Hulp uit de hoogte

Charles Haddon Spurgeon

GEBED 1

O U, “Koning der koningen, en Heere der heren”, wij aanbidden U. Voor de ontzagwekkende troon van Jehova buigen wij ons neer met heilige vreugde.

In waarheid mogen wij zeggen dat wij ons verlustigen in God. Er was een tijd dat wij U vreesden, o God, met de vrees van dienstbaarheid. Nu hebben wij ontzag voor U, maar onze liefde is even groot als ons ontzag. De gedachte aan Uw alomtegenwoordigheid was ons eens een gruwel. Wij zeiden: “Waar zouden wij heenvlieden voor Zijn aangezicht?” En het leek de hel zelf nog verschrikkelijker te maken, want wij hoorden een stem: “Of bedde ik mij in de hel, zie, Gij zijt daar.” Maar nu, o Heere, verlangen wij ernaar U te vinden. Ons hunkeren is om Uw tegenwoordigheid te voelen, en dat U daar bent, is ons de hemel van de hemelen. Het ziekbed is zacht als U daar bent. De smeltoven van de ellende wordt koel als U daar bent. En het huis van het gebed is, wanneer U er tegenwoordig bent, niet anders dan het huis van God, ja, de poort van de hemel zelf.

Kom nabij, onze Vader, kom heel nabij tot Uw kinderen. Sommigen van ons zijn zeer zwak naar het lichaam en moedeloos van hart. Leg spoedig, o God, Uw rechterhand op ons en zeg tot ons: “Vrees niet.” Misschien zijn sommigen van ons evenzo, en trekt de wereld ons aan. Kom nabij, en dood de invloed van de wereld door Uw hogere kracht.

Zelfs aanbidden lijkt voor sommigen niet gemakkelijk. De draak schijnt hen te vervolgen, en de stromen uit zijn mond spoelen hun toewijding weg. Geef hun grote vleugels als van een arend, opdat ieder van hen mag wegvliegen naar de plaats die voor hem bereid is, en vandaag mag rusten in de tegenwoordigheid van God.

Onze Vader, kom en geef Uw kinderen nu rust. Neem de helm van ons voorhoofd, neem voor een poos het gewicht van ons zware harnas van ons af, en geef dat wij eenvoudig vrede mogen hebben, volmaakte vrede, en rust. Och, help ons nu, wij bidden U. Zoals U Uw volk al gewassen hebt in de fontein, met bloed gevuld, en zij rein zijn, was ons nu, deze morgen, in het water rein van onze bevlekking. Met het bekken en met de kan, o Meester, was opnieuw onze voeten. Dat zal ons zeer verkwikken. Het zal ons bereiden voor de innigste gemeenschap met Uzelf. Zo wasten de priesters zich, voordat zij het heiligdom binnengingen.

Heere Jezus, neem nu alles van ons weg wat de nauwste gemeenschap met God zou kunnen verhinderen. Elke wens of begeerte die ons in het gebed zou kunnen belemmeren, neem die weg, wij bidden U. Elke herinnering aan verdriet of zorg die zou kunnen verhinderen dat wij onze genegenheid geheel op onze God richten, neem die nu weg. Wat hebben wij nog met de afgoden te doen? U hebt ons gezien en op ons acht gegeven. U weet waar de moeite ligt. Help ons daartegen, en geef dat wij nu met vrijmoedigheid mogen ingaan, niet alleen in het Heilige, maar in het Allerheiligste. Daar zouden wij niet durven komen, als onze grote Heere het voorhangsel niet had gescheurd, het verzoendeksel niet met Zijn eigen bloed had besprengd en ons niet had geboden binnen te gaan.

Nu zijn wij vlak bij U Zelf gekomen, bij het licht dat schijnt tussen de vleugels van de cherubim, en nu spreken wij met U zoals een man met zijn vrienden spreekt. Onze God, wij zijn de Uwen. U bent de onze. Wij hebben nu één zaak gemeen; wij zijn verbonden tot één strijd. Uw strijd is onze strijd, en ons gevecht is het Uwe. Help ons, wij bidden U. U, Die Michaël en zijn engelen hebt gesterkt om de draak en zijn engelen uit te werpen, help ons, arm vlees en bloed, opdat ook aan ons het woord vervuld wordt: “De God des vredes zal den satan haast onder uw voeten verpletteren.”

Onze Vader, wij zijn zeer zwak. Het ergste van alles is dat wij, aan onszelf overgelaten, zeer boos zijn en spoedig de vijand ten prooi vallen. Help ons daarom. Wij belijden dat soms in het gebed, juist wanneer wij het dichtst bij U zijn, een boze gedachte binnenkomt, een zondige begeerte. Och, wat zijn wij arme onnozelen! Heere, help ons. Het is ons alsof wij nu nog dichter tot U willen komen en ons willen verbergen onder de schaduw van Uw vleugels. Wij verlangen op te gaan in God. Wij bidden dat U in ons mag leven, en dat niet wij leven, maar Christus in ons leeft en Zich in ons en door ons openbaart.

Heere, heilig ons. Och, dat Uw Geest mocht komen en elk vermogen doordrenken, elke hartstocht bedwingen en elke kracht van onze natuur gebruiken tot gehoorzaamheid aan God!

Kom, Heilige Geest, wij kennen U. U hebt ons dikwijls overschaduwd. Kom, neem nog vollediger bezit van ons. Nu wij hier staan, zoals wij voelen, vlak voor de genadetroon, is ons allerhoogste gebed om volmaakte heiligheid, volkomen toewijding en algehele reiniging van alle kwaad. Neem ons hart, ons hoofd, onze handen en onze voeten, en gebruik ons geheel voor U. Heere, neem ons bezit. Laat ons het niet voor onszelf opsparen en ook niet voor onszelf besteden. Neem onze gaven. Laat ons niet proberen onszelf te vormen om de naam te hebben dat wij wijs zijn, maar laat elke winst aan kennis van het verstand er steeds toe strekken dat wij U beter dienen.

Moge elke ademtocht voor U zijn, moge elke minuut voor U besteed worden. Help ons te leven zolang wij leven. En terwijl wij bezig zijn in de wereld, zoals wij moeten, want daartoe zijn wij geroepen, geef dat wij de wereld heiligen voor Uw dienst. Mogen wij brokken zout zijn te midden van de samenleving. Mogen onze geest en ons gemoed, en ook onze wandel, hemels zijn. Moge er van ons een invloed uitgaan die de wereld beter maakt voordat wij haar verlaten. Heere, verhoor ons hierin.

En nu wij Uw oor hebben, willen wij bidden voor deze arme wereld waarin wij leven. Dikwijls zijn wij erover ontzet. O Heere, voor onze eigen rust zouden wij wensen dat wij er niets van wisten. Wij hebben gezegd: “Och, een hut ergens in een wijde wildernis!” Wij horen van onderdrukking, roof en moord, en mensen schijnen op elkaar losgelaten. Heere, ontferm U over deze grote en goddeloze stad. Wat moet er worden van deze miljoenen? Wat kunnen wij doen? Help ten minste ieder kind van U om zijn uiterste te doen. Laat niemand van ons, direct of indirect, bijdragen aan het kwaad, maar geef dat wij bijdragen aan het goede dat erin is.

Wij voelen dat wij hierover nu met U mogen spreken. Want toen Uw knecht Abraham voor U stond en met zo’n wonderlijke vertrouwelijkheid tot U sprak, pleitte hij voor Sodom, en wij pleiten voor Londen. Wij willen het voorbeeld volgen van de vader van de gelovigen en bidden voor alle grote steden, ja, voor alle volken. Heere, laat Uw koninkrijk komen. Zend Uw licht en Uw waarheid uit. Verjaag de oude draak van zijn troon, met heel zijn helse bende. Och, dat de dag mocht komen waarop zelfs op aarde de Zoon van de vrouw, het mannelijk Kind, de volken zal regeren, niet met een gebroken houten staf, maar met een blijvende ijzeren scepter, vol barmhartigheid maar vol macht, vol genade en toch onweerstaanbaar. Och, mocht die spoedig komen, de persoonlijke komst van onze Heere! Wij verlangen naar de duizendjarige zegepraal van Zijn Woord.

Tot die tijd, o Heere, omgord ons voor de strijd en maak ons tot hen die overwinnen door het bloed van het Lam en door het woord van onze getuigenis, omdat wij ons leven niet liefhebben “tot den dood toe”.

Wij verheffen ook onze stem tot U in gebed voor al onze dierbaren. Heere, zegen de zieken en maak hen gezond, zodra het goed is dat zij gezond worden. Heilig hun alles wat zij te dragen hebben. Er zijn ook dierbare vrienden die zeer zwak zijn, sommigen die zeer beven. God zegene hen. Moge de bewoner, terwijl de tent wordt afgebroken, van binnen met stille vreugde toezien, want straks zullen wij “met onze woonstede, die uit den hemel is, overkleed” worden. Heere, help ons om heel los te staan van al deze dingen hier beneden. Mogen wij hier leven als vreemdelingen, en van de wereld geen huis maken maar een herberg, waar wij ’s avonds eten en overnachten, in de verwachting morgen weer op reis te gaan.

Heere, behoud de onbekeerden, en breng, wij bidden U, uit hun midden hen voort die wel bekeerd zijn, maar Christus niet beleden hebben. Moge de Gemeente gebouwd worden door velen die, nadat zij geloofd hebben, gedoopt worden in de heilige Naam. Wij bidden U, ga voort en vermenigvuldig de gelovigen in het land. Och, dat U de harten van de mensen nog eens tot het Evangelie wilde keren! Uw knecht is dikwijls zeer bedroefd van hart vanwege de afwijkingen van het geloof. Och, breng hen terug! Laat de satan met zijn staart geen sterren meer wegtrekken, maar laat de lampen van God helder schijnen.

O U, Die wandelt te midden van de zeven gouden kandelaren, snuit de vlam, giet de olie uit en laat het licht helder en bestendig schijnen. Nu, Heere, kunnen wij niet langer bidden, al hebben wij nog duizend dingen te vragen. Uw knecht kan het niet, en daarom smeekt hij of hij een gebroken gebed bij de genadetroon mag neerleggen, met dit eronder: wij vragen het in de Naam van Jezus Christus, Uw Zoon. Amen.

© Vertaling C. H. Spurgeon’s Prayers door Teun van der Plas

Steun ons met een donatie

Uw steun helpt ons om Het Spurgeon Archief in stand te houden. Dankzij uw bijdrage kunnen wij ons werk voortzetten en dit waardevolle archief gratis aanbieden en vrijhouden van reclame en commerciële invloeden.

Wij danken u hartelijk voor uw steun en betrokkenheid!

Archiefhulpmiddelen

Contact

Heeft u een tekstfout gevonden, of heeft u een vraag? Stuur dan een E-mail naar: [email protected]

Over de Auteur

C.H. Spurgeon

1834 – 1892 Was een Engelse baptistenpredikant in de puriteinse traditie. Belangrijke onderwerpen uit zijn prediking waren de vergeving van zonden en de noodzaak van wedergeboorte.

Onze Socials:

Copyright & Content