Een heilig voornemen

Een preek uitgesproken door C. H. Spurgeon in de Metropolitan Tabernacle, Newington.

Copyright © Het Spurgeon Archief | Portret C.H. Spurgeon

Ik zal verstandig handelen, op de volmaakte weg. Wanneer zult U tot mij komen? Ik zal binnen mijn huis wandelen met een oprecht hart. Psalm 101:2

Psalm 100 is wellicht de bekendste lofzang in het Woord van God. Het zingen van de Old Hundredth is van generatie op generatie een traditie geweest onder gelovigen – een gewoonte die door de eeuwen heen is voortgezet en ook vandaag de dag nog springlevend is onder ons. “Juich voor de HEERE, heel de aarde.” Het is veelzeggend dat Psalm 101, die onmiddellijk volgt, zo’n praktische psalm is: volledig gericht op hoe een mens in zijn huis moet wandelen, hoe hij de zonde van zijn aangezicht moet weren en zich moet onthouden van slecht gezelschap. Wat leert ons dit anders dan dat de beste lofprijzing reinheid is, en dat de mooiste muziek ter wereld heiligheid is?

Wanneer we God willen verheerlijken, kunnen we dat het beste doen door ons in te zetten om Zijn wil voor ogen te houden en volgens Zijn geboden te leven. De mooiste klanken die ooit uit orgelpijpen zijn voortgekomen of door het tokkelen van snaren zijn voortgebracht, kunnen nooit zoveel harmonie bevatten als een leven dat wordt geleid naar het voorbeeld van Christus. Wanneer wij gehoorzamen, prijzen wij. Degene die zich het meest inzet voor God, zingt het best. Geen lofzang kan de engelen overtreffen, “die Zijn woord uitvoeren, gehoorzaam aan het woord dat Hij spreekt.”

Ik veronderstel dat deze psalm door David is geschreven rond de tijd dat hij tot koning werd gekroond en de regeringszaken op zich nam. Zoals u zich wellicht herinnert, werd hij driemaal tot koning gezalfd. Ten eerste in het huis van zijn vader Isaï, in Bethlehem, toen Samuel de hoorn met olie nam en hem te midden van zijn broers zalfde (1 Samuël 16:13). Ten tweede in Hebron, toen de mannen van Juda kwamen en hem daar tot koning over het huis van Juda zalfden (2 Samuël 2:4). En ten derde, zeven en een half jaar later, toen alle oudsten van Israël naar de koning kwamen, en David een verbond met hen sloot in Hebron voor het aangezicht van de HEERE, en zij David tot koning over Israël zalfden (2 Samuël 5:3).

Gezien de plechtige verantwoordelijkheden die het regeren met zich meebrengt, zat hij neer en overdacht hoe hij zich zou moeten gedragen wanneer hij de troon zou bestijgen. Dit was het besluit dat hij nam en dat hij, door Gods genade, trachtte uit te voeren. Terecht wordt gezegd dat David in deze psalm zowel vreugdevol als wijs was. Hij was blij, want hij zei: “Ik zal zingen van goedertierenheid en recht”; en hij herhaalde zijn voornemen om te zingen met de woorden: “Voor U zal ik psalmen zingen, HEERE.” Het zou goed zijn als wij allen zulke geestelijke vreugde zouden beoefenen. Wij kunnen niet te veel zingen wanneer wij voor de Heere zingen; en wat de liederen van Sion betreft: hoe vaker wij ze zingen en hoe vreugdevoller wij dat doen, des te beter.

Maar David was niet alleen vreugdevol – hij was ook wijs. Hoewel hij geestelijke vreugde kende, streefde hij ook naar geestelijke heiligheid. Daarom nam hij zich voor: “Ik zal verstandig handelen, op de volmaakte weg.”

Onze overdenking zal daarom een praktisch karakter hebben en als volgt zijn opgebouwd. Ten eerste vinden we in de tekst een veelomvattend voornemen: “Ik zal verstandig handelen, op de volmaakte weg.” Vervolgens, alsof hij terugdeinst voor de omvang van zijn eigen voornemen en beseft hoe weinig kracht hij heeft om het te volbrengen, hebben we een vrome uitroep: “Wanneer zult U tot mij komen?” Maar omdat hij ondanks alles vasthoudt aan zijn heilige voornemen, keert hij er nogmaals naar terug. Dit brengt ons ten derde bij de concrete toepassing ervan op zijn eigen gezinsleven: “Ik zal binnen mijn huis wandelen met een oprecht hart.” Moge God de Heilige Geest, Die als enige ons werkelijk kan heiligen, nu bij ons zijn terwijl wij nadenken over deze heilige voornemens.

I. WAT EEN ALLESOMVATTEND VOORNEMEN IS DIT TOCH! “Ik zal verstandig handelen.”

Zich ten volle bewust van de zorgvuldigheid en behoedzaamheid die dit van hem vergde, en met een even helder besef van de gevaren die populariteit onder zijn onderdanen met zich meebracht, maakte David deze weloverwogen keuze.

Geleid door de genade van God koos hij, net als zijn zoon Salomo later, voor wijsheid als het hoogste goed en beschouwde hij de vreze des HEEREN als de beste bescherming. Menig jongeman zou, op het punt om tot de troon te worden verheven, hebben gezegd: “Ik zal mij koninklijk gedragen. In de verheven positie waartoe ik geroepen ben, zal ik mij in alle opzichten als een koning presenteren. Ik zal laten zien hoe waardig mijn houding is, hoe gezaghebbend mijn woord klinkt, hoe edelmoedig ik mijn plicht kan vervullen en hoe goed een kroon mij past. Geen enkele sjah of sultan zal waardiger zijn dan ik.” David had voor zulke ijdele grootheidswaanzin kunnen kiezen, maar hij koos beter: hij koos voor nederigheid. Hij zei niet: “Ik zal met grootsheid handelen”, maar: “Ik zal verstandig handelen.”

Velen zouden, als zij in Davids positie waren geplaatst, ook hebben gezegd: “Ik zal van het leven genieten. Zodra ik op de troon van Israël zit, zal ik elke wens van mijn hart bevredigen. Niets waar mijn ziel naar verlangt, zal mijn hand nalaten te grijpen. Laat mij paarden en strijdwagens in overvloed hebben, zingende mannen en zingende vrouwen. Ik zal mij voorzien van elk denkbaar vleselijk genot en elke denkbare levensvreugde. Zodra ik macht bezit, zal ik mij overgeven aan vreugde en vermaak.” Maar David dacht niet op die manier. Zijn bewuste keuze was noch voor grootsheid, noch voor genot, maar voor wijsheid. “Ik zal verstandig handelen.”

Welnu, broeders, er zijn ongetwijfeld sommigen onder ons die nog aan het begin van hun leven staan. Voordat je een nieuw gezin sticht, is het verstandig om even de tijd te nemen om goed na te denken over de levensweg die je wilt bewandelen. Misschien heb je het ouderlijk huis nog niet verlaten en ben je nog niet op eigen benen gaan staan, maar koester je dat voornemen al in je hart; als dat zo is, is dit het moment om goed na te denken over je morele intenties. Of misschien begint u, hoewel u ouder bent en meer levenservaring hebt dan de jongeman die ik zojuist beschreef, aan een nieuwe levensfase. Hoe zult u handelen? Welk pad zult u kiezen?

U zult gelukkig zijn wanneer Gods genade u ertoe brengt te zeggen: “Ik kies voor wijsheid – waarachtige en opperste wijsheid.“ Moge God mij toestaan te leven zoals Hij dat van mij verlangt: Zijn getuigenissen te verstaan en Zijn geboden te gehoorzamen. Ik verlang ernaar te leven zoals de Wijsheid in menselijke gedaante leefde toen Hij hier op aarde wandelde. Ik wil mij op een voortreffelijke manier wijs gedragen.”

Ja, dit was Davids bewuste keuze. O, zouden alle jonge mannen hier zijn voorbeeld maar volgen! O, zouden wij allen, in onze huidige omstandigheden en met het oog op alle vooruitzichten die voor ons liggen, eens en voor altijd, met heel ons hart, besluiten: „Wat er ook met mij gebeurt, dit is mijn vaste voornemen: ik verlang ernaar mijzelf verstandig te gedragen. Laat anderen maar jagen naar winst of roem, gemak of luxe; laat hen maar vragen: ‘Wie zal ons tonen wat goed is?’ Laat hen zichzelf of goud tot hun afgod maken. Maar wat mij betreft: mijn ziel is gericht op één doel en streeft alleen dit na – wijs te zijn voor mijn God en mij in alle opzichten verstandig te gedragen.”

Deze bewuste keuze van David kwam ongetwijfeld voort uit een diep gevoel van noodzaak. Hij voelde dat hij wijs moest handelen. Hij stond op het punt koning te worden, en een dwaze koning is geen gewone dwaas. Eeuwen geleden luidde het spreekwoord dat elke koning als een dwaas werd geboren, en velen gedroegen zich inderdaad op een manier die die schande verdiende. Het volk was over het algemeen niet al te streng in zijn oordeel over zijn heersers. Maar wee het land waarvan de koning een dwaas is! U weet welke rampen het Joodse volk troffen onder Rehabeam en anderen, die te dwaas waren om het scepter rechtvaardig te hanteren.

David kon zich zo’n dwaasheid niet veroorloven. Hij was de opvolger van de dynastie van Saul; de nakomelingen van Saul leefden nog en zouden proberen de kroon terug te eisen. Daarom moest hij uiterst voorzichtig te werk gaan om zichzelf te beschermen tegen troonpretendenten en hun aanhangers. Hij wist dat zijn vijanden zijn woorden en daden nauwlettend in de gaten zouden houden en dat zij elke fout onmiddellijk tegen hem zouden gebruiken. Daarom had hij grote wijsheid nodig om op het rechte pad te blijven.

„Maar“, zou u kunnen zeggen, „dit geldt voor mensen in hoge posities; wij worden tenslotte geen koningen.“ Dat is waar. Toch hebt u wijsheid nodig, ongeacht uw maatschappelijke positie, of die nu hoog of laag is. Zelfs de nederigste dienstmeid, indien zij een christin is, heeft wijsheid nodig om haar taken getrouw te vervullen en haar positie in ere te houden. Iedereen die met kinderen te maken heeft, heeft bijzondere wijsheid nodig, want het hart van een kind kan net zo gemakkelijk door een bediende worden gevormd – of vervormd – als door een vooraanstaande leraar. Elk ongeluk dat een kind overkomt vanwege uw nalatigheid kan diepe schade veroorzaken.

Als u een handelaar of ondernemer bent, dan heeft u in een tijd als deze, met hevige concurrentie en talloze verleidingen, wijsheid nodig. En als u een vader bent en wenst dat uw kinderen worden opgevoed in de vreze Gods, dan heeft u een taak die de wijsheid van Salomo zelf op de proef stelt: het karakter van deze jongen te begrijpen en dat van dat meisje juist te beoordelen; noch te streng, noch te toegeeflijk te zijn; elk kind te behandelen zoals een tuinman elke plant in zijn kas behandelt – de ene heeft droge warmte nodig, de andere vocht – zonder een van beiden schade te berokkenen door onjuiste behandeling.

Velen zijn onverstandig geweest in de opvoeding van hun kinderen, wat hen in latere jaren tot groot verdriet is geworden. O ouders en gezinshoofden, leidinggevenden en werkgevers, arbeiders en werknemers – u allen hebt wijsheid nodig. Zonder die wijsheid zult u schipbreuk lijden. Wanneer de kleine vissersboot door slecht beheer verloren gaat, is dat voor de visser net zo rampzalig alsof hij het grootste stoomschip ter wereld had verloren en ermee ten onder was gegaan. Het is immers zijn alles. En uw alles staat op het spel tijdens de reis van het leven. Als u schipbreuk lijdt in het leven dat God u heeft gegeven, op de plaats waar Hij u heeft neergezet, is dat voor u net zo’n ramp als wanneer u een koning was geweest. Wat uw roeping ook moge zijn, u moet wijs handelen.

Bovendien besefte David dat ware wijsheid onlosmakelijk verbonden is met heiligheid, want hij zegt: “Ik zal verstandig handelen, op de volmaakte weg.” Let daar goed op. Hij begreep dat niemand werkelijk wijs kan zijn zonder het ideaal van zuivere, onbevlekte volmaaktheid voor ogen te houden. Daarin ligt ware wijsheid. Dwaasheid kan een schijnbaar slimme maar wankele handelwijze aanbevelen; maar dat is een onvolmaakt pad.

Onthoud dit altijd: in het dagelijks leven is de wijste weg altijd de rechte weg. Wat juist is, is uiteindelijk ook het verstandigst. Soms lijkt het alsof het nodig is om even van de rechte weg af te wijken – uiteraard met de bedoeling later weer terug te keren – alleen maar om een kortere route te nemen via De Zijwegweide, omdat de hoofdweg zo moeilijk begaanbaar en rotsachtig is. Het lijkt misschien verstandig. Maar dat is het nooit. Het verhaal van die weide is, van begin tot eind, een verhaal van verdriet. Duizenden hebben het geprobeerd, maar altijd met hetzelfde resultaat.

Een verstandig iemand blijft de koninklijke weg volgen, wat het ook moge kosten. We hebben gehoord van jonge mannen die, onder zware druk, het gevoel hadden dat ze hun integriteit een beetje moesten compromitteren om hun werkgever te gehoorzamen en hun positie te behouden. Maar vanaf dat moment hebben ze de bittere gevolgen daarvan de rest van hun leven gedragen. Als ze de moed – ja, de vroomheid – hadden gehad om te doen wat juist is, zou dat het keerpunt in hun leven zijn geweest, en zouden ze zichzelf duizend smarten hebben bespaard.

U hoeft geen filosoof te zijn of dikke boeken te raadplegen om te weten hoe u in moeilijke omstandigheden moet handelen. De juiste weg is simpelweg deze: vrees God en onderhoud Zijn geboden.

Ik ontvang voortdurend brieven waarin mij om specifiek advies wordt gevraagd in bijzonder benarde situaties. Dit baart mij dagelijks zorgen. Mensen vertellen mij over de pijnlijke dilemma’s waarmee zij worden geconfronteerd en vragen mij vaak om ergens een brief te schrijven zonder hun naam te vermelden. Welnu, zij hoeven mij nooit te schrijven over aflaten. Ik heb niet de macht om die te verlenen; al die moeite zou dus bespaard kunnen blijven.

Recht vooruit – dat is altijd de juiste weg. Hoewel iemands geweten flexibel kan zijn, is de wet van de HEERE onwankelbaar. “Wat? En alles verliezen wat ik bezit?” Ja; u zult minder verliezen door het goede te doen dan door het kwade te kiezen. Zelfs als iemand al zijn bezittingen verliest door te doen wat juist is, is dat nog altijd beter dan zijn ziel te verliezen door bewust rijkdom te verkiezen boven Gods gunst, of armoede te vermijden ten koste van zijn geweten.

Ik zal verstandig handelen,” zegt David. Maar hij wist ook dat de volmaakte weg – de weg van het goede, de weg van God – tevens de weg van de wijsheid is. Prins Otto von Bismarck had misschien een scherpe geest en een vooruitziende blik, en was misschien in staat om onder de meest gecompliceerde omstandigheden een weloverwogen beleid te bedenken; maar als u hem om advies zou vragen in een persoonlijke noodsituatie, zou hij u niets wijzer kunnen zeggen dan dit: handel rechtvaardig en eerlijk tegenover uw medemens, en wandel nederig met uw God.

Houd vast aan het eeuwige principe dat God heeft geopenbaard. Houd vast aan het heilige inzicht dat de Heilige Geest in elk wedergeboren hart werkt. Houd vast aan het voorbeeld van uw Heere en Meester, Die u met Zijn kostbare bloed heeft gekocht. En zelfs als het u inspanning zou kosten, ja, zelfs het leven zelf: “Het is beter voor u kreupel of verminkt tot het leven in te gaan, dan met twee handen of twee voeten in het eeuwige vuur geworpen te worden.” En: “Wat zal het een mens baten als hij heel de wereld wint en aan zijn ziel schade lijdt?” De volmaakte weg is de wijze weg, en de wijze weg is de volmaakte weg.

David voelde blijkbaar aan dat deze vastberadenheid hem grote inspanning en vastberadenheid zou kosten. Hij beschouwde het niet als iets oppervlakkigs. Hij had het vanuit elke hoek overwogen voordat hij zo nadrukkelijk zei: “Ik zal.” — „Ik zal verstandig handelen op de volmaakte weg.” Hoewel hij het niet met zoveel woorden zegt, klinkt hierin een heilig voornemen door, niet gebaseerd op zijn eigen kracht, maar op Gods hulp. Zijn verlangen was om wijs te leven; zijn vertrouwen rustte op Hem Wiens zaak hij diende.

De volgende woorden lijken te zeggen: “Ik heb meer genade nodig, en ik moet die ontvangen. Ik heb meer hulp nodig dan ik ooit in mijzelf kan vinden. Daarom moet ik elk middel van genade aanwenden en God aanroepen om mijn Helper te zijn; want wat het ook moge kosten, ik wil verstandig handelen op de volmaakte weg.”

Voor David was het karakter te kostbaar om lichtvaardig te worden behandeld. Het moest puur goud zijn; anders was het niets anders dan slakken en afval. De daden van een mensenleven zijn te zwaarwegend om als onbelangrijk te worden beschouwd. Het schokt mij diep – ik kan het niet anders zeggen – wanneer ik mensen hoor spreken over de leer van de genade, die mij even dierbaar is als het leven zelf, terwijl zij de principes wel hooghouden maar de praktijk van de godsvrucht verwaarlozen, zodat hun leven in tegenspraak is met hun belijdenis.

Ik heb mensen gekend die nooit zo vurig over theologie spraken als wanneer ze halfdronken waren, en die nooit zo standvastig in hun overtuigingen leken als wanneer ze nauwelijks nog op eigen benen konden staan. Zij zullen u dan vertellen dat goede werken niets betekenen en opscheppen over de vrije genade. Ach, geliefde vrienden, moge God u behoeden voor het lot van meneer Praatgraag, die weliswaar over de vrije genade kon spreken, maar nooit de kracht ervan heeft ervaren.

Want als de genade van God een mens niet behoedt voor dronkenschap, grof taalgebruik, oneerlijkheid in zaken, frivole en onreine grappen, laster jegens de naaste en bitterheid jegens medechristenen, dan moet die zogenaamde “genade” iets heel anders zijn dan de genade waarover ik in dit kostbare Boek lees. Dan is ofwel mijn begrip verkeerd, ofwel is uw belijdenis vals.

Gods genade wordt vrijelijk geschonken als het soevereine en unieke geschenk van de hemel; maar waar zij ook komt, verandert zij mensen. Zij openbaart zich in een heilig karakter. En als iemand tegen mij zou zeggen: „Karakter? Daar hecht ik niet veel waarde aan“, dan voel ik mij niet geneigd om veel waarde aan hem te hechten. Ik denk dat Rowland Hill gelijk had toen hij zei dat hij niet geloofde in iemands godsdienst als zelfs hun kat en hond er geen baat bij hadden – als het hele huishouden er niet de vruchten van plukte. Als uw geloof u, als werkgever, niet vriendelijker en zachtaardiger maakt tegenover uw personeel; als het u, als werknemer, niet respectvoller en ijveriger maakt; als het u, als handelaar, niet eerlijker en nauwgezetter maakt; als het u, als arbeider, niet oprechter maakt in uw werk – kortom, als het u niet moreler maakt (en dat is nog het minste), ja, als het u niet heiliger maakt (en dat is het hoogste), dan kunt u zich serieus afvragen of u werkelijk iets weet van Gods genade in uw hart.

David zei niet: “Welnu, ik ben gereinigd; Hij heeft mij witter dan sneeuw gemaakt en mij een rein hart en een standvastige geest gegeven – dat is genoeg. Wat doen mijn uiterlijke daden er nu nog toe? We worden immers niet door werken gered, maar alleen door genade.” Nee, dat is niet de taal van David, noch van enig waar kind van God. Zijn taal is deze: “Ik zal verstandig handelen.”

Ik heb wel eens horen zeggen dat waar veel over goede werken wordt gesproken, deze meestal niet te vinden zijn. Maar ik hoop dat waar veel over genade wordt gesproken, goede werken in feite in overvloed aanwezig zullen zijn. Want als goede werken niet uit het geloof voortkomen, dan is dat geloof – hoe indrukwekkend het ook mag lijken – dood, omdat het vruchteloos blijft. Moge God, geliefde vrienden, ervoor zorgen dat dit het vaste voornemen wordt van elk kind van God: “Ik zal verstandig handelen op de volmaakte weg.”

II. Maar nu wordt de tekst onderbroken. Er is een breuk; er is als het ware een stuk van een ander metaal ingelegd. HIER KLINKT DE UITROEP: “Wanneer zult U tot mij komen?“

Veel bezielde schrijvers verweven, zonder hun gedachtegang te onderbreken, hun betoog met gebed. Er is een oud spreekwoord dat zegt: “Knielen slijt geen zijden kousen.” Voor de predikant is het gebed wat voer is voor het paard: het versterkt hem en geeft hem moed om verder te gaan. Net zoals een schrijver even pauzeert om zijn pen te slijpen, of een maaiers zijn zeis nat maakt – niet om tijd te verspillen, maar juist om zijn werk effectiever te kunnen voortzetten – zo bevordert ook het gebed het werk in plaats van het te vertragen. Midden in zijn arbeid stilhouden om te bidden, betekent niet dat men ophoudt te werken, maar dat men beter leert werken.

Zo staat hier geschreven: “Wanneer zult U tot mij komen?” Daarmee bedoelt David: “Heere, ik verlang ernaar wijs te zijn; kom en leer mij. Ik wil mij op een volmaakte wijze verstandig gedragen; kom en heilig mij. Ik weet niet hoe ik moet handelen tenzij U mij onderwijst. Open mijn lippen, opdat ik Uw lof mag verkondigen. Leid mijn voeten, opdat ik in Uw geboden mag wandelen. Bewaar mijn ogen, opdat zij niet naar de zonde zien. Houd mijn hand terug van ongerechtigheid. Wanneer zult Gij tot mij komen? Ik heb de werking van Uw genade nodig om mij op Uw wegen te leiden. Heere, kom en leer mij.”

Verder bedoelt hij ook: “Heere, kom en sta mij bij. Als er nog enige heiligheid is die ik niet bereikt heb, kom dan, Heilige Geest, en hef mij daartoe op. Als er nog enige zonde is die ik niet overwonnen heb, kom dan, overwinnende Geest van heiligheid, en onderwerp dat kwaad. Wanneer zult Gij tot mij komen? Ik ben zwak; uit mijzelf kan ik niets doen. Maar wanneer Uw machtige hulp mij ondersteunt, word ik sterk en vermag ik alle dingen.”

Wanneer zult U tot mij komen?” — het is de roep van een ziel om goddelijke onderwijzing, goddelijke leiding en goddelijke bijstand. Maar het is ook, zo geloof ik, een diep verlangen naar goddelijke gemeenschap. Want, geliefden, wij wandelen nooit recht tenzij wij met God wandelen. Zoals ik eerder zei dat heiligheid ware wijsheid is, zo wil ik nu zeggen dat gemeenschap met God de moeder van de heiligheid is.

Wij moeten God aanschouwen als wij op Hem willen lijken. En als wij dag aan dag tevreden kunnen voortleven zonder een woord uit Gods mond te ontvangen, zonder gebed aan ons werk beginnen, thuiskomen en naar bed gaan zonder het aangezicht van onze hemelse Vader te zoeken, dan is het onmogelijk om verstandig te handelen. Het verwaarlozen van het gebed brengt een dodelijke wond toe aan het geestelijke leven.

Gemeenschap met God is zó wezenlijk, en het veronachtzamen ervan zó’n dwaasheid, dat het bijna belachelijk is wanneer iemand die het gebed nalaat toch beweert zich op een volmaakte wijze verstandig te gedragen. Godsvrucht is het hart van het leven. Dicht bij God leven — dáár gaat het om. Wanneer wij met Hem wandelen, wandelen wij in het licht; maar wanneer wij ons van Hem verwijderen, wandelen wij in de duisternis. Dat kan niet anders. En wie in de duisternis wandelt, zal struikelen. Misschien weet hij niet eens waarover hij struikelt, maar struikelen zal hij.

Alleen wie in het licht wandelt, kan zijn stappen veilig zetten en deze heerlijke waarheid ervaren: “Als wij in het licht wandelen, zoals Hij in het licht is, hebben wij gemeenschap met elkaar, en het bloed van Jezus Christus, Zijn Zoon, reinigt ons van alle zonde.” Zo worden wij in staat gesteld verstandig en oprecht te wandelen wanneer Zijn licht over ons schijnt.

Ik zal verstandig handelen, op de volmaakte weg. Wanneer zult U tot mij komen?” — dit klinkt mij ook als een uitdrukking van heilige vrees in de oren, alsof David zegt: “Heere, ik moet recht wandelen, want Gij komt. Ik ben een rentmeester; Gij zijt mijn Meester, en Gij komt om te zeggen: ‘Geef rekenschap van uw rentmeesterschap.’ Ik ben een dienaar; daarom moet ik acht geven op alles wat ik doe en hoe ik leef. Mijn Meester ziet mij, en Hij is onderweg om te vragen: ‘Wat hebt gij gedaan met het talent dat Ik u toevertrouwde? Hoe hebt gij het besteed?’”

Wanneer zult U tot mij komen?” De gedachte daaraan doet zijn ziel beven en brengt tranen in zijn ogen. Hij voelt hoe ernstig het is om eenmaal voor zijn Heere rekenschap te moeten afleggen. “Over een rentmeesterschap als het mijne,” lijkt hij te zeggen, “zal niet licht verantwoording afgelegd kunnen worden.” Ik ben soms jaloers op George Fox, die op zijn sterfbed deze opmerkelijke woorden sprak: “Ik ben vrij, ik ben vrij, ik ben vrij!” Ongetwijfeld bedoelde hij dat hij vrij was van het bloed van alle mensen. Wat een verheven zaak voor een predikant om dat te kunnen zeggen! Daarvoor is alle genade nodig die God een mens kan schenken.

En nu vraag ik u, vaders van gezinnen: als u zonder waarschuwing plotseling geroepen werd om rekenschap af te leggen, zou u dan tegenover de Heere kunnen zeggen dat u rein bent ten aanzien van uw kinderen? Moeders, kunt u zeggen dat u rein bent met betrekking tot uw zonen en dochters — wat betreft hun opvoeding en uw zorg voor hun zielen? Heren en dames, wat van uw personeel? Jonge mannen en jonge vrouwen, wat van degenen met wie u dagelijks omgaat en onder één dak leeft?

Als de Heere tot u zou zeggen: “Kom, geef rekenschap van het talent dat Ik u heb toevertrouwd; hoe hebt gij het gebruikt?”, zijn er dan niet sommigen onder u die het servet tevoorschijn zouden moeten halen waarin zij hun talent verborgen hielden totdat het verroestte?

Wanneer zult U tot mij komen?” — dat klinkt mij als een vraag vol heilige bezorgdheid. Heere, Gij kunt plotseling en onverwacht komen, want Gij hebt gezegd dat Gij verschijnen zult op een uur waarop men het niet verwacht. Ben ik gereed? Kan ik een goede rekenschap geven van mijn leven als Uw dienaar, van mijn wandel en handel?

Laat deze gedachten diep tot ons doordringen: “Ik zal verstandig handelen, op de volmaakte weg.” Dat kan alleen wanneer wij leven onder het oog van God. Want Uw oog, o mijn God, rust op mij, en Uw dag komt, waarop ik gewogen zal worden. Als ik dan tekortschiet, zal mijn toestand verschrikkelijk zijn. Andere ogen dan de mijne zullen mijn hart doorzoeken, en andere weegschalen dan die welke ik nu gebruik zullen het definitieve oordeel vellen en mijn eeuwige toestand bepalen. Moge God u genade schenken om uw leven naar Zijn wil in te richten. Dat kunt u niet zonder de kracht van de Heilige Geest. O, mocht het zo zijn dat, wanneer de Heere komt, u Hem met vreugde zult ontmoeten.

III. Nu komen we bij ons derde punt. Na een korte uitweiding over zijn toewijding keert hij met nog grotere ernst terug naar zijn voornemen. OP EEN ZEER PRAKTISCHE MANIER BRENGT HIJ ZIJN DOEL TOT UITING — “Ik zal binnen mijn huis wandelen met een oprecht hart.“

Met het oog op zijn huis en gezin, waarvoor hij een diepe verantwoordelijkheid en een innig verlangen voelde, richt David zich allereerst met grote zorg op de toestand van zijn eigen hart. “Behoed uw hart boven al wat te bewaren is, want daaruit zijn de uitgangen des levens.” Wat een wijze uitspraak is dat. Elisa reinigde de bron toen de waterstromen bedorven waren. Het heeft immers geen zin de beekjes te zuiveren wanneer de bron zelf vervuild is. De bron moet gezond worden gemaakt. Het hart moet recht zijn; dan zal ook het leven recht worden.

Juist thuis laten we ons hart het duidelijkst zien. Daar spreken we zoals we werkelijk zijn. In de wereld buiten ons huis is het vaak onverstandig om te veel van ons innerlijk prijs te geven. Sommigen van ons zeggen altijd wat er op dat moment in hun gedachten omgaat. Ze hebben nooit geleerd zich te beheersen en hebben daarom soms harde lessen moeten leren. Ongetwijfeld gaan mensen met een meer gereserveerd karakter vaak gemakkelijker door het leven dan degenen die van nature openhartig zijn. Maar thuis horen openheid en oprechtheid te heersen. Daarom is het des te noodzakelijker dat het hart gezond is, als we thuis oprecht willen leven.

Wanneer een man zegt: “Ik wil een goede echtgenoot en vader zijn,” of wanneer een vrouw zegt: “Ik wil een goede echtgenote of een trouwe dienstmaagd zijn,” dan is dat op zichzelf niet genoeg. Allereerst moet het hart vernieuwd worden. Is het hart recht, dan zullen de overige dingen vanzelf hun juiste plaats innemen. Wie op de juiste wijze wil leven, moet thuis een oprecht hart tonen: “Ik zal binnen mijn huis wandelen met een oprecht hart.” Het hart moet zuiver zijn, en vervolgens moet het zich ook uiten in woorden en daden.

Ik vind het verdrietig wanneer iemand in de heilige beslotenheid van zijn eigen huis zijn hart gesloten houdt. Ik kan begrijpen dat men zich in het openbaar terughoudend opstelt, omdat men daar soms meer onder tegenstanders dan onder vrienden verkeert. Maar thuis is zo’n gereserveerdheid misplaatst.

U kent wellicht het type mens wiens gastvrijheid eerder afstoot dan aantrekt. Ik ben wel eens bij zo iemand thuis geweest. Men zegt wel dat u welkom bent, maar u zou het niet denken als u zijn hand schudt: zijn hand ligt slap in de uwe als een dode vis. U probeert met hem te spreken, maar hij blijft koel en afstandelijk. Zelfs wanneer hij vriendelijk probeert te zijn, ontbreekt alle warmte in zijn woorden.

En kijk dan eens hoe hij zijn vrouw behandelt. Geen liefde. Hij is bang haar te verwennen. Ik herinner mij dat ik eens bij zo iemand thuis was. Terwijl ik met hem sprak, werd er zacht op de deur geklopt. Zijne hoogheid zei: “Binnen.” En wie kwam daar binnen? Zijn vrouw. Wat een schrijnend beeld van onderworpenheid! Dat een echtgenote eerst op de deur moest kloppen voordat zij binnen mocht komen, leek mij allesbehalve natuurlijk. Het werd mij al snel duidelijk dat zij in huis weinig meer was dan de voornaamste dienstbode. Zo zag hij haar, en zij had geleerd zichzelf ook zo te beschouwen.

Die man had geen hart. Wij spraken over een zoon die gestorven was. Het enige verdriet dat hij leek te voelen, was dat de jongen zo’n nuttige hulp in zijn zaken was geweest. Dat leek voor hem het voornaamste verlies te zijn. De man had geen hart!

Het is nog erger als u een harteloze vrouw tegenkomt. En zulke vrouwen bestaan echt: ze beweren christenen te zijn. Ik vraag me vaak af waarom de Heere iemand als ik heeft uitverkoren, maar ik ben nog meer verbaasd dat Hij iemand als hen heeft uitverkoren. Zij geven geen blijk van een christelijk karakter. Zij hebben geen gevoel; het zijn koude en harde mensen. Zij lijken te denken dat mensen niets meer zijn dan een stel tandwielen die met een vaste snelheid draaien. En de vastberaden vrouw smeert af en toe, bijna uit gewoonte, wat olie op de machine en laat die dan gewoon weer draaien. Het hart ontbreekt.

David wilde niet op die manier leven. O, een huis is zoveel rijker wanneer er een hart in woont! Een man is pas werkelijk een man — ja, hij lijkt dan meer op God — wanneer er een warm hart in zijn borst klopt. Wanneer hij thuiskomt, voelen zijn kinderen dat vader een hart heeft. Terwijl zij op zijn schoot klimmen en hem met kussen overladen, verheugen zij zich in zijn liefdevolle warmte. En wanneer hij zijn dierbaren begroet, vooral haar die het innigst met hem verbonden is, dan reikt zijn ziel verder dan zijn eigen kleine ik; zij omhelst als het ware het hele gezin en vervult het huis met leven en warmte.

O, geef mij een hart! Dat is wat David bedoelde toen hij zei dat hij zich verstandig wilde gedragen. Hij wilde in zijn eigen huis met een oprecht hart wandelen, hij wilde hartelijk zijn in alles wat hij deed en sprak. Nu wij hebben gezien dat het hart allereerst recht moet zijn en vervolgens zichtbaar moet worden in het leven, komen wij bij een volgende gedachte: het huiselijke leven zelf moet goed geordend zijn. “Ik zal binnen mijn huis wandelen met een oprecht hart.” De christen behoort in alle onderdelen van zijn huishouden nauwgezet te zijn. Welk vertrek van het huis hij ook betreedt, overal behoort hij voor Gods aangezicht te wandelen met een oprecht hart.

Ach, geliefde vrienden, hierin schieten veel belijdende christenen tekort. Ik ben er niet op uit om in uw huizen rond te neuzen; dat is niet de taak van een predikant. Het zou een droevige roeping zijn wanneer hij door sleutelgaten moest gluren om te zien hoe mensen zich thuis gedragen. Toch is er reden tot zorg dat sommigen die zich in het openbaar als heiligen voordoen, zich thuis als duivels gedragen.

Zo was het vroeger, en zo is het nog. Want thuis toont een mens wie hij werkelijk is. Dat is de eenvoudigste en tegelijk de betrouwbaarste toetssteen van het karakter. Als een man zijn gezin niet gelukkig maakt en als zijn voorbeeld thuis niet gekenmerkt wordt door heiligheid, dan mag hij nog zo vroom spreken — zijn godsdienst is armzalig, waardeloos en schadelijk. Hoe eerder hij van die schijn afziet, hoe beter het voor hem is, want dan kan hij eindelijk gaan beseffen wie hij werkelijk is en waar hij staat tegenover God.

In huis richt gebrek aan ware godsvrucht de grootste schade aan. Als een huichelaar zich in de wereld begeeft, wordt hij meestal spoedig ontmaskerd. Maar kleine Johnny, die zijn vader dagelijks observeert, bezit nog geen kritisch vermogen; wel heeft hij een sterk vermogen tot navolging. En kleine Polly zal niet zeggen: “Moeder is inconsequent.” Dat begrijpt zij nog niet. Zij neemt eenvoudig aan dat moeder gelijk heeft, en haar karakter wordt gevormd naar het voorbeeld dat zij ziet. Zo kunt u uw kinderen voor het leven beschadigen, tenzij Gods genade dit genadig voorkomt.

Thuis zijn ouders voor jonge kinderen als kleine goden. Ze leren hun gedragsregels van ons, en hun manier van doen wordt gevormd door het voorbeeld dat wij hen geven. Vooral in de huiselijke kring zou heiligheid duidelijk zichtbaar moeten zijn. Daar is zij het mooist, het nuttigst en het vruchtbaarst.

Voor sommigen van ons is het een grote zegen dat wij met diepe dankbaarheid kunnen terugdenken aan het voorbeeld van onze vader en moeder. Maar er zijn ook mensen die moeten zeggen: “Ik dank God dat ik verlost ben van de slechte invloed waaronder ik als kind leefde.” Laat uw kinderen dat nooit van u hoeven zeggen, geliefde vriend. Vraag God om genade, zodat u in uw huis mag wandelen met een volmaakt hart.

Want als wij thuis niet leven zoals wij behoren te leven, dan is dat, boven vele andere zwakheden en fouten uit, een van de meest beschamende kenmerken die een mens kunnen aankleven. In de wereld staan wij onder zekere druk; thuis echter zijn wij vrij. Ieders huis is zijn kasteel. En als iemand zelfs binnen zijn eigen muren niet voor God wandelt, dan wordt hij veroordeeld door de verdorvenheid van zijn karakter en gewoonten.

Buiten worden mensen nog enigszins in toom gehouden door de blik en het oordeel van anderen. Zij zijn daar vaak niet helemaal zichzelf, maar gedragen zich mede naar hoe zij willen overkomen. Zelfs in de kerk voelen zij nog enige terughoudendheid; de plaats en de samenkomst dwingen een zekere eerbied af. Maar thuis vallen alle maskers weg. Daar spreekt men vrijuit, volgt men zijn eigen voorkeuren en geeft men zich over aan zijn natuurlijke neigingen. Dáár blijkt wie een mens werkelijk is.

Vertel mij daarom niet welk gezicht u komende zondagmorgen zult opzetten. Dat interesseert mij minder. Ik vraag liever hoe u zich gedraagt op zaterdagavond. Hoe bent u thuis om half tien ’s avonds? Hoe zult u morgenochtend omgaan met uw gezin, uw personeel, uw werkgever, uw kinderen en uw buren? Als God u door Zijn oneindige genade en door de kracht van Zijn Heilige Geest helpt om juist dáár en juist dán met een volmaakt hart te wandelen, dan zult u een sieraad zijn voor de gemeente van God en een rijke zegen ontvangen voor uw eigen ziel.

Nu kunnen de zaken waarover ik heb gesproken misschien heel alledaags lijken, maar ze zijn van het grootste belang. Ik houd ervan de christelijke leer uit te leggen; ik houd ervan Gods beloften te ontvouwen. Dat is prachtig werk. Maar we hebben ook de geboden nodig. Een goddeloze kerk zal nooit echt bloeien; en als ze toch groeit, zal die groei uiteindelijk eerder een vloek dan een zegen blijken te zijn.

Ik geloof dat, naast de bediening van het Woord, het heilige leven van christelijke gezinnen – bewerkstelligd door de kracht van de Heilige Geest – de grootste kracht in deze wereld is. Laten wij in deze duistere wereld bolwerken van heilige mannen en vrouwen vestigen, met hun kinderen om hen heen; dan zal dat een middel zijn waarmee de wereld voor Christus wordt gewonnen. Ach, misschien spreek ik tot sommigen die nog geen deel hebben gehad aan de ware godsdienst. Het kan heel goed zijn dat u het hoofd van een gezin bent, en toch nog nooit serieus hebt nagedacht over deze kwestie van een wijs en godvruchtig leven. Laat mij u dan wijzen op hoe noodzakelijk dit is.

Ik heb mannen gekend die zelf een zeer goddeloos leven leidden, maar toch diep geschokt waren bij de gedachte dat hun kinderen zouden opgroeien in wereldsheid en ellende. Aan de andere kant heb ik ook mensen gekend die pas op latere leeftijd tot bekering kwamen en zichzelf nooit konden vergeven toen ze zagen hoe hun kinderen in zonde waren opgegroeid.

Ik herinner me nog levendig een arme vrouw die door mijn bediening tot geloof was gekomen en de Verlosser had gevonden. Ze verdiende de kost met het doen van de was. Toen ik haar bezocht, droogde ze haastig haar handen af voordat ze mij begroette. Terwijl ze over haar bekering sprak, welden de tranen in haar ogen op, en in diepe droefheid wrong ze haar handen terwijl ze zei: “Ik bleef achter met zes kleine kinderen toen mijn man stierf. Als eenzame weduwe werkte ik hard om hen op te voeden. Ik kreeg van niemand hulp, maar zorgde zelf voor hen. En nu is mijn zoon zo geworden, en mijn dochter zo…” Toen brak haar stem. “Maar,” zei ze, “ze hebben allemaal geen berouw – stuk voor stuk. En pas nadat ik zelf tot inkeer was gekomen, besefte ik dat ik de kans had gemist om invloed op hen uit te oefenen. Ik heb mijn kinderen nooit meegenomen naar het huis van God. Toen ik onlangs mijn oudste zoon vroeg om met mij mee te gaan, antwoordde hij: ‘Nee, moeder, u hebt ons vroeger nooit meegenomen; waarom zouden we nu gaan?’”
Dat was de zware last die op haar drukte, nu ze niet langer hoefde te worstelen voor het dagelijks brood van haar kinderen. O vaders en moeders, als u zich niet spoedig tot God wendt, zult u – zelfs als God u later genadig is – bitter verdriet lijden wanneer u ziet dat uw kinderen buiten uw invloed zijn opgegroeid en zonder God blijven leven.

En jullie, jonge mensen, die nog maar aan het begin van het leven staan: ik dring er bij jullie op aan om even stil te staan, na te denken en te overwegen. Misschien heeft God jullie juist hierheen geleid zodat deze waarschuwingen en raadgevingen jullie oren mogen bereiken. Onthoud: er is wijsheid nodig om het schip van het leven veilig door deze wereld te loodsen, en die wijsheid komt alleen van boven. O, als je nu maar je knieën zou buigen en zou zeggen: “Heere, schenk mij Uw genade. Geef mij een nieuw hart. Geef mij Christus als mijn Verlosser, en help mij om oprecht en op een volmaakte wijze te wandelen, totdat U mij in Uw heerlijkheid brengt om U van aangezicht tot aangezicht te aanschouwen.” Moge God dit gebed verhoren, omwille van Jezus. Amen.

Steun ons met een donatie

Uw steun helpt ons om Het Spurgeon Archief in stand te houden. Dankzij uw bijdrage kunnen wij ons werk voortzetten en dit waardevolle archief gratis aanbieden en vrijhouden van reclame en commerciële invloeden.

Wij danken u hartelijk voor uw steun en betrokkenheid!

Archiefhulpmiddelen

Contact

Heeft u een tekstfout gevonden, of heeft u een vraag? Stuur dan een E-mail naar: [email protected]

Over de Auteur

C.H. Spurgeon

1834 – 1892 Was een Engelse baptistenpredikant in de puriteinse traditie. Belangrijke onderwerpen uit zijn prediking waren de vergeving van zonden en de noodzaak van wedergeboorte.

Onze Socials:

Copyright & Content