Een preek uitgesproken op zaterdagochtend 28 november 1858, door ds. C. H. Spurgeon, in de Music Hall, Royal Surrey Gardens.
Toen nu de ceremoniemeester het water geproefd had, dat wijn geworden was – hij wist niet waar de wijn vandaan kwam, maar de dienaars die het water geschept hadden, wisten het – riep de ceremoniemeester de bruidegom. En hij zei tegen hem: Iedereen zet eerst de goede wijn voor, en wanneer men er goed van gedronken heeft, daarna de mindere; u hebt de goede wijn tot nu bewaard. Joh. 2:9-10
De gastheer van het feest zei meer dan hij van plan was, of beter gezegd: er lag meer waarheid in zijn woorden dan hij zelf besefte. Dit is immers de algemene regel: “Eerst de goede wijn, en wanneer men goed gedronken heeft, daarna het mindere.” Dat is de regel onder de mensen — en hebben niet honderden teleurgestelde harten hierover geklaagd?
Eerst komt de vriendschap: de gladde tong, woorden zachter dan boter; daarna volgt het getrokken zwaard. Ahithofel zette David eerst het vorstelijke gerecht van liefde en vriendelijkheid voor, maar daarna het mindere: hij verliet zijn meester en werd de raadgever van diens opstandige zoon. Judas diende aanvankelijk de schotel van mooie woorden en vriendelijkheid op. De Verlosser at met hem, ging met hem op naar het huis van God en wisselde vriendelijke woorden met hem. Maar daarna kwam de droesem van de wijn: “Wie Mijn brood eet, heeft zich tegen Mij gekeerd.” Judas, de dief, verried zijn Meester en bracht vervolgens “het slechte (het mindere)” voort.
Ook u hebt dit wellicht ervaren bij velen die u als vrienden beschouwde. In de bloeitijd van voorspoed, toen de zon scheen, de vogels zongen en alles mooi, vrolijk en opgewekt was, schonken zij de goede wijn. Maar toen de ijzige vorst kwam, uw bloemen deed bevriezen, de bladeren van de bomen vielen en uw beekjes met ijs bedekt werden, toen brachten zij het slechtste voort: zij verlieten u en sloegen op de vlucht. Zij lieten u alleen in uw uur van nood en leerden u die grote waarheid: “Vervloekt is hij die op mensen vertrouwt en stervelingen tot zijn steun maakt.”
Zo gaat het overal ter wereld – niet alleen met mensen, maar ook met de natuur. Behandelt deze wereld ons immers niet precies op dezelfde manier? In onze jeugd biedt zij ons de beste wijn aan. Dan glinsteren onze ogen en onze oren stemmen zich af op de muziek; dan stroomt het bloed krachtig door onze aderen en klopt onze pols vol levenslust. Maar wacht nog heel even, en dan zal het mindere komen. Dan zullen de wachters van het huis beven, de sterke mannen zullen ineenkrimpen; de molenaars zullen hun werk staken omdat ze zo weinig in aantal zijn, en degenen die door de ramen kijken, zullen in duisternis worden gehuld. De dochters van het lied zullen vernederd worden; de machtigen zullen struikelen, zelfs de kleinste inspanning valt zwaar en het verlangen zal vervagen. De mensen zullen in rouw door de straten lopen.
Eerst is er de overvloeiende beker van de jeugd, daarna het stilstaande water van de ouderdom – tenzij God nogmaals, in die droesem, de stroom van Zijn liefdevolle goedheid en tedere barmhartigheid uitstort, zodat de beker opnieuw overloopt en weer sprankelt van vreugde, hetgeen de christen ten deel valt. O christen, vertrouw niet op mensen; steun niet op de dingen van deze tijd. Want dit blijft de regel van mensen en van de wereld: “Eerst de goede wijn, en wanneer men goed gedronken heeft, daarna het mindere.”
Vanmorgen wil ik u graag kennis laten maken met twee huizen waar feest wordt gevierd. Eerst vraag ik u een blik te werpen achter de deuren van het huis van de duivel. Daar zult u zien dat hij deze regel trouw volgt: hij brengt eerst de goede wijn voort, en wanneer de mensen goed gedronken hebben en hun verstand beneveld is, dan brengt hij het slechtere tevoorschijn.
Nadat ik u heb gevraagd daar met ontzag naar te kijken en de waarschuwing ter harte te nemen, wil ik u vervolgens meenemen naar het feesthuis van onze geliefde Heer en Meester, Jezus Christus. Van Hem kunnen wij zeggen wat de ceremoniemeester tegen de bruidegom sprak: “U hebt de goede wijn tot nu bewaard.” Zijn feesten worden immers steeds beter, nooit slechter; Zijn wijn wordt rijker, Zijn spijzen verfijnder en Zijn gaven kostbaarder dan tevoren. “U hebt de goede wijn tot nu bewaard.”
I. Allereerst moeten wij een waarschuwend blik werpen op HUIS VAN FEESTELIJKHEID DAT SATAN HEEFT GEBOUWD. Want zoals de Wijsheid haar huis heeft gebouwd en haar zeven pilaren heeft uitgehouwen, zo heeft ook de Dwaasheid haar tempel en haar feestzaal, waarheen zij de onoplettenden voortdurend lokt. Kijk eens rond in die feestzaal, en ik zal u vier tafels tonen, met de gasten die eraan zitten. Terwijl u toekijkt, zult u zien hoe de gangen worden opgediend. U zult de wijnbekers zien rondgaan en één voor één geledigd worden. Dan zult u merken dat aan alle vier de tafels dezelfde regel geldt: eerst de goede wijn, en daarna de mindere — ja, meer nog: uiteindelijk datgene wat het slechtst van alles is.
1. Aan de eerste tafel waarvoor ik uw aandacht wil vragen — hoewel ik u smeek daar nooit plaats te nemen of van te drinken — zit de losbandige. Zijn tafel is een vrolijke tafel. Zij is bedekt met een opzichtig karmozijnrood kleed, en alle vaten die erop staan, schitteren helder en verleidelijk. Velen zitten daar aan, maar zij weten niet dat zij gasten van de hel zijn en dat het einde van dit feest zal uitlopen op de diepten van het verderf. Ziet u de grote gastheer van het feest binnenkomen? Een vriendelijke glimlach ligt op zijn gezicht. Zijn kleding is niet zwart; hij draagt een veelkleurig gewaad. Honingzoete woorden liggen op zijn lippen en een verleidelijke glans straalt uit zijn ogen. Hij brengt een beker binnen en zegt: “Kom, jongeman, drink hiervan. Zie hoe het schittert in de beker, hoe verleidelijk het vloeit. Dit is de wijn van het genot.”
Dit is de eerste beker in het feesthuis van Satan. De jongeman neemt de beker aan en proeft voorzichtig van de drank. Eerst slechts een kleine slok; hij wil zich immers beheersen. Hij is niet van plan zich diep aan de wellust over te geven of zich halsoverkop in het verderf te storten. Daar, op de rand van de afgrond, groeit een bloem; hij wil zich slechts even vooroverbuigen om haar te plukken, zonder te vallen. Zo denkt hij tenminste. Hij meent dat hij de beker gemakkelijk weer kan neerzetten zodra hij de smaak geproefd heeft. Maar ach, hoe zoet smaakt zij! Wat doet het zijn bloed tintelen! Wat ben ik dwaas geweest dat ik dit niet eerder heb geproefd, denkt hij. Heeft er ooit zo’n vreugde bestaan? Kan een mens werkelijk zo’n extase ervaren?
Hij drinkt opnieuw — nu dieper. De wijn gloeit in zijn aderen. O, wat voelt hij zich gelukkig! Wat zal hij nu allemaal niet zeggen ter ere van Bacchus, Venus of welke gedaante Beëlzebub ook aanneemt? Wordt hij niet een redenaar die de zonde verdedigt? Alles lijkt mooi en aangenaam; de diepe verdoemenis van de wellust lijkt hem net zo verrukkelijk als de vreugde van de hemel. Hij drinkt, en drinkt opnieuw, totdat zijn hoofd duizelt van de roes van zijn zondige genot. Dit is de eerste gang.
Drink dan, gij dronkaards van Efraïm; zet de kroon van hoogmoed op uw hoofd en noem ons dwazen omdat wij uw beker weigeren. Drink met de hoer en eet met de wellustigen. U mag uzelf wijs achten, maar wij weten dat hierna iets ergers volgt. Want uw wijnstok is de wijnstok van Sodom en van de velden van Gomorra; uw druiven zijn druiven van gal en uw trossen bitter. Uw wijn is het gif van draken en het wrede venijn van adders. Nu staat de sluwe gastheer van het feest op, met een grijns op zijn gezicht. Zijn slachtoffer heeft genoeg gehad van de beste wijn. Hij neemt de beker weg en brengt een andere. Deze schittert niet meer; geen bruisende vreugde parelt aan de oppervlakte. De drank is vlak, saai en smakeloos. Zij heet: de beker van verzadiging.
De man is het genot beu geworden. Net zoals een hond terugkeert naar zijn eigen braaksel, zo keert ook hij terug naar zijn zonde. “Wie verkeert in ellende? Wie heeft rode ogen? Zij die te lang van de wijn blijven drinken.“ Ik spreek nu zowel letterlijk als figuurlijk over wijn. De wijn van de wellust brengt dezelfde doffe blik voort. De losbandige ontdekt spoedig dat elke kringloop van genot eindigt in leegte en verzadiging. “Wat zal ik nu doen?” vraagt hij zich af. “Ik heb iedere denkbare slechtheid bedreven en iedere beker van genot leeggedronken. Geef mij iets nieuws! Ik heb alle theaters bezocht; ik geef nergens meer om. Ik heb ieder denkbaar vermaak geprobeerd. Alles is uitgewerkt. Zelfs vrolijkheid is saai geworden. Wat blijft er nog over?”
Dit is de tweede fase van satans feest: verzadiging — een rusteloze loomheid na de roes van overdaad. Duizenden drinken dagelijks uit deze smakeloze beker. Een nieuwe uitvinding om de tijd te doden, een nieuwe manier om de zonde uit te leven, zou hun als een wonder voorkomen. Als iemand nog diepere afgronden van goddeloosheid kon bedenken, zouden zij hem prijzen omdat hij hun opnieuw prikkeling verschaft. Dat is de tweede gang van de duivel.
En ziet u hoe zij eruit drinken? Sommigen van u nemen er op dit moment zelfs grote slokken van. U bent de uitgeputte paarden van de duivel der wellust, teleurgestelde volgelingen van het dwaallicht van het genot. God weet dat, als u uw hart werkelijk zou openen, u zou moeten zeggen: “Ik heb plezier gezocht, maar geen waar plezier gevonden. Ik heb de cyclus doorlopen, maar ik ben als het blinde paard bij de molen: ik moet keer op keer ronddraaien. Ik ben gebonden aan de zonde, maar ik kan er niet langer van genieten zoals ik dat ooit deed. Haar schoonheid verwelkt als een bloem, als vroege vruchten vóór de zomer.”
Een tijdlang blijft de feestganger ronddobberen in deze bedorven zee van begeerte. Maar dan ontvouwt zich een nieuw tafereel. De gastheer beveelt dat een andere drank wordt ingeschonken. Nu draagt de duivel een zwarte beker. Met ogen die flitsen van hellevuur reikt hij hem aan. Hij zegt: “Drink hiervan.” De man neemt een slok, deinst terug en roept uit: “O God, moet ik zover gaan?” Maar hij móét drinken. Wie de eerste beker heeft gedronken, moet ook de tweede en de derde drinken. Drink — al brandt het als vuur in uw keel! Drink — al voelt het als de lava van de Etna in uw ingewanden! Drink! Want wie zondigt, moet lijden.
Wie in zijn jeugd losbandig leeft, zal verrotting in zijn gebeente dragen en ziekte in zijn lichaam. Wie Gods wetten veracht, zal in zijn eigen vlees de oogst van zijn daden binnenhalen. O, ik zou u verschrikkelijke dingen kunnen vertellen over deze derde gang. Het huis van satan heeft een voorzaal vol schoonheid en verleiding, die het oog behaagt en de zinnen betovert. Maar er is ook een achterkamer — een verborgen vertrek waarvan niemand de volle gruwel kent. Daar werpt hij degenen neer die hij zelf vernietigd heeft. Onder de vloer laaien de vlammen van de hel, en boven de planken voelt men reeds de hitte van die afgrond.
Misschien behoort het eerder tot de taak van een arts dan tot de mijne om alle lichamelijke gevolgen van deze ongerechtigheid te beschrijven. Dat laat ik rusten. Maar laat de losbandige weten dat de armoede die hem treft voortkomt uit zijn verkwisting, en dat het schuldgevoel dat hem verteert geen toeval is dat uit de hemel neerdaalt. Nee — het is de vrucht van zijn eigen zonde. Want wees ervan overtuigd, broeders: de zonde draagt de kiem van ellende in haar schoot, en vroeg of laat brengt zij haar afschuwelijke kind voort. Wie het zaad zaait, moet ook de oogst binnenhalen. Dat is de wet van het huis van de hel: “Eerst de goede wijn, daarna het slechtere.“
Maar de laatste gang moet nog worden opgediend. Komt u nu hierheen, jullie sterke mannen die spotten met deze waarschuwing, die ik u met broederlijke ernst en vanuit een liefdevol hart probeer te geven, ook al klinken mijn woorden misschien hard. Komt en drinkt uit deze laatste beker. De zondaar heeft zichzelf uiteindelijk het graf in gedreven. Zijn hoop en vreugde waren als goud in een zak vol gaten – alles is verdwenen, voorgoed verdwenen. Nu is het einde aangebroken. Zijn zonden achtervolgen hem; zijn overtredingen brengen hem van zijn stuk. Hij zit gevangen als een stier in een net. Hoe zal hij ontsnappen?
Hij sterft aan zijn ziekte en daalt af naar de verdoemenis. Kan de menselijke woordenschat de verschrikkingen beschrijven van die laatste beker, waaruit de losbandigen eeuwig moeten drinken? Kijk erin. U kunt de diepte ervan niet doorgronden, maar luister naar het kolkende geluid: het klinkt als tandenknarsen en het gejammer van wanhopige zielen. Uit die diepten hoor ik een stem opstijgen: “Dezen zullen gaan in de eeuwige straf.” “Want de verbrandingsplaats is al eerder gereedgemaakt. Voor zijn brandstapel is er vuur en hout in overvloed. De adem van de HEERE zal hem aansteken als een zwavelstroom.” Wat zegt u van deze laatste daad van satan?
“Wie onder ons kan verblijven bij een verterend vuur? Wie onder ons kan verblijven bij een eeuwige gloed?” Losbandige, ik smeek u in Gods Naam: sta op van deze tafel! Wees niet zo roekeloos en onbezorgd met deze beker; laat u niet in slaap sussen door de valse vrede waarvan u nu geniet. De dood staat voor de deur, en het verderf zal snel volgen. En jij, die tot nu toe bent beschermd door een zorgzame vader en de waakzaamheid van een liefhebbende moeder — ik smeek je: mijd het huis van zonde en dwaasheid. Laat de ze wijze woorden diep in je hart gegrift staan, en herinner je die in het uur van verleiding: “Houd je weg ver bij haar vandaan en kom niet in de nabijheid van de deur van haar huis, want de lippen van een vreemde vrouw druipen van honingzeem, haar gehemelte is gladder dan olie, maar het laatste van haar is bitter als alsem, scherp als een tweesnijdend zwaard. Haar voeten dalen af naar de dood, haar voetstappen sturen aan op het graf” (Spr. 5:3-5).
2. Ziet u die andere tafel daar, midden in het paleis? Ach, brave en onschuldige zielen, velen van u denken misschien dat u nooit aan het feestmaal van de hel zou deelnemen. Maar ook voor u staat daar een tafel gereed. Zij is bedekt met een smetteloos wit kleed, en al het servies daarop is uiterst schoon en sierlijk. De wijn lijkt niet op de wijn van Gomorra; hij vloeit zacht en aangenaam, als de wijn van de druiven van Eskol. Hij schijnt niet bedwelmend te zijn; hij lijkt op de oude wijn die rechtstreeks uit de druif in de beker werd geperst, zonder dodelijk gif erin vermengd.
Ziet u de mensen die aan deze tafel zitten? Hoe zelfgenoegzaam kijken zij! Vraag het aan de witte duivels die hen bedienen, en zij zullen antwoorden:
“Dit is de tafel van de zelfingenomenen. Daar zit de Farizeeër. U kent hem wellicht: hij draagt zijn gebedsriem (tefillien) tussen zijn ogen, en de zomen van zijn gewaad zijn buitengewoon breed gemaakt. Hij geldt als een van de allerbeste belijders.” “Stil toch,” zegt satan, terwijl hij het gordijn sluit dat de losbandigen aan het oog onttrekt, “maak niet te veel lawaai, anders vermoeden deze keurige huichelaars nog in welk gezelschap zij zich bevinden. Die zelfingenomen mensen zijn evenzeer mijn gasten als de anderen, en ik houd hen net zo stevig in mijn greep.”
Dan verschijnt satan als een engel des lichts. Hij brengt een vergulde beker binnen die sterk lijkt op de kelk van het Heilig Avondmaal. En wat zit er in die beker? Het lijkt bijna de wijn van de Heilige Eucharistie zelf te zijn. Men noemt haar de wijn van zelfgenoegzaamheid, en langs de rand parelen de bubbels van trots. Kijk slechts naar het schuimende oppervlak van die beker: “O God, ik dank U dat ik niet ben zoals de andere mensen: rovers, onrechtvaardigen, overspelers of ook als deze tollenaar.” U kent die beker wel, mijn zelfbedrieglijke toehoorders. O, als u eens wist welk dodelijk gif erin is gemengd.
“Zondigen zoals andere mensen? Nee, dat doet u niet. U hoeft zich niet te onderwerpen aan de gerechtigheid van Christus — waarvoor zou dat nodig zijn? U bent immers net zo goed als uw buren. Als u niet gered zou zijn, vindt u dat u dat eigenlijk wel had moeten zijn. Betaalt u uw schulden niet eerlijk af? Heeft u ooit iemand bestolen? Doet u uw buren niet vaak een plezier? U bent toch zeker net zo goed als ieder ander.”
Ziedaar de eerste beker die de duivel u aanreikt. De goede wijn doet u zwellen van zelfingenomen waardigheid, terwijl de dampen ervan uw hart vullen met vervloekte trots. Ja, ik zie u zitten in die kamer die zo schoon geveegd en zo ordelijk ingericht is. Ik zie de kring van bewonderaars rondom uw tafel staan — zelfs vele kinderen van God die verzuchten: “O, was ik maar half zo goed als hij.” En juist hun nederigheid voedt uw hoogmoed.
Maar wacht nog even, gij gladde huichelaar. Er komt nog een tweede gang. Satan kijkt opnieuw met zelfvoldane glimlach naar zijn gasten, zoals hij eerder keek naar de losbandige feestvierders. “Ach,” zegt hij, “die uitgelaten mensen heb ik bedrogen met de beker van het genot; daarna gaf ik hun de saaie beker van verzadiging. Maar ook u heb ik misleid. U denkt dat alles met u in orde is, maar ik heb u tweemaal bedrogen; ik heb u volkomen voor de gek gehouden.” Dan brengt hij een andere beker binnen — een beker die hij zelf soms met tegenzin uitdeelt. Men noemt haar de beker van ontevredenheid en innerlijke onrust. Velen moeten daarvan drinken nadat zij zich eerst in hun eigen deugdzaamheid hebben verheugd.
Want merkt u niet — u die hoog van uzelf denkt maar geen belangstelling hebt voor Christus — dat wanneer u alleen bent en de rekening van de eeuwigheid probeert op te maken, de cijfers uiteindelijk toch niet kloppen? Dat de balans zich niet zo gemakkelijk in uw voordeel laat doorslaan als u dacht? Hebt u nooit gevoeld dat, juist toen u meende op een vaste rots te staan, de grond onder uw voeten begon te beven? Dan hoorde u de christen met vrijmoedigheid zingen: “Op die grote dag zal ik vrijmoedig staan, wie zal immers beschuldiging tegen mij inbrengen? Door Uw bloed ben ik vrijgesproken van de vreselijke vloek en schande van de zonde.”
U hebt gezegd: “Wel, dat kan ik niet meezingen. Ik ben altijd een trouw kerkganger geweest; jarenlang heb ik geen enkele dienst overgeslagen, maar toch kan ik niet zeggen dat ik een vast en zeker vertrouwen bezit.” Eens koesterde u de hoop van zelfgenoegzaamheid, maar nu is de tweede fase aangebroken en bent u niet langer zo gerust. “Ik ben altijd naar de kerk gegaan,” zegt een ander, “ik ben gedoopt en heb belijdenis gedaan, hoewel ik er nooit toe gebracht ben de Heere waarachtig te kennen. Vroeger dacht ik dat alles goed met mij was, maar nu verlang ik naar iets wat ik niet kan vinden.”
Dan begint het hart te beven. Het blijkt toch niet zo veilig te zijn als men dacht, om op de eigen gerechtigheid te bouwen. Ach, dat is de tweede fase. Wacht nog even — misschien reeds in dit leven, maar zeker in het uur van de dood — en de duivel zal u de derde beker aanreiken: de beker van ontzetting, wanneer u ontdekt dat u verloren bent. Hoe velen, die hun hele leven zelfingenomen hebben geleefd, hebben aan het einde moeten ontdekken dat datgene waarop zij hun hoop hadden gebouwd, hen in de steek liet.
Ik heb gehoord van een leger dat, verslagen in de strijd, probeerde zich ordelijk terug te trekken. Met alle macht vluchtten de soldaten naar een rivier, waarover een brug lag die hun veiligheid moest bieden. Maar toen zij de oever bereikten, klonk plotseling een angstkreet: “De brug is ingestort! De brug is ingestort!” Die waarschuwing kwam te laat. De menigte die van achteren aandrong, duwde degenen vooraan de rivier in, totdat de stroom gevuld was met de lichamen van verdronken mannen.
Zo zal het ook gaan met de zelfingenomen mens. U meende dat er een brug van godsdienstige vormen bestond — dat de doop, de belijdenis en het Heilig Avondmaal de stevige bogen vormden van een brug van goede werken en plichten. Maar wanneer u sterft, zal de kreet klinken: “De brug is ingestort! De brug is ingestort!” Dan zal het te laat zijn om terug te keren. De dood zit u op de hielen en drijft u voort, totdat u ontdekt wat het betekent verloren te gaan, omdat u zo’n grote zaligheid hebt veronachtzaamd en hebt geprobeerd uzelf te redden door uw eigen werken. Dit is de voorlaatste gang.
En uw laatste beker – de slechtste wijn – zal uiteindelijk dezelfde zijn als die van de losbandigen. Hoe rechtvaardig u zichzelf ook meende te zijn: omdat u Christus in hoogmoed hebt afgewezen, zult ook u moeten drinken uit de beker van Gods toorn, de beker gevuld met schrik en oordeel. De goddelozen der aarde zullen de droesem eruit persen en drinken – en ook u zult eruit moeten drinken, net zo diep als zij. O, wees op tijd gewaarschuwd! Werp uw trotse houding af en vernedert u onder de machtige hand van God. Geloof in de Heere Jezus Christus, en u zult gered worden.
3. Sommigen onder u zijn tot nu toe aan de zweep ontsnapt, maar er is nog een derde tafel, waaraan zeer eerbare gasten plaatsnemen. Ik vermoed zelfs dat aan deze tafel meer prinsen en koningen, burgemeesters en bestuurders, en grote kooplieden hebben gezeten dan aan welke andere ook. Men noemt haar de tafel van de wereldgezindheid.
“Hm,” zegt iemand, “ik heb een afkeer van die losbandigheid. Daar zit mijn oudste zoon; ik heb mijn hele leven hard gewerkt om geld bijeen te brengen, en nu verkwist die jongen alles. Hij houdt zich helemaal niet bezig met zakelijke aangelegenheden; hij is een echte losbol geworden. Ik ben blij dat de predikant daar zo scherp tegen sprak. Maar wat mij betreft — die zelfingenomen godsdienstige mensen interesseren mij niet. Religie zegt mij weinig. Ik wil weten of de koersen stijgen of dalen, en of er een goede koop te doen is; dáár houd ik mij mee bezig.”
Ach, wereldling, ik heb gelezen over een vriend van u, een man die gekleed ging in purper en fijn linnen en iedere dag weelderig leefde. Weet u wat zijn einde was? U zou het moeten weten, want hetzelfde einde wacht u. Het einde van zijn feestmaal zal ook het einde van het uwe zijn. Als deze wereld uw god is, zult u uiteindelijk ontdekken dat uw weg bitterheid voortbrengt. Kijk eens naar de tafel van de wereldse mens — de man die uitsluitend leeft voor winst. Satan brengt hem een overvolle beker. “Luister,“ zegt hij, „jonge man, je staat nog maar aan het begin van je carrière. Trek je niets aan van ouderwetse ideeën over eerlijkheid of godsdienstige voorschriften. Word zo snel mogelijk rijk. Verdien geld – verdien veel geld! Als je het op een eerlijke manier kunt verdienen, doe dat dan, maar als dat niet lukt, zorg dan dat je het op een andere manier voor elkaar krijgt.“
Zo spreekt de duivel, terwijl hij zijn beker neerzet. “Hier,” zegt hij, “proef deze schuimende drank.” “Ja,” antwoordt de jongeman, “dit is het leven! Mijn verwachtingen worden werkelijkheid.” Dat is de eerste en beste wijn van het feestmaal van de werelds mens. Velen onder u zijn geneigd zo iemand te benijden. “Ach,” zegt iemand, “had ik maar zulke vooruitzichten in zaken. Ik ben lang niet zo scherpzinnig als hij. Ik zou niet kunnen handelen zoals hij handelt; mijn geweten zou het mij niet toestaan. Maar wat wordt hij snel rijk! O, kon ik maar zo voorspoedig zijn!”
Wacht nog even, mijn broeder; oordeel niet vóór de tijd. Er komt nog een tweede gang: de zware, misselijkmakende beker van zorg. De man bezit rijkdom, maar “wie rijk willen worden, vallen in verzoeking en in een strik.” Rijkdom die verkeerd verkregen, verkeerd gebruikt of krampachtig opgepot wordt, brengt een kanker voort — niet in het goud of zilver, maar in het hart van de mens. En een aangetast hart is een van de vreselijkste dingen die iemand kan bezitten. Kijk slechts naar die geldzuchtige man en zie hoe de zorg op hem drukt.
Vlak bij de poort van zijn huis woont een arme oude vrouw. Ze krijgt nauwelijks genoeg om van te leven, maar ze zegt: “Dankuwel Heere, ik heb genoeg.“ Zij maakt zich geen zorgen over morgen, noch over haar dood of begrafenis. Zij slaapt vredig op het kussen van tevredenheid en geloof. Maar daar staat daarentegen die arme rijke man, met al zijn overvloed, en toch is hij ellendig omdat hij onderweg een muntstuk kwijtgeraakt is, of omdat hij gedwongen werd iets aan een goed doel te geven, of omdat zijn jas sneller verslijt dan hij zou willen.
Daarna komt de volgende beker: hebzucht. Velen hebben daarvan moeten drinken; moge God ons ervoor bewaren. Een bekende Amerikaanse predikant zei eens: “Hebzucht brengt ellende voort. Het zien van huizen die mooier zijn dan de onze, kleding die boven onze stand uitgaat, kostbare sieraden, statige rijtuigen en zeldzame bezittingen — dit alles broedt de slangeneieren van begeerte uit. Het kwelt de arme, die rijk wil zijn, en de rijke, die nóg rijker wil worden. De hebzuchtige mens hunkert naar vreugde, maar vindt verdriet in de vreugde van anderen, omdat hun geluk niet het zijne is. God verafschuwt zo’n hart; Hij beschouwt het als een hol vol onreine vogels en kronkelende reptielen. Voor de hebzuchtige mens wordt het leven een nachtmerrie.”
Zodra iemand door hebzucht wordt verteerd, betekent alles wat hij bezit niets meer voor hem. De roep is altijd: „Meer! Meer! Meer!“ Net zoals iemand die door koorts wordt gekweld blijft smeken: “Drinken! Drinken!“ – ook al wordt zijn dorst alleen maar erger als hij te drinken krijgt – zo roept de hebzuchtige voortdurend: “Geef! Geef!“ Gierigheid is een razende waanzin die de hele wereld wil bezitten en toch nooit tevreden is met wat zij al heeft. Velen zijn het slachtoffer geworden van deze vloek. Sommigen stierven met hun geldbuidel nog in hun handen en een uitdrukking van ellende op hun gezicht, omdat zij hun rijkdom niet mee konden nemen naar het graf en er niets van konden meenemen naar de eeuwigheid.
Dan volgt de laatste gang. Oude predikers als Baxter schilderden de vrek vaak af midden in de hel, waar demonen hem gesmolten goud in de keel goten terwijl zij spotten: “Daar hebt u nu wat u begeerde! Drink! Drink!” Ik zal zulke aangrijpende beelden niet verder uitwerken, maar dit weet ik wel: wie alleen voor zichzelf leeft, zal verloren gaan. Wie zijn hart op aardse zaken richt, heeft niet diep genoeg gegraven. Hij bouwt zijn huis op zand; en wanneer de regen valt en de vloed komt, zal het instorten – en groot zal zijn val zijn. Eerst komt de beste wijn: de gerespecteerde man, door allen geëerd. Maar dan komt het ergste, wanneer gierigheid zijn rijkdom verslindt en hebzucht zijn geest vertroebelt. En dat einde zal zeker komen voor een ieder die zich overgeeft aan wereldsheid.
4. De vierde tafel staat in een afgelegen hoek, diep verborgen in een besloten vertrek van satans paleis. Daar is de tafel gedekt voor de geheime zondaars, en ook daar geldt dezelfde oude regel. Aan die tafel zie ik vandaag een jonge man zitten, alleen in een verduisterde kamer. Satan zelf bedient hem en beweegt zich zo geruisloos dat niemand hem zou horen binnenkomen. Hij brengt de eerste beker aan — en o, hoe zoet is die! Het is de beker van de geheime zonde. “Gestolen water is zoet, en in het geheim genuttigd brood is aangenaam.” Hoe verleidelijk smaakt die verborgen zonde, in stilte genoten! Heeft ooit iets zo verrukkelijk onder de tong gerold? Dat is de eerste beker.
Maar daarna brengt satan een tweede: de wijn van een onrustig geweten. Nu worden de ogen van de man geopend. Hij roept uit: “Wat heb ik gedaan? Wat heb ik gedaan?” Zoals Achan klaagt hij: “In die eerste beker zag ik een goudstaaf glinsteren en een prachtig Babylonisch kleed. Ik dacht: ‘Dat moet ik hebben.’ Maar nu vraag ik mij af: hoe zal ik het verbergen? Waar kan ik het wegstoppen? Ik moet graven — ja, ik moet dieper graven dan het graf zelf om het verborgen te houden, want vroeg of laat zal het ontdekt worden.”
Dan brengt de grimmige gastheer een grote schaal binnen, gevuld met een donker en bitter mengsel. De geheime zondaar drinkt ervan en wordt verteerd door angst. Hij vreest dat zijn zonde aan het licht zal komen. Er is geen rust meer voor hem, geen vrede, geen geluk. Zijn hart wordt beheerst door voortdurende onrust en angst voor ontdekking. ’s Nachts droomt hij dat iemand hem achtervolgt. Hij hoort een stem in zijn oor fluisteren: “Ik weet alles. Ik zal het bekendmaken.” Hij vreest dat de zonde die hij verborgen hield openbaar zal worden. Zijn vader zal het weten, zijn moeder zal het weten. Misschien zal zelfs een arts het verschrikkelijke geheim onthullen. Voor zo iemand bestaat geen rust meer.
Hij leeft voortdurend in vrees, als een schuldenaar die bang is door deurwaarders gegrepen te worden. Ik las eens over zo’n man: toen zijn mouw op een dag aan een hek bleef haken, riep hij verschrikt: “Laat me los! Ik zal morgen betalen!” Hij dacht dat iemand hem had vastgegrepen. Zo leeft de mens die zich overgeeft aan verborgen ongerechtigheid. Hij vindt nergens rust voor de zool van zijn voet, omdat hij voortdurend vreest ontmaskerd te worden. En uiteindelijk komt de ontdekking. Dat is de laatste beker. Vaak gebeurt dat reeds in dit leven. Wees ervan overtuigd: uw zonde zal u vinden en openbaar maken.
Wat een aangrijpende taferelen spelen zich soms af in rechtszalen, waar mensen die laatste zwarte beker van ontmaskering moeten drinken. De man die godsdienstige bijeenkomsten leidde, de man die als een heilige werd bewonderd, wordt eindelijk onthuld voor wat hij werkelijk is. En wat zegt de rechter? Wat zegt de wereld? Hij wordt overal tot spot, schande en verachting. Maar stel dat iemand zo sluw zou zijn dat hij zijn hele leven onontdekt bleef — hoewel dat bijna onmogelijk lijkt — wat een beker wacht hem dan wanneer hij uiteindelijk voor Gods rechterstoel verschijnt! “Breng hem naar voren!” klinkt het dan. “Bewaker van de kerker der hel, leid de gevangene voor!”
Daar staat hij. De gehele wereld is verzameld. “Sta op, meneer,” wordt gezegd, “hebt u zich niet als gelovige voorgedaan? Dacht niet iedereen dat u een heilige was?” Hij staat sprakeloos. En uit de ontelbare menigte klinkt het: “Ja, dat dachten wij inderdaad.” Dan wordt het boek geopend. Zijn daden worden voorgelezen — overtreding na overtreding, zonde na zonde. Alles wordt openbaar gemaakt. Hoort u dat gesis van verontwaardiging? De rechtvaardigen verheffen hun stem tegen degene die hen misleidde en onder hen leefde als een wolf in schaapskleren. O, wat moet het verschrikkelijk zijn om de verachting van het gehele universum te dragen!
De rechtvaardigen kunnen de minachting van de goddelozen verdragen. Maar voor de goddelozen zal het dragen van de eeuwige schande en verachting, die de heilige verontwaardiging van de rechtvaardigen over hen uitstort, een van de vreselijkste onderdelen van hun straf zijn — naast de eeuwige toorn van de Allerhoogste. En dát is de laatste beker van het verschrikkelijke feestmaal van de duivel, waarvan de geheime zondaar voor eeuwig zal moeten drinken.
Ik wil nu even pauzeren — alleen om nieuwe kracht te verzamelen en u dringend te smeken dat niets van wat ik gezegd heb, voor zover het persoonlijk op u van toepassing is, vergeten wordt. Ik smeek u, mannen en broeders: als u nu nog eet van het vette en drinkt van het zoete van Satans feestmaal, sta dan stil en vraag uzelf af: wat zal het einde zijn? “Wie in zijn eigen vlees zaait, zal uit het vlees verderf oogsten; maar wie in de Geest zaait, zal uit de Geest het eeuwige leven oogsten.” Ik kan hier nu niet langer bij stilstaan.
II. Vergeef mij echter dat ik nog slechts enkele minuten van uw tijd in beslag neem om u mee te nemen naar het HUIS VAN DE VERLOSSER, waar Hij Zijn geliefden een feestmaal aanbiedt.
Kom en neem plaats aan de tafel van Christus, waar de uiterlijke zegeningen worden uitgedeeld. Hij laat Zijn kinderen niet feestvieren op de wijze van de vorst der duisternis, want de eerste beker die Christus hun aanbiedt, is maar al te vaak een beker van bitterheid. Daar zijn Zijn geliefde kinderen, Zijn verlosten, die slechts weinig troost kennen. Jezus reikt hun de beker van armoede en verdrukking aan en laat hen daaruit drinken, totdat zij zeggen: “U hebt mij dronken gemaakt van alsem en mij vervuld met bitterheid.” Zo begint Christus: eerst de slechtste wijn.
Wanneer een sergeant een jonge rekruut aanneemt, geeft hij hem eerst een shilling, waarna de mars en de strijd volgen. Maar Christus neemt Zijn rekruten niet op die manier aan. Zij moeten eerst de kosten berekenen, opdat zij niet beginnen te bouwen en niet in staat zijn het werk te voltooien. Hij wil geen discipelen die verblind zijn door een eerste indruk. Daarom begint Hij streng met hen, en velen van Zijn kinderen hebben ervaren dat de eerste gang aan de tafel van de Verlosser bestond uit verdrukking, verdriet, armoede en gebrek.
In vroegere tijden, toen de besten van Gods volk aan tafel zaten, diende Hij hun het bitterste toe. Zij zwierven rond in schapen- en geitenvellen, berooid, verdrukt en mishandeld — mensen van wie de wereld niet waardig was — en zij dronken lange tijd uit die bittere bekers. Maar daarna bracht Hij hun zoetere bekers. Ook u die verdrukt bent geweest, hebt dat ervaren. Na de beker van verdrukking komt de beker van vertroosting, en o, hoe zoet is die! Deze lippen hebben ervan mogen drinken na ziekte en pijn, en ik kan getuigen dat ik tegen mijn Meester zei: “Gij hebt de beste wijn tot nu toe bewaard.” Die wijn was zo verrukkelijk dat de smaak ervan alle bitterheid van het verdriet uitwiste, zodat ik kon zeggen: “Waarlijk, de bitterheid van deze ziekte is voorbij, want de Heere heeft Zich aan mij geopenbaard en mij Zijn beste wijn geschonken.”
Maar geliefden, de beste wijn komt als laatste. Zo zal Gods volk het ook uiterlijk ervaren. De arme heilige komt te sterven. De Meester gaf hem de beker van armoede, maar daaruit zal hij niet meer drinken; nu is hij rijk in alle gelukzaligheid. Hij heeft de beker van ziekte gehad, maar die hoeft hij niet meer te drinken. Hij heeft de beker van vervolging gekend, maar nu is hij verheerlijkt met zijn Meester en mag hij met Hem op Zijn troon zitten. Zo zijn de beste dingen uiteindelijk voor hem bewaard gebleven.
Er waren eens twee martelaren die in Stratford-le-Bow werden verbrand: de één was kreupel, de ander blind. Toen zij aan de brandstapel werden vastgebonden, wierp de kreupele zijn kruk weg en zei tegen de ander: “Houd moed, broeder; dit is het scherpe medicijn dat ons zal genezen. Binnen een uur zal ik niet meer kreupel zijn en zult u niet meer blind zijn.” Nee, de beste dingen moesten nog komen.
Vaak heb ik gedacht dat het kind van God veel lijkt op de kruisvaarders. Zij begonnen hun reis en moesten zich een weg banen door ontelbare vijanden en talloze gevaren. Misschien herinnert u zich uit de geschiedenis dat, toen de legers van de hertog van Bouillon Jeruzalem in zicht kregen, zij van hun paarden sprongen, in hun handen klapten en uitriepen: “Jeruzalem! Jeruzalem! Jeruzalem!” Zij vergaten hun inspanningen, hun vermoeidheid en al hun wonden, want Jeruzalem lag voor hun ogen. Zo zal ook de heilige uiteindelijk uitroepen: “Jeruzalem! Jeruzalem!”, wanneer alle verdriet, armoede en ziekte voorbij zijn en hij gezegend wordt met onsterfelijkheid. De bittere wijn wordt weggenomen en de beste wijn tevoorschijn gehaald, terwijl de heilige zichzelf voor eeuwig verheerlijkt ziet met Christus Jezus.
En nu gaan wij zitten aan de tafel van de innerlijke ervaring. De eerste beker die Christus Zijn kinderen daar aanreikt, is zo bitter dat geen tong haar ten volle kan beschrijven: het is de beker van de overtuiging van zonde. Het is een donkere beker, gevuld met diepe bitterheid. De apostel Paulus dronk er eens van, en de kracht ervan maakte hem drie dagen blind. De overtuiging van zijn zonde overweldigde hem zozeer dat hij zich alleen nog kon wijden aan vasten en gebed, totdat hij van de volgende beker dronk en de schubben van zijn ogen vielen.
Ook ik heb ervan gedronken, kinderen van God, en ik dacht dat Jezus hard voor mij was. Maar kort daarna bracht Hij mij een zoetere beker: de beker van Zijn vergevende liefde, gevuld met het rijke karmozijn van Zijn kostbare bloed. O, de smaak van die wijn ligt nog altijd op mijn lippen; zij is als de wijn van Libanon, die lang haar geur behoudt.
Herinnert u zich niet hoe Jezus, nadat u de beker van verdriet had gedronken, tot u kwam, Zijn handen en Zijn zijde toonde en zei: “Zondaar, Ik ben voor u gestorven en heb Mijzelf voor u gegeven; geloof in Mij”? Herinnert u zich niet hoe u geloofde, eerst voorzichtig van de beker nipte en daarna dieper dronk, totdat u uitriep: “Gezegend zij de Naam van God, van nu aan tot in eeuwigheid! Laat de hele aarde ‘Amen’ zeggen, want Hij heeft de koperen poorten verbroken, de ijzeren grendels doorgeslagen en de gevangenen vrijgelaten”?
Sindsdien heeft de heerlijke Meester tot u gezegd: “Vriend, kom hogerop!” Hij heeft u geleid naar de hoogste plaatsen en u steeds zoetere dingen geschonken. Vandaag zal ik u niet vertellen van alle wijnen die u reeds hebt gedronken. De bruid uit het Hooglied kan het tekort van mijn preek aanvullen. Zij dronk van de gekruide wijn van zijn granaatappels, en ook u hebt daarvan gedronken in die verheven ogenblikken van gemeenschap met de Vader en met Zijn Zoon, Jezus Christus.
Maar wacht nog even: Hij heeft de beste wijn nog bewaard. Spoedig zult u de oevers van de Jordaan naderen en beginnen te drinken van de oude wijn van het Koninkrijk, die sinds de grondlegging van de wereld bewaard is gebleven. De oogst van het lijden van de Verlosser, de vrucht van Getsemane, zal dan voor u worden geopend. U bent het land Beulah binnengegaan en begint de volle smaak te proeven van de wijnen op de goed gezuiverde droesem.
U weet hoe Bunyan de streek beschrijft die grenst aan het dal van de dood: een land waar melk en honing vloeien, waar engelen dikwijls komen om de heiligen te bezoeken en bundels mirre meebrengen uit het land der specerijen. En dan is de grote stap gezet. De Heere sluit uw ogen met Zijn hand en kust uw ziel. Waar bent u nu? In een zee van liefde, leven, gelukzaligheid en onsterfelijkheid.
“O Jezus, Jezus, Jezus, U hebt werkelijk de beste wijn tot nu toe bewaard! Mijn Meester, ik heb U gezien op de sabbat, maar dit is een eeuwige sabbat. Ik heb U ontmoet in de gemeente, maar dit is een gemeente die nooit uiteen zal gaan. O mijn Meester, ik heb de beloften gezien, maar dit is de vervulling. Ik heb U geprezen voor Uw genadige voorzienigheid, maar dit gaat alles te boven. U hebt mij genade geschonken, en nu schenkt U mij heerlijkheid. U was eens mijn Schild, nu bent U mijn Zon. Ik zit aan Uw rechterhand, waar eeuwige vreugde is. Gij hebt Uw beste wijn tot nu toe bewaard.”
En ten slotte — want alleen de tijd ontbreekt mij; ik zou een week lang over dit onderwerp kunnen spreken — is er de tafel van de gemeenschap met Christus, waaraan Gods kinderen mogen aanzitten. De eerste beker die zij daar drinken, is de beker van gemeenschap met Christus in Zijn lijden. Wie aan Zijn tafel wil zitten, moet eerst drinken van de wijn van Golgotha. Christen, uw hoofd moet met doornen worden gekroond. Uw handen moeten geestelijk worden doorboord; u moet met Christus gekruisigd worden. Wij moeten met Hem lijden, anders kunnen wij niet met Hem regeren. Wij moeten eerst met Hem arbeiden en drinken van de beker die Zijn Vader Hem te drinken gaf, anders kunnen wij niet verwachten deel te hebben aan het betere deel van het feest.
Daarna drinken wij uit de beker van Zijn arbeid: wij moeten gedoopt worden met Zijn doop, ijveren voor zielen en delen in Zijn verlangen naar de redding van zondaars. Vervolgens zal Hij ons laten drinken uit de beker van Zijn verwachte heerlijkheid. Hier op aarde mogen wij reeds goede wijn smaken in de gemeenschap met Christus in Zijn opstanding, Zijn triomfen en overwinningen, maar de beste wijn moet nog komen.
O kamers van gemeenschap, uw poorten staan reeds voor mij open, maar ik heb slechts een glimp opgevangen van wat zich daarbinnen bevindt. De dag komt waarop uw deuren voor eeuwig open zullen staan en ik het paleis van de Koning zal binnengaan om er nooit meer uit te gaan. O christen, gij zult spoedig de Koning zien in Zijn schoonheid. Uw hoofd zal rusten aan Zijn boezem; gij zult met Maria aan Zijn voeten zitten; gij zult Hem kussen met de kussen van uw lippen en ervaren dat Zijn liefde beter is dan wijn.
Ik kan mij voorstellen dat u op het laatste moment van uw aardse leven — of liever gezegd op het eerste moment van uw werkelijke leven — zult zeggen: “Hij heeft de beste wijn tot nu toe bewaard.” Wanneer u Hem van aangezicht tot aangezicht ziet en de volkomen gemeenschap binnengaat, zonder enige storing of afleiding, dan zult u zeggen: “De beste wijn is tot nu toe bewaard.”
Eens lag een heilige op sterven. Een vriend die bij hem zat, zei: “Vaarwel, broeder, ik zal u nooit meer zien in het land der levenden.” “O,” antwoordde de stervende, “u zult mij terugzien in het land der levenden daarboven, waarheen ik ga; dit hier is het land der stervenden.” O broeders en zusters, mochten wij elkaar nooit meer ontmoeten in het land der stervenden, dan hebben wij toch de hoop elkaar weer te ontmoeten in het land der levenden, waar wij uiteindelijk de laatste en beste wijn zullen drinken.


