Een rein geweten

Een preek uitgesproken door C. H. Spurgeon, in de Metropolitan Tabernacle, Newington.

Copyright © Het Spurgeon Archief | Portret C.H. Spurgeon

Dan zou ik niet beschaamd worden, als ik oog zou hebben voor al Uw geboden. Psalm 119:6

Elke poging om de wet van God na te leven met het oog op verlossing zal onvermijdelijk op een mislukking uitlopen. Dit staat zo haaks op de duidelijke waarschuwingen van de goddelijke Wetgever en druist zo sterk in tegen de kern van het evangelie, dat wie het toch waagt zijn rechtvaardiging te zoeken in eigen verdiensten, zich zou moeten schamen voor die aanmatiging. Wanneer God zegt dat verlossing niet voortkomt uit de werken van de wet, schaamt u zich dan niet dat u haar alsnog probeert te verkrijgen door gehoorzaamheid aan die voorschriften?

Wanneer Hij verklaart dat geen mens door de werken van de wet in Zijn ogen gerechtvaardigd zal worden, waarom zou u dan rechtvaardiging zoeken op een plaats waarvan Hij zegt dat zij daar niet te vinden is?En wanneer Hij telkens opnieuw benadrukt dat verlossing door geloof komt en een genade is die ontvangen moet worden, schaamt u zich dan niet om Hem tegen te spreken? Om een eigen vorm van gerechtigheid te verzinnen, waarin u tevergeefs probeert een respectabele schijn op te houden, terwijl u de duidelijke tekortkomingen van uw leven bedekt met slechts een dunne sluier van vroomheid en naastenliefde?

Het eeuwige leven kan niet worden verdiend door enige daad die een mens uit eigen kracht verricht; hoe hoog dergelijke daden ook mogen worden geacht in de ogen van de mensen, in Gods ogen zijn zij verfoeilijk. Wie probeert het eeuwige leven te verkrijgen door Gods geboden te onderhouden, zal te schande worden gemaakt en in verwarring worden gebracht. Het is beter om onmiddellijk afstand te doen van de dwaasheid om zo’n waanzinnige, zinloze en onmogelijke taak op zich te nemen als het verdedigen van de eigen zaak en het rechtvaardigen van de eigen ziel.

Maar wanneer iemand zich bekeert en in Christus Jezus gelooft tot redding van zijn ziel, verandert zijn leven ingrijpend. Hij wordt door het geloof gerechtvaardigd en zijn zonden worden uitgewist. Hij ontvangt barmhartigheid en vindt genade in de ogen van de Heere. Zo gaat hij de rust van het geloof binnen, omdat hij weet dat hij gered is. Vanuit die zekerheid ontstaat een diepe innerlijke drang om naar Gods wet te leven. Gehoorzaamheid wordt zijn hoogste streven. Zijn ziel vindt grote vreugde in het wandelen in de wegen van Gods geboden, uit dankbaarheid voor de rijke zegeningen die hij heeft ontvangen.

U moet niet denken dat, alleen omdat Christus ons heeft bevrijd van de vloek der wet, alle morele regels en grenzen voor christenen zijn verdwenen. Wij leven niet langer onder de wet, maar onder de genade. Toch betekent dat niet dat wij zomaar kunnen doen wat wij willen. Wij zijn immers dienaren van God en volgelingen van Christus. Wij leven dus nog steeds volgens een wet, maar het is een ander soort wet. Deze werkt op een andere manier in ons leven.

Wat als iemand zegt: ‘Ik sta boven de politie, de overheid, de rechter en de wet’? Betekent dat dan dat hij ook vrij is van de regels in het huis van zijn vader? Natuurlijk niet. Een kind kan buiten het bereik van de rechter vallen, maar thuis blijft de opvoeding gelden. Daar is de glimlach van de vader, maar ook zijn strenge blik. Zo is het ook met christenen. Zij zullen nooit zó voor hun zonden gestraft worden dat zij onder veroordeling komen, want door Christus zijn zij daarvan volledig verlost. Toch staan zij als kinderen van God wel onder een andere vorm van tucht: de tucht van Zijn huis en gezin. Die tucht is niet juridisch van aard. Hoe pijnlijk het soms ook kan zijn, God blijft bewogen en vol mededogen. Zijn berispingen kunnen scherp zijn, maar ze zijn nooit wraakzuchtig.

De Heere laat juist zien dat Hij goedkeurt en bemoedigt: Hij spreekt vriendelijk en beloont rijkelijk wie Hem zoeken, naar Zijn stem luisteren en Zijn geboden gehoorzamen. Wanneer Hij ons een taak geeft waarvoor alleen Hij ons kan toerusten, laat Hij ons vaak ook volop delen in de vreugde van wat die taak voortbrengt. Daarom is dit het belangrijkste: wie kinderen van God zijn, moeten streven naar volledige gehoorzaamheid aan Zijn geboden. Zij horen alle geboden van de Heere in acht te nemen. Wie dat doet, zal een rijke beloning ontvangen. En die beloning is: “Dan zou ik niet beschaamd worden, als ik oog zou hebben voor al Uw geboden.” Twee dingen vragen hier onze aandacht: hoe wijdverbreid geloofsgehoorzaamheid is, en hoe voortreffelijk de uitkomst ervan is.

I. GELOVIGE GEHOORZAAMHEID wordt hier ten zeerste geprezen.

Er wordt gesproken over de eerbied die wij hebben voor alle geboden van God en de toewijding waarmee wij die naleven. Het gaat niet om enkele geboden, maar om allemaal. Het gaat er dus niet om dat wij selectief kiezen wat wij wel of niet leuk vinden, of dat wij sommige dingen serieus nemen terwijl wij andere negeren. Nee, wij moeten alle geboden van God oprecht en zorgvuldig respecteren en ons ertoe verplichten ze na te leven. Daarop moeten wij onze aandacht richten.

Daarin ligt een grote zegen. Kijk maar naar de psalm zelf, die meer zegt dan welke menselijke uitleg ook, want Gods woord gaat boven dat van mensen. David zegt: “Welgelukzalig zijn de oprechten van wandel, die in de wet des HEEREN gaan.”

Komt deze zegen vanzelf over iedereen die deze weg bewandelt, ongeacht hoe hij leeft? Nee. Wie gezegend wil zijn, moet ervoor waken niet af te dwalen, niet in de modder te stappen en zijn klederen te bevuilen. Werkelijk gezegend zijn degenen die oprecht leven en zorgvuldig wandelen, en die er in alles naar streven God, hun Verlosser, te eren en Zijn Geest niet te bedroeven.

Daarin ligt de zegen. Niet in een gedeeltelijke gehoorzaamheid, maar in een oprechte en volledige gehoorzaamheid, zover als die voor ons mogelijk is. Niet af en toe, maar steeds opnieuw; niet in sommige dingen, maar in alles wat God ons leert. De enige manier om innerlijk rein te blijven, is door alle geboden van de Heere serieus te nemen en ernaar te leven. Want elke nalatigheid en elke misstap laat een spoor achter in ons geweten en tast ons karakter aan, of we dat nu direct merken of niet.

Gelovige, u wilt toch niet van binnen bevlekt zijn? Natuurlijk niet. Wie gezegend wil leven, moet daarom streven naar een zuiver leven. Wie een rein leven wil leiden, moet volkomen en oprecht gehoorzaam zijn en zich richten op alle geboden van de Heere. Om die zegen te ervaren, moet een heilig leven een vaste gewoonte worden. Dat is iets heel anders dan oppervlakkige of schijnvrome godsdienst. “Welgelukzalig zijn de oprechten van wandel, die in de wet des HEEREN gaan.” Iemand kan wel op de weg blijven staan zonder zich te bevuilen, maar dat is niet genoeg. Er moet groei zijn, inzet, beweging. Het christelijke leven vraagt om actieve toewijding. Wie gezegend wil zijn, kan niet in luiheid blijven hangen.

We kunnen de Heere ook niet echt dienen zonder in alles Zijn wil te zoeken en te volgen. God wil oprecht en met heel ons hart gezocht worden: “Welzalig wie Zijn getuigenissen in acht nemen, die Hem met heel hun hart zoeken.” Dat betekent dat we niet alleen moeten weten wat Hij zegt, maar ook de wil moeten hebben om ernaar te leven. Het is bijna vanzelfsprekend: wie niet zuiver leeft, zal uiteindelijk ook niet zuiver denken. Wijsheid blijft niet bestaan in iemand die zijn hart aan verkeerde dingen geeft. Een zuivere leer en een losbandig leven gaan niet samen. Er zijn mensen die zich rechtzinnig noemen, maar ondertussen hun zonden goedpraten en in verkeerde gewoonten blijven leven. Maar zo’n geloof raakt al snel vervormd.

Wees dus eerlijk: u kunt Gods waarheid niet oprecht omarmen als u niet bereid bent Zijn geboden te gehoorzamen. Hoeveel u ook van de Bijbel weet, God zal u niet als Zijn getuige erkennen als uw leven niet in overeenstemming is met uw woorden. Een oprecht leven en een oprechte belijdenis gaan hand in hand. En hoe kan ons leven een eerlijk getuigenis zijn als we niet in alles proberen naar Gods wil te leven? Hoe kunnen we zeggen dat we Hem met heel ons hart dienen, als we tegelijk vasthouden aan een zonde of een bekende plicht blijven uitstellen? Nee, de zegen is voor wie oprecht leeft. Voor wie volhardt op de weg. Voor wie Gods woorden bewaart. Voor wie Hem met heel zijn hart zoekt. Daarom is het duidelijk: wie de zegen van het christelijke leven wil ontvangen, moet zich erop richten om alle geboden van de Heere serieus te nemen en na te leven.

Als u goed kijkt naar het vierde vers van deze psalm, ziet u dat het naleven van alle geboden op zichzelf al een duidelijk gebod van God is: “U hebt geboden om Uw bevelen ten zeerste in acht te nemen.” Voor een christen is dat op zichzelf al genoeg reden: God hééft het geboden. God zegt namelijk niet: “Houd een paar van Mijn geboden en leef een beetje naar Mijn wil.” Welke vader zou tegen zijn kinderen zeggen: “Jullie hoeven mij maar af en toe te gehoorzamen”? Geen enkele goede vader zou zijn huis zo leiden. Hij zou niet zeggen: “Doe maar wat je zelf wilt, en luister alleen wanneer het jullie uitkomt.” Zo’n houding zou onwaardig zijn.

Onze hemelse Vader is zeker niet zo. Hij spreekt tot Zijn kinderen met liefde, maar ook met duidelijk gezag. Zijn geboden zijn gegeven als een licht voor ons pad en een lamp voor onze voeten. Juist omdat Zijn zorg en goedheid zo duidelijk zijn, willen wij des te meer naar Zijn stem luisteren. Wanneer Hij zegt: “U moet Mijn verordeningen houden en Mijn bepalingen in acht nemen en ze houden,” mogen we er zeker van zijn dat gehoorzaamheid grote zegen brengt, en ongehoorzaamheid juist gevaar. En omdat elk gebod met Gods gezag komt — het ene net zo goed als het andere — hoort het het verlangen van een christen te zijn om álle geboden te onderhouden.

We kunnen dus niet selectief omgaan met Gods woorden. We mogen niet kiezen wat ons wel of niet uitkomt, maar behoren alles te aanvaarden en God te bidden of Hij ons helpt om daarnaar te leven. Dat dit ook echt een gebed mag zijn, blijkt meteen uit het volgende vers, waar de psalmist bidt: “Och, waren mijn wegen zo vast om Uw verordeningen in acht te nemen!

Ik denk niet dat er ooit iemand is geweest die tot God heeft gebeden om slechts gedeeltelijke gehoorzaamheid. Wie zou durven bidden: “Heere, help mij sommige zonden te overwinnen, maar laat mij andere behouden. Bewaar mij voor bepaalde verleidingen, maar sta mij toe aan andere toe te geven“? Of: “Bewaar mij voor zichtbare zonden, maar laat mij alstublieft genieten van een paar verborgen zonden waaraan ik zo gehecht ben”? Een dergelijk gebed zou meer passen bij iemand die God niet liefheeft dan bij iemand die Hem dient.

Nee, een door genade vernieuwd hart verlangt juist naar volledige bevrijding van de zonde. We hebben dat doel nog niet bereikt, maar we verlangen ernaar en bidden erom. Dat is het streefdoel van ons leven. Het is dan ook niet verwonderlijk dat in de tekst staat dat de gelovige alle geboden van God onderhoudt. Wat het gebed betreft, kan dit immers niet slechts op sommige van Gods geboden van toepassing zijn, want hij dient te bidden dat hij ze allemaal in acht zal nemen.

Nu wil ik wat dieper op de details ingaan. Wat bedoelen we met het onderhouden van al Gods geboden? Mijn antwoord is dat we alles wat de Heere in Zijn Woord heeft gesproken, met eerbied in acht moeten nemen en respect moeten tonen Zijn wil. De wet, zoals Hij die aan Mozes heeft gegeven, is voor ons niet langer de weg tot behoud, maar in de handen van Christus blijft zij een buitengewoon gezegende leefregel. Zij is verdeeld over twee stenen tafelen, en het is ons gebed dat wij beide mogen hooghouden en eerbiedig naleven; dat ons leven jegens God altijd gehoorzaam, oprecht en vol aanbidding moge zijn; dat wij Hem in al onze wegen mogen eren; dat wij op Hem mogen vertrouwen; dat wij Hem mogen dienen en ons geheel aan Hem mogen wijden. Maar het voornaamste doel van ons bestaan is, in de eerste plaats, Hem te verheerlijken. Dit mogen wij niet vergeten. Hierna volgen nog zes geboden op de andere stenen tafel, die betrekking hebben op onze medemens; ook deze moeten wij naleven; want het zou betreurenswaardig zijn te zeggen: “Ik ben vroom jegens God, maar het kan mij niet schelen of ik rechtvaardig ben jegens mijn medemens.”

Een vrome dief is een vreemde gedachte; een godvrezende moordenaar is een duidelijke tegenstrijdigheid. En zo is het ook met iemand die zegt een volgeling van Jezus Christus te zijn, maar tegelijk leeft in hebzucht, dat klopt eenvoudigweg niet. Wie God liefheeft, zal ook zijn naaste liefhebben als zichzelf. Daarom mag het ons verlangen zijn om in geen enkel gebod tekort te schieten, maar dat de Heilige Geest ons vormt tot oprechtheid in ons leven, zowel tegenover God als tegenover mensen.

Sommige geboden zijn duidelijk geestelijk van aard, terwijl andere meer gaan over ons dagelijks gedrag. Vertrouwen op God is bijvoorbeeld een kerngebod: “Geloof in de Heere Jezus Christus”, “Vertrouw op de Heere met heel uw hart”, “Werp uw zorgen op Hem”, “Nader tot Hem.” Dit zijn geen vrijblijvende adviezen, maar oproepen die horen bij het leven van een gelovige. Geen ervan mogen we verwaarlozen. Het is goed om te verlangen naar een leven dat rijk is aan deze geestelijke genade. Maar tegelijk mogen we het gewone, dagelijkse leven niet veronachtzamen. Sommige mensen leggen veel nadruk op gebed en geestelijke dingen, maar schieten tekort in hun verantwoordelijkheden. Ze lijken toegewijd, maar zijn in de praktijk nalatig of onbetrouwbaar. Dat is een scheve verhouding. Wie de waarheid van God hooghoudt, moet ook zelf betrouwbaar en eerlijk zijn in woorden en daden.

Want wat is geloof waard als iemand spreekt over Gods trouw, maar zelf zijn afspraken niet nakomt? Als iemand mooie woorden gebruikt, maar ondertussen slordig, oneerlijk of gemakzuchtig leeft? Echte toewijding aan God blijkt juist in de kleine dingen van het dagelijks leven: eerlijk zijn in je werk, betrouwbaar zijn, recht doen aan anderen. Geestelijk leven en moreel leven horen bij elkaar. Als u niet oprecht bent in uw gedrag, kunt u niet zeggen dat u God dient. Iemand die bewust vasthoudt aan slechte gewoonten – zoals oneerlijkheid, grof taalgebruik of onrechtvaardigheid in zijn gedrag en handelen – kan niet tegelijkertijd oprecht spreken over het volgen van Christus. Zonder heiligheid zal niemand de Heere zien.

Daarom hoort het ons verlangen te zijn dat God ons helpt om in alles naar Zijn wil te leven, niet alleen in wat we geloven of zeggen, maar ook in hoe we dagelijks handelen. Alleen zo wordt zichtbaar wat het betekent om werkelijk een volgeling van Christus te zijn.

Sommige geboden hebben speciaal betrekking op de gemeente. Iedere christen behoort zich in te zetten om zijn plichten tegenover medegelovigen trouw te vervullen. Andere geboden hebben juist te maken met het gezin. Daarom is het belangrijk dat de ene verantwoordelijkheid niet ten koste gaat van de andere. Ik heb eens een man gekend — ik weet niet of hij nog leeft — maar ik kende hem goed. Hij ging met allerlei predikanten de dorpen langs, bezocht trouw elke gebedsbijeenkomst en was aanwezig bij vrijwel elke kerkelijke activiteit: van evangelisatie tot zendingsbijeenkomsten. Maar op één plaats zag men hem nooit: thuis, bij zijn eigen kinderen.

Ik heb zelfs de verdrietige taak gehad om een van zijn zoons les te geven. Die jongen stierf nog jong, als gevolg van drankmisbruik. Andere zoons van hem stonden bekend als een probleem in de stad. Die man deed in sommige opzichten veel goeds — voor andere gezinnen — maar verwaarloosde zijn eigen gezin volledig. Dat kan niet, broeders en zusters. Zo mag het niet zijn. We kunnen God niet dienen met daden die ten koste gaan van andere duidelijke plichten. Dat zou geen offer zijn dat Hem behaagt, maar juist iets wat Hij afkeurt. Er moet evenwicht zijn in ons leven, een juiste balans tussen al onze verantwoordelijkheden. Zoals er staat: “Dan zou ik niet beschaamd worden, als ik oog zou hebben voor al Uw geboden.”

De taken van het christelijke leven kunnen, zo u wilt, worden onderverdeeld in openbare en persoonlijke plichten. Sommigen zijn opvallend ijverig in het vervullen van hun openbare taken. Alles wat door mensen gezien kan worden, krijgt hun grootste aandacht. Maar hoe staat het met de persoonlijke plichten? We gaan naar de gebedsbijeenkomst, maar verwaarlozen we het gebed in de binnenkamer? We luisteren naar preken, maar lezen we ook zelf de Bijbel? We wonen openbare samenkomsten bij, maar hebben we ook een persoonlijke omgang met God?

O geliefden, er zijn twee soorten plichten: uiterlijke en innerlijke. Wat baat het dat wij naar de buitenkant rechtvaardig voor God lijken te wandelen, dat er niets aan ons is wat het menselijk oog als verkeerd kan aanwijzen, als het hart niet zuiver is? Als de buitenkant van de schaal wel schoon is, maar de binnenkant vol vuil blijft, hoe ver zijn wij dan nog verwijderd van de volmaaktheid! Deze overwegingen zouden ons moeten aansporen tot een eerlijk en grondig zelfonderzoek. Daarbij wil ik vooral de kernwoorden benadrukken: “Dan zou ik niet beschaamd worden, als ik oog zou hebben voor al Uw geboden.” Deze goddelijke voorschriften hebben namelijk niet alleen betrekking op ons zichtbare, openbare gedrag, maar ook op ons verborgen innerlijke leven.

Soms maken we een onderscheid tussen grote en kleine christelijke plichten. In wezen zijn ze allemaal even belangrijk; geen enkele is werkelijk onbelangrijk, ook al lijkt de invloed van sommige plichten op anderen misschien beperkter. Toch zijn er mensen die wat zij onbelangrijke of nietige zaken noemen, verwaarlozen. Maar wie de Heere werkelijk liefheeft, zal juist in de kleine dingen zijn liefde tonen door zorgvuldigheid en toewijding.

Ik weet dat het in een gezin vaak de kleine dingen zijn die voor ongemak zorgen, maar het zijn ook de kleine dingen die vreugde brengen. Op dezelfde manier geloof ik dat in Gods gezin degenen die goed letten op de subtiele aanwijzingen in het Woord vaak een grote zegen zijn voor hun medechristenen en God eer brengen. Tegelijkertijd waren er in het verleden Farizeeën die muggen uit hun drank zeefden, maar kamelen doorslikten vanwege hun ongerechtigheid. Zij gaven tienden van munt, anijs en komijn, maar veronachtzaamden de zwaardere zaken van de wet.
Laat dat bij ons niet het geval zijn. Laten we ernaar streven zo zorgvuldig te wandelen dat we geen centimeter afdwalen. Want het heeft weinig zin om over een kleine afwijking te spreken als we ons ondertussen mijlenver van het rechte pad laten afdwalen. Moge God ons de genade schenken om zowel kleine misstappen als grote overtredingen te voorkomen.

Ik wil hier nog één ding aan toevoegen. In de volle betekenis van onze tekst gaat het om alle plichten, zowel de plichten die wij al kennen als die waarvan wij ons nog niet bewust zijn. “Dan zou ik niet beschaamd worden, als ik oog zou hebben voor al Uw geboden.” Het kan zijn dat er geboden van God zijn die u nog niet kent. Daarom is het nodig dat u het Woord van God onderzoekt, zodat u ze leert kennen.

Misschien zegt iemand: “Maar als ik ze niet ken, ben ik er toch niet verantwoordelijk voor?” Denkt u dat echt? Als dat zo zou zijn, dan zou onwetendheid een bescherming zijn tegen veroordeling. Dan zou iemand veiliger zijn naarmate hij minder weet, omdat hij volgens die redenering ook minder verplichtingen heeft. Maar zo werkt het niet. Onze kennis is niet de maatstaf voor onze plicht. Alleen het gebod van God is de norm. Zelfs ons geweten is geen betrouwbare maatstaf. Als het geweten niet verlicht is, kan iemand zondigen en toch de gevolgen daarvan ondervinden, zonder te beseffen dat zijn problemen voortkomen uit zijn eigen verkeerde keuzes. Niet het geweten, maar de wet van God bepaalt wat juist is.

Daarom, broeder, zou het niet juist zijn als u dagelijks een gebod van God zou negeren, een gebod dat u zeker zou gehoorzamen als u het kende. Blijf niet in het duister, maar kom in het licht. Neem het Woord ter hand, lees het en bid dat God uw ogen zal openen voor wat u nog niet hebt gezien. Want het komt voor dat mensen de Bijbel lezen en als het ware bepaalde dingen over het hoofd zien. Denk bijvoorbeeld aan degenen die ooit slavernij rechtvaardigden; zij moeten opzettelijk hebben weggekeken van woorden als: “En zoals u wilt dat de mensen u doen, doet u hun ook zo.” Zelfs vandaag de dag zijn er nog steeds zaken waar mensen liever niet al te nauwkeurig naar kijken, uit angst voor wat het licht zal onthullen. Maar zo hoort het niet te zijn. Laat het Woord echt tot u doordringen, en zodra u begrijpt wat God wil, zet u er dan toe in om dat getrouw te doen.

Zo heb ik geprobeerd de reikwijdte van deze tekst te verduidelijken. Het punt is dat de ziel alle geboden van God moet eerbiedigen, liefhebben, waarderen en hoog in het vaandel dragen. Misschien druk ik dit niet helemaal perfect uit, maar dit is de gedachte: Gods geboden horen bij elkaar en zijn onderling met elkaar verbonden.

Denk aan een architect die een groot gebouw ontwerpt, zoals een kathedraal. Hij zorgt ervoor dat alle onderdelen in evenwicht zijn. Hij richt zich niet op slechts één onderdeel, maar laat elk onderdeel bijdragen aan het geheel, zodat er harmonie ontstaat. Zo hoort het ook te zijn in het christelijke leven. “Dan zou ik niet beschaamd worden, als ik oog zou hebben voor al Uw geboden.” Dat betekent dat we aandacht moeten schenken aan de meest diepgaande geboden, waarvoor we geestelijk moeten graven; aan de verheven geboden, die ons in nauwe gemeenschap met God brengen; aan de moeilijke geboden, die inspanning vergen; en ook aan de mooie en vreugdevolle geboden, die verdieping en toewijding vereisen.

Het verlangen zou moeten zijn om dit alles te doen en zo te groeien naar een volmaakt karakter, zodat wij meer en meer gaan lijken op de Heere Jezus Christus. Wat zou het goed zijn als wij werkelijk verlangen naar die volmaaktheid en die ook zoeken. Voor ons, die in Christus geloven, past het om dat volmaakte leven als doel voor ogen te houden. We zouden ernaar moeten streven om te denken en te handelen naar de wil van God.

Dat betekent dat ik alles wil doen wat God van mij vraagt en mij wil onthouden van alles wat Hij verbiedt. Dat zou het grote doel van mijn leven moeten zijn. Laat het een vast voornemen zijn, een dagelijks en steeds hernieuwd verlangen, opdat ik op deze wijze mag leven door de kracht van Zijn Geest. Ik moet er voortdurend naar streven om steeds dichter bij de gehoorzaamheid aan elk gebod van God te komen. Elke misstap zou mij verdriet moeten doen. Elke fout zou mij tot berouw moeten leiden. En elke keer dat ik afdwaal, zou ik opnieuw mijn toevlucht moeten zoeken in het bloed en om reiniging moeten bidden, zodat geen enkele zonde aan mij blijft kleven.

II. Nu ik zo uitvoerig heb gesproken over deze alomvattende gehoorzaamheid, blijven er slechts nog enkele minuten om aandacht te besteden aan de beloning, namelijk: HET VOORDEEL VAN HET RESULTAAT, “Dan zou ik niet beschaamd worden.“

Ik neem aan dat dit in de eerste plaats betekent dat, wanneer de zonde wordt weggenomen, ook de schaamte verdwijnt. Zonde en schaamte zijn samen in deze wereld gekomen. Onze eerste ouders waren naakt en schaamden zich niet, maar toen zij zondigden, veranderde dat. Zodra zij tegen God hadden gezondigd, beseften zij dat zij naakt waren en verborgen zich voor Zijn aangezicht. Gewoonlijk gaat schaamte hand in hand met zonde. Pas wanneer iemand zo verhard raakt in de zonde dat hij zijn geweten verliest, verdwijnt de schaamte. Dan weet iemand niet eens meer hoe hij moet blozen. Dat is al ernstig genoeg, maar het is nog erger wanneer iemand begint te pochen over zijn zonde. Dan is het oordeel nabij.

Maar bij een gelovige werkt het anders. Naarmate de zonde uit zijn leven verdwijnt, verdwijnt ook de schaamte. In plaats daarvan groeit er vrijmoedigheid, omdat hij weet dat hij oprecht voor God wil leven. Iemand die leeft naar Gods geboden hoeft zich niet te schamen voor mensen. Hij hoeft niet bang te zijn voor hun mening en raakt niet van zijn stuk door hun spot. Laat mensen maar zeggen: “Wat bent u precies” of “Wat bent u streng.” Dat is geen echte belediging. Het zou juist dwaas zijn om dat zo op te vatten.

Als iemand u een naam geeft die hoort bij een toegewijd christelijk leven, hoeft u zich daarvoor niet te schamen. Integendeel, veel namen die als spot bedoeld zijn, zijn eigenlijk eervol, omdat ze verbonden zijn met mensen die God trouw hebben gediend. Wanneer iemand u “te gelovig” of “te godsdienstig” noemt, is dat niets om u voor te schamen. Het is alsof iemand u iets waardevols toeschrijft. U hoeft daar niet voor weg te kijken, maar kunt het rustig aanvaarden. En als iemand u een “heilige” noemt, laat dan uw leven zien wat dat betekent. Er is geen enkele reden om u te schamen wanneer u leeft naar Gods geboden.

Bovendien hoeven wij ons in het bijzijn van anderen niet te schamen voor ons geloof. Het is begrijpelijk dat sommige christenen geneigd zijn hun geloof op de achtergrond te houden wanneer zij beseffen hoe weinig eer zij het aandoen. Maar zij die alle geboden van God onderhouden, hoeven zich niet te schamen om te zeggen: “Ik ben een christen. Onderzoek mij van top tot teen en let op mijn gedrag. Ik roem nergens op, maar ik weet dat ik eerlijk en oprecht heb getracht in gerechtigheid voor God te wandelen.”

En wanneer er een valse beschuldiging tegen u wordt ingebracht, ga daar dan in dezelfde geest mee om. Misschien zal iemand u belasteren, en ik daag u uit om dat te voorkomen. Zelfs als u het leven leidt van de meest onberispelijke man van God, bent u nog steeds niet veilig voor laster. Werd God Zelf, zelfs in het paradijs, niet door de slang belasterd?

Toch hoeft u zich niet te schamen wanneer u een beroep kunt doen op God en in uw hart weet dat u ernaar hebt gestreefd om Zijn geboden in alle dingen te onderhouden. Drievoudig is de bescherming van iemand die een zuiver geweten heeft. Geen wapenrusting van staal of kettingpantser kan een mens zo goed beschermen als de wetenschap dat hij voor God heeft gewandeld in oprechte en onberispelijke gerechtigheid, en ernaar heeft gestreefd te doen wat de Heere behaagt. “Dan zou ik niet beschaamd worden, als ik oog zou hebben voor al Uw geboden.”

Dit kan ook verwijzen naar die innerlijke schaamte die wij soms ervaren wanneer wij onszelf onderzoeken en ons eigen gedrag overdenken. Wanneer u een belofte leest, kijkt u die dan niet soms aan als een bijzonder rijke en zoete belofte voor Gods kinderen, terwijl u haar nauwelijks voor uzelf durft toe te eigenen? U voelt zich beschaamd. Er zijn zelfs vele genadige beloften die u nooit als de uwe hebt durven aannemen. U bent bang geweest om ze te omhelzen. Ze leken te rijk, te rijp, te overvloedig om ervan te mogen proeven; u dacht dat ze bestemd waren voor de bevoorrechte kinderen, en niet voor een arme vreemdeling zoals u.

Breng dan deze woorden in gedachten: “Dan zou ik niet beschaamd worden, als ik oog zou hebben voor al Uw geboden.” Er zijn kostbare voorrechten van het christelijke leven die u nooit hebt durven zoeken, en verheven waarheden die u nauwelijks hebt kunnen geloven. Beste vriend, houd u aan al Zijn geboden. Het kan immers zijn dat uw angst, uw twijfel, uw aarzeling en uw gebrek aan zekerheid voortkomen uit een gebrek aan zorgvuldig wandelen voor God. En wanneer de Heilige Geest u in staat stelt heilig te leven, zal Hij u ook in staat stellen met volle zekerheid de rijke zegeningen van het verbond te omhelzen.

Misschien spreek ik nu wel tot mensen die zich soms schamen om hun duidelijke plicht te vervullen. Het is uw taak om af en toe iets van uw geloof en uw ervaringen met anderen te delen, maar alleen al bij die gedachte wordt u verlegen. Ik denk te weten waarom. U herinnert zich misschien dingen in uw leven die niet in overeenstemming zijn met uw woorden, en u vreest dat, als anderen dat zouden weten, uw getuigenis minder geloofwaardig zou zijn en u in hun ogen tekort zou schieten. Ach, “Dan zou ik niet beschaamd worden, als ik oog zou hebben voor al Uw geboden.”

Misschien hebt u het nog niet aangedurfd om zelfs maar voor een klein groepje te spreken, ook al kunt u zonder enige moeite over gewone, alledaagse onderwerpen praten. Hoe komt dat? Komt het doordat uw relatie met God niet zo hecht is als ze zou moeten zijn? “Dan zou ik niet beschaamd worden, als ik oog zou hebben voor al Uw geboden.”

Misschien bent u, broeder, zelfs predikant, en merkt u toch dat u er soms voor terugdeinst om bepaalde belangrijke waarheden duidelijk te verkondigen. Hoe komt dat? Is er misschien iets in uw leven dat uw vrijmoedigheid in de weg staat? Iets dat uw getuigenis verzwakt? Toch geldt ook hier: u zult niet te schande worden gemaakt als u al Gods geboden onderhoudt.

Hoe kunnen wij anderen terechtwijzen als wij zelf niet rechtvaardig leven? Hoe kunnen wij, net als Nathan, zeggen: “U bent die man”, wanneer de persoon tot wie wij ons richten zich eenvoudigweg kan omdraaien en naar ons eigen leven kan wijzen? Nee, wie God dient en zijn taak met moed wil vervullen, moet bidden om een rein leven. Hij moet wandelen naar Gods wet. Zelfs als iemand hierin grote vooruitgang boekt, zal hij toch nederig blijven voor God. Maar tegelijkertijd zal hij geen reden hebben om zich te schamen, wetende dat hij oprecht voor de Heere heeft geleefd. Dan kan hij, net als de profeet van vroeger, zeggen: “Zie, hier ben ik, leg getuigenis tegen mij af in de tegenwoordigheid van de HEERE en in de tegenwoordigheid van Zijn gezalfde: van wie heb ik een rund afgenomen, van wie heb ik een ezel afgenomen, wie heb ik onderdrukt, wie heb ik mishandeld, uit wiens hand heb ik zwijggeld aangenomen om mijn ogen voor hem te sluiten? Dan zal ik het u teruggeven.” Als niemand hem kan beschuldigen, geeft dat hem de vrijmoedigheid om zich niet te schamen.

Zo zal het ook zijn in tijden van beproeving. Denk aan Job. Ondanks zijn pijn en zijn worsteling bleef hij staande. En wie zou niet wankelen als hij van top tot teen vol zweren zat? Toch kon hij zeggen: ‘Het is U bekend dat ik niet schuldig ben.’ Hij kon zich beroepen op God, omdat de beschuldigingen tegen hem niet waar waren. Hij was niet volmaakt, maar wel oprecht en rein van hart. Zijn leven gaf geen grond voor de beschuldigingen die tegen hem werden ingebracht. Dat gaf hem kracht om vol te houden. Het was als het ware de ruggengraat van zijn geduld.

En wat een intense voldoening zal het geven wanneer ons leven ten einde loopt en wij terugkijken, zonder dat er donkere schaduwen over ons verleden hangen. Moge Gods genade u en mij helpen om op deze manier te leven. Niet dat wij ooit zullen vertrouwen op onze eigen goede werken of onze eigen heiligheid, maar wij zullen blijven rusten in Christus, zoals wij dat vanaf het begin hebben gedaan. Toch zal het een vreugde zijn om terug te kijken op een leven dat in dienst van God heeft gestaan, en die dienst hier op aarde in te ruilen voor de volmaardere dienst in Zijn hemelse aanwezigheid.

Wanneer ons leven ten einde loopt en wij bij onze vaderen worden opgenomen, zou het dan niet goed zijn als wij een zuivere en onbevlekte reputatie achterlieten? Is het u ooit opgevallen hoe groot het verschil is tussen de beschrijvingen van de ene koning van Juda en de andere?
Neem bijvoorbeeld Amazia en Hizkia. Over Amazia staat geschreven: “Hij deed wat juist was in de ogen van de HEERE, alleen niet zoals zijn vader David; hij deed overeenkomstig alles wat zijn vader Joas gedaan had. Alleen werden de offerhoogten niet weggenomen: het volk bracht nog steeds slachtoffers en reukoffers op de offerhoogten.” Hier wordt een duidelijke beperking gesuggereerd.

Maar bij Hizkia ontbreekt een dergelijk voorbehoud. Van hem wordt gezegd: “Hij deed wat juist was in de ogen van de HEERE, overeenkomstig alles wat zijn vader David gedaan had. Hij nam de offerhoogten weg, sloeg de gewijde stenen in stukken en hakte de gewijde palen om. Hij verbrijzelde ook de koperen slang, die Mozes gemaakt had, omdat de Israëlieten er tot die tijd toe reukoffers aan gebracht hadden; men noemde hem Nehustan. Hij vertrouwde op de HEERE, de God van Israël, zodat er na hem zijns gelijke niet was onder alle koningen van Juda, en ook niet onder hen die er vóór hem geweest waren.”

Welnu, broeders en zusters, laat dit ook ons verlangen zijn. Misschien bekleden wij geen hoge positie zoals de koningen van Juda, maar laat het toch ons doel zijn om oprecht en onberispelijk te leven tot de dag van Christus. Nog één keer, en dan zal ik afsluiten: “Dan zou ik niet beschaamd worden, als ik oog zou hebben voor al Uw geboden.”

Dan zou ik niet beschaamd worden.” Soms voelt een kind van God zich diep beschaamd in de aanwezigheid van zijn Vader. Hij twijfelt er niet aan dat hij een kind is, maar toch voelt hij zich beschaamd. Geldt dat niet ook voor uw eigen kinderen? Zij weten dat zij uw kinderen zijn en dat u van hen houdt, maar toch kunnen zij zich beschaamd voelen wanneer zij iets hebben gedaan wat u verdriet doet. Dan zoeken zij uw nabijheid niet op, maar gaan zij u juist uit de weg. U hebt hen misschien streng aangekeken, maar u zegt nooit: ‘Je bent niet langer mijn kind.’ Ze zijn niet bang dat u hen uit het gezin zult verstoten. Nee, ze weten dat die band blijft bestaan. En toch voelen ze heel goed aan dat u niet tevreden bent, en dat alleen al zorgt ervoor dat ze u uit de weg gaan.

Hetzelfde geldt voor ons. Als wij in het licht wandelen zoals Hij in het licht is, hebben wij gemeenschap met Hem, en “het bloed van Jezus Christus, Zijn Zoon, reinigt ons van alle zonde“. Maar dan moeten we wel in het licht wandelen. De zonde verstoort en verbreekt die gemeenschap. Een van beide moet verdwijnen: ofwel de zonde, ofwel de gemeenschap, want beide kunnen niet naast elkaar bestaan. Hiermee bedoel ik niet de zonden van zwakheid die wij onbewust begaan, maar een levenswijze waarin wij bewust en vrijwillig toegeven aan de zonde, uit koppigheid of onachtzaamheid. Wie met God leeft, kan het zich niet veroorloven opstandig of onverschillig te zijn.

Denk eens aan twee jongens die iets willen vragen. De één zegt: “Vraag jij het aan vader.” De ander antwoordt: “Nee, jij moet het vragen.” “Waarom ik?” “Omdat ik vader heb teleurgesteld. Hij houdt nog wel van mij, maar dit is niet het juiste moment om hem om iets groots te vragen. Vraag jij het maar voor ons allebei.”

Hetzelfde geldt voor ons gebedsleven. Als we niet dicht bij God hebben geleefd, bidden we misschien nog wel om vergeving en om algemene genade, maar ontbreekt het ons aan de vrijmoedigheid om om grote dingen te vragen. Dan zijn we dankbaar wanneer iemand anders wel vrijmoedig bidt en om grote zegeningen vraagt.

O Heere, Uw dienaar weet wat het is om tot Uw troon te naderen, maar soms voelt hij dat hij niet met dezelfde vrijmoedigheid tot U komt als anders. Hij mist dan die openheid en dat vertrouwen in het gebed. Maar er zijn ook andere momenten, waarop God ons tegemoetkomt met de kussen van Zijn liefde en als het ware zegt: “Vraag wat u maar wilt en het zal u ten deel vallen.” Dat zijn rijke en gezegende gebedsmomenten.

Dan zou ik niet beschaamd worden, als ik oog zou hebben voor al Uw geboden.” Ik zal mijn gehoorzaamheid niet als argument gebruiken. Nee, ik zal een beroep doen op het bloed en de gerechtigheid van Christus. En ik zal dat met nog grotere vrijmoedigheid doen, omdat mijn hart is gereinigd van een schuldig geweten. Dezelfde Geest die mij leert te gehoorzamen, werkt in mij ook het besef dat ik een kind van God ben. Hij die mij heeft geleerd naar Gods stem te luisteren, zal mij ook leren bidden op een manier dat God naar mijn stem luistert en mij een antwoord van vrede geeft.
Moge God u zegenen, uw hart troosten en u sterken in elk goed woord en elke goede daad, omwille van Jezus. Amen.

Steun ons met een donatie

Uw steun helpt ons om Het Spurgeon Archief in stand te houden. Dankzij uw bijdrage kunnen wij ons werk voortzetten en dit waardevolle archief gratis aanbieden en vrijhouden van reclame en commerciële invloeden.

Wij danken u hartelijk voor uw steun en betrokkenheid!

Archiefhulpmiddelen

Contact

Heeft u een tekstfout gevonden, of heeft u een vraag? Stuur dan een E-mail naar: [email protected]

Over de Auteur

C.H. Spurgeon

1834 – 1892 Was een Engelse baptistenpredikant in de puriteinse traditie. Belangrijke onderwerpen uit zijn prediking waren de vergeving van zonden en de noodzaak van wedergeboorte.

Onze Socials:

Copyright & Content