Een preek uitgesproken op zondagochtend 17 april 1859, door C. H. Spurgeon, in de Music Hall, Royal Surrey Gardens.
Zij is immers klein! Gen. 19:20
Wij beschouwen deze woorden als een motto, niet als een tekst die we gewoonlijk uitleggen. Vanmorgen zal ik niet proberen het verband ervan uit te leggen. Het zijn de woorden van Lot, uitgesproken toen hij pleitte voor de redding van Zoar. Toch zal ik ze losmaken van de oorspronkelijke context en op een andere manier gebruiken.
De grote vader der Leugens beschikt over talloze listen om de zielen van mensen te vernietigen. Hij gebruikt valse gewichten en valse weegschalen om hen te misleiden. Soms hanteert hij valse tijden: het ene moment zegt hij dat het te vroeg is om de Heere te zoeken, het volgende moment dat het te laat is. Hij hanteert ook valse maten en hoeveelheden. Wat grote zonden betreft, doet hij ze klein lijken; wat hij als kleine zonden presenteert, maakt hij uiteindelijk tot onbeduidende “zondetjes”, bijna waardig om vergeven te worden. Ik twijfel er niet aan dat vele zielen in deze val zijn gelopen en, zodra ze erin verstrikt waren geraakt, zijn omgekomen. Ze waagden zich in de zonde, in de veronderstelling dat de stroming ondiep was, maar omdat ze zich dodelijk vergisten over de werkelijke diepte ervan, werden ze door de kracht van de stroming meegesleurd naar de waterval die het einde betekent voor talloze zielen.
Vanmorgen is het mijn taak om deze verleidelijke gedachte aan te pakken en u een wapen aan te reiken waarmee u de vijand kunt weerstaan wanneer hij u benadert met de woorden: “Is het niet maar een kleinigheid?“ Hij wil u tot zonde verleiden door u te laten geloven dat het kwaad onbeduidend is. “zij is immers klein!“
Wat betreft satans misleiding om de zonde als onbeduidend voor te stellen, wil ik om te beginnen opmerken dat de meest godvruchtige mensen zelfs de kleinste overtredingen altijd zeer ernstig hebben genomen. Gods heilige martelaren waren bereid de verschrikkelijkste kwellingen te doorstaan in plaats van ook maar een centimeter van het pad der waarheid en gerechtigheid af te wijken.
Neem bijvoorbeeld Daniël: toen het koninklijk decreet werd uitgevaardigd dat iedereen verbood om gedurende een bepaalde periode tot God te bidden, bleef hij driemaal daags tot God bidden, voor een open raam in de richting van Jeruzalem, zonder vrees voor het bevel van de koning. Waarom trok hij zich niet terug in een afgezonderde kamer? Waarom bad hij niet in stilte? Zou hij dan niet net zo godvruchtig zijn geweest? Nee! Daniël besefte dat, hoe klein de overtreding ook mocht lijken, hij liever de dood in de leeuwenkuil zou ondergaan dan Gods toorn op te wekken of toe te laten dat Zijn heilige Naam zou worden gelasterd door een schijnbaar onbeduidende overtreding.
Let ook op de drie heilige jongemannen. Koning Nebukadnezar vroeg hen slechts één kniebuiging te maken voor het gouden beeld dat hij had opgericht. Hoe gering leek die daad! Eén buiging, en alles zou klaar zijn. Toch weigerden zij. Zij konden branden voor God, maar zich niet van Hem afkeren. Zij wilden lijden, maar niet zondigen, ook al had de wereld hun klein vergrijp wellicht vergeven. Zij kozen liever voor het vuur dan voor ongehoorzaamheid aan de Allerhoogste.
Ook onder de vroege christenen waren er voorbeelden van standvastigheid. Martinus Arethusa, een bisschop en voorvechter van Christus, leidde het volk bij het afbreken van een heidense tempel. Toen de afvallige keizer Julianus aan de macht kwam, gaf hij opdracht de tempel te herbouwen. Arethusa kreeg gratie aangeboden als hij één korreltje wierook in het wierookvat zou werpen, een schijnbaar onbeduidende daad. Hij weigerde. Zijn lichaam werd aan kinderen overgeleverd om met messen te steken, met honing besmeurd en door wespen aangevallen. Maar hij bleef trouw en weigerde zijn ziel aan de zonde over te geven, zelfs niet omwille van zijn leven.
Broeders, als zulke mensen zelfs de kleinste overtredingen als iets vreselijks beschouwden, moeten wij dan niet erkennen dat er iets verschrikkelijks schuilgaat in wat satan een kleinigheid noemt? Door goddelijke genade hebben hun ogen een ware hel zien schuilgaan in de kleinste zonde. Zij hebben het vermogen gekregen om de wereld van ongerechtigheid te zien in één enkele zondige daad, gedachte of verbeelding, en hebben zich daarom volledig daarvan afgekeerd.
Zelfs als de rechte weg naar de hemel door vlammen, vloedgolven of de dood zelf zou lopen, zouden zij liever al deze kwellingen doorstaan dan ook maar een centimeter van het pad der waarheid af te wijken. Dit voorbeeld moet een leidraad voor ons zijn wanneer satan ons met kleine zonden probeert te verleiden. Ons antwoord moet zijn: “Ga weg, satan. Jij bent een bedrieger, als het oprechte volk van God het als een grote zonde beschouwt, is hun oordeel beter dan het jouwe. Ik moet alle zonde vermijden, zelfs wanneer het onbeduidend lijkt.”
Men kan als volgt reageren op deze verleiding van satan: “Kleine zonden leiden altijd tot grotere zonden. Satan, jij spoort mij aan om een klein onrecht te begaan. Ik weet wat jij bent – jij bent goddeloos! Jij wilt het dunne uiteinde van de wig erin drijven. Als dat eenmaal binnen is, kun je het hele stuk erin drijven en mijn ziel splijten. Nee, ga weg! Hoe klein de verleiding ook mag lijken, ik verafschuw je, want jouw kleine verleiding leidt tot iets groters, en jouw kleine zonde opent de weg naar iets veel ergers.”
De natuur laat ons duidelijk zien hoezeer dit waar is: kleine dingen leiden tot grotere dingen. Als men een kloof wil overbruggen, wordt vaak eerst een pijl afgeschoten om daaroverheen een dun koord te spannen, bijna zo dun als een vliesje. Over dat koord wordt een touw getrokken, daarna een dunne kabel, en uiteindelijk ontstaat er een hangbrug die heen en weer zwaait en duizenden mensen kan dragen.
Zo werkt het vaak ook met satan. Het begint met slechts een gedachte die hij door de geest wil laten schieten. Die gedachte wekt een verlangen; dat verlangen leidt tot een blik; die blik tot een aanraking; die aanraking tot een daad; die daad tot een gewoonte; en die gewoonte groeit uit tot iets ernstigers. Kleine stapjes leiden er al snel toe dat mensen worden overweldigd en worden verzwolgen door het kwaad. Kleine dingen leiden tot iets groters – dat is altijd zo geweest.
Een onvoorzichtige reiziger laat bijvoorbeeld een kleine vonk in het droge gras van de prairie neerkomen. Het is slechts een vonk. “Zij is immers klein!” De voet van een kind kan hem uittrappen; een druppel regen kan hem doven. Maar wat gebeurt er nu? Maar wat gebeurt er? De prairie staat in brand; golven van vlammen jagen de dieren op de vlucht, het bos brandt volledig af, huizen gaan in rook op en gewassen worden verwoest. Het begon allemaal met die ene vonk. Hetzelfde geldt voor kleine zonden. O, weersta de duivel! Het zijn slechts vonken, maar juist door deze vonken wordt het vuur van de hel aangestoken. Een vonk is de bron van een woest vuur; hoe klein die ook mag lijken, ik wil er niets mee te maken hebben.
Satan begint altijd klein, zoals hij bij Achan deed. Hij toonde Achan eerst mooie Babylonische mantel en een goudstaaf. Achan keek ernaar – was dat geen kleinigheid? Hij raakte het aan – ook dat leek onschuldig. Vervolgens nam hij het mee, verborg het, en uiteindelijk kostte het hem het leven voor deze vreselijke misdaad.
Het begin van de zonde is als water dat wegstroomt: eerst een sijpeling, dan een druppel, dan een dun straaltje, daarna een stroom, en tenslotte een vloed. Een wal wordt weggevaagd, een continent overspoeld. Let op de kleine dingen, want zij leiden tot erger. Er is nog nooit een man geweest die aan de galg is geëindigd zonder toe te geven dat het allemaal begon met een kleine diefstal – eerst een boek op school, daarna geld uit de portemonnee van zijn leraar, vervolgens werd hij lid van een bende, wat uiteindelijk leidde tot moord en een schandelijke dood.
Kleine zonden werken vaak als inbrekers: zij nemen soms een klein kind mee, zetten het in een raam te klein om zelf doorheen te gaan, en laten het kind de deur openen om hen binnen te laten. Zo sluipen kleine zonden binnen en openen de deur voor grote zonden. Een verrader in een kamp lijkt misschien onbeduidend, maar hij kan de poorten van een stad openen en een heel leger binnenlaten. Vrees de zonde, hoe klein ook, want je kunt niet alles zien wat erin schuilt. Zij is de moeder van tienduizend kwaden. Zelfs de kleinste zonde herbergt in haar binnenste een wereld van kwaad.
Augustinus van Hippo schetst een beeld van hoe ver mensen kunnen gaan wanneer ze eenmaal beginnen te zondigen. Er was eens een man die tijdens een discussie beweerde dat de duivel vliegen had geschapen. Zijn gesprekspartner zei: “Welnu, als de duivel vliegen heeft geschapen, is het maar een kleine stap om te zeggen dat hij ook wormen heeft geschapen.” “Ik geloof het,” antwoordde de eerste. “Als hij wormen heeft gemaakt, hoe weet u dan dat hij geen kleine vogels heeft gemaakt?” “Waarschijnlijk heeft hij dat gedaan.” “Maar als hij kleine vogels heeft gemaakt, waarom zou hij dan geen grote vogels hebben gemaakt? En als hij grote vogels heeft gemaakt, waarom zou hij dan geen mens hebben gemaakt? En als hij de mens heeft gemaakt, waarom zou hij dan niet de wereld hebben geschapen?” “Ziet u?” zegt Augustinus: “door één enkele toegeving, door slechts één keer te accepteren dat de duivel een vlieg heeft gemaakt, kwam de man tot het geloof dat de duivel de Schepper was.”
Laat slechts één kleine dwaling in uw gedachten binnensluipen, laat één klein kwaad opkomen, bega één kleine zonde in uw leven, en koester, begunstig of vertroetel het, en u kunt niet voorspellen waartoe dit zal uitgroeien. In het begin is het klein; wanneer het volgroeid is, kan het een reus worden. U weet nauwelijks hoe dicht uw ziel bij de ondergang kan zijn wanneer u zich moedwillig overgeeft aan de kleinste zonde.
Er kan nog een ander argument worden aangevoerd tegen de verleiding van de duivel: hij zegt: “Zij is immers klein!” Wij antwoorden: “Ja, maar kleine zonden vermenigvuldigen zich zeer snel.” Net als andere kleine dingen hebben kleine zonden een verbazingwekkend vermogen tot vermenigvuldiging. Grote zonden zoals moord komen zelden voor, maar kleine zonden zijn overal. Hoe kleiner de overtreding, hoe vaker ze voorkomt. De olifant krijgt weinig nakomelingen en vermenigvuldigt zich langzaam; de bladluis daarentegen kan binnen een uur duizenden nakomelingen voortbrengen. Zo is het ook met kleine zonden: één zonde kan een menigte voortbrengen. En let wel: in hun veelheid zijn kleine zonden net zo krachtig in het veroorzaken van kwaad als grote zonden.
Denk aan het verhaal van de sprinkhanen die een land teisteren. Een missionaris riep de mensen bijeen toen hij de komst van de sprinkhanen zag; zij staken enorme vuren aan in de hoop de levende stroom te verdrijven. De sprinkhanen waren klein, maar in hun aantal waren ze machtig. Alles wat groen was, werd kaalgevreten; bomen verloren hun bladeren en staken hun naakte takken omhoog alsof de winter hen had ontdaan van hun gebladerte; er bleef niets over voor dieren om te eten. Het kleine insect veroorzaakte totale verwoesting.
Vrees daarom de kleine zonde, want zij zal zich zeker vermenigvuldigen. Het is nooit één zonde, maar velen tegelijk. Zoals de plaag van luizen in Egypte, klein maar vernietigend, kunnen ook kleine zonden uw ondergang betekenen. Wanneer u gebeden richt tot God om verlossing van deze zonden, is dat een teken van Zijn bescherming. Laat ze echter groeien en zich vermenigvuldigen, en uw ellende zal nabij zijn. Luister daarom niet naar de stem van satan wanneer hij zegt: “Zij is immers klein!”
Een treffend voorbeeld uit Australië: jaren geleden was er in Australiëgeen geen enkele distel te vinden. Een Schot, die grote bewondering voor distels had, vond het jammer dat het eiland verstoken bleef van deze bloem. Hij stuurde een pakje distelzaden naar een vriend in Australië. De douane ambtenaren lieten het pakket binnenkomen: “Ach, het is maar een kleinigheid, slechts een handvol zaden.” Het was inderdaad klein, maar inmiddels bedekken deze zaden grote delen van het land en zijn ze een plaag en een vloek voor de boeren geworden. Een klein zaadje vermenigvuldigde zich en groeide uit tot een groot kwaad.
Zo is het ook met kleine zonden. Laat ze niet uw hart binnendringen. Vermijd ze zodra satan ze u voorlegt. Houd ze op afstand met de genade van God en de Heilige Geest; anders zullen ze zich vermenigvuldigen en uw ondergang en vernietiging betekenen.
Nogmaals: kleine zonden zijn, vanuit een ander perspectief bekeken, uiteindelijk toch groot. Een kleine zonde raakt een groot principe. Stel dat de Oostenrijkers morgen een groep mannen naar Sardinië zouden sturen. Zelfs als het er maar een tiental zijn, zou dat neerkomen op een oorlogsverklaring. Men zou kunnen zeggen: “Is het niet maar een kleinigheid — een heel klein groepje soldaten?” “Ja,” zou men antwoorden, “maar het gaat om het principe. U kunt uw soldaten niet straffeloos over de grens sturen. Er moet oorlog worden verklaard, omdat u de grens hebt geschonden en het land bent binnengevallen.”
Het is niet nodig om honderdduizend troepen te sturen om een verdrag te schenden. De overtreding kan klein lijken, maar als zelfs de geringste schending wordt toegestaan, is het principe verloren gegaan. Bij een zonde tegen God kijkt Hij niet zozeer naar de daad zelf, maar naar het principe ervan. Het principe van gehoorzaamheid wordt door een kleine zonde evenzeer geschonden en onteerd als door een grote.
O mens! De Schepper heeft u geschapen om Hem te gehoorzamen. Wanneer u Zijn wet overtreedt en zegt dat het slechts een kleine overtreding is, blijft het een overtreding. De wet is geschonden, u bent ongehoorzaam, en Zijn toorn rust op u. Het principe van gehoorzaamheid wordt aangetast door de kleinste overtreding, en daarom is deze groot.
Bovendien is het heel goed mogelijk dat wat christenen kleine zonden noemen, in sommige opzichten ernstiger is dan wat zij grote zonden noemen. Als een vriend u door een misstap schade zou berokkenen ter waarde van tienduizend pond, dan zou u zeggen: “Wel, hij heeft een zeer zware beproeving moeten doorstaan. Het is waar dat hij ernstig verkeerd heeft gehandeld, maar hij heeft mij toch door een gewichtige omstandigheid benadeeld.” Maar stel dat uw vriend u moedwillig zou ergeren en bedroeven omwille van een cent; wat zou u daarvan denken? U zou zeggen: “Dat is opzettelijk.” “Deze man heeft dit louter uit kwaadaardigheid jegens mij gedaan.”
Hetzelfde geldt voor Adam: als het hele paradijs voor zichzelf had opgeëist, zou er wellicht minder zonde in die daad hebben gelegen dan toen hij, terwijl hij in de tuin verbleef, slechts één vrucht van de verboden boom stal. De overtreding raakte aan een fundamenteel principe, omdat hij het opzettelijk deed. Hij had zo weinig te winnen en zo veel te verliezen toen hij God onteerde.
Er wordt vaak gezegd dat zondigen zonder verleiding hetzelfde is als zondigen zoals de duivel, want de duivel werd niet verleid toen hij zondigde. Zelfs bij een geringe verleiding staat zondigen gelijk aan de zonde van de duivel. Wanneer de daad klein is, weinig genot verschaft en weinig gevolgen heeft, heeft de zonde iets opzettelijks dat haar ernstiger maakt dan vele andere wandaden.
U bent verontwaardigd wanneer een grote misdadiger wordt ontmaskerd: zie hoe hij de mensen heeft beroofd; zie hoe hij de weduwe onrecht heeft aangedaan en de wezen heeft bestolen. Ik weet het. God verhoede dat ik enige verontschuldiging voor hem zou zoeken. Maar die man had een reputatie hoog te houden. Hij stond voor duizenden verleidingen om schatrijk te worden. Hij dacht dat hij nooit betrapt zou worden. Hij had een gezin te onderhouden. Hij was verstrikt geraakt in dure gewoonten, en er valt veel te zeggen ter verzachting van zijn schuld. Maar wanneer u zich overgeeft aan een kleine zonde die u geen vreugde verschaft, waarin geen groot belang schuilt en waarmee u niets te winnen hebt, dan zeg ik dat u moedwillig zondigt.
Kleine zonden zijn in het licht van Gods wet enorme zonden. Gezien als overtredingen van de onschendbare norm van het goede, en wanneer zij met opzet worden begaan, zijn zij groot. En ik durf te zeggen dat zonden die mensen grof en zwaar noemen, misschien niet groter of ernstiger zijn dan deze kleine zonden. Zo hebt u verschillende argumenten om de verleiding te weerstaan wanneer satan zegt: “Zij is immers klein!”
Nu richt ik mij uitsluitend tot het kind van God: “Broeder, als satan u verleidt met de woorden: ‘Zij is immers klein!’ antwoord hem dan: ‘Ach, satan, hoe klein het ook lijkt, het kan mijn gemeenschap met Christus verstoren. Zonde kan mijn ziel niet direct vernietigen, maar zij kan mijn vrede verstoren en mijn hart kwellen. “Je zegt dat het een kleinigheid is, satan, maar mijn Verlosser moest ervoor sterven; anders zou ik uit de hemel zijn uitgesloten. Die ‘kleinigheid’ is als een doorn in mijn vlees, die mijn hart prikt en mijn ziel verwondt. Ik durf niet toe te geven aan deze kleine zonde, want mij is veel vergeven, daarom moet ik veel liefhebben. Wat voor anderen een kleine zonde is, zou voor mij een grote zonde zijn. Hoe kan ik dan deze slechtheid begaan en tegen God zondigen?”
Is het maar een kleinigheid, satan? Maar een klein steentje in de schoen kan een reiziger al mank laten lopen. Een kleine doorn kan een abces veroorzaken. Een klein wolkje kan de zon verbergen; een wolk ter grootte van een mensenhand kan een stortbui doen losbarsten. Weg met jou, satan! Ik wil niets met jou te maken hebben, want nu ik weet dat Jezus ook voor kleine zonden heeft gebloed, kan ik Zijn hart niet kwetsen door mij er opnieuw aan over te geven.
Een kleine zonde satan? Heeft mijn Meester niet gezegd: “Vang voor ons de vossen, de kleine vossen die de wijngaarden te gronde richten, nu onze wijngaarden bloeien.”? Zie, deze kleine dingen doen mijn tedere hart pijn. Deze kleine zonden graven zich diep in mijn ziel in en veranderen die al snel in een schuilplaats en hol voor de wilde beesten die Jezus haten. Ze verdrijven Hem uit mijn geest, zodat Hij geen troostende gemeenschap en verbondenheid met mij kan onderhouden.
Een grote zonde kan een christen niet vernietigen, maar een kleine zonde kan hem ellendig maken. Jezus zal niet met Zijn volk wandelen tenzij zij elke bekende zonde verdrijven. Hij zegt: “Als u Mijn geboden in acht neemt, zult u in Mijn liefde blijven, zoals Ik de geboden van Mijn Vader in acht genomen heb en in Zijn liefde blijf.”
Er zijn vele christenen in de wereld die maandenlang het aangezicht van hun Verlosser niet zien en toch volkomen tevreden lijken zonder Zijn gezelschap. Ik begrijp dat niet, en ik wens ook niet te weten hoe het mogelijk is dat iemand zijn ziel kan verzoenen met de afwezigheid van de Heere. Een liefhebbende echtgenote, die maanden of jaren zonder haar man is, wordt zwaar op de proef gesteld. Het moet ook een kwelling zijn voor een teder kind om van zijn vader gescheiden te zijn. Wij weten dat dat in onze kindertijd altijd zo was; wij keken met vreugde uit naar onze terugkeer naar huis.
En bent u een kind van God, en toch gelukkig zonder het aangezicht van uw Vader te zien? Wat! U, de bruid van Christus, tevreden zonder Zijn gezelschap? Zeker, u bent in een treurige toestand terechtgekomen. U moet op een dwaalspoor zijn geraakt, want de ware, kuise bruid van Christus treurt als een duif zonder haar partner, wanneer hij haar heeft verlaten.
Stel uzelf dan de vraag: wat heeft Christus van u verdreven? Hij verbergt Zijn aangezicht achter de muur van uw zonden. Die muur kan net zo goed uit kleine steentjes bestaan als uit grote stenen. De zee bestaat uit druppels, de rotsen uit korrels; en helaas, de zee die u van Christus scheidt, kan wel eens gevuld zijn met de druppels van uw kleine zonden, en de rots die uw schip doet zinken, kan gevormd zijn door het dagelijkse werk van de koraalvormende insecten van uw kleine zonden.
Wees daarom op uw hoede; want als u met Christus wilt leven, met Christus wilt wandelen, Christus wilt zien en gemeenschap met Hem wilt hebben, pas dan op voor de kleine vossen die de wijngaarden bederven, want onze wijngaarden dragen tere druiven.
En nu, laat ik het kind van God even buiten beschouwing en richt ik mij tot degenen onder u die wel bezorgd zijn om hun ziel, maar die nog niet gerekend kunnen worden tot degenen die God met een oprecht hart vrezen. Satan legt u vaak deze verleiding voor: “Zij is immers klein!“ Moge God u helpen hem te weerstaan wanneer hij u op deze manier benadert.
“Zij is immers klein!” Zo heeft de duivel jou, jonge man, wellicht verleid tot de eerste kleine diefstal. “Zij is immers klein!” Zo heeft hij je opgedragen de rustdag door te brengen met dwaze genoegens. Het was maar een kleinigheid, zei hij, en je hebt hem geloofd en het gedaan. Het was maar een kleinigheid, en zo hebt je een leugen verteld. Het was maar een kleinigheid, en je bent de vergadering van lichtzinnigen binnengegaan en hebt je gemengd in het gezelschap van spotters. Het was maar een kleinigheid, het kon niet veel kwaad doen, het kon je ziel niet schaden.
Maar, wacht even! Weet je wel dat een kleine zonde, indien men zich er moedwillig aan overgeeft, jouw redding in de weg kan staan? Het fundament van God staat vast en draagt dit zegel: “De Heere kent wie van Hem zijn, en: Ieder die de Naam van Christus noemt, moet zich ver houden van de ongerechtigheid.” Christus zal de mens die al zijn zonden haat, verlossing van al zijn zonden schenken; maar als je ook maar één zonde voor jezelf houdt, zul je nooit genade van Hem ontvangen.
Als je bereid bent om al je verkeerde wegen achter je te laten en je met een vastberaden hart tot Christus te wenden, zal zelfs de grootste zonde die je ooit hebt begaan je ziel niet vernietigen; maar als je ook maar één kleine zonde koestert, zullen je gebeden onbeantwoord blijven, zullen je zuchten genegeerd worden en zullen je vurige smeekbeden zonder zegen naar je terugkeren.
Je hebt de laatste tijd veel gebeden; je hebt Christus gezocht; je hebt met al je kracht gesmeekt dat God zich aan je zou openbaren. Nu zijn er maanden verstreken, maar je bent nog niet gered; je hebt nog niet de troostende zekerheid van je vergeving ontvangen. Jongeman, is het niet waarschijnlijk dat er nog een onopgemerkte zonde in je hart schuilt? Bedenk dan dat God nooit vrede met je zal hebben totdat jij je van je zonden hebt losgemaakt. Zeg vaarwel tegen je zonden, of zeg vaarwel tegen alle hoop. Zelfs een korreltje zonde dat je voor God verbergt, kan genade in de weg staan. Kom naar Hem zoals je bent, maar laat je zonden achter je. Vraag Hem om je te bevrijden van elk verlangen, van elk verkeerd pad, van elk kwaad. Anders zul je nooit genade en gunst bij Hem vinden.
De grootste zonde ter wereld, waarvoor berouw wordt getoond, zal vergeven worden. Maar de kleinste zonde, waarvoor geen berouw is getoond, zal uw ziel dieper doen zinken dan de diepste hel. Let daarom, zondaar, op uzelf wanneer u zich overgeeft aan kleine zonden. Deze kleine zonden tonen dat u nog steeds in de gal van bitterheid en in de banden van ongerechtigheid verblijft.
Rowland Hill vertelt over een opmerkelijk geval van een man uit zijn gehoor, die af en toe naar het theater ging en lid was van de kerk. Toen Hill hem bezocht, zei hij: “Ik begrijp, meneer, dat u graag naar het theater gaat.” De man antwoordde: “Nee, meneer, dat is niet waar. Ik ga er alleen af en toe heen als een bijzondere traktatie, maar niet omdat ik er werkelijk van houd; het is geen gewoonte van mij.”
Daarop zei Rowland Hill ongeveer dit: “Stel dat iemand tegen mij zou zeggen: ‘Meneer Hill, ik heb gehoord dat u aas eet.’ En dat ik dan zou antwoorden: ‘Nee, nee, ik eet geen aas. Wel neem ik af en toe een stukje stinkend aas als een bijzondere traktatie.’ Dan zou die ander zeggen: ‘U hebt uzelf daarmee juist veroordeeld; want u laat zien dat u er meer van houdt dan de meeste mensen, omdat u het bewaart als iets speciaals. Andere mensen nemen het misschien als gewoon dagelijks voedsel, maar u houdt het apart als een traktatie.’”
De bedoeling is duidelijk: wie iets slechts als een “bijzondere traktatie” blijft zien, laat daarmee zien dat zijn hart er nog steeds aan hangt. Zo wordt zichtbaar dat iemand nog altijd iets van de wegen en het loon van de zonde liefheeft. Ach, mijn vrienden, mannen die zeggen dat kleine zonden geen kwaad doen, geven slechts een indicatie van hun eigen karakter; zij laten zien welke kant de stroom opgaat. Een strohalm kan laten zien welke kant de wind opwaait, een drijvende veer evenzo; en zo kan een kleine zonde een indicatie zijn van de overheersende neiging van het hart.
Mijn toehoorder, als u van de zonde houdt, ook al is het maar een kleine, dan is uw hart niet recht in de ogen van God. U bent nog steeds een vreemdeling voor de goddelijke genade. De toorn van God rust op u. U bent een verloren ziel, tenzij God uw hart verandert.
Toch wil ik hier nog iets over zeggen. Zondaar, u zegt dat het maar een kleinigheid is. Maar beseft u wel dat God u zal veroordelen voor uw kleine zonden? Ga uw gang, kijk nu maar boos en zeg dat de predikant harteloos is. Maar zult u ook boos naar uw God kijken op de dag dat Hij u voor eeuwig veroordeelt? Als er vandaag een goed mens in de gevangenis zou zitten en u zou hem niet bezoeken, zou u dat dan als een grote zonde beschouwen? Zeker niet, zegt u; dat zou niet eens bij u opkomen. Als u een man zou zien die honger had en u zou hem geen eten geven, zou u dat dan als een grote zonde beschouwen? Nee, zegt u; dat zou u niet doen.
Niettemin zijn dit precies de dingen waarvoor mensen naar de hel worden gestuurd. Wat zei de Rechter? “Ik had honger en u hebt mij geen eten gegeven, ik had dorst en u hebt mij niets te drinken gegeven, ik was ziek en zat in de gevangenis en u hebt mij niet bezocht. Voor zover u dit niet hebt gedaan voor een van deze minsten van mijn broeders, zo hebt u het ook mij niet gedaan.”
Welnu, als deze dingen, die wij slechts als kleine zonden beschouwen, in werkelijkheid tienduizenden naar de hel sturen, zouden wij dan niet moeten beven voordat wij lichtzinnig over zonde spreken? Kleine zonden kunnen onze eeuwige vernietigers zijn. Ach, mens, de hel is gegraven voor kleine zonden. Een eeuwigheid van ellende is bereid voor wat mensen kleine zonden noemen. Niet alleen de moordenaar, de dronkaard en de hoereerder zullen naar de hel worden gestuurd; ook de kleinste zondaar zal zijn verdiende loon ontvangen, net als alle volken die God hebben verlaten. Wees daarom op uw hoede voor zelfs de kleinste zonden.
Toen ik nog een kleine jongen was, las ik tijdens het gezinsgebed het hoofdstuk in Openbaring over de ‘bodemloze put’. Ik stopte halverwege en vroeg aan mijn grootvader: “Grootvader, wat betekent dit – ‘de bodemloze put’?” Hij zei: “Lees verder, kind, lees verder.” Dus las ik het hoofdstuk verder, maar ik zorgde ervoor dat ik het de volgende ochtend opnieuw las. Ik stopte weer en zei: “De bodemloze put, wat betekent dit?” “Lees verder,” zei hij. Zo ging het twee weken lang; elke ochtend las ik hetzelfde hoofdstuk, omdat het pas volledig begrepen kon worden door herhaling.
Ik herinner me nog de afschuw toen hij uitlegde wat het betekende. Er is een diepe put, en de ziel valt naar beneden – o, wat snel! Daar! De laatste lichtstraal aan de bovenkant is verdwenen, en de ziel valt verder – verder – verder, en zo blijft ze vallen, duizend jaar lang! “Komt ze dan nog niet in de buurt van de bodem? Stopt ze dan niet?” Nee – verder, verder, verder. “Ik val al een miljoen jaar, is ze dan nog niet in de buurt van de bodem?” Nee, u bent nog geen stap dichter bij de bodem: het is de “bodemloze put”. Eeuwig vallend, zonder einde, zonder hoop op rust.
Hetzelfde gruwelijke idee schuilt in de woorden: “de toekomende toorn“. Let wel: de hel is altijd “de toekomende toorn“. Zelfs als iemand al duizend jaar in de hel verblijft, blijft de toorn “toekomend“. Wat men in het verleden heeft doorstaan, is niets vergeleken met de afrekening die nog moet komen. Wanneer de wereld ten einde loopt en het vuur van de zon is gedoofd, is het nog steeds “de toekomende toorn” . Zelfs wanneer andere werelden zijn ontstaan en weer in hun vroegere staat zijn teruggekeerd, is het nog steeds “de toekomende toorn” . Wanneer uw ziel, verteerd door angst, er uiteindelijk naar verlangt vernietigd te worden, zal de verschrikkelijke donder nog steeds klinken: “de toekomende toorn – toekomende – toekomende!” O, wat een gedachte!
Bedenk toch: door kleine zonden roept u deze “toekomende toorn“ over uzelf af. O, als ik verdoemd zou worden, dan zou ik liever verdoemd worden voor iets groots; maar om aan de beul te worden overgeleverd en de „toekomende toorn“ tegemoet te gaan vanwege kleine zonden die nauwelijks opvallen, – dát is wat het werkelijk betekent om verdoemd te zijn.
O, dat u zou opstaan, dat u zou vluchten voor de komende toorn, dat u uw kleine zonden zou verzaken en naar het grote kruis van Christus zou vluchten, zodat uw kleine zonden uitgewist en uw kleine overtredingen weggewassen worden. Want nogmaals, als u sterft met kleine zonden die niet vergeven zijn, met kleine zonden waarvoor u geen berouw heeft getoond, dan zal er geen kleine hel zijn; de grote toorn van de grote Koning wacht nog, in een put zonder bodem, in een hel waarvan het vuur nooit zal doven en waarvan de worm nooit zal sterven.
O, “de toekomende toorn! de toekomende toorn!” Alleen al de gedachte eraan is genoeg om iemands hart te verbreken. Moge God u helpen om eraan te ontkomen. Moge u er nu aan ontsnappen, door Jezus Christus, onze Heere. Amen.


