Een preek uitgesproken op een donderdagavond in het jaar 1855 door C. H. Spurgeon in de New Park Street Chapel te Southwark.
‘Ik bid niet, dat Gij hen uit de wereld wegneemt, maar dat Gij hen bewaart van den boze.’ Johannes 17:15
De tekst bevat, zoals we al eens eerder hebben opgemerkt, twee gebeden: een negatief en een positief gebed. Allereerst is er het negatieve gebed: ‘Ik bid niet dat U hen uit de wereld wegneemt.’ Er zijn wijze bedoelingen mee gemoeid dat zij hier blijven. Het zal uiteindelijk hun geluk in de hemel vergroten. Het zal God verheerlijken. Het zal een middel zijn tot de bekering van anderen. Daarom: ‘Ik bid niet dat U hen uit de wereld wegneemt.’ Maar Ik bid wel, en hier komt het positieve gebed, ‘dat U hen, terwijl zij in de wereld zijn, bewaart voor het kwade.’
I. Laten wij dus eerst stilstaan bij HET KWAAD WAARVAN CHRISTUS BIDT DAT ZIJN VOLK ERVOOR BEWAARD MAG BLIJVEN.
Wij aarzelen niet te verklaren dat het enige kwaad dat in deze tekst bedoeld wordt, het kwaad van de zonde is. Het kan waar zijn dat Jezus Christus Zijn Vader smeekt om ons te bewaren voor sommige zware beproevingen die ons sterfelijk lichaam niet zou kunnen dragen. Het kan zijn dat de slagen en aanvallen van de vijand soms worden afgeweerd door de arm van Jezus’ voorbede. Het kan zijn dat het grote schild van de almachtige God in de voorzienigheid vaak boven ons hoofd wordt gehouden, om ons op onze weg voor kwaad te behoeden en om te voorkomen dat wij onze voet aan een steen stoten. Wij zijn er echter van overtuigd dat geen van beide hier bedoeld wordt, maar dat ‘het kwade’, waarover de Schrift zo voortdurend spreekt en dat hier bij uitstek bedoeld wordt, de zonde is en niets anders: ‘Ik bid dat U hen bewaart voor het kwade.’
Beproevingen zijn vaak heilzaam; daarom vraagt Christus niet dat wij volledig voor dit soort kwaad bewaard worden. Beproeving brengt ons aan Zijn voeten en doet het gebed herleven; daarom heeft Christus niet gevraagd dat ons dit bitterzoete bespaard zou blijven. Zelfs de dood, die een kwaad lijkt, is voor gelovigen iets goeds; daarom vraagt Christus niet dat wij niet zouden sterven. Het verzoek dat Hij hier voor Zijn volk indient, luidt: ‘Ik bid dat U hen bewaart voor het kwade’: het bijzondere, het specifieke, het dodelijke kwaad van de zonde.
Laten wij hierbij opmerken dat de zonde een onvermengd kwaad is. Zij is het kwaad zonder dat er iets goeds in zit dat het verzacht. In de zonde kan geen goed zijn; zij is kwaad, alleen kwaad, en dat voortdurend. De laagste vorm van zonde is ‘het kwaad’; de hoogste vorm is ‘het kwaad’ in volle ontwikkeling. De zonde in een engel was ‘het kwaad’, want zij maakte van hem een duivel. De zonde in Eden was ‘het kwaad’, want zij rukte de prachtige bomen met wortel en al uit, deed al hun vruchten verdorren en zond Adam weg om de aardbodem te bebouwen waaruit hij genomen was. De zonde is altijd een kwaad; zij brengt niemand enig voordeel. Wat baat het een mens als hij de hele wereld wint, maar zijn ziel verliest? En vooral voor de christen is zij kwaad, niets dan kwaad. De zonde kan hem nooit tot voordeel zijn; zij is een kwaad, alleen een kwaad, een machtig en verschrikkelijk kwaad. Zij is onvermengd kwaad, zij is ‘het kwaad’.
Het is waar dat God uit het kwade het goede voortbrengt. Soms worden zelfs de zonden van Gods volk zo bestuurd dat zij hen voor een nog grotere zonde bewaren, maar dat neemt ‘het kwaad’ niet weg. Als God beren uit het bos stuurt om Zijn opdracht uit te voeren en zij de spottende kinderen doden, blijven het toch beren. En als de zonde soms een middel wordt om God te eren, blijft zonde toch zonde, welk doel God er ook mee bereikt. Geen enkele valse prediking kan ons ooit een leer doen geloven die de zonde haar dodelijke karakter zou ontnemen, dat haar rechtens toekomt. Zij is altijd schadelijk en gevaarlijk.
De christen die erop vertrouwt dat hij zich door één enkele zonde uit moeilijkheden kan houden of uit moeilijkheden kan redden, maakt een verschrikkelijke vergissing. Dat kan u geen goed brengen. ‘Maar,’ zegt u, ‘ik zit echt in de problemen. Mijn schuldeisers zitten mij op de hielen; wat moet ik doen? Als ik die schuldbrief zou kunnen uitschrijven of die handtekening zou kunnen vervalsen, zou dat misschien iets goeds opleveren.’ Daar kan niets goeds in zitten! Zonde is kwaad! Zij is ‘het kwaad’, ‘het kwaad’ zonder één greintje goedheid, ‘het kwaad’ zonder enige verzachting.
‘Ach,’ zegt een ander, ‘als ik dit of dat zou doen, dan is dat maar een klein kwaad, en dan zou ik voorspoed hebben in mijn zaak! Daarna zou ik mij aan God kunnen wijden en Hem beter kunnen dienen. Zo zou ik uit het kwaad iets goeds kunnen voortbrengen. Het doel heiligt de middelen.’ Nee! Als de middelen slecht zijn, zijn ze slecht. Als de middelen kwaad zijn, zijn ze kwaad. Zonde is zonde en niets dan zonde. En al lijkt er soms tijdelijk voordeel in te schuilen, zij blijft kwaad, en alleen kwaad.
Wat zou het, als de schadelijke drank een mens soms prikkelt en hem sterker lijkt te maken? In werkelijkheid verzwakt hij hem, en uiteindelijk zal hij hem te gronde richten. Een mens kan zich een tijdlang verbeelden dat de zonde goed is. Zij kan hem een laagje fatsoen geven en hem in de ogen van wereldse mensen iets gunstiger laten uitkomen, maar een huis dat met zulk verrot materiaal is opgelapt, zal instorten, hoe men het ook probeert te stutten! Alle zonde is onvermengd kwaad, en de enige naam die wij haar geven, is ‘kwaad’. Laat het monster pleiten zoals het wil en ons vragen het goed te noemen: wij beschuldigen het ervan dat het onze Heere heeft gedood, en wij veroordelen het als een kwaad dat gehaat en gemeden moet worden. Een slang kan prachtige azuurblauwe tinten op zijn schubben hebben, maar hij is een dodelijk dier en moet tegen de grond worden vertrapt.
Verder zeggen wij dat de zonde ‘het kwaad’ is, omdat zij een ongeëvenaard kwaad is. U kunt in de wereld niets vinden dat zo kwaad is als de zonde. Niets heeft deze mooie aarde van ons zo verwoest als de zonde. Vertel mij dat de oorlog tienduizenden en honderdduizenden heeft gedood, dat aardbevingen grote steden hebben verwoest, dat de pest miljoenen heeft verslonden. Beschrijf mij het geweld van de elementen, vertel mij over het wilde razen van de natuur in den vreemde en herinner mij eraan hoe zij de mens neerslaat en zijn werk vernietigt. Maar wanneer u de zwarte lijst van alle verschrikkingen die de mens ooit hebben getroffen hebt uitgeschreven, zal ik u nog steeds zeggen dat de zonde zich verheft als het monsterlijke kwaad, de reus die hen allen overtreft en met kop en schouders boven hen uitsteekt: het meest onvermengde en ongeëvenaarde kwaad ter wereld!
Vraagt u mij of de zonde veel kwaad heeft aangericht, dan antwoord ik u: ‘Ja.’ Zie hoe de hof van Eden werd verwoest en hoe een hele wereld door het water werd verzwolgen, zodat zelfs de toppen van de bergen werden bedekt! Zie hoe de aarde zich opent en Korach, Dathan en Abiram in de kuil wegzinken. Zie hoe vuur op Sodom en Gomorra regent en hoe de steden van de vlakte met al hun inwoners worden verwoest. Maar de zonde heeft meer gedaan dan dat: zij heeft ergens een hel gegraven. Waar weten wij niet, maar zeker niet in de holen van de aarde. Het zou een verschrikkelijke gedachte zijn dat deze tijdelijke woonplaats van de rechtvaardigen de woonplaats van de verdoemden zou worden. Is er iets erger dan dat, dan is de zonde daaraan schuldig, want zij heeft Immanuël geslacht, zij heeft de Heere des levens en der heerlijkheid gedood!
De zonde heeft Hem verraden en gegeseld, een doornenkroon op Zijn hoofd gezet, in Zijn gezicht gespuwd, Hem gekruisigd en Zijn handen en voeten aan het vervloekte hout genageld! De zonde zat erbij en keek toe tot Hij stierf. En op dat ogenblik (geloofd zij Zijn Naam!) waren de zonden van heel Zijn volk ten einde gebracht. De zonde is ongeëvenaard; geen kwaad kan zich ermee meten. Zoek welk kwaad u maar wilt: de zonde staat vooraan, als eerste en voornaamste, als ‘het kwaad’.
De zonde is in zekere zin ook een kwaad waarvoor geen herstel bestaat. Misschien schrikt u enigszins van die gedachte, vooral omdat u mij zo vaak hebt horen zeggen dat de dood van Christus de christen zelfs de schuld van zijn zonde ontneemt. Daardoor is hij niet schuldig voor God, maar staat hij aangenomen in Christus, bekleed met de gerechtigheid van zijn Heiland. Daarop kan hij zich voor God beroepen, en hij mag zelfs aanspraak maken op de verdiensten die hem door Jezus zijn toegerekend.
Toch is waar wat ik gezegd heb: voor de zonde blijft er, ook voor de christen, geen herstel meer over wanneer hij haar eenmaal heeft begaan. Er is wel het geneesmiddel van de vergeving, wat hemzelf betreft, maar voor de zonde zelf bestaat geen herstel. Waar is bijvoorbeeld het herstel voor een zondig woord dat ik heb gesproken? Kunnen mijn tranen het terughalen en voorkomen dat het mijn medemensen schade doet? Ook al heeft Christus mij vergeven, daarmee is het onrecht dat ik anderen misschien heb aangedaan niet ten einde.
Wanneer ik één enkele steen van zonde in de oceaan van dit heelal laat vallen, zal die kring na kring blijven maken, steeds wijder. Ik kan heel mijn leven met meer dan serafijnse ijver en met een hart als dat van Christus werken om het kwaad dat ik heb aangericht ongedaan te maken, maar al mocht ik tot in eeuwigheid werken, dan nog zou ik de knopen die ik heb gelegd niet kunnen ontwarren, de bergen die ik heb opgestapeld niet kunnen neerhalen en de rivieren die ik heb gegraven niet kunnen droogleggen. Het is waar dat de zonde helemaal vergeven is en mij nooit meer zal worden aangerekend. Toch denk ik dat ik, hoewel Christus mij heeft vergeven, het mijzelf nooit zal vergeven dat ik in sommige opzichten Zijn Naam te schande heb gemaakt en Zijn gezegende Persoon heb onteerd. Wanneer sommigen van u, oude godslasteraars, eraan denken dat er mensen in de hel zijn die door uw toedoen verdoemd zijn, dan mag u God danken dat u zelf behouden bent, maar het verderf van die onsterfelijke zielen kunt u niet ongedaan maken. De zonde is het kwaad. Terecht mocht Jezus voor Zijn volk bidden: ‘Vader, bewaar hen voor het kwade.’ Het is immers een kwaad dat, hoewel er voor de zonde zelf een geneesmiddel is, geen herstel kent wat haar gevolgen voor anderen betreft.
God geve dat al het kwaad dat wij misschien hebben aangericht, zoveel als mogelijk is wordt hersteld door de heiligheid van ons verdere leven! Nog één keer: de zonde is een uiterst verderfelijk kwaad, omdat zij elk ander kwaad met zich meebrengt. Ik denk dat het ergste kwaad dat de zonde mij ooit heeft aangedaan, dit is: zij heeft mij soms de tegenwoordigheid van mijn gezegende Meester ontnomen. Er zijn tijden geweest dat de Geest Zich van mij had teruggetrokken. Er zijn tijden geweest dat ik mijn Geliefde zocht, maar Hem niet vond; dat ik vurig naar Zijn tegenwoordigheid verlangde, maar die niet kon vinden. Mijn enige lied was toen:
‘Wat een vredige uren genoot ik eens,
hoe zoet is nog hun herinnering!
Maar nu vind ik een pijnlijke leegte
die de wereld nooit kan vullen.’
Vrij vertaald; om de betekenis te bewaren is het rijm losgelaten.
De zonde was de sluier die tussen mij en mijn Heere kwam. De beminde oude Joseph Irons zei altijd: ‘Christus verbergt Zijn aangezicht vaak achter de stofwolken die Zijn eigen kinderen opwerpen.’ Zo maken wij stof door onze zonden, en Christus verbergt Zich daarachter. Wij bouwen een muur door onze overtredingen, en onze Geliefde verbergt Zich achter die muur. Ach zonde, u bent werkelijk een kwaad, want u hebt mij Zijn zoete omgang ontnomen en Zijn gezegend gezelschap weggenomen! U hebt op de troon van mijn hart gezeten, en zo’n belediging duldt Hij niet. Hij blijft niet waar de zonde is. U bent mijn ziel binnengedrongen, en Jezus heeft gezegd: ‘Ik vertoef niet waar zonde is. Mijn tegenwoordigheid zal de zonde verdrijven, of de zonde zal Mijn tegenwoordigheid verdrijven.’ ‘O zonde, hoeveel ellende ondervind ik door u!’ kan de christen zeggen. Ach zonde, hoeveel arme, geketende gelovigen dragen boeien die eerst door u zijn gesmeed?
Zonde, u bent het aambeeld waarop onze twijfels worden gesmeed. Zonde, u bent het vuur waarin onze geest vaak tot verdriet versmelt. Zonder u zouden wij alles kunnen. O zonde, u knipt de vleugels van het geloof, u dooft de vlam van de liefde, u verlamt de kracht van de ijver; u bent ‘het kwaad’. Zo noemt mijn Meester u, en dat bent u ook. U hoeft geen andere naam te krijgen: de naam die u eenmaal is gegeven, zult u voor altijd dragen, en tot in alle eeuwigheid zult u door alle heiligen aan de schandpaal worden aangewezen als ‘het kwaad’. Terecht mocht Christus Zijn Vader vragen dat Zijn kinderen, hoewel Hij niet wilde dat zij uit de wereld werden weggenomen, wel voor het kwade bewaard zouden worden!
Ik bezweer u, jonge bekeerlingen die op het punt staan de Heere Jezus Christus aan te doen: bedenk dat de zonde ‘het kwaad’ is. Uw hele verdere leven moet u eraan denken dat dit ‘het kwaad’ is dat u moet mijden. Vrees geen verdrukking, vrees geen vervolging; verblijd u en verheug u juist als dat uw deel zou zijn, want uw loon is groot in de hemelen! Maar ik bezweer u: vrees de zonde!
Ik beveel u aan de God van alle genade, Die machtig is u van struikelen te bewaren en onberispelijk te stellen voor Zijn heerlijkheid. Toch smeek ik u altijd te bedenken dat de zonde zelf voor u ‘het kwaad’ is. Dat zal zij voor u blijven zolang u leeft, en ook al is zij vergeven, het blijft vergeven zonde. Mijd haar in de geringste mate! Geef niet toe aan kleine zonden, dan zult u ook niet toegeven aan grote.
Denk aan het spreekwoord: ‘Let op de stuivers, dan passen de guldens wel op zichzelf.’ Wees op uw hoede voor kleine zonden, dan zult u geen grote zonden begaan. Ik bezweer u: bewaar uw hart in de liefde van God, en moge God Zelf u bewaren, naar het gebed van onze Heiland: ‘dat U hen bewaart voor het kwade.’
II. Over het tweede punt kunnen wij maar een paar opmerkingen maken, namelijk HET GEVAAR WAARAAN HET VOLK VAN CHRISTUS BLOOTSTAAT.
Bestaat er gevaar dat christenen in zonde vallen? Zullen zij opnieuw zondigen nadat zij in Jezus geloofd hebben en vergeving hebben ontvangen? Zullen zij zondigen nadat zij in Gods gezin zijn aangenomen? Zullen zij, kunnen zij na dit alles nog zondigen?
O geliefden, toen mijn Heere mij voor het eerst vergaf, dacht ik dat ik nooit meer tegen Hem zou kunnen zondigen. Toen Hij, terwijl ik van top tot teen zwart was, het reinigende woord sprak en mij wit maakte, toen Hij mij mijn lompen uittrok en mij koninklijke klederen aandeed, mij kuste met de kussen van Zijn liefde en mij Zijn diepe, liefdevolle hart liet zien, dacht ik: ‘O gezegende Jezus! Zou ik ooit nog tegen U kunnen zondigen? Zou ik, een begenadigde rebel aan wie U zoveel hebt vergeven, zoiets kunnen doen?’ ‘Nee, dierbare Jezus,’ denkt de jonge bekeerling, ‘ik kan komen en Uw voeten wassen met mijn tranen en ze afdrogen met het haar van mijn hoofd, maar zondigen kan ik niet, en ik zal het niet doen.’ Ach, hoe snel wordt dat prachtige gezicht weggenomen! Hoe snel wordt de theorie door de ervaring bedorven!
Geliefden, merkt u niet dat u juist nu in gevaar verkeert om te zondigen? Wij die jong zijn, in wat een gevaar om te zondigen verkeren wij! Zolang onze hartstochten sterk zijn en onze begeerten woeden, hebben wij het nodig door God bewaard te worden, anders zullen wij tegen Hem zondigen. En u, heren van middelbare leeftijd, ook tot u heb ik een paar woorden te zeggen. U bidt altijd zo bijzonder voor de jongeren, en de jongeren zijn u daar zeer dankbaar voor. Zij nemen zich ook altijd voor om in het bijzonder voor u te bidden, omdat u zich in de gevaarlijkste positie bevindt! Ik herinner u aan wat ik u al eerder heb gezegd: in de Schrift is er geen enkel voorbeeld van een jonge man die in zonde valt, maar er is meer dan één voorbeeld van een man van middelbare leeftijd!
U grootouders met sneeuwwitte hoofden, wier haar door de ouderdom wit geworden is, weet u niet dat u nog altijd Gods bewaring nodig hebt, anders zult u vallen? O veteranen in het leger van de Heere, erkent u niet dat er, als Zijn genade u ontnomen werd, in uw hart nog genoeg tondel is om vlam te vatten, omdat uw ziel nog niet volkomen gereinigd is? Wanneer ik mijn oude broeders en zusters vraag of de zonde nog in hen aanwezig is, zegt ieder van hen steevast: ‘Vroeger dacht ik dat ik een slecht hart had, maar nu weet ik het. Vroeger dacht ik dat ik verdorven was, maar nu weet ik het. Naarmate de jaren voorbijgaan, word ik steeds verdorvener, en elke dag zie ik dat meer.’ Is het bij u niet net zo? Ach, is het bij u niet voortdurend zo? En zult u niet tot uw laatste stervensuur belijden dat u bewaard zult blijven als God u bewaart, maar dat u verloren zou zijn als Hij u zou verlaten?
Ik was blij met de goede antwoorden die de jongeren mij gaven toen ik hun vroeg: ‘Denken jullie dat je tot het einde toe trouw aan Christus bewaard zult blijven?’
‘Ja, door Gods genade,’ zeiden ze.
‘Maar stel dat God je zou verlaten?’ vroeg ik daarna.
En wat was het antwoord buitengewoon gepast: ‘God zal mij niet verlaten, dus daarover kan ik niets zeggen.’ Dat was een mooie manier om de vraag te beantwoorden.
Hij heeft immers beloofd dat Hij ons niet zal begeven en ons niet zal verlaten.
Daarom, christen, terwijl wij u waarschuwen voor het gevaar als God u zou verlaten, troosten wij u ook met de boodschap dat Hij u niet zal verlaten!
Let op de verschrikkelijke dreigingen waarover die arme arminianen zo veel hebben gesproken. Wie niets van de leer van de genade weet, beweert dat zondaars vallen en weer terugkomen, en opnieuw vallen en weer terugkomen. Een onschriftuurlijker leer is niet denkbaar, want God verklaart plechtig dat, als het mogelijk zou zijn dat een mens die eenmaal wedergeboren en geheiligd is, afvallig wordt, hij reddeloos verloren zou zijn en er voor hem geen hoop meer overbleef, ‘maar een schrikkelijke verwachting des oordeels, en hitte des vuurs‘ (Hebreeën 10:27).
Ik bezweer u te bedenken dat, als het mogelijk zou zijn dat u zo valt, daar de afgrond is waarin u moet storten. In zo’n geval is er voor u geen losprijs! Als ware bekering faalt, zal God het nooit een tweede keer proberen! Als Hij eenmaal Zijn hand op u legt en het faalt, dan is Hij met u klaar. Maar het is niet mogelijk, geprezen zij Zijn Naam! Hij heeft nog nooit gefaald, en Hij zal ook nooit falen!
Toch waarschuwen wij u, en de Schrift zegt ons dat te doen, om te bedenken dat wij alleen door het geloof bewaard worden tot de zaligheid, en dat onze Heere Jezus Christus gezegd heeft: ‘Mijn schapen horen Mijn stem, en Ik ken dezelve, en zij volgen Mij. En Ik geef hun het eeuwige leven; en zij zullen niet verloren gaan in der eeuwigheid, en niemand zal dezelve uit Mijn hand rukken. Mijn Vader, die ze Mij gegeven heeft, is meerder dan allen; en niemand kan ze rukken uit de hand Mijns Vaders‘ (Johannes 10:27-29).
III. Dit brengt ons ten derde bij DE BEWAARDER VAN HET VOLK VAN CHRISTUS: ‘Ik bid dat U hen bewaart voor het kwade.’
Geliefden, wij gaan vaak onszelf bewaren, en daar maken wij dan een slechte zaak van. Als een christen probeert zijn eigen hart te bewaren zonder Gods hulp te vragen, is hij een even goede bewaker als de wachters die Herodes had aangesteld om de apostel Petrus te bewaken, en die, toen zij ‘s morgens de gevangenisdeuren openden, ontdekten dat de gevangene ontsnapt was. U kunt zonder God op wacht staan bij uw hart, maar u zult merken dat het toch ontsnapt is en achter de zonde aan is gegaan. De christen mag niet vertrouwen op zijn eigen waakzaamheid, want soms zal hij slapen, en dan zal de vijand hem onverwachts overvallen. Mensen zijn vaak geneigd, zoals het gezegde luidt, de staldeur op slot te doen als het paard al weg is. En christenen zijn soms heel voorzichtig nadat zij gezondigd hebben. Ach, maar het gaat erom de deur op slot te doen terwijl het paard nog op stal staat, en op uw hoede te zijn voordat u zondigt. Het is beter te voorkomen dat uw huis in brand vliegt, dan het vuur nog zo snel te laten blussen.
Wij allen hebben het nodig door God bewaard te worden. Wij denken dat wij onszelf kunnen bewaren, maar dat kunnen wij niet, want ons arme vlees en bloed zal bezwijken. Al is de geest gewillig, het vlees is zwak, en als het ons al zou lukken onszelf een tijdje te bewaren, zouden wij al snel door geestelijke sluimering overmand worden. En dan, dat weet u, zou de duivel midden in de nacht het kamp binnenwandelen, en als hij ons sluimerend en onoplettend aantrof, zou hij ons, als God het toeliet, haastig naar het verderf wegvoeren!
Als u uzelf aan God toevertrouwt, zal Hij u bewaren. Maar als u probeert uzelf te bewaren, zult u falen. Hoeveel verschillende plannen hebben mensen niet bedacht om zich van de zonde af te houden! Waarom gaan zij niet naar God om Hem te vragen hen te bewaren, in plaats van zich met handen en voeten aan dit of dat te binden en zo te denken de zonde te ontlopen? Laten wij ons hart helemaal aan God geven, want Hij zal Zijn eigen volk bewaren.
Wat een genadige belofte heeft de Heere gegeven over Zijn wijngaard: ‘Ik, de HEERE, behoede dien, alle ogenblik zal Ik hem bevochtigen; opdat de vijand hem niet bezoeke, zal Ik hem bewaren nacht en dag‘ (Jesaja 27:3). Is dat geen kostbare uitspraak: ‘Ik, de HEERE, behoede dien’? De Heere lijkt hier voor Zichzelf op te komen: ‘Men zegt dat Ik hem niet behoed, maar dat doe Ik wel. Men zegt dat Ik Mijn volk laat afvallen, maar dat doe Ik niet. Zie Mijn wijngaard: “Ik, de HEERE, behoede dien.” Wat men ook zegt: “alle ogenblik zal Ik hem bevochtigen; opdat de vijand hem niet bezoeke, zal Ik hem bewaren nacht en dag.”‘ Dit is de enige grond van ons vertrouwen: dat God de voeten van Zijn heiligen bewaart en dat niemand die op Hem vertrouwt, verlaten zal zijn.
Wij moeten nu besluiten, en wij bidden voor het volk van de Heere dat God hen zal bewaren. Bedenk, gelovige, dat God, hoewel er staat dat Hij u zal bewaren, dat door middelen doet. U moet naar elkaar omzien. Ik vermaan u graag om naar uw broeders en zusters om te zien. Wel, sommigen van u zitten hier met alleen een leuning tussen u in, en toch kent u uw buren niet! Sommigen van u praten soms te veel, dat weet ik, maar ik heb liever dat u een beetje te veel praat dan helemaal niet. Ach, wat lijken sommigen van u weinig op christenen, als u zij aan zij zit en elkaar toch niet kent! De gemeente is bedoeld als een plaats waar wij zijn als kinderen thuis.
Zorg er daarom voor dat u omziet naar de jonge vrienden die in de gemeente komen; probeer voor hen te zorgen. Wij hebben een paar vaders nodig die hen op de goede weg leiden. Arme zielen, u kunt niet verwachten dat zij veel weten. Sommigen van hen zijn misschien al lang in de dienst van God, anderen zijn pas net begonnen de christelijke loopbaan te lopen. U moet naar de jongeren omzien, en dan zal het gebed van Christus ook in hun geval vervuld worden: ‘Ik bid dat U hen bewaart voor het kwade.’
Bedenk ten slotte dat God de enige Bewaarder van de heiligen is, en leg uw ziel dag aan dag in Zijn handen. Ik smeek u, om de liefde van Christus, vergeet Zijn heilige gebed niet, waarover ik tot u gesproken heb! Overdenk vaak de genade die u onder de hoede van de Heiland heeft gesteld. O, vergeet niet dat u van eeuwigheid af van Hem bent, en dat het u slecht past te zondigen! Vergeet niet dat u uitverkoren bent in Christus en dat het u tot schande zou zijn te overtreden. Bedenk dat u behoort tot de adel van het heelal; u mag zich niet mengen met verachtelijke wereldlingen! Bedenk dat het koninklijke bloed van de hemel door uw aderen stroomt; onteer uzelf daarom niet met daden die men bij een bedelaar misschien zou dulden, maar die een prins van het hemelse huis zouden vernederen!
Sta op uw waardigheid! Denk aan uw toekomstige heerlijkheid! Bedenk waar u staat en in Wie u staat: in de Persoon van Jezus! Val dagelijks aan Zijn voeten! Grijp elk uur Zijn kracht aan en roep uit:
‘O, hiertoe heb ik geen kracht;
mijn kracht moet aan Uw voeten liggen.’
Vrij vertaald; om de betekenis te bewaren is het rijm losgelaten.
O geliefden, u die de Heere niet liefhebt, ik kan niet bidden dat God u voor het kwade zal bewaren, want u zit er al middenin! Maar ik bid wel dat God u eruit zal halen. Sommigen van u voelen de zonde niet als een kwaad, en zal ik u zeggen waarom? Hebt u ooit geprobeerd een emmer uit een put op te halen? U weet dat u een volle emmer gemakkelijk kunt optrekken zolang hij in het water blijft, maar zodra hij boven het water komt, merkt u hoe zwaar hij is. Zo is het precies met u. Zolang u in de zonde bent, voelt u haar niet als een last; zij lijkt geen kwaad te zijn! Maar als de Heere u eenmaal uit de zonde optrekt, zult u merken dat zij een ondraaglijk, een gruwelijk kwaad is!
Moge de Heere vanavond sommigen van u omhoog winden! Hoe diep u ook zit, moge Hij u uit de zonde optrekken en u aannemen in de Geliefde! Moge u een nieuw hart en een rechte geest ontvangen, die alleen Gods gave zijn! Denk aan de woorden van de Heere Jezus: ‘Bidt, en u zal gegeven worden; zoekt, en gij zult vinden; klopt, en u zal opengedaan worden. Want een iegelijk, die bidt, die ontvangt; en die zoekt, die vindt; en die klopt, dien zal opengedaan worden‘ (Mattheüs 7:7-8).
God geve u genade om te bidden, te zoeken en te kloppen, om Jezus’ wil! Amen.
Preek nr. 2703 · Gehouden te New Park Street Chapel, Southwark, Londen, op een donderdagavond in 1855; exacte datum onbekend, Metropolitan Tabernacle Pulpit deel 46. Oorspronkelijke titel: “The Preservation of Christians in the World”. Bron: Spurgeon’s Sermons, spurgeon.org.


