Uitgesproken door C. H. Spurgeon op zondagavond 29 september 1889 in de Metropolitan Tabernacle, Newington, Londen. Bestemd voor lezing op zondag 26 november 1893, Metropolitan Tabernacle Pulpit, deel 39.
Gij waart mij zeer liefelijk; uw liefde was mij wonderlijker dan liefde der vrouwen. 2 Samuel 1:26
David was een dichter. Toen hij merkte dat zijn liefste vriend door de pijlen van de Filistijnen gevallen was, weende hij zeer — en daarna gaf hij zijn hart lucht door die zeer schone klaagzang te schrijven die later „Het lied van de boog” genoemd werd. Zelfs wanneer men Davids klaaglied beoordeelt naar de maatstaven van de letterkundige smaak, moet het tot de beste dichtwerken gerekend worden. Zo probeerde David de gedachtenis aan zijn vriend levend te houden; het lied was als een gedenkteken voor hem bedoeld. Vrienden als Jonathan zijn zeldzaam, en hebben wij ze gehad, dan moeten wij hen niet vergeten. Het is treurig dat de vriendschap in deze tijd spreekwoordelijk een broos ding is. Vrienden zijn als zwaluwen die in onze zomer bij ons zijn en verdwenen zijn wanneer de vochtige herfstnevels opkomen.Heeft iemand een trouwe vriend, laat hij hem dan met stalen banden aan zich binden! En verliest hij hem, laat hij dan weten dat hij iets verloren heeft wat zeer moeilijk te vervangen is, en laat hij zijn vriend niet vergeten al ligt die onder de zoden. De ware vriendschap richt graag gedenktekens op voor de gestorvenen. Wij bewaren aandenkens aan de geliefden die wij verloren hebben. Wij denken graag aan de gelukkige dagen die wij samen doorgebracht hebben, en wij laten de dierbare naam niet uit de herinnering van de mensen uitwissen.
Toen ik over dit onderwerp nadacht, zei ik tegen mijzelf: „Vanavond zal ik velen zien die de Heere Jezus Christus liefhebben. Ik zal tegenover duizenden staan die Hem liefhebben als hun eigen ziel.” Ik geloof dat dat voorrecht mij nu ten deel valt. Welnu, geliefde vrienden, laten wij die Christus liefhebben Hem altijd in gedachtenis houden. Kunt u van Zijn Naam spreken, zwijg dan niet. Kunt u muziek maken ter ere van Jezus in de grote gemeente, neem dan de harp van de speelman ter hand, leg uw vingers tussen de snaren en breng de zoetste muziek voort voor Zijn dierbare Naam, opdat duizenden het horen! Maar hebt u een zwakker instrument, zing of speel dan voor de twee of drie en laat hen die u liefhebben weten dat u uw Heere het meest van al liefhebt! Of laat uw tong u in de steek, gebruik dan uw pen om mensen te laten weten Wie Jezus is. Zeg met de psalmdichter: Mijn hart geeft een goede rede op; ik zegge mijn gedichten uit van een Koning.
Wat zullen wij doen om de Naam van Christus onder de mensenkinderen levend te houden? Laten wij vindingrijk zijn en dikwijls de winden en de golven het verhaal van Zijn leven en liefde laten dragen naar hen die het niet kennen. Ik zou iemand in het oor willen fluisteren: „Als u Jezus liefhebt, hoe komt het dan dat u nooit aan Zijn tafel bent?” Is er een manier om Hem in gedachtenis te houden die beter is dan alle andere, dan is het die welke Hij Zelf gekozen heeft: doet dat tot Mijn gedachtenis. Hoe verontschuldigt u zich, u die Christus liefhebt en dit liefdesmaal nooit gehouden hebt? Dit is een van de verzoeken die Hij deed toen Hij ging sterven: „Kom bijeen en gedenk Mij.” En toch, hoewel u zegt dat u Hem liefhebt — en ik zal de waarheid van wat u zegt niet betwisten — hebt u nooit gehoor gegeven aan Zijn liefdevolle verzoek en bent u nooit gekomen om het brood te eten en uit de beker te drinken die de gedachtenistekenen zijn van Zijn gebroken lichaam en Zijn vergoten bloed. David, u kon over Jonathan zingen, hoewel er geen wet was die u dat gebood! Wat zult u dan zeggen van sommigen die de Christus van God beter liefhebben dan u Jonathan liefhad, en die Hem toch nooit herdacht hebben op de wijze waarop Hij gevraagd heeft herdacht te worden, maar die het zoete vergeet-mij-niet van de avondmaalstafel achter hun rug geworpen hebben?
Laat dat als inleiding staan. Moge de Heere ons hart nu stemmen terwijl wij aan twee dingen denken. Het eerste is het kleine voorbeeld: de liefde van Jonathan tot David. Het tweede is het oneindige tegenbeeld: de liefde van Christus tot mensen. Misschien is het vanavond het zoetst als ieder van ons kan zeggen: „De liefde van Christus tot míj. Die mij liefgehad heeft, en Zichzelven voor mij overgegeven heeft.” Die uitdrukking sluit aan bij de woorden van de tekst: uw liefde was mij wonderlijker dan liefde der vrouwen.
I. Ten eerste dan moeten wij even nadenken over DE LIEFDE VAN JONATHAN TOT DAVID.
Die van Jonathan was een bijzondere liefde vanwege de zuiverheid van haar oorsprong. Jonathan had David lief uit grote bewondering voor hem. Toen hij hem terug zag komen met het hoofd van Goliath in zijn hand, had hij hem lief zoals een soldaat een soldaat liefheeft, zoals een dappere man een andere dappere man liefheeft. Hij voelde dat die jongeman uit het goede hout gesneden was. En hoewel Jonathan de zoon van de koning was en de troonopvolger, lezen wij dat hij zijn mantel afdeed dien hij aan had, en gaf hem aan David, ook zijn klederen, ja, tot zijn zwaard toe, en tot zijn boog toe, en tot zijn gordel toe. Hij voelde dat zo’n held, die zo op zijn God kon vertrouwen en zijn leven zo kon wagen en er zo overwinnend uit kwam, zijn uiterste liefde verdiende. Zij kwam niet voort uit eigenbelang — zij kwam niet voort uit verwantschap — maar zij kwam voort uit de gelijkenis die Jonathan zag tussen zijn eigen aard en die van David. Het was de ene dappere man die de andere liefhad.
De liefde van Jonathan bleek ook zeer innig te zijn. Er staat: Jonathan beminde hem als zijn ziel. Hij zou op elk ogenblik zijn leven opgeofferd hebben om het leven van David te bewaren. Ik twijfel er zelfs niet aan dat Jonathan het leven van David veel waardevoller achtte dan het zijne, en dat hij zeer bereid was zichzelf aan gevaar bloot te stellen opdat David bewaard zou blijven. De liefde van Jonathan was zeer innig. Mochten wij meer van dit soort liefde onder christenen zien! Mochten zij elkaar liefhebben om Christus’ wil en om de liefde van God die zij in elkaar zien — en mochten zij vurig zijn in hun genegenheid!
De liefde van Jonathan was zeer belangeloos, want zoals ik al zei, was Jonathan de troonopvolger, maar David was door Samuël tot koning gezalfd. Het koninkrijk zou van het huis van Saul weggenomen en aan het huis van David gegeven worden. Het zou heel natuurlijk geweest zijn als de jonge prins Jonathan eerst afgunst en daarna haat tegen David had gevoeld, omdat die zijn plaats zou innemen. Maar in plaats daarvan zei hij op een dag zeer aandoenlijk tot hem: gij zult koning worden over Israel, en ik zal de tweede bij u zijn. Hij was van plan zijn vriend en zijn helper te zijn en zich erin te verheugen David de kroon te zien dragen die zijn eigen voorhoofd had kunnen sieren. Gelukkige Jonathan, die zich zo op de achtergrond kon stellen en kon voelen dat, als David de eerste was, dat juist was wat hij zelf verlangde! Die vriendschap waarin iemand zich ter wille van een ander opzij kan zetten, is nog niet zo gewoon dat wij haar op elke straathoek vinden.
De liefde van Jonathan hield stand onder alle tegenstand, want hij merkte al gauw dat zijn vader Saul in zijn zwarte hart David haatte. Saul kon de gedachte niet verdragen dat een ander de plaats zou innemen die hij voor zichzelf begeerde, hoewel hij het zelf niet verdiende die te behouden. Hij wilde David dood zien, en omdat Jonathan de partij van David koos, was Saul buitengewoon toornig en maakte hij Jonathan het leven zwaar. Toch verwierp Jonathan zijn vriend niet; hij bleef David aanhangen in goed gerucht en in kwaad gerucht. Jonathan was trouw aan zijn vader en zeer gehoorzaam aan hem, maar toch wilde hij zijn vriend David niet opgeven, en hij zou eerder de speer van Saul riskeren dan een einde maken aan de vriendschap tussen hem en de uitverkoren knecht van God.
En deze liefde was zeer werkzaam, want u weet hoe hij bij zijn vader voor David pleitte. Hij ging het veld in en overlegde met David. Hij bedacht plannen en middelen om David te bewaren, en bij één gelegenheid lezen wij dat hij ging tot David in het woud; en hij versterkte zijn hand in God. Ja, zijn liefde was geen zaak van louter praten — zij was echt, praktisch en werkzaam; het was een liefde die nooit faalde. Toen de pijl van de Filistijn door het hart van Jonathan ging op de berg Gilboa, trof hij de naam van David die daar gegrift stond —
„Hij had hem lang en innig lief,
en had hem lief tot in de dood”,
Vrij vertaald; om de betekenis te bewaren is het rijm losgelaten.
zodat David naar waarheid kon zeggen: uw liefde was mij wonderlijker dan liefde der vrouwen. Nu, lieve vrienden, denkt u niet dat zo’n verhaal als dat van Jonathan en David in ons niet zozeer het verlangen moet opwekken zó’n vriend te hébben, maar zó’n vriend te zíjn als Jonathan voor David was? Iedereen kan zelfzuchtig verlangen een Jonathan te hebben, maar wie een David zoekt voor wie hij een Jonathan zijn kan, is op het goede spoor! Er is grote vreugde in een leven met echte vriendschap aan beide kanten. Sommige mensen verwachten dat de vriendschap altijd haar schatten over hen uitstort, maar de ware vriendschap heeft twee handen, twee voeten en twee ogen. U kunt geen werkelijke vriendschap hebben die alleen maar neemt en nooit geeft. David had Jonathan lief zoals Jonathan David liefhad. Moge die gezegende Geest van God, Die ons leert zelfs onze vijanden lief te hebben, ons helpen geheiligde vriendschappen aan te kweken en ons bereid maken onze broeders en zusters in Christus in tijden van nood te helpen!
Meer zal ik over dat deel van mijn onderwerp niet zeggen, maar ik hoop dat het sommigen zal bestraffen die helemaal geen vrienden zijn. O, hoe vaak hebben wij zulke mensen ontmoet! Zij zijn zeer vriendschappelijk zolang hun benen onder uw mahoniehouten tafel staan, maar zij zijn niet zo vriendschappelijk wanneer u geen mahonie meer hebt en nauwelijks een vurenhouten tafel over is. Zij vinden u geweldig zolang u een ladder kunt zijn waarlangs zij de muur van de voorspoed beklimmen, maar wanneer zij boven op de muur staan, zeggen zij maar al te vaak dat zij die ladder van hun leven nog nooit gezien hebben — en u mag hem weer meenemen! Wij zien dat soort dingen voortdurend onder de mensen van de wereld. Moge het onder christenen niet zo zijn! Mogen wij trouw zijn aan allen die onze vrienden zijn, zoals wij ook edelmoedig willen zijn tegenover onze vijanden, als wij die hebben!
II. Maar nu wil ik spreken over iets wat zoeter en zekerder is: DE LIEFDE VAN CHRISTUS TOT MIJ.
Ik gebruik het persoonlijk voornaamwoord omdat het in de tekst staat: uw liefde was mij wonderlijk. Ik hoop dat velen hier geholpen worden om datzelfde voornaamwoord ieder voor zichzelf te gebruiken. Ik wil vanavond eigenlijk niet preken; ik wil liever een soort gids zijn, om de oefening voor te doen die anderen dan zelf kunnen nadoen. Ik ga spreken over een liefde die, naar ik hoop, velen voelen, en nog sterker dan de spreker — en laat het het streven van ieder van ons zijn Christus meer en meer lief te hebben. Laten wij aan Christus denken alsof Hij hier vanavond tegenwoordig is, want dat is Hij ook, naar Zijn belofte: Ik ben met ulieden al de dagen tot de voleinding der wereld. Daar staat Hij! Met gesloten ogen ziet het geloof Hem, en het roept uit: uw liefde was mij wonderlijk.
Ik denk dat wij dit het sterkst voelen wanneer wij onze Zaligmaker zien sterven. Ga aan de voet van het kruis zitten en zie omhoog. Aanschouw dat heilige voorhoofd met de doornenkroon erop. Zie die gezegende ogen, rood van het wenen. Let op die doorboorde handen die eens zegeningen uitdeelden. Kijk naar die bloedende voeten die zich haastten op boodschappen van barmhartigheid. Kijk, totdat u in die geopende zijde kunt zien — hoe diep die wond, hoe wijd die opening! Zie hoe het water en het bloed eruit stromen! Dit is de Heere van het leven en de heerlijkheid, Die zo sterft onder spot en hoon, de Rechtvaardige lijdend voor de onrechtvaardigen, om ons tot God te brengen!
O, kunt u zich Christus aan het kruis voorstellen en geloven dat Hij voor u gestorven is, dan zult u ertoe gebracht worden uit te roepen: „Uw liefde tot mij was wonderlijk, meer dan de liefde van moeders of van echtgenoten! Uw liefde tot mij was — ik kan niet beschrijven wat zij was — zij was wonderlijk, zo vol wonderen als de hemel vol sterren is, of als een woud vol bladeren. Uw liefde, zoals ik haar zie in Uw dood, was wonderlijk.” Ziet u David voor u, die dit zegt terwijl hij denkt aan het lichaam van Jonathan, doorboord door de pijlen van zijn vijanden? Wilt u vanavond in uw verbeelding zo staan bij het lichaam van uw Zaligmaker, terwijl u het in specerijen gewikkeld ziet en gelegd in het graf van Jozef van Arimathea? Voordat de steen voor de opening van het graf gewenteld wordt, wilt u dan naar die verminkte gestalte kijken en zeggen: „Waarlijk, Uw liefde tot mij was wonderlijk”?
Geliefde vrienden, wij voelen soms alsof onze liefde tot onze gestorvenen opnieuw hoog zou opvlammen als zij terug konden komen. U hebt verloren — nee, ik zal oude wonden niet openrijten — wij hebben allen dierbaren verloren, en uw droefheid was groot toen u hen in het graf legde. Maar als u vanavond thuiskwam en u vond in die kamer van u de geliefde teruggekeerd zitten, dan denk ik dat uw liefde plotseling in verrukking zou opspringen en groter zou zijn dan zij ooit tevoren was! „Is mijn man tot mij teruggekeerd? Is mijn vrouw bij mij terug? Is mijn moeder, mijn kind, mij weergegeven?” O, wat een feest van liefde zou onze ziel hebben als er zo’n hereniging in onze beroofde huisgezinnen kon zijn!
Welnu, bedenk dat Hij Die voor ons stierf weer opgestaan is — Hij leeft, de grote Verlosser leeft! Hij leeft met onze liefde nog altijd in Zijn hart! Hij leeft om ons in Zijn eeuwige heerlijkheid even sterk lief te hebben als toen Hij op aarde onder schande en spuwen leefde! Kom, geef uw liefde ruimte vanavond, terwijl u Hem als gestorven gedenkt maar u in Hem als de Levende verheugt! Ik denk ook dat wij soms de grootste liefde tot dierbare vrienden voelen wanneer wij anderen hen zien smaden. Toen David merkte dat het lichaam van Jonathan door de Filistijnen onteerd was — dat zij de lichamen van koning Saul en zijn zonen weggenomen hadden om ze aan de muur van Beth-San te hangen — toen was hij zwaar bedroefd en brak zijn liefde opnieuw uit in zuchten, kreten en tranen.
En ik moet vanavond zeggen dat ik mijn Heere des te meer liefheb vanwege de beledigingen die anderen op Hem stapelen. Wanneer ik de laatste tijd boeken zie die tegen Zijn verzoenend offer geschreven zijn, wanneer ik mensen tegenkom die zich christen noemen en die lichtvaardig spreken over de heilige verzoening en zelfs over de goddelijke Persoon van het grote Offer, dan brandt mijn hart eerst van verontwaardiging tegen die verraders — ware opvolgers van Judas — en dan roept mijn ziel uit: „Mijn Zaligmaker, om de oneer die zij U aandoen, heb ik U des te meer lief! Om de schande die zij opnieuw op U werpen, alsof U honderdmaal gekruisigd was, beloof ik U te dienen met honderdvoudige geestdrift en met een samengebalde kracht van liefde, want Uw liefde tot mij was wonderlijk.”
Sommigen kunnen lichtvaardig over Christus spreken. Misschien hebben zij nooit zo’n liefde gekend als Hij aan mij bewezen heeft. Sommigen kunnen Zijn bloed verachten. Misschien zijn zij nooit van zulke zonden gewassen als de mijne. Sommigen denken gering over het geloof in Hem. Misschien hebben zij nooit zo’n gemeenschap met Hem gehad als mijn hart gekend heeft. Ik moet van Hem zeggen: „Uw liefde tot mij was, is en zal altijd wonderlijk zijn, alle liefde te boven gaand die in hemel of op aarde denkbaar is.”
Laat mij nu in het kort de geschiedenis van die liefde vertellen — het is een lange geschiedenis: de liefde van Christus tot mij. Een deel van haar wonder ligt in het voorwerp van deze liefde: dat zij aan míj geschonken werd! „Uw liefde tot mij.” Lieve broeder, lieve zuster, wilt u er nu eens met uzelf over spreken? „Het is een wonder dat Christus wie dan ook liefheeft, maar is het niet het grootste wonder van alle dat Hij míj liefheeft? Wie ben ik en wat is het huis van mijn vader, dat Christus mij zou liefhebben?” —
„Wat was er in u dat achting verdiende,
of de Schepper verblijden kon?”
Vrij vertaald; om de betekenis te bewaren is het rijm losgelaten.
Uw liefde tot míj! Er was bijzondere onwaardigheid — er waren veel redenen waarom de liefde mij voorbij had moeten gaan, maar Uw liefde tot mij was wonderlijk, dat U mij uitkoos. Vertel het in de hemel dat er geen groter wonder is dan dat Christus míj zou liefhebben! En wanneer u daar komt, zeg dan tegen alle lichtende geesten voor de troon van God: „Er is in de zaligheid van u allen geen groter wonder dan er is in mijn zaligheid. Uw liefde tot míj, mijn Heere” — en u zult aanbiddend aan de voeten van Christus buigen terwijl u het zegt — „Uw liefde tot mij was wonderlijk.”
Leg vervolgens de nadruk op het eerste woord: „Úw liefde tot mij”, en u hebt een ander deel van het wonder, dat namelijk ligt in de Gever van deze liefde. Dat een mens mij liefheeft — wel, behoren mensen hun soortgenoten niet lief te hebben? Maar dat God mij liefheeft, dat de Oneindige, de onvoorstelbaar Liefelijke, Wiens beeld van wat beminnelijk is ver boven alle menselijk begrip moet uitgaan — dat Híj mij liefheeft, dat is werkelijk een wonder! Kunt u het zich voorstellen, dat God, Die groter is dan de onmetelijkheid, Wiens leven langer is dan de tijd, dat God, de alles omvattende, u zou liefhebben? Dat Hij aan u zou denken, u zou beklagen, u zou gadeslaan — dat is al heel wat. Maar dat Hij u zou líefhebben, dat Zijn hart naar u uitgaat, dat Hij u verkiest, dat Hij u in de beide handpalmen gegraveerd heeft, dat Hij zonder u niet in de hemel rusten wil, dat Hij de hemel niet volmaakt acht totdat Hij u daar gebracht heeft, dat u de bruid zou zijn en Christus de Bruidegom, dat er een eeuwige liefde tussen Hem en u zou zijn — o, terwijl u eraan denkt, hef uw handen op in aanbiddende verwondering en zeg: „Uw liefde tot mij was wonderlijk.”
Begin nu, als u kunt, na te denken over het begin van deze liefde. Wanneer is God Zijn uitverkorenen gaan liefhebben? Er was een tijd waarop Hij begon de werelden te maken, maar van eeuwigheid af heeft Hij Zijn uitverkorenen liefgehad. Vóór de eerste lichtflits de oorspronkelijke duisternis verlichtte, had God Zijn volk lief! Vóór de eerste polsslag van het leven in menselijke lichamen kwam, lang voordat er zoiets als mannen en vrouwen bestond, had Hij Zijn eigen volk lief.
Hij zag hen in de spiegel van de voorbeschikking en de voorkennis, en Hij had hen lief. Zijn vermakingen waren zelfs toen al met de mensenkinderen. Zijn liefde had geen begin; zij was als Hijzelf, uit zichzelf bestaand, uit zichzelf beginnend — en er is nooit een tijd geweest waarin God Zijn eigen volk niet liefhad. Denk aan dat wonder van genade, dat zo’n stofje als u van eeuwigheid af bemind zou zijn! Dat zo’n handvol as als ik ben van vóór alle werelden bemind zou zijn! Verkondig het als met bazuingeschal, want God heeft het gezegd: Ik heb u liefgehad met een eeuwige liefde; daarom heb Ik u getrokken met goedertierenheid.
De liefde van Christus is dus wonderlijk in haar begin. En toen zij op mij begon te werken, was zij nog altijd wonderlijk, want wat deed ik? Ik weigerde haar. Toen Christus in de gewaden van de liefde tot mij kwam en Zich aanbood om door mijn hart aangenomen te worden, zei ik Hem dat ik Hem niet wilde! Een wulpse wereld had mijn hart. Er was de duivel zelf in allerlei zondige gedaanten — en hij had mijn hand, en ik was van hem.
Was het bij sommigen van u niet net zo, dat Christus vele jaren naar uw hand gedongen heeft en u Hem niet wilde hebben? Hij kwam tot u, soms dreigend en soms nodigend. Hij kwam tot u door beschikkingen van Zijn voorzienigheid, door predikers, door boeken, door Zijn goede Geest. En toch, al keerde u Hem de rug toe, Hij keerde u nooit de rug toe. Hij liet Zich niet afschepen met een „nee” —
„Vastbesloten mij te redden, waakte Hij over mijn pad,
toen ik, satans blinde slaaf, met de dood speelde.”
Vrij vertaald; om de betekenis te bewaren is het rijm losgelaten.
Denk aan een man die laat op de avond wankelend uit een kroeg kwam, en toch was hij door God bemind! Of aan een dief wiens haar in de gevangenis kort geknipt werd, en toch was hij door God bemind — en hier zit hij vanavond aan de voeten van Jezus, zich verheugend in die liefde! O, wat zullen er in de hemel liederen zijn over de liefde van Christus tot Zijn volk, en over de afwijzingen die de dierbare Liefhebber van onze ziel te verduren kreeg in de treurige, treurige behandeling door goddeloze, eigenzinnige mensen! „Uw liefde tot mij was wonderlijk.”
En toen de liefde van Christus Hem ertoe bracht hier te komen en onze natuur aan te nemen, was dat niet wonderlijk? Hij regeerde op de troon in de hemel. Serafs en cherubs voerden met vreugde Zijn bevelen uit. Hij was God, en toch daalde Hij van dat koninklijk paleis af naar die stal in Bethlehem en naar de kribbe waar de gehoornde ossen aten. Hij is het! Hij is het — een kindje in doeken gewonden, dat de menselijke natuur in vereniging met Zijn godheid aanneemt omdat Hij ons liefhad!
Waarlijk, gezegend Kind, Dat ik in mijn armen zou willen nemen zoals Simeon deed, en zeggen: Nu laat Gij, Heere! Uw dienstknecht gaan in vrede naar Uw woord; Want mijn ogen hebben Uw zaligheid gezien. Uw liefde tot mij was wonderlijk! Zie Christus met de scepter van de hemel in Zijn hand, en zie Hem dan zitten op de rand van een put, sprekend met een overspelige vrouw! Aanschouw Hem terwijl de harpen van de engelen Zijn lof uitzingen, en zie Hem dan te midden van al het gepeupel van Jeruzalem dat Hem bespot en Hem toeroept van het kruis af te komen! Is Hij zo diep gebogen dat Hij een mens werd als wij, en boog Hij Zich nog dieper, tot in de dood toe, dan mag ieder geredde ziel wel tot Hem roepen: „Uw liefde tot mij was wonderlijk.”
Er is één ding dat de liefde van Christus wonderlijker maakt dan al het andere, en dat is dat Hij niet alleen onze natuur aannam, maar ook onze zónde. Kijk, schraap het bij elkaar, dat vuile goed dat God Zelf doet walgen wanneer Hij aan de mens denkt — ik bedoel de zonde en de bezoedeling van ons leven! Zie, de Heere heeft het alles op één vuile hoop bijeengebracht, genoeg om het heelal te doen verrotten — en Hij heeft het alles op Christus gelegd! En de grote Zondedrager neemt het op zich alsof het het Zijne was — maar dat was het niet! Hij lijdt ervoor, Hij draagt het vonnis van de gerechtigheid erover, en dan werpt Hij het alles weg in de afgrond van de vergetelheid waar het nooit meer gevonden zal worden! Mijn Zaligmaker, hebt U onze zonden in Zijn lichaam gedragen op het hout? Bent U veroordeeld tot mijn vrijspraak? Dan was waarlijk Uw liefde tot mij wonderlijk!
Ik weet niet hoe ik mijn tekst zo moet uitwerken dat hij bij ieder gelovige thuiskomt. Ik zou willen dat iedereen hier die de liefde van Christus werkelijk gekend heeft, mij zou helpen door zelf na te denken over het broederlijke en neerbuigende karakter van deze liefde. Er zijn tijden geweest waarin wij die de Naam van Christus liefhebben in moeite zaten en Hij ons zeer nabij was. Er zijn tijden geweest waarin men ons zwartmaakte en beschimpte — en Hij ons zo liefelijk toelachte! Er zijn tijden geweest waarin lichamelijke pijn ons zeer zwak maakte en Hij Zijn eeuwige armen onder ons legde.
Spreek zoals u het bevonden hebt, geliefden: hoe hebt u de Heere Jezus gevonden in uw donkere dagen, in uw zware dagen, in uw vermoeide dagen? Hebt u Hem niet een weergaloze Vriend bevonden? Ik kan van mijzelf getuigen dat er geen troost is als de Zijne! Er is geen glimlach als de Zijne! Er is geen aanraking van hulp als die van Zijn verlossende hand. „Uw liefde tot mij was wonderlijk.”
Wanneer ik het verhaal van Gods goedheid jegens mij verteld heb, heeft soms een christenvriend gezegd: „Hebt u dat allemaal niet opgeschreven?” „Nee”, heb ik geantwoord. „Wilt u er dan niet voor zorgen dat het allemaal opgeschreven wordt voordat u sterft?” Ik heb gezegd: „Nee, ik weet niet of ik dat wel zal doen.” Misschien sterft uw levensverhaal met u mee — en toch, zijn er niet zeer wonderlijke aanrakingen van de liefde van Christus in geweest? Zijn er geen vensters van agaat en poorten van karbonkel geweest waardoor u het gelaat van uw Heere gezien hebt? En kunt u vanavond, terugkijkend op uw pelgrimsweg van de eerste dag tot nu toe, niet zeggen: „Heere, U bent altijd bij mij geweest. Uw liefde tot mij was wonderlijk in neerbuigende, helpende omgang in de tijd van mijn nood”? Denk ook aan de vertroostende en zorgzame voorzieningen van de liefde van Christus. Soms bent u bijna uitgegleden, niet alleen wat de moeite betreft maar ook wat de zonde betreft. Niet alles in ons leven strekt tot onze eer — er zijn droevige ogenblikken geweest waarin het ongeloof binnengeslopen is op de rug van de onnadenkendheid en u bijna een twijfelaar was. Er zijn kwade ogenblikken geweest waarin de zonde zich in de verbeelding indrong en u bijna iets gedaan had wat uw ondergang geweest zou zijn.
Zijn er in uw leven geen tijden geweest waarin u getroffen werd en gevallen zou zijn als er niet Iemand geweest was om u vast te houden — bijna onbewust gevallen — en daar zou zijn blijven liggen om te sterven? Maar o, hoe heeft Jezus over u gewaakt en voor u gezorgd! Nooit heeft een moeder zoveel zorg aan haar kind besteed als Christus aan u! Wanneer u soms terugkijkt en de kuil ziet waarvoor u bewaard bent en waarin u had kunnen vallen — wanneer u een oude vriend ontmoet die jaren geleden naast u zong en nu een dronkaard of een godslasteraar is — dan mag u vragen: „Waarom is hij zo geworden, en ik niet? Wie heeft mij doen verschillen? Wat anders dan de genade van God heeft mij tot nu toe bewaard?” Ach, dan ziet u hoe de liefde van Christus tot u wonderlijk geweest is, de liefde van vrouwen te boven gaand!
Maar de liefde van Christus tot ons is nog het meest wonderlijk in haar plannen voor de toekomst. U weet niet en u kunt zich niet voorstellen wat Hij nog voor u doen zal! Bent u in moeite? Wel, de blijdschap komt in de morgen. Maar nu moet u de bittere beker drinken en geeft God u pillen die u niet lust. Neem ze uit Zijn hand, want zij zijn tot uw bestwil bedoeld. Het is nog maar een korte tijd en dan zullen droefenis en zuchting voor eeuwig wegvlieden!
Heeft een verlost mens hier enig begrip van hetgeen God bereid heeft dien, die Hem liefhebben? U zult staan onder de volmaakten en in- en uitgaan onder de heiligen! U zult zijn waar geen moeite u ooit bereiken zal, en waar zelfs het geruis en het slaan van een golf van droefheid uw oren nooit bereiken zal. U zult zijn waar het uw vreugde zal zijn God te dienen zonder vergissing, zonder overtreding en zonder verzuim. U zult het gelaat van de Koning in Zijn schoonheid aanschouwen, niet af en toe maar voor altijd, zonder een wolk of een sluier ertussen! U zult het uw genot vinden Hem te prijzen en uw stem zal gehoord worden tussen de koren van de verheerlijkten, terwijl u het Lam aanbidt Wiens liefde tot u zo wonderlijk geweest is.
En wat zullen uw bezigheden in de hemel zijn? Ach, dat kan ik u niet vertellen, maar het zullen bezigheden zijn die even eervol als heerlijk zijn! Ik heb u wel eens verteld waarvan ik soms droom dat het mijn deel in de heerlijkheid zal zijn: niet hier te staan en te preken voor een handvol mensen, al is het waarlijk een grote handvol, maar te staan op een of andere sterrenbol en te preken over Christus voor hele sterrenbeelden tegelijk, en mijn herinneringen aan Zijn zoete liefde uit te donderen voor tienduizenden wezens die nog nooit van Hem gehoord hebben, omdat zij nooit gezondigd hebben, maar die alle tijdingen zullen indrinken van wat Jezus voor zondige mensen gedaan heeft! En ieder van u zal, naar de mate waarin hij erin geoefend is, aan de overheden en de machten in den hemel de veelvuldige wijsheid Gods bekend maken! Er is ruimte genoeg voor u allen, want Gods heelal zal miljoenen op miljoenen boden nodig hebben om het alles door te trekken en het verhaal van de verlossende liefde te vertellen. En wij zijn, geloof ik, hier in opleiding voor dat eeuwige werk, om aan onmetelijke ruimten en ontelbare menigten van verstandige wezens die God geschapen heeft maar die nooit gevallen zijn, het verhaal bekend te maken van deze kleine planeet en van de God Die haar zo liefhad dat Hij hier kwam en stierf om Zijn volk zalig te maken van hun zonden.
Maak u gereed, broeders en zusters, voor de eeuwigheid die zo nabij is! Nog ongeveer een handbreed, en u en ik zullen in de eeuwigheid zijn! Zelfs als wij tachtig of negentig worden of de honderd jaren volmaken, is het maar een korte tijd en dan zullen wij deze donkere kusten verlaten hebben en geland zijn in de eeuwige helderheid van de eindeloze heerlijkheid — dat wil zeggen, als wij vandaag de liefde van Christus kennen en vandaag op Christus vertrouwen. Wij zullen voortgaan en voortgaan, altijd en eeuwig, en meer en meer van deze grote waarheid van God ondervinden: „Uw liefde tot mij was wonderlijk.” Laat nu ieder deze vraag beantwoorden: kunt u zeggen: Die mij liefgehad heeft, en Zichzelven voor mij overgegeven heeft? Zo niet, dan bent u een ongelukkig mens. God make u nog ongelukkiger, totdat u komt en op Jezus Christus ziet zoals de mensen op de koperen slang zagen — en zoals zij door hun zien genezen werden, zo mag u door uw zien vanavond levend gemaakt worden! Denk eraan —
„Er is leven door één blik op de Gekruisigde!
Er is leven op dit ogenblik voor u!
Zie dan, zondaar, zie op Hem en word behouden,
op Hem Die aan het hout genageld werd.”
Vrij vertaald; om de betekenis te bewaren is het rijm losgelaten.
Preek nr. 2336 · „The Love of Jonathan and the Love of Jesus”, over 2 Samuel 1:26. Uitgesproken door C. H. Spurgeon op zondagavond 29 september 1889 in de Metropolitan Tabernacle te Newington, Londen; bestemd voor lezing op zondag 26 november 1893, Metropolitan Tabernacle Pulpit, deel 39. De Engelse tekst is ontleend aan deel 003 (Deuteronomium–2 Samuël) van de reeks Spurgeon’s Sermons; zie ook spurgeon.org. Het werk is publiek domein.


