“Huilt, gij dennen! dewijl de cederen gevallen zijn”—Zacharia 11:2
Als je in het bos het gekraak van een vallende eik hoort, is dat een teken dat de houthakker op pad is, en elke boom in het hele bos kan beven uit vrees dat morgen de scherpe snede van de bijl hem vindt. Wij zijn allemaal als bomen die voor de bijl gemerkt zijn, en de val van één boom moet ons eraan herinneren dat voor ieder, groot als de ceder of nederig als de den, het vastgestelde uur snel naderbij sluipt. Ik hoop dat we niet ongevoelig voor de dood worden doordat we er vaak van horen. Mogen we nooit zijn als de vogels in de kerktoren, die hun nesten bouwen terwijl de klokken luiden en rustig slapen terwijl de plechtige begrafenisklokken de lucht doen opschrikken. Mogen we de dood beschouwen als de gewichtigste van alle gebeurtenissen en nuchter worden door zijn nadering. Het past ons slecht om te spelen terwijl onze eeuwige bestemming aan een draadje hangt. Het zwaard is uit de schede — laten we niet gekscheren. Het is gepoetst en de snede is scherp — laten we er niet mee spelen. Wie zich niet op de dood voorbereidt, is meer dan een gewone dwaas, hij is krankzinnig. Wanneer de stem van God wordt gehoord tussen de bomen van de hof, laten vijgenboom en sycomore, olm en ceder dan allemaal het geluid ervan horen.
Wees gereed, dienaar van Christus, want je Meester komt plotseling, wanneer een goddeloze wereld Hem het minst verwacht. Zorg dat je trouw bent in Zijn werk, want het graf zal spoedig voor je worden gegraven. Wees gereed, ouders, zorg dat jullie kinderen worden opgevoed in ontzag voor God, want ze zullen binnenkort wezen zijn. Wees gereed, zakenmensen, zorg dat jullie zaken in orde zijn en dat jullie God met heel jullie hart dienen, want de dagen van jullie aardse dienst zullen spoedig voorbij zijn, en jullie zullen worden geroepen om rekenschap af te leggen van wat jullie in het lichaam gedaan hebben, of het nu goed is of kwaad. Mogen wij ons allen voorbereiden op de rechterstoel van de grote Koning met een zorg die beloond zal worden met de genadige lof: “Wel, gij goede en getrouwe dienstknecht!”

