
GEBED 20
O GOD, onze Vader, wij weten nog goed hoe wij tot U werden geroepen. Met veel zoete, lokkende stemmen werd ons gezegd dat wij moesten terugkeren. U Zelf hing de lampen der barmhartigheid uit, zodat wij de weg naar huis zouden kennen, en Uw dierbare Zoon Zelf kwam naar beneden om ons te zoeken. Toch dwaalden wij nog steeds. Het brengt ons de tranen in de ogen als wij bedenken hoe dwaas en goddeloos wij zijn geweest. Vaak doofden wij het licht in ons, wij probeerden ons geweten te verharden, en tegen licht en kennis in zondigden wij met opgeheven hand tegen onze God.U hebt ons vaak diep vernederd, zelfs tot op onze knieën, en wij riepen om genade, maar wij stonden op om opnieuw te zondigen. Gezegend was die dag waarop U de slag van de genade gaf, de slag die zijn doel bereikte. Toen deed U onze schoonheid verdorren en werd al onze volmaaktheid in het stof gewenteld. Wij zagen dat de wet ons had gedood, dat wij verloren waren, verwoest en tenietgedaan. Wij werden heen en weer geslingerd in de stormen van onze gedachten, wij waggelden als dronken mensen en wisten ons geen raad meer. Toen riepen wij tot U in onze nood, en gezegend zij Uw Naam voor eeuwig: U hebt ons verlost.
O gelukkige dag, die onze vergeving bezegelde met het dierbare bloed van Jezus, door het geloof aanvaard! Wij willen de herinnering aan die gezegende tijd levend houden door haar te herdenken. Wij komen nu opnieuw tot het kruis waaraan de Zaligmaker bloedde. Wij werpen nog een blik van geloof op Hem. Wij hopen dat wij onze ogen nooit meer van Hem afwenden, maar als wij dat toch hebben gedaan, willen wij opnieuw naar Hem opzien. Wij willen staren naar het lichaam van de Zoon van God, doorboord met nagels, verschroeid van dorst, bloedend en stervend, omdat het de HEERE behaagde Hem te verbrijzelen en Hem krank te maken.
Heere God, in Uw gekruisigde Zoon zien wij een volkomen offer voor de zonde. Wij zien hoe U Hem voor ons tot zonde hebt gemaakt, opdat wij in Hem de gerechtigheid van God zouden worden. Wij nemen Hem opnieuw aan als ons Alles. Dit is het slachtoffer door wiens bloed het verbond wordt gesloten, gegrepen door het geloof. Dit is dat ware Paaslam; door de besprenkeling met Zijn bloed is heel Israël veilig, want U hebt gezegd: „Wanneer Ik het bloed zie, zal Ik ulieden voorbijkunnen.” Dit is het bloed dat ons vrije toegang geeft tot het heiligdom achter het voorhangsel. Dit is het bloed dat voor onze zielen thans waarlijk te drinken is, en wij verheugen ons in de vreugde die deze nieuwe wijn van het verbond aan onze geest heeft geschonken.
Wij willen opnieuw de beker van het heil nemen en de Naam van de Heere aanroepen. Wij willen nu onze geloften betalen te midden van heel het volk van de Heere en in de voorhoven van Zijn huis. Dit is een eerste afbetaling van onze gelofte: wij loven de Heere Jezus, Die onze zonde heeft weggedaan. Wij loven Hem, omdat Hij ons voor Zichzelf heeft gekocht, niet met vergankelijke dingen als zilver en goud, maar met Zijn eigen dierbare bloed. Vandaag belijden wij ten volle dat wij het eigendom van de Heere zijn.
Wij zijn niet van onszelf, want wij zijn voor een prijs gekocht. Heere Jezus, grijp ons opnieuw vast en neem ons weer in bezit, want met nog meer bereidheid dan ooit geven wij onszelf aan U over. Daarom bidden wij: „Bind het feestoffer met touwen tot aan de hoornen van het altaar.” O Heere, ik ben Uw dienaar, de zoon van Uw dienstmaagd; U hebt mijn banden losgemaakt. De HEERE leeft, en gezegend zij mijn Rots! Voortaan verberg ik mij in die Rots en voor Hem alleen leef ik. Moge de Heere al Zijn volk in staat stellen om zich, met oprechte en ongedeelde harten, zo opnieuw aan Jezus over te geven. Zet U in hen opnieuw de merktekens en tekenen van Uw eigendom, totdat ieder van ons zal zeggen, zoals velen van ons nu reeds mogen belijden: „Voorts, niemand doe mij moeite aan; want ik draag de littekens van den Heere Jezus in mijn lichaam.”
Wij loven U, Heere, voor dat genadeteken waarop sommigen van ons met zo veel blijdschap mogen terugzien. Het bevindt zich niet slechts aan onze hand, op ons voorhoofd of aan onze voet, en evenmin alleen in ons hart; ons ganse lichaam is met Christus begraven in de doop tot de dood. Nu behoort dat gehele lichaam, met ziel en geest, door onze vrijwillige toewijding aan Christus, van nu aan en tot in eeuwigheid aan Hem toe.
Onze Vader, één gebed bleef onophoudelijk op onze lippen komen, zelfs terwijl wij zo tot U spraken, en het welt op uit ons diepste hart: breng anderen tot Uzelf! Hebt U niet gezegd, o God van Jakob: „Ik zal tot hem nog meer vergaderen, nevens hen, die tot hem vergaderd zijn”? Hebt U Uw Zoon niet de heidenen gegeven tot Zijn erfenis en de uiterste einden der aarde tot Zijn bezit? Heere, geef Uw Zoon het loon van de arbeid Zijner ziel; schenk Hem heden reeds een deel van dat loon, overal waar Hij wordt gepredikt. O, dat toch velen bewogen mochten worden door de liefde van Christus!
Heere, sommigen weten niet eens Wie U bent; overtuig hen van Uw Godheid en van Uw almachtige macht om te behouden. Velen van hen leven in volkomen onverschilligheid, alsof zij nimmer sterven zullen en alsof daarmee alles voorbij is. O Goddelijke Geest, overtuig hen van het toekomende oordeel! Houd ieder onverschillig oog die grote dag voor, die dag van verschrikkelijke majesteit, waarop zij rekenschap zullen moeten afleggen van ieder ijdel woord dat door mensen is gesproken. O Goddelijke Geest, leer onredelijke mensen de ware redelijkheid en schenk de verharden een gevoelig hart. Zie hen aan, o Jezus, gelijk U de mensen in de synagoge aanzag — niet met vernietigende toorn, maar diep bedroefd over de hardheid van hun hart. O Vader, vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen; en breng velen, ja, velen nog heden tot de dierbare voeten die aan het kruis zijn genageld! O, wat verlangen wij daarnaar! Weiger ons al het andere dat wij vragen, als U daardoor maar zondaars tot Uzelf brengt!
Heere Jezus, U bent lichamelijk van ons heengegaan, en wij verheugen ons dat het zo is, dewijl U ons hebt onderwezen dat het nuttig voor ons is dat U weggaat, opdat de Trooster tot ons kome. Maar o, laat ons die beloofde nabijheid en werking van de Trooster toch niet missen! Moge Hij heden onder ons tegenwoordig zijn om te helpen en bij te staan in alle werken van het geloof en de arbeid der liefde. Mogen wij gewaarworden dat Hij in ons midden is gekomen en in ons woont, terwijl Hij de wereld overtuigt van zonde, van gerechtigheid en van het toekomende oordeel.
O Geest van God, breng de mensen ertoe de grote verzoening teder te omhelzen! Laat hen hun zonde aanschouwen, weggewassen in die purperen vloed waarvan de bron ontsloten werd toen het hart van Christus doorstoken werd. Mogen door bloed gereinigde zondaars reeds hier op aarde een aanvang maken met het eeuwige loflied dat alle verlosten straks in de hemel zullen zingen.
Wij smeken U thans, o Heere, sla het oog neer op heel Uw volk en schenk eenieder zijn eigen passende zegen. Sommigen verkeren in grote nood; red en ondersteun hen, bidden wij U. Anderen verkeren wellicht in verborgen gevaar, niettegenstaande hun uiterlijke voorspoed; moge de Heere Zijn kinderen bewaren voor de strikken van een zorgeloos leven in de weelde. Mogelijk vinden sommigen van Uw eigen volk het thans moeilijk om onverdeeld te aanbidden vanwege de vele drukkende zorgen; o, moge de Heere hen de genade schenken om die benauwende gedachten weg te jagen, gelijk Abraham de roofvogels wegdreef van het offer.
O Geest van God, maak ons allen dieper geheiligd! Druk het beeld van Christus volkomener in ons uit. Wij branden van verlangen om gelijkvormig te worden aan de Heere Jezus Christus in gezindheid, in handel en wandel, en in een volkomen onbaatzuchtig leven. Schenk ons het karakter van Christus, wij bidden er U om. De volkomen verlossing uit de macht der zonde is duur gekocht door Zijn dierbaar bloed; wij hunkeren ernaar en bidden dat wij die dag aan dag meer mogen ontvangen.
Moge heel de strijdende Kerk van Christus op aarde overvloedig gezegend worden. Verleen kracht en vrijmoedigheid aan alle getrouwe getuigen en dienaren in hun bediening. Bekeer dit land en red het van de overvloed van ongerechtigheid. Laat alle volken der aarde de Heere kennen en vrezen, doch zegen in het bijzonder die landen en volken waar onze dierbare moedertaal wordt gesproken, en waar dezelfde Heere en Zaligmaker op heden op gelijke wijze wordt aanbeden en grootgemaakt.
Moge de Heere Zijn gemeente zo zegenen, dat alle enggeestige grenzen van nationaliteit en alle scheidsmuren tussen de verschillende gezindten worden neergehaald. Mogen wij die diepe, gezegende eenheid in de Geest smaken die de werkelijke luister en heerlijkheid is van de Kerk van Christus. Ja, laat de ganse aarde vervuld worden met Uw heerlijkheid! Ons gebed kan en mag niet ophouden totdat wij dit doel bereiken: „Uw Koninkrijk kome; Uw wil geschiede, gelijk in den hemel alzo ook op de aarde.” Minder dan dit kunnen wij van Uw goedheid niet afsmeken. Verhoor ons nu, terwijl wij bidden voor de Vorst en voor allen die in hoogheid gezeten zijn, en laat Uw rijke zegen rusten over dit land en zich uitstrekken over de gehele mensheid.
Wij bidden en vragen dit alles om Christus’ wil. Amen.
© Vertaling C. H. Spurgeon’s Prayers door Teun van der Plas

