Loof de Heere, mijn ziel!

Charles Haddon Spurgeon

GEBED 14

Heere, wij verlangen er vurig naar om tot U te naderen; moge Uw Heilige Geest ons daartoe krachtig doen naderen. Wij komen langs de enige weg van Christus, onze volkomen Middelaar. O onze God, wij zouden U nimmermeer kunnen naderen als Hij er niet was, maar in Hem komen wij met een heilige vrijmoedigheid tot de troon van de hemelse genade. Evenmin kunnen wij tot U komen zonder diepe dankzegging — dankzegging uit de grond van het hart, zoals de menselijke tong die nooit ten volle kan uitspreken. Gij hebt ons immers uitverkoren vóór de grondlegging van de wereld, en uit die onuitputtelijke bron van barmhartigheid vloeien onophoudelijk stromen van overvloedige goedertierenheid. Omdat wij uitverkoren waren, zijn wij kostbaar verlost met dierbaar bloed. Loof de Heere! En wij zijn door de werking van de Heilige Geest uit de wereld geroepen, en wij zijn geleid om die wonderbare, hemelse roeping te gehoorzamen, die ons levend heeft gemaakt en vernieuwd, ons tot het eigen volk van God heeft gemaakt en ons als kinderen heeft aangenomen in het huisgezin van God. Loof de Heere!

Ons hart wil stilvallen en stilstaan wanneer wij de grootheid van elk van Uw gunstbewijzen gedenken, en wij willen uitroepen: „Loof den HEERE, mijn ziel, en al wat binnen in mij is, Zijn heiligen Naam.” Als wij bedenken hoe volstrekt onwaardig wij waren vóór onze genadige bekering, en hoe groot onze dagelijkse gebreken en fouten sindsdien zijn gebleven, dan kunnen wij niet anders dan vol bewondering de rijkdom bewonderen van die overvloeiende genade die God aan zulke onwaardigen heeft bewezen. Loof de Heere! En als wij denken aan alles wat U in Uw Woord beloofd hebt te geven, wat ons geloof mag omhelsen als werkelijk het onze omdat het genadeverbond het onwrikbaar vastmaakt, dan weten wij niet hoe wij de gedachtenis van Uw grote goedheid overvloedig genoeg zullen uitstorten voor Uw aangezicht.

Wij zouden onze lofprijzing gelijk willen maken aan onze hemelse verwachting, en onze verwachting gelijk aan Uw oneindige beloften. Maar ach, zo hoog kunnen wij uit onze eigen zwakheid nooit opklimmen. Toch brengen wij U thans de oprechte lof van ons gehele wezen. Aan Jehova, de God van Abraham, de God van Izak en de God van Jakob, de almachtige Schepper van deze wereld, de dierbare Verlosser van de mensheid — aan Jehova zij de eeuwige heerlijkheid toegebracht tot in alle eeuwigheid, en laat heel Zijn verloste volk Hem luid loven. „Dat zulks de bevrijden des HEEREN zeggen, die Hij van de hand der wederpartijders verlost heeft.”

O Heere, al Uw schepselen en werken loven U, maar Uw eigen gunstgenoten zegenen U uit de grond van hun ziel, en dat zal eens onze volmaakte hemel zijn — ja, onze hemel van de hemelen: om eeuwig de grote en eeuwig gezegende God te loven en oneindig groot te maken. Moge vandaag menige jonge vrouw, moge menige man in een heilige lofprijsing uitbreken en met de maagd van ouds zeggen: „Mijn ziel maakt groot den Heere; en mijn geest verheugt zich in God, mijn Zaligmaker.” Moge er op deze dag een lieflijk reukwerk opgaan, lofprijzing die heilige handen in het verborgen op het altaar van God leggen. Moge deze heilige plaats vervuld worden met de welriekende rook daarvan — misschien niet zo dat ieder mens het bemerkt, maar wel zo dat God het genadig aanneemt, Die een liefelijke reuk van rust zal ruiken in Christus, en dan in de lofprijzing van Zijn eigen volk in Hem.

Maar Heere, als wij U zo geloofd hebben, moeten wij onze vleugels vouwen in diepe ootmoed. Ja, wij moeten ons aangezicht bedekken en onze voeten bedekken, en op een gans andere wijze voor U staan om U in ontzag te aanbidden. Want wij belijden openlijk dat wij boos zijn, boos van onze allereerste oorsprong af; en hoewel Uw volk door soevereine genade vernieuwd is, kan het met geen mogelijkheid zeggen dat het volkomen rein is, verlost van de inwoonende zonde. Er is zonde die in ons woont en kleeft, en die is onze bittere, dagelijkse plaag.

O God, wij vernederen ons diep voor U. Wij bidden dat ons geloof helder en vast mag opzien op het verzoenend bloed en op de volmaakte bedekking van de gerechtigheid van Christus. Mogen wij opnieuw tot U komen, uitsluitend steunend op Jezus: „Van de zondaars ben ik de voornaamste, maar Jezus stierf voor mij.” Moge dit onze enige, onwrikbare hoop zijn: dat Jezus is gestorven en opgestaan, en dat wij om Zijnentwil volkomen aangenomenaan gemaakt zijn in de Geliefde.

Moge het geweten van elk van Uw kinderen grondig gereinigd worden van alle dode werken, om de waarachtige en levende God ongestoord te dienen. Moge er geen donkere wolk zijn tussen ons en onze hemelse Vader — nee, zelfs geen enkele nevel, ja, zelfs niet die morgennevel die zo spoedig verdwijnt. Mogen wij altoos in het klare licht wandelen, zoals Gij, God, in het licht zijt. Moge onze gemeenschap met de Vader en met Zijn Zoon, Jezus Christus, hoog verheven zijn boven elke twijfel. Moge zij volkomen zijn. Moge zij ons hart met hemelse blijdschap vervullen. Moge zij vandaag een zeer wezenlijke, tastbare werkelijkheid zijn in ons leven. Mogen wij haar ten volle genieten, en zo vast weten in Wie wij geloofd hebben, weten Wie onze Vader is, weten Wie het is Die in ons woont — ja, de Heilige Geest Zelf.

Neem alles van ons weg wat ons in dit uur zou kunnen verhinderen om ons met heel ons hart in God te verlustigen. Mogen wij vandaag met de hoogste, kinderlijke vreugde tot onze God komen. Mogen wij van Hem spreken als van „den God der blijdschap mijner verheuging”; ja, mijn eigen, getrouwe God is Hij. O God, geef ons het diepe besef dat U gans en al de onze bent. Mogen wij tot U naderen zonder enige twijfel, en zonder wat dan ook dat de schone eenvoud zou kunnen bederven van een kinderlijk geloof, dat stoutmoedig opziet naar het grote aangezicht van God en uitroept: „Onze Vader, Die in de hemelen zijt!”

En ach, er zijn er onder ons die zich nog nooit van hun zonde bekeerd hebben en nooit in Christus hebben geloofd, en daarom blijft de dreigende toorn van God onveranderd op hen rusten. Zij leven moedwillig zonder God. Zij leven in de diepste duisternis. O God, zie in Uw grote, vrije barmhartigheid genadig naar hen om. Zij zien weliswaar in hun blindheid niet naar U om, maar zie Gij Zelf dan in ontferming naar hen om! Moge de zondaar zijn eigen diepe zonde zien en daarover vurig treuren, zijn heerlijke Zaligmaker zien en Hem onvoorwaardelijk aannemen, zichzelf eeuwig behouden zien en zijn levensweg met heilige blijdschap vervolgen. Vader, schenk ons dit toch uit genade!

Nogmaals smeken wij U: zegen Uw eigen kerk. Heere, verlevendig het ingeslapen geestelijk leven van Uw gelovigen. U hebt Uw kerk grote werkzaamheid en ijver geschonken, en daarvoor danken wij U uit de grond van ons hart. Maar moge die uiterlijke werkzaamheid altijd gedragen worden door een even rijk, diep inwendig leven! Laat ons niet zoals Martha hier en daar druk in de weer zijn, en vergeten om met Maria stil aan Uw voeten te zitten. Heere, geef Uw kerk die vurige liefde tot de sterke, zuivere leer weer terug. Moge Uw eeuwige waarheid opnieuw zegevieren over alle dwaling. Zuiver Uw kerk krachtig van hen die anderen trachten af te leiden van de waarheid zoals die enkel is in Jezus, en geef ons die oude, apostolische kracht terug, ja, geef ons nog veel meer! Schenk ons een Pinksteren, ja, vele Pinksteren in één! En mogen wij het in onze dagen beleven dat Uw kerk mag uitblinken: zuiver als de heldere zon, schoon als de maan en schrikkelijk als slagorden met uitgestrekte banieren.

God geve dat wij betere, rijkere dagen mogen beleven. Maar als er in deze laatste, bonde dagen zware, benauwde tijden over ons komen, maak ons dan standvastig en getrouw. Verwek in Engeland, verwek in Schotland mannen die de eeuwige waarheid stevig en onwrikbaar vasthouden zoals hun godvrezende vaders deden. Verwek in elk land waar eens een getrouwe kerk is geweest, mannen en vrouwen die het schip niet op de rotsen laten te pletter drijven. O God van de Richteren, Gij Die eertijds eendrachtig de een en dan de ander verwekte wanneer Uw volk jammerlijk afdwaalde, verwek ook voor ons in dit uur nog — nu onze grote Jozua’s zijn heengegaan — onze Debora’s, onze Baraks, onze Gideons en Jefta’s en Samuëls, die onverschrokken voor God Zijn waarheid zullen handhaven en de vijanden van Israël zullen verslaan! Heere, zie Uw kerk genadig aan in deze donkere dagen. Heere, maak ons weer levend. Heere, herstel ons volkomen. Heere, geef Uw Woord opnieuw die onoverwinnelijke kracht, opdat Uw Naam krachtig verheerlijkt wordt.

Gedenk de kerk van God in dit land, in al haar verschillende gestalten en delen, en stort Uw Heilige Geest rijk over haar uit. Gedenk de grote menigte van Uw volk aan de overzijde van de zee, in Amerika; doe hen geestelijk voorspoedig zijn en zegen hen met de rijke wasdom van God. En overal waar U op aarde een volk hebt, moge de dierbare Jezus altijd bij hen wonen en Zich heerlijk aan de Zijnen openbaren, alles om Christus’ wil, aan Wie de lof en de heerlijkheid zij, tezamen met de Vader en met de Heilige Geest, tot in alle eeuwigheid. Amen.

© Vertaling C. H. Spurgeon’s Prayers door Teun van der Plas

Steun ons met een donatie

Uw steun helpt ons om Het Spurgeon Archief in stand te houden. Dankzij uw bijdrage kunnen wij ons werk voortzetten en dit waardevolle archief gratis aanbieden en vrijhouden van reclame en commerciële invloeden.

Wij danken u hartelijk voor uw steun en betrokkenheid!

Archiefhulpmiddelen

Contact

Heeft u een tekstfout gevonden, of heeft u een vraag? Stuur dan een E-mail naar: [email protected]

Over de Auteur

C.H. Spurgeon

1834 – 1892 Was een Engelse baptistenpredikant in de puriteinse traditie. Belangrijke onderwerpen uit zijn prediking waren de vergeving van zonden en de noodzaak van wedergeboorte.

Onze Socials:

Copyright & Content