Een preek uitgesproken op zondagochtend 1 juni 1856, door C. H. Spurgeon, in de New Park Street Chapel, Southwark.
Toen antwoordde Job de HEERE en zei: Zie, ik ben te gering. Job 39:36-37
(Toen antwoordde Job de Heere en zei: Zie, ik ben verachtelijk KJV)
Als er iemand het recht had om te zeggen: “Ik ben te gering”, dan was het zeker Job. Volgens Gods eigen getuigenis was hij immers “een vroom en oprecht man; hij was godvrezend en keerde zich af van het kwaad” (Zie: Job 1:1). Toch zien we dat zelfs deze grote heilige, toen zijn nabijheid tot God hem het nodige inzicht had gegeven over zijn eigen toestand, uitriep: “Zie, ik ben te gering.” Wij zijn ervan overtuigd dat wat Job moest erkennen, ook door ons allen moet worden bevestigd, of wij nu kinderen van God zijn of niet. En wanneer wij delen in de goddelijke genade, wordt dit voor ons een onderwerp van diepe bezinning, want zelfs wij, hoewel wedergeboren, moeten ieder persoonlijk uitroepen: “Zie, ik ben te gering.”
Ik ben er vast van overtuigd dat de Heilige Schrift duidelijk leert dat iemand die door Gods genade is gered, niet volledig is gereinigd van de verdorvenheid van zijn hart. Wanneer wij in Jezus Christus geloven, worden al onze zonden vergeven; toch houdt de macht der zonde, hoewel deze verzwakt en in toom gehouden wordt door de heerschappij van de nieuwe natuur die God in onze ziel werkt, niet op te bestaan. Zij blijft in ons aanwezig en zal dat blijven doen tot de dag dat wij sterven. Alle orthodoxe christenen bekennen dat de begeerten van het vlees nog steeds in de wedergeborenen aanwezig zijn, en dat het kwaad van de vleselijke natuur aanwezig blijft in de harten van hen die door Gods genade bekeerd zijn.
In de praktijk heb ik het vaak moeilijk gevonden om hier een duidelijk onderscheid te maken. Veel schrijvers, vooral degenen die geestelijke liederen componeren, verwarren de twee naturen van een christen. Toch ben ik ervan overtuigd dat er in elke christen twee naturen aanwezig zijn, die even duidelijk van elkaar te onderscheiden zijn als de twee naturen van de God-mens, Christus Jezus. Er is een natuur die niet kan zondigen, omdat zij uit God geboren is: een geestelijke natuur, rechtstreeks uit de hemel komende, zo zuiver en volmaakt als God Zelf, haar Schepper. Maar daarnaast is er ook die oude natuur in de mens, die door de zondeval van Adam volkomen verachtelijk, verdorven, zondig en duivels is geworden.
In het hart van de christen blijft een natuur bestaan die niet in staat is om het goede te doen, net zoals vóór de wedergeboorte, en die net zo slecht is als daarvoor – net zo zondig en net zo vijandig tegenover Gods wet als altijd. Deze natuur wordt, zoals ik al heb gezegd, sterk in toom gehouden door de nieuwe natuur, maar zij is niet verwijderd en zal nooit verdwijnen totdat deze aardse tent van ons vlees wordt afgebroken en wij het land binnengaan waar nooit iets onreins zal binnendringen. Vanmorgen wil ik spreken over die slechte natuur die nog steeds in de rechtvaardigen woont. Eerst zal ik trachten aan te tonen dat zij inderdaad blijft bestaan; daarna zal ik de overige punten behandelen naarmate wij verdergaan.
I. Het FEIT, het grote en ontzagwekkende feit, dat ZELFS DE RECHTVAARDIGEN EEN BOOSAARDIGE NATUUR IN ZICH MEEDRAGEN. Job zei: “Zie, ik ben te gering.”
III. Nu ik de werking van de inwonende zonde heb genoemd, wil ik in de derde plaats ingaan op HET GEVAAR WAARIN WIJ ONS BEVINDEN ALS GEVOLG VAN ZULKE BOZE HARTEN.
IV. En nu kom ik bij het vierde punt, namelijk: DE ONTDEKKING VAN ONZE VERDORVENHEID. Job zei: “Zie, ik ben te gering.”
Dat woord “zie” laat zien dat Job verbaasd was. De ontdekking kwam onverwacht. Er zijn momenten in het leven van Gods kinderen waarop zij uit eigen ervaring leren hoe verachtelijk zij werkelijk zijn. Zij hadden de prediker wel horen spreken over de kracht van de aangeboren zonde, maar misschien schudden zij hun hoofd en dachten: “Zo erg zal het bij mij toch niet zijn.” Maar na verloop van tijd ontdekten zij, door een helderder licht uit de hemel, dat het toch waar was — en toen moesten ook zij uitroepen: “Zie, ik ben te gering.”
Ik herinner mij dat ik enige tijd geleden preekte over een diepgaande tekst over het wanhopig verdorven hart van de mens. Een van mijn meest geliefde vrienden zei toen: “Dat heb ik nog nooit zo ontdekt.” En ik dacht bij mezelf: wat een genade, broeder — ik wou dat ik het ook nooit zo had hoeven leren. Want het is een ontzagwekkende ervaring.
Misschien zijn er hier velen die zeggen: “Ik vertrouw niet op mijn eigen gerechtigheid. Ik vertrouw op niets anders dan het bloed van Christus; maar toch heb ik de verdorvenheid van mijn hart nog niet zo leren kennen als u beschrijft.” Misschien nog niet, broeder; maar het kan zijn dat u dit nog zult ontdekken. Misschien hebt u een bijzonder karakter. Misschien heeft God u bewaard voor verleidingen die uw verdorvenheid aan het licht hadden gebracht. Of misschien heeft Hij u, in Zijn genade, een rustig leven gegeven, zodat u niet vaak door innerlijke strijd bent heen en weer geslingerd. Maar toch moet ik u zeggen: verwacht dat u, in de diepste schuilhoeken van uw hart, nog grotere diepten van verdorvenheid zult ontdekken.
Moge God u dan vertroosten en u, wanneer u uit de smeltoven komt, dieper dan ooit tevoren neerleggen aan de voeten van Zijn genadetroon. Ik geloof dat wij onze zondigheid het duidelijkst leren kennen wanneer wij de dichtste gemeenschap met God hebben. Job had nog nooit zo’n openbaring van God ontvangen als op dat moment. God sprak tot hem vanuit de wervelwind, en toen zei Job: “Ik ben te gering.” Het is niet in tijden van ongeloof of wanhoop dat wij onze verdorvenheid het diepst leren kennen. Dan zien wij er wel iets van, maar niet alles. Nee, het is wanneer Gods genade ons helpt de berg te beklimmen, wanneer wij dicht bij God komen en Hij Zich aan ons openbaart, dat wij ontdekken hoe onrein wij zijn in Zijn ogen.
Wij zien een glimp van Zijn verheven majesteit. Wij zien als het ware de schittering van Zijn gewaad – verduisterd door een licht dat ondraaglijk is – en nadat wij door dat gezicht verblind zijn, vallen wij neer. Net zoals een arend, verblind door de vurige schittering van de zon, vanuit de hoogte naar de aarde stort, zo is het ook met de gelovige. Hij stijgt op naar God, maar wordt vervolgens diep vernederd. “Zie,” zegt hij dan, “ik ben te gering. Ik zou dit nooit hebben geweten als ik God niet had gezien. Maar nu ik Hem heb aanschouwd, zie ik werkelijk wie ik ben.”
Niets openbaart duisternis zo sterk als licht. Als ik de zwartheid van mijn eigen hart wil zien, moet ik die naast volmaakte reinheid plaatsen. En wanneer de Heere ons een bijzonder gezicht van Zichzelf schenkt, een zoete gemeenschap met Zijn gezegende Persoon, dan leert de ziel — op een wijze die zij nooit eerder gekend heeft — misschien met een diepere smart dan zelfs bij haar eerste overtuiging van zonde: “Zie, ik ben te gering.” Het behaagt God om dit te doen. Opdat wij niet “bovenmate verheven zouden worden door de overvloed van de openbaringen”, zendt Hij ons een “doorn in het vlees”, zodat wij onszelf leren kennen nadat wij Hem hebben gezien.
Er zijn veel mensen die hun eigen verdorvenheid pas echt leren kennen nadat het bloed van Christus op hun geweten is gesprenkeld — soms zelfs pas nadat zij al jarenlang Gods kinderen zijn geweest. Ik hoorde eens van een christen die vergeving had ontvangen voordat hij een diep besef van zonde had gekregen. Hij zei: “Ik voelde mijn verachtelijkheid niet werkelijk totdat ik die stem hoorde: ‘Ik, Ik ben het die uw overtredingen uitdelg.’ Toen pas begon ik te beseffen hoe zwart ik geweest was. Ik dacht niet aan mijn vuilheid totdat ik zag dat ik gewassen was.”
Ik denk dat veel van Gods kinderen dit herkennen. Voor hun bekering hadden zij wel enig besef van hun duisternis, maar pas daarna beseften zij hoe diep hun verdorvenheid werkelijk was. Toen dachten zij: „Hoe groot moet mijn zonde geweest zijn, dat ik zo’n Verlosser nodig had! Hoe hopeloos mijn onreinheid, dat ik zo’n reiniging nodig had! Hoe verschrikkelijk mijn schuld, dat alleen het bloed van Christus daarvoor genoegzame verzoening kon geven!”
U kunt er zeker van zijn: hoe meer u van God en van Christus leert kennen, hoe meer u ook uzelf zult leren kennen. En dan zult u opnieuw moeten zeggen: “Zie, ik ben te gering” — verachtelijk op een wijze die u vroeger nooit had kunnen vermoeden of voorstellen. “Zie, ik ben te gering!” Ja, werkelijk te gering!
Velen van u denken misschien nog steeds dat wat ik zeg over de zondige natuur overdreven is. Misschien denkt u dat Gods genade de oude natuur volledig heeft weggenomen. Maar als u dat denkt, kent u nog maar weinig van het geestelijke leven. Het zal niet lang duren voordat u ontdekt dat de oude Adam nog even krachtig in u aanwezig is als altijd. Tot aan uw sterfdag zal er in uw hart een strijd blijven woeden. De genade zal uiteindelijk overwinnen, maar niet zonder zuchten, tranen, worstelingen, innerlijke strijd en een dagelijks sterven aan uzelf.
V. Op deze wijze laat God ons onze eigen verdorvenheid zien. Welnu, als het waar is dat wij nog steeds verdorven zijn, WAT ZIJN DAN ONZE PLICHTEN? Laat mij hier plechtig spreken tot u die erfgenamen van het eeuwige leven bent. Als broeder in Christus Jezus wil ik u aansporen tot enkele belangrijke plichten, juist omdat de verdorvenheid nog steeds in uw hart aanwezig is.


