De inwonende zonde

Een preek uitgesproken op zondagochtend 1 juni 1856, door C. H. Spurgeon, in de New Park Street Chapel, Southwark.

Copyright © Het Spurgeon Archief | Portret C.H. Spurgeon

Toen antwoordde Job de HEERE en zei: Zie, ik ben te gering. Job 39:36-37
(Toen antwoordde Job de Heere en zei: Zie, ik ben verachtelijk KJV)

Als er iemand het recht had om te zeggen: “Ik ben te gering”, dan was het zeker Job. Volgens Gods eigen getuigenis was hij immers “een vroom en oprecht man; hij was godvrezend en keerde zich af van het kwaad” (Zie: Job 1:1). Toch zien we dat zelfs deze grote heilige, toen zijn nabijheid tot God hem het nodige inzicht had gegeven over zijn eigen toestand, uitriep: “Zie, ik ben te gering.” Wij zijn ervan overtuigd dat wat Job moest erkennen, ook door ons allen moet worden bevestigd, of wij nu kinderen van God zijn of niet. En wanneer wij delen in de goddelijke genade, wordt dit voor ons een onderwerp van diepe bezinning, want zelfs wij, hoewel wedergeboren, moeten ieder persoonlijk uitroepen: “Zie, ik ben te gering.”

Ik ben er vast van overtuigd dat de Heilige Schrift duidelijk leert dat iemand die door Gods genade is gered, niet volledig is gereinigd van de verdorvenheid van zijn hart. Wanneer wij in Jezus Christus geloven, worden al onze zonden vergeven; toch houdt de macht der zonde, hoewel deze verzwakt en in toom gehouden wordt door de heerschappij van de nieuwe natuur die God in onze ziel werkt, niet op te bestaan. Zij blijft in ons aanwezig en zal dat blijven doen tot de dag dat wij sterven. Alle orthodoxe christenen bekennen dat de begeerten van het vlees nog steeds in de wedergeborenen aanwezig zijn, en dat het kwaad van de vleselijke natuur aanwezig blijft in de harten van hen die door Gods genade bekeerd zijn.

In de praktijk heb ik het vaak moeilijk gevonden om hier een duidelijk onderscheid te maken. Veel schrijvers, vooral degenen die geestelijke liederen componeren, verwarren de twee naturen van een christen. Toch ben ik ervan overtuigd dat er in elke christen twee naturen aanwezig zijn, die even duidelijk van elkaar te onderscheiden zijn als de twee naturen van de God-mens, Christus Jezus. Er is een natuur die niet kan zondigen, omdat zij uit God geboren is: een geestelijke natuur, rechtstreeks uit de hemel komende, zo zuiver en volmaakt als God Zelf, haar Schepper. Maar daarnaast is er ook die oude natuur in de mens, die door de zondeval van Adam volkomen verachtelijk, verdorven, zondig en duivels is geworden.

In het hart van de christen blijft een natuur bestaan die niet in staat is om het goede te doen, net zoals vóór de wedergeboorte, en die net zo slecht is als daarvoor – net zo zondig en net zo vijandig tegenover Gods wet als altijd. Deze natuur wordt, zoals ik al heb gezegd, sterk in toom gehouden door de nieuwe natuur, maar zij is niet verwijderd en zal nooit verdwijnen totdat deze aardse tent van ons vlees wordt afgebroken en wij het land binnengaan waar nooit iets onreins zal binnendringen. Vanmorgen wil ik spreken over die slechte natuur die nog steeds in de rechtvaardigen woont. Eerst zal ik trachten aan te tonen dat zij inderdaad blijft bestaan; daarna zal ik de overige punten behandelen naarmate wij verdergaan.

I. Het FEIT, het grote en ontzagwekkende feit, dat ZELFS DE RECHTVAARDIGEN EEN BOOSAARDIGE NATUUR IN ZICH MEEDRAGEN. Job zei: “Zie, ik ben te gering.”

Hij was zich daar niet altijd van bewust. Tijdens de lange strijd hield hij zichzelf voor rechtvaardig en oprecht. Hij zei: “Ik zal aan mijn gerechtigheid vasthouden, en zal haar niet loslaten.” Hoewel hij zijn lichaam met een potscherf openkrabde en zijn vrienden zijn ziel kwelden met hun bitterste verwijten, bleef hij toch vasthouden aan zijn onschuld en wilde hij zijn zonde niet erkennen. Maar toen God Zelf kwam om met hem te spreken, hoefde Job slechts Gods stem uit de wervelwind te horen en de vraag: “Zou de Rechter van de ganse aarde niet rechtvaardig handelen?”, alvorens hij zijn hand voor zijn mond sloeg en niet meer durfde te antwoorden. Hij zei slechts: “Zie, ik ben te gering.”

Misschien zullen sommigen zeggen dat Job een uitzondering was, en dat andere heiligen minder reden hadden zich te vernederen. Maar laat hen dan denken aan David en Psalm 51 lezen. Daar belijdt David dat hij in ongerechtigheid geboren is en dat zijn moeder hem in zonde ontvangen heeft. Daarmee erkent hij dat de zonde in hem woont. Ook op vele andere plaatsen in de Psalmen belijdt David steeds opnieuw dat hij niet volkomen vrij is van zonde, maar dat de oude slang zich nog steeds om zijn hart kronkelt.

Sla ook eens het boek van Jesaja open. Daar ziet u hem in een van zijn visioenen uitroepen dat hij een man met onreine lippen is en woont te midden van een volk met onreine lippen. En vooral onder de bedeling van het evangelie vinden wij Paulus, die in het hoofdstuk dat wij hebben gelezen verklaart dat hij in zijn leden “een andere wet” vindt, die strijd voert tegen de wet van zijn verstand en hem gevangenneemt onder de wet van de zonde. Daarom roept hij uit, in diepe innerlijke strijd en smart: “Ik ellendig mens, wie zal mij verlossen uit het lichaam van deze dood?”

Verwacht u soms heiliger te zijn dan Job? Denkt u dat de belijdenis van David beneden u staat? Bent u te trots om met Jesaja uit te roepen: “Ook ik ben een mens met onreine lippen”? Of bent u in uw hoogmoed zelfs zover gegaan dat u zich boven de apostel Paulus verheft en meent dat er in uw vlees iets goeds woont? Als u denkt geheel zonder zonde te zijn, luister dan naar het Woord van God: “Als wij zeggen dat wij geen zonde hebben, misleiden wij onszelf en is de waarheid niet in ons.” En opnieuw: “Als wij zeggen dat wij niet gezondigd hebben, maken wij Hem tot leugenaar .”

Toch hoef ik dit nauwelijks te bewijzen, geliefden, want ieder die iets kent van het leven van een waar kind van God, heeft ontdekt dat de zonde zelfs in de beste en gelukkigste ogenblikken nog in hem woont. Juist wanneer u God het meest wilt dienen, merkt u vaak dat de zonde het krachtigst werkzaam is. Er zijn veel heiligen geweest die zich een tijdlang onthielden van alles waarvan zij wisten dat het zonde was, maar er is nooit iemand geweest die innerlijk volmaakt was.

Als een mens werkelijk volmaakt zou zijn, zouden de engelen binnen korte tijd neerdalen om hem naar de hemel te brengen, want hij zou rijp zijn voor de heerlijkheid zodra hij die volmaaktheid bereikt had. Het is mij opgevallen dat mensen die veel over volmaaktheid praten, er uiteindelijk zelf niet echt in geloven. Ze maken zich het woord eigen, geven het een andere betekenis, en verdedigen vervolgens ofwel een leerstelling die wij al lang erkennen, ofwel stellen zij zich een soort volmaaktheid voor die zo oppervlakkig en waardeloos is dat het nauwelijks de moeite waard is. Voor velen ligt het probleem, denk ik, meer in hun verstand dan in hun hart; en zoals John Berridge zei: “God zal hun verstand zuiveren voordat zij de hemel binnengaan.”

Maar waarom zou ik hier langer bij stilstaan, terwijl u zelf dagelijks het bewijs ervan ervaart? Hoe vaak merkt u niet dat de verdorvenheid nog in u leeft? Let eens op hoe gemakkelijk u tot zonde wordt verleid. U staat ’s morgens op, wijdt uzelf in vurig gebed aan God en denkt: “Wat zal dit een gezegende dag worden.” Maar nauwelijks hebt u gebeden, of er gebeurt iets dat uw gedachten verwart. Uw goede voornemens verdwijnen en u zegt: “Deze dag, waarvan ik dacht dat hij zo gelukkig zou zijn, is verstoord; ik kan niet voor God leven zoals ik verlang.”

Misschien hebt u gebeden: “Heere, bewaar mij vandaag.” En inderdaad, in het algemeen werd u door Gods kracht bewaard. Maar plotseling gebeurde er iets onverwachts. Een verkeerde stemming overviel u; uw hart werd als door een verrassingsaanval ingenomen; de poorten werden opengebroken; een onheilig woord kwam over uw lippen; en opnieuw viel u in stilte op uw knieën met de belijdenis: “Heere, ik ben te gering.”

Ik heb ontdekt dat er in mijn hart iets leeft dat, zelfs wanneer ik denk dat alles veilig is en alle deuren gesloten zijn, toch naar buiten sluipt, de grendels losmaakt en de zonde binnenlaat. En zelfs wanneer u niet onverwacht tot zonde wordt verleid, zult u in uzelf zo’n sterke neiging tot het kwaad ontdekken dat het u alle moeite kost om haar in bedwang te houden en te zeggen: “Tot hiertoe en niet verder.”

Ja, u zult merken dat u daar zelf niet tegen opgewassen bent, tenzij goddelijke kracht u ondersteunt en Gods genadige barmhartigheid uw hartstochten in toom houdt en u ervan weerhoudt toe te geven aan uw zondige verlangens. Ach, soldaten van Jezus, u hebt de opstanden van de verdorvenheid gevoeld – daar ben ik van overtuigd – want u kent de Heere in oprechtheid en waarheid. Daarom durft u niet te hopen dat u in deze wereld ooit geheel vrij van zonde zult zijn, tenzij u uzelf voor uw eigen geweten tot leugenaars zou maken.

Nu ik dit feit heb vastgesteld, wil ik er nog één opmerking over maken. Het is zo verkeerd om de zondigheid van ons hart als excuus voor onze zonden te gebruiken. Ik heb mensen gekend die zichzelf christenen noemen en toch lichtzinnig over zonde spreken. Ze zeiden: “Er zit nu eenmaal nog verdorvenheid in mij, dus ik kan er niets aan doen.“ Zulke mensen geven geen zichtbaar bewijs dat zij deel uitmaken van Gods verbond.

Het ware kind van God haat juist de zonde die nog in hem woont. Zij is voor hem een bron van smart en ellende. Hij gebruikt de verdorvenheid van zijn hart nooit als verontschuldiging voor de verdorvenheid van zijn leven. Hij beroept zich nooit op zijn zondige natuur om zijn verkeerde daden goed te praten.

Wanneer iemand zichzelf ook maar enigszins vrijspreekt van schuld voor zijn dagelijkse tekortkomingen, door te verwijzen naar het kwaad in zijn hart, behoort hij niet tot Gods kinderen die een gebroken geest hebben. Hij behoort niet tot de beproefde dienaren van de Heere. Want zij zuchten onder de zonde, brengen deze voortdurend voor Gods troon, erkennen dat deze in hen woont, maar geven haar geen vrije loop. Integendeel, zij strijden er met heel hun hart tegen, opdat zij hen niet meesleept en overwint. Let hier goed op, opdat niemand mijn woorden misbruikt als dekmantel voor losbandigheid of als excuus voor schuld.

II. Wij hebben dus gezien dat zelfs de beste mensen nog altijd zonde in zich dragen. Nu wil ik u laten zien wat die zonde in ons teweegbrengt. Wat doet de zonde die nog steeds in ons hart woont? Ik antwoord:

1. De ervaring leert dat deze zonde een remmende kracht uitoefent op al het goede. U hebt ongetwijfeld ervaren dat, wanneer u het goede wilde doen, het kwade bij u aanwezig was. Zoals een wagen die snel een heuvel af zou kunnen rijden, maar waarvan de wielen geblokkeerd worden, zo hebt u gevoeld dat iets u tegenhield. Of zoals een vogel die naar de hemel wil opstijgen, maar door de tralies van een kooi wordt tegengehouden, zo hebt u gemerkt dat uw zonden u verhinderen op te stijgen tot God.

U boog uw knieën in gebed, maar verdorvenheid leidde uw gedachten af. U wilde God loven, maar u voelde de lofzangen op uw lippen verstommen. Een ingeving van satan viel als een vonk op droog tondel en vulde uw ziel met verstikkende rook. U wilde uw heilige plichten met ijver vervullen, maar de zonde die u zo gemakkelijk in haar greep krijgt, bracht u ten val net toen u uw doel naderde, tot uw eigen verdriet en schande.

U zult merken dat de inwonende zonde u vaak het meest tegenwerkt wanneer u het ernstigst verlangt om dicht bij God te leven. Juist wanneer u het meest levend voor God wilt zijn, blijkt de zonde het levendigst om u terug te dringen. Het “boze hart van ongeloof” gaat voor u staan en zegt: “Gij zult deze weg niet gaan.” Wanneer de ziel zegt: “Ik wil God dienen en Hem aanbidden in Zijn tempel”, antwoordt het boze hart: “Ga liever naar Dan en Berseba om valse goden te dienen, maar gij zult Jeruzalem niet naderen; ik zal u niet toestaan het aangezicht van de Allerhoogste te zoeken.”

U hebt dit ongetwijfeld zelf ervaren. Terwijl uw hart brandde van liefde, gebed en toewijding, werd er ineens een koude hand op gelegd. Toen u dacht dat u, als een duif, kon wegvliegen om rust te vinden, bleek er een gewicht aan uw voeten gebonden waardoor u niet kon opstijgen. Dat is één van de gevolgen van de inwonende zonde.

2. Maar de inwonende zonde doet meer dan ons alleen maar hinderen; soms valt zij ons zelfs actief aan. Het is niet alleen zo dat ik tegen de inwonende zonde worstel; soms valt de inwonende zonde mij aan. Merk op dat de apostel zegt: “Ik ellendig mens! Wie zal mij verlossen uit dit lichaam des doods?” Hiermee maakt hij duidelijk dat hij niet de aanvallende partij was, maar dat de zonde hem aanviel. Men vraagt immers niet om verlossing van een vijand die men achtervolgt, maar van een vijand die zich tegen hem keert.

Zo valt de zonde die in gelovigen woont ons soms aan als een roofdier uit het woud of als een demon die jaloers is op het hemelse leven in ons. De oude natuur komt in opstand. Zij probeert ons niet alleen te hinderen, maar wil ons — zoals Amalek Israël aanviel — zelfs vernietigen en het geestelijke leven in ons uitroeien. Hebt u ooit zulke aanvallen van de aangeboren zonde ervaren? Misschien nog niet; maar als dat zo is, wees er dan zeker van dat het nog zal gebeuren. Voordat u de hemel bereikt, zult u door de zonde worden aangevallen. Het zal niet alleen gaan om het verdrijven van de Kanaänieten; de Kanaänieten zullen met hun ijzeren strijdwagens proberen u te overmeesteren, uw geestelijke leven te verstikken, de vlam van uw godsvrucht te doven en het nieuwe leven dat God in u heeft geplant te vernietigen.

3. Het boze hart dat nog in de christen woont, blijft voortdurend aanwezig, ook wanneer het niet openlijk aanvalt of hindert. Mijn hart is even slecht wanneer er geen zichtbaar kwaad uit voortkomt, als wanneer het zich in uiterlijke zonden openbaart. Een vulkaan blijft een vulkaan, ook wanneer hij slaapt — vertrouw hem niet. Een leeuw blijft een leeuw, zelfs wanneer hij speelt als een welp. Een slang blijft een slang, ook wanneer zij stil ligt en haar glanzende schubben het oog verleiden; haar gif is nog steeds aanwezig.

Zo is ook mijn hart. Zelfs als het een tijdlang geen slechte gedachte voortbrengt, blijft het toch slecht. Stel dat ik dagenlang geen enkele verleiding uit mijn eigen hart zou ervaren, dan nog zou mijn natuur even verdorven zijn als tevoren. Het hart toont óf zijn slechtheid openlijk, óf het bereidt zich voor op een nieuwe uitbarsting ervan. Het laadt als het ware zijn kanonnen om opnieuw op ons te schieten, of het voert al oorlog tegen ons. Het hart verandert nooit van aard. De oude natuur blijft slecht; en wanneer zij niet brandt, verzamelt zij brandstof om later opnieuw te ontvlammen. Zelfs uit mijn vreugden, mijn gebeden, mijn heiligheid en alles wat ik doe, verzamelt zij materiaal om mij later aan te vallen.

De oude natuur is niets anders dan kwaad — voortdurend kwaad, zonder enige vermenging van goed. Daarom moet de nieuwe natuur er voortdurend tegen strijden. En zelfs wanneer die strijd tijdelijk niet zichtbaar is, betekent dat niet dat er vrede bestaat; de twee naturen blijven vijanden van elkaar. Wij mogen ons hart daarom nooit vertrouwen. Zelfs wanneer het de mooiste woorden spreekt, moeten wij het wantrouwen. En wanneer het zich van zijn beste kant laat zien, moeten wij toch bedenken wat het in werkelijkheid is: slecht, en dat voortdurend.

Ik zal niet verder uitweiden over de werking van de inwonende zonde. Het is genoeg dat u hierin iets van uw eigen ervaring herkent, zodat u ziet dat uw ervaringen overeenkomen met die van Gods kinderen. Dan zult u, hoe oprecht u ook bent, toch samen met Job moeten uitroepen: “Zie, ik ben te gering.”

III. Nu ik de werking van de inwonende zonde heb genoemd, wil ik in de derde plaats ingaan op HET GEVAAR WAARIN WIJ ONS BEVINDEN ALS GEVOLG VAN ZULKE BOZE HARTEN.

Er zijn maar weinig mensen die beseffen wat een plechtig iets het is om christen te zijn. Ik denk dat er geen enkele gelovige ter wereld is die beseft wat voor een wonder het is om als gelovige bewaard te blijven. Wij staan nauwelijks stil bij de wonderen die ons dagelijks omringen. Wij zien de bloemen groeien, maar denken zelden aan de wonderbare kracht die hun leven schenkt. Wij zien de sterren aan de hemel schitteren, maar hoe weinig denken wij aan de hand die hen leidt. De zon verheugt ons met haar licht, maar wij staan nauwelijks stil bij de wonderen waarmee God haar onderhoudt en haar als een sterke held haar baan laat volbrengen.

Op dezelfde manier zien we christenen die in oprechtheid en heiligheid leven, zonder te beseffen wat voor een wonder een christen werkelijk is. Elke dag worden er een christen evenveel wonderen getoond als er haren op zijn hoofd zijn. Een christen is een voortdurend wonder van Gods genade. Elk uur waarin ik van de zonde wordt weerhouden, is een uur waarin goddelijke kracht werkzaam is, net zoals toen de pas geschapen wereld nog in duisternis gehuld was en de morgensterren tezamen zongen. Heeft u er ooit over nagedacht welk groot gevaar een christen loopt vanwege de inwonende zonde? Ik zal het u uitleggen.

Een van de gevaren waaraan wij door de inwonende zonde blootstaan, is dat die zonde in ons woont en daarom grote macht over ons heeft. Wanneer een kapitein een stad verdedigt, kan hij zich vaak lange tijd staande houden tegen vijanden van buitenaf. Zijn muren kunnen sterk zijn en zijn poorten goed bewaakt, zodat hij de aanvallen van de belegeraars nauwelijks vreest. Maar stel dat er binnen de stad een verrader aanwezig is — iemand die de sleutels bezit en de poorten voor de vijand kan openen — hoe zwaar wordt dan de taak van die bevelhebber! Dan moet hij niet alleen letten op vijanden buiten de muren, maar ook op verraders binnenin.

Zo is het ook met de christen. Ik zou de duivel kunnen weerstaan; ik zou elke verzoeking van buiten kunnen overwinnen, als ik niet een vijand in mijn eigen hart had. De zondige krachten van binnen doen satan vaak meer dienst dan alle verzoekingen van buitenaf. Zoals Bunyan in De Heilige Oorlog beschrijft: de vijand probeerde vrienden binnen de stad Mensenziel te krijgen, omdat degenen binnen de muren hem meer voordeel brachten dan allen daarbuiten. Ach, christenen, u zou uw vijanden van buiten kunnen trotseren, ware het niet dat u uw eigen boze hart met u meedraagt. Want uw hart bewaart de sleutels; daaruit komen immers de bronnen van het leven voort. En juist daar woont de zonde. Het grootste gevaar dat u bedreigt, is het verraad van uw eigen hart.

Bedenk bovendien, christen, hoeveel bondgenoten uw zondige natuur heeft. Uw nieuwe, geestelijke leven vindt maar weinig vrienden in deze wereld; maar uw oude natuur heeft overal medestanders. Zij kijkt neer naar de hel en vindt daar demonen die bereid zijn de honden van de hel op uw ziel los te laten. Zij kijkt naar de wereld en ziet de begeerte van het vlees, de begeerte van de ogen en de hoogmoed van het leven. Zij ziet mensen om zich heen die, als het mogelijk was, u van uw standvastigheid zouden afbrengen. Zij kijkt zelfs naar de kerk en vindt daar valse leerstellingen die klaarstaan om de begeerten van het hart aan te wakkeren en de ziel af te trekken van de eenvoud van het geloof. Zij kijkt naar het lichaam en ziet hoofd, handen, voeten en alle andere ledematen gereed om zich aan de zonde over te geven.

Ik zou mijn verdorven hart misschien nog kunnen overwinnen als het niet zoveel bondgenoten had; maar mijn gevaar is dubbel zo groot omdat de vijanden buiten de poorten verbonden zijn met een nog gevaarlijkere vijand van binnen. En laat mij u nog aan iets anders herinneren, christen: deze verdorven natuur in u is buitengewoon sterk en machtig – sterker zelfs dan de nieuwe natuur, als die nieuwe natuur niet door goddelijke kracht zou worden ondersteund. Hoe oud is mijn oude natuur? De bejaarde heilige zou kunnen antwoorden: “Zo oud als ikzelf; en door de jaren heen is zij alleen maar sterker geworden.”

Er is namelijk één ding dat door ouderdom zelden zwakker wordt: de oude Adam. Hij is op hoge leeftijd even krachtig als in de jeugd en even goed in staat ons te misleiden wanneer ons hoofd grijs geworden is als toen wij jong waren. Men zegt soms dat groeien in genade onze verdorvenheid minder krachtig maakt. Maar ik heb oude heiligen van God hierover gesproken, en zij antwoordden ontkennend. Hun begeerten waren in wezen even sterk gebleven als vroeger, al werden zij meer beteugeld door het nieuwe leven dat God in hen gewerkt had.

Sterker nog, ik ben ervan overtuigd dat de zonde juist aan kracht wint. Iemand die bedrieglijk leeft, wordt door zijn bedrog steeds bedrieglijker. Zo is het ook met ons hart. Aanvankelijk misleidde het ons al gemakkelijk, maar nu het duizend listen heeft geleerd, kan het ons misschien nog gemakkelijker misleiden dan vroeger. Onze geestelijke natuur is wel gegroeid in genade, maar de oude natuur heeft weinig van haar kracht verloren.

Ik weet niet of het huis van Saul in ons hart werkelijk zwakker wordt; ik weet wel dat het huis van David sterker wordt. Maar ik weet niet of mijn hart minder verdorven wordt of mijn begeerten werkelijk zwakker worden. Ik geloof zelfs dat, wanneer ik ooit zou denken dat mijn verdorvenheden geheel gestorven zijn, ik onmiddellijk een stem zou horen roepen: “De Filistijnen over u, Simson!” Ja, ondanks alle eerdere overwinningen en ondanks alle zonden die ik misschien reeds overwonnen heb, zou ik alsnog ten val komen als Gods almachtige genade mij niet bewaarde.

Christen, besef daarom uw gevaar! Geen soldaat op het slagveld loopt zoveel gevaar door kogels als u door uw eigen zonde. U draagt in uw ziel een verrader met u mee. Zelfs wanneer hij vriendelijk spreekt, is hij niet te vertrouwen. In uw hart sluimert een vulkaan — een vulkaan met een verschrikkelijke kracht, die uw hele bestaan kan doen schudden. En tenzij God u bewaart, bezit u een hart dat u kan meeslepen tot de meest afschuwelijke zonden en de schandelijkste misdaden. Wees daarom waakzaam — o, wees waakzaam, christenen! Zelfs als er geen duivel was om u te verzoeken en geen wereld om u te verleiden, dan nog zou u uw eigen hart moeten vrezen. Let daarom goed op uw innerlijk leven. Uw gevaarlijkste vijanden bevinden zich binnen uw eigen huis.

“Bewaar uw hart boven al wat te bewaren is, want daaruit zijn de uitgangen van het leven.” Maar daaruit kan ook de dood voortkomen — een dood die u zou veroordelen, als Gods soevereine genade dat niet verhinderde. Moge God geven, mijn broeders, dat wij onze verdorvenheid op een zachte en vernederende manier leren kennen, en haar niet pas ontdekken wanneer zij uitbreekt in openlijke zonde.

IV. En nu kom ik bij het vierde punt, namelijk: DE ONTDEKKING VAN ONZE VERDORVENHEID. Job zei: “Zie, ik ben te gering.”

Dat woord “zie” laat zien dat Job verbaasd was. De ontdekking kwam onverwacht. Er zijn momenten in het leven van Gods kinderen waarop zij uit eigen ervaring leren hoe verachtelijk zij werkelijk zijn. Zij hadden de prediker wel horen spreken over de kracht van de aangeboren zonde, maar misschien schudden zij hun hoofd en dachten: “Zo erg zal het bij mij toch niet zijn.” Maar na verloop van tijd ontdekten zij, door een helderder licht uit de hemel, dat het toch waar was — en toen moesten ook zij uitroepen: “Zie, ik ben te gering.”

Ik herinner mij dat ik enige tijd geleden preekte over een diepgaande tekst over het wanhopig verdorven hart van de mens. Een van mijn meest geliefde vrienden zei toen: “Dat heb ik nog nooit zo ontdekt.” En ik dacht bij mezelf: wat een genade, broeder — ik wou dat ik het ook nooit zo had hoeven leren. Want het is een ontzagwekkende ervaring.

Misschien zijn er hier velen die zeggen: “Ik vertrouw niet op mijn eigen gerechtigheid. Ik vertrouw op niets anders dan het bloed van Christus; maar toch heb ik de verdorvenheid van mijn hart nog niet zo leren kennen als u beschrijft.” Misschien nog niet, broeder; maar het kan zijn dat u dit nog zult ontdekken. Misschien hebt u een bijzonder karakter. Misschien heeft God u bewaard voor verleidingen die uw verdorvenheid aan het licht hadden gebracht. Of misschien heeft Hij u, in Zijn genade, een rustig leven gegeven, zodat u niet vaak door innerlijke strijd bent heen en weer geslingerd. Maar toch moet ik u zeggen: verwacht dat u, in de diepste schuilhoeken van uw hart, nog grotere diepten van verdorvenheid zult ontdekken.

Moge God u dan vertroosten en u, wanneer u uit de smeltoven komt, dieper dan ooit tevoren neerleggen aan de voeten van Zijn genadetroon. Ik geloof dat wij onze zondigheid het duidelijkst leren kennen wanneer wij de dichtste gemeenschap met God hebben. Job had nog nooit zo’n openbaring van God ontvangen als op dat moment. God sprak tot hem vanuit de wervelwind, en toen zei Job: “Ik ben te gering.” Het is niet in tijden van ongeloof of wanhoop dat wij onze verdorvenheid het diepst leren kennen. Dan zien wij er wel iets van, maar niet alles. Nee, het is wanneer Gods genade ons helpt de berg te beklimmen, wanneer wij dicht bij God komen en Hij Zich aan ons openbaart, dat wij ontdekken hoe onrein wij zijn in Zijn ogen.

Wij zien een glimp van Zijn verheven majesteit. Wij zien als het ware de schittering van Zijn gewaad – verduisterd door een licht dat ondraaglijk is – en nadat wij door dat gezicht verblind zijn, vallen wij neer. Net zoals een arend, verblind door de vurige schittering van de zon, vanuit de hoogte naar de aarde stort, zo is het ook met de gelovige. Hij stijgt op naar God, maar wordt vervolgens diep vernederd. “Zie,” zegt hij dan, “ik ben te gering. Ik zou dit nooit hebben geweten als ik God niet had gezien. Maar nu ik Hem heb aanschouwd, zie ik werkelijk wie ik ben.”

Niets openbaart duisternis zo sterk als licht. Als ik de zwartheid van mijn eigen hart wil zien, moet ik die naast volmaakte reinheid plaatsen. En wanneer de Heere ons een bijzonder gezicht van Zichzelf schenkt, een zoete gemeenschap met Zijn gezegende Persoon, dan leert de ziel — op een wijze die zij nooit eerder gekend heeft — misschien met een diepere smart dan zelfs bij haar eerste overtuiging van zonde: “Zie, ik ben te gering.” Het behaagt God om dit te doen. Opdat wij niet “bovenmate verheven zouden worden door de overvloed van de openbaringen”, zendt Hij ons een “doorn in het vlees”, zodat wij onszelf leren kennen nadat wij Hem hebben gezien.

Er zijn veel mensen die hun eigen verdorvenheid pas echt leren kennen nadat het bloed van Christus op hun geweten is gesprenkeld — soms zelfs pas nadat zij al jarenlang Gods kinderen zijn geweest. Ik hoorde eens van een christen die vergeving had ontvangen voordat hij een diep besef van zonde had gekregen. Hij zei: “Ik voelde mijn verachtelijkheid niet werkelijk totdat ik die stem hoorde: ‘Ik, Ik ben het die uw overtredingen uitdelg.’ Toen pas begon ik te beseffen hoe zwart ik geweest was. Ik dacht niet aan mijn vuilheid totdat ik zag dat ik gewassen was.”

Ik denk dat veel van Gods kinderen dit herkennen. Voor hun bekering hadden zij wel enig besef van hun duisternis, maar pas daarna beseften zij hoe diep hun verdorvenheid werkelijk was. Toen dachten zij: „Hoe groot moet mijn zonde geweest zijn, dat ik zo’n Verlosser nodig had! Hoe hopeloos mijn onreinheid, dat ik zo’n reiniging nodig had! Hoe verschrikkelijk mijn schuld, dat alleen het bloed van Christus daarvoor genoegzame verzoening kon geven!”

U kunt er zeker van zijn: hoe meer u van God en van Christus leert kennen, hoe meer u ook uzelf zult leren kennen. En dan zult u opnieuw moeten zeggen: “Zie, ik ben te gering” — verachtelijk op een wijze die u vroeger nooit had kunnen vermoeden of voorstellen. “Zie, ik ben te gering!” Ja, werkelijk te gering!

Velen van u denken misschien nog steeds dat wat ik zeg over de zondige natuur overdreven is. Misschien denkt u dat Gods genade de oude natuur volledig heeft weggenomen. Maar als u dat denkt, kent u nog maar weinig van het geestelijke leven. Het zal niet lang duren voordat u ontdekt dat de oude Adam nog even krachtig in u aanwezig is als altijd. Tot aan uw sterfdag zal er in uw hart een strijd blijven woeden. De genade zal uiteindelijk overwinnen, maar niet zonder zuchten, tranen, worstelingen, innerlijke strijd en een dagelijks sterven aan uzelf.

V. Op deze wijze laat God ons onze eigen verdorvenheid zien. Welnu, als het waar is dat wij nog steeds verdorven zijn, WAT ZIJN DAN ONZE PLICHTEN? Laat mij hier plechtig spreken tot u die erfgenamen van het eeuwige leven bent. Als broeder in Christus Jezus wil ik u aansporen tot enkele belangrijke plichten, juist omdat de verdorvenheid nog steeds in uw hart aanwezig is.

Allereerst: als uw hart nog steeds verdorven is en de oude natuur nog in u woont, hoe verkeerd is het dan om te denken dat uw strijd al voorbij is. Er is iets waarover ik sommigen van u ernstig moet aanspreken. Vóór uw doop was u zeer ernstig in geestelijke zaken. U maakte trouw gebruik van de genademiddelen, en ik zag u altijd aanwezig. Maar er zijn sommigen — sommigen zelfs die nu hier zitten — die, zodra zij die Rubicon¹ waren overgestoken, begonnen te verslappen in hun ijver, alsof het werk nu voltooid was.

¹ Voetnoot van de vertaler: de Rubicon was in de oudheid een grensrivier; het oversteken ervan stond voor een onomkeerbare beslissing. Hier wordt het beeld figuurlijk gebruikt voor de doop.

Ik zeg u eerlijk dat ik weet dat sommigen onder u vroeger godvrezend, zorgvuldig en toegewijd leefden, dicht bij God wandelden, maar sinds hun toetreding tot de gemeente geleidelijk zijn afgegleden. Eerlijk gezegd vraag ik mij soms af of zulke mensen werkelijk christenen zijn. Ik heb ernstige twijfels over de oprechtheid van sommigen onder u. Wanneer iemand na zijn doop minder ernstig wordt, denk ik dat hij eigenlijk geen recht had om gedoopt te worden. Want wie werkelijk begrijpt wat het betekent zich aan God toe te wijden, keert niet terug naar de wegen van de wereld.

Het doet mij verdriet wanneer ik zie dat mensen die eens standvastig met ons meeliepen, beginnen af te glijden. Over het algemeen mag ik God echter danken voor uw trouw. Velen van u zijn al jarenlang standvastig gebleven in de dienst van God. Ik zie u trouw in het huis van gebed, en uw ijver lijkt niet verminderd. Maar er zijn er ook die door de wereld zijn verleid, door satan zijn misleid, of door veranderde omstandigheden onverschillig zijn geworden in hun toewijding aan God.

Sommigen onder mijn toehoorders zijn niet meer zo ernstig als vroeger. Mijn geliefde vrienden, als u werkelijk de verdorvenheid van uw hart kende, zou u beseffen dat u nu even waakzaam en ernstig moet zijn als ooit tevoren. Als de oude natuur bij uw bekering volledig was weggenomen, dan was voortdurende waakzaamheid niet nodig geweest. Als alle begeerten verdwenen waren en de kracht van de zonde geheel gestorven was, dan was volharding overbodig. Maar juist omdat u nog steeds een zondig hart hebt, smeek ik u even ijverig te blijven als vroeger. Wakker de gave van God in u aan en waak even zorgvuldig over uzelf als altijd.

Denk niet dat de strijd voorbij is. De eerste bazuin heeft nog maar net geklonken om u tot de strijd op te roepen. U denkt misschien dat de strijd voorbij is omdat het eerste geluid verstomd is, maar ik zeg u: de strijd is nog maar net begonnen. De legers zijn pas opgesteld; u hebt uw wapenrusting nog maar net aangetrokken; er liggen nog vele gevechten voor u.

Wees ernstig, anders zal uw eerste liefde verkoelen en zult u misschien nog van ons uitgaan en daarmee tonen dat u niet werkelijk van ons was. Pas op voor afvalligheid. Het is misschien het gemakkelijkste wat er is, maar ook het gevaarlijkste. Laat uw eerste ijver niet los. Laat uw liefde niet afkoelen, zelfs niet een beetje. U was eens vurig en toegewijd — wees dat nog steeds. Laat het vuur dat ooit in u brandde, ook nu uw hart blijven bezielen. Wees mannen en vrouwen van kracht, die hun God met ijver en toewijding dienen.

En nog iets: als die oude natuur nog steeds in u woont, hoe waakzaam moet u dan wel niet zijn! De duivel slaapt nooit. Uw zondige natuur slaapt nooit. Daarom mag ook u nooit geestelijk slapen. “Wat Ik u zeg, zeg Ik allen: waakt.” Dat zijn de woorden van Jezus Christus. Geen woord hoeft zo vaak herhaald te worden als dit: waakt. We vinden bijna alles gemakkelijker dan waken. Waken is zwaar werk, vooral wanneer we van nature geestelijk traag zijn. Het levert weinig zichtbare eer op, en daardoor ontbreekt vaak de menselijke drijfveer van erkenning. Toch is er misschien geen taak die we meer verwaarlozen dan deze.

Maar als God Zelf niet over u gewaakt had, dan zou de duivel u allang hebben meegesleept. Daarom smeek ik u: wees voortdurend waakzaam. Wanneer het huis van de buren in brand staat, hoe snel staan mensen dan op om hun eigen huis te beschermen! Zij verwijderen brandbare spullen en blijven wakker uit angst dat ook hun huis door het vuur verteerd zal worden. U draagt verdorvenheid in uw hart. Let daarom op de kleinste vonk, opdat zij uw ziel niet in brand zet. “Laten wij dan niet slapen zoals de anderen.” U zou misschien kunnen slapen boven een vulkaan, of met uw hoofd naast de monding van een kanon, of midden in een aardbeving of een pesthuis — maar ik smeek u: slaap niet terwijl u een zondig hart in u draagt.

Waak over uw hart. Misschien denkt u dat het betrouwbaar is, maar als Gods genade het niet verhindert, zal het uw ondergang worden. Waak dagelijks, voortdurend. Bewaak uzelf, opdat u niet zondigt. En bovenal, geliefde broeders, als ons hart inderdaad nog vol verdorvenheid is, hoe noodzakelijk is het dan dat wij voortdurend blijven vertrouwen op God. Als ik bij het begin van mijn geestelijke weg op God moest vertrouwen vanwege alle gevaren onderweg, dan moet ik dat nu nog evenzeer doen, zolang die gevaren blijven bestaan.

Geliefden, geef uw hart aan God. Word niet zelfgenoegzaam. Zelfgenoegzaamheid is een net van Satan, waarmee hij mensen vangt als dwaze vissen om hen te verderven. Beschouw uzelf als niets — want dat bent u ook — en leef uitsluitend uit Gods kracht. De weg om sterk te worden in Christus, is om zwak te worden in uzelf. God geeft Zijn kracht niet aan mensen die nog op hun eigen kracht vertrouwen. Pas wanneer onze eigen kracht uitgeput is, schenkt Hij Zijn sterkte.

Leef daarom dagelijks in afhankelijkheid van Gods genade. Gedraag u niet alsof u onafhankelijk bent en alles zelf kunt volbrengen. U hebt nu evenveel behoefte aan Christus als ooit tevoren. Want hoewel u zonder Christus vroeger verloren zou zijn gegaan, zult u ook nu zonder Hem verloren gaan, als Hij u niet voortdurend bewaart. Uw oude natuur is immers nog even zondig als vroeger. Geliefden, ik heb tenslotte nog één woord voor de goddelozen — één woord van bemoediging voor u, arme verloren zondaar. Misschien denkt u dat u niet tot God mag komen omdat u verachtelijk bent. Maar laat mij u zeggen: er is hier geen enkele heilige die niet ook verachtelijk is. Als Job, Jesaja en Paulus allemaal moesten zeggen: “Ik ben te gering”, waarom zou u zich dan schamen om hetzelfde te belijden?

Wanneer ik vanavond op mijn knieën tot God bid, kom ik tot Hem als een zondaar — verachtelijk en vol zonde. Mijn medezondaar, zoekt u soms een betere grond om tot God te komen dan deze? Wilt u eerst beter worden? Maar heiligen zijn uit zichzelf niet beter dan u. Als Gods genade de zonde zelfs in gelovigen niet volledig uitroeit, hoe denkt u dat dan zelf te kunnen doen? En als God Zijn volk liefheeft terwijl zij nog verachtelijk zijn, denkt u dan dat uw verachtelijkheid Hem ervan zal weerhouden u lief te hebben? Nee, verachtelijke zondaar, kom tot Jezus! Kom, u meest verachte onder de mensen. U die door de wereld verstoten bent, u die uzelf ziet als het afval van de straat — ik smeek u: kom tot Christus. Christus Zelf roept u om in Hem te geloven. Jezus is niet gekomen om de rechtvaardigen te redden, maar om zondaars te redden.

Kom dan nu en zeg: “Heere, “ik ben te gering”; schenk mij geloof. Christus stierf voor zondaars, en ik ben een zondaar. Heere Jezus, besprenkel mij met Uw bloed.” Ik zeg u namens God: als u uw zonde belijdt, zult u vergeving ontvangen. Als u nu met heel uw hart zegt: “Ik ben te gering; was mij,” dan zult u gewassen worden. Als de Heilige Geest u nu laat zeggen:

“Zoals ik ben ‘k heb anders niet,
dan ’t offer ook voor mij geschied
en dat U zelf mij roepen liet,
o Lam van God, ik kom, ik kom” —

dan zult u deze plaats verlaten met al uw zonden vergeven. Al kwam u hier binnen met de schuld van een heel leven op uw hoofd, u zult weggaan rein verklaard — ja, onschuldiger dan een pasgeboren kind. Al kwam u geheel bevlekt door de zonde binnen, u zult uitgaan bekleed met een mantel van gerechtigheid, wit als de engelen en rein voor God, wat uw rechtvaardiging betreft. Want “nu” — let daarop — “nu is het de welaangename tijd”, als u gelooft in Hem die de goddeloze rechtvaardigt. O, moge de Heilige Geest u het geloof schenken, zodat u nu gered wordt — en dan voor eeuwig behouden zult zijn. Moge God Zijn zegen geven over deze zwakke woorden, omwille van Zijn Naam.

Steun ons met een donatie

Uw steun helpt ons om Het Spurgeon Archief in stand te houden. Dankzij uw bijdrage kunnen wij ons werk voortzetten en dit waardevolle archief gratis aanbieden en vrijhouden van reclame en commerciële invloeden.

Wij danken u hartelijk voor uw steun en betrokkenheid!

Archiefhulpmiddelen

Contact

Heeft u een tekstfout gevonden, of heeft u een vraag? Stuur dan een E-mail naar: [email protected]

Over de Auteur

C.H. Spurgeon

1834 – 1892 Was een Engelse baptistenpredikant in de puriteinse traditie. Belangrijke onderwerpen uit zijn prediking waren de vergeving van zonden en de noodzaak van wedergeboorte.

Onze Socials:

Copyright & Content