“…in Uw licht zien wij het licht.”—Psalm 36:10
Geen lippen kunnen het hart de liefde van Christus vertellen, totdat Jezus Zelf in ons spreekt. Alle beschrijvingen blijven vlak en kleurloos, tenzij de Heilige Geest ze met leven en kracht vervult. Zolang onze Immanuel Zichzelf niet in ons openbaart, ziet de ziel Hem niet. Als je de zon wilt zien, ga je dan gewone lampen bij elkaar zoeken om met hun licht naar de zonneschijf te kijken? Nee, een wijs mens weet dat de zon zichzelf moet laten zien, en dat die machtige lamp alleen door haar eigen gloed te zien is. Zo is het ook met Christus. “Zalig zijt gij, Simon, Bar-Jona! want vlees en bloed heeft u dat niet geopenbaard”, zei Hij tegen Petrus. Je kunt mensen op elke manier opvoeden en opleiden, je kunt hun verstand tot het hoogste niveau ontwikkelen, maar niets daarvan kan Christus openbaren. De Geest van God moet met kracht komen en de mens met Zijn vleugels overschaduwen. Dan moet de Heere Jezus Zichzelf laten zien aan het geheiligde oog, in dat verborgen heilige der heiligen, zoals Hij Zich niet laat zien aan de halfblinde mensenkinderen. Christus moet Zijn eigen spiegel zijn. De grote massa van deze wereld met haar troebele ogen ziet niets van de onuitsprekelijke heerlijkheid van Immanuel. Hij staat voor hen zonder gedaante of heerlijkheid, “een wortel uit een dorre aarde”, verworpen door de ijdelen en veracht door de trotsen. Alleen waar de Geest het oog met zalf heeft aangeraakt, het hart met goddelijk leven heeft opgewekt en de ziel heeft leren smaken wat hemels is, alleen daar wordt Hij begrepen. “U dan, die gelooft, is Hij dierbaar”; voor jou is Hij de hoeksteen, de Rots van je behoud, je alles in alles. Maar voor anderen is Hij “een steen des aanstoots, en een rots der ergernis”. Gelukkig zijn zij aan wie onze Heere Zichzelf openbaart, want Zijn belofte aan hen is dat Hij bij hen zal komen wonen. O Jezus, onze Heere, ons hart staat open. Kom binnen en ga nooit meer weg! Toon U nu aan ons! Gun ons een glimp van Uw alles overwinnende bekoorlijkheid.

