De onveranderlijkheid van God

Een preek uitgesproken op zondagmorgen 7 januari 1855
door C. H. Spurgeon in de New Park Street Chapel te Southwark.

Copyright © Het Spurgeon Archief | Portret C.H. Spurgeon

Want Ik, de HEERE, word niet veranderd; daarom zijt gij, o kinderen Jakobs! niet verteerd. Maleachi 3:6

Iemand heeft eens gezegd: ‘De ware studie van de mensheid is de mens.’ Ik wil dat niet bestrijden, maar ik geloof dat het evenzeer waar is dat de ware studie van Gods uitverkorenen God is; de ware studie van een christen is de Godheid. De hoogste wetenschap, de verhevenste bespiegeling en de machtigste wijsbegeerte die ooit de aandacht van een kind van God kunnen bezighouden, zijn de Naam, de natuur, de Persoon, het werk, de daden en het bestaan van de grote God, Die hij zijn Vader noemt. De overdenking van de Godheid heeft een bijzonder vormende uitwerking op de geest. Dit onderwerp is zo groot dat al onze gedachten verloren raken in zijn onmetelijkheid, en zo diep dat onze trots verdrinkt in zijn oneindigheid.

Andere onderwerpen kunnen we overzien en ermee worstelen; daarbij voelen we een zekere zelfvoldaanheid en gaan we onze weg met de gedachte: ‘Zie, ik ben wijs.’ Maar wanneer we bij deze hoogste wetenschap komen en merken dat ons dieplood haar diepte niet kan peilen en dat ons arendsoog haar hoogte niet kan zien, dan keren we ons af met de gedachte dat de ijdele mens wel wijs zou willen zijn, maar is als het veulen van een woudezel. En we roepen plechtig uit: ‘Wij zijn van gisteren en weten niet.’ Geen enkel onderwerp van overdenking zal de geest meer verootmoedigen dan gedachten over God. We zullen wel moeten voelen:

‘Grote God, hoe oneindig bent U,
wat nietige wormen zijn wij!‘

Vrij vertaald; om de betekenis te bewaren is het rijm losgelaten.

Maar terwijl dit onderwerp de geest verootmoedigt, verruimt het hem ook. Wie veel aan God denkt, zal een ruimere geest hebben dan de man die alleen maar rondsjokt op deze nauwe aardbol. Hij mag een natuuronderzoeker zijn die zich erop beroemt dat hij een kever kan ontleden, een vlieg kan opensnijden of insecten en dieren kan indelen in klassen met haast onuitsprekelijke namen. Hij mag een geoloog zijn die kan spreken over het megatherium, de plesiosaurus en allerlei uitgestorven dieren. Hij mag menen dat zijn wetenschap, welke dat ook is, zijn geest veredelt en verruimt. Dat zal ongetwijfeld zo zijn.

Maar uiteindelijk is de voortreffelijkste studie om de ziel te verruimen de wetenschap van Christus, en Dien gekruisigd, en de kennis van de Godheid in de heerlijke Drie-eenheid. Niets zal het verstand zo verruimen en niets zal de hele ziel van de mens zo groot maken als een godvrezend, ernstig en voortdurend onderzoek van het grote onderwerp van de Godheid. En terwijl dit onderwerp verootmoedigt en verruimt, is het bovendien bij uitstek troostrijk.

O, in de overdenking van Christus ligt balsem voor elke wond; in het overpeinzen van de Vader ligt rust voor elk verdriet; en in de invloed van de Heilige Geest ligt zalf voor elke zere plek. Wilt u uw smart kwijt? Wilt u uw zorgen verdrinken? Ga dan en dompel uzelf onder in de diepste zee van de Godheid; verlies uzelf in Zijn onmetelijkheid, en u zult eruit opstaan als van een rustbed: verfrist en versterkt.

Ik ken niets wat de ziel zo kan troosten, wat de aanzwellende golven van verdriet en smart zo kan stillen en wat zo de vrede kan spreken tot de stormen van de beproeving, als een godvrezende overdenking van de Godheid. Tot dat onderwerp nodig ik u vanmorgen uit. We zullen er één kant van belichten, namelijk de onveranderlijkheid van de heerlijke Jehova. ‘Ik ben,’ zegt mijn tekst, ‘Jehova’ (want zo zou het vertaald moeten worden), ‘Ik ben Jehova, Ik verander niet; daarom zijt gij, o kinderen Jakobs! niet verteerd.’

Er zijn vanmorgen drie zaken.

  1. Ten eerste: een onveranderlijke God.
  2. Ten tweede: de personen die voordeel hebben van deze heerlijke eigenschap, ‘de kinderen Jakobs’.
  3. Ten derde: het voordeel dat zij daarvan hebben: zij ‘zijn niet verteerd’.

Laten we ons nu tot deze punten wenden.

I. Ten eerste wordt ons het leerstuk van de onveranderlijkheid van God voorgehouden. ‘Ik ben God, Ik verander niet.’ Ik zal proberen deze gedachte uit te leggen, of liever uit te werken, en daarna enkele argumenten aanvoeren om de waarheid ervan te bewijzen.

1. God is Jehova en Hij verandert niet in Zijn Wezen. Ik zal mijn tekst toelichten door eerst te zeggen dat God Jehova is en dat Hij niet verandert in Zijn Wezen. Wij kunnen u niet zeggen wat de Godheid is. Wij weten niet wat de substantie is die wij God noemen. Het is een bestaan, het is een Wezen, maar wat dat is, weten we niet. Maar wat het ook is, wij noemen het Zijn Wezen, en dat Wezen verandert nooit. De substantie van al het sterfelijke verandert voortdurend. De bergen met hun sneeuwwitte kronen leggen in de zomer hun oude diademen af, die in beken langs hun hellingen naar beneden stromen, terwijl de onweerswolk hen opnieuw kroont. De oceaan met zijn machtige wateren verliest zijn water wanneer de zonnestralen de golven kussen en ze als nevel naar de hemel wegvoeren. Zelfs de zon heeft nieuwe brandstof nodig uit de hand van de oneindige Almachtige om haar altijd brandende oven bij te vullen.

Alle schepselen veranderen. De mens is, vooral wat zijn lichaam betreft, voortdurend aan omwenteling onderhevig. Zeer waarschijnlijk is er geen enkel deeltje in mijn lichaam dat er een paar jaar geleden al in zat. Dit lichaam is door bezigheid afgesleten en zijn deeltjes zijn door wrijving verdwenen. Intussen zijn er steeds nieuwe deeltjes stof bij gekomen en zo is het weer aangevuld, maar zijn substantie is veranderd. Het weefsel waaruit deze wereld bestaat, gaat altijd voorbij. Het is als een stroom water: de druppels lopen weg en andere volgen, zodat de rivier steeds vol blijft, maar haar bestanddelen voortdurend wisselen.

Maar God is altijd dezelfde. Hij is niet samengesteld uit enige stof of materie, maar is Geest – zuivere, wezenlijke, etherische Geest – en daarom is Hij onveranderlijk. Hij blijft eeuwig dezelfde. Er staan geen rimpels op Zijn eeuwig voorhoofd. Geen ouderdom heeft Hem verlamd; geen jaren hebben Hem getekend met de sporen van hun vlucht. Hij ziet eeuwen voorbijgaan, maar bij Hem is het altijd nu. Hij is de grote IK BEN, de grote Onveranderlijke.

Let wel: Zijn Wezen onderging geen verandering toen het zich met de menselijke natuur verenigde. Toen Christus zich in vroeger tijden met sterfelijk stof omgordde, veranderde het wezen van Zijn Godheid niet. Het vlees werd geen God en God werd geen vlees door een werkelijke verandering van natuur; die twee werden verenigd in een hypostatische vereniging, maar de Godheid bleef dezelfde. Zij was dezelfde toen Hij als kind in de kribbe lag als toen Hij de gordijnen van de hemel uitspande. Het was dezelfde God Die aan het kruis hing en Wiens bloed in een purperen stroom neervloeide, dezelfde God Die de wereld op Zijn eeuwige schouders draagt en de sleutels van de hel en van de dood in Zijn handen houdt.

Hij is nooit veranderd in Zijn Wezen, zelfs niet door Zijn menswording. Hij blijft voor altijd en eeuwig de ene onveranderlijke God, de Vader der lichten, bij Welken geen verandering is, of schaduw van omkering.

2. Hij verandert niet in Zijn eigenschappen.
Wat Gods eigenschappen vroeger waren, dat zijn ze nu nog. Van elk ervan mogen we zingen: Zoals het was in het begin, is het nu en zal het altijd zijn, tot in eeuwigheid. Amen. Was Hij machtig? Was Hij de sterke God toen Hij de wereld uit de schoot van het niet-bestaan voortsprak? Was Hij de Almachtige toen Hij de bergen opstapelde en de holten uitgroef voor de rollende zee? Ja, toen was Hij machtig, en ook nu is Zijn arm niet verlamd. Hij is dezelfde reus in Zijn kracht; het sap dat Hem voedt, is niet opgedroogd en de sterkte van Zijn ziel blijft voor eeuwig dezelfde.

Was Hij wijs toen Hij deze machtige aardbol inrichtte en de grondslagen van het heelal legde? Had Hij wijsheid toen Hij de weg van onze zaligheid ontwierp en toen Hij van eeuwigheid Zijn ontzagwekkende plannen uitstippelde? Ja, en Hij is nog steeds wijs. Hij is niet minder bekwaam en Hij heeft niet minder kennis. Zijn oog, dat alles ziet, is niet verduisterd. Zijn oor, dat al het roepen, zuchten, snikken en kermen van Zijn volk hoort, is niet zwaar geworden door de jaren waarin Hij hun gebeden heeft gehoord. Hij is onveranderd in Zijn wijsheid. Hij weet nu evenveel als altijd, niet meer en niet minder. Hij bezit dezelfde volmaakte bekwaamheid en hetzelfde oneindige vooruitzien.

Hij is onveranderd – geloofd zij Zijn Naam – in Zijn rechtvaardigheid. Rechtvaardig en heilig was Hij in het verleden; rechtvaardig en heilig is Hij nu. Hij is onveranderd in Zijn waarheid: Hij heeft beloofd en Hij brengt het tot stand; Hij heeft het gezegd en het zal geschieden. Hij verandert niet in de goedheid, de edelmoedigheid en de welwillendheid van Zijn natuur. Hij is geen almachtige tiran geworden, terwijl Hij eens een almachtige Vader was. Nee, Zijn sterke liefde staat als een rots van graniet, onbewogen door de orkanen van onze ongerechtigheid. En geloofd zij Zijn dierbare Naam: Hij is onveranderd in Zijn liefde.

Toen Hij het verbond voor het eerst opschreef, hoe vol was Zijn hart toen van genegenheid voor Zijn volk! Hij wist dat Zijn Zoon moest sterven om de bepalingen van die overeenkomst te bekrachtigen. Hij wist heel goed dat Hij Zijn welbeminde uit Zijn binnenste zou moeten scheuren en Hem naar de aarde zou moeten zenden om te bloeden en te sterven. Toch aarzelde Hij niet om dat machtige verbond te ondertekenen, en Hij schrok niet terug voor de vervulling ervan. Hij heeft nu evenveel lief als toen. En wanneer de zonnen zullen ophouden te stralen en de manen hun zwakke licht niet meer laten zien, zal Hij nog steeds liefhebben, voor eeuwig en altijd.

Neem welke eigenschap van God u maar wilt, en ik zal erop schrijven: semper idem (altijd dezelfde). Neem wat u nu ook van God kunt zeggen: het kan niet alleen van het duistere verleden worden gezegd, maar het zal ook in de stralende toekomst altijd hetzelfde blijven: ‘Ik ben Jehova, Ik verander niet.’

3. Verder verandert God niet in Zijn plannen.

Deze mens heeft begonnen te bouwen, en heeft niet kunnen voleindigen. Daarom veranderde hij zijn plan, zoals ieder verstandig mens in zo’n geval zou doen: hij bouwde op een kleiner fundament en begon opnieuw. Maar is er ooit gezegd dat God begon te bouwen en het niet kon voltooien? Nee. Wanneer Hij onbegrensde voorraden tot Zijn beschikking heeft en Zijn eigen rechterhand werelden kan scheppen, even talrijk als de dauwdruppels van de morgen, zou Hij dan ooit moeten stoppen omdat Hij de macht niet heeft? Zou Hij Zijn plan dan omkeren, wijzigen of in de war sturen omdat Hij het niet kan uitvoeren?

‘Maar,’ zeggen sommigen, ‘misschien heeft God nooit een plan gehad.’ Denkt u dan dat God dwazer is dan uzelf, mijnheer? Gaat u zonder plan aan het werk? ‘Nee,’ zegt u, ‘ik heb altijd een plan.’ God ook. Ieder mens heeft zijn plan, en God heeft ook een plan. God is een meesterlijke Geest. Hij heeft alles in Zijn reusachtige verstand geregeld, lang voordat Hij het deed. En let wel: als Hij het eenmaal heeft vastgesteld, verandert Hij het nooit. ‘Dit zal geschieden,’ zegt Hij, en de ijzeren hand van de bestemming schrijft het op, en het wordt tot stand gebracht.

‘Dit is Mijn voornemen,’ en het staat vast; aarde noch hel kan het veranderen. ‘Dit is Mijn besluit,’ zegt Hij. Verkondig het, engelen! Scheur het van de poort van de hemel af, duivelen! Maar u kunt het besluit niet veranderen: het zal geschieden. God verandert Zijn plannen niet. Waarom zou Hij? Hij is almachtig en kan daarom doen wat Hem behaagt. Waarom zou Hij? Hij is alwijs en kan daarom geen verkeerd plan hebben gemaakt. Waarom zou Hij? Hij is de eeuwige God en kan daarom niet sterven voordat Zijn plan is volbracht.

Waarom zou Hij veranderen? U nietige stofjes van het bestaan, eendagsvliegen! U kruipende insecten op dit laurierblad van het bestaan! U mag uw plannen veranderen, maar Hij zal de Zijne nooit, nooit veranderen. Heeft Hij mij dan gezegd dat het Zijn plan is mij te behouden? Zo ja, dan ben ik veilig.

‘Mijn naam in de palmen van Zijn handen
zal de eeuwigheid niet uitwissen;
in Zijn hart gegrift blijft hij staan,
in tekens van onuitwisbare genade.’

Vrij vertaald; om de betekenis te bewaren is het rijm losgelaten.

4. Verder is God onveranderlijk in Zijn beloften.

O, wat spreken we graag over de liefelijke beloften van God! Maar als we ooit zouden kunnen veronderstellen dat een ervan veranderd kon worden, zouden we er helemaal niet meer over spreken. Als ik dacht dat de biljetten van de Bank of England volgende week niet meer konden worden ingewisseld, zou ik weigeren ze aan te nemen. En als ik dacht dat Gods beloften nooit vervuld zouden worden – als ik dacht dat God het juist zou vinden om een woord in Zijn beloften te veranderen – dan vaarwel, Schrift! Ik heb onveranderlijke zaken nodig.

En ik merk dat ik onveranderlijke beloften heb wanneer ik mij tot de Bijbel wend. Want ‘door twee onveranderlijke dingen, in welke het onmogelijk is dat God liege’, heeft Hij al Zijn beloften ondertekend, bekrachtigd en verzegeld. Het Evangelie is niet ‘ja en neen’; het belooft niet vandaag om morgen te ontkennen. Nee, het Evangelie is ‘ja, ja’, ‘Gode tot heerlijkheid’.

Gelovige! Gisteren had u een heerlijke belofte, en toen u vanmorgen de Bijbel opsloeg, was de belofte niet meer zoet. Weet u waarom? Denkt u dat de belofte veranderd was? Ach nee! U was veranderd; daar ligt het. U had van de druiven van Sodom gegeten, en daardoor was uw smaak bedorven, zodat u de zoetheid niet meer kon proeven. Maar reken erop: het was dezelfde honing, dezelfde kostbaarheid.

‘O,’ zegt een kind van God, ‘ik had mijn huis eens stevig op een paar vaste beloften gebouwd. Toen kwam er een wind en ik zei: O Heere, ik ben neergeworpen en zal verloren gaan.’ O, de beloften waren niet neergeworpen en de fundamenten waren niet weggenomen. Het was uw hutje van ‘hout, hooi, stoppelen’ dat u had gebouwd; dat was ingestort. U bent zelf op de rots heen en weer geschud, niet de rots onder u.

Maar laat mij u vertellen wat de beste manier is om in deze wereld te leven. Ik heb gehoord dat een heer eens tegen een zwarte man zei: ‘Ik begrijp niet hoe het komt dat u altijd zo blij bent in de Heere, terwijl ik vaak neerslachtig ben.’ ‘Wel, meester,’ zei hij, ‘ik werp mij plat neer op de belofte en daar lig ik. U gaat op de belofte staan; u wilt er zelf ook nog wat aan doen, en als de wind komt, gaat u onderuit. Dan roept u: O, ik lig neer! Maar ik ga meteen plat op de belofte liggen, en daarom ben ik niet bang om te vallen.’ Laten we dan altijd zeggen: ‘Heere, daar is de belofte; het is Uw zaak om haar te vervullen.’ Plat ga ik neer op de belofte; voor mij geen rechtop staan! Daar moet u ook heen: languit op de belofte. En bedenk: elke belofte is een rots, iets wat niet verandert. Werp uzelf daarom aan Zijn voeten neer en rust daar voor altijd.

5. Maar nu komt er een schrille toon die het lied verstoort.

Voor sommigen van u is God onveranderlijk in Zijn bedreigingen. Als elke belofte vaststaat en elke eed van het verbond vervuld wordt, luister dan, zondaar! Let op het woord. Hoor de doodsklok luiden over uw vleselijke verwachtingen; zie de begrafenis van uw vleselijk vertrouwen. Elke bedreiging van God zal, evenals elke belofte, vervuld worden. Spreekt u over besluiten? Ik zal u een besluit noemen: ‘Die niet zal geloofd hebben, zal verdoemd worden.’ Dat is een besluit en een inzetting die nooit kan veranderen. Wees zo goed als u wilt, zo zedelijk als u kunt, zo eerlijk als u wenst, en wandel zo oprecht als u maar kunt: daar staat de onveranderlijke bedreiging: ‘Die niet zal geloofd hebben, zal verdoemd worden.’

Wat zegt u daarvan, moralist? O, u zou willen dat u het kon veranderen in: ‘Wie geen heilig leven leidt, zal verdoemd worden.’ Dat zal ook waar zijn, maar zo staat het er niet. Er staat: ‘Die niet zal geloofd hebben.’ Hier is de steen des aanstoots en de rots der ergernis, maar u kunt het niet veranderen. U moet geloven of verdoemd worden, zegt de Bijbel. En bedenk dat die bedreiging van God even onveranderlijk is als God Zelf.

En wanneer duizend jaren van helse kwellingen voorbij zijn, zult u omhoogkijken en in brandende letters van vuur geschreven zien staan: ‘Die niet zal geloofd hebben, zal verdoemd worden.’ ‘Maar Heere, ik bén verdoemd.’ Toch staat er nog steeds ‘zal’. En wanneer een miljoen eeuwen voorbijgerold zijn en u uitgeput bent door uw pijnen en kwellingen, zult u uw ogen opslaan en nog steeds lezen: ‘ZAL VERDOEMD WORDEN’, ongewijzigd en onveranderd. En wanneer u zult denken dat de eeuwigheid haar laatste draad heeft afgesponnen – dat elk deeltje van wat wij eeuwigheid noemen, verstreken moet zijn – zult u daarboven nog steeds geschreven zien staan: ‘ZAL VERDOEMD WORDEN.’

O verschrikkelijke gedachte! Hoe durf ik haar uit te spreken? Maar ik moet wel. U moet gewaarschuwd worden, mijne heren, opdat ook u niet komt ‘in deze plaats der pijniging’. U moet harde dingen te horen krijgen. Want al is Gods Evangelie niet hard, de wet is hard; de berg Sinaï is hard. Wee de wachter die de goddelozen niet waarschuwt! God is onveranderlijk in Zijn bedreigingen. Pas op, o zondaar, want ‘vreselijk is het te vallen in de handen des levenden Gods’.

6. Voordat we verdergaan, moeten we nog even op één gedachte wijzen, en die is: God is onveranderlijk in de voorwerpen van Zijn liefde – niet alleen in Zijn liefde, maar ook in de voorwerpen ervan.

‘Als het ooit zou gebeuren
dat schapen van Christus konden afvallen,
dan zou mijn wankele, zwakke ziel helaas
wel duizend keer per dag vallen.’

Vrij vertaald; om de betekenis te bewaren is het rijm losgelaten.

Als één geliefde heilige van God was omgekomen, dan zouden ze allemaal kunnen omkomen. Als één van hen die in het verbond zijn, verloren zou gaan, dan zouden ze allemaal verloren kunnen gaan. Dan is er geen enkele belofte van het Evangelie waar, maar is de Bijbel een leugen en staat er niets in wat het aannemen waard is. Ik zou onmiddellijk een ongelovige worden als ik zou kunnen geloven dat een heilige van God ooit definitief kan afvallen. Als God mij eenmaal heeft liefgehad, dan zal Hij mij voor altijd liefhebben.

‘Heeft Jezus eens over mij geschenen,
dan is Jezus voor altijd de mijne.’

Vrij vertaald; om de betekenis te bewaren is het rijm losgelaten.

De voorwerpen van de eeuwige liefde veranderen nooit. Die God geroepen heeft, zal Hij rechtvaardigen; die Hij gerechtvaardigd heeft, zal Hij heiligen; en die Hij heiligt, zal Hij verheerlijken. Zo heb ik misschien veel te veel tijd besteed aan het eenvoudig uitwerken van de gedachte van een onveranderlijke God. Nu wil ik proberen te bewijzen dat Hij onveranderlijk is.

1. Ik ben niet zo’n prediker die veel redeneert, maar één argument wil ik noemen: het bestaan en het wezen van een God zelf lijken mij onveranderlijkheid in te sluiten.

Laat mij even nadenken. Er is een God; deze God regeert en bestuurt alle dingen; deze God heeft de wereld gevormd en Hij onderhoudt en bewaart haar. Wat voor Wezen moet Hij dan zijn? Het treft mij dat men zich geen veranderlijke God kan voorstellen. Ik meen dat die gedachte zo strijdig is met het gezonde verstand, dat de woorden met elkaar botsen zodra u ook maar één moment aan een veranderende God denkt. Dan moet u wel zeggen: ‘Dan moet Hij een soort mens zijn’, en zo komt u bij een mormoonse voorstelling van God.

Ik denk dat het onmogelijk is om zich een veranderende God voor te stellen; voor mij is het dat in elk geval. Anderen zijn misschien tot zo’n gedachte in staat, maar ik zou haar niet kunnen koesteren. Ik kan net zo min aan een veranderende God denken als aan een rond vierkant of een andere ongerijmdheid. Het lijkt zo tegenstrijdig dat ik, zodra ik ‘God’ zeg, wel het denkbeeld van een onveranderlijk Wezen moet meedenken.

2. Ik denk dat dit ene argument genoeg is, maar een ander goed argument vinden we in het feit van Gods volmaaktheid.

Ik geloof dat God een volmaakt Wezen is. Als Hij een volmaakt Wezen is, kan Hij niet veranderen. Ziet u dat niet? Stel dat ik vandaag volmaakt ben. Als het voor mij mogelijk was te veranderen, zou ik dan morgen na die verandering nog volmaakt zijn? Als ik veranderde, zou ik óf van een goede staat naar een betere gaan – en als ik beter kon worden, kon ik nu niet volmaakt zijn – óf van een betere staat naar een slechtere, en als ik slechter werd, zou ik dan niet volmaakt zijn. Als ik volmaakt ben, kan ik niet veranderd worden zonder onvolmaakt te worden. Als ik vandaag volmaakt ben, moet ik morgen dezelfde blijven om dan nog volmaakt te zijn.

Dus als God volmaakt is, moet Hij dezelfde blijven, want verandering zou betekenen dat Hij nu onvolmaakt is of dan onvolmaakt zou zijn.

3. Verder is er het feit van Gods oneindigheid, dat verandering volstrekt uitsluit.

God is een oneindig Wezen. Wat bedoelt u daarmee? Er is niemand die u kan zeggen wat hij met een oneindig wezen bedoelt. Maar er kunnen geen twee oneindigheden bestaan. Als één ding oneindig is, is er geen ruimte voor iets anders, want oneindig betekent alles. Het betekent: onbegrensd, niet eindig, zonder einde. Welnu, er kunnen geen twee oneindigheden zijn. Als God vandaag oneindig is en dan zou veranderen en morgen oneindig zou zijn, dan zouden er twee oneindigheden zijn. Maar dat kan niet. Stel dat Hij oneindig is en dan verandert, dan moet Hij eindig worden, en dan zou Hij geen God kunnen zijn. Óf Hij is vandaag eindig en morgen eindig, óf vandaag oneindig en morgen eindig, óf vandaag eindig en morgen oneindig, en al deze veronderstellingen zijn even ongerijmd. Het feit dat Hij een oneindig Wezen is, maakt de gedachte dat Hij een veranderlijk Wezen zou zijn meteen onmogelijk. Op het voorhoofd van de oneindigheid zelf staat het woord onveranderlijkheid geschreven.

4. Maar laten we nu, geliefde vrienden, naar het verleden kijken; daar zullen we enkele bewijzen van Gods onveranderlijke natuur verzamelen.

Heeft Hij gesproken en het niet gedaan? Heeft Hij gezworen en is het niet gebeurd? Kan niet van Jehova gezegd worden dat Hij al Zijn wil heeft gedaan en al Zijn voornemen heeft volbracht? Wend u tot het land van de Filistijnen en vraag waar het is. God zei: Huil, Asdod, en u, poorten van Gaza, want u zult vallen. En waar zijn zij? Waar is Edom? Vraag het aan Petra en zijn verwoeste muren. Zullen zij niet de waarheid weerkaatsen dat God gezegd heeft dat Edom een prooi zou worden en verwoest zou worden?

Waar is Babel en waar is Ninevé? Waar is Moab en waar is Ammon? Waar zijn de volken waarvan God gezegd heeft dat Hij ze zou verdelgen? Heeft Hij ze niet ontworteld en hun gedachtenis van de aarde weggedaan? En heeft God Zijn volk verstoten? Heeft Hij ooit Zijn belofte vergeten? Heeft Hij ooit Zijn eed en verbond gebroken of is Hij ooit van Zijn plan afgeweken? Ach nee! Wijs mij één geval in de geschiedenis aan waarin God veranderd is! Dat kunt u niet, mijne heren, want door de hele geschiedenis heen staat het feit vast dat God onveranderlijk is geweest in Zijn voornemens.

Ik meen iemand te horen zeggen: ‘Ik herinner mij een plaats in de Schrift waar God veranderde!’ Dat heb ik vroeger ook gedacht. Het geval dat ik bedoel, is dat van de dood van Hizkia. Jesaja kwam binnen en zei: Hizkia, u moet sterven; uw ziekte is ongeneeslijk; geef bevel aan uw huis. Hij keerde zijn gezicht naar de wand en begon te bidden. En voordat Jesaja in het middelvoorhof was, kreeg hij opdracht terug te gaan en te zeggen: U zult nog vijftien jaar leven.

U denkt misschien dat dit bewijst dat God verandert, maar ik kan er werkelijk niet het minste bewijs in zien. Hoe weet u dat God dat niet wist? O, maar God wist het wel; Hij wist dat Hizkia zou leven. Dan veranderde Hij ook niet, want als Hij dat wist, hoe kon Hij dan veranderen? Dat zou ik weleens willen weten. Maar weet u één klein ding? Hizkia’s zoon Manasse was toen nog niet geboren. Als Hizkia gestorven was, zou er geen Manasse zijn geweest, geen Josia en geen Christus, want Christus kwam juist uit die lijn voort.

U zult zien dat Manasse twaalf jaar oud was toen zijn vader stierf; hij moet dus drie jaar hierna geboren zijn. En gelooft u niet dat God de geboorte van Manasse besloten had en vooruit wist? Zeker. Dan had Hij ook besloten dat Jesaja Hizkia moest gaan zeggen dat zijn ziekte ongeneeslijk was, en dan in één adem ook moest zeggen: ‘Maar Ik zal u genezen en u zult leven.’

Hij zei dat om Hizkia tot gebed op te wekken. Hij sprak eerst als een mens: ‘Naar alle menselijke waarschijnlijkheid is uw ziekte ongeneeslijk en moet u sterven.’ Toen wachtte Hij tot Hizkia bad, en daarna kwam er een klein ‘maar’ aan het eind van de zin. Jesaja had de zin nog niet afgemaakt. Hij zei: ‘U moet bevel geven aan uw huis, want er is geen menselijke genezing; maar…’ (en toen liep hij naar buiten. Hizkia bad een poosje, en toen kwam Jesaja weer binnen en zei:) ‘Maar Ik zal u genezen.’

Waar is hier enige tegenstrijdigheid, behalve in het brein van hen die tegen de Heere strijden en Hem tot een veranderlijk wezen willen maken?

II. Laat mij nu ten tweede iets zeggen over de personen voor wie deze onveranderlijke God tot voordeel is. ‘Ik ben God, Ik verander niet; daarom zijt gij, o kinderen Jakobs! niet verteerd.’ Wie zijn nu ‘de kinderen Jakobs’, die zich kunnen verblijden in een onveranderlijke God?

1. Ten eerste zijn zij de kinderen van Gods verkiezing.

Want er staat geschreven: ‘Jakob heb Ik liefgehad, en Ezau heb Ik gehaat’, toen ‘de kinderen nog niet geboren waren, noch iets goeds of kwaads gedaan hadden’. Er staat geschreven: ‘De meerdere zal den mindere dienen.’ ‘De kinderen Jakobs’

‘zijn de kinderen van Gods verkiezing,
die door soevereine genade geloven;
door eeuwige bestemming
ontvangen zij genade en heerlijkheid.’

Vrij vertaald; om de betekenis te bewaren is het rijm losgelaten.

Met ‘de kinderen Jakobs’ worden hier Gods uitverkorenen bedoeld: zij die Hij van tevoren gekend en van tevoren verordineerd heeft tot de eeuwige zaligheid.

2. Met ‘de kinderen Jakobs’ worden in de tweede plaats personen bedoeld die bijzondere rechten en aanspraken genieten.

Jakob had, zoals u weet, geen rechten door zijn geboorte, maar hij verwierf ze al snel. Hij ruilde met zijn broer Ezau een schotel moes en kreeg zo het eerstgeboorterecht. Ik praat de middelen niet goed, maar hij verkreeg ook de zegen en verwierf zo bijzondere rechten. Met ‘de kinderen Jakobs’ worden hier personen bedoeld die bijzondere rechten en aanspraken hebben. Hun die geloven, heeft Hij het recht en de macht gegeven om kinderen van God te worden. Zij hebben deel aan het bloed van Christus; zij hebben het recht om ‘door de poorten in te gaan in de stad’; zij hebben aanspraak op eeuwige eer; zij hebben een belofte van eeuwige heerlijkheid; zij hebben het recht zich kinderen van God te noemen.

O, er zijn bijzondere rechten en voorrechten die aan ‘de kinderen Jakobs’ toebehoren!

3. Verder waren deze ‘kinderen Jakobs’ mensen die bijzondere openbaringen ontvingen.

Jakob ontving bijzondere openbaringen van zijn God en werd daardoor zeer geëerd. Op een nacht ging hij liggen en sliep. De heggen waren zijn gordijnen, de hemel zijn baldakijn, een steen zijn kussen en de aarde zijn bed. O, toen kreeg hij een bijzondere openbaring! Er was een ladder, en hij zag de engelen Gods daarbij op- en neerklimmen.

Zo kreeg hij een openbaring van Christus Jezus als de ladder die van de aarde tot de hemel reikt, waarlangs engelen op en neer gaan om ons zegeningen te brengen. En wat een openbaring was er te Mahanaïm, toen de engelen Gods hem ontmoetten! En opnieuw te Pniël, toen hij met God worstelde en Hem van aangezicht tot aangezicht zag. Dat waren bijzondere openbaringen, en deze tekst verwijst naar hen die, zoals Jakob, bijzondere openbaringen hebben ontvangen. Hoeveel van u hebben nu persoonlijke openbaringen gehad? ‘O,’ zegt u, ‘dat is geestdrijverij; dat is dweperij.’ Welnu, dan is het een gezegende geestdrijverij, want de kinderen Jakobs hebben bijzondere openbaringen gehad. Zij hebben met God gesproken, ‘gelijk een man met zijn vriend spreekt’; zij hebben in het oor van Jehova gefluisterd; Christus is bij hen geweest om met hen het avondmaal te houden, en zij met Christus; en de Heilige Geest heeft met zo’n machtige glans in hun zielen geschenen dat zij niet aan bijzondere openbaringen konden twijfelen. ‘De kinderen Jakobs’ zijn de mensen die deze openbaringen genieten.

4. Verder zijn zij mensen van bijzondere beproevingen.

Ach, arme Jakob! Ik zou Jakobs lot niet kiezen als ik niet ook Jakobs zegen in het vooruitzicht had, want hij had een zwaar lot. Hij moest vluchten uit het huis van zijn vader naar dat van Laban. En die norse oude Laban bedroog hem al die jaren dat hij daar was: hij bedroog hem met zijn vrouw, hij bedroog hem in zijn loon, hij bedroog hem in zijn kudden, en hij bedroog hem het hele verhaal door. Na verloop van tijd moest hij vluchten voor Laban, die hem achtervolgde en inhaalde.

Daarna kwam Ezau met vierhonderd man om hem met wortel en tak uit te roeien. Toen volgde er een tijd van gebed; daarna worstelde hij en moest hij zijn hele leven met een ontwrichte heup gaan. Maar even later stierf Rachel, zijn dierbare geliefde. Toen werd zijn dochter Dina verleid en vermoordden zijn zonen de Sichemieten. Vervolgens werd de dierbare Jozef naar Egypte verkocht en kwam er een hongersnood. Toen beklom Ruben het bed van zijn vader en ontheiligde het; Juda pleegde bloedschande met zijn eigen schoondochter; en al zijn zonen werden hem tot een plaag.

Ten slotte werd Benjamin weggenomen, en de oude man riep, bijna gebroken van hart: ‘Jozef is er niet, en Simeon is er niet; nu zult gij Benjamin wegnemen!’ Nooit werd een man zwaarder beproefd dan Jakob, en dat alles door die ene zonde dat hij zijn broer bedroog. Zijn hele leven door kastijdde God hem. Maar ik geloof dat velen met die lieve oude Jakob kunnen meevoelen. Zij hebben beproevingen moeten doorstaan die sterk op de zijne lijken.

Welnu, kruisdragers! God zegt: ‘Ik verander niet; daarom zijt gij, o kinderen Jakobs! niet verteerd.’ Arme, beproefde zielen! U bent niet verteerd vanwege de onveranderlijke natuur van uw God. Ga nu niet zitten tobben en zeg niet met de eigenwaan van de ellende: ‘Ik ben de man, die ellende gezien heeft.’ Welnee, de ‘Man van smarten’ werd meer verdrukt dan u; Jezus was waarlijk een treurende. U ziet alleen nog maar de zomen van de kleding van de verdrukking. U hebt nooit beproevingen zoals de Zijne. U begrijpt niet wat nood betekent; u hebt nauwelijks van de beker van de nood geproefd. U hebt slechts een druppel of twee gehad, maar Jezus dronk de droesem.

Vrees niet, zegt God: ‘Ik ben de HEERE, Ik verander niet; daarom zijt gij, o kinderen Jakobs’ – mensen van bijzondere beproevingen – ‘niet verteerd.’

5. Dan nog één gedachte over de vraag wie ‘de kinderen Jakobs’ zijn, want ik zou graag willen dat u voor uzelf nagaat of u ‘kinderen Jakobs’ bent.

Zij zijn mensen met een bijzonder karakter. Want hoewel er in Jakobs karakter enkele zaken waren die wij niet kunnen prijzen, zijn er een of twee die God prijst. Daar was Jakobs geloof, waardoor zijn naam werd opgeschreven onder de machtige geloofshelden die de beloften niet op aarde verkregen, maar ze in de hemel zullen verkrijgen. Bent u mensen van geloof, geliefden? Weet u wat het is om door het geloof te wandelen, door het geloof te leven, uw tijdelijk voedsel door het geloof te ontvangen en van geestelijk manna te leven – alles door het geloof? Is het geloof de regel van uw leven? Zo ja, dan bent u ‘kinderen Jakobs’.

Verder was Jakob een man van gebed: een man die worstelde, zuchtte en bad. Daarboven zit een man die vanmorgen niet gebeden heeft voordat hij naar het huis van God kwam. Ach, arme heiden, bidt u niet? ‘Nee,’ zegt hij, ‘daar heb ik nooit aan gedacht; ik heb al jaren niet gebeden.’ Welnu, ik hoop dat u het zult doen voordat u sterft. Leef en sterf zonder gebed, en u zult lang genoeg bidden wanneer u in de hel komt. Daar zit een vrouw; zij heeft vanmorgen niet gebeden. Ze had het zo druk met het naar de zondagsschool sturen van haar kinderen dat ze geen tijd had om te bidden. Geen tijd om te bidden? Had u wel tijd om u aan te kleden? Alle voornemen onder de hemel heeft zijn tijd, en als u zich had voorgenomen te bidden, dan had u gebeden.

Kinderen van God kunnen niet leven zonder gebed. Zij zijn worstelende Jakobs. Het zijn mensen in wie de Heilige Geest zo werkt dat zij net zo min zonder gebed kunnen leven als ik zonder adem kan leven. Zij moeten bidden. Mijne heren, let wel: als u leeft zonder gebed, leeft u zonder Christus; en als u zo sterft, zal uw deel zijn in de poel die brandt van vuur. God verlosse u, God redde u van zo’n lot! Maar u die ‘kinderen Jakobs’ bent, schep moed, want God is onveranderlijk.

III. Ten derde kan ik nog maar een enkel woord zeggen over het laatste punt: het voordeel dat deze ‘kinderen Jakobs’ van een onveranderlijke God ontvangen.

‘Daarom zijt gij, o kinderen Jakobs! niet verteerd.’ ‘Verteerd?’ Hoe? Hoe kan een mens verteerd worden? Wel, daar zijn twee manieren voor. We hadden in de hel verteerd kunnen worden. Als God een veranderlijke God was geweest, hadden de ‘kinderen Jakobs’ die hier vanmorgen zijn, in de hel verteerd kunnen worden. Zonder Gods onveranderlijke liefde was ik een takkenbos in het vuur geweest. Maar er is ook een manier om in deze wereld verteerd te worden. Men kan veroordeeld zijn voordat men sterft: ‘alrede veroordeeld’. Men kan leven en toch volstrekt dood zijn. We hadden aan onszelf overgelaten kunnen worden, en waar zouden we dan nu zijn geweest? Brassend met de dronkaards, lasterend tegen de almachtige God.

O, als Hij u had losgelaten, geliefden, als Hij een veranderlijke God was geweest, dan was u een van de vuilsten onder de vuilen en de verdorvensten onder de verdorvenen geweest. Herinnert u zich in uw leven geen tijden zoals ik ze heb meegemaakt? Ik ben tot vlak aan de rand van de zonde gegaan. Een sterke verzoeking had mij bij beide armen gegrepen, zodat ik er niet tegen kon worstelen. Ik ben voortgeduwd, meegesleurd als door een ontzettende satanische macht, tot aan de rand van een afschuwelijke afgrond.

Ik heb naar beneden gekeken, diep, diep naar beneden, en mijn deel gezien; ik stond te sidderen aan de rand van het verderf. Ik ben ontzet geweest, terwijl mijn haren te berge rezen, toen ik dacht aan de zonde die ik op het punt stond te begaan en aan de afschuwelijke kuil waarin ik op het punt stond te vallen. Een sterke arm heeft mij gered. Ik ben teruggedeinsd en heb uitgeroepen: ‘O God! Kon ik zo dicht bij de zonde komen en toch weer terugkeren? Kon ik tot vlak bij de oven lopen en niet neervallen zoals de sterke mannen van Nebukadnezar, verslonden door de hitte zelf?’

O, is het mogelijk dat ik hier vanmorgen sta, als ik denk aan de zonden die ik heb begaan en de misdaden die door mijn goddeloze verbeelding zijn gegaan? Ja, ik ben hier, niet verteerd, omdat de Heere niet verandert. O, als Hij veranderd was, zouden we op een tiental manieren verteerd zijn. Als de Heere veranderd was, zouden u en ik door onszelf verteerd zijn, want uiteindelijk is meneer Eigen-ik de ergste vijand die een christen heeft. We zouden zelfmoordenaars van onze eigen ziel zijn geworden; we zouden de gifbeker voor onze eigen geest hebben gemengd, als de Heere geen onveranderlijke God was geweest en de beker niet uit onze handen had geslagen toen we op het punt stonden hem te drinken. Verder zouden we door God Zelf verteerd zijn als Hij geen onveranderlijke God was geweest. Wij noemen God Vader, maar er is geen vader in deze wereld die niet al lang al zijn kinderen gedood zou hebben, zo getergd zou hij door hen zijn, als hij half zoveel last van hen had gehad als God van Zijn gezin heeft gehad.

Hij heeft het lastigste gezin van de hele wereld: ongelovig, ondankbaar, ongehoorzaam, vergeetachtig, opstandig, dwalend, morrend en hardnekkig. Het is maar goed dat Hij lankmoedig is, anders had Hij al lang niet alleen de roede, maar ook het zwaard tegen sommigen van ons opgenomen. Maar er was in het begin niets in ons om lief te hebben, en dus kan er nu niet minder zijn. John Newton vertelde graag een grappig verhaal, en lachte er zelf ook om, over een goede vrouw die ter verdediging van de leer van de verkiezing zei: ‘Ach, mijnheer, de Heere moet mij liefgehad hebben voordat ik geboren werd, want anders zou Hij daarna niets in mij gezien hebben om lief te hebben.’ Ik weet zeker dat dit in mijn geval waar is, en ook voor de meesten van Gods volk. Want er is zo weinig in hen om lief te hebben nadat zij geboren zijn, dat Hij, als Hij hen niet tevoren had liefgehad, geen reden zou hebben gezien om hen daarna te verkiezen. Maar omdat Hij hen liefhad zonder werken, heeft Hij hen nog steeds lief zonder werken.

Omdat hun goede werken Zijn genegenheid niet wonnen, kunnen slechte werken die genegenheid niet verbreken. Omdat hun gerechtigheid Zijn liefde niet aan hen bond, kan hun goddeloosheid de gouden schakels niet doorbreken. Hij had hen lief uit louter soevereine genade, en Hij zal hen blijven liefhebben. Maar we zouden verteerd zijn door de duivel en door onze vijanden – verteerd door de wereld, door onze zonden, door onze beproevingen en op honderd andere manieren – als God ooit veranderd was.

Welnu, de tijd ontbreekt ons en ik kan nog maar weinig zeggen. Ik heb de tekst slechts vluchtig aangeroerd. Ik geef hem nu aan u door. Moge de Heere u, ‘kinderen Jakobs’, helpen om dit stuk spijs mee naar huis te nemen, het goed te verteren en ervan te leven. Moge de Heilige Geest u de heerlijke zaken die geschreven staan, liefelijk toepassen! En moge u ‘een maaltijd van reinen wijn, van vet vol mergs, van reine wijnen, die gezuiverd zijn’ hebben! Bedenk: God blijft dezelfde, wat er ook wordt weggenomen. Uw vrienden kunnen van u vervreemden, uw predikanten kunnen worden weggenomen, alles kan veranderen, maar God verandert niet. Uw broeders kunnen veranderen en uw naam als kwaad verwerpen, maar God zal u nog steeds liefhebben.

Laat uw positie in het leven veranderen en uw bezit verdwijnen; laat uw hele leven geschokt worden en u zwak en ziekelijk worden; laat alles wegvluchten: er is één plaats waar de verandering haar vinger niet op kan leggen; er is één naam waarop nooit veranderlijkheid kan worden geschreven; er is één hart dat nooit kan veranderen. Dat hart is Gods hart, en die naam is Liefde.

‘Vertrouw op Hem, Hij zal u nooit bedriegen,
ook al denkt u nauwelijks goed over Hem;
Hij zal u nooit, nooit verlaten,
en u ook Hem niet helemaal laten verlaten.’

Vrij vertaald; om de betekenis te bewaren is het rijm losgelaten.

Preek nr. 1 · Gehouden te Southwark, Londen, zondagmorgen 7 januari 1855, New Park Street Pulpit deel 1. Oorspronkelijke titel: “The Immutability of God”. Bron: Spurgeon’s Sermons, spurgeon.org.

Steun ons met een donatie

Uw steun helpt ons om Het Spurgeon Archief in stand te houden. Dankzij uw bijdrage kunnen wij ons werk voortzetten en dit waardevolle archief gratis aanbieden en vrijhouden van reclame en commerciële invloeden.

Wij danken u hartelijk voor uw steun en betrokkenheid!

Archiefhulpmiddelen

Contact

Heeft u een tekstfout gevonden, of heeft u een vraag? Stuur dan een E-mail naar: [email protected]

Over de Auteur

C.H. Spurgeon

1834 – 1892 Was een Engelse baptistenpredikant in de puriteinse traditie. Belangrijke onderwerpen uit zijn prediking waren de vergeving van zonden en de noodzaak van wedergeboorte.

Onze Socials:

Copyright & Content