“Mijn Liefste trok Zijn hand van het gat der deur; en mijn ingewand werd ontroerd om Zijnentwil.”—Hooglied 5:4
Kloppen was niet genoeg. Mijn hart was te vol slaap, te koud en te ondankbaar om op te staan en de deur open te doen. Maar de aanraking van Zijn krachtdadige genade heeft mijn ziel wakker geschud. O, wat een lankmoedigheid heeft mijn Liefste! Hij bleef wachten toen Hij Zich buitengesloten zag en ik op het bed van luiheid lag te slapen. O, wat is Zijn geduld groot! Hij klopte en klopte nog eens, Hij voegde Zijn stem bij het kloppen en smeekte mij Hem open te doen. Hoe kon ik Hem weigeren! Verachtelijk hart, bloos en schaam je! Maar het allergrootste bewijs van Zijn goedheid is dit: Hij wordt Zijn eigen portier en schuift Zelf de grendel van de deur weg. Driewerf gezegend is de hand die zich verwaardigt de klink op te tillen en de sleutel om te draaien. Nu zie ik dat niets dan de eigen kracht van mijn Heere zo’n verdorven hoop boosheid als ik kan redden. Kerkelijke verordeningen schieten tekort, zelfs het evangelie heeft geen uitwerking op mij, totdat Zijn hand is uitgestrekt. Nu merk ik ook dat Zijn hand uitkomst brengt waar al het andere niets uitricht. Hij kan openen wanneer niets anders het doet. Gezegend zij Zijn Naam, ik voel Zijn genadige tegenwoordigheid zelfs nu. Mijn binnenste mag wel ontroerd zijn om Hem, als ik bedenk wat Hij allemaal voor mij heeft geleden en hoe liefdeloos ik het Hem heb vergolden. Ik heb mijn liefde laten ronddwalen. Ik heb mededingers naast Hem gezet. Ik heb Hem bedroefd. Liefste en dierbaarste van alle geliefden, ik heb U behandeld zoals een ontrouwe vrouw haar man behandelt. O, mijn wrede zonden, mijn wrede zelf. Wat kan ik doen? Tranen zijn maar een zwak bewijs van mijn berouw. Heel mijn hart kookt van verontwaardiging over mezelf. Wat een ellendeling ben ik, dat ik mijn Heere, mijn Alles in Allen, mijn overgrote vreugde, behandel alsof Hij een vreemdeling was. Jezus, U vergeeft vrijuit, maar dat is niet genoeg: voorkom dat ik U in de toekomst ontrouw word. Kus deze tranen weg, reinig dan mijn hart en bind het met zevenvoudige koorden aan U vast, zodat het nooit meer ronddwaalt.

