbaring die sterk afwijkt van het beeld dat tegenwoordig zo gangbaar is. De God van Abraham, zoals Hij in het Oude Testament wordt geopenbaard, verschilt evenzeer van de universele vaderfiguur uit moderne voorstellingen als van Apollo of Bacchus.
Sta mij toe u eraan te herinneren dat sinds de dag waarop Adam viel, op slechts twee uitzonderingen na, het gehele menselijke geslacht onderworpen is geweest aan ziekte en dood. Wie de gestrengheid wil aanschouwen van Hem die de ganse aarde oordeelt, behoeft slechts te bedenken dat deze wereld in wezen één uitgestrekt graf is geweest.
Mensen spreken hun afkeer uit van Gods gerechtigheid en verwerpen het idee van toekomstige straf met de vraag: “Zou een vader dit of dat met zijn kinderen doen?” Op die vraag is het feit zelf een afdoend antwoord: alle mensen sterven. Zou een vader toelaten dat zijn kinderen wegkwijnen in ziekte en sterven, terwijl het in zijn macht ligt dit te voorkomen? Zeker niet. Aangezien de grote God kennelijk toelaat dat Zijn schepselen veel lijden en zelfs de dood ondergaan, blijkt daaruit dat Hij niet slechts een vader is, maar meer dan dat.
Aan de goddelozen openbaart de HEERE Zichzelf als Rechter, een Rechter Wiens strenge gerechtigheid het ontzagwekkende doodvonnis heeft uitgesproken over ieder mens die uit een vrouw geboren is, met slechts twee uitzonderingen, vanaf de zondeval van Adam tot op de dag van vandaag. Dit is de God van de liefde, maar niet de nieuw bedachte god die louter en alleen liefde is.
Het is niet onze taak om ons een eigen beeld te vormen van hoe God zou moeten zijn, maar om, voor zover wij daartoe in staat zijn, te ontdekken wie God werkelijk is. Laat mij u daarom herinneren aan de zondvloed. Ooit was de wereld dichtbevolkt, en volgens sommigen zelfs talrijker dan de huidige bevolking vanwege de lange levensduur van de mensen (hoewel dat geen cruciaal punt is), en toen de mensheid in zonde was gevallen, vernietigde God alle levende wezens op het aardoppervlak, met uitzondering van acht zielen, die Hij door Zijn soevereiniteit in de ark redde.
Kunt u zich de verschrikkingen voorstellen van die ontzagwekkende dag, toen de bronnen van de grote diepte openbraken en de regen uit de hemel neerstortte? Miljoenen schepselen, zoals wij, werden in één ogenblik weggevaagd. Hoort u hun geschreeuw en wanhoopskreten? Ziet u hen in paniek de bergtoppen beklimmen? Ziet u hoe zij worstelen om te overleven te midden van de allesverzwelgende vloed? Hoort u de laatste sterke zwemmers, strijdend tegen hun einde? Wie voltrekt dit alles? Het is die God die de zonde zozeer haat dat Hij, hoewel Hij oneindige liefde is — en aan die eigenschap doen wij geenszins af — ook oneindige gerechtigheid is, en de schuldige geenszins ongestraft laat.
Denk niet dat Hij, die de wereld aldus met een zondvloed vernietigde, op enig ander moment minder streng zou zijn geweest. Laat mij u het afschuwelijke beeld schetsen van Sodom en Gomorra en de andere steden van de vlakte. Die steden werden bevolkt door mensen die, net als wij, op zoek waren naar vreugde en geluk. Maar zij zochten dat geluk in de zonde, en hun zonde had Gods toorn zo opgewekt dat Hij, nadat Hij die plaats Zelf had bezocht, tot het oordeel overging. O gij die gelooft in een afgezwakte vorm van oppervlakkige barmhartigheid, wendt uw blinde ogen deze kant op, opdat het vuur dat uit de hemel is neergedaald u wellicht een sprankje licht mag schenken. Ziet u de inwoners van die steden terwijl de vurige hagel neerdaalt? Hun geschreeuw is tevergeefs, hun tranen zijn tevergeefs; de brandende regen valt onverbiddelijk, totdat één ontzagwekkende zee van vlammen de hemel vult en alle inwoners van de vlakte worden verteerd door de verschrikkelijke toorn van de Allerhoogste.
Wat denkt u van dit aangrijpende tafereel? En hoe zit het met de woorden van Petrus, die spreekt over God, Die de steden Sodom en Gomorra tot as heeft gemaakt, hen tot vernietiging heeft veroordeeld en hen tot een voorbeeld heeft gesteld voor hen die daarna een goddeloos leven zouden leiden? Tot slot wil ik uw aandacht vestigen op Egypte. U leest het verhaal over de dood van de eerstgeborenen in één enkele nacht, en wellicht vervult dat u niet met afschuw. Maar stel u eens voor dat in één nacht alle eerstgeborenen van een grote stad zouden sterven, hoeveel levens zou dat dan kosten! Zo werd heel Egypte getroffen. En God wist van tevoren dat de bittere weeklacht van het volk tot Hem zou opstijgen; toch nam Hij, die wraak neemt en ontzagwekkend is, de eerstgeborenen, de sterkte van het land, in één nacht weg.
Vergeet de tragedie bij de Rode Zee niet. De farao en zijn legers trokken het midden van de zee in en kwamen daar om. U verheugt zich terecht omdat Israël werd gered, maar hoe ontzagwekkend en verschrikkelijk was het dat Egypte werd vernietigd. De farao en de gehele machtige strijdmacht van Mizraïm werden door de golven verzwolgen, waarbij talloze weduwen en wezen achterbleven. Hoor ik iemand onze God hierom van wreedheid beschuldigen? Waarom eigenlijk niet, als deze nieuwe leer van goddelijke liefde waar zou zijn? Laten zij die de eeuwige Jehova beschuldigen echter op hun hoede zijn. Laten zij strijden tegen hun medemensen, maar niet tegen de ijzeren staf van God. Jehova heeft onze verdediging niet nodig. O ontzagwekkende God! Het doet er weinig toe wat de mens van U denkt, want voor U zijn de bewoners der aarde als sprinkhanen. U doet wat U wilt, en Uw oordelen zijn ondoorgrondelijk.
2. Terwijl wij onze zware taak voortzetten, willen wij uw aandacht nu ernstig richten op de woorden van de Verlosser. Wij geloven dat onze Heere Jezus Christus God in het vlees is, en dat Hij onze God op de tederste wijze openbaart. Juist daarom is het zo opmerkelijk dat geen enkele geïnspireerde prediker in de Schrift zulke aangrijpende woorden over het lot van de verlorenen heeft gesproken als de Heere Jezus Zelf. U kunt de Bijbel van begin tot eind doorzoeken, maar u zult nergens plechtiger en indringender uitspraken vinden dan die van de liefdevolle Jezus.
Welnu, zondaar, opdat u de volle ernst ervan zou voelen, wil ik deze woorden niet vluchtig aanhalen, maar u er langzaam en eerbiedig aan herinneren. Het was diezelfde tedere Verlosser die nog steeds roept: “Komt tot Mij, allen die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven.” Maar het was ook Hij die zei: “Wees niet bevreesd voor hen die het lichaam doden en de ziel niet kunnen doden, maar wees veeleer bevreesd voor Hem Die zowel ziel als lichaam te gronde kan richten in de hel.” (Matt. 10:28).
Lees Mattheüs 13 zelf aandachtig, opdat de woorden des te dieper tot u doordringen: “De Zoon des mensen zal Zijn engelen uitzenden, en zij zullen uit Zijn Koninkrijk verzamelen alle struikelblokken, en hen die de wetteloosheid doen, en zij zullen hen in de vurige oven werpen; daar zal gejammer zijn en tandengeknars.” En in vers 49 herhaalt Hij het: “Zo zal het bij de voleinding van de wereld zijn: de engelen zullen uitgaan en de slechten uit het midden van de rechtvaardigen afzonderen, en zij zullen hen in de vurige oven werpen; daar zal gejammer zijn en tandengeknars.”
In hetzelfde evangelie, hoofdstuk 22 vers 13, klinken opnieuw deze ernstige woorden: “Toen zei de koning tegen de dienaars: Bind hem aan handen en voeten, neem hem mee en werp hem uit in de buitenste duisternis; daar zal gejammer zijn en tandengeknars.” En opnieuw zegt Hij over de onnutte dienaar in Mattheüs 25. Daar vinden wij ook die ontzagwekkende woorden uit vers 41: “Dan zal Hij ook zeggen tegen hen die aan de linkerhand zijn: Ga weg van Mij, vervloekten, in het eeuwige vuur, dat voor de duivel en zijn engelen bestemd is.” En alsof dit nog niet ernstig genoeg is, besluit Jezus Zijn toespraak met de woorden: “En dezen zullen gaan in de eeuwige straf, maar de rechtvaardigen in het eeuwige leven.”
Wie sprak die aangrijpende woorden uit Markus 9:43? Laat hun ernst goed tot u doordringen: “En als uw hand u doet struikelen, hak hem dan af; het is beter voor u verminkt het leven in te gaan dan met twee handen heen te gaan in de hel, in het onuitblusbare vuur, waar hun worm niet sterft en het vuur niet uitgeblust wordt.” Zei Jezus dit slechts één keer? Lees vers 46: “Waar hun worm niet sterft en het vuur niet wordt uitgeblust.” Slechts twee keer dan? Kijk naar vers 48: “waar hun worm niet sterft en het vuur niet uitgeblust wordt.” Drie keer in één toespraak.
Verwijt de prediker niet dat hij hard spreekt. O geliefden, hij verlangt er niet naar streng te zijn, maar verkondigt deze ernstige waarheden met tranen in de ogen. Maar zie op mijn Meester, de Heere Jezus Christus. Sprak Hij hierover in zachte, afgezwakte woorden? Onlangs hebben wij vernomen dat het onblusbare vuur en de onsterfelijke worm middeleeuwse voorstellingen zijn die in deze verlichte tijden moeten worden verworpen. Het was een hofprediker die dit en nog meer suggereerde; maar Iemand die groter is dan hij – die geen weelderige gewaden droeg en niet in koninklijke paleizen woonde – gebruikt dergelijke uitdrukkingen in hun zuivere en onvervalste vorm.
Ik smeek u er niet om te lachen of ze te bespotten, want de lippen die ze uitspraken waren de lippen van Hem die de zielen der mensen liefhad tot in de dood; de lippen van Hem die een tweede maal zal komen om de levenden en de doden te oordelen. Ik smeek u: lach er niet om en drijf er geen spot mee. Want de lippen die deze woorden uitspraken, waren de lippen van Hem die de zielen van mensen liefhad tot in de dood; de lippen van Hem die wederkomen zal om levenden en doden te oordelen.
Mijn opsomming van deze ontzagwekkende oordelen is nog lang niet volledig. Lees bijvoorbeeld Lukas 20:18 en Mattheüs 18:8–9. Maar nog indringender is de gelijkenis van Lazarus en de rijke man. De straf van de rijke man wordt daar allerminst in zachte woorden beschreven. Hij roept: “Vader Abraham, ontferm u over mij en stuur Lazarus naar mij toe en laat hem de top van zijn vinger in het water dopen en mijn tong verkoelen, want ik lijd vreselijk pijn in deze vlam.”
Abraham biedt hem echter geen enkele hoop op bevrijding uit zijn ellende, want hij antwoordt: “En bovendien is er tussen ons en u een grote kloof aangebracht, zodat zij die van hier naar u zouden willen gaan, dat niet kunnen en ook zij niet die vandaar naar ons zouden willen gaan.”
O, wat een aangrijpend beeld — en toch is het Jezus Zelf die het heeft getekend. Hij was het die sprak over een zekere zondaar van wie het beter geweest zou zijn als hij nooit geboren was. Hij sprak ook over anderen voor wie het beter zou zijn geweest als een molensteen om hun hals was gehangen en zij in de diepte van de zee waren geworpen. Hij beschrijft bepaalde zondaars als volkomen verloren, en elders gebruikt Hij deze huiveringwekkende woorden — beeldspraak, zeker, maar toch woorden die doen beven wanneer men ze uitspreekt: “Dan zal de heer van deze slaaf komen op een dag waarop hij hem niet verwacht, en op een uur dat hij niet weet; en hij zal hem in stukken houwen en hem in het lot doen delen van hen die ontrouw zijn” (Luk. 12:46).
Spreek daarom niet meer over zogenaamd grimmige middeleeuwse taal. Dit zijn de woorden van de Meester Zelf. En ik durf te zeggen dat geen enkele schildering van de hel, hoe levendig ook bedoeld om zielen tot bekering te brengen, ooit de aangrijpende ernst heeft bereikt die besloten ligt in de woorden van onze Verlosser, Jezus Christus.
Ik hoop dat u nu inziet dat deze waarschuwingen afkomstig zijn van Hem die volkomen liefdevol, goedertieren en barmhartig is. Juist daarom behoort het tot de hoogste vorm van liefde om mensen te waarschuwen voor hun gevaar en hen ernstig op te roepen te vluchten voor de toekomende toorn. Want: “Vreselijk is het te vallen in de handen van de levende God.”
3. Wij zijn ervan overtuigd dat het vooruitzicht om voor de zonde gestraft te worden buitengewoon ontzagwekkend moet zijn, wanneer wij de verzoening in het licht daarvan bezien. Als christenen geloven wij vast dat het voor de vergeving van menselijke zonden noodzakelijk was dat God Zelf Mens werd, en dat de Zoon van God leed — ja, een onuitsprekelijk zwaar lijden droeg, waaraan de waardigheid van Zijn Persoon een oneindige betekenis gaf. Broeders, als de toorn van God slechts iets onbeduidends zou zijn, dan was er geen Verlosser nodig geweest om ons daarvan te redden. Dan had men deze zaak net zo goed op haar beloop kunnen laten. En als de Verlosser slechts gekomen was om ons van een gering ongemak te bevrijden, waarom wordt Hij dan met zoveel lof verheerlijkt? Waarom zouden hemel en aarde weerklinken van de glorie van Hem die ons slechts van een klein kwaad verlost?
Maar let goed op wat dit betekent. Aangezien het lijden van de Verlosser onvoorstelbaar zwaar was, en aangezien niemand minder dan God Zelf dit lijden voor ons moest dragen, moet het kwaad waarvan wij verlost moesten worden verschrikkelijk groot zijn geweest — ja, zo ernstig dat er geen andere weg tot redding was dan het bloed en sterven van Gods geliefde Zoon. Wie licht denkt over de hel, zal uiteindelijk ook licht denken over het kruis. Wie weinig gewicht toekent aan het lijden van verloren zielen, zal spoedig ook weinig waarde hechten aan de Verlosser die daarvan redt. Moge God ons ervoor bewaren dat in onze tijd een theologie de overhand krijgt die Christus onteert door deze waarheden te verzwakken.
4. Maar nog één punt, en daarmee sluiten wij dit onderwerp af. Het geweten van iedere zondaar zegt hem dat er een oordeel komt. Ik bedoel niet dat het geweten precies aangeeft welke straf dat zal zijn, of hoe lang die zal duren. Maar de feiten tonen ons dat mensen die onboetvaardig hebben geleefd, op hun sterfbed vaak een angst hebben geopenbaard die nauwelijks anders verklaard kan worden dan door de overtuiging dat de schaduw van een verschrikkelijk oordeel over hen viel.
Dit waren niet de “oude vrouwtjes” waarover men soms spottend spreekt. Nee, het waren sterke mannen, ooit even hoogmoedig en spottend als Tom Paine en zijn geestverwanten. Het waren intelligente mensen, scherpe redenaars, die ooit meenden het evangelie te kunnen vernietigen. Maar toen zij stervende waren, verstomde hun grootspraak. Hun verbleekte gezichten en hun angst voor de komende toorn bevestigden juist de waarheid van wat zij eerder ontkenden, en getuigden ervan dat het vreselijk is te vallen in de handen van de levende God.
Ik ben ervan overtuigd dat wij dit diep vanbinnen allemaal beseffen. Ik spreek in ieder geval vanuit mijn eigen geweten. Ik voel dat God geen ware God zou zijn als Hij het kwaad niet strafte. Het zou een verschrikking zijn als er een God bestond die de zonde ongestraft liet. In zekere zin zou het dan beter zijn als Hij helemaal niet bestond. En wanneer er een prediker zou opstaan die mensen vertelt dat God hun zonden niet zal straffen, dan zou zo iemand uit de samenleving geweerd moeten worden vanwege de schadelijke gevolgen van zulke leerstellingen.
Ik moet denken aan die rechter in Amerika tot wie universalisten (of alverzoening) zich wendden met het verzoek hun te helpen een plaats voor hun bijeenkomst te vinden. Nadat hij hun argumenten had aangehoord, antwoordde hij: “Nee, ik kan u niet helpen. Ten eerste geloof ik niet dat uw leer overeenkomt met de Heilige Schrift. En hoewel ik moet erkennen dat ik de Bijbel minder goed ken dan ik zou moeten, meen ik toch dat, als de Schrift eeuwige straf had willen onderwijzen, zij nauwelijks duidelijkere woorden had kunnen gebruiken. Maar bovendien: als uw opvattingen zouden zegevieren en er in het hiernamaals geen hel zou zijn, dan zou er hier op aarde spoedig een hel ontstaan. Want zodra mensen geloven dat zij ongestraft kunnen zondigen, zullen zij zich zonder terughoudendheid aan de zonde overgeven.”
Het morele besef van de mens is nog niet geheel verdwenen, en zolang het er nog is, zal het in min of meer klare bewoordingen verkondigen dat het vreselijk is te vallen in de handen van de levende God.
II. Ik wil u, beste toehoorder, ten tweede met klem verzoeken om uzelf NIET TE BEROVEN VAN HET HEILZAME EFFECT DAT EEN GOEDE BESCHOUWING VAN DEZE LEERSTELLING OP U ZOU HEBBEN.
1. Ontken dit feit niet. En als u het toch wilt ontkennen, wees dan consequent en verwerp de Heilige Schrift in haar geheel. Want als u twijfelt aan de straf in het hiernamaals, moet u noodzakelijkerwijs ook twijfelen aan de goddelijke inspiratie van de Schrift. Het is onmogelijk het ene te verwerpen en het andere vast te houden. Bedrieg uw eigen geweten niet met de gedachte dat de zonde aan het oordeel zal ontkomen. Zelfs als u zichzelf ertoe brengt te twijfelen aan het bestaan van de hel, zal uw twijfel het vuur ervan niet uitdoven. Als er hierna geen hel is, dan ben ik even veilig als u; maar als zij er wél is, waar zult u dan zijn?
Laat ons uitgaan van de meest waarschijnlijke veronderstelling: ik heb twee pijlen op mijn boog, terwijl u er slechts één hebt — en die ene houd ik voor een leugen. O, mijn toehoorders, als ik hier zou staan om u ervan te overtuigen dat er geen gevaar bestaat, dan zou u terecht kunnen vragen: “Waarom spreekt u dan zo ernstig? Waarom deze waarschuwingen, als er niets is om voor te vrezen?” Nee, ik verlang ernaar u ertoe te bewegen te vluchten voor een straf waarvan het bestaan niet lichtvaardig ontkend kan worden.
2. Ten tweede: laat de ernst van deze waarheid niet afzwakken door mensen die de hoop koesteren dat u, hoewel u in het hiernamaals misschien een tijdlang gestraft zult worden, uiteindelijk vernietigd en opgehouden zult bestaan. In de hele natuur is nog nooit iets werkelijk tenietgedaan, en het zou iets geheel nieuws zijn als dat juist met de mens zou gebeuren.
Ik wil hierover vanochtend geen uitvoerige discussie voeren, maar ik smeek u: laat de verschrikkingen van de komende toorn niet minder zwaar wegen door deze gedachte. Want zelfs degenen die dit leren, erkennen nog altijd dat er een beperkte maar uiterst vreselijke straf zal zijn. Ook zij stemmen dus in met de woorden van onze tekst: “Vreselijk is het te vallen in de handen van de levende God.”
Als ik wist dat ik zelfs maar één dag verloren zou zijn, zou ik alles doen om daaraan te ontkomen. Hoe verschrikkelijk moet het dan zijn om duizend jaar onder oordeel te verkeren! Zelfs dan zou het nog waar zijn dat het vreselijk is te vallen in de handen van de levende God.
Toch durf ik u geen hoop op vernietiging voor te houden zolang de Bijbel woorden gebruikt als deze: “En dezen zullen gaan in de eeuwige straf.” Eeuwig! (Matt. 25:46) Hetzelfde woord wordt gebruikt voor het eeuwige leven van de rechtvaardigen. Men zal misschien zeggen dat dit een oud argument is, maar juist daarom gebruik ik het. Laat anderen nieuwigheden bedenken; wij houden vast aan het oude. Want als deze woorden de eeuwigheid van de straf niet leren, dan leren zij evenmin de eeuwigheid van de zaligheid.
Bovendien blijft het altijd straf — voortdurende straf. Als de verlorenen uiteindelijk vernietigd zouden worden, dan zou die vernietiging geen straf meer zijn, maar juist een bevrijding waarnaar men zou verlangen. Dan zou immers alle pijn ophouden. Hoe kunnen zij nog gestraft worden die niet langer bestaan? Maar de Schrift noemt deze straf eeuwig, en eeuwig zal zij zijn.
In 2 Thessalonicenzen 1:7–9 lezen wij dat zulke mensen gestraft zullen worden met een “eeuwig verderf”. Sommigen vatten dat woord “verderf” op als vernietiging, maar let erop: het is een eeuwig verderf. Vernietiging zou in een ogenblik voltooid zijn; dit verderf duurt eeuwig voort. Daarna wordt het ook verklaard als: “weg van het aangezicht van de Heere en van de heerlijkheid van Zijn macht.” Het betekent dus een eeuwige uitsluiting van Gods tegenwoordigheid en van alle hoop.
Ook in Openbaring 20 vinden wij een bijzonder aangrijpende passage. In vers 10 staat: “En de duivel, die hen misleidde, werd in de poel van vuur en zwavel geworpen, waar ook het beest en de valse profeet reeds zijn. En zij zullen dag en nacht gepijnigd worden in alle eeuwigheid.” Ik weet niet wat de woorden “in alle eeuwigheid” anders zouden kunnen betekenen dan precies dat: voor eeuwig.
Sommigen zeggen: “Maar dat gaat over de duivel.” Goed dan — waarom zou men meer medelijden hebben met mensen dan met gevallen engelen? Toch zegt onze Heere Zelf dat dezelfde straf ook de onboetvaardigen zal treffen: “Ga weg van Mij, vervloekten, in het eeuwige vuur, dat voor de duivel en zijn engelen bestemd is.” En aan het einde van Openbaring 20 lezen wij dat allen die niet geschreven stonden in het boek des levens in dezelfde poel des vuurs werden geworpen.
Dat vuur betekent geen vernietiging van het bestaan. In Openbaring 21:8 staat immers dat de “lafhartigen, ongelovigen en alle leugenaars” hun deel zullen hebben in de poel die brandt van vuur en zwavel. Hoe zouden zij daar een deel in kunnen hebben als zij niet meer bestaan? Hun deel daarin hebben — dát wordt de tweede dood genoemd.
Wanneer Jezus spreekt over het helse vuur, zegt Hij niet dat mensen daardoor ophouden te bestaan. Hij zegt: “Daar zal gejammer zijn en tandengeknars.” Niet vernietiging dus, maar tekenen van bewust lijden.
Ik zal nu niet uitgebreid op dit onderwerp ingaan, maar ik kan alleen dit zeggen: als onze Heere en Zijn Heilige Geest wilden dat wij zouden geloven dat er een worm is die nooit sterft en een vuur dat nooit kan worden gedoofd, en ons werkelijk wilden leren dat er een straf voor de zonde bestaat die eeuwig zou duren, dan weet ik niet welke andere woorden daarvoor hadden kunnen worden gebruikt; en ik smeek u, beste vrienden, of u het nu gelooft of niet, neem het zekere voor het onzekere; want zelfs al zou het maar duizend jaar zijn, bedenk eens wat dat zou betekenen.
Het is iets vreselijks om in de handen van de levende God te vallen, zelfs als u er nog aan zou kunnen ontsnappen; maar wanneer dit gepaard gaat met de onweerlegbare zekerheid – en ik weet zeker dat dit zo is – dat u nooit meer aan Gods handen zult ontsnappen, dan vraag ik u: waarom wilt u sterven? Waarom wilt u sterven? Zie naar Jezus en vind het eeuwige leven in Hem. Pas op dat u niet wordt als “dwaalsterren, voor wie de diepste duisternis tot in eeuwigheid bewaard wordt” (Judas 1:13).
3. Sommigen menen dat de verlorenen uiteindelijk niet vernietigd zullen worden, maar hersteld. Toch zijn er in de Schrift geen teksten die, wanneer zij eerlijk en oprecht gelezen worden, zo’n gedachte ondersteunen. Men moet de Bijbel geweld aandoen en de woorden verdraaien voordat zij iets dergelijks lijken te leren.
De Schrift spreekt over het hellevuur niet als een middel tot opvoeding of zuivering, maar als een straf voor de daden die mensen tijdens hun leven hebben bedreven. Zij zullen “met vele slagen” gestraft worden en een rechtvaardige vergelding ontvangen voor hun overtredingen. Wat zou er in het hellevuur zijn dat het hart van een mens kan vernieuwen? Integendeel, hoe meer de verlorenen lijden, des te meer zullen zij God haten. Toen God plagen over de aarde zond, lasterden de mensen Zijn Naam (Openb. 16:9). Dat doen mensen nu al — waarom zouden zij zich dan onder Zijn oordeel ineens bekeren?
Kijk naar Satan. Hij wordt al duizenden jaren gestraft. Ziet u bij hem enig teken van berouw? Is hij minder vijandig geworden? Is hij niet nog steeds als een brullende leeuw die rondgaat op zoek naar wie hij kan verslinden? Zijn toestand laat zien dat straf op zichzelf geen bekering voortbrengt.
En bovendien: als het evangelie van Christus u niet kan redden, wat dan wel? Als de liefde van Christus, geopenbaard in Zijn wonden, uw hart niet tot Hem trekt, denkt u dan werkelijk dat de vlammen van de hel dat zullen doen? O, mijn toehoorders, als u zich niet bekeert onder een evangelie zoals u dat nu hoort verkondigen, waarom zou u zich dan in de toekomende wereld bekeren?
Jezus zegt juist het tegenovergestelde. Hij verklaart dat “wie niet gelooft, veroordeeld zal worden.” Nu leeft u nog te midden van gelovigen; u leeft in een samenleving waar het kwaad tenminste nog enigszins wordt beteugeld. Maar in de hel zijn geen predikers van het evangelie, geen heilige voorbeelden die tot bekering kunnen aansporen. De bewoners van de hel zijn vijanden van God — wat voor school van heiligheid zou dat zijn? Denkt u dan werkelijk dat iemand die dit leven verlaat zonder de vreze Gods, zich daarna alsnog tot Hem zal wenden? Verwerp die gedachte, mijn toehoorder; zij zal u misleiden.
Deze leer heeft in het verleden, vooral in Amerika, veel schade aangericht. Toch was zij zo strijdig met het gezonde morele besef van de mens, dat haar invloed spoedig weer afnam. Want deze dwaling tast uiteindelijk het hart van ware godsvrucht aan. Maar zelfs als zij waar zou zijn, dan nog zijn gelovigen in Christus er niet slechter aan toe dan u. Iemand zei eens tegen een universalist (Alverzoener) met wie hij discussieerde: “Als ik uw godsdienst haat, bespot en verwerp, zal het uiteindelijk toch goed met mij aflopen?” “Ja,” antwoordde de ander. “Wel,” zei de eerste daarop, “zorg dan vooral dat u dat niet met mijn geloof doet, want volgens mij zou u dan verloren zijn.”
Ook treffend is het antwoord van een gemeente die gevraagd werd een prediker van deze leer als voorganger te beroepen. Zij zeiden: “U bent gekomen om ons te vertellen dat er geen hel bestaat. Als uw leer waar is, hebben wij u niet nodig; en als zij niet waar is, willen wij u niet. In beide gevallen kunnen wij dus zonder u.”
Het is een aangrijpend feit dat de Schrift nergens spreekt over een toekomstig herstel van de verlorenen. Integendeel, zij spreekt erover dat voor hen de donkerste duisternis tot in eeuwigheid bewaard blijft.
Abraham zei niet tegen de rijke man: “Mijn zoon, zodra deze zuiverende vuren hun werk hebben gedaan, zult u terugkeren in mijn schoot.” Nee — dat zou voor hem meer geweest zijn dan een druppel water op zijn tong; het zou een overvloedige troost zijn geweest. Maar in plaats daarvan luidde het antwoord: “En boven dit alles, tussen ons en ulieden is een grote kloof gevestigd, zodat degenen die vanhier tot u willen overgaan, niet zouden kunnen, noch ook die daar zijn, vandaar tot ons overkomen.”
De straf die hier beschreven wordt, bestaat daarin dat men valt in de handen van de levende God. Is dat niet een ontzagwekkende gedachte? Mensen spreken soms over het vallen in de handen van de duivel; dat zou inderdaad verschrikkelijk zijn. Maar dit is nog veel ernstiger: vallen in de handen van de levende God.
Wat maakt dat zo angstaanjagend voor de ziel? Laat mij u daaraan herinneren. U, zondaars, voelt zich nu al ongemakkelijk zodra u werkelijk aan God denkt. Maar in de toekomstige toestand zult u niet meer aan die gedachte kunnen ontsnappen. God is nu niet in al uw gedachten — dat is de enige plaats waar Hij ontbreekt — maar eenmaal in de eeuwigheid zult u gedwongen zijn voortdurend aan Hem te denken. Dan zult u de woorden van David verstaan: “Al legde ik mij neer in de hel, zie, U bent daar.”
Die gedachte alleen al zal een bron van kwelling zijn. U zult aan God moeten denken als aan Degene tegenover Wie u ondankbaar bent geweest. U zult omhoogzien en denken: “Daar is de God die mij geschapen heeft, die mij voedsel gaf, mij kleedde, mij door het leven droeg; en als Hij mij kastijdde, deed Hij dat tot mijn welzijn. Toch heb ik Hem nooit gedankt — misschien heb ik zelfs Zijn Naam gelasterd.”
U zult wroeging voelen, al zal het geen waar berouw zijn. U zult zich herinneren hoe Hij u ernstig nodigde om tot Hem te komen, hoe Hij u riep en u weigerde te luisteren, hoe Hij Zijn hand naar u uitstak en u geen acht op Hem sloeg. En wanneer u denkt aan het geluk van hen die Hem liefhadden, zal het besef van wat u verloren hebt uw ellende alleen maar vergroten.
U zult Hem haten — en juist daarin zal uw diepste ellende liggen. De haat van de ziel tegen alles wat goed is, brengt een onbeschrijfelijk lijden voort, vooral wanneer die ziel beseft dat het goede oneindig is, dat het goede overwint en dat het goede in de hemel regeert. De goddelozen zullen hun tanden knarsen wanneer zij zien dat het kwaad ten val wordt gebracht en Gods heerschappij volledig gevestigd wordt. Goddeloze mensen haten God, zowel hier als in het hiernamaals, juist omdat Hij goed is — zoals men vroeger de heiligen haatte omdat zij heilig waren. En zij zullen Hem des te meer haten omdat Hij almachtig is en zij Hem niet kunnen overwinnen of Zijn plannen kunnen dwarsbomen.
Ach, uw zonden zullen het vuur in uw geweten aanwakkeren en als een onsterfelijke worm in uw hart blijven knagen. O vrienden, het is al ellendig om op aarde God te haten; het is al ellendig om te leven onder mensen die God haten. Maar wanneer de zonde eenmaal volledig tot rijpheid gekomen is, zullen geen folterbanken, brandstapels of uiterlijke vlammen meer nodig zijn. De zonde zelf zal haar eigen straf worden. Geen pijn is scherper of verschrikkelijker dan dat. En ondertussen zal de aanwezigheid van God juist de aanleiding zijn waardoor de boze hartstochten, de verbitterde vijandschap en de afschuwelijke opstand van verloren zielen alleen maar heviger worden.
O, wend u tot Hem, want uzelf van Hem afkeren is rampzalig! God liefhebben is de hemel; Hem haten brengt de hel. U bent zo geschapen dat u niet kunt zondigen en tegelijkertijd gelukkig kan zijn. God had het recht u zo te scheppen dat heiligheid en geluk onlosmakelijk verbonden zijn. En Hij had evenzeer het recht u zo te scheppen dat zonde en verdriet hand in hand gaan. Als u de zonde kiest, zult u ook het verdriet moeten dragen dat daarbij hoort. O, keer u ervan af zolang het nog kan. Moge Gods Geest u nu bekeren, voordat u die wereld binnengaat waar geen terugkeer meer mogelijk is, waar de keuze definitief geworden is en de weg vastligt. Zoals een eenmaal afgeschoten pijl onherroepelijk zijn baan volgt, zo zult ook u voortgaan — óf in heiligheid en geluk, óf in zonde en ellende. Want van die weg is geen terugkeer mogelijk.
IV. Ik wil afsluiten met de woorden: als dit zo is, HANDEL ER DAN OOK NAAR.
Zondaar, tenzij u bereid bent te zeggen dat deze tekst een leugen is, zorg er dan voor dat u niet valt in de handen van de levende God. Maar misschien vraagt u: “Hoe kan ik daaraan ontkomen?” Door uzelf nu — in een andere zin — in de handen van de levende God te werpen. Als u bereid bent uw zonde te belijden en te vertrouwen op Hem die God heeft aangewezen als verzoening voor de zonde, dan is er vergeving voor u — ja, er is nu vergeving voor u. Hoe groot uw zonden ook geweest zijn, als u met een gebroken hart zegt: “Ik zal opstaan en naar mijn Vader gaan,” dan is er plaats in Zijn hart, plaats aan de tafel van Zijn genade, en plaats in de hemel voor u. Wie zich tot de levende God wendt, zal zeker leven. Hij zegt: “Belijd uw misdaden en keer terug tot Mij, dan zal Ik u genadig zijn.”
“Gij zondaars, zoek Zijn genade,
Wiens toorn gij niet kunt verdragen;
vlucht tot de schaduw van Zijn kruis,
en u zult verlossing vinden.”
Vertrouw op Christus — dát is de ware weg tot ontkoming. Steun op Hem, en u zult leven.
Wat zou het effect van deze leer op de gelovige moeten zijn? Ik wil dat laten zien aan de hand van de woorden van iemand die juist een afkeer van deze leer heeft. Gisteren las ik in een krant een samenvatting van een preek van een congregationalistische predikant uit Londen. Wat hij zei verbaasde mij niet zozeer — gezien zijn achtergrond — maar bepaalde uitspraken troffen mij toch sterk. Ik zal enkele passages aanhalen.
Hij zei: “Als ik zondag na zondag in deze gebedsplaats zou stilstaan bij de leer dat mensen die zonder berouw leven en sterven, in een toestand van verdoemenis en ellende terechtkomen — als ik dat werkelijk geloofde — hoe zou ik dan niet met u kunnen meevoelen? Hoe zou ik rust kunnen hebben voordat ik ieder van u persoonlijk had aangesproken en gesmeekt na te denken over de verschrikking van uw toestand en de ernst van uw gevaar? Geven wij ons niet over aan allerlei vormen van vermaak? Zoeken wij, wanneer het werk van de dag voorbij is, geen ontspanning in toneel, theater, kaartspel en andere sociale genoegens, enkel om onze gedachten af te leiden van de ernstige werkelijkheden van het leven? Hoe kunt u zich daarmee bezighouden, als u gelooft dat bij elke ademtocht die u neemt een ziel de eeuwige verdoemenis ingaat? Hoe kunt u spelletjes spelen, concerten bezoeken of vermaak zoeken, terwijl talloze mensen verloren gaan? Als u dat kunt, dan bent u als demonen. Als u onbewogen kunt blijven terwijl miljoenen van uw medemensen voor eeuwig verloren gaan, dan verdient u het zelf om verloren te gaan.”
Vervolgens zei hij dat, als wij rustig in comfortabele kerkgebouwen kunnen zitten, bezig kunnen zijn met geld verdienen en verder alleen voor onszelf leven, wij ontrouw zijn aan ons eigen geloof in deze leer. Hij veroordeelde die tegenstrijdigheid krachtig en voegde eraan toe: “Als ik werkelijk in die leer van eeuwige verdoemenis geloofde, zou ik nauwelijks nog in een kerk durven preken. Ik zou naar buiten gaan, de open lucht in, om mensen te waarschuwen dat zij verloren gaan. Als deze leer waar is, dan zou u zich volledig moeten inzetten om zielen van de eeuwige dood te redden. Dan zou u nergens anders meer aan moeten denken. U zou het van de daken moeten verkondigen, werelds vermaak moeten opgeven, niet langer voor geld of gemak leven, maar de hele aarde moeten doortrekken om mensen terug te brengen tot God.”
Toen ik dit las, dacht ik: precies zo zou de leer van het eeuwig oordeel inderdaad op ons moeten inwerken. Juist daarom behoort zij gepredikt en benadrukt te worden. Niemand zou verbaasd zijn geweest als deze predikant de leer vervolgens krachtig had verdedigd, juist omdat zij wereldgelijkvormigheid bestrijdt en ijver, ernst en bewogenheid voor verloren zielen opwekt.
Maar hoe schokkend was het om vervolgens te lezen: “Ik geloof werkelijk dat de leer van de eeuwige verdoemenis een godslastering tegen God is. Ik geloof dat zij de mens moreel ondermijnt en alle menselijke gevoelens aantast. Ik geloof dat zelfs atheïsme beter zou zijn.”
Nadat hij eerst zelf heeft laten zien welke ernst, ijver en zelfverloochening deze leer zou moeten voortbrengen, noemt hij vervolgens atheïsme beter dan een leer die zulke heilige vruchten kan dragen. Zijn eigen woorden vormen het beste antwoord op zijn bewering. Want deze leer is blijkbaar niet zo “demoraliserend” dat zij mensen onverschillig maakt. Integendeel: zij spoort predikanten en toehoorders aan om zielen te winnen, weerhoudt hen van ijdel vermaak, maakt hen los van geldzucht en eigen gemak, en beweegt hen tot ernstig gebed, bewogenheid en oprechte inspanning voor het behoud van anderen.
Ik bid tot God dat zulke leraren tot bezinning mogen komen. En moge de Heilige Geest ons allen trouw maken in onze roeping, zodat wij ons met ernst inzetten om mensen voor Christus te winnen. Want “vreselijk is het te vallen in de handen van de levende God.”


