Geloof: wat het is en waar het toe leidt

GELOOF: WAT HET IS EN WAAR HET TOE LEIDT

Dit kostbare boekje, oorspronkelijk in 1903 uitgegeven door Passmore and Alabaster te Londen, is opnieuw vertaald. In dit hartverwarmend aanbevolen werk legt C. H. Spurgeon helder en krachtig uit wat waar geloof werkelijk is.

Wie in Hem gelooft, wordt niet veroordeeld. Johannes 3:18

De weg naar verlossing staat in de Schrift glashelder beschreven. Toch is er nauwelijks een waarheid waarover meer dwalingen zijn verkondigd dan over het geloof dat de ziel redt. De ervaring leert dat alle leerstellingen van Christus een diep mysterie dragen — niet omdat ze op zichzelf duister zijn, maar omdat ze verborgen blijven voor wie verloren gaan. De god van deze wereld heeft immers hun ogen verblind. De Schrift is zo eenvoudig dat ieder die lopen kan, haar kan lezen. Maar het menselijk oog is vertroebeld en het verstand zo aangetast, dat zelfs de meest duidelijke waarheden van Gods Woord worden verdraaid en verkeerd begrepen.

Zelfs zij die geloof uit eigen ervaring kennen, vinden het vaak moeilijk om het precies te omschrijven. Ze denken het doel bereikt te hebben, maar merken dan dat ze tekortschieten. Ze benadrukken één aspect van geloof, maar vergeten een ander. In hun ijver om het te verduidelijken, maken ze het soms juist onduidelijker. Zo bevrijden ze de zondaar van één dwaling, om hem onbedoeld in een nog grotere te leiden. Daarom durf ik te zeggen: geloof is het eenvoudigste in de wereld, maar tegelijk een van de moeilijkste onderwerpen om over te schrijven. Juist omdat het zo wezenlijk is, beeft onze ziel als we erover spreken — en lukt het zelden om het zo helder te verklaren als we zouden willen. Met Gods hulp wil ik daarom gedachten over geloof bijeenbrengen — gedachten die ik op verschillende momenten uitsprak, maar nog niet in samenhang. Ze zijn soms verkeerd begrepen, juist omdat ze niet in de juiste volgorde stonden. Ik zal daarom kort stilstaan bij elk van de volgende punten:

I. Het doel van het geloof – waar het op gericht is.
II. De reden van het geloof – waarom iemand gelooft en waar zijn geloof vandaan komt.
III. De grond van het geloof van de zondaar – op welke basis hij durft te geloven in de Heere Jezus Christus.
IV. De zekerheid van het geloof – waarom het op Christus durft te vertrouwen.
V. Het resultaat van het geloof – hoe het zich ontwikkelt wanneer het de toevlucht tot Christus neemt.
VI. De duidelijke verklaring van de Schrift over degenen die geloven.
VII. De misvattingen over het geloof, waardoor christenen vaak ontmoedigd raken.
VIII. Wat dit geloof omvat.
IV. Wat dit geloof uitsluit.

I. Het doel van het geloof – waar het op gericht is.

Het Woord van God beveelt mij te geloven — maar wat moet ik geloven? Het draagt mij op te kijken — maar waarheen? Waarop moet mijn hoop, geloof en vertrouwen gericht zijn? Het antwoord is eenvoudig: voor een zondaar is het voorwerp van geloof Jezus Christus. Velen dwalen hierin en menen dat zij rechtstreeks in God de Vader moeten geloven. Maar geloof in de Vader volgt op geloof in de Zoon. Door te vertrouwen op het bloed van Christus leren wij de eeuwige liefde van de Vader kennen. Sommigen zeggen: “Ik zou in Christus geloven als ik wist dat ik uitverkoren ben.” Maar zo probeert men tot de Vader te komen, terwijl niemand tot de Vader kan komen dan door Christus. Het werk van verkiezing is aan de Vader; daarom kunt u dat niet rechtstreeks benaderen. U leert uw uitverkiezing pas kennen nádat u in Christus, de Verlosser, hebt geloofd. Dan pas gaat u in de verlossing tot de Vader. Anderen kijken naar het werk van de Heilige Geest. Ze zoeken in zichzelf naar gevoelens: zijn die er, dan achten ze hun geloof sterk; verdwijnen ze, dan vinden ze het zwak. Zo maken zij het werk van de Geest tot voorwerp van hun geloof — terwijl dat niet het doel is voor een zondaar.

Zowel de Vader als de Geest verdienen ons volle vertrouwen, want zij voltooien samen de verlossing. Toch pleit alleen het bloed van de Middelaar voor rechtvaardiging en vergeving. Na de bekering vertrouwen christenen op de Heilige Geest, maar de zondaar die behouden wil worden, moet niet op de Geest zien — maar uitsluitend op Christus Jezus. Ik erken voluit dat verlossing het werk is van de gehele Drie-eenheid. Toch is het eerste en directe voorwerp van het rechtvaardigende geloof niet God de Vader, noch God de Heilige Geest, maar God de Zoon — Die mens werd en verzoening bracht voor zondaars. Hebt u het oog van het geloof? Kijk dan, ziel, allereerst naar Christus als God. Geloof dat Hij God is boven alles, gezegend voor eeuwig. Buig voor Hem en aanvaard Hem als de enige ware God — want zonder dit geloof hebt u geen deel aan Hem. Geloof dan ook in Hem als Mens. Bewonder het wonder van Zijn menswording: dat de Eeuwige als Kind kwam, de Oneindige in sterfelijk vlees verscheen, en de Koning der hemelen een dienaar werd — de Zoon des mensen. Geloof dit heilige mysterie, want zonder dit kunt u niet door Hem gered worden.

Wilt u behouden worden? Richt uw geloof dan allereerst op Christus in Zijn volmaakte gerechtigheid. Zie hoe Hij de wet volkomen vervult, Zijn Vader onberispelijk gehoorzaamt en Zijn zuivere leven onbevlekt bewaart. Beschouw dit alles als voor u gedaan: u kon het niet — Hij wel. Zijn gehoorzaamheid staat in de plaats van de uwe, en daarin ligt uw redding. Richt uw geloof dan op Christus, Die gestorven en begraven is. Zie Hem als het Lam van God, stil voor Zijn scheerders; als de Man van smarten, vertrouwd met lijden. Volg Hem naar Getsemane en aanschouw het zweet als bloeddruppels. Bedenk: uw geloof hangt niet af van iets in uzelf. Het voorwerp ervan ligt buiten u — in Hem met doorboorde handen en voeten, Die Zijn leven gaf aan het kruis voor zondaars. Dáár ligt het hart van uw rechtvaardiging: in Christus, en in Christus alleen — niet in uzelf, niet in het werk van de Geest, maar in Hem. Door het geloof ziet u Christus als de Opgestane uit de doden. Hij droeg de vloek en ontvangt rechtvaardiging. Hij stierf voor onze overtredingen en stond op om onze schuldbrief aan het kruis te nagelen. Zie Hem opvaren naar de hemel, waar Hij heden pleit voor de troon van de Vader — voor Zijn volk, met gezaghebbend verzoek voor allen die door Hem tot God komen.

Hij — als God, als Mens, als Levende, als Stervende, als Opgestane en als Verhevene — Hij, en Hij alleen, moet het voorwerp van uw geloof zijn tot vergeving van zonden. Uw vertrouwen mag op niets anders rusten. Hij moet de enige grond, steun en pijler van uw geloof zijn. Alles wat daaraan wordt toegevoegd, is een goddeloze antichrist — een opstand tegen de soevereiniteit van Jezus. Maar zie Hem vooral als Plaatsvervanger. Deze leer is zo wezenlijk voor het heilsplan, dat ik haar nooit vaak genoeg kan herhalen. God is rechtvaardig — Hij moet zonde straffen. God is barmhartig — Hij wil vergeven wie in Jezus geloven. Hoe gaan rechtvaardigheid en genade samen? Zo: God neemt de zonden van Zijn volk en legt ze werkelijk op Christus. Zij worden zo rein alsof ze nooit zondigden; Hij wordt door God aangezien alsof Hij alle zonden der wereld droeg. Niet symbolisch, maar écht — de zonden van Zijn volk werden Hem toegerekend. Toen kwam God met het zwaard van Zijn gerechtigheid. Christus Zelf was zonder zonde, maar de zonden van Zijn volk stonden Hem toegerekend. De gerechtigheid trof Hem als de zondaar, en strafte Hem voor hun schuld. Hij droeg de volle last, tot de beker lediger was dan leeg — tot het recht niets meer eiste. Nu ziet wie Christus als Plaatsvervanger aanneemt, zichzelf bevrijd van de vloek der wet. Ziel, ziet u Hem de wet gehoorzamen? Laat uw geloof zeggen: “Hij gehoorzaamt voor Zijn volk.” Ziet u Hem sterven aan het kruis? Tel de purperen druppels en belijd: “Zo nam Hij mijn zonden weg.”

Ziet u Hem opstaan uit de dood? Zeg dan: “Hij verrijst als Hoofd en Vertegenwoordiger van al Zijn uitverkorenen.” Ziet u Hem aan Gods rechterhand? Zie Hem als bewijs dat allen voor wie Hij stierf, eens ook daar zullen zitten. Leer Christus te zien zoals God Hem zag: als de zondaar. “In Hem was geen zonde”; Hij was de Rechtvaardige — maar Hij leed voor de onrechtvaardigen. De Rechtvaardige nam de plaats in van de onrechtvaardigen, en droeg alles wat zij verdienden. Zo nam Hij hun zonden voor altijd weg door Zijn ene offer. Dit is het hart van het geloof. Ik smeek u: vergis u hier niet in, want een dwaling op dit punt is niet slechts gevaarlijk — zij kan fataal zijn. Zie Christus door het geloof als de Plaatsvervanger in Zijn leven, lijden, dood en opstanding — voor allen die de Vader Hem gaf, voor allen die hun ziel aan Hem toevertrouwen. Toch zeggen sommigen: “O, ik zou geloven en gered worden, als…” — als wat? Als Christus gestorven was? “Nee, aan Hem twijfel ik niet.” Juist. Wat is dan uw voorbehoud? “Ik zou geloven als ik dit voelde, of dat gedaan had.” Maar juist dáárin ligt de dwaling: als uw geloof afhangt van uw gevoelens of daden, dan gelooft u niet werkelijk in Jezus. Dan rust uw vertrouwen op uzelf — en dat is het tegenovergestelde van geloof in Christus.

Geloof is niet: op grond van iets goeds in uzelf concluderen dat u behouden bent. Integendeel — het is: ondanks uw schuld voor God en de verdiende toorn, vasthouden aan deze zekerheid: “Het bloed van Jezus Christus reinigt mij van alle zonde.” Hoewel uw geweten u veroordeelt, overwint uw geloof dat verwijt. U gelooft dat Hij volkomen kan redden wie door Hem tot God komen. Tot Christus komen als heilige is gemakkelijk; een arts vertrouwen als u al beter bent, is eenvoudig. Maar écht geloof toont zich wanneer de dood in uw leden heerst — wanneer de ziekte uw lichaam verslindt, de wond ettert en het gif zich verdiept — en u toch vertrouwt op de kracht van het geneesmiddel. Dáár ligt het ware geloof. Zo is het ook met zonde: juist wanneer zij u grijpt en de wet u veroordeelt, is het het gedurfdste wat een mens kan doen — als zondaar op Christus vertrouwen. Het geloof dat Jericho’s muren deed vallen, doden wekte en leeuwenmuilen sloot, was niet groter dan dat van een arme zondaar die, ondanks zijn schuld, rust op het bloed en de gerechtigheid van Jezus.

Doe dit, ziel — en u bent gered, wie u ook bent. Want het ware voorwerp van geloof is Christus als Plaatsvervanger van zondaars: God in Christus, niet God buiten Hem; niet het werk van de Geest, maar alleen Jezus’ volbrachte werk — uw vaste fundament.

II. De reden van het geloof – waarom iemand gelooft en waar zijn geloof vandaan komt.

Zo is dan het geloof uit het gehoor.” Dat staat vast, maar toch is het zo dat niet alle mensen horen, en blijven velen niet ongelovig? Hoe komt een mens dan werkelijk tot geloof? Zijn geloof ontstaat uit zijn eigen ervaring, uit een diep gevoel van noodzaak. Hij voelt dat hij een Verlosser nodig heeft; hij ontdekt dat Christus precies de Verlosser is die hij zoekt, en daarom gelooft hij in Jezus — omdat hij eenvoudigweg niet anders kan. Omdat hij zelf niets heeft, beseft hij dat hij Christus móét aannemen of anders verloren gaat. En juist daarom doet hij dat, gedrongen door innerlijke nood. Het is alsof hij in een hoek wordt gedreven en er nog maar één uitweg is: de gerechtigheid van een Ander. Hij voelt dat hij niet kan vluchten in zijn eigen goede werken of in zijn lijden, en daarom komt hij tot Christus en verootmoedigt zich — omdat hij zonder Christus niet kan leven en verloren zou gaan als hij zich niet aan Hem vastklampt.

Maar dan dringt zich een diepere vraag op: waar komt dat gevoel van noodzaak vandaan? Waarom ervaart híj dat, en anderen niet? Want hij heeft niet meer behoefte aan Christus dan ieder ander mens. Hoe komt het dan dat hij inziet dat hij verloren is? Hoe is het mogelijk dat juist hij, door het besef van zijn ondergang, wordt gedreven om zich aan Christus, de Verlosser, vast te klampen? Het antwoord is: dit is een gave van God — het werk van de Heilige Geest. Niemand komt tot Christus tenzij de Geest hem trekt. En de Geest trekt mensen door hen onder de wet te brengen tot het besef dat zij verloren zullen gaan als zij niet tot Christus komen. Dan, door de zuivere druk van die nood, keren zij zich om en varen de veilige haven van Christus’ genade binnen. Want verlossing door Christus alleen is zo tegennatuurlijk voor onze vleselijke aard, zo strijdig met onze liefde voor eigen verdiensten, dat wij Christus nooit als ons alles zouden aannemen, als de Geest ons niet overtuigde dat wij volstrekt niets hebben — en ons niet dwong om ons met heel ons hart aan Christus vast te klampen.

Maar dan gaat de vraag nog verder terug: hoe komt het dat de Geest van God sommige mensen hun noodzaak leert zien, en anderen niet? Waarom werden sommigen van u door dat gevoel van nood gedreven tot Christus, terwijl anderen blijven voortleven in hun zelfgenoegzaamheid en uiteindelijk verloren gaan? Er is geen ander antwoord te geven dan dit: “Ja, Vader, want zo was het Uw welbehagen.” Uiteindelijk komt alles neer op de Goddelijke soevereiniteit. De Heere heeft “deze dingen voor de wijzen en verstandigen verborgen, en heeft dezelve den kinderkens geopenbaard.” Zoals Christus het zelf uitdrukte: “Mijn schapen horen Mijn stem.” En verder: “Maar u gelooft niet, want u bent niet van Mijn schapen, zoals Ik u gezegd heb.” Sommige theologen zouden dat graag willen lezen als: “Jullie zijn niet mijn schapen, omdat jullie niet geloven.” Alsof geloven ons tot schapen van Christus maakt; maar de tekst zegt duidelijk: “Maar u gelooft niet, want u bent niet van Mijn schapen.”

Alles wat de Vader Mij geeft, zal tot Mij komen.” Als zij dus niet komen, is dat het bewijs dat zij nooit gegeven zijn; want allen die van eeuwigheid aan Christus toevertrouwd zijn, uitverkoren door God de Vader en verlost door God de Zoon, worden onvermijdelijk door de Geest geleid — door een diep gevoel van noodzaak — om te komen en Christus met geloof en overgave vast te grijpen. Niemand heeft ooit in Christus geloofd, of zal ooit in Hem geloven, tenzij hij voelt dat hij Hem nodig heeft. Niemand heeft ooit gevoeld dat hij Christus nodig had, of zal dat ooit voelen, tenzij de Geest hem dat laat voelen, en de Geest zal niemand laten voelen dat hij Jezus nodig heeft om gered te worden, tenzij dat geschreven staat in dat eeuwige boek, waarin God de namen van Zijn uitverkorenen zeker heeft gegraveerd. Ik denk dus dat ik op dit punt niet verkeerd begrepen mag worden: de reden van het geloof, of waarom mensen geloven, is Gods uitverkoren liefde die door de Geest werkt door een gevoel van nood, en hen zo tot Jezus Christus brengt.

III. De grond van het geloof van de zondaar – op welke basis hij durft te geloven in de Heere Jezus Christus.

Nu verzoek ik u om uw volledige aandacht, want ik wil een ander punt aan de orde stellen, waarbij u wellicht denkt dat ik mezelf tegenspreek, namelijk DE GRONDSLAG VAN HET GELOOF VAN DE ZONDAAR, ofwel op welke grond hij in de Heere Jezus Christus durft te geloven. Geachte vrienden, ik heb al gezegd dat niemand in Jezus zal geloven, tenzij hij voelt dat hij Hem nodig heeft. Ik heb vaak gezegd, en ik herhaal het nogmaals, dat ik niet tot Christus kom met het argument dat ik mijn behoefte aan Hem voel; mijn reden om in Christus te geloven is niet dat ik mijn behoefte aan Hem voel, maar dat ik Hem nodig heb. De grond waarop een mens tot Jezus komt, is niet als een bewuste zondaar, maar als een zondaar, en niets anders dan een zondaar. Hij zal niet komen tenzij hij ontwaakt is; maar wanneer hij komt, zegt hij niet: “Heere, ik kom tot U omdat ik een ontwaakte zondaar ben, red mij.” Maar hij zegt: “Heere, ik ben een zondaar, red mij.” Niet zijn ontwaken, maar zijn zondigheid is de wijze en het voornemen waarop hij durft te komen.

U zult waarschijnlijk begrijpen wat ik bedoel, al kan ik het op dit moment niet precies onder woorden brengen. Wanneer ik denk aan de prediking van vele calvinistische theologen, hoor ik hen vaak tegen een zondaar zeggen: “Als u uw behoefte aan Christus voelt, als u zich werkelijk hebt bekeerd, als u in zekere mate door de wet bent aangegrepen, dan mag u tot Christus komen op grond van het feit dat u een ontwaakte zondaar bent.” Maar dat, zo stel ik, is onjuist. Niemand kan tot Christus komen op grond van het feit dat hij een ontwaakte zondaar is; hij moet tot Hem komen als een zondaar, eenvoudig en onvoorwaardelijk. Wanneer ik tot Jezus kom, weet ik wel dat ik niet zou kunnen komen als ik niet ontwaakt was, maar toch kom ik niet als een ontwaakte zondaar. Ik sta niet aan de voet van Zijn kruis om gewassen te worden omdat ik berouw heb getoond; ik breng niets met mij mee wanneer ik kom — niets dan zonde. Een gevoel van noodzaak is iets goeds, maar wanneer ik bij het kruis sta, geloof ik niet in Christus vanwege mijn goede gevoelens. Ik geloof in Hem, of ik nu goede gevoelens heb of niet.

Zoals ik ben ‘k heb anders niet,
dan ’t offer ook voor mij geschied
en dat U zelf mij roepen liet,
o Lam van God, ik kom.”

De heer Roger, de heer Sheppard, de heer Flavell en verschillende vooraanstaande godgeleerden uit het puriteinse tijdperk — en met name Richard Baxter — hebben uitvoerig beschreven wat een mens zou moeten voelen voordat hij zich tot Christus kan wenden. Maar ik zeg, in de woorden van de goede meneer Fenner, eveneens een van die godgeleerden, die zei dat hij in vergelijking met hen slechts een kind was in de genade: “Ik durf te zeggen dat dit alles niet bijbels is. Zondaars ervaren zulke gevoelens vaak voordat zij komen, maar zij komen niet vanwege het feit dat ze dat gevoeld hebben; zij komen omdat zij zondaars zijn, en op geen enkele andere grond.”

De poort van genade is geopend, en boven die deur staat geschreven: “Dit is een betrouwbaar Woord en alle aanneming waard dat Christus Jezus in de wereld gekomen is om zondaars zalig te maken.” Voor het woord ‘zondaars’ staat geen enkel bijvoeglijk naamwoord. Er staat niet “berouwvolle zondaars”, “ontwaakte zondaars”, “verstandige zondaars”, “treurende zondaars” of “gealarmeerde zondaars.” Nee, er staat slechts “zondaars”. En ik weet dat wanneer ik kom, ik vandaag evenzeer tot Christus moet komen als tien jaar geleden; want het is nog steeds even noodzakelijk voor mijn leven om tot het kruis van Christus te gaan. Wanneer ik tot Hem kom, durf ik niet te komen als een bewuste of ontwaakte zondaar, maar ik kom als een zondaar zonder iets in mijn handen, enkel aangewezen op genade. Onlangs ontmoette ik een bejaarde man in de pastorie van een kerkje in Yorkshire. Ik had daar iets van deze strekking gezegd, en de oude man — die al vele jaren christen was — zei tegen mij: “Ik heb het nog nooit zo duidelijk gehoord, maar dat is precies hoe ik kom; ik zeg: ‘Heere, ik heb niets in mijn handen om mee te brengen, ik klamp mij vast aan Uw kruis alleen; naakt zie ik naar U voor kleding; hulpeloos kom ik tot U voor genâ. (‘Ja, zwart’, zei de oude man) vlucht ik naar deze Fontein, en roep; was mij, Verlosser, of ik sterf.”

Geloof is alles van jezelf loslaten en je volledig aan Christus overgeven. Ik weet dat vele zielen zich zorgen maken omdat de predikant zegt: “Als u uw nood voelt, kunt u tot Christus komen.” Dan zeggen zij: “Maar ik voel mijn nood niet genoeg; ik ben er zeker van dat mijn nood niet diep genoeg is.” Ik heb talloze brieven ontvangen van mensen met een bezwaard geweten die schreven: “Ik zou durven geloven in Christus om mij te redden als ik maar een teder geweten had, als mijn hart maar zacht was; maar o, mijn hart lijkt zo hard als ijs — het wil niet smelten. Omdat ik niet voel zoals ik zou willen voelen, durf ik niet in Jezus te geloven.”

O nee! Weg met die gedachte — weg ermee! Het is niets minder dan een goddeloze, antichristelijke leugen; het is pure paapsheid! Het is niet uw zachte hart dat u het recht geeft om te geloven. U moet juist in Christus geloven opdat Hij uw harde hart vernieuwt, en tot Hem komen met niets anders dan uw zonde. De reden waarom een zondaar tot Christus komt, is dat hij zwart is, dat hij dood is, en niet dat hij weet dat hij dood is; dat hij verloren is, en niet dat hij weet dat hij verloren is. Ik weet dat hij niet zal komen tenzij hij dat inzicht krijgt — maar dat inzicht is slechts de verborgen aanleiding, niet de grond waarop hij komt. Jarenlang was ik bang om tot Christus te gaan, omdat ik dacht dat ik mijn nood niet genoeg voelde. Steeds weer las ik die bekende hymne van Cowper over het harde, ongevoelige hart: “Als ik iets voel, is het slechts de pijn van het besef dat ik niets voel.”

Toen ik in Christus geloofde, dacht ik dat ik helemaal niets voelde. Maar als ik nu terugkijk, zie ik dat ik juist toen het meest intens voelde — en dat vooral omdat ik dacht dat ik niets voelde. Over het algemeen is het zo dat de mensen die het diepst berouw hebben, juist menen dat ze helemaal geen berouw hebben. En degenen die hun behoefte aan Christus het meest voelen, zijn vaak juist degenen die denken dat ze niets voelen. We zijn namelijk geen betrouwbare rechters over onze eigen gevoelens. Daarom is de uitnodiging van het evangelie niet gebaseerd op iets waarover wij kunnen oordelen; ze is uitsluitend gebaseerd op het feit dat wij zondaars zijn — niets meer en niets minder. “Maar,” zegt iemand, “er staat toch geschreven: ‘Komt herwaarts tot Mij, allen die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven’? We moeten dus vermoeid en belast zijn.” Dat is waar; zo staat het in die tekst. Maar er staat elders ook: “laat hij die dorst heeft, komen” En daar wordt niets gezegd over iemand die vermoeid of belast is.

Bovendien, hoewel de uitnodiging gericht is aan allen die vermoeid en belast zijn, zult u merken dat de belofte niet gedaan wordt aan hen als vermoeide en belaste mensen, maar aan hen als mensen die tot Christus komen. Zij die kwamen, beseften vaak niet eens dat ze vermoeid en belast waren; ze dachten van niet. Toch wáren ze het wel — alleen bestond een deel van hun vermoeidheid juist daarin dat ze niet zo vermoeid konden zijn als ze zouden willen, en een deel van hun last was dat ze hun last niet diep genoeg voelden. Zij kwamen tot Christus zoals zij waren, en Hij redde hen — niet omdat hun vermoeidheid enige verdienste had, of omdat hun zwaarmoedigheid enige kracht bezat, maar omdat Hij zondaars redt, niets anders dan zondaars. Zo werden zij gewassen in Zijn bloed en rein gemaakt. Beste lezer, laat mij deze waarheid helder zeggen: als u tot Christus komt, eenvoudig als een zondaar en op geen andere grond, zal Hij u nooit afwijzen.

De oude Tobias Crisp zegt in een van zijn preken over ditzelfde onderwerp: “Ik durf het te zeggen: als u tot Christus komt — wie u ook bent — en Hij u niet ontvangt, dan zou Hij niet trouw zijn aan Zijn eigen woord. Want Hij heeft beloofd: ‘Wie tot Mij komt, zal Ik geenszins uitwerpen.’ Als u dus komt, maakt het niet uit of u voorbereid of geschikt bent. Christus verlangt geen enkele kwalificatie, geen plichten, geen gevoelens. U moet komen zoals u bent. En al zou u de grootste zondaar buiten de hel zijn, dan nog bent u even welkom tot Christus te gaan als de meest morele en voortreffelijke mens.

Er is een bad — wie is geschikt om gewassen te worden? De zwartheid van een mens is geen reden om niet gewassen te worden, maar juist een des te duidelijkere reden om het wél te doen. Toen onze stadsmagistraten hulp uitdeelden aan de armen, zei niemand: ‘Ik ben zo arm, daarom ben ik niet geschikt om hulp te ontvangen.’ Uw armoede is juist uw voorbereiding; hier is het zwart uw wit — een wonderlijke tegenstelling!

Het enige wat u tot Christus kunt brengen, is uw zonde en uw goddeloosheid. Dat is alles wat Hij van u vraagt: dat u met lege handen komt. Als u nog iets van uzelf hebt, laat het dan achter voordat u komt. Want zolang er iets goeds in uzelf lijkt te zijn, kunt u Christus niet werkelijk vertrouwen. U moet met lege handen tot Hem komen; neem Hem aan als uw alles in alles — dat is de enige grond waarop een verloren ziel gered kan worden: als zondaar, en niets anders dan een zondaar.

IV. De zekerheid van het geloof – waarom het op Christus durft te vertrouwen.

Is het niet dwaas, vraagt u misschien, dat een mens op Christus vertrouwt om gered te worden, vooral wanneer hij in zichzelf niets goeds heeft? Is dat geen brutale aanmatiging — om zo op Christus te vertrouwen? Nee, geenszins. Het is juist iets verhevens en wonderlijks wat de Heilige Geest doet: dat iemand, ondanks zijn zonden, toch blijft geloven dat God de waarheid spreekt en zich vastklemt aan de kracht van het bloed van Jezus. Maar waarom durft iemand in Christus te geloven, vraag ik u nu. “Wel,” zegt iemand, “ik wekte het geloof op om in Christus te vertrouwen, omdat ik gewaar werd dat de Geest in mij werkte.” U gelooft helemaal niet in Christus. “Wel,” zegt een ander, “ik dacht dat ik het recht had om in Christus te geloven, omdat ik iets voelde.” U had helemaal geen recht om in Christus te geloven op basis van een dergelijke garantie. Wat is dan wél de reden of basis voor iemand om op Christus te vertrouwen? Het antwoord is eenvoudig: omdat Christus Zelf zegt dat hij dat moet doen. Dáárin ligt zijn recht. Het Woord van Christus alleen is de zekerheid voor een zondaar om in Hem te geloven — niet wat hij voelt, niet wie hij is of niet is, maar simpelweg omdat Christus het beveelt. Het evangelie zegt: “Geloof in de Heere Jezus Christus en u zult zalig worden. Wie niet geloofd zal hebben, zal verdoemd worden.”

Geloof in Christus is dus zowel een geboden plicht als een gezegend voorrecht. En wat een genade ligt daarin, dat het een plicht is! Want er kan nooit enige twijfel over bestaan dat een mens het recht heeft om zijn plicht te doen. Op grond van het feit dat God mij beveelt te geloven, heb ik daarom het recht om te geloven — wie ik ook ben. Het evangelie is gezonden tot ieder schepsel. Welnu, ik behoor tot dat geslacht; ik ben een van die schepselen. En dat evangelie gebiedt mij te geloven — dus geloof ik. Ik doe daarmee geen kwaad, want ik gehoorzaam slechts aan wat mij geboden is. Niemand kan verkeerd doen door te handelen naar Gods eigen bevel.

Het is Gods gebod aan ieder mens dat hij moet geloven in Jezus Christus, die Hij heeft gezonden. Dáárin ligt uw zekerheid, zondaar — en wat een gezegende zekerheid is dat! Want het is een garantie die geen macht van de hel kan weerleggen en die zelfs de hemel niet zal intrekken. U hoeft niet in uzelf te zoeken naar onzekere bewijzen in uw ervaring, noch naar uw werken of gevoelens om daaruit wankele en ontoereikende gronden te halen voor uw vertrouwen in Christus. Nee, u mag in Christus geloven eenvoudigweg omdat Hij u daartoe beveelt. Dat alleen is een vast en onwankelbaar fundament om op te staan — een fundament dat geen ruimte laat voor twijfel.

Stel u eens voor dat wij allen aan het verhongeren zijn, dat de stad is belegerd en afgesloten, en dat er al lange tijd een verschrikkelijke hongersnood heerst. Wij staan op het punt van de honger te sterven. Dan komt er een uitnodiging: wij worden verzocht om onmiddellijk naar het paleis van een groot en edel vorst te gaan om daar vrij te eten en te drinken. Maar verblind door dwaasheid weigeren wij te gaan. Stel nu dat er een soort waanzin over ons komt, zodat wij liever sterven van honger dan de uitnodiging te aanvaarden. En zie, de heraut van de koning verschijnt en roept: “Kom, kom en feest, gij arme hongerige zielen! En omdat ik weet dat gij niet wilt komen, voeg ik dit bevel toe: als gij niet komt, zullen mijn soldaten u achtervolgen en zult gij de scherpte van hun zwaarden voelen.”

Zegt nu, mijn vrienden — zouden wij niet zeggen: “Wij prijzen die grote vorst zelfs om zijn dreiging, want nu kunnen wij niet langer voorwenden dat wij niet mogen komen. Wij mogen niet alleen komen — wij mogen zelfs niet langer wegblijven! Nu hoef ik niet te zeggen dat ik niet geschikt ben om te komen, want ik word bevolen te komen en ik word bedreigd als ik niet kom; en daarom zal ik gaan.” Die ernstige uitspraak – “Wie niet geloofd zal hebben, zal verdoemd worden” – is niet uit woede gesproken, maar uit mededogen. De Heere wist hoe diep onze dwaasheid gaat en dat wij Zijn genade zouden afwijzen, tenzij Hij ons nadrukkelijk aanspoorde om tot het feest te komen. “Dwing hen binnen te komen” – dat was het bevel van de Meester van oudsher, en deze waarschuwing is juist een deel van dat bevel: “Dwing hen binnen te komen.”

Zondaar, u kunt onmogelijk verloren gaan door op Christus te vertrouwen, maar u zult wél verloren gaan als u niet op Hem vertrouwt – ja, verloren juist omdat u niet op Hem vertrouwt. Ik zeg het met nadruk: zondaar, u mag niet alleen komen, u móét komen! O, verhard uzelf niet tegen God; trotseer Zijn toorn niet door te weigeren te komen. De poort van genade staat wijd open. Waarom blijft u buiten? Waarom niet komen? Waarom zo trots, zo hard van hart? Waarom blijft u Zijn stem verwerpen en gaat u onder in uw zonden? Weet dit goed: als u verloren gaat – wie u ook bent – dan ligt uw bloed niet aan Gods deur, noch aan Christus’ deur, maar aan de uwe. Want Hij zal van u kunnen zeggen: “En toch wilde u niet tot Mij komen opdat u leven zou ontvangen.” O, arme bevende ziel, als u wilt komen, is er niets in Gods Woord dat u ervan weerhoudt te komen, want er zijn zowel dreigementen om u te drijven als krachten om u te trekken.

Toch hoor ik u nog steeds zeggen: “Ik mag Christus niet vertrouwen.” Maar ik zeg u: dat mag u wél. Elk schepsel onder de hemel is daartoe verplicht, en wat God u gebiedt te doen, dat mag u ook doen. “Ach,” zegt iemand, “ik voel gewoon niet dat ik het kan.” Daar is het weer — u weigert te doen wat God u opdraagt vanwege uw eigen, wankele gevoelens. Maar er wordt u nergens gezegd dat u Christus moet vertrouwen omdat u iets voelt; het bevel luidt eenvoudig: vertrouw op Hem omdat u een zondaar bent. Nu weet u dat u een zondaar bent. “Dat ben ik,” zegt iemand, “en dat is juist mijn verdriet.” Waarom uw verdriet? Dat toont juist dat u íets voelt. “Ja,” zegt een ander, “maar ik voel niet genoeg, en dat bedroeft me. Ik voel niet zoals ik zou moeten voelen.” Welnu — stel dat u veel voelt, of stel dat u niets voelt — u bent nog steeds een zondaar. En “dit is een betrouwbaar Woord en alle aanneming waard dat Christus Jezus in de wereld gekomen is om zondaars zalig te maken.”

“O,” zegt iemand, “maar ik ben een oude zondaar; ik heb al zestig jaar in zonde geleefd.” Waar staat geschreven dat iemand na zijn zestigste niet meer gered kan worden? Mijn vriend, Christus kan u op uw honderdste nog redden — ja, al was u een Methusalem in schuld. Want “het bloed van Jezus Christus, Zijn Zoon, reinigt ons van alle zonde.” En opnieuw: “Zo iemand dorst, die kome.” “Hij kan ook volkomen zalig maken wie door Hem tot God gaan.” “Ja,” zegt iemand, “maar ik ben een dronkaard geweest, een vloeker, een wellustige, een godslasteraar.” Juist dan bent u een zondaar — en dus precies degene voor wie Christus gekomen is. “Maar u weet niet hoe zwaar mijn schuld weegt,” zegt een ander. Dat bewijst alleen dat u een zondaar bent, en dus iemand aan wie geboden is om op Christus te vertrouwen en gered te worden.

“Ja,” roept weer een ander, “maar u weet niet hoe vaak ik Christus heb afgewezen.” Dan maakt dat u des te meer een zondaar. “U weet niet hoe hard mijn hart is!” Precies, dat bewijst alleen maar dat u een zondaar bent, en het bewijst ook dat u iemand bent voor wie Christus gekomen is om te redden.

“Maar meneer, ik bezit geen enkele goede eigenschap. Als dat wel zo was, zou ik tenminste iets hebben om mij te bemoedigen.”  Het feit dat u geen enkele goede eigenschap bezit, bewijst juist dat u degene bent aan wie ik moet prediken. Christus kwam om te redden wat verloren was — en alles wat u zegt, bevestigt slechts dat u verloren bent. Dáárom kwam Hij juist om u te redden. Vertrouw op Hem. Vertrouw op Hem!  “Maar als ik gered word,” zegt iemand, “zal ik de grootste zondaar zijn die ooit gered is.” Dan zal de lofzang in de hemel juist des te luider klinken wanneer u daar aankomt — des te meer glorie voor Christus! Want hoe groter de zondaar, des te meer eer voor Christus wanneer hij thuisgebracht wordt.

“Ja, maar mijn zonde is overvloedig.” — Zijn genade is nog overvloediger.
“Maar mijn zonde reikt tot in de hemel.” — Zijn barmhartigheid reikt bóven de hemelen uit.
“O, maar mijn schuld is zo groot als de wereld.” — Zijn gerechtigheid is groter dan duizend werelden.
“Ja, maar mijn zonde is scharlakenrood.” — Zijn bloed is scharlakenroder dan uw zonde en kan dat rood afwassen met een rijker scharlakenrood.
“Ja, maar ik verdien het om verloren te gaan, en de dood en de hel eisen mijn veroordeling.” — Laat ze roepen! Want het bloed van Jezus Christus roept nog luider dan de dood of de hel, en het roept vandaag: “Vader, laat de zondaar leven.”

O, kon ik deze gedachte maar rechtstreeks uit mijn mond nemen en in uw hart leggen: wanneer God u redt, doet Hij dat niet om iets in u, maar om iets in Zichzelf. Gods liefde heeft geen andere reden dan Zijn eigen hart. De reden waarom Hij een zondaar vergeeft, ligt niet in de zondaar, maar in Hemzelf. En er is evenveel reden in u om gered te worden als in elk ander mens — namelijk géén enkele reden. Er is niets in u dat Hem zou kunnen bewegen tot genade, maar er is ook geen reden nodig, want de reden ligt in God — en in God alleen.

V. Het resultaat van het geloof – hoe het zich ontwikkelt wanneer het de toevlucht tot Christus neemt.

Daar is een man die op dit moment heeft geloofd; hij wordt niet veroordeeld. En toch heeft hij vijftig jaar in zonde geleefd, zich overgegeven aan allerlei ondeugden. Al zijn talloze zonden zijn hem nu vergeven. Hij staat voor God alsof hij nooit gezondigd heeft. Zo groot is de kracht van Jezus’ bloed, dat wie in Hem gelooft, niet veroordeeld wordt. Heeft dit alleen betrekking op wat er zal gebeuren op de dag des oordeels? Nee — lees het Woord van God zorgvuldig. Er staat niet: “Wie gelooft, *zal* niet veroordeeld worden,” maar: “Wie in Hem gelooft, *wordt* niet veroordeeld.” Hij is nú niet veroordeeld. En als hij nu niet veroordeeld wordt, volgt daaruit dat hij nooit veroordeeld zal worden. Want omdat hij in Christus gelooft, blijft die belofte waar: “Wie in Hem gelooft, wordt niet veroordeeld.”

Ik geloof dat ik vandaag niet veroordeeld ben; en over vijftig jaar zal diezelfde belofte gelden: “Wie in Hem gelooft, wordt niet veroordeeld.” Dus op het moment dat iemand zijn vertrouwen stelt op Christus, wordt hij bevrijd van alle veroordeling: uit het verleden, in het heden, en voor de toekomst. Vanaf dat ogenblik ziet God hem als iemand zonder vlek of rimpel, volmaakt in Christus. “Maar hij zondigt toch nog?” zegt u. Dat doet hij inderdaad, maar zijn zonden worden hem niet toegerekend. Want ze zijn al eens toegerekend — aan Christus. En God kan dezelfde overtreding niet twee keer aanrekenen: niet eerst aan Christus en daarna weer aan de zondaar.

“Ja, maar hij valt nog vaak in zonde.” Dat is waar, maar als de Geest van God in hem woont, zondigt hij niet meer zoals vroeger. Hij zondigt uit zwakheid, niet uit liefde voor de zonde, want nu haat hij haar. U mag het formuleren zoals u wilt, maar ik zal steeds antwoorden: hoewel hij zondigt, is hij niet meer schuldig in Gods ogen, want al zijn schuld is van hem weggenomen en op Christus gelegd — werkelijk, letterlijk en volledig.

Zie je het volk van Israël daar? Een zondebok wordt naar voren gebracht. De hogepriester legt zijn handen op het dier en belijdt de zonden van het volk over zijn hoofd. De schuld is nu van het volk weggenomen en op de zondebok gelegd. Vervolgens wordt de bok weggestuurd, de woestijn in. Blijft er dan nog zonde op het volk achter? Als dat zo was, dan had de zondebok die zonden niet werkelijk weggedragen, want zonde kan niet hier én daar tegelijk zijn. Zij kan niet weggedragen zijn en toch achterblijven. “Nee,” zeg je, “de Schrift leert dat de zondebok de zonde heeft weggenomen; er bleef geen enkele zonde op het volk over toen de bok die droeg.”  Zo is het ook met ons. Wanneer wij in geloof onze hand leggen op het hoofd van Christus — neemt Hij dan onze zonden weg, of niet? Als Hij dat niet doet, dan heeft ons geloof in Hem geen enkele zin. Maar als Hij ze wél werkelijk wegneemt, dan kunnen onze zonden niet tegelijk op Hem én op ons rusten. Als onze zonden op Christus zijn gelegd, dan zijn wij vrij — rein, aanvaard, gerechtvaardigd. Dát is de ware leer van de rechtvaardiging door het geloof. Zodra een mens in Christus Jezus gelooft, zijn zijn zonden van hem afgenomen en voor altijd weggedaan. Ze zijn uitgewist — nu en voor eeuwig.

Stel dat een man honderd pond schuldig is. Maar als hij een kwitantie heeft, is die schuld helemaal voldaan – uitgewist, doorgestreept uit de boeken, weg. Zelfs als hij daarna zondigt, was de rekening al betaald voordat die zonde er zelfs was. Hij is geen schuldenaar meer aan Gods wet. Zegt de Schrift niet dat God de zonden van Zijn volk in de diepte van de zee heeft geworpen (Micha 7:19)? Als ze daar liggen, kunnen ze niet meer op Zijn volk rusten. Gezegend zij Zijn Naam! Op die dag dat Hij onze zonden in de zee wierp, verklaarde Hij ons rein voor Zijn ogen en nam Hij ons aan in de Geliefde. Hij zegt: “Zo ver als het oosten van het westen is, zo ver heb Ik uw overtredingen van u verwijderd.” Ze kunnen niet weg zijn en toch nog op ons rusten.

Als u dus in Christus gelooft, ziet God u niet meer als zondaar: u bent aanvaard alsof u volmaakt bent, alsof u zelf de wet hebt gehouden – want Christus heeft dat gedaan, en Zijn gerechtigheid is nu de uwe. Ja, u hebt de wet overtreden, maar uw zonde is op Hem gelegd en Hij is ervoor gestraft. Vergis u dus niet meer: u bent niet meer wie u was. Door het geloof neemt u Christus’ plaats in, zoals Hij uw plaats innam. Die ruil is definitief en eeuwig. Wie in Jezus gelooft, wordt door God de Vader net zo aanvaard als Zijn eigen Zoon. Wie niet gelooft, blijft onder de wet en de vloek, hoe hard ze ook hun best doen. U daarentegen, die gelooft, mag hier op aarde leven in het licht van deze waarheid: in uzelf bent u nog een zondaar, maar u bent gewassen in Christus’ bloed.

David zegt: “Was mij, en ik zal witter zijn dan sneeuw.” U hebt de sneeuw zien vallen – hoe helder! Hoe wit! Wat kan er witter zijn dan sneeuw?  En toch: de christen is witter dan dat. U zegt misschien: “Hij is zwart.” Ja, dat weet ik — zwart als ieder ander, zwart als de hel zelf. Maar als er slechts één druppel van het bloed van Christus op hem valt dan is hij wit — “witter dan sneeuw.” De volgende keer dat u die sneeuwwitte kristallen uit de hemel ziet vallen, kijk er dan naar en zeg: “Hoewel ik in mijn hart moet bekennen dat ik onwaardig en onrein ben, heeft Christus mij, door mijn geloof in Hem, Zijn gerechtigheid zo volledig toegerekend dat ik zelfs witter ben dan de sneeuw die uit Gods hemel neerdaalt.”

Och! Dat u het geloof mag hebben om hieraan vast te houden. Och! Dat u een overweldigend geloof mag ontvangen, dat de overwinning behaalt op twijfels en angsten, en u laat genieten van de vrijheid waarmee Christus ons heeft vrijgemaakt. U die in Christus gelooft: ga vanavond naar bed en zeg: “Als ik vannacht sterf, kan ik niet veroordeeld worden.” Wordt u morgen wakker, ga dan de wereld in en zeg: “Ik ben niet veroordeeld.” Wanneer de duivel u beschuldigt, zeg hem: “U kunt mij aanklagen zoveel u wilt, ik zal niet veroordeeld worden.” Als uw zonden weer opduiken, zeg dan: “Ja, ik herken u – maar u bent voorgoed verdwenen; ik zal niet meer veroordeeld worden.” En als uw stervensuur komt, sluit dan uw ogen in vrede.

“U zult moedig staan op die grote dag,
want wie kan u beschuldigen aanbrengen?”

U zult, uit genade, volkomen worden vrijgesproken. De vreselijke vloek en schuld van de zonde zijn weggenomen – maar niet door iets wat u hebt gedaan. Ik verzoek u vriendelijk: doe uit dankbaarheid alles wat u kunt voor Christus. Maar zelfs als u alles hebt volbracht wat in uw vermogen ligt, rust dan nooit op uw eigen werk. Blijf rusten in Zijn plaatsvervangend offer. Wees wat Christus was in de ogen van Zijn Vader. Wanneer uw geweten ontwaakt, kunt u vertellen dat Christus voor u alles was wat u had moeten zijn, dat Hij al uw straf heeft gedragen. Nu kan noch genade, noch gerechtigheid u nog treffen, want genade en gerechtigheid hebben elkaar voorgoed de hand gereikt – om die mens te redden wiens geloof rust in het kruis van Christus.

VI. De duidelijke verklaring van de Schrift over degenen die geloven.

U weet dat in onze rechtbanken een uitspraak van ‘niet schuldig’ neerkomt op vrijspraak, waarna de gevangene onmiddellijk wordt vrijgelaten. Zo is het ook in de taal van het evangelie: een uitspraak van ‘niet veroordeeld’ betekent de rechtvaardiging van de zondaar. Het houdt in dat de gelovige in Christus nú een actuele, tegenwoordige rechtvaardiging ontvangt. Geloof draagt niet na verloop van tijd vrucht, maar nu. Want voor zover rechtvaardiging het gevolg is van geloof, wordt zij aan de ziel geschonken op het moment dat zij zich tot Christus wendt en Hem als haar alles aanvaardt. Zijn degenen die vandaag voor de troon van God staan gerechtvaardigd? Zeker — maar wij zijn het eveneens, even werkelijk en even volkomen gerechtvaardigd als zij die in witte gewaden wandelen en boven lofzangen zingen tot Zijn eer. De misdadiger aan het kruis werd gerechtvaardigd op het moment dat hij zijn gelovige ogen op Jezus richtte, die naast hem hing. En Paulus, de oude apostel, was na jaren van dienst niet méér gerechtvaardigd dan die dief, die nooit enige dienst had verricht.

Wij worden vandaag aanvaard in de Geliefde; vandaag vrijgesproken van zonde; vandaag onschuldig verklaard in de ogen van God. O, wat een verrukkelijke, zielverheffende gedachte! Sommige trossen van deze hemelse wijnstok kunnen pas geplukt worden als wij in de hemel zijn. Maar dit is er een die hier al rijp hangt – klaar om geplukt en genoten te worden. Dit is niet als het koren van het beloofde land, dat wij pas eten nadat wij de Jordaan zijn overgestoken. Het is als het manna dat God in de woestijn gaf: deel van onze dagelijkse voeding, en tegelijk onze kleding voor de reis, waarmee Hij ons onderweg voortdurend bekleedt. Wij zijn nu – zelfs nú – vergeven; zelfs nú zijn onze zonden weggedaan; zelfs nú staan wij in Gods ogen alsof wij nooit schuldig waren geweest. Onschuldig als vader Adam toen hij nog ongeschonden was, voordat hij van de vrucht van de verboden boom at; zuiver, alsof er nooit de minste smet van verdorvenheid in onze aderen had gevloeid.

Er is dus nu geen veroordeling voor hen die in Christus Jezus zijn.” Er staat zelfs nú geen zonde in het Boek van God tegen één van Zijn kinderen geschreven. Er wordt hun niets ten laste gelegd. Er is geen vlek, geen smet, geen rimpel, noch iets dergelijks meer aanwezig op welke gelovige dan ook, wat betreft de rechtvaardiging in de ogen van de Rechter over de hele aarde. Maar laten we verder gaan: er is niet alleen sprake van een huidige, maar ook van een voortdurende rechtvaardiging. Op het moment dat u en ik tot geloof kwamen, werd van ons gezegd: “Hij wordt niet veroordeeld.” Sindsdien zijn er vele dagen voorbijgegaan, hebben we veel veranderingen gezien — maar ook vandaag geldt nog steeds: “Hij wordt niet veroordeeld.”

De Heere alleen weet hoe lang onze bepaalde tijd zal zijn — hoe lang het zal duren voordat wij ons loonwerk hebben voltooid en, als een schaduw, zullen verdwijnen. Maar dit weten wij: elk woord van God is zeker, en Zijn gaven en roeping zijn onherroepelijk. Dus zelfs al zouden we nog vijftig jaar leven, zou hier nog altijd geschreven staan: “Wie in Hem gelooft, wordt niet veroordeeld.” Ja, zelfs als — door een geheimzinnige beschikking van Gods voorzienigheid — ons leven tien keer zo lang zou duren als dat van een mens gewoonlijk duurt, en we de achthonderd of negenhonderd jaren van Methusalem zouden bereiken, dan zou het nog steeds precies hetzelfde blijven: “Wie in Hem gelooft, wordt niet veroordeeld.” Want Hij heeft gezegd: “Ik geef hun eeuwig leven; en zij zullen beslist niet verloren gaan in eeuwigheid en niemand zal ze uit Mijn hand rukken.” “De rechtvaardige zal uit het geloof leven.”  “Wie in Hem gelooft, zal niet beschaamd worden.”

Al deze beloften maken duidelijk dat de rechtvaardiging die Christus schenkt aan wie gelooft, een voortdurende rechtvaardiging is — een rechtvaardiging die blijft zolang wij leven. En vergeet niet: deze rechtvaardiging houdt niet slechts stand in de tijd, maar ook in de eeuwigheid. In de hemel zullen wij geen andere kleding dragen dan die welke wij hier al dragen. De rechtvaardigen staan nu gekleed in de gerechtigheid van Christus, en diezelfde bruiloftskleding zullen zij dragen op het grote bruiloftsfeest van het Lam. Maar wat als die kleding zou verslijten? Wat als die gerechtigheid haar kracht zou verliezen in de eeuwigheden die nog komen?  Geliefden, daarvoor hoeven wij niet te vrezen. Hemel en aarde zullen voorbijgaan, maar Zijn gerechtigheid zal nooit verouderen. Geen mot zal haar aantasten, geen dief zal haar stelen, geen hand van verdriet zal haar kunnen scheuren. Zij is en blijft eeuwig — even eeuwig als Christus Zelf, Jehova, onze gerechtigheid.

Omdat Hij onze gerechtigheid is — de Zelfbestaande, de Eeuwige, de Onveranderlijke, wiens jaren geen einde kennen en wiens kracht nooit verzwakt — daarom kent ook onze rechtvaardigheid geen einde. Haar volmaaktheid en schoonheid zullen nooit ophouden te schitteren. De Schrift leert, zo mag worden verstaan, heel duidelijk dat wie in Christus gelooft, voor altijd een blijvende rechtvaardiging heeft ontvangen. Bedenk daarbij: deze rechtvaardiging is volledig. “Wie in Hem gelooft, wordt niet veroordeeld” — dat wil zeggen: in geen enkel opzicht en in geen enkele mate. Sommigen menen dat een mens in een toestand kan verkeren waarin hij half veroordeeld en half aanvaard is: veroordeeld voor zover hij zondig is, en aanvaard voor zover hij rechtvaardig is. Geliefden, daarvoor is in de Schrift geen enkele grond. Zo’n gedachte staat geheel los van de leer van het evangelie. Want als het uit werken is, dan is het niet meer uit genade; en als het uit genade is, dan is het niet meer uit werken. Werken en genade kunnen niet beter samengaan dan vuur en water: het is óf het ene, óf het andere, nooit allebei. Ze laten zich niet mengen of verwateren — geen enkele combinatie is mogelijk.

Wie gelooft, is daarom volkomen vrij: vrij van alle ongerechtigheid, van alle schuld en van iedere aanklacht. Zelfs als de duivel een beschuldiging zou inbrengen, blijft die vals, want wij zijn ook van elke aanklacht bevrijd. Want daar klinkt dat heilige uitdagende woord: “Wie zal beschuldiging inbrengen tegen de uitverkorenen van God?” Er staat niet: “Wie zal het laten zien?”, maar: “Wie zal beschuldiging inbrengen?” Zo volledig zijn zij vrij van veroordeling, dat er op hun ziel geen zweem van een vlek te vinden is — niet eens de kleinste schaduw van ongerechtigheid die nog overblijft. Zij staan voor God niet als half onschuldig, maar als volkomen onschuldig; niet slechts half gewassen, maar witter dan sneeuw. Hun zonden zijn niet alleen bedekt, maar uitgewist; niet alleen uit het zicht verwijderd, maar in de diepten van de zee geworpen; niet enkel ver weg, zo ver als het oosten is van het westen, maar voor eeuwig verdwenen — voorgoed, voor eens en altijd.

U weet, geliefden, dat de Jood door zijn ceremoniële reinigingen nooit een geweten kreeg dat werkelijk vrij was van zonde. Na één offer had hij al snel een ander nodig, want die offers konden degenen die eraan deelnamen nooit volmaakt maken. De zonden van de volgende dag vroegen om een nieuw lam, en de ongerechtigheden van het volgende jaar om een nieuw offer ter verzoening. Maar — “deze Priester is, nadat Hij één slachtoffer voor de zonden geofferd had, tot in eeuwigheid gezeten aan de rechter hand van God.” Er zijn geen brandoffers meer nodig, geen wassingen, geen bloed, geen verzoeningen, geen herhaalde offers. “Het is volbracht!” — hoor het de stervende Verlosser roepen. Uw zonden hebben hun doodsteek gekregen; het kleed van uw gerechtigheid is tot de laatste draad voltooid. Het is volbracht — compleet, volmaakt.

Er hoeft niets meer aan toegevoegd te worden, en het kan nooit meer worden verminderd. Christen, grijp deze kostbare waarheid met beide handen stevig vast! Misschien breng ik haar maar zwak onder woorden, maar laat dat u niet tegenhouden om haar heerlijke kracht te zien en te voelen. Deze waarheid alleen is genoeg om iemand op te laten springen, zelfs als zijn benen in ketenen zitten, en hem te laten zingen, zelfs als zijn mond is dichtgebonden: wij zijn volmaakt aanvaard in Christus. Onze rechtvaardiging is niet half, niet beperkt, maar geheel volkomen van begin tot eind. Onze schuld is bedekt; wij zijn volledig en voor altijd vrij van veroordeling. Nogmaals: deze vrijspraak werkt echt. Het koninklijke recht van rechtvaardiging mislukt nooit; het geldt voor elke gelovige.

Onder koning George III werd de zoon van een lid van onze gemeente ter dood veroordeeld wegens valsheid in geschrifte. Mijn voorganger, dr. Rippon, wist na veel moeite van de koning de belofte te krijgen dat de straf zou worden kwijtgescholden. Maar door een misverstand kwam het uitstel te laat aan. Een van onze diakenen – toen nog jong – hoorde van de gevangenisdirecteur dat het bevel niet was gearriveerd en dat de man de volgende ochtend zou worden opgehangen. Dr. Rippon haastte zich meteen naar Windsor, kreeg toegang tot de koning in zijn slaapkamer, en kreeg persoonlijk een kopie van het uitstel – dat door een slordige ambtenaar was vergeten. “Haast u, dokter,” zei de koning. “U kunt op mij rekenen, majesteit,” antwoordde dr. Rippon. Hij reed direct terug naar Londen en kwam nét op tijd: de gevangene werd juist met anderen naar het schavot geleid.

Ja, die gratie had verleend kunnen zijn, en toch had de man alsnog geëxecuteerd kunnen worden als dat pardon niet daadwerkelijk was uitgevoerd.  Maar geloofd zij God — onze vrijspraak is wél werkelijkheid. Het is geen kwestie van symbolische taal, maar een feit. Ach, arme zielen, u weet dat veroordeling iets echts is. Toen u en ik in onze ziel leden en onder de zware hand van de wet kwamen, voelden we dat haar vloeken geen loze dreigingen waren, geen donder van menselijke makelij – maar werkelijk, diep en tastbaar. We voelden dat Gods toorn iets was om voor te beven; een daadwerkelijke, vreselijke realiteit. Welnu, evenzeer als de veroordeling die gerechtigheid met zich brengt werkelijk is, zo reëel is ook de rechtvaardiging die barmhartigheid schenkt.  U bent niet slechts in naam onschuldig, u bént het werkelijk — als u in Christus gelooft.  U wordt niet slechts symbolisch in de plaats van de onschuldigen gesteld, u wordt daar daadwerkelijk geplaatst op het moment dat u in Jezus gelooft. Er wordt niet alleen gezegd dat uw zonden verdwenen zijn — ze zijn werkelijk verdwenen.  God kijkt niet slechts naar u alsof u aanvaard bent; u bent werkelijk aanvaard.  Het is voor u een feit — even werkelijk als het feit dat u gezondigd hebt.

U twijfelt er niet aan dat u gezondigd hebt — dat kunt u eenvoudigweg niet ontkennen. Twijfel dan ook niet dat uw zonden zijn weggenomen zodra u gelooft.  Want net zo zeker als de zwarte vlek op u viel toen u zondigde, zo zeker is alles weggewassen toen u gewassen werd in die fontein vol bloed, die stroomt uit de aderen van Immanuël.

Kom, mijn ziel, denk hieraan: U bent daadwerkelijk en volkomen van uw schuld gezuiverd. U bent uit uw gevangenis geleid en niet langer geketend als een slaaf. U bent bevrijd van de slavernij van de wet, van de zonde, en kunt vrij rondlopen als een vrij mens. Het bloed van uw Verlosser heeft uw volledige vrijlating bewerkstelligd. Kom, mijn ziel, u hebt nu het recht om aan de voeten van uw Vader te komen. Er zijn geen vlammen van wraak meer om u bang te maken, geen vurig zwaard; gerechtigheid kan de onschuldige niet treffen. Uw beperkingen zijn weggenomen. Eens kon u het aangezicht van uw Vader niet zien, nu wel. U kon niet met Hem spreken, noch Hij met u; maar nu hebt u vrijmoedige toegang tot deze genade waarin wij staan. Eens was er angst voor de hel over u; nu is er geen hel meer voor u. Hoe kan er straf zijn voor de onschuldige? Wie gelooft, is onschuldig, wordt niet veroordeeld en kan niet gestraft worden. Geen fronsen meer van een wraakzuchtige God. Als God als Rechter wordt gezien, hoe zou Hij dan boos zien naar de onschuldige? Hoe zou de Rechter Zijn wenkbrauwen fronsen naar degene die vrijgesproken is?

Meer dan alle voorrechten die u ooit had kunnen bezitten als u nooit gezondigd had, zijn nu de uwe, nu u gerechtvaardigd bent.  Alle zegeningen die u had kunnen ontvangen als u de wet volmaakt had onderhouden — en zelfs méér dan dat — zijn vandaag aan u geschonken, omdat Christus die wet voor u heeft vervuld. Alle liefde en aanvaarding die een volmaakt gehoorzaam wezen van God had kunnen verkrijgen, behoren nu u toe.
Christus was volmaakt gehoorzaam namens u en heeft al Zijn verdiensten op uw rekening geschreven, opdat u onmetelijk rijk zou worden door Hem die omwille van u onmetelijk arm werd.

O, dat de Heilige Geest ons hart zou verruimen, zodat wij de zoetheid van deze gedachten werkelijk kunnen bevatten! Er is geen veroordeling — en er zal ook nooit veroordeling zijn. De vergeving die wij ontvangen hebben, is niet gedeeltelijk, maar volkomen. Zij is zo krachtig dat zij ons niet alleen bevrijdt van alle straffen van de wet, maar ons ook de voorrechten schenkt die verbonden zijn aan volmaakte gehoorzaamheid — ja, zij verheft ons zelfs tot een hogere positie dan wij ooit zouden hebben gehad als wij nooit gezondigd waren. Onze plaats is nu veiliger dan die van Adam vóór zijn val. Hij kon vallen en omkomen.  Maar wij staan op een zeker fundament — niet waar Adam stond, maar waar hij zou hebben gestaan als God hem zeven jaar lang in de hof had geplaatst en gezegd zou hebben: “Als u zeven jaar lang gehoorzaam bent, zal uw proeftijd voorbij zijn en zal Ik u belonen.”

De kinderen van God leven in zekere zin in een proeftijd, maar in een andere zin bestaat die proeftijd niet. Wat hun redding betreft, is er geen proeftijd: het kind van God is al gered. Zijn zonden zijn weggewassen, zijn gerechtigheid is volmaakt. Zelfs als die gerechtigheid een miljoen jaar lang op de proef zou worden gesteld, zou ze nooit bezoedeld raken. Ze blijft altijd hetzelfde in de ogen van God – voor eeuwig en altijd.

VII. De misvattingen over het geloof, waardoor christenen vaak ontmoedigd raken.

Wij zijn zo naïef! Hoe kinderlijk zijn wij in geestelijke zaken, ongeacht onze natuurlijke leeftijd. Vooral als we net in Christus geloven, denken we dat vergeving allerlei dingen met zich meebrengt die later helemaal niet blijken te kloppen. We geloven bijvoorbeeld dat we nooit meer zullen zondigen, dat de strijd voorbij is, dat we op een eerlijk speelveld staan zonder oorlog. We denken de overwinning al behaald te hebben: opstaan, palmtak zwaaien, God roept ons en we gaan zo de hemel in – zonder nog vijanden op aarde. Dit zijn duidelijke misvattingen. Hoewel staat: “Wie gelooft, wordt niet veroordeeld”, staat er niet dat geloof niet geoefend hoeft te worden. Uw geloof zal beproefd worden. Onbeproefd geloof is geen echt geloof. God geeft geloof nooit zonder het te willen testen. Geloof komt met het oog op volharding. Net als het Rifle Corps een doelwit opzet om erop te schieten, zo geeft God geloof om beproevingen, moeilijkheden, zonde en Satan er hun pijlen op te laten richten. Geloof in Christus is een groot voorrecht, maar brengt ook grote beproevingen mee. U vroeg om groot geloof – dacht u ook aan de grote moeilijkheden die daarbij horen? Groot geloof kunt u niet oppotten om te laten roesten.

De heer Groothart, in John Bunyans Christinnereis, was een zeer krachtig man, maar hij had ook een bijzonder zware taak te vervullen. Hij moest vele malen met vrouwen en kinderen reizen naar de hemelse stad en weer terug. Hij moest vechten tegen reuzen en leeuwen, de reus Doodslager verslaan en het Kasteel Wanhoop neerhalen. Als u een sterk geloof hebt, zult u het volledig moeten gebruiken. U zult niets overhouden. U zult zijn als de wijze maagden uit de gelijkenis van onze Heere, die, wanneer anderen iets van hun olie wilden lenen, moesten zeggen: “In geen geval, anders is er misschien niet genoeg voor ons en u.” Maar wanneer uw geloof op de proef wordt gesteld, denk dan niet dat u veroordeeld wordt om uw zonden. O nee, gelovige: er is veel beproeving, maar geen veroordeling; er zijn zware beproevingen, maar wij blijven gerechtvaardigd. We kunnen vaak gekweld worden, maar nooit vervloekt; we kunnen worden neergeslagen, maar het zwaard van de Heere zal ons hart nooit treffen.

Ja, meer nog — niet alleen wordt ons geloof beproefd, maar het kan ook tot een zeer laag peil dalen, en toch worden wij niet veroordeeld. Wanneer uw geloof zo klein wordt dat u het nauwelijks nog kunt zien, zelfs dan bent u nog steeds rechtvaardig in Christus. Als u ooit werkelijk in Jezus hebt geloofd, kan uw geloof soms lijken op de zee die zich terugtrekt van de kust, een uitgestrekt spoor van modder achterlatend, zodat men zou denken dat het water verdwenen is. Toch bent u niet veroordeeld, zelfs niet wanneer uw geloof het meest lijkt opgedroogd. Ja, ik durf te zeggen: wanneer uw geloof op zijn hoogtepunt is, bent u niet méér aanvaard dan wanneer uw geloof op zijn zwakst is. Uw aanvaarding hangt immers niet af van de sterkte van uw geloof, maar van de echtheid ervan. Als u werkelijk in Christus rust — al is uw geloof slechts als één enkel vonkje, en proberen duizend duivels dat ene vonkje te doven — dan nog wordt u niet veroordeeld. U blijft aangenomen in Christus.

Uw troost kan afnemen als uw geloof verzwakt, maar uw aanneming niet. Geloof stijgt en daalt als het kwik in een thermometer; het reageert op de wisselende omstandigheden van het leven. Maar de liefde van God wordt niet beïnvloed door het weer op aarde of door de veranderingen van de tijd. Totdat de volmaakte gerechtigheid van Christus een veranderlijk iets zou kunnen zijn — alsof zij een bal was die door de voeten van duivels wordt rondgeschopt — zolang blijft uw aanneming bij God onveranderlijk. U bént, en u móét volmaakt aangenomen zijn in de Geliefde.

Er is nog iets anders dat het kind van God vaak op de proef stelt: hij verliest soms het licht van het aangezicht van zijn Vader.  Maar let op — er staat niet geschreven: “Wie gelooft, zal het licht van Gods aangezicht niet verliezen.”
Nee, dat kan gebeuren. Toch zal hij daarvoor niet veroordeeld worden. U kunt niet alleen dagen, maar zelfs maanden achtereen verkeren in een toestand waarin u weinig gemeenschap met Christus ervaart.  Uw omgang met God lijkt bijna verdwenen, de beloften lijken gebroken, en de Schrift biedt u nauwelijks troost.  Wanneer u uw ogen naar de hemel richt, lijkt de pijn die komt van de tuchtroede van uw Vader alleen maar dieper te worden. Misschien hebt u de Heilige Geest bedroefd, en heeft Hij Zijn aangezicht voor een tijd van u afgewend — maar zelfs dan wordt u niet veroordeeld.  Luister naar het getuigenis van het Woord: “Wie gelooft, wordt niet veroordeeld.” Zelfs wanneer uw Vader u kastijdt, wanneer elke slag van Zijn hand een striem achterlaat, ja, zelfs bloed doet vloeien — is er geen greintje veroordeling in ook maar één van die slagen.  Hij slaat niet in toorn, maar in tedere verbondsliefde.

Er schuilt net zoveel zuivere, onvervalste genegenheid in de tuchtigende hand van de Vader als in de liefkozingen van Jezus Christus.  O, geloof dat toch — het zal uw hart opheffen en verkwikken, zelfs wanneer noch zon noch maan aan uw hemel lijken te schijnen. Dit geloof zal uw God eren, en het zal u doen zien waar uw ware aanneming ligt. En wanneer Zijn aangezicht verborgen lijkt, zeg dan nog steeds:  “Hij blijft trouw, ook al verbergt Hij Zich voor mij.” Ik zal nog een stap verder gaan. Het kind van God kan zó hevig door Satan worden aangevallen, dat hij bijna aan wanhoop ten prooi valt — en toch wordt hij niet veroordeeld. De machten der duisternis kunnen met hels lawaai op zijn hart inbeuken, tot hij denkt dat zijn veroordeling nabij is. Hij kan de Bijbel openslaan en menen dat elke dreiging tegen hém gericht is, terwijl iedere belofte zwijgt en hem geen troost biedt. Zo kan hij in wanhoop wegzinken, steeds dieper, tot hij voelt alsof zijn harp, die al zolang aan de wilg hangt, gebroken moet worden. Hij zegt dan misschien: “De Heere heeft mij verlaten; mijn God zal mij geen genade meer schenken.” Maar dat is niet waar.  

Ja, hij kan wel duizend keer zweren dat Gods genade voorgoed verdwenen is en dat Zijn trouw heeft opgehouden te bestaan — maar dat is niet waar. Duizend leugenaars die één leugen zweren, maken haar nog niet waar. Onze twijfels en angsten zijn niets anders dan leugens. En al waren er tienduizend die hetzelfde beweerden, het zou nog steeds een leugen blijven dat God ooit Zijn volk heeft verlaten of een onschuldige van Zich heeft afgeworpen. Onthoud dat u onschuldig bent wanneer u in Christus gelooft. “Maar,” zegt u, “ik ben vol zonde.”  “Ja,” zeg ik, “maar die zonde is op Christus gelegd.”  “Maar ik zondig dagelijks.”  “Ja,” antwoord ik, “maar die zonden zijn op Hem gelegd nog vóór u ze beging — lang geleden. Ze zijn niet meer van u; Christus heeft ze voor eens en altijd weggenomen.” U bent rechtvaardig verklaard door het geloof, en God zal de rechtvaardige niet verlaten, noch de onschuldige verwerpen.

Ik zeg dus: een kind van God kan een terugval in geloofdoormaken; hij kan het licht van het aangezicht van zijn Vader verliezen en zelfs in diepe wanhoop wegzinken — maar geen van die dingen kan het Woord van God tenietdoen:  “Wie gelooft, wordt niet veroordeeld.” “Maar,” vraagt u, “wat als een kind van God zondigt?”  Dat is een gevoelig onderwerp, maar we moeten het eerlijk onder ogen zien.  Ik wil de waarheid van God niet verzwakken, ook niet uit angst dat iemand er misbruik van maakt. Sommigen — niet Gods volk, maar huichelaars — zeggen: “Laten wij zondigen, opdat de genade des te overvloediger worde.” Hun veroordeling is terecht. Deze misbruikers van de genade zijn er altijd al geweest; zij maken van het zuiverste Evangelie een vergif voor hun ziel. Maar u vraagt: “Wat dan? Wat als een kind van God werkelijk in zonde valt?”  Ik antwoord: het kind van God valt inderdaad in zonde — en hij treurt daar dagelijks over. Hij zucht omdat, telkens wanneer hij het goede wil doen, het kwade nabij is. Toch, hoewel hij zondigt, wordt hij niet veroordeeld — niet door één zonde, en niet door allemaal samen. Want zijn aanneming hangt niet af van hemzelf, maar van de volmaakte gerechtigheid van Christus. En die gerechtigheid wordt door geen enkele zonde ongeldig gemaakt. Hij is volmaakt in Christus; en zolang Christus niet onvolmaakt is, doen de onvolmaaktheden van het schepsel geen afbreuk aan de rechtvaardiging van de gelovige in de ogen van God.

Maar als hij in een ernstige zonde vervalt — o God, behoed ons daarvoor! — dan zal hij weliswaar met gebroken botten verdergaan, maar de hemel toch bereiken. Hoewel hij, om hem te beproeven en zijn eigen verachtelijkheid te laten zien, kan afdwalen, zal Hij die hem gekocht heeft hem niet verliezen. Hij die hem heeft uitverkoren, zal hem niet verstoten, maar tot hem zeggen: “Ik, Ik ben het Die uw overtredingen uitdelgt omwille van Mijzelf, en aan uw zonden denk Ik niet.” David mocht diep vallen, maar David was niet verloren. Hij keerde terug en riep: “Wees mij genadig, o God!” En zo zal het zijn met elke gelovige ziel: Christus zal hem terugbrengen. Ook al struikelt hij, hij zal worden bewaard, en al het uitverkoren zaad zal zich rond de troon verzamelen. Als deze laatste waarheid er niet was – ook al zullen sommigen er moeite mee hebben – wat zou er dan van sommige van Gods volk terechtkomen? Zij zouden aan wanhoop worden overgeleverd.

En u, beste lezer, die gestruikeld bent, laat mij dit dan tot u zeggen: maak geen misbruik van wat u gehoord hebt. O, arme afgedwaalde ziel! Uw Vader verlangt nog steeds naar u; Hij heeft uw naam niet uit Zijn boek gewist. Keer terug, keer nu terug tot Hem, en zeg: “Ontvang mij genadig, en heb mij vrijelijk lief.” En Hij zal antwoorden: “Zie, Ik zal u onder de kinderen plaatsen.” Hij zal uw afvalligheid voorbijzien en uw ongerechtigheden genezen; en u zult opnieuw in Zijn gunst staan en weten dat u nog steeds aanvaard bent in de gerechtigheid van de Verlosser — gered door Zijn bloed. God bedoelt niet dat Zijn kind nooit beproefd zal worden of dat het nooit zal struikelen onder die beproeving. Maar Hij bedoelt dit: voor eens en voor altijd geldt dat wie in Christus gelooft, niet veroordeeld wordt. Op geen enkel moment, op geen enkele manier staat hij onder het vonnis van veroordeling. Hij is en blijft voor eeuwig gerechtvaardigd in de ogen van God.

VIII. Wat dit geloof omvat.

Als wij niet veroordeeld zijn, dan beschouwt God Zijn kinderen — zodra zij in Christus geloven — op geen enkel moment als schuldig.  Verbaast het u dat ik het zo stel?  Dan zeg ik het nogmaals: vanaf het moment dat u in Christus gelooft, ziet God u niet langer als schuldig, want Hij ziet u nooit los van Christus. U ziet uzelf vaak nog als schuldig. U valt op uw knieën, zoals het hoort, en u weent en beklaagt uw zonden.  Maar zelfs dan, terwijl u weent over uw aangeboren en daadwerkelijke zonden, zegt Hij vanuit de hemel:  “Wat uw rechtvaardiging betreft, bent u volkomen rein en lieflijk.” U bent zwart als de tenten van Kedar – dat bent u van nature; maar u bent mooi als de gordijnen van Salomo – dat bent u in Christus. U bent zwart – dat bent u in Adam; maar u bent schoon en liefelijk, dat bent u in de tweede Adam. O, denk daar eens over na! Dat u in Gods ogen altijd schoon bent, altijd lieflijk, als ware u volmaakt. Want u bent volmaakt en onberispelijk in Christus Jezus, zoals de apostel het op een andere plaats zegt. U staat altijd volledig gewassen en volledig gekleed in Christus. Onthoud dit, want het is zeker inbegrepen in het woord: “Wie in Hem gelooft, wordt niet veroordeeld.”

Er is nog een belangrijke gedachte: als gelovige kunt u nooit gestraft worden voor uw zonden. U zult wel getuchtigd worden, zoals een vader zijn kind tuchtigt – dat hoort bij het evangelie. Maar u zult nooit geslagen worden zoals een wetsovertreder door de rechter, voor uw overtredingen. Uw Vader kan u soms zwaar treffen, maar nooit om dezelfde reden als waarmee Hij de goddelozen straft. De goddelozen lijden als vergelding voor hun zonden; hun straf is hun verdiende loon. Maar uw verdriet komt niet als vergelding, het is een uitdrukking van liefde. God weet dat uw verdriet – hoe pijnlijk ook – in zekere zin een voorrecht is. U mag het zien als een zegen die u niet verdient. Ik heb daar vaak aan gedacht, vooral in tijden van zware tegenslag. Sommigen zeggen dan: “U hebt die tegenslag verdiend.” Ja, broeders, maar eerlijk gezegd hebben alle christenen samen niet genoeg verdiensten om iets zo goeds te verdienen als de liefdevolle terechtwijzing van onze hemelse Vader.

Misschien kunt u het moeilijk bevatten; u kunt zich nauwelijks voorstellen dat een beproeving werkelijk een zegen kan zijn binnen het verbond. Toch weet ik dit: de roede van het verbond is evenzeer een genadegave als het bloed van het verbond. Het is geen kwestie van verdienste of waardigheid — het wordt ons geschonken omdat wij het nodig hebben. Maar stel uzelf deze vraag: zijn wij ooit zo goed geweest dat wij zo’n rijke, zo’n genadige voorziening als deze verbondszegen — de tuchtigende roede van onze God — hadden kunnen verdienen?
Nooit in ons leven. Er is, sinds de dag dat u in Christus bent gaan geloven, geen enkele wet meer geweest die recht over u heeft. U valt buiten haar macht. Zoals de wet van Engeland een Fransman niet kan berechten zolang hij leeft onder de bescherming van zijn eigen keizer, zo kan de wet u niet raken zolang u leeft onder de genade van Christus. U bent niet meer onder de wet, maar onder de genade. De wet van de Sinaï heeft geen gezag meer over u — u valt buiten haar rechtsgebied. U bent niet in Sinaï of in Arabië; u bent geen zoon van Hagar, de dienstmaagd, maar een zoon van Sara, de vrije vrouw. U bent gekomen tot Jeruzalem, en u bent vrij. U leeft niet onder Hagar, maar onder Sara — onder het genadeverbond van God. U bent een kind van de belofte en u zult de erfenis ontvangen die God Zelf heeft bereid. Geloof het met uw hele hart: er zal nooit weer een wet op u neerkomen, en Gods toorn zal u in gerechtelijke zin nooit treffen.  Hij kan u soms tuchtigen, ja — niet als straf voor uw zonde, maar als bewijs van Zijn overvloedige genade. Door die tuchtiging zuivert Hij u van de zonde, om u te vormen tot volmaaktheid in heiliging — want u bent reeds in Zijn ogen volledig gereinigd en vervuld door het bloed en de gerechtigheid van Jezus Christus.

IX Wat dit geloof uitsluit.

Wat sluit dit uit? Het sluit alle trots uit. “Wie gelooft, wordt niet veroordeeld.” Als er had gestaan: “Wie werkt, wordt niet veroordeeld,” dan hadden u en ik reden om onszelf op de borst te kloppen. Maar nu staat er “Wie gelooft,” en dan is er geen ruimte meer om iets van onszelf te prijzen. Nee, Heere – als ik niet veroordeeld word, komt dat door Uw vrije genade. Ik heb het duizend keer verdiend om veroordeeld te worden, zelfs terwijl ik dit opschrijf. Wanneer ik kniel en niet veroordeeld word, weet ik dat het pure soevereine genade is. Want zelfs in gebed verdien ik het nog. Zelfs bij bekering zondigen we door, en voegen nieuwe zonden toe terwijl we de oude betreuren. Elke daad uit ons eigen vlees is zonde. Onze beste daden zijn zo bevlekt dat je soms niet weet of het goed of kwaad is. Wat uit onszelf komt, is kwaad. Wat uit de Geest komt, is goed – maar die goedheid komt van de Geest, en het kwade blijft van ons. Dan kunnen we ons niet oprichten! Weg met de trots! De christen moet nederig zijn. Als hij zijn hoofd opheft om zichzelf te prijzen, is hij nergens. Hij weet niet meer waar hij staat zodra hij begint te roemen, alsof zijn eigen hand hem de winst gaf. Christen, stop met hoogmoed; leef nederig voor uw God. Laat geen woord van zelfvoldaanheid over uw lippen komen. Leg uzelf op het altaar en zing voor de troon: “Niet ons, HEERE, niet ons, maar geef Uw Naam eer.”

Wat sluit het nog meer uit?  Nu ik dit zeg, moet ik erkennen dat het ook twijfel en angst uitsluit. “Wie gelooft, wordt niet veroordeeld.” Hoe durven u en ik dan zulke sombere gezichten te trekken, alsof we een wereld van zorgen op onze schouders torsen? Wat zou ik er tien of elf jaar geleden niet voor over gehad hebben als ik toen had geweten dat deze tekst zeker op mij van toepassing was — dat ik niet veroordeeld was! Ik dacht destijds: als ik ooit de zekerheid mocht voelen dat mijn zonden vergeven zijn, dan zou ik bereid zijn te leven van brood en water, opgesloten te worden in een kerker, en elke dag te worden gegeseld met een gesel met negen riemen. Ik zou dat alles gaarne aanvaard hebben, als ik maar kon weten dat mijn zonden werkelijk vergeven waren.

Nu bent u een vergeven mens — en toch bent u terneergeslagen. O, schaam u! Geen veroordeling, en toch zo ellendig? Foei, christen. Sta op, veeg de tranen uit uw ogen. Stel u voor dat er iemand in de gevangenis zit, ter dood veroordeeld, zijn executie al op de kalender. Als u naar hem toe zou gaan en zeggen: “U bent vergeven,” zou hij dan niet juichend opspringen van vreugde? En ook al was hij al zijn bezittingen kwijt, en zou hij na zijn vrijspraak nog veel te verdragen hebben — wat zou dat er voor hem toe doen, zolang hij maar mocht leven? Hij zou het als niets beschouwen. Welnu, christen, u bent vergeven — al uw zonden zijn u vergeven. Christus Zelf heeft tot u gezegd: “Uw vele zonden zijn u vergeven.” En bent u dan nog steeds verdrietig? Als we soms neerslachtig moeten zijn, laten we het dan zo kort mogelijk zijn. En als we door somberheid worden aangegrepen, laten we de Heere dan bidden om ons weer op te heffen. Ik vrees dat sommigen van ons er gaandeweg een slechte gewoonte van maken om neerslachtig te blijven.

Wees op Uw hoede, christen! Een humeurige, zorgelijke stemming die u niet meteen aanpakt, zal steeds sterker in u wortel schieten. Als u niet meteen naar God vlucht om uw twijfels en angsten te laten verdrijven, hopen ze zich op als de plagen van vliegen in Egypte – talloos en verstikkend. Doodt u de eerste grote twijfel, dan doodt u er meteen honderden anderen. Want één twijfel baart er duizend. Vernietig de bron, en het hele probleem is weg. Let dus scherp op de eerste twijfel in uw hart, zodat u niet verstrikt raakt in moedeloosheid en wegzakt in wanhoop. “Wie in Hem gelooft, wordt niet veroordeeld.” Als dat roemen uitsluit, sluit het ook twijfelen uit.

Dit sluit ook het gemak van zondigen uit. Heere, hoe vaak heb ik tegen U gezondigd – en toch vergaf U mij telkens vrijelijk! Wat voor sterkere reden zou ik hebben om niet meer te zondigen? En toch zeggen sommigen dat deze leer tot losbandigheid leidt. Duizend duivels zouden één zo verdorven mens moeten vinden die hierin een reden tot zonde ziet! Wat? Zondigen omdat ik vergeving gekregen heb? Leven in zonde omdat Jezus mijn schuld droeg en voor mij leed? Nee – het is het diepste kwaad wanneer men uit Gods genade een argument voor zonde kan maken. Hoe slecht ik ook ben, het is moeilijk zondigen tegen een vergevende God. Het is nog moeilijker tegen het bloed van Christus, tegen de liefde van een vergevende Heiland – veel moeilijker dan tegen de dreiging van de wet of angst voor de hel. Uit ervaring weet ik: juist als mijn ziel verontrust is door Gods toorn, zondig ik makkelijker dan wanneer mijn hart vol is van Zijn liefde. Hoe verschrikkelijk is het om je verlossing te kennen en toch te zondigen! O, schandelijke, ellendige mens! U bevond zich dan op de rand van de diepste hel. Toch weet ik zeker, dat als u echt een kind van God bent en weet dat u in Christus Jezus gerechtvaardigd bent, u zult uitroepen:

“Nu, uit liefde voor Zijn Naam,
Beschouw ik mijn winst als verlies;
Mijn vroegere trots noem ik nu mijn schande,
En nagel ik mijn trots aan Zijn kruis.”

Ja, ik beschouw — en zal blijven beschouwen — alle dingen als verlies omwille van Christus Jezus. Moge mijn ziel in Hem gevonden worden, volmaakt in Zijn gerechtigheid alleen! Die waarheid brengt u dicht bij Jezus en vormt u steeds meer naar Zijn beeld. Denk niet dat nadenken over deze leer u tot zonde zal verleiden. Integendeel: zij herinnert u aan de wrede beul die Christus ter dood bracht en aan de zware last van de zonde – een last die niemand kan dragen behalve de eeuwige arm van God. Dan zult u de zonde haten met heel uw hart, want zij is pure opstand tegen een liefdevolle en genadige God. Zo wordt u – veel beter dan door twijfel of wetticisme – gebracht om te wandelen in de voetstappen van uw Heere Jezus en het Lam te volgen, overal waar Hij gaat. Dit geschrift is in de eerste plaats voor Gods kinderen geschreven, maar het is ook bedoeld voor zondaars.

Zondaar, ik wens dat u hetzelfde kunt zeggen. Want als u weet dat “wie gelooft, niet veroordeeld wordt,” dan geldt dat ook voor u – als u gelooft. Moge alles wat ik heb gezegd u helpen om dat diep in uw hart te geloven. “O,” zegt u, “mag ik dan wel op Christus vertrouwen?” Zoals ik eerder zei: het gaat niet om mogen – het is een bevel! De Schrift gebiedt dat het evangelie aan alle schepselen wordt verkondigd, en dat evangelie luidt: “Geloof in de Heere Jezus Christus, en u zult zalig worden.” Ik weet dat u te trots zult zijn om dat te doen, tenzij God u door Zijn genade nederig maakt. Maar als u vanavond voelt dat u niets bent en niets hebt, zult u blij zijn wanneer Christus voor u alles mag zijn. Als u met de eenvoudige Jack the Huckster kunt zeggen: “Mijn naam is zondaar, en verder niets,” dan mag u met zekerheid toevoegen: “Maar Jezus Christus is mijn alles.” Moge God dat werkelijkheid maken – omwille van Zijn heilige Naam. Amen.

 

Translate Website

Zoek In Archief

Selecteer een zoekfilter

Steun ons met een donatie

Uw steun helpt Het Spurgeon Archief te onderhouden en reclamevrij te houden.
Met uw bijdrage maakt u het mogelijk dat wij ons werk kunnen voortzetten en dit waardevolle archief vrij houden van reclame en commerciële invloeden. U kunt zelf het bedrag bepalen dat u wilt schenken – u kunt kiezen uit vooraf ingevulde bedragen of zelf een bedrag invoeren dat u passend vindt.

Wij danken u hartelijk voor uw steun en betrokkenheid!

Interne Bladwijzers

Maak een gratis account aan of log in op Het Spurgeon Archief om uw favoriete artikelen met bladwijzers op te slaan en ze later gemakkelijk terug te vinden wanneer u opnieuw inlogt. Zo houdt u uw persoonlijke leeslijst bij en kunt u snel verder lezen waar u was gebleven.

Contact

Heeft u een tekstfout gevonden, of heeft u een vraag? Stuur dan een E-mail naar: [email protected]

Over de Auteur

C.H. Spurgeon

Charles Haddon Spurgeon

1834 – 1892 Was een Engelse baptistenpredikant in de puriteinse traditie. Belangrijke onderwerpen uit zijn prediking waren de vergeving van zonden en de noodzaak van wedergeboorte.

Onze Socials:

Copyright & Content