Een preek uitgesproken op zondagmorgen 31 maart 1867 door C. H. Spurgeon in de Agricultural Hall te Islington.
Ik heb wel gehoord, dat zich Efraïm beklaagt, zeggende: Gij hebt mij getuchtigd, en ik ben getuchtigd geworden als een ongewend kalf. Bekeer mij, zo zal ik bekeerd zijn, want Gij zijt de HEERE, mijn God! Jeremia 31:18
De heidenen beschreven hun verzonnen godheid, Jove, als iemand die hoog in de hemel zat en zich niets aantrok van de gewone zaken van deze lagere wereld. Op een paar koningen en vorsten sloeg hij misschien een oplettend oog, maar de meeste mensen waren veel te onbeduidend om de gedachten van Jove bezig te houden. Of ze leefden of stierven, het deed hem niets: ze vervulden hun lot en gingen heen, terwijl Jove onbewogen bleef zitten, of knikte naar het zijn verheven wil behaagde. Zo is Jehova, de God van hemel en aarde, niet! Hij omringt ons gaan en ons liggen, en is al onze wegen gewend. ‘Want eens iegelijks wegen zijn voor de ogen des HEEREN, en Hij weegt al zijne gangen.’
Hij slaat acht op het geroep van de verdrukten. ‘Hij geneest de gebrokenen van hart, en Hij verbindt hen in hun smarten.’ ‘Want de HEERE is hoog, nochtans ziet Hij de nederige aan.’ Hoewel Hij zo’n grote God is dat de hemel der hemelen Hem niet kan bevatten, verwaardigt Hij Zich toch te wonen bij de mens die een verbrijzelde en nederige geest heeft. God heeft ons niet verlaten zoals de struisvogel haar jongen verlaat. Zeg niet dat wij zonder een Vriend zijn achtergelaten die voor ons zorgt: onze Maker is niet weggegaan! Hij heeft de poorten van de hemel niet gesloten! Hij heeft Zijn oor niet toegesloten om te horen, en Hij heeft Zijn hand niet teruggehouden om ons te helpen! Nog altijd hoort Hij Zijn Efraïms wanneer zij zichzelf beklagen, en zendt Hij hun de barmhartigheid waarnaar zij smachten.
Laten we ons, voor zover dat kan, een voorstelling maken van de nabijheid van God bij iedere treurende ziel, want die is wonderlijk en verdient onze bewondering. Toen Hare Majesteit enkele maanden geleden hoorde van de verwoesting die een ongeluk in de mijnen had aangericht, haastte haar tedere hart zich om de weduwen en wezen te hulp te komen. Maar op het moment van de ramp was zij niet zelf ter plaatse. Zij kon niet in de mijnschacht zijn om het gekerm te horen en het geloof van de stervenden te ondersteunen. Nee, zij kon niet in het huisje zijn om de tranen van de weduwe op te merken en haar met hemelse beloften te troosten. Maar onze God is op de plek waar het onheil gebeurt, want in Hem leven wij, en bewegen ons, en zijn wij! Hij is de grootste Trooster en ook de meest toegankelijke.
‘Hij is krachtelijk bevonden een Hulp in benauwdheden.’ Hij heeft geen boodschappers nodig om Hem het nieuws van ons verdriet of ons berouw te brengen, want Hij is niet verre van een iegelijk van ons. Treurende, uw zucht is God bekend zodra u hem hebt geslaakt! Ja, nog voordat uw verdriet zo een uitweg vond, zag Hij het al in u worstelen! En het verdriet dat u niet in woorden kunt uitdrukken, kan God zien en verstaan! Hij kent de taal van ons verdriet en de betekenis van onze tranen. Geloofd zij de altijd aanwezige God, dat Hij aanwezig is op de plek waar het klagen van boetvaardigen wordt gehoord, en dat Hij een genadig oor neigt naar het geroep van Zijn kinderen! Mijn eerste verlangen deze morgen is dat ieder van ons mag voelen dat God hier is en door ons bereikt kan worden. Wat onze gemoedstoestand ook is, de Heere weet er alles van. Als deze dienst ook maar het zwakste rimpeltje van verlangen naar Hem opwekt, zal Hij dat in Zijn boek aantekenen, en groeit dat verlangen uit tot een golf van gebed, dan gaat het bij Hem niet verloren. Want Hij zal Zich wenden tot het gebed van wie geheel ontbloot is, en hun gebed niet versmaden.
Ik zal nu, gesterkt door God, eerst uw vriendelijke aandacht vragen voor een zondaar die zichzelf beklaagt. Ten tweede wil ik dat u denkt aan God, Die hem hoort. En ten derde zal ons grootste onderwerp waarschijnlijk zijn dat God het verlangen van die klagende boetvaardige vervult en hem krachtdadig van zijn zonden bekeert.
1. Let eerst goed op EEN ZONDAAR DIE ZICHZELF BEKLAAGT.
Afgelopen zondag preekten wij over twee zondaars, maar daarbij hoorden we weinig of geen klagen. De een zei: ‘Ik wil niet,’ en de ander zei: ‘Ik ga, heer!’ en hij ging niet. Deze morgen zijn we een stap verder. We stellen u iemand voor wiens hart door de genade is aangeraakt, wiens geweten is ontwaakt en wiens ziel levend is gemaakt, en we vinden hem, naar het veelzeggende woord van de tekst, terwijl hij ‘zichzelf beklaagt’. Het woord alleen al klinkt treurig. Het doet ons denken aan het klagen van duiven, en we kunnen het niet uitspreken zonder te voelen dat het een diepte van verdriet openbaart. Het is een woord dat spreekt van pijn, angst, vrees, onrust, droeve herinneringen, verschrikkelijke voorgevoelens en hevige verlangens. Efraïm ‘beklaagde zichzelf’.
Als we het verdriet bekijken dat hier voor ons ligt, merken we op dat hij die zichzelf beklaagde, gebukt ging onder een bijzonder soort verdriet. Hij weeklaagde niet om zijn kinderen met het bittere geween van Rachel. Hij rouwde niet om vrienden en verwanten die waren verwelkt onder de adem van de dood. Hij schreeuwde het niet uit van lichamelijke pijn omdat een lid verbrijzeld of een been gebroken was. Hij beklaagde zichzelf, maar niet omdat hij zijn bezittingen kwijt was. Niet omdat zijn schip op zee was vergaan, of zijn huis in vlammen opging, of omdat zijn rijkdom zich vleugels had gemaakt en was weggevlogen.
Nee, zijn verdriet was van een andere soort. Hij beklaagde zichzelf met een geheimzinniger en bitterder verdriet. De oorzaak van het verdriet lag van binnen: hij ‘beklaagde zichzelf’!
Dit is, zeg ik, een bijzonder verdriet, een verdriet waar de meeste mensen met minachting op neerkijken. Ik bid God, mijn hoorders, dat het u niet vreemd mag zijn. Want als u zichzelf niet beklaagt, zult u de engelen nooit blij maken, want hun blijdschap is ‘over een zondaar, die zich bekeert’. Er is geen gewicht van heerlijkheid voor wie nooit heeft getreurd onder het gewicht van de zonde! Hebt u uzelf nooit beklaagd, dan hebt u nooit vrede met God gekend door onze Heere Jezus Christus. Het verdriet van de tekst is dat van een ziel die door God de Heilige Geest wordt bezocht: het innerlijke verdriet van een man die overtuigd is van zonde, van gerechtigheid en van oordeel. Het is een bitter verdriet, maar de vruchten ervan zijn zo gezegend dat ik het bitterzoet wil noemen! Het brengt duisternis mee, maar het is de duisternis van het laatste uur van de nacht, die de dageraad aankondigt!
Godvruchtig verdriet is gegrond verdriet. Ik zal proberen de bronnen ervan te beschrijven. Wanneer een zondaar zichzelf zo beklaagt, zegt hij: ‘Helaas! Helaas! Ik heb ontdekt dat alles waar is wat Gods dienaren mij zo vaak hebben verteld. Ik heb mijn Maker werkelijk beledigd! Ik heb de God Die mij het leven gaf bedroefd! Ik heb door mijn zonde mijn beste Vriend tot mijn vijand gemaakt. Ik heb mij tegen de Koning der koningen gekeerd! Ik kan de strijd met Hem niet aan, want Hij is mij te groot. Wat moet ik doen? Waar moet ik heen vluchten? Het is zeker waar en rechtvaardig dat Hij mij straft, en wee mij, want ik kan Zijn toorn niet dragen! Al waren mijn ribben van ijzer en mijn vlees van graniet, ik zou wegsmelten in de hitte van Zijn gramschap.
Ik kan Hem evenmin weerstaan als vlas het vuur of stoppels de vlam. Wee mij! Ik heb de Almachtige tegen mij opgewekt als mijn vijand! Ik heb de hele hemel tegen mij in slagorde gebracht! Ik kan geen weerstand bieden en ik kan niet ontkomen. Wat moet ik dan doen? Zal ik beloven dat ik beter word? Helaas, mijn verbeteringen kunnen mijn vroegere zonden niet uitwissen, want mijn oude overtredingen zullen nog steeds straf eisen, ook al bega ik er geen meer! En het wordt nog erger: ik ontdek nu dat mijn natuur vol zonde is en voortdurend in opstand zal komen! In de vervloekte grond van mijn hart zullen doornen en distels groeien, wat ik ook doe om ze met wortel en al uit te trekken! Zo ben ik niet alleen door mijn daden een vijand van God, maar door mijn natuur zelf. Wee mij! Kan een Moorman zijn huid veranderen, of een luipaard zijn vlekken? Dan zou ik, die aan het kwade gewend ben, ook kunnen leren goed te doen. Helaas, ik ben een verrader van mijn God, een vreemdeling voor vrede en geluk, een slaaf van de zonde, in de slavernij van het kwaad.’
Het is geen wonder dat bij iemand in deze gemoedstoestand de gedachte opkomt: ‘Och, was ik maar nooit geboren! Och, was ik maar als hond of pad geschapen in plaats van een zondig mens te worden, want ik zie mijn einde, mijn verschrikkelijke einde! Ik zal van kwaad tot erger gaan, en wanneer ik sterf, zal de toorn van God mij ten volle treffen! Voor altijd zal ik verbannen zijn van alle hoop op geluk. Ik kan de toekomende toorn niet verdragen! Waar moet ik heen vluchten, of wat moet ik doen? Als ik probeer te bidden, weigeren mijn lippen de verlangens van mijn hart uit te spreken. Nee, ik weet niet wat ik moet begeren, en ook niet hoe ik moet bidden. Helaas! Helaas! Ik ben werkelijk verloren! Ik ben verloren! Verloren! Verloren! Och, was er maar barmhartigheid voor mij!’
In de toestand van de zondaar is er alle reden voor zijn klagen. De vrees waaraan ik woorden heb gegeven, is redelijk en goed gegrond. Ze komt zo werkelijk voort uit een gezond oordeel en een verlicht geweten dat ik bid, beste hoorder, als u die vrees nooit hebt gekend, dat u haar zult kennen voordat de zon voor u ondergaat! Dit verdriet is nederig verdriet. Let op: er staat niet ‘Ik hoor Efraïm zichzelf verontschuldigen’, of ‘zichzelf vleien’, of ‘nieuwe voornemens maken’, maar: ‘Ik heb wel gehoord, dat zich Efraïm beklaagt.’ Wanneer God de Heilige Geest een mens oprecht van zonde overtuigt, hoe verandert dan het oordeel dat hij over zichzelf heeft! Hij ontdekt dat al zijn gerechtigheden niet meer zijn dan een bundel vuile vodden. Hij hield ze voor reine, witte klederen, blank als de gewaden van de verlosten in de hemel, en hij was er trots op dat hij zich ermee kon tooien. Maar toen hij ze bij daglicht uitpakte, zag hij dat ze vol gaten zaten, tot vodden en lompen vergaan, en, wat nog erger was, bevlekt met afschuwelijk vuil! Dus wierp hij ze allemaal weg en begon hij zichzelf te beklagen.
Een ontwaakt geweten zegt niet: ‘Ik kon er niets aan doen, het was mijn natuur. Mijn hartstochten hebben mij ertoe gebracht. Mijn omstandigheden hebben mij verleid.’ Nee, het geeft alle uitvluchten op, omdat het ziet hoe hol ze zijn. ‘Ik heb gezondigd,’ zegt de man, ‘en ik wist dat het zonde was. Ik heb er willens en wetens voor gekozen. Ik had het kunnen laten, maar ik wilde niet. Ik heb duisternis tot licht gemaakt en licht tot duisternis. Ik ben een moedwillige overtreder.’ In plaats van zijn ziel met vleierij te sussen, ziet hij dat de zonde zeer zondig is, en hij beklaagt haar. Mijn hoorders, beschrijf ik sommigen van u? Ik vertrouw voor het aangezicht van de Heere dat sommigen van u hier uw eigen portret zien. En als dat zo is, heb ik blijde tijding van de Heere voor u, want gebroken harten zullen door de Heere Jezus Zelf worden verbonden, en u zult eeuwig leven ontvangen als u in Hem rust!
Merk ook op dat dit verdriet een bedachtzaam verdriet was, want Efraïm overziet zijn vroegere leven: ‘Gij hebt mij getuchtigd.’ Wat kwam ervan terecht? Wel: ‘Ik ben getuchtigd geworden’, en dat was alles. Zijn er niet sommigen van u in deze zaal die zouden kunnen zeggen: ‘Grote God, U moet Zelf met mij handelen, want niemand anders dan U kan mij ooit redden. Ik heb op een ziekbed gelegen en ben weer hersteld. Daarmee was de ziekte voorbij, maar ik was er niets beter van geworden. Ik heb mijn vrouw verloren, ik heb mijn kinderen begraven, ik heb harde slagen gekregen, maar dat is alles: al mijn verdrukkingen hebben geen enkele goede vrucht opgeleverd. Heere, ik heb ziekte na ziekte gehad, maar ik ben eerder slechter dan beter geworden! Ik ben als een ongewend kalf: geslagen maar niet onderworpen, getroffen maar nog altijd halsstarrig.’ Hoe meer het ongetemde kalf met de prikkel wordt gedreven, hoe meer het achteruit slaat, en het wil het juk niet geduldig dragen. Bent u niet net zo geweest?
Als u een preek hoorde, lachte u erom! Als uw moeder tranen om u vergoot, verachtte u die. Als de gebeden van uw vrouw naar de hemel opstegen, maakte u ze belachelijk. U bent keer op keer getuchtigd, maar er is niets goeds uit voortgekomen. Sommigen van u hebben de Heere vermoeid met uw ongerechtigheden, totdat Hij vraagt: ‘Wat zal Ik met u doen?’ Pas op, want het geduld duurt niet eeuwig! De Heere zal niet altijd op een rots ploegen. Hij zal niet altijd zaaien in het ondankbare zand. ‘Want de aarde, die den regen, menigmaal op haar komende, indrinkt, en bekwaam kruid voortbrengt voor degenen, door welke zij ook gebouwd wordt, die ontvangt zegen van God; Maar die doornen en distelen draagt, die is verwerpelijk, en nabij de vervloeking, welker einde is tot verbranding.’ Ik vertrouw dat velen van u beseffen dat geen uiterlijke voorzienigheden, overredingen of prediking genoeg zullen zijn om u te redden. U hebt krachtdadige genade nodig om uw ziel te bekeren, anders zult u voor eeuwig omkomen.
Ik vraag u nog op één punt te letten bij het klagen in de tekst, namelijk dat het hopeloos en toch hoopvol was. Efraïm zegt: ‘Heere, het heeft geen zin mij te tuchtigen, want ik word er alleen maar slechter van. Maar bekeer mij, zo zal ik bekeerd zijn.’ Op een dag logeerde ik in een herberg in een van de dalen van Noord-Italië, waar de vloer verschrikkelijk vuil was. Ik was van plan de waardin aan te raden hem te schrobben, maar toen ik zag dat hij van modder was, bedacht ik dat het des te erger zou worden naarmate ze meer schrobde. Wie zijn eigen hart kent, ziet al snel in dat zijn verdorven natuur niet te verbeteren is. Er moet een nieuwe natuur worden ingeplant, anders wordt de mens alleen ‘gewassen tot diepere vlekken’. ‘Gijlieden moet wederom geboren worden.’ Ons geval vraagt niet om herstel, maar om vernieuwing. De betekenis van het gebed in mijn tekst is: ‘Heere, tuchtig mij niet, maar bekeer mij. Doe het Zelf, dan zal het gedaan zijn. Bekeer mij, zo zal ik bekeerd zijn; maar als U het niet doet, ben ik zonder hoop.’ O bekommerde ziel, als de Heere deze morgen Zijn hand aan het werk slaat, wat een wonderlijke verandering zal Hij dan in u bewerken! Maar alleen Zijn eigen rechterhand kan dat doen. Bid dan dit gebed: ‘Bekeer mij, zo zal ik bekeerd zijn.’
‘Geen uiterlijke vorm kan u reinigen,
uw melaatsheid zit diep van binnen.’
Vrij vertaald; om de betekenis te bewaren is het rijm losgelaten.
Geen enkel voornemen van u kan u reinigen, evenmin als de Moorman zichzelf blank kan maken door zich dat voor te nemen! Alleen de Heilige Geest kan u reinigen met het bloed van Jezus. Hij Die de doden levend maakt, kan u geestelijk leven geven. Hij kan het stenen hart wegnemen en u een vlesen hart geven! Daarom nodig ik u uit te bidden: ‘Bekeer mij, o God, zo zal ik bekeerd zijn.’ En ik vraag u de toe-eigenende genade van het geloof te oefenen en te zeggen: ‘want Gij zijt de HEERE, mijn God!’ Mijn hoorder, bent u gewillig gemaakt om vandaag Jehova tot uw God aan te nemen? Bent u bereid de wereld op te geven, met haar genoegens en haar winsten? Bent u bereid uzelf op te geven, en de mode, pracht en praal, zelfbehagen en de zonde in elke gedaante?
Als dat zo is, dan smeek ik u: wacht niet tot u thuis bent, maar laat het klagende gebed van Efraïm het uwe zijn, staand of zittend waar u nu bent: ‘Bekeer mij, Heere! Bekeer mij! Maak een nieuw mens van mij! Bekeer mij, zo zal ik bekeerd zijn, want U kunt het zo doen dat het goed gedaan is, grondig gedaan, krachtdadig gedaan, blijvend gedaan, zonder aarzelen gedaan. Bekeer mij, o Heere, zo zal ik bekeerd zijn, ja, zelfs ik. Al was ik op kwaad uit; al kon niemand anders mijn harde ziel ooit bewegen; al was ik zo koppig en vastbesloten dat men net zo goed had kunnen proberen de winden te regeren of de storm te gebieden als mijn wil te breken: toch, Heere, kunt U het doen.’
Ik zie op dit moment sommigen van u als wilde paarden in volle vaart de heuvel af stormen, en niemand kan u tegenhouden. Tevergeefs roepen we u na! Tevergeefs zetten we hekken over de weg: u springt over elke versperring, vastbesloten om verloren te gaan! Maar laat de almachtige genade tussenbeide komen! Laat de Heere Zelf verschijnen! Hij kan Zijn hand slaan om de hals die met donder bekleed scheen! Hij kan het dolle ros terugwerpen! Hij kan het bit van de genade in zijn schuimende mond duwen en het eens ontembare dier dwingen het juk van de liefde te dragen. Moge zo’n wonder van genade vandaag in het hart van een zondaar worden gewrocht!
- Ik weet niet waar Efraïm was toen hij zichzelf beklaagde, maar IK ZIE DE HEERE HEM GADESLAAN.
Ik weet niet waar sommigen van u zich verbergen nu u in uw geweten getroffen bent. Sommigen trekken zich terug in hun slaapkamer. Anderen sluiten zich op in hun binnenkamer. Menig plattelander heeft achter de heg gehuild, of is op een hooizolder geklommen of in een zaagkuil gesprongen om te bidden. Het maakt weinig uit waar u de Heere zoekt. Hij ziet u zeker, en al is het in de drukke straat van Cheapside of Cornhill: als uw ziel bidt, kan al het lawaai van het rumoerige Londen niet verhinderen dat het gebed het oor van God bereikt! U weet, moeders, hoe snel u ‘s nachts uw kinderen hoort als ze ziek zijn. Een verpleegster zou misschien doorslapen, maar u, met de kleine Jane ziek boven, wordt bij het zachtste geluid wakker als u even in slaap valt. Toch bent u nog niet half zo waakzaam als God! Want Hij sluimert noch slaapt. Wanneer uw hart begint te zeggen: ‘Mijn God, mijn God, ik wil verzoend worden! Mijn Heere, ik wil gereinigd worden’, dan wacht de Heere om genadig te zijn. Nog voordat u roept, hoort God u, want Hij is een God Die bereid is te vergeven.
Merk op dat God alles hoorde wat Efraïm te zeggen had. Ik weet niet of iemand anders daar moeite voor deed. Daarom zeg ik, als u geen christenvriend hebt (en dat spijt me voor u): trek het u niet aan, God is voor u genoeg, ook zonder vriend! Misschien zou niemand anders Efraïm hebben begrepen als ze hem hadden gehoord, maar God wist alles van hem en Hij begreep hem goed.
Kunt u uw gebed niet in goed Engels uitspreken, dan geeft dat niet. Adem het toch uit: God kan het verstaan. Gebroken gebeden zijn de beste gebeden. Denk niet dat u mooie woorden en sierlijke zinnen nodig hebt om de Heere te bewegen. Uw betraande ogen zullen machtiger zijn dan stijlfiguur of beeldspraak, en uw diepe zuchten zullen welsprekender zijn dan de gepolijste volzin en het verheven hoogtepunt van de redenaar.
Werp uw ziel slechts neer voor God, met een nederig hart en neergeslagen ogen, en uw Vader zal u aannemen. Wie van u kan de tranen van zijn kinderen weerstaan? Toen koning Hendrik II in vervlogen eeuwen ertoe werd gedreven de wapens op te nemen tegen zijn ondankbare en opstandige zoon, belegerde hij hem in een van de Franse steden. De zoon lag op sterven en verlangde ernaar zijn vader te zien en zijn misdaden te belijden. Maar de strenge oude vader weigerde de opstandeling onder ogen te komen.
De jongeman, die zwaar in zijn geweten bezwaard was, zei tegen de mensen om hem heen: ‘Ik ben stervende. Neem mij van mijn bed en leg mij in zak en as, als teken van mijn verdriet over mijn ondankbaarheid tegenover mijn vader.’ Zo stierf hij. En toen de oude man buiten de muren het bericht kreeg dat zijn jongen in de as was gestorven, berouwvol over zijn opstand, wierp hij zich als een tweede David ter aarde en zei: ‘Och, was ik maar voor hem gestorven!’ De gedachte aan het gebroken hart van zijn jongen raakte het hart van de vader. Als u, die boos bent, bezwijkt voor de tranen van uw kinderen, hoeveel te meer zal uw Vader, Die in de hemelen is, in uw klagen en belijden een pleitgrond vinden om Zijn vergevende liefde te tonen door Christus Jezus, onze Heere? Dit is de welsprekendheid waarin God behagen heeft: het gebroken hart en de verslagen geest!
Hij hoorde en verstond alles wat Efraïm zei, en Hij werd erdoor bewogen. Hebt u dat woord opgemerkt: ‘Ik heb wel gehoord‘? Alsof niets zekerder was. Al zou God de muziek van de hemel niet horen, de gebeden van boetvaardigen zou Hij horen! Al zou het eeuwige oor het bulderen van de storm en het loeien van het onweer niet horen, wanneer de donders rollen als trommels in de mars van de God der legerscharen; al zou het het klappen van de duizend handen van de bruisende zee niet horen, wanneer zij zich verheugt in haar kracht: het klagen van één enkele zondaar zou het toch zeker opmerken! Het dreunen van de donder is voor de Heere niet meer dan het geluid van een vallend dor blad op een stille zomeravond, maar het geroep van een van Zijn kinderen weerklinkt door de hemel en beweegt het oneindige hart, zodat de God van barmhartigheid snel op vleugels van liefde komt aangevlogen.
Het is ook niet louter medelijden. God geeft ons daadwerkelijke hulp: Hij gaf Efraïm waar Efraïm om vroeg. Onze God is vol ontferming. Hij is een verschrikkelijk God wanneer Hij met de zonde te maken heeft: donderkeien zijn in Zijn hand en bliksems schieten uit Zijn vurige ogen, ‘want onze God is een verterend vuur’. Maar wanneer Hij met boetvaardigen te maken heeft, is Zijn Naam Liefde. Hij rijdt in een wagen van barmhartigheid en reikt een zilveren scepter van genade uit! O zoekende zielen, Jehova zal u horen om de verdiensten van Zijn Zoon! Zoek Zijn aangezicht en u zult niet tevergeefs zoeken!
3. Laten we nu overgaan tot het derde punt en zien op DE HEERE, DIE WERKT IN ZIJN KRACHTDADIGE GENADE.
Geliefde vrienden, bedenk dat de enige bekering in de wereld die reddend en goddelijk is, de bekering van het hart is. Een loutere verandering van opvattingen, een omkeer in het hoofd, wordt door velen voor bekering aangezien, maar dat is iets heel anders. ‘O ja!’ zegt iemand, ‘vroeger was ik arminiaan, nu ben ik calvinist geworden.’ Of: ‘Vroeger hoorde ik bij de staatskerk, en nu ben ik bij de baptisten gegaan.’ Of: ‘Vroeger was ik rooms, en nu ben ik protestant geworden.’ Welnu, wat maakt dat voor verschil als u geen nieuwe natuur hebt? Een dief blijft een dief, welke naam hij ook draagt: een andere naam maakt hem niet eerlijk.
U kunt in het ene kerkgenootschap net zo slecht zijn als in het andere, want huichelarij en vormendienst vindt men onder allerlei belijders. Als u een raaf in een koperen kooi zet, of in een zilveren of een gouden kooi, dan blijft het een raaf. Zo bent u, als u bij deze of die kerk gaat terwijl uw natuur niet veranderd is, nog altijd een zondaar die niet gered is! Laat ik eraan toevoegen dat het wel nuttig is als de uiterlijke wandel verandert, maar dat dat niet genoeg is.
Het is een grote zegen wanneer een dronkaard geheelonthouder wordt. Het is een grote zegen wanneer een dief eerlijk wordt. Het is een grote zegen wanneer een ondeugd wordt opgegeven en de tegenovergestelde deugd wordt beoefend. Maar daar gaat het niet om. ‘Gijlieden moet wederom geboren worden.’ Alle veranderingen die u ooit in uzelf kunt bewerken, zullen u niet helpen de hemel binnen te gaan. Ga naar de St.-Paulskathedraal en bekijk de beelden van wit marmer: het zijn geen levende mensen, en u kunt ze ook niet levend maken. Was ze, kleed ze, verf ze! Doe met ze wat u wilt, toch kunnen ze niet meedoen met de liederen of de gebeden van levende mensen, omdat ze van marmer zijn en niet leven. Zo is het ook met u, onwedergeborenen. U hebt geen geestelijk leven in u. We zouden u graag gewassen zien, we zouden u graag zedelijk zien, want dat is goed (zelfs een lijk moet schoon zijn!), maar al het wassen en reinigen zal u niet levend maken! U moet de goddelijke invloed van boven ontvangen. Geen enkele omkeer heeft eeuwige waarde, behalve de vernieuwing van de innerlijke natuur door een werk van goddelijke genade in de ziel. Hoe gebeurt dat? Dat is het werk, dat is de moeilijkheid! Ik zal u zo kort als ik kan laten zien hoe God te werk gaat.
De weg waarlangs de Heere een mens bekeert, ziet er in hoofdzaak zo uit, al verschilt de precieze werkwijze per geval. Als iemand op een bepaalde weg voortgaat en u wilt hem doen omkeren, dan moet u hem eerst tot staan brengen. Wat zou u ervan denken als u morgen, op weg naar uw werk, plotseling de aarde voor u zag opensplijten, alsof een vulkaan haar uit haar diepste diepten had opengescheurd? Ik verzeker u dat u die weg niet verder zou gaan! U zou met de haren te berge in de verschrikkelijke afgrond staren, of geschrokken terugdeinzen. Dit is precies wat er met mij gebeurde toen God mij bekeerde. Ik ging zorgeloos voort in mijn zonden. Ik vond ze aangenaam en dacht dat ik erin zou volharden, totdat ik door Gods genade ging voelen dat de hel werkelijkheid was en dat ik op de rand ervan stond!
Ik zag duidelijk dat als de broze draad van mijn leven zou knappen, eindeloze ellende mijn deel zou zijn, op de plaats waar boze geesten voor altijd op hun ijzeren boeien bijten, niet in staat om te ontkomen of het te verdragen! O, hoe brengt een helder zicht op de toekomende toorn een mens tot staan! Hoe staat hij stil wanneer hij in zijn eigen ziel beseft dat de bezoldiging der zonde de dood is! Een blik op de eeuwige gloed doet hem ‘Stop!’ roepen. En al danste hij eerst vrolijk naar het verderf, nu wacht hij een ogenblik, legt zijn vinger aan zijn voorhoofd, raadpleegt zijn koelere oordeel en zegt bij zichzelf: ‘Wat moet ik nu doen?’ Wanneer een mens door de Heilige Geest wordt gewekt om te voelen dat hij de hel verdiend heeft, is het geen wonder dat zijn hart zich van de liefde tot de zonde afkeert en hij de zonde volkomen gaat verafschuwen. ‘O,’ zegt hij, ‘als de hel door mijn zonde wordt aangestoken, hoe kan ik dan de zonde liefhebben die zo’n toorn voor mij heeft bereid?’
De oude natuurkenner Ulysses Aldrovandus vertelt ons dat een duif zo bang is voor een havik dat ze al schrikt bij het zien van een van zijn veren. Of dat waar is, weet ik niet. Maar dit weet ik wel: wanneer een mens eens flink boven de kaken van de hel heen en weer is geschud, zal hij zo bang zijn voor de zonde dat zelfs één veer ervan, welke zonde ook, hem zal doen schrikken en angst door zijn ziel zal jagen! Dit is een deel van de weg waarlangs de Heere ons bekeert, wanneer wij werkelijk bekeerd worden. Bovendien wordt het ontwaakte geweten ertoe gebracht de ware aard van de zonde te zien. We hebben allemaal wel beren in een kuil gezien en leeuwen van steen, en we zagen ze zonder angst. Maar ik kan me goed voorstellen dat als er plotseling een leeuw van mijn podium midden in deze menigte zou springen, u er met heel andere ogen naar zou kijken! Een wild dier dat onder u wordt losgelaten, is iets heel anders dan een wild dier op een schilderij of als standbeeld. Welnu, de zonde waarover de prediker spreekt, is voor de meesten van u als een geschilderde leeuw. Maar wanneer iemand haar in zijn eigen ziel voelt als een kwaad vol onheil, is dat iets heel anders. We zijn als de man in de fabel die een verkleumde adder in zijn boezem warmde: toen het dier weer tot leven kwam, leerde hij zijn giftige aard kennen, want hij voelde het gif in zijn aderen.
Voordat God hen levend maakt, koesteren mensen de adder van de zonde in hun boezem en zeggen: ‘Kijk eens naar zijn azuurblauwe schubben. Wat is hij mooi om te zien! Denkt u dat zo’n onschuldig dier mij ooit kwaad zou kunnen doen?’ Ze leggen hem met veel genegenheid aan hun borst. Maar wanneer hij hen bijt, het hete gif door hun aderen stroomt en het geweten grondig wakker is, dan verafschuwen ze hem en werpen ze hem van zich af, of liever: dat zouden ze doen als ze konden! Maar zoals Laocoön in het oude verhaal tevergeefs probeerde de kronkels van de slang van zijn ledematen te rukken, zo gaat het hun, totdat de goddelijke genade hun te hulp komt. In ieder geval keert een waar zicht op de zonde een mens al snel volkomen af van zijn vroegere liefde ervoor.
Er leefde eens een grote religieuze bedrieger van wie gezegd wordt: ‘Over zijn gelaat hing de sluier, de zilveren sluier die hij er uit barmhartigheid over had geworpen om zijn verblindende voorhoofd voor sterfelijke ogen te verbergen, totdat de mens het licht ervan kon verdragen.’ Toen die sluier ten slotte werd opgelicht, kwam de afschuwelijkste melaatsheid tevoorschijn! Zo komt de zonde tot de mensen, bedekt met haar zilveren sluier, en ze fluistert met de zachtste klanken, zoet als muziek: ‘Vertrouw mij, ik kan u niet bedriegen. Ik breng u de rijkste vreugde. Zie hoe de beker fonkelt, hoe de wijn recht opgaat! Hoe vrolijk is de dans! Hoe heerlijk zijn de slaapkamers en de ontuchtigheden!’ Maar ach, wanneer die zilveren sluier eenmaal afgaat en het melaatse voorhoofd van de zonde zichtbaar wordt, dan keert de mens, door zijn God verlicht, zich ervan af en roept: ‘Ga weg achter mij, satan!’ Zoals Jehu van Izebel zei: ‘Stoot ze van boven neder’, zo verafschuwen de mensen het vervloekte dat hun ziel door haar toverijen in het verderf zou kunnen storten. Een blik op de hel en een besef van de zonde zijn in Gods hand machtige middelen om de zondaar van zijn wegen te bekeren.
Het grote keerpunt heb ik nog niet genoemd: dat is een blik op Christus aan het kruis. Als u ooit met het oog van het geloof Jezus Christus voor u ziet sterven, zal de zonde u nooit meer zoet zijn. Wat was het dat onze gezegende Heere doodde? Het was onze zonde:
‘U was het, mijn zonden, mijn wrede zonden,
die Zijn ergste pijnigers waren!
Elk van mijn misdaden werd een nagel,
en mijn ongeloof de speer.’
Vrij vertaald; om de betekenis te bewaren is het rijm losgelaten.
Wanneer we ontdekken dat onze ongerechtigheden onze dierbaarste en beste Vriend hebben gedood, zweren we wraak tegen onze ongerechtigheden en haten we ze vanaf die dag met een volkomen haat. Laat ik dit heel eenvoudig illustreren. Hier is een mes met een rijk bewerkt ivoren heft, een mes van uitstekend vakmanschap. Laten we aannemen dat de vrouw daarginds een dierbaar kind heeft verloren, vermoord door een wrede vijand. Dit mes is van haar. Ze is er blij mee en hecht er veel waarde aan. Hoe krijg ik het zover dat ze dat mes weggooit? Dat is gemakkelijk, want het is het mes waarmee haar kind werd vermoord. Kijk maar: er zit nog bloed op het heft. Ze laat het vallen alsof het een schorpioen is: ze kan het niet verdragen. ‘Doe het weg,’ zegt ze, ‘het heeft mijn kind gedood! O, afschuwelijk mes!’
Zo is het ook met de zonde: we spelen ermee totdat we horen dat het de zonde was die de Heere Jezus doodde, Die uit liefde voor ons stierf, uit pure, onbaatzuchtige liefde. Dan zeggen we: ‘Afschuwelijke zonde, weg met u! Hoe kan ik u nog verdragen?’ Weet u nog hoe Marcus Antonius de Romeinen tot woede ophitste tegen de moordenaars van Caesar? Hij hield de mantel van de dode Caesar omhoog en wees op de scheuren en sneden in het kleed: ‘Zie, op die plaats drong Cassius’ dolk erdoor; hierdoor stak Brutus, de welbeminde, toe!’
En zo zweepte hij de menigte op tot zo’n woede dat ze de banken om zich heen grepen en naar de huizen van de samenzweerders trokken om die in brand te steken. Ach, als mijn lippen konden spreken zoals mijn hart het hun opdraagt, dan zou ik uitroepen: ‘Zie daar de wonden van de Zoon van God! Aanschouw de karmozijnrode vlekken op Zijn gezegende lichaam! Let op de doornenkroon! Zie de doorboorde handen! Ween over de genagelde voeten! Zie de diepe wond die de speer in Zijn zijde maakte! De zonde heeft dit wrede werk gedaan, deze bloedige daad! Weg met onze zonden! Sleep ze naar het kruis! Dood ze op Golgotha! Laat er niet één ontkomen, want het zijn de moordenaars van Christus!’ Zo bekeert de Heere de zondaar, en dan is hij werkelijk bekeerd.
Verder is dit een van de meest gezegende manieren waarop God de zondaar doet omkeren: Hij openbaart hem Zijn eeuwige liefde. U kent toch de fabel van de reiziger die gehuld in zijn mantel voortging, en de wedstrijd tussen de wind en de zon wie hem zijn mantel zou afnemen? De wind stormde en blies met een koude, striemende regen, maar de reiziger sloeg zijn mantel des te steviger om zich heen en trok huiverend verder. De wind kon hem het kledingstuk niet afrukken. Toen brak de weldadige zon door en scheen volop op het gezicht van de reiziger. Ze droogde zijn kleren en verkwikte hem met haar warmte. Na een tijdje maakte de reiziger zijn mantel los, en ten slotte wierp hij hem af: de vriendelijkheid van de zon had de overwinning behaald. Welnu, wanneer Gods wet rond een zondaar stormt, gebeurt het soms dat hij zegt: ‘Ik ga door met mijn zonden.’ Maar wanneer Gods liefde komt, wie kan daartegen bestaan? ‘Ik heb u liefgehad met een eeuwige liefde,’ zegt God tegen de zondaar. ‘Is dat zo?’ roept het vernieuwde hart, ‘dan kan ik, Heere, niet langer Uw vijand zijn.’
O, als sommigen van u eens wisten dat God u heeft verkoren van voor de grondlegging der wereld! Als u eens wist dat u Zijn geliefden bent, Zijn lievelingen, en dat Hij Zijn eigen Zoon heeft gegeven om voor u te sterven! O, als u eens wist dat uw naam, uw waardeloze naam, in de handen van Christus geschreven staat, zou u Hem dan niet liefhebben? Ik bid dat Hij u die liefde vandaag mag openbaren, en als Hij dat doet, zult u zingen:
‘Uw barmhartigheid is mijn hart meer dan de baas;
verwonderd voelt het zijn hardheid wijken.
Door Uw goedheid ontdooid, val ik ter aarde
en ween tot lof van de barmhartigheid die ik vond.’
Vrij vertaald; om de betekenis te bewaren is het rijm losgelaten.
Wanneer dit besef van liefde zijn werk heeft gedaan, vervullen nieuwe liefdes en nieuwe verlangens de ziel, en is de man een nieuw mens. Sommige wereldlingen begrijpen niet waarom christenen zich van bepaalde genoegens onthouden. ‘Nou,’ zeggen ze, ‘ik ga mezelf toch niet elk plezier ontzeggen!’ Maar weet u niet, mijn beste vrienden, dat het voor ons geen ontbering is om zonder zonde te leven? Het is voor het schaap geen ontbering om te leven zonder bloed te likken, want het schaap zou al schrikken bij het zien van bloed! Het verlangt naar het zoete groene gras en geeft niets om een bloedbad. Zo vinden wij het, wanneer God ons een nieuw hart en een rechte geest geeft, geen ontbering om de zonde af te zweren: onze smaak is veranderd, en onze nieuwe liefdes en nieuwe verlangens zijn niet die van onze vroegere staat!
Misschien is hier een heer die in de wereld is opgeklommen. Eens was hij boerenjongen, maar nu rijdt hij in zijn eigen rijtuig. Toen hij boerenjongen was, dacht hij vaak wat een grootse zaak het zou zijn om koning te zijn, op een hek te schommelen en de hele dag spek te eten. Maar nu durf ik te zeggen dat hij helemaal geen zin heeft om op een hek te schommelen, en weinig trek heeft in de boerenlekkernij waar hij vroeger zo dol op was. Hij heeft een andere rang in de samenleving bereikt, en zijn smaak en gewoonten zijn helemaal anders. Zo is het ook met de christen. God maakt een koning van hem, en hoe zou hij dan terug kunnen gaan om met bedelaars te spelen? God heeft een hemelse natuur in hem gelegd, en hij heeft er een afkeer van om in het stof van de zonde te kruipen. Beste vrienden, ik wenste wel dat u uw positie in Christus mocht kennen: zonen van God, erfgenamen met Christus, mede-erfgenamen met Hem. Wanneer u dat kent, zal het u afkeren van het lage van de zonde, en dan zult u werkelijk bekeerd zijn!
Nog één woord, dan zal ik u niet langer ophouden. Er is iets wat de christen heel sterk aan de heiligheid bindt en hem van de zonde weerhoudt: het vooruitzicht van die heerlijke wereld daarginds, waarheen hij op weg is. Deze week werd mijn geloof sterk bemoedigd toen ik een zieke vrouw bezocht. Ik zou graag met haar van plaats ruilen. Ik zou maar al te graag op dat ziekbed liggen en in haar kamer sterven. Want hoewel ze al lang aan de rand van het graf staat en dat weet (ze weet dat elk uur waarschijnlijk haar laatste kan zijn), is haar vreugde zo groot en haar gelukzaligheid zo overvloedig dat u maar met haar hoeft te spreken of haar vreugde loopt over!
Ze vertelde me: ‘Ik heb gebeden dat God mij, als Hij mij spaarde, één ziel zou geven, en Hij heeft mij vijf bekeerlingen gegeven terwijl ik op dit bed lag!’ Het verbaasde me niet toen ik die vijf dierbare vrienden in de kamer zag zitten. Het verbaasde me niet: het was genoeg om iemand christen te maken, haar blijdschap en haar vrede te zien en haar zo vol vertrouwen te horen spreken over de tijd dat ze haar Heere zou zien en voor altijd in Zijn armen zou zijn! ‘Ach,’ zegt de duivel tegen de christen, ‘ik zal u zoveel geven als u zondigt.’ Ons antwoord is: ‘Wat zou jij mij kunnen geven, vergeleken met onze erfenis? Boze geest, je brengt me namaakrijkdom, maar ik kan wel tienduizend keer zoveel neertellen in echt, massief goud! Je biedt me je nepjuwelen aan, maar hier zijn diamanten en parels van het zuiverste water en van de zeldzaamste waarde! Weg met jou, verleider! Je weet niet hoe je een christen moet verleiden! Want zijn winst is groter dan alles wat jij hem kunt geven.’
Dit zou uw harten zeker doen omkeren, mijn hoorders, als u de heerlijkheid van onze erfenis maar kende en voelde! Als u een gezicht had van het land hierna, waar de paradijsvogels altijd zingen, de zon altijd schijnt en de dag nooit eindigt, dan zou de zonde u zeker niet langer betoveren. ‘We zijn op weg naar huis,’ zegt de schare van de uitverkorenen. De stad die fundamenten heeft, heeft hun schreden van de zonde afgekeerd, en ze zijn werkelijk bekeerd, zodat ze nooit meer kunnen terugkeren.
Nu ben ik klaar, maar ik wil u niet wegsturen zonder u nog eens persoonlijk te vragen: beklaagt u zichzelf? Verlangt u ernaar bekeerd te worden? Wilt u dat deze genadige beweegredenen op u inwerken? Stel het dan niet uit, maar zucht op dit ogenblik het stille gebed: ‘Bekeer mij, o Heere, zo zal ik bekeerd zijn.’ Er leeft een groot verlangen in mijn hart. Ik wil u er graag over vertellen: ik verlang ernaar dat hier meer mensen bekeerd worden dan er ooit sinds het bestaan van de wereld op één plaats tegelijk bekeerd zijn, want nog nooit kwam er zo’n gehoor bijeen om naar één man te luisteren! Of dat verlangen vervuld zal worden, weet ik niet, maar als we er genoeg geloof voor hebben, kan het komen, en dan zal het komen! Waarom niet? O, dat er grote zondaars gered mochten worden, want zij worden altijd de beste heiligen! O, dat de Heere enkele aanvoerders uit het leger van de duivel mocht nemen en hen tot luitenants in Zijn dienst mocht maken! Niemand is zo moedig voor Christus als wie moedig was in de zonde. Grote zondaars, moge grote barmhartigheid u ontmoeten! Bedenk dat de weg van de zaligheid deze is: vertrouw op Jezus en u zult zalig worden! Zie naar Hem Die ik u zojuist heb voorgesteld, bloedend, kermend en stervend aan het hout! Zie, zie en leef! Steun alleen op Hem! Geef alleen uw hart aan Hem en rust in Hem, en het is niet mogelijk dat iemand verloren gaat die tot Jezus komt en zijn vertrouwen op Hem stelt!
Broeders, bid voor ons! Als u, de leden van deze gemeente, niet voor mij bidt, voel ik dat ik u veel te verwijten zal hebben. Nooit werd iemand tot zo’n groot werk geroepen als dit. Ik heb deze morgen twintigduizend aanspraken op uw gebeden! Ik smeek u bij de levende God: bid voor mij! Het zou beter voor mij zijn dat ik nooit geboren was dan deze verantwoordelijkheid te dragen zonder uw gebeden! Wie weet? De dienst van deze morgen kan, wanneer de hoorders erover nadenken en eraan terugdenken, honderdvoudig vrucht dragen, en God zal de eer ontvangen! Bid toch voor mij! En zondaar, onbekeerde zondaar, bid toch voor uzelf, en moge God u verhoren om Jezus Christus’ wil. Amen.
Preek nr. 743 · Gehouden in de Agricultural Hall, Islington, Londen, op zondagmorgen 31 maart 1867, Metropolitan Tabernacle Pulpit deel 13. Oorspronkelijke titel: “Ephraim Bemoaning Himself”. Bron: Spurgeon’s Sermons, spurgeon.org.


