Gratis online Studiebijbel met Spurgeon-commentaar
De Spurgeon Studiebijbel is een gratis online studiebijbel waarmee u de Bijbel kunt lezen en bestuderen. U vindt hier de Statenvertaling met het commentaar van C.H. Spurgeon, kruisverwijzingen, kanttekeningen, Bijbelse namen, plaatsen en begrippen, Strong-nummers en meer. Ook kunt u per hoofdstuk ontdekken wat de Bijbel zegt over Christus. Zo hebt u niet alleen de Bijbeltekst bij de hand, maar ook allerlei hulpmiddelen om Gods Woord beter te begrijpen. De Studiebijbel is vrij toegankelijk en kan volledig online worden gebruikt, zonder abonnement of aankoop van een boek.
Naast de Bijbeltekst staan verschillende vensters open. Zij zijn niet van één hand, en dat is met opzet. Hieronder staat wie waarvoor verantwoordelijk is. De tekst is de Statenvertaling, de vertaling die de Staten-Generaal in 1618 liet maken en die in 1637 verscheen. Zij is hier onveranderd overgenomen. De kanttekeningen zijn van de Statenvertalers zelf. Dat maakt ze bijzonder: het zijn geen latere verklaringen van buitenaf, maar de aantekeningen van de mannen die de grondtekst vertaalden, geschreven terwijl zij eraan werkten. Waar zij twijfelden, schreven zij het op. Waar een Hebreeuws of Grieks woord meer dan één kant op kon, noemden zij beide. Zo kijkt de lezer mee over de schouder van de vertaler. De hertaling naar hedendaags Nederlands is van Teun van der Plas. De inhoud is daarbij gevolgd, niet vervangen; de bedoeling was het oude Nederlands weg te nemen en niets anders. Deze zijn van Charles Haddon Spurgeon (1834-1892), vertaald in het Nederlands. Zij komen uit zijn Bijbelcommentaar en uit zijn preken en geschriften. Het paneel met de Bijbelverklaring is niet van Spurgeon maar van Karl August Dächsel (1818-1901), wiens verklaring van de hele Bijbel in het Nederlands beschikbaar is. De registers van Bijbelse namen, plaatsen en begrippen gaan terug op oudere naslagwerken, waaronder Easton's Bible Dictionary en de International Standard Bible Encyclopedia. Zij zijn hertaald naar het Nederlands en aangevuld door Teun van der Plas. Dit register is geschreven door Teun van der Plas, op grond van de kanttekeningen en de genoemde bronnen. Bij elke heenwijzing staat aangegeven hoe stevig zij is: of het Nieuwe Testament de plaats zelf op Christus toepast, of dat het om een verantwoorde uitleg of een oude overlevering van de kerk gaat. Wat de Schrift niet zegt, wordt ook niet als haar woord gepresenteerd. Wat hier bij elkaar staat, stond nooit eerder bij elkaar. De kanttekeningen van 1637 en het commentaar van Spurgeon zijn door tweeënhalve eeuw gescheiden, en de een is Nederlands en gereformeerd, de ander Engels en baptistisch; toch lezen zij dezelfde tekst, en juist naast elkaar wordt zichtbaar wat zij delen. Daarbij is alles hertaald in hedendaags Nederlands, is de Statenvertaling zelf ongewijzigd gebleven, en loopt door alle registers heen de vraag waar de Schrift zelf op uitloopt: op Christus. Dat is geen invulling achteraf, maar wat Hij op de Emmausweg zelf deed, beginnende van Mozes en van al de profeten. © Teun van der Plas
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
1
Een psalm van DavidH1732, den knechtH5650 des HEERENH3068, voor den opperzangmeesterH5329.
Een psalm van David, den knecht des HEEREN, voor den opperzangmeester.
KJV
[[To the chief Musician,1
A Psalm of David4
the servant2
of the LORD.]]3
The transgression
of the wicked
saith
within
my heart,
that there is no fear
of God
before his eyes.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
2
De overtredingH6588 des goddelozenH7563 spreektH5002 in het binnensteH7130 van mijn hartH3820: Er is geenH369 vrezeH6343 GodsH430 voor zijn ogenH5869.
De overtreding des goddelozen spreekt in het binnenste van mijn hart: Er is geen vreze Gods voor zijn ogen.
KJV
For he flattereth
himself in his own eyes,10
until his iniquity
be found
to be hateful.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
3
Want hij vleitH2505 zichzelven in zijn ogenH5869, als men zijn ongerechtigheidH5771 bevindtH4672, die te hatenH8130 is.
Want hij vleit zichzelven in zijn ogen, als men zijn ongerechtigheid bevindt, die te haten is.
KJV
The words
of his mouth
are iniquity
and deceit:
he hath left off
to be wise,
and to do good.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
4
De woorden zijns mondsH6310 zijn onrechtH205 en bedrogH4820; hij laat na te verstaanH7919 tot weldoenH3190.
De woorden zijns monds zijn onrecht en bedrog; hij laat na te verstaan tot weldoen.
Ook in dit vers
woordenH1697
KJV
He deviseth
mischief3
upon his bed;
he setteth
himself in a way
that is not good;
he abhorreth
not evil.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
5
Hij bedenktH2803 onrechtH205 op zijn legerH4904; hij steltH3320 zich op een wegH1870, die niet goedH2896 is; het kwaadH7451 verwerptH3988 hij niet.
Hij bedenkt onrecht op zijn leger; hij stelt zich op een weg, die niet goed is; het kwaad verwerpt hij niet.
KJV
Thy mercy,
O LORD,
is in the heavens;
and thy faithfulness
reacheth unto the clouds.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
6
O HEEREH3068! Uw goedertierenheid is tot in de hemelen; Uw waarheidH530 tot de bovenste wolkenH7834 toe.
O HEERE! Uw goedertierenheid is tot in de hemelen; Uw waarheid tot de bovenste wolken toe.
Ook in dit vers
goedertierenheidH2617
hemelenH8064
KJV
Thy righteousness
is like the great
mountains;
thy judgments
are a great
deep:
O LORD,1
thou preservest
man
and beast.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
7
Uw gerechtigheid is als de bergenH2042 GodsH410; Uw oordelenH4941 zijn een groteH7227 afgrondH8415; HEEREH3068! Gij behoudtH3467 mensenH120 en beestenH929.
Uw gerechtigheid is als de bergen Gods; Uw oordelen zijn een grote afgrond; HEERE! Gij behoudt mensen en beesten.
Ook in dit vers
gerechtigheidH6666
KJV
How excellent
is thy lovingkindness,
O God!
therefore the children
of men7
put their trust
under the shadow
of thy wings.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
8
HoeH4100 dierbaarH3368 is Uw goedertierenheidH2617, o GodH430! Dies de mensenkinderenH1121 onder de schaduwH6738 Uwer vleugelenH3671 toevlucht nemen.
Hoe dierbaar is Uw goedertierenheid, o God! Dies de mensenkinderen onder de schaduw Uwer vleugelen toevlucht nemen.
Ook in dit vers
mensenH120
toevlucht nemenH2620
KJV
They shall be abundantly satisfied
with the fatness
of thy house;
and thou shalt make them drink
of the river
of thy pleasures.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
9
Zij worden dronkenH7301 van de vettigheidH1880 Uws huizesH1004; en Gij drenktH8248 hen uit de beekH5158 Uwer wellustenH5730.
Zij worden dronken van de vettigheid Uws huizes; en Gij drenkt hen uit de beek Uwer wellusten.
KJV
For with thee is the fountain
of life:
in thy light
shall we see
light.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
10
WantH3588 bijH5973 U is de fonteinH4726 des levensH2416; in Uw licht zienH7200 wij het licht.
Want bij U is de fontein des levens; in Uw licht zien wij het licht.
Ook in dit vers
lichtH216
lichtH216
KJV
O continue
thy lovingkindness
unto them that know
thee; and thy righteousness
to the upright
in heart.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
11
StrekH4900 Uw goedertierenheidH2617 uit over degenen, die U kennenH3045, en Uw gerechtigheidH6666 over de oprechtenH3477 van hartH3820.
Strek Uw goedertierenheid uit over degenen, die U kennen, en Uw gerechtigheid over de oprechten van hart.
KJV
Let not the foot
of pride
come
against me, and let not the hand
of the wicked
remove
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
12
De voetH7272 der hovaardigenH1346 komeH935 niet over mij, en de handH3027 der goddelozenH7563 doe mij niet omzwervenH5110.
De voet der hovaardigen kome niet over mij, en de hand der goddelozen doe mij niet omzwerven.
KJV
There are the workers
of iniquity
fallen:
they are cast down,
and shall not be able
to rise.
Hieronder staat het vers in de Statenvertaling, met bij elk woord het Strong's-nummer van het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Onderaan ziet u de grondtekst zelf, van rechts naar links, met bij elk woord de betekenissen die de Statenvertalers ervoor gekozen hebben. Zo leest u mee in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
Hier staat het vers in de Statenvertaling, daaronder de King James Version (1769), en onderaan de Hebreeuwse grondtekst met de Strong's-nummers. Elk grondtekstwoord heeft een eigen volgnummer; hetzelfde nummer bij een woord in de King James wijst naar het Hebreeuwse woord dat erachter staat. Zo kunt u vers voor vers meelezen in de grondtaal, ook zonder Hebreeuws te kennen. Een enkel grondtekstwoord draagt geen nummer, doordat de King James daar geen apart woord tegenover stelt. Klik op een nummer voor de woordstudie erachter.
13
AldaarH8033 zijn de werkersH6466 der ongerechtigheidH205 gevallenH5307; zij zijn nedergestotenH1760, en kunnen niet weder opstaanH6965.
Aldaar zijn de werkers der ongerechtigheid gevallen; zij zijn nedergestoten, en kunnen niet weder opstaan.
opperzangmeester
Zie Ps. 4:1 .
Hertaald:
opperzangmeester
Zie Ps. 4:1.
De overtreding
Dat is, als ik het boos en zorgeloos wezen en doen der goddelozen aanmerk en overweeg, zo word ik gedrongen bij mijzelven zo zeker te geloven dat zij geen vrees noch schrik voor God hebben, alsof de goddelozen zulks met ronde woorden zeiden; zo klaar blijkt de goddeloosheid in hunne werken, hetwelk mij wee doet in het binneste van mijn hart.
Hertaald:
De overtreding
Dat is: als ik het goddeloze en zorgeloze bestaan en doen van de goddelozen bekijk en overweeg, dan word ik gedrongen om bij mijzelf even zeker te geloven dat zij geen vrees of schrik voor God hebben, alsof de goddelozen dat met ronde woorden zeiden; zo duidelijk blijkt de goddeloosheid uit hun werken, en dat doet mij pijn diep in mijn hart.
als men
Of, totdat men zijne ongerechtigheid bevindt, [die] te haten, of hatelijk [is]. Dat is, al wordt zijne boosheid gans openbaar en als handtastelijk, zulks dat zij van een ieder gehaat wordt, evenwel behaagt en pluimstrijkt hij zichzelven in het boze en gaat er immer in voort; anders; als hij zijne ongerechtigheid, dat is, zijn boos voornemen] volbrengt, of verkrijgt, die hij behoorde te haten; dat is, als het hem naar zijnen zin gaat, zo dunkt hem dat zijn doen goed is, hoewel hij een afschrik daarvan behoorde te hebben.
Hertaald:
als men
Of: totdat men zijn ongerechtigheid ontdekt, om die te haten, of totdat blijkt dat zij hatelijk is. Dat is: al wordt zijn boosheid volkomen openbaar en als het ware tastbaar, zodat iedereen haar haat, toch behaagt en vleit hij zichzelf in het kwaad en gaat hij er steeds mee door. Anders: als hij zijn ongerechtigheid [dat is: zijn boze voornemen] volbrengt of bereikt, die hij zou moeten haten; dat is: als het naar zijn zin gaat, dan denkt hij dat zijn doen goed is, hoewel hij er een afschuw van zou moeten hebben.
onrecht
Dat is, ondeugdelijk, schadelijk en bedriegelijk, of strekkende tot verdriet, schenderij en bedrog der vromen.
Hertaald:
onrecht
Dat is: ondeugdelijk, schadelijk en bedrieglijk, of gericht op verdriet, schending en bedrog van de vromen.
hij laat
Dat is, hij wil zich van nieumand laten onderwijzen tot enige verbetering zijns levens, hij is vertwijfeld, hardnekkig en ongevoelig.
Hertaald:
hij laat
Dat is: hij wil zich door niemand laten onderwijzen tot enige verbetering van zijn leven; hij is roekeloos, hardnekkig en ongevoelig.
O HEERE
Tegen al het woelen en woeden der goddelozen, mitsgaders zijn hartzeer, dat hij daaruit schepte, troost en verkwikt zich de profeet met betrachting van Gods onbegrijpelijke, ondoorgrondelijke en bestendige goedheid, trouw en gerechtigheid, die Hij bewijst in de regering zo van alles in het algemeen, als van zijn volk in het bijzonder, dat Hij, niettegenstaande der goddelozen vijandschap, overvloediglijk begenadigt en van hunner vijanden rechtvaardigen en eindelijken ondergang verzekert.
Hertaald:
O HEERE
Tegenover al het woelen en woeden van de goddelozen, en ook tegenover het hartzeer dat hij daaruit putte, troost en verkwikt de profeet zich met het overwegen van Gods onbegrijpelijke, ondoorgrondelijke en bestendige goedheid, trouw en gerechtigheid. Die bewijst Hij in Zijn regering over alles in het algemeen en over Zijn volk in het bijzonder, dat Hij ondanks de vijandschap van de goddelozen overvloedig begenadigt en verzekert van de rechtvaardige en uiteindelijke ondergang van hun vijanden.
Gods
Dat is, gelijk de allergrootste en allerhoogste bergen. Zie van deze manier van spreken Gen. 13:10 . De zin is dat Gods gerechtigheid zich alom vertoont, bestendig en vast is, ook ons begrip verre teboven gaande. Zie vs.11.
Hertaald:
Gods
Dat is: als de allergrootste en allerhoogste bergen. Zie over deze manier van spreken Gen. 13:10. De betekenis is dat Gods gerechtigheid zich overal vertoont, bestendig en vast is en ook ons begrip verre te boven gaat. Zie vers 11.
afgrond
Dat is, uw raad en regering, of wijze van doen, die Gij houdt zo in de uitverkorenen en verworpenen, is ondoorgrondelijk. Zie Rom. 11:33 .
Hertaald:
afgrond
Dat is: Uw raad en regering, of de wijze waarop U handelt, zowel bij de uitverkorenen als bij de verworpenen, is ondoorgrondelijk. Zie Rom. 11:33.
mensen
Hebr. mens en beest. Zie Matt. 5:45 ; 1 Tim. 4:10 , en Job 39:1 , enz., Ps. 147:9 .
Hertaald:
mensen
Hebreeuws: mens en beest. Zie Matth. 5:45; 1 Tim. 4:10, en Job 39:1, enzovoort, Ps. 147:9.
schaduw
Zie Ruth 2:12 . en verg. met deze plaats Job 36:11 . met de aantekening.
Hertaald:
schaduw
Zie Ruth 2:12, en vergelijk met deze plaats Job 36:11 met de aantekening.
dronken
Versta hier, de geestelijke spijs en drank der ziel. Zie Jes. 25:6 ; Jes. 65:13 ; Jes. 66:11 . en verg. Ps. 63:6 ; Ps. 65:5 . Jer. 31:12 , Jer. 31:14 ; Jer. 50:19 , idem het Hooglied van Salomo.
Hertaald:
dronken
Versta hier: de geestelijke spijs en drank van de ziel. Zie Jes. 25:6; Jes. 65:13; Jes. 66:11, en vergelijk Ps. 63:6; Ps. 65:5; Jer. 31:12, Jer. 31:14; Jer. 50:19, en ook het Hooglied van Salomo.
levens
Dat is, een levende en altoosdurende fontein, waardoor de ziel geestelijk leeft, overvloediglijk gelaafd, onderhouden en verkwikt wordt. Verg. Joh. 4:14 ; Joh. 7:38-39 ; Jer. 2:13 ; Jer. 17:13 .
Hertaald:
levens
Dat is: een levende en altijddurende bron, waardoor de ziel geestelijk leeft en overvloedig gelaafd, onderhouden en verkwikt wordt. Vergelijk Joh. 4:14; Joh. 7:38-39; Jer. 2:13; Jer. 17:13.
uw licht
Dat is, als Gij ons door uw Heiligen Geest verlicht, en uw vaderlijk aanschijn in den Messias vertoont, dan bekomen wij het rechte verstand van uwe genadewerken en genieten een levenden troost en hartelijke blijdschap. Verg. Job 29:3 . Ps. 4:6-7 ; Ps. 27:1 , met de aantekening, Jes. 9:1 . Jak. 1:17 . idem voor zoveel dit de heerlijkheid des eeuwigen levens mede aangaat; Ps. 16:11 ; Ps. 17:15 . idem Zach. 14:6-7 . Kol. 1:12 . Openb. 21:11 , Openb. 21:23 ; Openb. 22:5 .
Hertaald:
uw licht
Dat is: als U ons door Uw Heilige Geest verlicht en Uw vaderlijk aangezicht in de Messias toont, dan krijgen wij het juiste begrip van Uw genadewerken en genieten wij een levende troost en hartelijke blijdschap. Vergelijk Job 29:3; Ps. 4:6-7; Ps. 27:1 met de aantekening; Jes. 9:1; Jak. 1:17. En voor zover dit ook de heerlijkheid van het eeuwige leven betreft: Ps. 16:11; Ps. 17:15; en ook Zach. 14:6-7; Kol. 1:12; Openb. 21:11, Openb. 21:23; Openb. 22:5.
Strek
Of, ga voort, verleng, vervolg. Verg. Jer. 31:3 .
Hertaald:
Strek
Of: ga voort, verleng, zet voort. Vergelijk Jer. 31:3.
uw gerechtigheid
Die medebrengt dat Gij uwe beloften houdt, die oprecht van harte zijn beschermt, hunne vijanden straft, en alzo alles [niettegenstaande het goddeloze gewoel] in goede richtigheid houdt.
Hertaald:
uw gerechtigheid
Die meebrengt dat U Uw beloften houdt, hen die oprecht van hart zijn beschermt, hun vijanden straft en zo alles [ondanks het goddeloze gewoel] in goede orde houdt.
hovaardigen
Hebr. der hovaardij; dat is, der hovaardigen, [zie Job 35:13 .] die mij onder de voeten zoeken te treden, of den voet mij op den nek te zetten.
Hertaald:
hovaardigen
Hebreeuws: van de hoogmoed; dat is: van de hoogmoedigen [zie Job 35:13], die mij onder de voet proberen te lopen, of mij de voet op de nek te zetten.
omzwerven
Of, verjagen mij niet.
Hertaald:
omzwerven
Of: verjage mij niet.
Aldaar
Te weten, waar zij nu de vromen zochten en meenden neder te vellen; of alsDan. Verg. boven Ps. 14:5 . en de aanteek. aldaar.
Hertaald:
Aldaar
Namelijk: daar waar zij de vromen nu zochten neer te vellen en meenden dat ook te doen; of: dan. Vergelijk hierboven Ps. 14:5 met de aantekening daar. © Hertaling van de kanttekeningen: Teun van der Plas De psalm opent met een scherpe waarneming: "De overtreding des goddelozen spreekt in het binnenste van mijn hart: Er is geen vreze Gods voor zijn ogen" (Ps. 36:2). Van die man staat er dat hij zichzelf vleit in zijn eigen ogen (Ps. 36:3) en dat hij op zijn bed onrecht bedenkt (Ps. 36:5). Dan slaat de psalm om, zonder brug: "O HEERE! Uw goedertierenheid is tot in de hemelen; Uw waarheid tot de bovenste wolken toe" (Ps. 36:6). Er volgen beelden van hoogte en diepte: de bergen Gods en een grote afgrond (Ps. 36:7). Mensen nemen de toevlucht onder de schaduw van Zijn vleugels (Ps. 36:8). En dan het vers dat het geheel draagt: "Want bij U is de fontein des levens; in Uw licht zien wij het licht" (Ps. 36:10). Bijbelse betekenis: De omslag in Ps. 36:6 is de kern van deze psalm. Wie eerst het kwaad heeft aangezien, wordt niet verder geholpen door er langer naar te kijken; de dichter kijkt omhoog en begint te loven. Merk op wat er in Ps. 36:10 over kennis gezegd wordt. Licht wordt niet gezien door beter te kijken maar door in het licht te staan; God wordt gekend uit Hemzelf. Let ook op de tegenstelling met het begin. Van de goddeloze staat er dat hij zichzelf vleit in zijn ogen; hier is het Gods licht dat de ogen opent. Dat verschil loopt door heel de Schrift. Typologie: Johannes zegt hetzelfde over het Woord dat vlees geworden is: "In Hetzelve was het Leven, en het Leven was het Licht der mensen" (Joh. 1:4). Ps. 36:2-12; Joh. 1:4 © Vertaling Easton’s Bible Dictionary en informatieve aanvullingen: Teun van der Plas Het verbond niveau 3 Verantwoorde typologische of heilshistorische verbinding uitwerking De psalm begint bij de goddeloze, en die beschrijving is kil: er is geen vreze Gods voor zijn ogen, hij vleit zichzelf, hij bedenkt op zijn leger ondeugd. En dan, midden in de psalm, wordt de blik opgeheven en verandert alles. Na een koude schets van de mens zonder God volgt een reeks beelden die alle op hoogte en diepte spelen, en die uitkomt bij licht. De omslag is abrupt en wordt niet aangekondigd. Van het bed van de goddeloze gaat het in één regel naar de hemel: “O HEERE! Uw goedertierenheid is tot in de hemelen; Uw waarheid tot de bovenste wolken toe.” Wat er dan volgt is een reeks maten die te groot zijn om te bevatten. Uw gerechtigheid is als de bergen Gods. Uw oordelen zijn een grote afgrond. En dan, midden tussen die onmetelijkheden, één zin die klein en huiselijk is: “HEERE! Gij behoudt mensen en beesten.” Daarna komt het beeld dat het hoogtepunt vormt van die overgang: “Hoe dierbaar is Uw goedertierenheid, o God! Dies de mensenkinderen onder de schaduw Uwer vleugelen toevlucht nemen.” Dat woord goedertierenheid is in het Oude Testament het woord voor Gods trouw aan het verbond, en hier heet die trouw dierbaar — kostbaar, iets waar men niet omheen kan. En de schaduw van de vleugelen is niet zomaar het beeld van een vogel bij haar jongen. Boven de ark stonden twee cherubs met uitgespreide vleugels, en daaronder was de plaats waar het bloed gesprengd werd. Wie onder de vleugelen schuilt, schuilt daar. Dan volgen twee regels waarin het huis van God een tafel wordt: zij worden dronken van de vettigheid Uws huizes, en Gij drenkt hen uit de beek Uwer wellusten. Er wordt niet gezegd dat zij genoeg krijgen; er staat dat zij overvloed hebben. En dan komt de zin die deze psalm beroemd heeft gemaakt: “Want bij U is de fontein des levens; in Uw licht zien wij het licht.” Twee dingen tegelijk. God is de bron van het leven, en Hij is het licht waarin men zien kan. Men ziet niet dóór eigen scherpzinnigheid maar in Zijn licht. Wie het licht wil begrijpen, moet er eerst in staan. Daar loopt de lijn naar het Evangelie langs twee woorden die Christus van Zichzelf gebruikt. Ik ben de opstanding en het leven, zegt Hij, en: “Ik ben het Licht der wereld; die Mij volgt, zal in de duisternis niet wandelen, maar zal het licht des levens hebben.” In dat ene woord — licht des levens — komen de twee helften van dit psalmvers bij elkaar. En Johannes zegt het aan het begin van zijn Evangelie in dezelfde volgorde: in het Woord was het leven, en het leven was het licht der mensen. In het Nieuwe Testament: Johannes 1:4; Johannes 8:12; Johannes 11:25; 2 Korinthe 4:6; Openbaring 22:1 Hoever dit reikt: Het Nieuwe Testament haalt Psalm 36 niet aan. Wat hier gelegd wordt rust op twee begrippen die de psalm zelf naast elkaar zet: de fontein des levens, en het licht waarin men ziet. Daarnaast op de plaatsen waar Christus beide van Zichzelf zegt. Dat Johannes daarbij aan deze psalm dacht, staat er niet. Dat de schaduw der vleugelen ziet op de cherubs boven de ark, is een uitleg van dat beeld en geen uitspraak van de tekst.
Het niveau zegt hoe stevig de verbinding met Christus is. Hoe lager het getal, hoe vaster de grond. Onder elke heenwijzing staat bij "Hoever dit reikt" wat er wél en niet vaststaat.
Een vijfde niveau, de vrije allegorie waarin men Christus in elk detail zoekt, wordt in dit register niet gebruikt. © Teun van der Plas Spurgeon behandelt Gods oordelen — Zijn wijze, liefdevolle beschikkingen over Zijn eigen volk — als een grote afgrond: vaak onpeilbaar voor ons verstand, maar juist daarom veilig vaarwater,… In Uw licht zien wij het licht. Psalm 36:10 Geen enkele tong kan de liefde van Christus werkelijk aan het hart vertellen, totdat Jezus Zelf van binnenuit spreekt.… Bijbels Dagboek, C.H. Spurgeon "Voor Iedere Avond" In Uw licht zien wij het licht Psalm 36:9 Er is geen stem die de liefde van Christus aan het hart… Bijbels Dagboek, C.H. Spurgeon "Voor Iedere Avond" Want bij U is de fontein des levens. Psalm 36:10 Er zijn tijden in ons geestelijk leven, dat menselijke raad of aanwezigheid… 6 O HEERE! Uw goedertierenheid is tot in de hemelen; Uw waarheid tot de bovenste wolken toe. 7 Uw gerechtigheid is als de bergen Gods, Uw oordelen zijn een… 1 Een psalm van David, den knecht des HEEREN, voor den opperzangmeester. 2 De overtreding des goddelozen spreekt in het binnenste van mijn hart: Er is geen vreze Gods… Bijbels Dagboek, C.H. Spurgeon “Voor Iedere Avond” Zij worden dronken van de vettigheid Uws huizes. Psalm 36:9 De Koningin van Scheba was verbaasd over de weelde van Salomo’s… © 2026 Het Spurgeon Archief
Over deze StudieBijbel
De Bijbeltekst
De kanttekeningen
Het commentaar, de citaten en de overdenkingen
De verklaring van Dächsel
Namen, plaatsen en begrippen
Christus in dit hoofdstuk
Waarom deze uitgave bijzonder is
Psalmen 36
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
א
Kruisverwijzingen
Schatkamer van Schriftkennis (Treasury of Scripture Knowledge)
Kanttekeningen
De oorspronkelijke aantekeningen van de Statenvertalers (1637/1657)
Bijbelse Begrippen
Begrippen die in dit hoofdstuk voorkomen
Christus in dit hoofdstuk
Heenwijzingen naar Christus in dit hoofdstuk
In Uw licht zien wij het licht — 36:6-11
Wat betekenen de niveaus?
Verdiepende artikelen
Peilloos diep
Het licht van Christus
Licht van ontdekking, een geschenk van God
De fontein des levens
Psalm 36:6-13
Psalm 36:1-5
De vettigheid Uws huizes


Psalmen 36
Spurgeon heeft geen commentaar gegeven op dit hoofdstuk.
© Nederlandse vertaling: Teun van der Plas
Een Psalm, een leerdicht van David, den knecht des HEREN (Psalm 18: 1 ), voor den opperzangmeester (Psalm 4: 1), behandelende hetzelfde onderwerp als Psalm 12 en 14 (vgl. 2 Samuel 21: 22 ). Werd David tegen het einde van den vorigen Psalm (35: 7) knecht des Heren genoemd, dien de Heere wèl wil doen, op dezelfde wijze wordt hij in het opschrift van den voor ons liggenden Psalm genoemd, en geeft hij in den verderen voortgang te kennen, hoe ook hij van zijne zijde een welgevallen heeft in des Heren wil, dat is in de ere zijns naams en de bevordering van Zijn rijk; want tegenover het gehele wezen en werken der goddelozen, die zich gedragen, of God op aarde niets ware, weet hij heerlijk te zingen en te zeggen, dat God integendeel alles in allen is 2.
I. Vs. 2-5.KruisverwijzingenSpreuken 4:16→Micha 2:1→Jesaja 65:2→Deuteronomium 29:19→Psalmen 49:18→Romeinen 12:9→Psalmen 10:3→Psalmen 55:21→
— De overtreding des goddelozen spreekt in het binnenste van mijn hart: Er is geen vreze Gods voor zijn ogen. Want hij vleit zichzelven in zijn ogen, als men zijn ongerechtigheid bevindt, die te haten is. De woorden zijns monds zijn onrecht en bedrog; hij laat na te verstaan tot weldoen. Hij bedenkt onrecht op zijn leger; hij stelt zich op een weg, die niet goed is; het kwaad verwerpt hij niet.
Op de grootheid en diepte van het menselijk verderf, tot welk ene verharding in de boosheid mensen het brengen kunnen, is vooreerst de blik van den dichter gericht, daar ziet hij goddelozen voor zich, die door de ingevingen van den boze op dezelfde wijze geleid worden, als de vromen onder de tucht en de leiding van Gods Geest staan, die, zonder enige godsvrucht, elke gedachte aan de straffende Goddelijke gerechtigheid in zich verstikt hebben, en in wier mond nu niets dan woorden van boosheid en van bedrog zijn; ten opzichte van hun handelingen veroorloven zij zich alles; geen slechtheid is hun te slecht.
De overtreding des goddelozen spreekt in het binnenste van mijn hart, als ik den goddeloze in zijn leven en werken beschouw, dan zegt ene stem in mijn binnenste, hoe vroom en heilig hij ook schijne: Er is gene vreze Gods voor zijne ogen (Genesis 20: 11). De woorden van den grondtekst zijn, zo als zij daar staan, zeer moeilijk en worden op verschillende wijzen verklaard, waarvan echter gene geheel voldoet. Gemakkelijker zou alles worden, wanneer wij in plaats van van mijn hart van zijn hart lezen, naar welke lezing ook de Septuaginta en Vulgata vertalen: De zin zou dan zijn: “Ingeving der zonde woont bij den goddeloze, in het binnenste van zijn hart; gene godsvrucht is voor zijne ogen.” Daarmee wordt dan gezegd, dat, even als Gods knechten zich door de uitspraken van Zijn Woord en door de ingevingen van Zijnen Geest zich laten regeren, zij geheel en al beheerst en met onweerstaanbare macht gedreven worden tot hetgeen misdadig en boos is. Niet eens houdt hen ene slaafse vrees voor Zijne straffen af, zij leven gerust in hun zonden voort, de ondeugd zelf is hun tot een orakel geworden, dat steeds op nieuw boze plannen en gedachten tot hen brengt. Onze Staten-Overzetters tekenen aan: D.i. als ik te boos en zorgeloos werd en daarom der goddelozen aanmerk en overweeg, zo word ik gedrongen bij mij zelven zo zeker te geloven, dat zij geen vreze noch schrik voor God hebben, alsof de goddelozen zulks met ronde woorden ook zeiden: “zo klaar blijkt de goddeloosheid uit hun werken, hetwelk mij zeer doet in het binnenste van mijn hart.” Ook ons komt het voor, dat we niet met de Septuaginta mijn in zijn hebben te veranderen. Moeilijkheden biedt dan de verklaring van het woord spreekt, dewijl dit op andere plaatsen in de H. Schrift gebruikt wordt (Numeri 34: 3. 2 Samuel 23: 1. Psalm 110: 1), van spreken bij ingeving. Wij vatten het dan ook in dezen zin op, dat de dichter hier zegt, hoe alles, wat hij van den goddeloze ziet, hem doet zeggen, en dit zeggen is zo zeker als een godsspraak, dat er geen vreze Gods is voor zijne ogen.
Want hij vleit zich zelven in zijne ogen, hij beeldt zich zelven allerlei deugden in, en misleidt zich ten opzichte zijner overtredingen, waarvoor hij allerlei vijgenbladeren heeft (Jes. 28: 15), zelfs dan nog gaat hij daarin voort, als men zijne ongerechtigheid bevindt, die te haten is, als het voor ieder duidelijk geworden is, welk ene zonde hij pleegde. Ook hier is de vertaling moeilijk. Letterlijk staat er: Zij, namelijk de ondeugd, vleit hem met hare ogen, om misdaad en haat te vinden, dat is: “de zonde verlokt hem tot daden van geweld en haat.”.
De woorden zijns monds, al wat hij spreekt, zijn onrecht en bedrog; hij laat na te verstaan tot weldoen, verstandig te handelen door goed te doen.
Hij bedenkt onrecht op zijn leger, hoewel de plechtige stilte van den nacht den mens wel tot nadenken en ernst roept (Psalm 4: 5); hij stelt zich op enen weg, die niet goed is, zonder bedenken slaat hij den bozen weg in en veracht hij den weg der waarheid; het kwaad verwerpt hij niet, het geweten is zo toegeschroeid, dat er geen afkeer van enig kwaad meer is. Wie bij het licht van Gods Woord zich zelven leert kennen, en wiens geweten door het Woord van God dagelijks helderder en reiner wordt, zodat hij behagen in gerechtigheid verkrijgt, gelijk dit bij David het geval was, die wordt ook in staat gesteld anderen, die door de ongerechtigheid gevangen zijn, zo in hun listen te ontdekken en te beoordelen, dat zij zich zelven dikwijls niet zo goed kennen, als een kind des lichts het hun zeggen kan.
6.
II. Vs. 6-10.KruisverwijzingenPsalmen 65:4→Psalmen 16:11→Jesaja 25:6→Jeremia 31:12→Psalmen 63:5→Jesaja 58:11→Psalmen 46:4→Job 20:17→
— O HEERE! Uw goedertierenheid is tot in de hemelen; Uw waarheid tot de bovenste wolken toe. Uw gerechtigheid is als de bergen Gods; Uw oordelen zijn een grote afgrond; HEERE! Gij behoudt mensen en beesten. Hoe dierbaar is Uw goedertierenheid, o God! Dies de mensenkinderen onder de schaduw Uwer vleugelen toevlucht nemen. Zij worden dronken van de vettigheid Uws huizes; en Gij drenkt hen uit de beek Uwer wellusten. Want bij U is de fontein des levens; in Uw licht zien wij het licht.
Van het onaangename gezicht der goddelozen wendt zich David tot een ander punt, dat hem aangenaam en vertroostend is. Hij beschouwt nu met grote bewondering den Heere, zijnen God, in de oneindige volheid van Zijne goedheid, trouw en rechtvaardigheid, en legt uit ervaring van zijn eigen hart een welsprekend getuigenis als van het heil en de vreugde, van het leven en het licht, die van Hem uitgaan.
O HEERE! a) Uwe goedertierenheid, gelijk zij zich op aarde openbaart, is tot in de hemelen, wij zien haar, zo ver ons oog kan reiken, Uwe waarheid, Uwe trouw in ‘t vervullen Uwer beloften tot de bovenste wolken toe 1), die ons de diepten des hemels verbergen.
Psalm 57: 11; 108: 5.
De Uitleggers menen, dat David, nadat hij uiteengezet heeft, hoe het bederf en de vijandschap wijd en zijn in de wereld is verspreid, nu de gelegenheid aangrijpt, om in bewondering het ongelooflijk geduld Gods groot te maken, dat Hij niet ophoudt dit menselijk geslacht, met zulk een stroom van ongerechtigheid bedekt, met Zijn gunst en genade te bezoeken. Ik nu vat dit eigenlijk anders op. Namelijk dat de Profeet, wanneer hij over de gruwelijkste goddeloosheid der mensen heeft uitgeweid, opdat hij nu zelf niet, meegesleurd door een aanval van dit verderf, zou ten gronde gaan, weer tot zich zelven komt.
Uwe gerechtigheid, die naar de ene zijde rechtvaardigende in genade, naar de andere zijde wrekende in toorn gezien wordt, die een iegelijk vergeldt naar zijne werken, is als de bergen Gods; zij zijn als die bergen, die van Uwe majesteit en heerlijkheid getuigen, als die kolossen, die gene menselijke macht bewegen kan. Uwe oordelen, wanneer Gij ze ten uitvoer legt, ter vernietiging der bozen, ter redding der rechtvaardigen, zijn een grote afgrond, zijn ene onpeilbare diepte (Rom. 11: 33), ondoordringbaar, zijn als de diepte der wateren onder de aarde, die in zeeën en stromen gezien wordt (Genesis 7: 11, 8: 2); HEERE! Gij behoudt (Jes. 27: 1 ), mensen en beesten, gelijk Gij dat op ‘t sprekendst bij den zondvloed getoond hebt (Genesis 6: 18 vv.). Er is geen mysterie (geheim) in de Christelijke leer, dat moeilijker is om te geloven, dan de eenvoudige waarheid, dat door den chaos van overtreding en ongerechtigheid, van jammer en ellende, waarvan de wereld vervuld is, de geheime draad van gerechtigheid, waarheid en goedheid heengaat. Wat in ‘t bijzonder de waarheid betreft, van welke de zanger spreekt, zo wordt daaronder verstaan de trouw van God in ‘t houden Zijner beloften, en wat is meer geschikt, om door den natuurlijken mens als louter dwaasheid uitgelachen te worden, dan juist dit standvastig vasthouden der vromen aan Gods waarachtigheid te midden van ondervindingen, waarin Gods Woord duizendmaal tot schande schijnt te worden, en te midden van een wereldloop, die toch waarlijk eerder door alle andere machten schijnt geregeerd te worden dan door de tranen en gebeden van een hoopje rampzalige “fijnen.” Wie dan nu toch, gelijk David, terwijl hij vlucht en verbanning, nood en ellende en dood te verwachten heeft, nog van Gods beloften kan zingen: “Uwe goedertierenheid is tot in de hemelen,” die heeft de geloofsproef doorstaan. Wil iemand het bewijs hebben, dat dit geloof met David niet uitgestorven is, die leze het lied van staal en ijzer, dat Johan de Grootmoedige in een niet minder wanhopigen toestand dan dien van David, na den slag bij Mühlberg (1547) gezongen heeft: “Wat God behaagt, behaagt ook mij.”.
Hoe dierbaar is Uwe goedertierenheid, o God! dierbaar boven alle schatten, want zij vult de kloof, die tussen U en den mens bestaat; dies de mensen-kinderen, die niets dan stof en asse zijn (Genesis 18: 27), onder de schaduw Uwer vleugelen toevlucht nemen tegen alle aanvechting en vervolging. De Heere biedt allen, tot wie Hij het Evangelie zendt, verzoening aan door Jezus Christus, aan ieder, die vlucht tot den genadetroon, welke is opgericht in Jezus Christus, welke is God geopenbaard in het vlees.
Zij, die deze gemeenschap genieten en alzo tot Uwe Kerk behoren, worden dronken van de vettigheid Uws huizes, zij verkrijgen de gaven en krachten, de goederen en zegeningen, waarmee Gij in het huis Uwer genade de Uwen ontvangt, en die ze daar ontvangen, genieten bijna boven hun kracht om ze te dragen; en Gij drenkt hen uit de beek Uwer wellusten, zodat zij zijn als de bomen van Eden, die door vier uit ene bron ontspringende wateren bevochtigd werden (Genesis 2: 10 vv.). Delitzsch haalt hier uit ene Joodse Psalmverklaring het voortreffelijke woord aan: “leder rechtvaardige in ‘t bijzonder heeft ene wereld voor zich en een paradijs voor zich.” Zij hebben de vruchten van Eden ten spijze en de rivier van Eden om uit te drinken. De Heere brengt niet alleen tot deze rivier, maar doet ons drinken; hierin zien wij Gods neerbuigende liefde.
Want bij U, den alleen Zalige, den alleen Machtige (1 Tim. 6: 15), is de fontein des levens, uit U stroomt alle leven voort (Jer. 2: 13; 17: 13); in Uw licht zien wij het licht, in de zee van Uw licht verdiept, daar Gij de Vader des lichts zijt (Jak. 1: 17 1.17), worden wij eerst gewaar wat licht is, worden wij door Goddelijke kennis verlicht en van geestelijke vreugde doortrokken; buiten U hebben wij niets dan troosteloosheid en duisternis voor ons. Nicole Malebranche, een leerling Descartes, beroemd als Methaphysicus (geb. 1638 te Parijs, gest. 1715) had deze Spreuk tot de Zijne gekozen. “Als Gij ons door Uwen Heiligen Geest verlicht en Uw Vaderlijk aanschijn in den Messias vertoont, dan verkrijgen wij het rechte verstand van Uwe genadewerken en genieten een levendigen troost en hartelijke blijdschap, vgl. Job 29: 3. Psalm 4: 6, 7 en 27: 1 met Jes. 9: 1. Jak. 1: 17, ook voor zoveel dit de heerlijkheid des levens aangaat Psalm 16: 11; 17: 15. Zach. 14: 6, 7. Kol. 1: 12. Openbaring 21: 11, 23; 22: 5. Licht is de heerlijkheid des levens. Leven in de donkerheid is ellende en meer dood dan leven. De Heere alleen kan natuurlijk, verstandelijk en geestelijk leven schenken; Hij alleen kan het leven helder en heerlijk maken. In geestelijke zaken doet de kennis van God een licht schijnen over alle andere voorwerpen. Wij hebben geen kandelaar nodig om de zon te zien, Wij zien haar door hare eigene stralen en dan zien wij al het andere door hetzelfde schijnsel. Wij zien Jezus niet bij het licht van ons zelven, maar ons zelven in het licht van Jezus. Geen bijzonder verstand van ons leidt tot het ontvangen van het licht des Geestes, integendeel het is dienstig om den geheiligden boom te vernietigen; geheel en alleen door Zijne eigene verlichting, verlicht de Heilige Geest de donkere schuilhoeken van de goddeloosheid onzer harten. IJdel zijn zij, die uitzien naar wetenschap en menselijk verstand; één straal van Gods troon is beter dan de middag-luister van menselijke wijsheid.
Ene fontein staat nooit stil, maar vloeit bij zomer en winter, zo zijn ook de genaden van Christus steeds vloeiende wateren ener levende fontein. Dit water verkwikte de dorstige Israëlieten in de woestijn, want de rotssteen was Christus. Dit water werd gevonden bij den put te Samaria en trok er meer tot zich, dan ene nieuwe wel, die eerst ontsprongen is. Ene wel maakt de landouwen en lusthoven vruchtbaar, waarover zij vloeit; de mensen, in hunnen natuurstaat gezien, zijn gelijk ene dorre aarde, verstorven ten goede en onbekwaam om vruchten te dragen. Maar als de genadewel van boven hen nat maakt, dan schiet de wijnstok edele ranken, dan bloeien de lelies der oprechtheid (Hoogl. 4: 2). Ene wel heeft soms ene genezende kracht in zich, zo is Christus de rechte wel tegen alle krankheden der ziel; Hij is de ware heelmeester, Exodus 15: 26. MATTHEUS. 9: 25. Psalm 103: 3. Het bronwater is zeer klaar, bekwaam om te reinigen, zo is Christus de rechte, reine wel, die nooit door de vuiligheid der zonde verontreinigd is; daarom meent dit water alle onreinheid van zonden weg, en maakt den gewassene sneeuwwit, schoon de zonden bloedrood zijn. (Jes. 1: 8). Ene wel borrelt een verversend en verkoelend water op, dat allen dorst wegneemt; zo schept ook de pelgrim Gods in de dorre woestijn dezer wereld uit de fontein des levens, Jezus, zulke wateren, die zijne matte ziel verkwikken. Als God, de Heere eerst recht Zijn licht in de ziele laat vallen en de ontdekte en bekommerde ziele bij het licht Gods ziet, dat alles vergeven is, dan komt ook zij eerst tot rust, tot blijde dankzegging voor de genotene weldaden. David weet het, dat eerst door het zuivere licht Gods de wolken van donkerheid en duisternis worden verdreven en hij God in Zijn vriendelijk Aangezicht kon zien. 11.
III. Vs. 11-13.KruisverwijzingenPsalmen 1:5→Job 40:11→Daniël 4:37→Psalmen 21:7→Psalmen 119:122→Psalmen 17:8→Psalmen 119:85→Jesaja 51:23→
— Strek Uw goedertierenheid uit over degenen, die U kennen, en Uw gerechtigheid over de oprechten van hart. De voet der hovaardigen kome niet over mij, en de hand der goddelozen doe mij niet omzwerven. Aldaar zijn de werkers der ongerechtigheid gevallen; zij zijn nedergestoten, en kunnen niet weder opstaan.
Op den lof in het tweede en de klacht in het eerste gedeelte, volgt nu gebed en vertrouwen; de zanger brengt de beide zijden der tegenstelling, die bij tot hiertoe slechts eenvoudig tegenover elkaar gesteld heeft, met elkaar in aanraking; hij bidden Heere, dat die zijne goedheid en gerechtigheid aan de Zijnen, en dus ook aan hem late openbaar worden, hem van den trotse en goddeloze redde; reeds ziet hij in den Geest deze bede vervuld en de misdadigers vernietigd.
Strek Uwe goedertierenheid, als enen bedekkenden, beschermenden vleugel (vs. 8 Ruth 3:
uit over degenen, die op grond van een leven in Uwe gemeenschap (Jer. 22: 16. 1 Joh. 2: 3; 4: 8 en Uwe gerechtigheid, volgens welke Gij een ieder geeft, wat hem toe komt (vs. 6), over de oprechten van hart 1), over hen, wier hart naar U gekeerd is (Psalm 33: 1).
Nu wendt David zich tot het gebed. Vooreerst wel eist hij in het algemeen, dat God jegens allen Zijne goedertierenheid uitstrekt. Vervolgens behandelt hij zijne zaak in het bijzonder, de hulpe Gods tegenover zijne vijanden inroepende. Hier wenst hij niet anders, dan dat God Zijn mededogen jegens de vromen ten einde toe voortzet. Hieraan hecht hij de gerechtigheid vast als het gevolg van zaak. Doch wij hebben elders gezegd, dat de gerechtigheid Gods daarin uitblinkt, dat Hij het voor de Zijnen opneemt, hun onschuld in bescherming neemt, hun beledigingen wreekt en onderdrukt, en Zich openbaart als den Getrouwe in het bewerken van hun heil.
Ook hier blijkt het zo duidelijk mogelijk, dat de dichter het alles van den Heere verwacht, dat het licht en de genade Gods alleen tot waarachtige godsvrucht opleidt en dat er alleen, wanneer de genade overheerst, een wandelen is in de wegen des Heren.
De voet der hovaardigen, die in hun goddeloosheid van niets, dan van hoogmoed en onderdrukking weten, kome niet over mij, die mij door Uwe genade, onder Uwe kinderen mag rekenen, en de hand der goddelozen, waarmee zij al te gaarne de vromen en rechtvaardigen aangrijpen, doe mij niet omzwerven, make niet dat ik voor hen moet wijken.
Laat het tegendeel waar zijn; laat van die plaats, waar zij mij onder den voet zoeken te treden, gezegd worden: aldaar zijn de werkers der ongerechtigheid gevallen; zij zijn neergestoten, en kunnen niet weer opstaan. David voorziet reeds in den geest, waartoe het bij de macht van den boze, die ook onder zijne rechtvaardige regering in Israël zich openbaarde, nog met hem zou komen; het is, alsof de gehele opstand van Absalom met al zijne heilloze gevolgen reeds voor zijne ogen staat, hoewel hij, toen hij dezen Psalm dichtte nog in de toekomst was. Maar met het oog op den Heere (vs. 7) ziet hij ook reeds het einde en den afloop dezer gehele toekomstige geschiedenis.
Met dank aan OnlineBijbelverklaring.nl: Dachsel